ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.THOMAS EN DE KREEFT.Het nieuwe plan werd onder ’t ontbijt aan mevrouw Wilson medegedeeld, en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel veiliger dan tot hiertoe zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare toestemming.Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in gereedheid, waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene doorvaart te zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie kabelslengten van de landpunt, gelukkig ontdekten.„Dat is een groot geluk, mijn goede Willem,” riep Flink, „maar nu moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg spoedig te vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;—zij ligt in eene rechte lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar gericht hebben, weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal bevinden. Nu hebben wij nog slechts een teeken recht voor ons uit noodig, om te zien, wanneer wij het kanaal moeten inloopen.”„Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht op den rechterzijwand van ons huis aan,” hernam Willem.„Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker op los roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn.”Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden langs den kust voort.„Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?”„Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter vier of vijf mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper roeiens rekenen. In allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak ook, terugzeilen.”„Wij zijn thans in zeer diep water,” merkte Willem na lang zwijgen aan.„Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook niet andersverwachten, want de koralen wassen alleen op de zijde, die aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine haven, die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn. Gij ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen. We zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard opnemen.”„Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink,” riep Willem met den vinger wijzende. „Weet gij nog wel: ook aan de buitenste zijde van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht bij elkander.”„Juist zoo, Willem, en ’t zou mij volstrekt niet verwonderen, als gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er eens heen roeien.”Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in een vijver was.„Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast opzetten en op ons gemak naar huis zeilen.”„Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens. Ik zie daar wat tusschen de klippen omkrabbelen.”Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met een ruk in de boot slingerde.„Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel,” zeide Flink. „Wij komen dus niet met ledige handen terug en zullen des te meer welkom zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen, want we moeten hedennamiddag nog eens en dan wel met een volle lading hierheen roeien.”De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij de landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt.Willem had den zeekreeft, die slechts ééne schaar had, uit de boot gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet, om dien als een toegift voor het middagmaal te koken.Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken. Toen hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar gewoonte, te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds den leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen, toen beproefde hij den staart recht te trekken;—het dier sloeg echter naar hem en liep weg.Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek steken; toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het gewricht van de hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat Thomas het van pijn uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm ronddanste. Gelukkig voor hem washet beest reeds zoo lang buiten het water enbovendienzoo hevig door de ijzeren punt van den bootshaak getroffen, dat het meer dan halfdood was. Anders zou het den knaap zwaar gekwetst hebben.Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield, toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de wangen rolden.Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige manier moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop volbracht te hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten zag opdragen. Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met een benepen gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij nog voor zijn vijand beangst, ofschoon deze nu dood was.„Nu, Thomas!” zeide zijn vader, „ik denk dat gij van den kreeft toch niet zult willen eten.”„Niet eten?” riep Thomas uit. „O ja, ik wil hem eten, juist omdat hij mij opeten wou.”„Wat wilt ge er dan voor een stuk van,—de schaar misschien?” vroeg mijnheer Wilson.„Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,—laat het daar eens wat tegen doen; om het te plagen wil ik die eten!”„Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten, Thomas?” vroeg zijn vader. „Hadt gij het niet geplaagd, het zou u niet geknepen hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven zal, als gij er van eten wilt om het te plagen.”„O, ik lust hem ook niet,—ik begeer er ook niets van,” hernam de kleine stijfkop. „Ik eet veel liever pekelvleesch.”„Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook zeker niet opdringen, jongeheer,” antwoordde zijn vader. „Dus zullen wij hem maar buiten u onder ons verdeelen.”Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde, dat hij reeds vóór het eten zijn deel van den kreeft had gehad.

ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.THOMAS EN DE KREEFT.Het nieuwe plan werd onder ’t ontbijt aan mevrouw Wilson medegedeeld, en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel veiliger dan tot hiertoe zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare toestemming.Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in gereedheid, waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene doorvaart te zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie kabelslengten van de landpunt, gelukkig ontdekten.„Dat is een groot geluk, mijn goede Willem,” riep Flink, „maar nu moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg spoedig te vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;—zij ligt in eene rechte lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar gericht hebben, weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal bevinden. Nu hebben wij nog slechts een teeken recht voor ons uit noodig, om te zien, wanneer wij het kanaal moeten inloopen.”„Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht op den rechterzijwand van ons huis aan,” hernam Willem.„Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker op los roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn.”Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden langs den kust voort.„Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?”„Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter vier of vijf mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper roeiens rekenen. In allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak ook, terugzeilen.”„Wij zijn thans in zeer diep water,” merkte Willem na lang zwijgen aan.„Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook niet andersverwachten, want de koralen wassen alleen op de zijde, die aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine haven, die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn. Gij ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen. We zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard opnemen.”„Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink,” riep Willem met den vinger wijzende. „Weet gij nog wel: ook aan de buitenste zijde van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht bij elkander.”„Juist zoo, Willem, en ’t zou mij volstrekt niet verwonderen, als gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er eens heen roeien.”Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in een vijver was.„Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast opzetten en op ons gemak naar huis zeilen.”„Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens. Ik zie daar wat tusschen de klippen omkrabbelen.”Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met een ruk in de boot slingerde.„Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel,” zeide Flink. „Wij komen dus niet met ledige handen terug en zullen des te meer welkom zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen, want we moeten hedennamiddag nog eens en dan wel met een volle lading hierheen roeien.”De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij de landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt.Willem had den zeekreeft, die slechts ééne schaar had, uit de boot gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet, om dien als een toegift voor het middagmaal te koken.Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken. Toen hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar gewoonte, te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds den leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen, toen beproefde hij den staart recht te trekken;—het dier sloeg echter naar hem en liep weg.Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek steken; toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het gewricht van de hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat Thomas het van pijn uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm ronddanste. Gelukkig voor hem washet beest reeds zoo lang buiten het water enbovendienzoo hevig door de ijzeren punt van den bootshaak getroffen, dat het meer dan halfdood was. Anders zou het den knaap zwaar gekwetst hebben.Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield, toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de wangen rolden.Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige manier moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop volbracht te hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten zag opdragen. Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met een benepen gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij nog voor zijn vijand beangst, ofschoon deze nu dood was.„Nu, Thomas!” zeide zijn vader, „ik denk dat gij van den kreeft toch niet zult willen eten.”„Niet eten?” riep Thomas uit. „O ja, ik wil hem eten, juist omdat hij mij opeten wou.”„Wat wilt ge er dan voor een stuk van,—de schaar misschien?” vroeg mijnheer Wilson.„Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,—laat het daar eens wat tegen doen; om het te plagen wil ik die eten!”„Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten, Thomas?” vroeg zijn vader. „Hadt gij het niet geplaagd, het zou u niet geknepen hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven zal, als gij er van eten wilt om het te plagen.”„O, ik lust hem ook niet,—ik begeer er ook niets van,” hernam de kleine stijfkop. „Ik eet veel liever pekelvleesch.”„Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook zeker niet opdringen, jongeheer,” antwoordde zijn vader. „Dus zullen wij hem maar buiten u onder ons verdeelen.”Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde, dat hij reeds vóór het eten zijn deel van den kreeft had gehad.

ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.THOMAS EN DE KREEFT.

Het nieuwe plan werd onder ’t ontbijt aan mevrouw Wilson medegedeeld, en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel veiliger dan tot hiertoe zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare toestemming.Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in gereedheid, waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene doorvaart te zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie kabelslengten van de landpunt, gelukkig ontdekten.„Dat is een groot geluk, mijn goede Willem,” riep Flink, „maar nu moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg spoedig te vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;—zij ligt in eene rechte lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar gericht hebben, weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal bevinden. Nu hebben wij nog slechts een teeken recht voor ons uit noodig, om te zien, wanneer wij het kanaal moeten inloopen.”„Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht op den rechterzijwand van ons huis aan,” hernam Willem.„Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker op los roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn.”Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden langs den kust voort.„Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?”„Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter vier of vijf mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper roeiens rekenen. In allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak ook, terugzeilen.”„Wij zijn thans in zeer diep water,” merkte Willem na lang zwijgen aan.„Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook niet andersverwachten, want de koralen wassen alleen op de zijde, die aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine haven, die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn. Gij ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen. We zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard opnemen.”„Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink,” riep Willem met den vinger wijzende. „Weet gij nog wel: ook aan de buitenste zijde van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht bij elkander.”„Juist zoo, Willem, en ’t zou mij volstrekt niet verwonderen, als gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er eens heen roeien.”Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in een vijver was.„Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast opzetten en op ons gemak naar huis zeilen.”„Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens. Ik zie daar wat tusschen de klippen omkrabbelen.”Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met een ruk in de boot slingerde.„Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel,” zeide Flink. „Wij komen dus niet met ledige handen terug en zullen des te meer welkom zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen, want we moeten hedennamiddag nog eens en dan wel met een volle lading hierheen roeien.”De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij de landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt.Willem had den zeekreeft, die slechts ééne schaar had, uit de boot gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet, om dien als een toegift voor het middagmaal te koken.Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken. Toen hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar gewoonte, te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds den leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen, toen beproefde hij den staart recht te trekken;—het dier sloeg echter naar hem en liep weg.Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek steken; toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het gewricht van de hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat Thomas het van pijn uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm ronddanste. Gelukkig voor hem washet beest reeds zoo lang buiten het water enbovendienzoo hevig door de ijzeren punt van den bootshaak getroffen, dat het meer dan halfdood was. Anders zou het den knaap zwaar gekwetst hebben.Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield, toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de wangen rolden.Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige manier moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop volbracht te hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten zag opdragen. Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met een benepen gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij nog voor zijn vijand beangst, ofschoon deze nu dood was.„Nu, Thomas!” zeide zijn vader, „ik denk dat gij van den kreeft toch niet zult willen eten.”„Niet eten?” riep Thomas uit. „O ja, ik wil hem eten, juist omdat hij mij opeten wou.”„Wat wilt ge er dan voor een stuk van,—de schaar misschien?” vroeg mijnheer Wilson.„Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,—laat het daar eens wat tegen doen; om het te plagen wil ik die eten!”„Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten, Thomas?” vroeg zijn vader. „Hadt gij het niet geplaagd, het zou u niet geknepen hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven zal, als gij er van eten wilt om het te plagen.”„O, ik lust hem ook niet,—ik begeer er ook niets van,” hernam de kleine stijfkop. „Ik eet veel liever pekelvleesch.”„Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook zeker niet opdringen, jongeheer,” antwoordde zijn vader. „Dus zullen wij hem maar buiten u onder ons verdeelen.”Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde, dat hij reeds vóór het eten zijn deel van den kreeft had gehad.

Het nieuwe plan werd onder ’t ontbijt aan mevrouw Wilson medegedeeld, en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel veiliger dan tot hiertoe zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare toestemming.

Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in gereedheid, waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene doorvaart te zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie kabelslengten van de landpunt, gelukkig ontdekten.

„Dat is een groot geluk, mijn goede Willem,” riep Flink, „maar nu moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg spoedig te vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;—zij ligt in eene rechte lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar gericht hebben, weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal bevinden. Nu hebben wij nog slechts een teeken recht voor ons uit noodig, om te zien, wanneer wij het kanaal moeten inloopen.”

„Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht op den rechterzijwand van ons huis aan,” hernam Willem.

„Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker op los roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn.”

Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden langs den kust voort.

„Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?”

„Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter vier of vijf mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper roeiens rekenen. In allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak ook, terugzeilen.”

„Wij zijn thans in zeer diep water,” merkte Willem na lang zwijgen aan.

„Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook niet andersverwachten, want de koralen wassen alleen op de zijde, die aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine haven, die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn. Gij ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen. We zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard opnemen.”

„Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink,” riep Willem met den vinger wijzende. „Weet gij nog wel: ook aan de buitenste zijde van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht bij elkander.”

„Juist zoo, Willem, en ’t zou mij volstrekt niet verwonderen, als gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er eens heen roeien.”

Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in een vijver was.

„Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast opzetten en op ons gemak naar huis zeilen.”

„Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens. Ik zie daar wat tusschen de klippen omkrabbelen.”

Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met een ruk in de boot slingerde.

„Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel,” zeide Flink. „Wij komen dus niet met ledige handen terug en zullen des te meer welkom zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen, want we moeten hedennamiddag nog eens en dan wel met een volle lading hierheen roeien.”

De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij de landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt.

Willem had den zeekreeft, die slechts ééne schaar had, uit de boot gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet, om dien als een toegift voor het middagmaal te koken.

Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken. Toen hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar gewoonte, te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds den leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen, toen beproefde hij den staart recht te trekken;—het dier sloeg echter naar hem en liep weg.

Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek steken; toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het gewricht van de hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat Thomas het van pijn uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm ronddanste. Gelukkig voor hem washet beest reeds zoo lang buiten het water enbovendienzoo hevig door de ijzeren punt van den bootshaak getroffen, dat het meer dan halfdood was. Anders zou het den knaap zwaar gekwetst hebben.

Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield, toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de wangen rolden.

Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige manier moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop volbracht te hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten zag opdragen. Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met een benepen gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij nog voor zijn vijand beangst, ofschoon deze nu dood was.

„Nu, Thomas!” zeide zijn vader, „ik denk dat gij van den kreeft toch niet zult willen eten.”

„Niet eten?” riep Thomas uit. „O ja, ik wil hem eten, juist omdat hij mij opeten wou.”

„Wat wilt ge er dan voor een stuk van,—de schaar misschien?” vroeg mijnheer Wilson.

„Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,—laat het daar eens wat tegen doen; om het te plagen wil ik die eten!”

„Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten, Thomas?” vroeg zijn vader. „Hadt gij het niet geplaagd, het zou u niet geknepen hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven zal, als gij er van eten wilt om het te plagen.”

„O, ik lust hem ook niet,—ik begeer er ook niets van,” hernam de kleine stijfkop. „Ik eet veel liever pekelvleesch.”

„Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook zeker niet opdringen, jongeheer,” antwoordde zijn vader. „Dus zullen wij hem maar buiten u onder ons verdeelen.”

Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde, dat hij reeds vóór het eten zijn deel van den kreeft had gehad.


Back to IndexNext