NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST.Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen naar het yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en drassig en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer een schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant tot een kleinen dam opgeworpen.Vervolgens ging men naar de plaats, waar de stekelbeziënstruiken groeiden. Van deze werden de noodige stekken en afleggers afgesneden en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was de avond niet gevallen, toen zij reeds, op negen of tien dekameters na, met sloot en heg gereed waren.„Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens ’t wel laten zullen er overheen te springen,” sprak Flink. „Bovendien kan Willem daar evengoed alleen mee klaar komen, als met behulp van ons beiden.”„Ja, dat wel, Flink,—maar niet zoo vlug.”„Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem. Zorg slechts, dat ge de honden ’s nachts vastlegt, zooals ik den verloopen nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de varkens zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer terugkomen.”„Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten kan.”„Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,—de ouden mogen wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon zal spoedig onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het avondeten.”Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf de laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot, de reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo namen zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren met een geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over den schouder geworpen.Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op te zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te volgen.Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten.„Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu men er niets levends meer kan ontdekken,” riep mijnheer Wilson. „Laat ons verder gaan, ’t wordt mij hier nu benauwd om het hart.”Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee uren de westkust bereikt, op ’t zelfde punt, waar zij ’t allereerst geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de overblijfsels van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het zand aan de bocht half bedolven lagen.Zij gingen dadelijk aan ’t zoeken, doch konden behalve enkele spieren en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had. Duigen en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en Flink meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon, als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch, waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak waren aangespoeld, geborgen hadden.„Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang geweest,” riep Flink; „ze hebben een meelvat opengemaakt. Hoe dat toeging, begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een scheur in geweest zijn, anders ware ’t hun zeker niet gelukt. Het linnen is, vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige nieuwe stukken, die ik aan land heb gebracht.—Nu moeten wij eens zien, mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier zijn enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is.”Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst; toen deze eindelijk met de bijl wasdoorgekapt, vond men dat het binnenste nog zeer goed was gebleven.„Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige vaten evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over gemaakt en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen we alle, ’t een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons middagmaal houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar malen gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en die smaken zullen.”Na het eten ging men opnieuw aan het werk. „Ik verlang toch te zien, wat dáárin mag wezen,” zeide mijnheer Wilson op de naaste kist wijzende.Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen, allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas, tulle en andere stoffen.„Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai bestemd,” zei mijnheer Wilson,„en misschien heeft ze bitter in angst gezeten, toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij het thans voor mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd vinden, zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn. Nu de tweede kist, Flink.”De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en men vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever gevuld waren.„Dat is echte Schiedammer,” zeide Flink. „Wat moeten wij daar mee aanvangen?”„Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij gelegenheid als geneesmiddel gebruiken,” antwoordde mijnheer Wilson. „Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend, dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen in het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede diensten doen.”Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies van gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai was.„Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan.”„Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter passen,” was het antwoord. „Niettemin is dit fijn Chineesche porselein ons even welkom als een eenvoudig stel en mag daarom niet versmaad worden.”„Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer,”riep Flink. „Weet gij, wat er in is?”„Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens na.”De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen, vond men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering van de buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden.„Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer goed: het bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven noodig is; verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo al meer, dat ik voor mijne kinderen bestemd had.”„Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene school oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het eiland bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen zijn.”„Dat willen wij hopen, vriend.—Nu het volgende vat.”„Wat daarin is kan men van buiten wel zien,—olie, die ons heel welkom is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert. Daar zijn evenwel nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen en bij gelegenheid wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het allerkostelijkste gedeelte van ons eigendom.”„En dat is?”„Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht, voordat het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer drijft niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner soort. Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen bindgaren, was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de beste orde.”„Dat is werkelijk voor ons van groote waarde, Flink.”„Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan gehad hebben,daar de beide wilden bij hare vlucht al ’t ijzer, dat zij meester konden worden, hebben meegepakt. ’t Was een geluk voor ons, dat zij niet bij al onzen voorraad konden komen.—Daar hebt gij nog meer van onzen buit: eenige wateremmers en ’t voornaamste gereedschap van onzen kok, waar Juno recht blij mee zal wezen. Hier zijn ook twee lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog eenige pakjes lampepitten op zijde gelegd; ja, ja, dat weet ik zeker,—en ze zullen wel weer voor den dag komen. Die vaten daar zijn ’t een met patronen, het ander metkruit; hier is nog een half vat met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook zes geweren, die evenwel ’tpoetsenwel noodig hebben. Nu, dat is ook bezwaarlijk anders te wachten.”„Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en toch—hoe goed hebben wij ons tot hiertoe ook zonder dat gered.”„O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we ’t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook beter in staat, om ’t in alle opzichten gemakkelijker in te richten dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar zijn nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven hebben.—Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en behoorlijke kasten en bedsteden maken.”„Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de voorraad is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die vrees voor een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon zetten,—me dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een recht genoeglijk leven kunnen leiden.”„Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u zoo te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart.”„Dat ben ik ook, Flink,—althans dat geloof ik. Misschien ook, dat het ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne gedachten zoozeer aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van het eiland verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene bezorgdheid heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt.”„Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;—maar laat ons nu met ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de scheepslijnen, de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot nog wel ergens toe gebruiken kunnen.”„Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want met behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit eiland opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien niet, dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney trok?”„Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker welnauwkeurigkunnen opgeven, welke ruimte ons weideland beslaat.”„O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn. Inmiddels zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet weer zoo spoedig hier zullen komen.”

NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST.Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen naar het yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en drassig en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer een schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant tot een kleinen dam opgeworpen.Vervolgens ging men naar de plaats, waar de stekelbeziënstruiken groeiden. Van deze werden de noodige stekken en afleggers afgesneden en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was de avond niet gevallen, toen zij reeds, op negen of tien dekameters na, met sloot en heg gereed waren.„Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens ’t wel laten zullen er overheen te springen,” sprak Flink. „Bovendien kan Willem daar evengoed alleen mee klaar komen, als met behulp van ons beiden.”„Ja, dat wel, Flink,—maar niet zoo vlug.”„Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem. Zorg slechts, dat ge de honden ’s nachts vastlegt, zooals ik den verloopen nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de varkens zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer terugkomen.”„Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten kan.”„Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,—de ouden mogen wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon zal spoedig onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het avondeten.”Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf de laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot, de reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo namen zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren met een geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over den schouder geworpen.Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op te zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te volgen.Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten.„Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu men er niets levends meer kan ontdekken,” riep mijnheer Wilson. „Laat ons verder gaan, ’t wordt mij hier nu benauwd om het hart.”Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee uren de westkust bereikt, op ’t zelfde punt, waar zij ’t allereerst geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de overblijfsels van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het zand aan de bocht half bedolven lagen.Zij gingen dadelijk aan ’t zoeken, doch konden behalve enkele spieren en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had. Duigen en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en Flink meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon, als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch, waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak waren aangespoeld, geborgen hadden.„Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang geweest,” riep Flink; „ze hebben een meelvat opengemaakt. Hoe dat toeging, begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een scheur in geweest zijn, anders ware ’t hun zeker niet gelukt. Het linnen is, vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige nieuwe stukken, die ik aan land heb gebracht.—Nu moeten wij eens zien, mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier zijn enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is.”Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst; toen deze eindelijk met de bijl wasdoorgekapt, vond men dat het binnenste nog zeer goed was gebleven.„Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige vaten evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over gemaakt en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen we alle, ’t een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons middagmaal houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar malen gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en die smaken zullen.”Na het eten ging men opnieuw aan het werk. „Ik verlang toch te zien, wat dáárin mag wezen,” zeide mijnheer Wilson op de naaste kist wijzende.Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen, allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas, tulle en andere stoffen.„Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai bestemd,” zei mijnheer Wilson,„en misschien heeft ze bitter in angst gezeten, toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij het thans voor mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd vinden, zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn. Nu de tweede kist, Flink.”De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en men vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever gevuld waren.„Dat is echte Schiedammer,” zeide Flink. „Wat moeten wij daar mee aanvangen?”„Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij gelegenheid als geneesmiddel gebruiken,” antwoordde mijnheer Wilson. „Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend, dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen in het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede diensten doen.”Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies van gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai was.„Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan.”„Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter passen,” was het antwoord. „Niettemin is dit fijn Chineesche porselein ons even welkom als een eenvoudig stel en mag daarom niet versmaad worden.”„Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer,”riep Flink. „Weet gij, wat er in is?”„Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens na.”De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen, vond men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering van de buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden.„Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer goed: het bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven noodig is; verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo al meer, dat ik voor mijne kinderen bestemd had.”„Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene school oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het eiland bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen zijn.”„Dat willen wij hopen, vriend.—Nu het volgende vat.”„Wat daarin is kan men van buiten wel zien,—olie, die ons heel welkom is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert. Daar zijn evenwel nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen en bij gelegenheid wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het allerkostelijkste gedeelte van ons eigendom.”„En dat is?”„Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht, voordat het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer drijft niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner soort. Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen bindgaren, was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de beste orde.”„Dat is werkelijk voor ons van groote waarde, Flink.”„Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan gehad hebben,daar de beide wilden bij hare vlucht al ’t ijzer, dat zij meester konden worden, hebben meegepakt. ’t Was een geluk voor ons, dat zij niet bij al onzen voorraad konden komen.—Daar hebt gij nog meer van onzen buit: eenige wateremmers en ’t voornaamste gereedschap van onzen kok, waar Juno recht blij mee zal wezen. Hier zijn ook twee lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog eenige pakjes lampepitten op zijde gelegd; ja, ja, dat weet ik zeker,—en ze zullen wel weer voor den dag komen. Die vaten daar zijn ’t een met patronen, het ander metkruit; hier is nog een half vat met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook zes geweren, die evenwel ’tpoetsenwel noodig hebben. Nu, dat is ook bezwaarlijk anders te wachten.”„Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en toch—hoe goed hebben wij ons tot hiertoe ook zonder dat gered.”„O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we ’t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook beter in staat, om ’t in alle opzichten gemakkelijker in te richten dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar zijn nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven hebben.—Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en behoorlijke kasten en bedsteden maken.”„Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de voorraad is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die vrees voor een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon zetten,—me dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een recht genoeglijk leven kunnen leiden.”„Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u zoo te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart.”„Dat ben ik ook, Flink,—althans dat geloof ik. Misschien ook, dat het ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne gedachten zoozeer aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van het eiland verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene bezorgdheid heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt.”„Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;—maar laat ons nu met ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de scheepslijnen, de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot nog wel ergens toe gebruiken kunnen.”„Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want met behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit eiland opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien niet, dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney trok?”„Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker welnauwkeurigkunnen opgeven, welke ruimte ons weideland beslaat.”„O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn. Inmiddels zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet weer zoo spoedig hier zullen komen.”

NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST.

Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen naar het yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en drassig en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer een schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant tot een kleinen dam opgeworpen.Vervolgens ging men naar de plaats, waar de stekelbeziënstruiken groeiden. Van deze werden de noodige stekken en afleggers afgesneden en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was de avond niet gevallen, toen zij reeds, op negen of tien dekameters na, met sloot en heg gereed waren.„Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens ’t wel laten zullen er overheen te springen,” sprak Flink. „Bovendien kan Willem daar evengoed alleen mee klaar komen, als met behulp van ons beiden.”„Ja, dat wel, Flink,—maar niet zoo vlug.”„Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem. Zorg slechts, dat ge de honden ’s nachts vastlegt, zooals ik den verloopen nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de varkens zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer terugkomen.”„Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten kan.”„Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,—de ouden mogen wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon zal spoedig onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het avondeten.”Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf de laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot, de reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo namen zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren met een geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over den schouder geworpen.Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op te zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te volgen.Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten.„Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu men er niets levends meer kan ontdekken,” riep mijnheer Wilson. „Laat ons verder gaan, ’t wordt mij hier nu benauwd om het hart.”Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee uren de westkust bereikt, op ’t zelfde punt, waar zij ’t allereerst geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de overblijfsels van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het zand aan de bocht half bedolven lagen.Zij gingen dadelijk aan ’t zoeken, doch konden behalve enkele spieren en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had. Duigen en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en Flink meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon, als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch, waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak waren aangespoeld, geborgen hadden.„Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang geweest,” riep Flink; „ze hebben een meelvat opengemaakt. Hoe dat toeging, begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een scheur in geweest zijn, anders ware ’t hun zeker niet gelukt. Het linnen is, vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige nieuwe stukken, die ik aan land heb gebracht.—Nu moeten wij eens zien, mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier zijn enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is.”Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst; toen deze eindelijk met de bijl wasdoorgekapt, vond men dat het binnenste nog zeer goed was gebleven.„Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige vaten evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over gemaakt en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen we alle, ’t een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons middagmaal houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar malen gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en die smaken zullen.”Na het eten ging men opnieuw aan het werk. „Ik verlang toch te zien, wat dáárin mag wezen,” zeide mijnheer Wilson op de naaste kist wijzende.Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen, allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas, tulle en andere stoffen.„Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai bestemd,” zei mijnheer Wilson,„en misschien heeft ze bitter in angst gezeten, toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij het thans voor mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd vinden, zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn. Nu de tweede kist, Flink.”De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en men vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever gevuld waren.„Dat is echte Schiedammer,” zeide Flink. „Wat moeten wij daar mee aanvangen?”„Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij gelegenheid als geneesmiddel gebruiken,” antwoordde mijnheer Wilson. „Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend, dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen in het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede diensten doen.”Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies van gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai was.„Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan.”„Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter passen,” was het antwoord. „Niettemin is dit fijn Chineesche porselein ons even welkom als een eenvoudig stel en mag daarom niet versmaad worden.”„Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer,”riep Flink. „Weet gij, wat er in is?”„Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens na.”De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen, vond men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering van de buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden.„Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer goed: het bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven noodig is; verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo al meer, dat ik voor mijne kinderen bestemd had.”„Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene school oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het eiland bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen zijn.”„Dat willen wij hopen, vriend.—Nu het volgende vat.”„Wat daarin is kan men van buiten wel zien,—olie, die ons heel welkom is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert. Daar zijn evenwel nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen en bij gelegenheid wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het allerkostelijkste gedeelte van ons eigendom.”„En dat is?”„Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht, voordat het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer drijft niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner soort. Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen bindgaren, was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de beste orde.”„Dat is werkelijk voor ons van groote waarde, Flink.”„Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan gehad hebben,daar de beide wilden bij hare vlucht al ’t ijzer, dat zij meester konden worden, hebben meegepakt. ’t Was een geluk voor ons, dat zij niet bij al onzen voorraad konden komen.—Daar hebt gij nog meer van onzen buit: eenige wateremmers en ’t voornaamste gereedschap van onzen kok, waar Juno recht blij mee zal wezen. Hier zijn ook twee lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog eenige pakjes lampepitten op zijde gelegd; ja, ja, dat weet ik zeker,—en ze zullen wel weer voor den dag komen. Die vaten daar zijn ’t een met patronen, het ander metkruit; hier is nog een half vat met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook zes geweren, die evenwel ’tpoetsenwel noodig hebben. Nu, dat is ook bezwaarlijk anders te wachten.”„Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en toch—hoe goed hebben wij ons tot hiertoe ook zonder dat gered.”„O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we ’t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook beter in staat, om ’t in alle opzichten gemakkelijker in te richten dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar zijn nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven hebben.—Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en behoorlijke kasten en bedsteden maken.”„Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de voorraad is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die vrees voor een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon zetten,—me dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een recht genoeglijk leven kunnen leiden.”„Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u zoo te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart.”„Dat ben ik ook, Flink,—althans dat geloof ik. Misschien ook, dat het ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne gedachten zoozeer aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van het eiland verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene bezorgdheid heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt.”„Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;—maar laat ons nu met ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de scheepslijnen, de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot nog wel ergens toe gebruiken kunnen.”„Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want met behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit eiland opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien niet, dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney trok?”„Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker welnauwkeurigkunnen opgeven, welke ruimte ons weideland beslaat.”„O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn. Inmiddels zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet weer zoo spoedig hier zullen komen.”

Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen naar het yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en drassig en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer een schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant tot een kleinen dam opgeworpen.

Vervolgens ging men naar de plaats, waar de stekelbeziënstruiken groeiden. Van deze werden de noodige stekken en afleggers afgesneden en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was de avond niet gevallen, toen zij reeds, op negen of tien dekameters na, met sloot en heg gereed waren.

„Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens ’t wel laten zullen er overheen te springen,” sprak Flink. „Bovendien kan Willem daar evengoed alleen mee klaar komen, als met behulp van ons beiden.”

„Ja, dat wel, Flink,—maar niet zoo vlug.”

„Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem. Zorg slechts, dat ge de honden ’s nachts vastlegt, zooals ik den verloopen nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de varkens zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer terugkomen.”

„Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten kan.”

„Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,—de ouden mogen wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon zal spoedig onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het avondeten.”

Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf de laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot, de reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo namen zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren met een geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over den schouder geworpen.

Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op te zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te volgen.

Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten.

„Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu men er niets levends meer kan ontdekken,” riep mijnheer Wilson. „Laat ons verder gaan, ’t wordt mij hier nu benauwd om het hart.”

Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee uren de westkust bereikt, op ’t zelfde punt, waar zij ’t allereerst geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de overblijfsels van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het zand aan de bocht half bedolven lagen.

Zij gingen dadelijk aan ’t zoeken, doch konden behalve enkele spieren en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had. Duigen en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en Flink meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon, als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch, waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak waren aangespoeld, geborgen hadden.

„Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang geweest,” riep Flink; „ze hebben een meelvat opengemaakt. Hoe dat toeging, begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een scheur in geweest zijn, anders ware ’t hun zeker niet gelukt. Het linnen is, vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige nieuwe stukken, die ik aan land heb gebracht.—Nu moeten wij eens zien, mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier zijn enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is.”

Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst; toen deze eindelijk met de bijl wasdoorgekapt, vond men dat het binnenste nog zeer goed was gebleven.

„Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige vaten evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over gemaakt en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen we alle, ’t een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons middagmaal houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar malen gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en die smaken zullen.”

Na het eten ging men opnieuw aan het werk. „Ik verlang toch te zien, wat dáárin mag wezen,” zeide mijnheer Wilson op de naaste kist wijzende.

Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen, allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas, tulle en andere stoffen.

„Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai bestemd,” zei mijnheer Wilson,„en misschien heeft ze bitter in angst gezeten, toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij het thans voor mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd vinden, zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn. Nu de tweede kist, Flink.”

De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en men vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever gevuld waren.

„Dat is echte Schiedammer,” zeide Flink. „Wat moeten wij daar mee aanvangen?”

„Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij gelegenheid als geneesmiddel gebruiken,” antwoordde mijnheer Wilson. „Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend, dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen in het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede diensten doen.”

Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies van gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai was.

„Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan.”

„Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter passen,” was het antwoord. „Niettemin is dit fijn Chineesche porselein ons even welkom als een eenvoudig stel en mag daarom niet versmaad worden.”

„Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer,”riep Flink. „Weet gij, wat er in is?”

„Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens na.”

De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen, vond men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering van de buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden.

„Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer goed: het bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven noodig is; verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo al meer, dat ik voor mijne kinderen bestemd had.”

„Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene school oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het eiland bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen zijn.”

„Dat willen wij hopen, vriend.—Nu het volgende vat.”

„Wat daarin is kan men van buiten wel zien,—olie, die ons heel welkom is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert. Daar zijn evenwel nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen en bij gelegenheid wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het allerkostelijkste gedeelte van ons eigendom.”

„En dat is?”

„Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht, voordat het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer drijft niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner soort. Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen bindgaren, was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de beste orde.”

„Dat is werkelijk voor ons van groote waarde, Flink.”

„Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan gehad hebben,daar de beide wilden bij hare vlucht al ’t ijzer, dat zij meester konden worden, hebben meegepakt. ’t Was een geluk voor ons, dat zij niet bij al onzen voorraad konden komen.—Daar hebt gij nog meer van onzen buit: eenige wateremmers en ’t voornaamste gereedschap van onzen kok, waar Juno recht blij mee zal wezen. Hier zijn ook twee lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog eenige pakjes lampepitten op zijde gelegd; ja, ja, dat weet ik zeker,—en ze zullen wel weer voor den dag komen. Die vaten daar zijn ’t een met patronen, het ander metkruit; hier is nog een half vat met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook zes geweren, die evenwel ’tpoetsenwel noodig hebben. Nu, dat is ook bezwaarlijk anders te wachten.”

„Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en toch—hoe goed hebben wij ons tot hiertoe ook zonder dat gered.”

„O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we ’t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook beter in staat, om ’t in alle opzichten gemakkelijker in te richten dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar zijn nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven hebben.—Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en behoorlijke kasten en bedsteden maken.”

„Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de voorraad is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die vrees voor een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon zetten,—me dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een recht genoeglijk leven kunnen leiden.”

„Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u zoo te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart.”

„Dat ben ik ook, Flink,—althans dat geloof ik. Misschien ook, dat het ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne gedachten zoozeer aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van het eiland verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene bezorgdheid heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt.”

„Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;—maar laat ons nu met ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de scheepslijnen, de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot nog wel ergens toe gebruiken kunnen.”

„Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want met behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit eiland opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien niet, dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney trok?”

„Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker welnauwkeurigkunnen opgeven, welke ruimte ons weideland beslaat.”

„O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn. Inmiddels zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet weer zoo spoedig hier zullen komen.”


Back to IndexNext