EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.SLOT VAN FLINKS VERHAAL.Den volgenden dag waren zij bezig met op het kronkelpad, dat naar het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen kokosboomen weg te ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens dat magazijn een bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis reeds een gezet had.Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer; de zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel, dat de regentijd voorbij moest zijn.Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld nauwelijks afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland ondernemen zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na rijp beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste wandeling naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden, om te berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden.Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgenszouden beiden opbreken. De reiszakken werden met gekookt pekelvleesch en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk gevuld. Ieder zou zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook zouden zij eene wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te wikkelen. Flink vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder, evenals op hun eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te merken.De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man:„Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne historie nog wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen, want mijn goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche gevangenschap was al mijn volgend leven eene voortdurende verwezenlijking van het spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van den wal in de sloot. Ik bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het koopvaardijschip gekocht had en naar mijne gedachten op den besten weg was om mijn fortuin te maken. Laat mij dus voortgaan.„Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene groote vloot naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig zeeman te zijn, en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al de kundigheden verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf behoorlijk te sturen en te regeeren.„Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar mijn vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder zijn bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen op een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen. Zoo, beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had bewezen, met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al te dikwijls het geval.„Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te Barbados zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was, dat ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen omdat ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;—met beschaming erken ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk, en ik was uiterst tevreden, dat hij het deed.„Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte tot eene groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen. Ik had te Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te koopen,die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik mij rijkelijk van de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch op mijn schip omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had betoond; het hadzich werkelijk beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons konvooi, en daar ik nu zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van vijandelijke kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben.„Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien nog wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak een hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai dreef. Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de haven aan te sturen, want de storm hield nog met groote woede aan.„Ik zelf was ’t hartelijk moe, zoo lang op het konvooi te wachten; daarbij wist ik nog, dat, als ik vóór de overige Westindievaarders in Engeland aankwam, dit mij tot groot voordeel kon strekken, en zoo besloot ik dan, om in plaats van andermaal in de baai terug te keeren, liever zonder bedekking naar Engeland koers te zetten en mij op de snelle vaart van mijne kiel en op de stukken, die ik aan boord had, te verlaten. Ik vergat daarbij, dat de verzekering van mijn schip en lading in Engeland enkel voor het geval was, dat ik in gezelschap voer, en dat, indien ik die voorzorg verzuimde, in geval van een ongeluk ook de gansche verzekering nietig zijn zijn moest.„Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang ging alles uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die, welke jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden ons dus niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het Kanaal aan, en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de gewenschte haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het gezicht kwam en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om bij den wind te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze groote steng weg.„Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich voorstellen kon.De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen den avond was ik een doodarm Fransch gevangene, want de verzekeringsgelden had ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime sop was ingegaan.„Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te wijten had. In allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna zes volle jaren verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk waagde ik met drie of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij hadden duizenderlei ellendedoor te staan en kwamen eindelijk op een Zweedsch schip, zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het lijf, om ons tegen de koude te bedekken, in Engeland aan.„Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar een plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand wilde mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig uit, en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan eindelijk mij als gemeen matroos vóór den mast te latenaanwerven.„Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om mijne diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te halen, en toen deze aan boord kwam, herkende ik—wien denkt gij wel?—niemand anders dan Sanders!„Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch bij den eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand toe. Ik had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik zoo beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik.„Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar vertelde ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te hebben, dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij bood mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor, om mij weer nieuw in de kleeren te steken.„Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon dat niet vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om vergiffenis.„Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend. Ik werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en deemoedig gemaakt.„Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op zijn schip, doch in ’t eind werd een ander voor mij voorgetrokken. Sedert dien tijd diende ik als gemeen matroos op verschillende schepen. Overal werd ik geacht en goed behandeld. Ik gevoelde mij, durf ik wel zeggen, nergens ongelukkig, want ik zag recht goed in, dat rijkdom mij slechts tot dwaasheden verleiden zou.„Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink. Ik hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, ’t leven en de vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog tot aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn.”„Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest,” zeide mevrouw Wilson, met tranen in de oogen; „en ik hoop, oude, beste vriend, dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen, gelukkigen ouderdom bereiken zult.”„Dank u wel, mevrouw,” hernam Flink; „maar over ’t algemeen hebben de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk, ik zou ’t overschot van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine eilandje ten einde brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders over denkt, en dat is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb niets te wachten, voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige bezigheid. Gij zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog veel van de toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van harte, dat men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige wereld kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne ’t overschot van mijn leven op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over mijn graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker voorgevoel van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel zeggen, dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij is.”„Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!” riep de heer Wilson. „Gij moet eens met ons terugkeeren en uw ouderdom in ons midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u aan onzen haard nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon koesteren. Gij hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog een gelukkigen ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne schuld niet zijn, als die hoop van mij niet vervuld wordt.”„De mijne evenmin,” voegde zijne vrouw er bij; „ik zou ontroostbaar zijn, als gij ooit van ons heengingt.”„Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte voor uwe goede bedoeling.—Beste Willem, wij moeten voor dag en voor dauw op en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt het thans, dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te spreken.”„Gij hebt volkomen gelijk,” antwoorddemijnheerWilson.

EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.SLOT VAN FLINKS VERHAAL.Den volgenden dag waren zij bezig met op het kronkelpad, dat naar het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen kokosboomen weg te ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens dat magazijn een bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis reeds een gezet had.Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer; de zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel, dat de regentijd voorbij moest zijn.Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld nauwelijks afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland ondernemen zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na rijp beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste wandeling naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden, om te berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden.Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgenszouden beiden opbreken. De reiszakken werden met gekookt pekelvleesch en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk gevuld. Ieder zou zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook zouden zij eene wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te wikkelen. Flink vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder, evenals op hun eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te merken.De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man:„Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne historie nog wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen, want mijn goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche gevangenschap was al mijn volgend leven eene voortdurende verwezenlijking van het spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van den wal in de sloot. Ik bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het koopvaardijschip gekocht had en naar mijne gedachten op den besten weg was om mijn fortuin te maken. Laat mij dus voortgaan.„Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene groote vloot naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig zeeman te zijn, en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al de kundigheden verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf behoorlijk te sturen en te regeeren.„Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar mijn vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder zijn bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen op een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen. Zoo, beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had bewezen, met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al te dikwijls het geval.„Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te Barbados zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was, dat ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen omdat ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;—met beschaming erken ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk, en ik was uiterst tevreden, dat hij het deed.„Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte tot eene groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen. Ik had te Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te koopen,die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik mij rijkelijk van de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch op mijn schip omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had betoond; het hadzich werkelijk beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons konvooi, en daar ik nu zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van vijandelijke kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben.„Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien nog wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak een hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai dreef. Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de haven aan te sturen, want de storm hield nog met groote woede aan.„Ik zelf was ’t hartelijk moe, zoo lang op het konvooi te wachten; daarbij wist ik nog, dat, als ik vóór de overige Westindievaarders in Engeland aankwam, dit mij tot groot voordeel kon strekken, en zoo besloot ik dan, om in plaats van andermaal in de baai terug te keeren, liever zonder bedekking naar Engeland koers te zetten en mij op de snelle vaart van mijne kiel en op de stukken, die ik aan boord had, te verlaten. Ik vergat daarbij, dat de verzekering van mijn schip en lading in Engeland enkel voor het geval was, dat ik in gezelschap voer, en dat, indien ik die voorzorg verzuimde, in geval van een ongeluk ook de gansche verzekering nietig zijn zijn moest.„Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang ging alles uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die, welke jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden ons dus niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het Kanaal aan, en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de gewenschte haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het gezicht kwam en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om bij den wind te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze groote steng weg.„Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich voorstellen kon.De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen den avond was ik een doodarm Fransch gevangene, want de verzekeringsgelden had ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime sop was ingegaan.„Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te wijten had. In allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna zes volle jaren verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk waagde ik met drie of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij hadden duizenderlei ellendedoor te staan en kwamen eindelijk op een Zweedsch schip, zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het lijf, om ons tegen de koude te bedekken, in Engeland aan.„Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar een plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand wilde mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig uit, en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan eindelijk mij als gemeen matroos vóór den mast te latenaanwerven.„Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om mijne diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te halen, en toen deze aan boord kwam, herkende ik—wien denkt gij wel?—niemand anders dan Sanders!„Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch bij den eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand toe. Ik had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik zoo beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik.„Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar vertelde ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te hebben, dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij bood mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor, om mij weer nieuw in de kleeren te steken.„Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon dat niet vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om vergiffenis.„Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend. Ik werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en deemoedig gemaakt.„Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op zijn schip, doch in ’t eind werd een ander voor mij voorgetrokken. Sedert dien tijd diende ik als gemeen matroos op verschillende schepen. Overal werd ik geacht en goed behandeld. Ik gevoelde mij, durf ik wel zeggen, nergens ongelukkig, want ik zag recht goed in, dat rijkdom mij slechts tot dwaasheden verleiden zou.„Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink. Ik hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, ’t leven en de vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog tot aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn.”„Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest,” zeide mevrouw Wilson, met tranen in de oogen; „en ik hoop, oude, beste vriend, dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen, gelukkigen ouderdom bereiken zult.”„Dank u wel, mevrouw,” hernam Flink; „maar over ’t algemeen hebben de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk, ik zou ’t overschot van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine eilandje ten einde brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders over denkt, en dat is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb niets te wachten, voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige bezigheid. Gij zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog veel van de toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van harte, dat men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige wereld kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne ’t overschot van mijn leven op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over mijn graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker voorgevoel van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel zeggen, dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij is.”„Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!” riep de heer Wilson. „Gij moet eens met ons terugkeeren en uw ouderdom in ons midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u aan onzen haard nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon koesteren. Gij hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog een gelukkigen ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne schuld niet zijn, als die hoop van mij niet vervuld wordt.”„De mijne evenmin,” voegde zijne vrouw er bij; „ik zou ontroostbaar zijn, als gij ooit van ons heengingt.”„Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte voor uwe goede bedoeling.—Beste Willem, wij moeten voor dag en voor dauw op en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt het thans, dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te spreken.”„Gij hebt volkomen gelijk,” antwoorddemijnheerWilson.

EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.SLOT VAN FLINKS VERHAAL.

Den volgenden dag waren zij bezig met op het kronkelpad, dat naar het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen kokosboomen weg te ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens dat magazijn een bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis reeds een gezet had.Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer; de zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel, dat de regentijd voorbij moest zijn.Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld nauwelijks afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland ondernemen zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na rijp beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste wandeling naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden, om te berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden.Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgenszouden beiden opbreken. De reiszakken werden met gekookt pekelvleesch en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk gevuld. Ieder zou zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook zouden zij eene wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te wikkelen. Flink vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder, evenals op hun eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te merken.De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man:„Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne historie nog wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen, want mijn goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche gevangenschap was al mijn volgend leven eene voortdurende verwezenlijking van het spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van den wal in de sloot. Ik bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het koopvaardijschip gekocht had en naar mijne gedachten op den besten weg was om mijn fortuin te maken. Laat mij dus voortgaan.„Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene groote vloot naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig zeeman te zijn, en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al de kundigheden verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf behoorlijk te sturen en te regeeren.„Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar mijn vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder zijn bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen op een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen. Zoo, beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had bewezen, met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al te dikwijls het geval.„Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te Barbados zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was, dat ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen omdat ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;—met beschaming erken ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk, en ik was uiterst tevreden, dat hij het deed.„Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte tot eene groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen. Ik had te Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te koopen,die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik mij rijkelijk van de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch op mijn schip omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had betoond; het hadzich werkelijk beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons konvooi, en daar ik nu zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van vijandelijke kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben.„Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien nog wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak een hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai dreef. Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de haven aan te sturen, want de storm hield nog met groote woede aan.„Ik zelf was ’t hartelijk moe, zoo lang op het konvooi te wachten; daarbij wist ik nog, dat, als ik vóór de overige Westindievaarders in Engeland aankwam, dit mij tot groot voordeel kon strekken, en zoo besloot ik dan, om in plaats van andermaal in de baai terug te keeren, liever zonder bedekking naar Engeland koers te zetten en mij op de snelle vaart van mijne kiel en op de stukken, die ik aan boord had, te verlaten. Ik vergat daarbij, dat de verzekering van mijn schip en lading in Engeland enkel voor het geval was, dat ik in gezelschap voer, en dat, indien ik die voorzorg verzuimde, in geval van een ongeluk ook de gansche verzekering nietig zijn zijn moest.„Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang ging alles uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die, welke jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden ons dus niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het Kanaal aan, en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de gewenschte haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het gezicht kwam en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om bij den wind te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze groote steng weg.„Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich voorstellen kon.De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen den avond was ik een doodarm Fransch gevangene, want de verzekeringsgelden had ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime sop was ingegaan.„Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te wijten had. In allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna zes volle jaren verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk waagde ik met drie of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij hadden duizenderlei ellendedoor te staan en kwamen eindelijk op een Zweedsch schip, zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het lijf, om ons tegen de koude te bedekken, in Engeland aan.„Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar een plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand wilde mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig uit, en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan eindelijk mij als gemeen matroos vóór den mast te latenaanwerven.„Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om mijne diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te halen, en toen deze aan boord kwam, herkende ik—wien denkt gij wel?—niemand anders dan Sanders!„Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch bij den eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand toe. Ik had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik zoo beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik.„Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar vertelde ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te hebben, dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij bood mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor, om mij weer nieuw in de kleeren te steken.„Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon dat niet vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om vergiffenis.„Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend. Ik werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en deemoedig gemaakt.„Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op zijn schip, doch in ’t eind werd een ander voor mij voorgetrokken. Sedert dien tijd diende ik als gemeen matroos op verschillende schepen. Overal werd ik geacht en goed behandeld. Ik gevoelde mij, durf ik wel zeggen, nergens ongelukkig, want ik zag recht goed in, dat rijkdom mij slechts tot dwaasheden verleiden zou.„Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink. Ik hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, ’t leven en de vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog tot aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn.”„Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest,” zeide mevrouw Wilson, met tranen in de oogen; „en ik hoop, oude, beste vriend, dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen, gelukkigen ouderdom bereiken zult.”„Dank u wel, mevrouw,” hernam Flink; „maar over ’t algemeen hebben de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk, ik zou ’t overschot van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine eilandje ten einde brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders over denkt, en dat is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb niets te wachten, voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige bezigheid. Gij zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog veel van de toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van harte, dat men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige wereld kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne ’t overschot van mijn leven op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over mijn graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker voorgevoel van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel zeggen, dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij is.”„Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!” riep de heer Wilson. „Gij moet eens met ons terugkeeren en uw ouderdom in ons midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u aan onzen haard nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon koesteren. Gij hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog een gelukkigen ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne schuld niet zijn, als die hoop van mij niet vervuld wordt.”„De mijne evenmin,” voegde zijne vrouw er bij; „ik zou ontroostbaar zijn, als gij ooit van ons heengingt.”„Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte voor uwe goede bedoeling.—Beste Willem, wij moeten voor dag en voor dauw op en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt het thans, dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te spreken.”„Gij hebt volkomen gelijk,” antwoorddemijnheerWilson.

Den volgenden dag waren zij bezig met op het kronkelpad, dat naar het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen kokosboomen weg te ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens dat magazijn een bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis reeds een gezet had.

Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer; de zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel, dat de regentijd voorbij moest zijn.

Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld nauwelijks afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland ondernemen zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na rijp beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste wandeling naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden, om te berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden.

Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgenszouden beiden opbreken. De reiszakken werden met gekookt pekelvleesch en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk gevuld. Ieder zou zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook zouden zij eene wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te wikkelen. Flink vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder, evenals op hun eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te merken.

De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man:

„Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne historie nog wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen, want mijn goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche gevangenschap was al mijn volgend leven eene voortdurende verwezenlijking van het spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van den wal in de sloot. Ik bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het koopvaardijschip gekocht had en naar mijne gedachten op den besten weg was om mijn fortuin te maken. Laat mij dus voortgaan.

„Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene groote vloot naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig zeeman te zijn, en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al de kundigheden verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf behoorlijk te sturen en te regeeren.

„Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar mijn vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder zijn bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen op een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen. Zoo, beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had bewezen, met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al te dikwijls het geval.

„Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te Barbados zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was, dat ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen omdat ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;—met beschaming erken ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk, en ik was uiterst tevreden, dat hij het deed.

„Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte tot eene groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen. Ik had te Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te koopen,die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik mij rijkelijk van de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch op mijn schip omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had betoond; het hadzich werkelijk beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons konvooi, en daar ik nu zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van vijandelijke kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben.

„Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien nog wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak een hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai dreef. Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de haven aan te sturen, want de storm hield nog met groote woede aan.

„Ik zelf was ’t hartelijk moe, zoo lang op het konvooi te wachten; daarbij wist ik nog, dat, als ik vóór de overige Westindievaarders in Engeland aankwam, dit mij tot groot voordeel kon strekken, en zoo besloot ik dan, om in plaats van andermaal in de baai terug te keeren, liever zonder bedekking naar Engeland koers te zetten en mij op de snelle vaart van mijne kiel en op de stukken, die ik aan boord had, te verlaten. Ik vergat daarbij, dat de verzekering van mijn schip en lading in Engeland enkel voor het geval was, dat ik in gezelschap voer, en dat, indien ik die voorzorg verzuimde, in geval van een ongeluk ook de gansche verzekering nietig zijn zijn moest.

„Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang ging alles uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die, welke jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden ons dus niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het Kanaal aan, en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de gewenschte haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het gezicht kwam en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om bij den wind te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze groote steng weg.

„Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich voorstellen kon.De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen den avond was ik een doodarm Fransch gevangene, want de verzekeringsgelden had ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime sop was ingegaan.

„Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te wijten had. In allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna zes volle jaren verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk waagde ik met drie of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij hadden duizenderlei ellendedoor te staan en kwamen eindelijk op een Zweedsch schip, zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het lijf, om ons tegen de koude te bedekken, in Engeland aan.

„Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar een plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand wilde mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig uit, en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan eindelijk mij als gemeen matroos vóór den mast te latenaanwerven.

„Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om mijne diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te halen, en toen deze aan boord kwam, herkende ik—wien denkt gij wel?—niemand anders dan Sanders!

„Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch bij den eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand toe. Ik had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik zoo beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik.

„Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar vertelde ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te hebben, dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij bood mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor, om mij weer nieuw in de kleeren te steken.

„Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon dat niet vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om vergiffenis.

„Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend. Ik werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en deemoedig gemaakt.

„Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op zijn schip, doch in ’t eind werd een ander voor mij voorgetrokken. Sedert dien tijd diende ik als gemeen matroos op verschillende schepen. Overal werd ik geacht en goed behandeld. Ik gevoelde mij, durf ik wel zeggen, nergens ongelukkig, want ik zag recht goed in, dat rijkdom mij slechts tot dwaasheden verleiden zou.

„Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink. Ik hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, ’t leven en de vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog tot aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn.”

„Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest,” zeide mevrouw Wilson, met tranen in de oogen; „en ik hoop, oude, beste vriend, dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen, gelukkigen ouderdom bereiken zult.”

„Dank u wel, mevrouw,” hernam Flink; „maar over ’t algemeen hebben de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk, ik zou ’t overschot van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine eilandje ten einde brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders over denkt, en dat is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb niets te wachten, voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige bezigheid. Gij zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog veel van de toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van harte, dat men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige wereld kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne ’t overschot van mijn leven op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over mijn graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker voorgevoel van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel zeggen, dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij is.”

„Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!” riep de heer Wilson. „Gij moet eens met ons terugkeeren en uw ouderdom in ons midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u aan onzen haard nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon koesteren. Gij hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog een gelukkigen ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne schuld niet zijn, als die hoop van mij niet vervuld wordt.”

„De mijne evenmin,” voegde zijne vrouw er bij; „ik zou ontroostbaar zijn, als gij ooit van ons heengingt.”

„Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte voor uwe goede bedoeling.—Beste Willem, wij moeten voor dag en voor dauw op en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt het thans, dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te spreken.”

„Gij hebt volkomen gelijk,” antwoorddemijnheerWilson.


Back to IndexNext