NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.DE WONDEREN DER NATUUR.Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den reeds geborgen voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede werden nu de tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de golven werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van den dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang der bocht omdobberden.„Kom mijnheer,” zeide Flink eindelijk, „voor vandaag hebben wij onze taak verricht. Morgen zullen wij nog meer kunnen uitvoeren, want de zee wordt nu reeds weer effen en de zon komt van achter gindsche wolken te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze maag zorgen en dan zien, hoe wij ons dezen nacht het best behelpen kunnen.”De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen, die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad, en spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende den nacht op uit te strekken.Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en bij eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze geheel in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des waters recht op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst buiten in de zee hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede in deze richting aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan het uur van het ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten en kisten aan den oever gehaald.Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid voort te zetten.„Zie eens, Flink, wat is dat?” vroeg Willem, die bij hem was en op een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven.„Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult gij ook de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij wel?”„O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!”„Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en wees dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op, dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen ondiepte, als ze een buit voor zich zien.—Maar nu moet ik u beiden overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, terwijl ik onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar binnenkort noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te beter.”De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen, langen tijdtoereikendkon geacht worden.Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot weder waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook op zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm al vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.„Is het hier niet schoon, vader?” riep Willem uit.„Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen,” was het antwoord.„Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op de andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit overtreft het nog zoowel in verscheidenheidalsin uitgestrektheid.”„En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader,” vervolgde Willem en wees den weg dien zij hadden in te slaan.De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.„Wie had ooit gedacht, Willem,” begon de vader, „dat dit eiland met zoovele andere, die in menigte in den Stillen Oceaan verstrooid liggen, zijnontstaan aan kleine nietige insecten kon te danken hebben, die nauwelijks zoo groot als eene speldeknop zijn!”„Insecten, vader?” riep de knaap uit.„Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij die honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het kleinste toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens een zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de takken der koraalboomen uit.”„Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit eiland door hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te boven.”„En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in dit gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee, waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en baren, die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan zich daarom ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval werd, dan moesten de kleine dieren natuurlijk sterven.”„Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?”„Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel tijd; ook hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een boomstam, die in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren overdekt is, op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een toereikend begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen aan de windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke hoogte met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene plaats om uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben en van hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine plek boven water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende voorwerpen konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen daarop neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens gevallen, tot struiken en boomen op.”„Dat kan ik goed begrijpen.”„Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo eens te noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, neemt dit ook spoedig toe, want thans zijn de koralen tegen den wind gedekt en groeien welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de koraalklippen op deze zijde van het eiland, waar stormvlagen en golfslag haar niet zoo deren kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de windzijde, waar onze tenten staan, zoo geheel anders is? Evenzoo onttrektdie eerste kleine plek boven water de koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras in wasdom toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen er ook en broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar grooter wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven aandrijven—en die vrucht is juist geschikt, om zich op zoo’n wijze voort te planten, want hare buitenste schil is hard en waterdicht en meteen zoo licht, dat ze op ’t water drijft en daarin, zonder te verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet wortel, wordt een boom, die zijne breede takken telken jare verder uitbreidt en door zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen verzamelt. De rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten op,—en zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland zoo groot en zoo dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op dit oogenblik staan. Is dat niet verwonderlijk?”„Hé, hoe merkwaardig!” antwoordde Willem.Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend zitten. Toen stond de eerste op en zeide: „Kom, Willem, laat ons nu terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig thuis zijn.”„Ja vooral vóór het avondeten, vader,” antwoordde de knaap, „dat ik alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er zijn, des te beter.”

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.DE WONDEREN DER NATUUR.Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den reeds geborgen voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede werden nu de tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de golven werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van den dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang der bocht omdobberden.„Kom mijnheer,” zeide Flink eindelijk, „voor vandaag hebben wij onze taak verricht. Morgen zullen wij nog meer kunnen uitvoeren, want de zee wordt nu reeds weer effen en de zon komt van achter gindsche wolken te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze maag zorgen en dan zien, hoe wij ons dezen nacht het best behelpen kunnen.”De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen, die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad, en spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende den nacht op uit te strekken.Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en bij eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze geheel in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des waters recht op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst buiten in de zee hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede in deze richting aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan het uur van het ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten en kisten aan den oever gehaald.Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid voort te zetten.„Zie eens, Flink, wat is dat?” vroeg Willem, die bij hem was en op een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven.„Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult gij ook de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij wel?”„O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!”„Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en wees dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op, dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen ondiepte, als ze een buit voor zich zien.—Maar nu moet ik u beiden overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, terwijl ik onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar binnenkort noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te beter.”De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen, langen tijdtoereikendkon geacht worden.Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot weder waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook op zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm al vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.„Is het hier niet schoon, vader?” riep Willem uit.„Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen,” was het antwoord.„Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op de andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit overtreft het nog zoowel in verscheidenheidalsin uitgestrektheid.”„En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader,” vervolgde Willem en wees den weg dien zij hadden in te slaan.De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.„Wie had ooit gedacht, Willem,” begon de vader, „dat dit eiland met zoovele andere, die in menigte in den Stillen Oceaan verstrooid liggen, zijnontstaan aan kleine nietige insecten kon te danken hebben, die nauwelijks zoo groot als eene speldeknop zijn!”„Insecten, vader?” riep de knaap uit.„Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij die honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het kleinste toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens een zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de takken der koraalboomen uit.”„Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit eiland door hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te boven.”„En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in dit gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee, waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en baren, die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan zich daarom ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval werd, dan moesten de kleine dieren natuurlijk sterven.”„Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?”„Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel tijd; ook hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een boomstam, die in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren overdekt is, op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een toereikend begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen aan de windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke hoogte met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene plaats om uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben en van hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine plek boven water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende voorwerpen konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen daarop neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens gevallen, tot struiken en boomen op.”„Dat kan ik goed begrijpen.”„Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo eens te noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, neemt dit ook spoedig toe, want thans zijn de koralen tegen den wind gedekt en groeien welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de koraalklippen op deze zijde van het eiland, waar stormvlagen en golfslag haar niet zoo deren kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de windzijde, waar onze tenten staan, zoo geheel anders is? Evenzoo onttrektdie eerste kleine plek boven water de koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras in wasdom toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen er ook en broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar grooter wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven aandrijven—en die vrucht is juist geschikt, om zich op zoo’n wijze voort te planten, want hare buitenste schil is hard en waterdicht en meteen zoo licht, dat ze op ’t water drijft en daarin, zonder te verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet wortel, wordt een boom, die zijne breede takken telken jare verder uitbreidt en door zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen verzamelt. De rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten op,—en zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland zoo groot en zoo dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op dit oogenblik staan. Is dat niet verwonderlijk?”„Hé, hoe merkwaardig!” antwoordde Willem.Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend zitten. Toen stond de eerste op en zeide: „Kom, Willem, laat ons nu terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig thuis zijn.”„Ja vooral vóór het avondeten, vader,” antwoordde de knaap, „dat ik alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er zijn, des te beter.”

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.DE WONDEREN DER NATUUR.

Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den reeds geborgen voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede werden nu de tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de golven werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van den dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang der bocht omdobberden.„Kom mijnheer,” zeide Flink eindelijk, „voor vandaag hebben wij onze taak verricht. Morgen zullen wij nog meer kunnen uitvoeren, want de zee wordt nu reeds weer effen en de zon komt van achter gindsche wolken te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze maag zorgen en dan zien, hoe wij ons dezen nacht het best behelpen kunnen.”De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen, die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad, en spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende den nacht op uit te strekken.Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en bij eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze geheel in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des waters recht op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst buiten in de zee hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede in deze richting aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan het uur van het ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten en kisten aan den oever gehaald.Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid voort te zetten.„Zie eens, Flink, wat is dat?” vroeg Willem, die bij hem was en op een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven.„Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult gij ook de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij wel?”„O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!”„Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en wees dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op, dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen ondiepte, als ze een buit voor zich zien.—Maar nu moet ik u beiden overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, terwijl ik onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar binnenkort noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te beter.”De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen, langen tijdtoereikendkon geacht worden.Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot weder waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook op zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm al vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.„Is het hier niet schoon, vader?” riep Willem uit.„Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen,” was het antwoord.„Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op de andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit overtreft het nog zoowel in verscheidenheidalsin uitgestrektheid.”„En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader,” vervolgde Willem en wees den weg dien zij hadden in te slaan.De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.„Wie had ooit gedacht, Willem,” begon de vader, „dat dit eiland met zoovele andere, die in menigte in den Stillen Oceaan verstrooid liggen, zijnontstaan aan kleine nietige insecten kon te danken hebben, die nauwelijks zoo groot als eene speldeknop zijn!”„Insecten, vader?” riep de knaap uit.„Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij die honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het kleinste toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens een zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de takken der koraalboomen uit.”„Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit eiland door hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te boven.”„En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in dit gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee, waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en baren, die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan zich daarom ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval werd, dan moesten de kleine dieren natuurlijk sterven.”„Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?”„Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel tijd; ook hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een boomstam, die in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren overdekt is, op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een toereikend begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen aan de windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke hoogte met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene plaats om uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben en van hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine plek boven water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende voorwerpen konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen daarop neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens gevallen, tot struiken en boomen op.”„Dat kan ik goed begrijpen.”„Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo eens te noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, neemt dit ook spoedig toe, want thans zijn de koralen tegen den wind gedekt en groeien welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de koraalklippen op deze zijde van het eiland, waar stormvlagen en golfslag haar niet zoo deren kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de windzijde, waar onze tenten staan, zoo geheel anders is? Evenzoo onttrektdie eerste kleine plek boven water de koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras in wasdom toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen er ook en broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar grooter wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven aandrijven—en die vrucht is juist geschikt, om zich op zoo’n wijze voort te planten, want hare buitenste schil is hard en waterdicht en meteen zoo licht, dat ze op ’t water drijft en daarin, zonder te verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet wortel, wordt een boom, die zijne breede takken telken jare verder uitbreidt en door zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen verzamelt. De rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten op,—en zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland zoo groot en zoo dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op dit oogenblik staan. Is dat niet verwonderlijk?”„Hé, hoe merkwaardig!” antwoordde Willem.Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend zitten. Toen stond de eerste op en zeide: „Kom, Willem, laat ons nu terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig thuis zijn.”„Ja vooral vóór het avondeten, vader,” antwoordde de knaap, „dat ik alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er zijn, des te beter.”

Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den reeds geborgen voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede werden nu de tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de golven werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van den dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang der bocht omdobberden.

„Kom mijnheer,” zeide Flink eindelijk, „voor vandaag hebben wij onze taak verricht. Morgen zullen wij nog meer kunnen uitvoeren, want de zee wordt nu reeds weer effen en de zon komt van achter gindsche wolken te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze maag zorgen en dan zien, hoe wij ons dezen nacht het best behelpen kunnen.”

De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen, die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad, en spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende den nacht op uit te strekken.

Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en bij eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze geheel in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des waters recht op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst buiten in de zee hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede in deze richting aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan het uur van het ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten en kisten aan den oever gehaald.

Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid voort te zetten.

„Zie eens, Flink, wat is dat?” vroeg Willem, die bij hem was en op een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven.

„Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult gij ook de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij wel?”

„O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!”

„Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en wees dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op, dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen ondiepte, als ze een buit voor zich zien.—Maar nu moet ik u beiden overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, terwijl ik onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar binnenkort noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te beter.”

De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen, langen tijdtoereikendkon geacht worden.

Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot weder waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook op zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm al vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.

„Is het hier niet schoon, vader?” riep Willem uit.

„Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen,” was het antwoord.

„Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op de andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit overtreft het nog zoowel in verscheidenheidalsin uitgestrektheid.”

„En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader,” vervolgde Willem en wees den weg dien zij hadden in te slaan.

De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.

„Wie had ooit gedacht, Willem,” begon de vader, „dat dit eiland met zoovele andere, die in menigte in den Stillen Oceaan verstrooid liggen, zijnontstaan aan kleine nietige insecten kon te danken hebben, die nauwelijks zoo groot als eene speldeknop zijn!”

„Insecten, vader?” riep de knaap uit.

„Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij die honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het kleinste toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens een zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de takken der koraalboomen uit.”

„Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit eiland door hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te boven.”

„En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in dit gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee, waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en baren, die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan zich daarom ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval werd, dan moesten de kleine dieren natuurlijk sterven.”

„Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?”

„Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel tijd; ook hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een boomstam, die in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren overdekt is, op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een toereikend begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen aan de windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke hoogte met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene plaats om uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben en van hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine plek boven water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende voorwerpen konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen daarop neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens gevallen, tot struiken en boomen op.”

„Dat kan ik goed begrijpen.”

„Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo eens te noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, neemt dit ook spoedig toe, want thans zijn de koralen tegen den wind gedekt en groeien welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de koraalklippen op deze zijde van het eiland, waar stormvlagen en golfslag haar niet zoo deren kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de windzijde, waar onze tenten staan, zoo geheel anders is? Evenzoo onttrektdie eerste kleine plek boven water de koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras in wasdom toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen er ook en broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar grooter wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven aandrijven—en die vrucht is juist geschikt, om zich op zoo’n wijze voort te planten, want hare buitenste schil is hard en waterdicht en meteen zoo licht, dat ze op ’t water drijft en daarin, zonder te verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet wortel, wordt een boom, die zijne breede takken telken jare verder uitbreidt en door zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen verzamelt. De rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten op,—en zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland zoo groot en zoo dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op dit oogenblik staan. Is dat niet verwonderlijk?”

„Hé, hoe merkwaardig!” antwoordde Willem.

Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend zitten. Toen stond de eerste op en zeide: „Kom, Willem, laat ons nu terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig thuis zijn.”

„Ja vooral vóór het avondeten, vader,” antwoordde de knaap, „dat ik alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er zijn, des te beter.”


Back to IndexNext