VIJF-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.DE KANO’S ZIJN IN AANTOCHT.Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink met de boot bezig was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met naaien en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich best en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water noodig had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje Albert. Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij vader roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.Den Maandag daarop zeilden Willem enFlinkin de boot naar de kleine haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.„Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en geiten laten, waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het bosch schuilen en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook tienmaal zooveel.”„Dat komt mij ook zoo voor.”„Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de tenten afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen blijven staan.Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot gaan?”„Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels uitgraven?”„Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. Ik ga dadelijk een schop halen,—in de andere tent zal er nog wel een staan.”Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden zij naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel begon te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. Echter regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel er eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; ’t was al zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. Thomas vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek gegeten hebben,als zijne moeder niet wijzer geweest was dan hij en hem niet verboden had voor ditmaal er meer van te gebruiken.Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den gevallen regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en Willem den volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en dan nog zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden hielden als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die gelegenheid ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het oosten was omgeslagen.„Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink,” merkte Willem aan. „We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar de havenplaats komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading terug te roeien.”„Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons hebben zal,” gaf Flink nadenkend ten antwoord. „Laat ons nu naar huis en te bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op zijn;—dus kunt gij dan nog wel wat blijven liggen.”„Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, Flink,” zeide Willem; „zoodat ik maar dadelijk met u wil opstaan.”„Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd gaarne tot gezelschap heb.”Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het oosten en de lucht was geheel betrokken.Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.„Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat ééne punt houdt?” vroeg Willem, toen zijn grijze makker na lang turen nog geene beweging maakte om den kijker van het oog te nemen.„Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees werkelijk, dat ik iets zie,” gaf Flink eindelijk ten antwoord. „Binnen weinige oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen zeggen.”Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:„Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die donkere punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen zijn.”„Zeilen?—Wat zeilen, Flink?” vroeg Willem haastig.„De zeilen der Indiaansche kano’s, Willem; ik wist wel, dat die komenzouden. Neem gij den kijker maar eens en zie zelf;—het schemert mij voor de oogen, zoo sterk heb ik ze ingespannen.”„Ja, waarlijk—nu heb ik ze,” riep Willem, na den kijker gericht te hebben. „Maar, Flink, daar zijn althans wel twintig tot dertig.”„En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem.”„Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne lieve moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers volstrekt niets uitrichten, Flink.”„Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht zijn,—lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij een blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij verder vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel een gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met lansen en knotsen gewapend zijn.”„Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,—op die wijze kunnen zij immers in een uur hier zijn.”„O, neen, beste jongen,—niet eens in twee. Hunne kano’s zijn zeer groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik zal hen nog eens in het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop gij onderwijl naar huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. Dan, Willem, zet alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de patronen uit het oude huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u helpen. Wij zullen nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij klaar zijt, moet gij terstond weer bij ons komen.”Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer Wilson bij Flink aan het strand.„Flink,” begon hij, „er is zeker geen goed nieuws? Willem wilde mij niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust te maken. Wat is er eigenlijk?”„De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote menigte. Ik bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten dus met inspanning van alle krachten voor ons leven vechten.”„Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige hoop overblijft?” vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.„O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een harden, dagenlangen strijd hebben wij te wachten,—daarop mogen wij rekenen.”Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.„Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te worstelen zullen hebben!”„Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige verschansing kunnenhet tegen hunne knotsen en lansen opnemen, ingeval maar geen onzer gewond wordt.”„Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u naar mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik, zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit strijden kan,—vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke banden.”„Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat ik, al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, aan wie ik met hart en ziel verknocht ben.—Maar kom, wij mogen hier niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar ons oude huis, om daar allesvandaante halen; want het oude huis, zullen de wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er dan alles, wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware ’t enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, daar de tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in het blokhuis alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft brandstof genoeg, en de groote waterton zal het althans wel drie of vier weken uithouden. Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog met de kar naar het strand gaan en een paar schildpadden halen tot vermeerdering van onzen mondvoorraad.”„Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te denken.”„Waarom niet, mijnheer? ’t Is toch waarlijk beter, dat wijzelven die opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er van halen zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond leggen, kunnen zij nog weken in het leven blijven.”Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar zij Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en depatronenhadden overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij, doodelijk ontsteld zou wezen.„Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten hadden, lieve man,” antwoordde zij. „Zoo komt mij die tijding dus niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal door mij geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner kinderen niet aan moed ontbreekt.”„Er valt mij wezenlijk een steen van het hart,” riep mijnheer Wilson,„nu ik u zoo bedaard en welberaden vind. Nu ken ik geen angst meer;—maar wij hebben nog veel te doen.”„Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te kort schiet, moet ik door goeden wil vergoeden.”Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.
VIJF-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.DE KANO’S ZIJN IN AANTOCHT.Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink met de boot bezig was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met naaien en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich best en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water noodig had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje Albert. Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij vader roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.Den Maandag daarop zeilden Willem enFlinkin de boot naar de kleine haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.„Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en geiten laten, waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het bosch schuilen en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook tienmaal zooveel.”„Dat komt mij ook zoo voor.”„Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de tenten afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen blijven staan.Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot gaan?”„Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels uitgraven?”„Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. Ik ga dadelijk een schop halen,—in de andere tent zal er nog wel een staan.”Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden zij naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel begon te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. Echter regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel er eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; ’t was al zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. Thomas vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek gegeten hebben,als zijne moeder niet wijzer geweest was dan hij en hem niet verboden had voor ditmaal er meer van te gebruiken.Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den gevallen regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en Willem den volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en dan nog zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden hielden als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die gelegenheid ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het oosten was omgeslagen.„Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink,” merkte Willem aan. „We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar de havenplaats komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading terug te roeien.”„Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons hebben zal,” gaf Flink nadenkend ten antwoord. „Laat ons nu naar huis en te bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op zijn;—dus kunt gij dan nog wel wat blijven liggen.”„Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, Flink,” zeide Willem; „zoodat ik maar dadelijk met u wil opstaan.”„Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd gaarne tot gezelschap heb.”Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het oosten en de lucht was geheel betrokken.Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.„Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat ééne punt houdt?” vroeg Willem, toen zijn grijze makker na lang turen nog geene beweging maakte om den kijker van het oog te nemen.„Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees werkelijk, dat ik iets zie,” gaf Flink eindelijk ten antwoord. „Binnen weinige oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen zeggen.”Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:„Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die donkere punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen zijn.”„Zeilen?—Wat zeilen, Flink?” vroeg Willem haastig.„De zeilen der Indiaansche kano’s, Willem; ik wist wel, dat die komenzouden. Neem gij den kijker maar eens en zie zelf;—het schemert mij voor de oogen, zoo sterk heb ik ze ingespannen.”„Ja, waarlijk—nu heb ik ze,” riep Willem, na den kijker gericht te hebben. „Maar, Flink, daar zijn althans wel twintig tot dertig.”„En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem.”„Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne lieve moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers volstrekt niets uitrichten, Flink.”„Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht zijn,—lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij een blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij verder vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel een gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met lansen en knotsen gewapend zijn.”„Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,—op die wijze kunnen zij immers in een uur hier zijn.”„O, neen, beste jongen,—niet eens in twee. Hunne kano’s zijn zeer groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik zal hen nog eens in het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop gij onderwijl naar huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. Dan, Willem, zet alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de patronen uit het oude huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u helpen. Wij zullen nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij klaar zijt, moet gij terstond weer bij ons komen.”Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer Wilson bij Flink aan het strand.„Flink,” begon hij, „er is zeker geen goed nieuws? Willem wilde mij niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust te maken. Wat is er eigenlijk?”„De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote menigte. Ik bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten dus met inspanning van alle krachten voor ons leven vechten.”„Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige hoop overblijft?” vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.„O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een harden, dagenlangen strijd hebben wij te wachten,—daarop mogen wij rekenen.”Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.„Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te worstelen zullen hebben!”„Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige verschansing kunnenhet tegen hunne knotsen en lansen opnemen, ingeval maar geen onzer gewond wordt.”„Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u naar mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik, zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit strijden kan,—vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke banden.”„Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat ik, al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, aan wie ik met hart en ziel verknocht ben.—Maar kom, wij mogen hier niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar ons oude huis, om daar allesvandaante halen; want het oude huis, zullen de wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er dan alles, wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware ’t enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, daar de tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in het blokhuis alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft brandstof genoeg, en de groote waterton zal het althans wel drie of vier weken uithouden. Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog met de kar naar het strand gaan en een paar schildpadden halen tot vermeerdering van onzen mondvoorraad.”„Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te denken.”„Waarom niet, mijnheer? ’t Is toch waarlijk beter, dat wijzelven die opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er van halen zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond leggen, kunnen zij nog weken in het leven blijven.”Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar zij Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en depatronenhadden overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij, doodelijk ontsteld zou wezen.„Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten hadden, lieve man,” antwoordde zij. „Zoo komt mij die tijding dus niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal door mij geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner kinderen niet aan moed ontbreekt.”„Er valt mij wezenlijk een steen van het hart,” riep mijnheer Wilson,„nu ik u zoo bedaard en welberaden vind. Nu ken ik geen angst meer;—maar wij hebben nog veel te doen.”„Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te kort schiet, moet ik door goeden wil vergoeden.”Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.
VIJF-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.DE KANO’S ZIJN IN AANTOCHT.
Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink met de boot bezig was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met naaien en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich best en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water noodig had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje Albert. Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij vader roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.Den Maandag daarop zeilden Willem enFlinkin de boot naar de kleine haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.„Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en geiten laten, waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het bosch schuilen en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook tienmaal zooveel.”„Dat komt mij ook zoo voor.”„Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de tenten afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen blijven staan.Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot gaan?”„Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels uitgraven?”„Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. Ik ga dadelijk een schop halen,—in de andere tent zal er nog wel een staan.”Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden zij naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel begon te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. Echter regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel er eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; ’t was al zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. Thomas vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek gegeten hebben,als zijne moeder niet wijzer geweest was dan hij en hem niet verboden had voor ditmaal er meer van te gebruiken.Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den gevallen regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en Willem den volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en dan nog zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden hielden als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die gelegenheid ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het oosten was omgeslagen.„Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink,” merkte Willem aan. „We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar de havenplaats komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading terug te roeien.”„Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons hebben zal,” gaf Flink nadenkend ten antwoord. „Laat ons nu naar huis en te bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op zijn;—dus kunt gij dan nog wel wat blijven liggen.”„Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, Flink,” zeide Willem; „zoodat ik maar dadelijk met u wil opstaan.”„Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd gaarne tot gezelschap heb.”Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het oosten en de lucht was geheel betrokken.Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.„Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat ééne punt houdt?” vroeg Willem, toen zijn grijze makker na lang turen nog geene beweging maakte om den kijker van het oog te nemen.„Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees werkelijk, dat ik iets zie,” gaf Flink eindelijk ten antwoord. „Binnen weinige oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen zeggen.”Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:„Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die donkere punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen zijn.”„Zeilen?—Wat zeilen, Flink?” vroeg Willem haastig.„De zeilen der Indiaansche kano’s, Willem; ik wist wel, dat die komenzouden. Neem gij den kijker maar eens en zie zelf;—het schemert mij voor de oogen, zoo sterk heb ik ze ingespannen.”„Ja, waarlijk—nu heb ik ze,” riep Willem, na den kijker gericht te hebben. „Maar, Flink, daar zijn althans wel twintig tot dertig.”„En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem.”„Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne lieve moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers volstrekt niets uitrichten, Flink.”„Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht zijn,—lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij een blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij verder vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel een gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met lansen en knotsen gewapend zijn.”„Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,—op die wijze kunnen zij immers in een uur hier zijn.”„O, neen, beste jongen,—niet eens in twee. Hunne kano’s zijn zeer groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik zal hen nog eens in het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop gij onderwijl naar huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. Dan, Willem, zet alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de patronen uit het oude huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u helpen. Wij zullen nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij klaar zijt, moet gij terstond weer bij ons komen.”Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer Wilson bij Flink aan het strand.„Flink,” begon hij, „er is zeker geen goed nieuws? Willem wilde mij niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust te maken. Wat is er eigenlijk?”„De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote menigte. Ik bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten dus met inspanning van alle krachten voor ons leven vechten.”„Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige hoop overblijft?” vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.„O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een harden, dagenlangen strijd hebben wij te wachten,—daarop mogen wij rekenen.”Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.„Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te worstelen zullen hebben!”„Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige verschansing kunnenhet tegen hunne knotsen en lansen opnemen, ingeval maar geen onzer gewond wordt.”„Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u naar mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik, zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit strijden kan,—vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke banden.”„Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat ik, al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, aan wie ik met hart en ziel verknocht ben.—Maar kom, wij mogen hier niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar ons oude huis, om daar allesvandaante halen; want het oude huis, zullen de wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er dan alles, wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware ’t enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, daar de tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in het blokhuis alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft brandstof genoeg, en de groote waterton zal het althans wel drie of vier weken uithouden. Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog met de kar naar het strand gaan en een paar schildpadden halen tot vermeerdering van onzen mondvoorraad.”„Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te denken.”„Waarom niet, mijnheer? ’t Is toch waarlijk beter, dat wijzelven die opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er van halen zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond leggen, kunnen zij nog weken in het leven blijven.”Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar zij Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en depatronenhadden overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij, doodelijk ontsteld zou wezen.„Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten hadden, lieve man,” antwoordde zij. „Zoo komt mij die tijding dus niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal door mij geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner kinderen niet aan moed ontbreekt.”„Er valt mij wezenlijk een steen van het hart,” riep mijnheer Wilson,„nu ik u zoo bedaard en welberaden vind. Nu ken ik geen angst meer;—maar wij hebben nog veel te doen.”„Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te kort schiet, moet ik door goeden wil vergoeden.”Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.
Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink met de boot bezig was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.
Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met naaien en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich best en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water noodig had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje Albert. Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij vader roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.
Den Maandag daarop zeilden Willem enFlinkin de boot naar de kleine haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.
„Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en geiten laten, waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het bosch schuilen en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook tienmaal zooveel.”
„Dat komt mij ook zoo voor.”
„Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de tenten afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen blijven staan.Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot gaan?”
„Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels uitgraven?”
„Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. Ik ga dadelijk een schop halen,—in de andere tent zal er nog wel een staan.”
Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden zij naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel begon te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. Echter regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel er eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.
De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; ’t was al zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. Thomas vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek gegeten hebben,als zijne moeder niet wijzer geweest was dan hij en hem niet verboden had voor ditmaal er meer van te gebruiken.
Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den gevallen regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en Willem den volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en dan nog zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden hielden als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die gelegenheid ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het oosten was omgeslagen.
„Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink,” merkte Willem aan. „We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar de havenplaats komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading terug te roeien.”
„Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons hebben zal,” gaf Flink nadenkend ten antwoord. „Laat ons nu naar huis en te bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op zijn;—dus kunt gij dan nog wel wat blijven liggen.”
„Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, Flink,” zeide Willem; „zoodat ik maar dadelijk met u wil opstaan.”
„Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd gaarne tot gezelschap heb.”
Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het oosten en de lucht was geheel betrokken.
Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.
„Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat ééne punt houdt?” vroeg Willem, toen zijn grijze makker na lang turen nog geene beweging maakte om den kijker van het oog te nemen.
„Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees werkelijk, dat ik iets zie,” gaf Flink eindelijk ten antwoord. „Binnen weinige oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen zeggen.”
Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:
„Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die donkere punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen zijn.”
„Zeilen?—Wat zeilen, Flink?” vroeg Willem haastig.
„De zeilen der Indiaansche kano’s, Willem; ik wist wel, dat die komenzouden. Neem gij den kijker maar eens en zie zelf;—het schemert mij voor de oogen, zoo sterk heb ik ze ingespannen.”
„Ja, waarlijk—nu heb ik ze,” riep Willem, na den kijker gericht te hebben. „Maar, Flink, daar zijn althans wel twintig tot dertig.”
„En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem.”
„Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne lieve moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers volstrekt niets uitrichten, Flink.”
„Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht zijn,—lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij een blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij verder vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel een gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met lansen en knotsen gewapend zijn.”
„Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,—op die wijze kunnen zij immers in een uur hier zijn.”
„O, neen, beste jongen,—niet eens in twee. Hunne kano’s zijn zeer groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik zal hen nog eens in het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop gij onderwijl naar huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. Dan, Willem, zet alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de patronen uit het oude huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u helpen. Wij zullen nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij klaar zijt, moet gij terstond weer bij ons komen.”
Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer Wilson bij Flink aan het strand.
„Flink,” begon hij, „er is zeker geen goed nieuws? Willem wilde mij niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust te maken. Wat is er eigenlijk?”
„De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote menigte. Ik bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten dus met inspanning van alle krachten voor ons leven vechten.”
„Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige hoop overblijft?” vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.
„O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een harden, dagenlangen strijd hebben wij te wachten,—daarop mogen wij rekenen.”
Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.
„Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te worstelen zullen hebben!”
„Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige verschansing kunnenhet tegen hunne knotsen en lansen opnemen, ingeval maar geen onzer gewond wordt.”
„Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u naar mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik, zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit strijden kan,—vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke banden.”
„Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat ik, al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, aan wie ik met hart en ziel verknocht ben.—Maar kom, wij mogen hier niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar ons oude huis, om daar allesvandaante halen; want het oude huis, zullen de wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er dan alles, wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware ’t enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, daar de tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in het blokhuis alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft brandstof genoeg, en de groote waterton zal het althans wel drie of vier weken uithouden. Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog met de kar naar het strand gaan en een paar schildpadden halen tot vermeerdering van onzen mondvoorraad.”
„Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te denken.”
„Waarom niet, mijnheer? ’t Is toch waarlijk beter, dat wijzelven die opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er van halen zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond leggen, kunnen zij nog weken in het leven blijven.”
Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar zij Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en depatronenhadden overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij, doodelijk ontsteld zou wezen.
„Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten hadden, lieve man,” antwoordde zij. „Zoo komt mij die tijding dus niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal door mij geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner kinderen niet aan moed ontbreekt.”
„Er valt mij wezenlijk een steen van het hart,” riep mijnheer Wilson,„nu ik u zoo bedaard en welberaden vind. Nu ken ik geen angst meer;—maar wij hebben nog veel te doen.”
„Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te kort schiet, moet ik door goeden wil vergoeden.”
Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.