NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.HET NIEUWE HUIS.Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten en vensterkozijnen saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in de bocht was aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek een, in den grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken kokosstam boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden stam, die daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen werden dan omden ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast sloten, en men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te vullen, die dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven. Dit laatste werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het nieuwe huis langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de schoorsteen konden niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want daartoe had men of leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om ze daarmee en met steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor opengelaten. Drie weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig door. Toen de vier muren eens stonden, begon men met het dak en de bekleeding daarvan, welke laatste door middel van kokosbladen geschiedde, die, in bossen gebonden, door Flink op de wijze van een rieten dak saamgevoegd en met stevige prikken aan de balken vastgemaakt werden. Tegen het einde der derde week was de woning in zooverre gereed, dat zij toereikende beschutting tegen het weder verleende. Dat werd nu ook werkelijk hoog tijd, want het weder was allengs anders geworden; er begonnen zich wolken saam te pakken en de regentijd nam een begin. Na eenige regenvlagen helderde de hemel nog eens weder op.„Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen,” zeide Flink tot mijnheer Wilson. „Wij hebben hard gewerkt,maarmoeten nu een paar dagen nog harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te worden, zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken kan.”De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en met katoenen gordijnen, die men ’s nachts neerlaten kon. Daarna deden Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels en stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig had, werd nu in het huis gebracht, en bij ’t grootere zette men nog een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen gereed zouden zijn.Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht in het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. ’s Zondagsmorgens toch brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een geluk was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de windvlagen werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten en de kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem kronkelde door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl het water in stroomen uit de luchtviel en een tweede zondvloed in aantocht scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene schuilplaats onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de bedsteden, en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker, dat men, om iets te zien, de lichten moest aansteken. „Daar hebben we dus nu den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt, Flink,” zeide mevrouw Wilson. „Blijft dat weer lang zoo? Wat moeten we nu doen?”„Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal ook de zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan eens uit kunnen gaan, maar ’t kan ook vele dagen zonder ophouden regenen, en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het ons nooit aan werk zal ontbreken.”„Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder wij ons hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit te houden geweest zijn.”„Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust, voordat het huis gereed was.”Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet door het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op eene plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd worden, en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans weer met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm woedde den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust en droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden hadden.

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.HET NIEUWE HUIS.Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten en vensterkozijnen saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in de bocht was aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek een, in den grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken kokosstam boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden stam, die daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen werden dan omden ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast sloten, en men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te vullen, die dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven. Dit laatste werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het nieuwe huis langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de schoorsteen konden niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want daartoe had men of leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om ze daarmee en met steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor opengelaten. Drie weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig door. Toen de vier muren eens stonden, begon men met het dak en de bekleeding daarvan, welke laatste door middel van kokosbladen geschiedde, die, in bossen gebonden, door Flink op de wijze van een rieten dak saamgevoegd en met stevige prikken aan de balken vastgemaakt werden. Tegen het einde der derde week was de woning in zooverre gereed, dat zij toereikende beschutting tegen het weder verleende. Dat werd nu ook werkelijk hoog tijd, want het weder was allengs anders geworden; er begonnen zich wolken saam te pakken en de regentijd nam een begin. Na eenige regenvlagen helderde de hemel nog eens weder op.„Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen,” zeide Flink tot mijnheer Wilson. „Wij hebben hard gewerkt,maarmoeten nu een paar dagen nog harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te worden, zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken kan.”De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en met katoenen gordijnen, die men ’s nachts neerlaten kon. Daarna deden Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels en stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig had, werd nu in het huis gebracht, en bij ’t grootere zette men nog een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen gereed zouden zijn.Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht in het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. ’s Zondagsmorgens toch brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een geluk was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de windvlagen werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten en de kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem kronkelde door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl het water in stroomen uit de luchtviel en een tweede zondvloed in aantocht scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene schuilplaats onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de bedsteden, en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker, dat men, om iets te zien, de lichten moest aansteken. „Daar hebben we dus nu den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt, Flink,” zeide mevrouw Wilson. „Blijft dat weer lang zoo? Wat moeten we nu doen?”„Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal ook de zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan eens uit kunnen gaan, maar ’t kan ook vele dagen zonder ophouden regenen, en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het ons nooit aan werk zal ontbreken.”„Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder wij ons hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit te houden geweest zijn.”„Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust, voordat het huis gereed was.”Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet door het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op eene plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd worden, en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans weer met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm woedde den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust en droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden hadden.

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.HET NIEUWE HUIS.

Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten en vensterkozijnen saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in de bocht was aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek een, in den grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken kokosstam boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden stam, die daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen werden dan omden ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast sloten, en men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te vullen, die dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven. Dit laatste werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het nieuwe huis langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de schoorsteen konden niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want daartoe had men of leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om ze daarmee en met steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor opengelaten. Drie weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig door. Toen de vier muren eens stonden, begon men met het dak en de bekleeding daarvan, welke laatste door middel van kokosbladen geschiedde, die, in bossen gebonden, door Flink op de wijze van een rieten dak saamgevoegd en met stevige prikken aan de balken vastgemaakt werden. Tegen het einde der derde week was de woning in zooverre gereed, dat zij toereikende beschutting tegen het weder verleende. Dat werd nu ook werkelijk hoog tijd, want het weder was allengs anders geworden; er begonnen zich wolken saam te pakken en de regentijd nam een begin. Na eenige regenvlagen helderde de hemel nog eens weder op.„Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen,” zeide Flink tot mijnheer Wilson. „Wij hebben hard gewerkt,maarmoeten nu een paar dagen nog harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te worden, zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken kan.”De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en met katoenen gordijnen, die men ’s nachts neerlaten kon. Daarna deden Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels en stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig had, werd nu in het huis gebracht, en bij ’t grootere zette men nog een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen gereed zouden zijn.Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht in het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. ’s Zondagsmorgens toch brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een geluk was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de windvlagen werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten en de kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem kronkelde door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl het water in stroomen uit de luchtviel en een tweede zondvloed in aantocht scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene schuilplaats onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de bedsteden, en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker, dat men, om iets te zien, de lichten moest aansteken. „Daar hebben we dus nu den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt, Flink,” zeide mevrouw Wilson. „Blijft dat weer lang zoo? Wat moeten we nu doen?”„Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal ook de zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan eens uit kunnen gaan, maar ’t kan ook vele dagen zonder ophouden regenen, en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het ons nooit aan werk zal ontbreken.”„Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder wij ons hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit te houden geweest zijn.”„Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust, voordat het huis gereed was.”Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet door het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op eene plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd worden, en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans weer met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm woedde den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust en droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden hadden.

Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten en vensterkozijnen saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in de bocht was aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek een, in den grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken kokosstam boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden stam, die daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen werden dan omden ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast sloten, en men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te vullen, die dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven. Dit laatste werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het nieuwe huis langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de schoorsteen konden niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want daartoe had men of leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om ze daarmee en met steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor opengelaten. Drie weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig door. Toen de vier muren eens stonden, begon men met het dak en de bekleeding daarvan, welke laatste door middel van kokosbladen geschiedde, die, in bossen gebonden, door Flink op de wijze van een rieten dak saamgevoegd en met stevige prikken aan de balken vastgemaakt werden. Tegen het einde der derde week was de woning in zooverre gereed, dat zij toereikende beschutting tegen het weder verleende. Dat werd nu ook werkelijk hoog tijd, want het weder was allengs anders geworden; er begonnen zich wolken saam te pakken en de regentijd nam een begin. Na eenige regenvlagen helderde de hemel nog eens weder op.

„Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen,” zeide Flink tot mijnheer Wilson. „Wij hebben hard gewerkt,maarmoeten nu een paar dagen nog harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te worden, zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken kan.”

De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en met katoenen gordijnen, die men ’s nachts neerlaten kon. Daarna deden Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels en stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig had, werd nu in het huis gebracht, en bij ’t grootere zette men nog een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen gereed zouden zijn.

Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht in het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. ’s Zondagsmorgens toch brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een geluk was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de windvlagen werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten en de kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem kronkelde door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl het water in stroomen uit de luchtviel en een tweede zondvloed in aantocht scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene schuilplaats onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de bedsteden, en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker, dat men, om iets te zien, de lichten moest aansteken. „Daar hebben we dus nu den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt, Flink,” zeide mevrouw Wilson. „Blijft dat weer lang zoo? Wat moeten we nu doen?”

„Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal ook de zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan eens uit kunnen gaan, maar ’t kan ook vele dagen zonder ophouden regenen, en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het ons nooit aan werk zal ontbreken.”

„Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder wij ons hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit te houden geweest zijn.”

„Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust, voordat het huis gereed was.”

Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet door het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op eene plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd worden, en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans weer met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm woedde den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust en droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden hadden.


Back to IndexNext