ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.EEN ONAARDIG KIND.Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het werk waren, zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop aan hare voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare breikous bezig, en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken waarvan hij een steentje legde.„Wat doet gij toch, Thomas?” vroeg zijne moeder.„Spelen, moeder; ik maak een tuin.”„Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in planten.”„Neen, ik zaai zaden: zie hier maar,” riep Thomas en wees op zijne steenen.„Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?” vroeg de kleine Caroline.„Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet uit de aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen.”„Dat weet ik ook wel,” zeide Thomas. „Ik doe maar zoo omdat ik geen zaad heb.”„Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en geen steenen.”„O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies ’t zelfde.”„Toch niet zoo precies ’t zelfde, mijn jongen. Bedenk maar eens; als gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten, u slechts verbeeld hadt, dat gij ze at,—zou dat niet beter voor u geweest zijn?”„Ik wil er ook niet weer van proeven,” zeide de knaap.„Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet, waar ge trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer proeven zult, en dan kon ’t licht even erg of nog erger dan gisteren gaan.”„Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van? Daar boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg.”„Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat zelf doen, Thomas?”„Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem? Waarom stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten hebben.”„Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet zooveel meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge niet, hoe druk allen aan het werk zijn?”„Ik lust graag schildpadsoep,” vervolgde Thomas.„Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te doen, en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij niet altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben.”„Eene schildpad, moeder, wat is dat?” vroeg de kleine Caroline.„Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch geen visch is.”„O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van,” riep Thomas weder. „Waarom krijgen wij geen gebakken visch?”„Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch krijgen. Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje Albert terug. Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen, en die stoot soms wel.”Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge bokje, dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar vandaan, maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar het dier te schoppen.„Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u bitter zeer doen.”„Ik ben niet bang voor hem,” riep Thomas, terwijl hij Albert met de eene hand vasthield en voortging naar den bok te schoppen. Deze had echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij dook met den kop neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de borst, zoodat hij over Albert heen op den grond rolde. De kleine schreeuwde, en ook onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson schoot toe en nam haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij wat bang was, zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok omzag, die zeer geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen.„Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u immers wel, dat hij u stooten zou,” zeide de moeder en zocht Albert gerust te stellen.„Ik geef niet om tien bokken,” antwoordde Thomas, nu hij zag dathetbeest hem niet verder volgde.„Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij zijt toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?”„Ik ben niet bang voor een leeuw,” zei Thomas.„Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt niet weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u stond.”„Ik heb hem toch wel met steenen gegooid,” vervolgde de knaap.„Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de leeuw u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven op den grond zou hebben geworpen,” antwoordde de moeder.„Sik stoot nooit naar mij, moeder,” zeide Caroline.„Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er veel van de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor gestraft. Het is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar vader en moeder hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede kinderen gehoorzamen altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed kind.”„Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij toch, dat ik een brave jongen was, moeder,” zeide Thomas beschaamd.„Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en gehoorzaam zijn.”„Dat kan ik niet altijd wezen,” antwoordde de knaap. „Ik heb honger; wanneer krijg ik van middag eten?”„Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot allen van het werk terug zijn.”„Daar komt Flink met een zak op den schouder,” riep Thomas. Na weinige oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson en legde zijn zak op den grond neer.„Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een paar oudere,” zeide hij. „Ze zijn van de boomen, die ik heb omgehouwen.”„Ha, kokosnoten, die lust ik graag!” riep Thomas en klapte in de handen.„Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen zouden? Kijk, nu komen ze schielijker, dan wij verwacht hadden.—Ge schijnt recht warm, Flink.”„Ja, mevrouw,” antwoordde deze en wischte zich het zweet van het voorhoofd, „’t Is ook een warm werk, daar in het bosch geen koeltje waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze landingsplaats kan meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar toe.”„En om wat te doen?”„Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te brengen, en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar ditmaal heb ik Willem noodig, om mij een handje te helpen.”„O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing, nadat hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.—Ik weet op ’t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben,” vervolgde mevrouw Wilson. „Daar komt Willem met Juno, en ook mijn man heeft, zie ik, de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu op Albert, terwijl ik het eten voor u allen opdraag.”De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen daarin poten kon, en ’t was dus vooruit te zien, dat binnen twee dagen allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren der boomen zouden kunnen overgaan.Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog voor den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De heer Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor Juno aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al nog niet klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden, eens daarin zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen.
ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.EEN ONAARDIG KIND.Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het werk waren, zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop aan hare voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare breikous bezig, en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken waarvan hij een steentje legde.„Wat doet gij toch, Thomas?” vroeg zijne moeder.„Spelen, moeder; ik maak een tuin.”„Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in planten.”„Neen, ik zaai zaden: zie hier maar,” riep Thomas en wees op zijne steenen.„Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?” vroeg de kleine Caroline.„Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet uit de aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen.”„Dat weet ik ook wel,” zeide Thomas. „Ik doe maar zoo omdat ik geen zaad heb.”„Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en geen steenen.”„O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies ’t zelfde.”„Toch niet zoo precies ’t zelfde, mijn jongen. Bedenk maar eens; als gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten, u slechts verbeeld hadt, dat gij ze at,—zou dat niet beter voor u geweest zijn?”„Ik wil er ook niet weer van proeven,” zeide de knaap.„Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet, waar ge trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer proeven zult, en dan kon ’t licht even erg of nog erger dan gisteren gaan.”„Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van? Daar boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg.”„Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat zelf doen, Thomas?”„Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem? Waarom stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten hebben.”„Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet zooveel meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge niet, hoe druk allen aan het werk zijn?”„Ik lust graag schildpadsoep,” vervolgde Thomas.„Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te doen, en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij niet altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben.”„Eene schildpad, moeder, wat is dat?” vroeg de kleine Caroline.„Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch geen visch is.”„O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van,” riep Thomas weder. „Waarom krijgen wij geen gebakken visch?”„Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch krijgen. Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje Albert terug. Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen, en die stoot soms wel.”Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge bokje, dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar vandaan, maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar het dier te schoppen.„Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u bitter zeer doen.”„Ik ben niet bang voor hem,” riep Thomas, terwijl hij Albert met de eene hand vasthield en voortging naar den bok te schoppen. Deze had echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij dook met den kop neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de borst, zoodat hij over Albert heen op den grond rolde. De kleine schreeuwde, en ook onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson schoot toe en nam haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij wat bang was, zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok omzag, die zeer geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen.„Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u immers wel, dat hij u stooten zou,” zeide de moeder en zocht Albert gerust te stellen.„Ik geef niet om tien bokken,” antwoordde Thomas, nu hij zag dathetbeest hem niet verder volgde.„Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij zijt toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?”„Ik ben niet bang voor een leeuw,” zei Thomas.„Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt niet weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u stond.”„Ik heb hem toch wel met steenen gegooid,” vervolgde de knaap.„Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de leeuw u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven op den grond zou hebben geworpen,” antwoordde de moeder.„Sik stoot nooit naar mij, moeder,” zeide Caroline.„Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er veel van de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor gestraft. Het is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar vader en moeder hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede kinderen gehoorzamen altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed kind.”„Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij toch, dat ik een brave jongen was, moeder,” zeide Thomas beschaamd.„Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en gehoorzaam zijn.”„Dat kan ik niet altijd wezen,” antwoordde de knaap. „Ik heb honger; wanneer krijg ik van middag eten?”„Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot allen van het werk terug zijn.”„Daar komt Flink met een zak op den schouder,” riep Thomas. Na weinige oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson en legde zijn zak op den grond neer.„Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een paar oudere,” zeide hij. „Ze zijn van de boomen, die ik heb omgehouwen.”„Ha, kokosnoten, die lust ik graag!” riep Thomas en klapte in de handen.„Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen zouden? Kijk, nu komen ze schielijker, dan wij verwacht hadden.—Ge schijnt recht warm, Flink.”„Ja, mevrouw,” antwoordde deze en wischte zich het zweet van het voorhoofd, „’t Is ook een warm werk, daar in het bosch geen koeltje waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze landingsplaats kan meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar toe.”„En om wat te doen?”„Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te brengen, en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar ditmaal heb ik Willem noodig, om mij een handje te helpen.”„O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing, nadat hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.—Ik weet op ’t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben,” vervolgde mevrouw Wilson. „Daar komt Willem met Juno, en ook mijn man heeft, zie ik, de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu op Albert, terwijl ik het eten voor u allen opdraag.”De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen daarin poten kon, en ’t was dus vooruit te zien, dat binnen twee dagen allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren der boomen zouden kunnen overgaan.Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog voor den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De heer Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor Juno aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al nog niet klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden, eens daarin zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen.
ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.EEN ONAARDIG KIND.
Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het werk waren, zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop aan hare voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare breikous bezig, en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken waarvan hij een steentje legde.„Wat doet gij toch, Thomas?” vroeg zijne moeder.„Spelen, moeder; ik maak een tuin.”„Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in planten.”„Neen, ik zaai zaden: zie hier maar,” riep Thomas en wees op zijne steenen.„Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?” vroeg de kleine Caroline.„Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet uit de aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen.”„Dat weet ik ook wel,” zeide Thomas. „Ik doe maar zoo omdat ik geen zaad heb.”„Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en geen steenen.”„O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies ’t zelfde.”„Toch niet zoo precies ’t zelfde, mijn jongen. Bedenk maar eens; als gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten, u slechts verbeeld hadt, dat gij ze at,—zou dat niet beter voor u geweest zijn?”„Ik wil er ook niet weer van proeven,” zeide de knaap.„Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet, waar ge trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer proeven zult, en dan kon ’t licht even erg of nog erger dan gisteren gaan.”„Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van? Daar boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg.”„Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat zelf doen, Thomas?”„Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem? Waarom stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten hebben.”„Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet zooveel meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge niet, hoe druk allen aan het werk zijn?”„Ik lust graag schildpadsoep,” vervolgde Thomas.„Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te doen, en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij niet altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben.”„Eene schildpad, moeder, wat is dat?” vroeg de kleine Caroline.„Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch geen visch is.”„O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van,” riep Thomas weder. „Waarom krijgen wij geen gebakken visch?”„Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch krijgen. Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje Albert terug. Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen, en die stoot soms wel.”Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge bokje, dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar vandaan, maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar het dier te schoppen.„Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u bitter zeer doen.”„Ik ben niet bang voor hem,” riep Thomas, terwijl hij Albert met de eene hand vasthield en voortging naar den bok te schoppen. Deze had echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij dook met den kop neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de borst, zoodat hij over Albert heen op den grond rolde. De kleine schreeuwde, en ook onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson schoot toe en nam haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij wat bang was, zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok omzag, die zeer geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen.„Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u immers wel, dat hij u stooten zou,” zeide de moeder en zocht Albert gerust te stellen.„Ik geef niet om tien bokken,” antwoordde Thomas, nu hij zag dathetbeest hem niet verder volgde.„Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij zijt toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?”„Ik ben niet bang voor een leeuw,” zei Thomas.„Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt niet weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u stond.”„Ik heb hem toch wel met steenen gegooid,” vervolgde de knaap.„Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de leeuw u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven op den grond zou hebben geworpen,” antwoordde de moeder.„Sik stoot nooit naar mij, moeder,” zeide Caroline.„Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er veel van de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor gestraft. Het is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar vader en moeder hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede kinderen gehoorzamen altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed kind.”„Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij toch, dat ik een brave jongen was, moeder,” zeide Thomas beschaamd.„Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en gehoorzaam zijn.”„Dat kan ik niet altijd wezen,” antwoordde de knaap. „Ik heb honger; wanneer krijg ik van middag eten?”„Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot allen van het werk terug zijn.”„Daar komt Flink met een zak op den schouder,” riep Thomas. Na weinige oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson en legde zijn zak op den grond neer.„Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een paar oudere,” zeide hij. „Ze zijn van de boomen, die ik heb omgehouwen.”„Ha, kokosnoten, die lust ik graag!” riep Thomas en klapte in de handen.„Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen zouden? Kijk, nu komen ze schielijker, dan wij verwacht hadden.—Ge schijnt recht warm, Flink.”„Ja, mevrouw,” antwoordde deze en wischte zich het zweet van het voorhoofd, „’t Is ook een warm werk, daar in het bosch geen koeltje waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze landingsplaats kan meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar toe.”„En om wat te doen?”„Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te brengen, en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar ditmaal heb ik Willem noodig, om mij een handje te helpen.”„O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing, nadat hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.—Ik weet op ’t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben,” vervolgde mevrouw Wilson. „Daar komt Willem met Juno, en ook mijn man heeft, zie ik, de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu op Albert, terwijl ik het eten voor u allen opdraag.”De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen daarin poten kon, en ’t was dus vooruit te zien, dat binnen twee dagen allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren der boomen zouden kunnen overgaan.Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog voor den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De heer Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor Juno aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al nog niet klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden, eens daarin zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen.
Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het werk waren, zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop aan hare voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare breikous bezig, en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken waarvan hij een steentje legde.
„Wat doet gij toch, Thomas?” vroeg zijne moeder.
„Spelen, moeder; ik maak een tuin.”
„Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in planten.”
„Neen, ik zaai zaden: zie hier maar,” riep Thomas en wees op zijne steenen.
„Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?” vroeg de kleine Caroline.
„Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet uit de aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen.”
„Dat weet ik ook wel,” zeide Thomas. „Ik doe maar zoo omdat ik geen zaad heb.”
„Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en geen steenen.”
„O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies ’t zelfde.”
„Toch niet zoo precies ’t zelfde, mijn jongen. Bedenk maar eens; als gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten, u slechts verbeeld hadt, dat gij ze at,—zou dat niet beter voor u geweest zijn?”
„Ik wil er ook niet weer van proeven,” zeide de knaap.
„Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet, waar ge trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer proeven zult, en dan kon ’t licht even erg of nog erger dan gisteren gaan.”
„Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van? Daar boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg.”
„Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat zelf doen, Thomas?”
„Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem? Waarom stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten hebben.”
„Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet zooveel meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge niet, hoe druk allen aan het werk zijn?”
„Ik lust graag schildpadsoep,” vervolgde Thomas.
„Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te doen, en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij niet altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben.”
„Eene schildpad, moeder, wat is dat?” vroeg de kleine Caroline.
„Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch geen visch is.”
„O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van,” riep Thomas weder. „Waarom krijgen wij geen gebakken visch?”
„Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch krijgen. Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje Albert terug. Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen, en die stoot soms wel.”
Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge bokje, dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar vandaan, maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar het dier te schoppen.
„Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u bitter zeer doen.”
„Ik ben niet bang voor hem,” riep Thomas, terwijl hij Albert met de eene hand vasthield en voortging naar den bok te schoppen. Deze had echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij dook met den kop neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de borst, zoodat hij over Albert heen op den grond rolde. De kleine schreeuwde, en ook onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson schoot toe en nam haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij wat bang was, zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok omzag, die zeer geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen.
„Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u immers wel, dat hij u stooten zou,” zeide de moeder en zocht Albert gerust te stellen.
„Ik geef niet om tien bokken,” antwoordde Thomas, nu hij zag dathetbeest hem niet verder volgde.
„Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij zijt toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?”
„Ik ben niet bang voor een leeuw,” zei Thomas.
„Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt niet weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u stond.”
„Ik heb hem toch wel met steenen gegooid,” vervolgde de knaap.
„Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de leeuw u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven op den grond zou hebben geworpen,” antwoordde de moeder.
„Sik stoot nooit naar mij, moeder,” zeide Caroline.
„Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er veel van de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor gestraft. Het is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar vader en moeder hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede kinderen gehoorzamen altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed kind.”
„Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij toch, dat ik een brave jongen was, moeder,” zeide Thomas beschaamd.
„Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en gehoorzaam zijn.”
„Dat kan ik niet altijd wezen,” antwoordde de knaap. „Ik heb honger; wanneer krijg ik van middag eten?”
„Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot allen van het werk terug zijn.”
„Daar komt Flink met een zak op den schouder,” riep Thomas. Na weinige oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson en legde zijn zak op den grond neer.
„Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een paar oudere,” zeide hij. „Ze zijn van de boomen, die ik heb omgehouwen.”
„Ha, kokosnoten, die lust ik graag!” riep Thomas en klapte in de handen.
„Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen zouden? Kijk, nu komen ze schielijker, dan wij verwacht hadden.—Ge schijnt recht warm, Flink.”
„Ja, mevrouw,” antwoordde deze en wischte zich het zweet van het voorhoofd, „’t Is ook een warm werk, daar in het bosch geen koeltje waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze landingsplaats kan meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar toe.”
„En om wat te doen?”
„Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te brengen, en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar ditmaal heb ik Willem noodig, om mij een handje te helpen.”
„O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing, nadat hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.—Ik weet op ’t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben,” vervolgde mevrouw Wilson. „Daar komt Willem met Juno, en ook mijn man heeft, zie ik, de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu op Albert, terwijl ik het eten voor u allen opdraag.”
De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen daarin poten kon, en ’t was dus vooruit te zien, dat binnen twee dagen allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren der boomen zouden kunnen overgaan.
Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog voor den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De heer Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor Juno aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al nog niet klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden, eens daarin zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen.