TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS.Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen vroeger dan gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon scheen helder en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen.Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond uit, om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat zich in geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens, hoorde hij den haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen bij elkander. Hij strooide hun een handvol erwten voor, die hij in zijn zak had gestoken, want het koren had men besloten te sparen, om het zoodra men maar meer grond had omgespit, uit te zaaien. Als het meel dan ook mocht opraken, hadden zij aan de landingsplaats nog eenige vaten daarvan over, die bij de stranding gered waren, en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk gebrek te vreezen. De hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot aan huis na, waar hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te zien.„Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem,” voegde de oude man hem toe; „zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met alle macht aan ’t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te brengen. ’t Zal niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten hebben dan ook een dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht bij huis; wij willen daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig gereed zijn.”Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men dadelijkaan het werk. Van de boomen, die tot het huis gediend hadden, waren nog eene menigte dunne toppen over; deze gebruikten zij tot latten en spijkerden ze aan de vier boomstammen, zoodat zij een regelmatig vierkant vormden, waarna zij nog de sparren opzetten tot een stevig afloopend dak.„Dat is nu alleen maar het ruwe werk,” zei Flink; „we moeten nu een of twee stokken voor de hoenders maken, en dan de zijden sluiten en het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar kijk, daar gaat Juno al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst schaften moeten.”Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren dekten, zoodat het hoenderhok nog vóór den avond volmaakt in orde kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij onder dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis.„Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen weten te vinden,” sprak Flink, „en later als ik eens tijd daartoe vind, zal ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt, dan kunnen wij het opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer Caroline toevertrouwen. Ze zal voor de oude hoenders en de jongen, als we die eens hebben, zeker wel behoorlijk zorg dragen.”„Ja, ja, dat moet haar post worden,” riep Willem. „Ze zal wat blij wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok. En nu, dunkt me, moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij hebben vandaag een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen niet weer zoo gelukkig.”„Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en onder de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed is.”Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan, en zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink nu verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als volgt:„Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne kostschool weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan volvoerde, hebt gij nog niet gehoord.—Het was mij niet mogelijk, onbemerkt te ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De kamer, waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist ik, waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op het dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht te beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op, kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit.Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte.Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte.„Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij, want zoo kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel moeite dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het heel zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het dak van ’t huis.„Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te zijn en niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon ik toch te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en neer, en besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot den grond reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den muur, dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds nog licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den rand van het dak, klemde mij met handen en knieën aan den looden pijp en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden stond.”„’t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen braakt,” zeide mevrouw Wilson.„Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,—zoo denk ik nog dikwijls—maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te land was gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin, was met een wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder hoed of pet; want onze petten hingen beneden in de school aan de kapstokken,—doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat ik loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een schip dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb scheen te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij de ankers vóórdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde elke beweging van het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar toe zou zwemmen, toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het hoofd toe roeien. Ik liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw van een der palen van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan had, sprong ik, zonder een woord te spreken, in zijne boot.”„Wat wil je, kleine dreumes,” vroeg de matroos.„Ik wil mee naar zee,” antwoordde ik hijgend; „neem mij aan boord,—ik bid u om Gods wil.”„„Goed,” zei de man; „ik heb mijn kapitein hooren zeggen, dat hij nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus maar mee, kleine deugniet.”„Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan boord.„„Wie zijt ge?” vroeg de kapitein.„Ik gaf ook hem ’t zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter zee wou varen.”„„Gij zijt nog te klein en te jong.”„„O neen, neen, vast niet,” was mijnantwoord.„„Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt klimmen?”„Dat zult ge dadelijk zien,” riep ik en klauterde als eene kat langs de touwen op, tot aan de bramra.„Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze:„„Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt worden. Ik wil u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als scheepsjongen inschrijven. Waar is uw pet?”„„Die heb ik thuis gelaten,” was mijn antwoord.„„Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet nog beter diensten,” zeide de kapitein en ging in zijne kajuit, om mij er eene te halen.„Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip. Binnen een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon dobberde ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn.„Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten voorbij was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen. Hij scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten einde was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had. Toen ik mij eindelijk s’avonds doornat en koud, op een paar oude zeilen neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet, dat ik haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was het te laat.—Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven vol zorgen en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest, slechts eene verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door mijne moeder zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had niemand op de wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak haar het hart, tot loon voor àl de liefde en goedheid, die ze mij van jongsaf had bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?”Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat, sloeg zijn arm om haar hals en kuste haar.„Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem,” begon Flink nu weder. „Ik zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u niet verloren is, en beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat ge uwe ouders nooit zult verlaten.”De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde zij de omhelzing van haar zoon.„Ik wil nu liefst maar afbreken,” zeide Flink; „ik ben niet gestemd omvoort te gaan; mijn hart wordt telkens vol, als ik mij dat dwaas en slecht bestaan uit mijne jonge dagen herinner.”
TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS.Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen vroeger dan gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon scheen helder en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen.Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond uit, om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat zich in geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens, hoorde hij den haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen bij elkander. Hij strooide hun een handvol erwten voor, die hij in zijn zak had gestoken, want het koren had men besloten te sparen, om het zoodra men maar meer grond had omgespit, uit te zaaien. Als het meel dan ook mocht opraken, hadden zij aan de landingsplaats nog eenige vaten daarvan over, die bij de stranding gered waren, en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk gebrek te vreezen. De hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot aan huis na, waar hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te zien.„Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem,” voegde de oude man hem toe; „zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met alle macht aan ’t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te brengen. ’t Zal niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten hebben dan ook een dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht bij huis; wij willen daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig gereed zijn.”Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men dadelijkaan het werk. Van de boomen, die tot het huis gediend hadden, waren nog eene menigte dunne toppen over; deze gebruikten zij tot latten en spijkerden ze aan de vier boomstammen, zoodat zij een regelmatig vierkant vormden, waarna zij nog de sparren opzetten tot een stevig afloopend dak.„Dat is nu alleen maar het ruwe werk,” zei Flink; „we moeten nu een of twee stokken voor de hoenders maken, en dan de zijden sluiten en het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar kijk, daar gaat Juno al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst schaften moeten.”Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren dekten, zoodat het hoenderhok nog vóór den avond volmaakt in orde kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij onder dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis.„Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen weten te vinden,” sprak Flink, „en later als ik eens tijd daartoe vind, zal ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt, dan kunnen wij het opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer Caroline toevertrouwen. Ze zal voor de oude hoenders en de jongen, als we die eens hebben, zeker wel behoorlijk zorg dragen.”„Ja, ja, dat moet haar post worden,” riep Willem. „Ze zal wat blij wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok. En nu, dunkt me, moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij hebben vandaag een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen niet weer zoo gelukkig.”„Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en onder de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed is.”Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan, en zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink nu verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als volgt:„Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne kostschool weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan volvoerde, hebt gij nog niet gehoord.—Het was mij niet mogelijk, onbemerkt te ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De kamer, waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist ik, waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op het dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht te beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op, kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit.Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte.Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte.„Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij, want zoo kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel moeite dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het heel zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het dak van ’t huis.„Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te zijn en niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon ik toch te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en neer, en besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot den grond reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den muur, dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds nog licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den rand van het dak, klemde mij met handen en knieën aan den looden pijp en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden stond.”„’t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen braakt,” zeide mevrouw Wilson.„Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,—zoo denk ik nog dikwijls—maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te land was gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin, was met een wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder hoed of pet; want onze petten hingen beneden in de school aan de kapstokken,—doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat ik loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een schip dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb scheen te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij de ankers vóórdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde elke beweging van het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar toe zou zwemmen, toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het hoofd toe roeien. Ik liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw van een der palen van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan had, sprong ik, zonder een woord te spreken, in zijne boot.”„Wat wil je, kleine dreumes,” vroeg de matroos.„Ik wil mee naar zee,” antwoordde ik hijgend; „neem mij aan boord,—ik bid u om Gods wil.”„„Goed,” zei de man; „ik heb mijn kapitein hooren zeggen, dat hij nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus maar mee, kleine deugniet.”„Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan boord.„„Wie zijt ge?” vroeg de kapitein.„Ik gaf ook hem ’t zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter zee wou varen.”„„Gij zijt nog te klein en te jong.”„„O neen, neen, vast niet,” was mijnantwoord.„„Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt klimmen?”„Dat zult ge dadelijk zien,” riep ik en klauterde als eene kat langs de touwen op, tot aan de bramra.„Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze:„„Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt worden. Ik wil u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als scheepsjongen inschrijven. Waar is uw pet?”„„Die heb ik thuis gelaten,” was mijn antwoord.„„Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet nog beter diensten,” zeide de kapitein en ging in zijne kajuit, om mij er eene te halen.„Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip. Binnen een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon dobberde ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn.„Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten voorbij was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen. Hij scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten einde was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had. Toen ik mij eindelijk s’avonds doornat en koud, op een paar oude zeilen neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet, dat ik haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was het te laat.—Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven vol zorgen en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest, slechts eene verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door mijne moeder zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had niemand op de wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak haar het hart, tot loon voor àl de liefde en goedheid, die ze mij van jongsaf had bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?”Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat, sloeg zijn arm om haar hals en kuste haar.„Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem,” begon Flink nu weder. „Ik zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u niet verloren is, en beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat ge uwe ouders nooit zult verlaten.”De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde zij de omhelzing van haar zoon.„Ik wil nu liefst maar afbreken,” zeide Flink; „ik ben niet gestemd omvoort te gaan; mijn hart wordt telkens vol, als ik mij dat dwaas en slecht bestaan uit mijne jonge dagen herinner.”
TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS.
Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen vroeger dan gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon scheen helder en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen.Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond uit, om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat zich in geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens, hoorde hij den haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen bij elkander. Hij strooide hun een handvol erwten voor, die hij in zijn zak had gestoken, want het koren had men besloten te sparen, om het zoodra men maar meer grond had omgespit, uit te zaaien. Als het meel dan ook mocht opraken, hadden zij aan de landingsplaats nog eenige vaten daarvan over, die bij de stranding gered waren, en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk gebrek te vreezen. De hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot aan huis na, waar hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te zien.„Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem,” voegde de oude man hem toe; „zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met alle macht aan ’t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te brengen. ’t Zal niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten hebben dan ook een dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht bij huis; wij willen daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig gereed zijn.”Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men dadelijkaan het werk. Van de boomen, die tot het huis gediend hadden, waren nog eene menigte dunne toppen over; deze gebruikten zij tot latten en spijkerden ze aan de vier boomstammen, zoodat zij een regelmatig vierkant vormden, waarna zij nog de sparren opzetten tot een stevig afloopend dak.„Dat is nu alleen maar het ruwe werk,” zei Flink; „we moeten nu een of twee stokken voor de hoenders maken, en dan de zijden sluiten en het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar kijk, daar gaat Juno al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst schaften moeten.”Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren dekten, zoodat het hoenderhok nog vóór den avond volmaakt in orde kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij onder dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis.„Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen weten te vinden,” sprak Flink, „en later als ik eens tijd daartoe vind, zal ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt, dan kunnen wij het opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer Caroline toevertrouwen. Ze zal voor de oude hoenders en de jongen, als we die eens hebben, zeker wel behoorlijk zorg dragen.”„Ja, ja, dat moet haar post worden,” riep Willem. „Ze zal wat blij wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok. En nu, dunkt me, moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij hebben vandaag een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen niet weer zoo gelukkig.”„Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en onder de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed is.”Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan, en zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink nu verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als volgt:„Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne kostschool weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan volvoerde, hebt gij nog niet gehoord.—Het was mij niet mogelijk, onbemerkt te ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De kamer, waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist ik, waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op het dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht te beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op, kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit.Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte.Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte.„Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij, want zoo kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel moeite dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het heel zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het dak van ’t huis.„Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te zijn en niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon ik toch te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en neer, en besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot den grond reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den muur, dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds nog licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den rand van het dak, klemde mij met handen en knieën aan den looden pijp en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden stond.”„’t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen braakt,” zeide mevrouw Wilson.„Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,—zoo denk ik nog dikwijls—maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te land was gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin, was met een wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder hoed of pet; want onze petten hingen beneden in de school aan de kapstokken,—doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat ik loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een schip dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb scheen te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij de ankers vóórdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde elke beweging van het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar toe zou zwemmen, toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het hoofd toe roeien. Ik liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw van een der palen van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan had, sprong ik, zonder een woord te spreken, in zijne boot.”„Wat wil je, kleine dreumes,” vroeg de matroos.„Ik wil mee naar zee,” antwoordde ik hijgend; „neem mij aan boord,—ik bid u om Gods wil.”„„Goed,” zei de man; „ik heb mijn kapitein hooren zeggen, dat hij nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus maar mee, kleine deugniet.”„Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan boord.„„Wie zijt ge?” vroeg de kapitein.„Ik gaf ook hem ’t zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter zee wou varen.”„„Gij zijt nog te klein en te jong.”„„O neen, neen, vast niet,” was mijnantwoord.„„Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt klimmen?”„Dat zult ge dadelijk zien,” riep ik en klauterde als eene kat langs de touwen op, tot aan de bramra.„Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze:„„Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt worden. Ik wil u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als scheepsjongen inschrijven. Waar is uw pet?”„„Die heb ik thuis gelaten,” was mijn antwoord.„„Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet nog beter diensten,” zeide de kapitein en ging in zijne kajuit, om mij er eene te halen.„Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip. Binnen een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon dobberde ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn.„Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten voorbij was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen. Hij scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten einde was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had. Toen ik mij eindelijk s’avonds doornat en koud, op een paar oude zeilen neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet, dat ik haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was het te laat.—Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven vol zorgen en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest, slechts eene verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door mijne moeder zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had niemand op de wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak haar het hart, tot loon voor àl de liefde en goedheid, die ze mij van jongsaf had bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?”Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat, sloeg zijn arm om haar hals en kuste haar.„Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem,” begon Flink nu weder. „Ik zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u niet verloren is, en beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat ge uwe ouders nooit zult verlaten.”De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde zij de omhelzing van haar zoon.„Ik wil nu liefst maar afbreken,” zeide Flink; „ik ben niet gestemd omvoort te gaan; mijn hart wordt telkens vol, als ik mij dat dwaas en slecht bestaan uit mijne jonge dagen herinner.”
Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen vroeger dan gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon scheen helder en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen.
Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond uit, om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat zich in geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens, hoorde hij den haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen bij elkander. Hij strooide hun een handvol erwten voor, die hij in zijn zak had gestoken, want het koren had men besloten te sparen, om het zoodra men maar meer grond had omgespit, uit te zaaien. Als het meel dan ook mocht opraken, hadden zij aan de landingsplaats nog eenige vaten daarvan over, die bij de stranding gered waren, en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk gebrek te vreezen. De hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot aan huis na, waar hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te zien.
„Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem,” voegde de oude man hem toe; „zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met alle macht aan ’t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te brengen. ’t Zal niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten hebben dan ook een dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht bij huis; wij willen daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig gereed zijn.”
Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men dadelijkaan het werk. Van de boomen, die tot het huis gediend hadden, waren nog eene menigte dunne toppen over; deze gebruikten zij tot latten en spijkerden ze aan de vier boomstammen, zoodat zij een regelmatig vierkant vormden, waarna zij nog de sparren opzetten tot een stevig afloopend dak.
„Dat is nu alleen maar het ruwe werk,” zei Flink; „we moeten nu een of twee stokken voor de hoenders maken, en dan de zijden sluiten en het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar kijk, daar gaat Juno al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst schaften moeten.”
Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren dekten, zoodat het hoenderhok nog vóór den avond volmaakt in orde kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij onder dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis.
„Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen weten te vinden,” sprak Flink, „en later als ik eens tijd daartoe vind, zal ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt, dan kunnen wij het opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer Caroline toevertrouwen. Ze zal voor de oude hoenders en de jongen, als we die eens hebben, zeker wel behoorlijk zorg dragen.”
„Ja, ja, dat moet haar post worden,” riep Willem. „Ze zal wat blij wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok. En nu, dunkt me, moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij hebben vandaag een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen niet weer zoo gelukkig.”
„Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en onder de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed is.”
Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan, en zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink nu verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als volgt:
„Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne kostschool weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan volvoerde, hebt gij nog niet gehoord.—Het was mij niet mogelijk, onbemerkt te ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De kamer, waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist ik, waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op het dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht te beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op, kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit.
Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte.Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte.
Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte.
„Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij, want zoo kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel moeite dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het heel zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het dak van ’t huis.
„Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te zijn en niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon ik toch te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en neer, en besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot den grond reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den muur, dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds nog licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den rand van het dak, klemde mij met handen en knieën aan den looden pijp en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden stond.”
„’t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen braakt,” zeide mevrouw Wilson.
„Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,—zoo denk ik nog dikwijls—maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te land was gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin, was met een wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder hoed of pet; want onze petten hingen beneden in de school aan de kapstokken,—doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat ik loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een schip dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb scheen te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij de ankers vóórdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde elke beweging van het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar toe zou zwemmen, toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het hoofd toe roeien. Ik liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw van een der palen van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan had, sprong ik, zonder een woord te spreken, in zijne boot.”
„Wat wil je, kleine dreumes,” vroeg de matroos.
„Ik wil mee naar zee,” antwoordde ik hijgend; „neem mij aan boord,—ik bid u om Gods wil.”
„„Goed,” zei de man; „ik heb mijn kapitein hooren zeggen, dat hij nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus maar mee, kleine deugniet.”
„Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan boord.
„„Wie zijt ge?” vroeg de kapitein.
„Ik gaf ook hem ’t zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter zee wou varen.”
„„Gij zijt nog te klein en te jong.”
„„O neen, neen, vast niet,” was mijnantwoord.
„„Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt klimmen?”
„Dat zult ge dadelijk zien,” riep ik en klauterde als eene kat langs de touwen op, tot aan de bramra.
„Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze:
„„Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt worden. Ik wil u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als scheepsjongen inschrijven. Waar is uw pet?”
„„Die heb ik thuis gelaten,” was mijn antwoord.
„„Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet nog beter diensten,” zeide de kapitein en ging in zijne kajuit, om mij er eene te halen.
„Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip. Binnen een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon dobberde ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn.
„Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten voorbij was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen. Hij scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten einde was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had. Toen ik mij eindelijk s’avonds doornat en koud, op een paar oude zeilen neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet, dat ik haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was het te laat.—Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven vol zorgen en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest, slechts eene verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door mijne moeder zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had niemand op de wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak haar het hart, tot loon voor àl de liefde en goedheid, die ze mij van jongsaf had bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?”
Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat, sloeg zijn arm om haar hals en kuste haar.
„Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem,” begon Flink nu weder. „Ik zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u niet verloren is, en beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat ge uwe ouders nooit zult verlaten.”
De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde zij de omhelzing van haar zoon.
„Ik wil nu liefst maar afbreken,” zeide Flink; „ik ben niet gestemd omvoort te gaan; mijn hart wordt telkens vol, als ik mij dat dwaas en slecht bestaan uit mijne jonge dagen herinner.”