- Nie, nie, nou nog niet. Loat ons 'n beetse wachten; 'k ben zeker dat hij van zijn eigen zal genezen.
En zij wachtten, hem trouwens omringend mei al de zorgen die in hun bereik waren, want zij waren beiden zeer op hem gesteld.
De dag ging voorbij zonder verandering ir zijn toestand te brengen. De perioden van bedwelming en van woeling wisselden elkander af, deze laatste zeer hevig, kronkelend den zieke op zijn bed, met kreten en zuchten van smart. En hij weigerde alle voedsel; hij nam niets anders dar een beetje water, gemengd met suiker en citroen; die men in 't dorp was gaan halen.
Maar plotseling, 's avonds van den tweeden dag, verergerde zijn toestand onheilspellend. Hij werd aangetast door een hevige koorts, die hem deed huiveren en klappertanden in de stikkende hitte van het zolderkamertje; en eensklaps sprong hij gillend uit zijn bed, ineengekrompen van de foltering, de beide, krampachtig gesloten vuisten op zijn buik, smeekend om hulp of om dood, met knarsende tanden en stampende voeten, als in een aanval van dolle razernij.
Bleek van schrik kwamen de boer en zijn vrouw aansnellen.
- Gauw! gauw om den dokteur en om de moeder!" riep de boer. En terwijl zijn vrouw ijlings de trappen afholde om het bevel te geven, greep hij met geweld den lijdende vast en duwde hem weer in het bed, alwaar hij vruchteloos poogde hem akelig gillen te doen staken.
- Ziek! och Hiere! Es't dan zeu irg!" riep Blanche, bevend van angst, toen de paardenknecht der hoeve, buiten adem, met hortende stem, haar het droevig nieuws verteld had. "Och God! Och God!".... En snikkend liep zij hare muts opzetten en haar schoenen aantrekken.
- Wel niet zéú irg, meschien, hijgde de jonge man," moar 'k moe toch den dokteur goan haolen.
- O joa, och God! en leupt toch ziere! toch ziere!" smeekte zij, met gevouwen handen.
Zij zelve was in een oogwenk klaar; en zonder te luisteren naar de troostende woorden, waarmee de beide oude vrijsters, bij wie ze steeds inwoonde, haar trachtten op te beuren, vloog zij naar buiten, zuchtend en snikkend, in den reeds donkeren nacht.
Zij vloog, zij rende, de borst hijgend, en 't zweet op het voorhoofd, alleen in den heerlijk-zachten, kalmen zomernacht, alleen in 't rustend, eenzaam veld, waar de maan, laag en dof op den gezichtseinder, haar wazig, droomerig schijnsel zond over de lange, stille rijen der als smeekende gestalten in elkaar gestrengelde korengarven. Zij zuchtte halfluid: "O! had hij toch mijne road gevolgd! O! was hij toch weere bij mij gekomen!".... Zij smeekte: "O! mijne God, mijne God! loat mij toch nog bij tijds komen! Loat mij hem toch nog keune redden!" En onder 't wilde hollen vouwde zij bevend haar handen om het van Hem af te smeeken; om Hem te smeeken, dat Hij die alles kon, Hij, die zóóveel verleende aan ontelbare gelukkigen op aarde, haar niet het eenig, het uniek geluk dat Hij aan háár verleend had, zou ontnemen.
Eindelijk kwam zij aan de verre hoeve, welk honden zwaar-luguber aanblaften. Zij rende over den boomgaard, kwam aan de huisdeur, duwde die open, zag niemand in de keuken, vloog de zoldertrap op.
De boer, die haar had hooren komen, liep haar te gemoet, den vinger op de lippen, om haar 't stilzwijgen te bevelen.
Bauwke, door de vreeselijke crisis uitgeput, lag weer, schijnbaar kalm, en roerloos, in zijn bed, de oogen toe, alsof hij sliep. De boerin, over hem gebogen, legde een versche pleister op zijn buik.
Bevend, haar adem en tranen inhoudend, naderde Blanche 't ledikant. Maar toen zij hem zag in 't zwakke schijnsel van het lampje, 't gelaat verwrongen en zoo uitgemergeld geel en mager, toen voelde zij in zich iets breken en scheuren; en, met ineengekrompen handen zonk zij snikkend op haar knieën, huilend in stilte de bitterste tranen van haar leven, terwijl ze zich tot bloedens toe de lippen beet, om het niet hardop van gruwel uit te gillen.
Met gefluisterde troostwoorden keerde de boerin zich tot haar om:
- Zwijgt, zwijgt, all'*hoop en es nog nie verloren! hij zal d'r nog wel deure scharten*!
- Moar woa hêt hij? Hoe es da toch gekomen! Waarom hêtte mij zeu loate geroopen*?" vermenigvuldigde Blanche snikkend haar wanhopige vragen.
- Kom alhier, kom liever alhier," zei de boer haar bij de hand nemend, "schiedt er uit mee schriemen, den dokteur zal goan komen en hij zal em helpen. Ala toe, kom, me zillen hier op ons gemak keune klappen, binst da w' em in 't eug hoûen."
En, bijna met geweld, trok hij haar uit het zolderkamertje, waarvan de deur bleef open staan.
Acht dagen lang doorleefde Blanche, die de bedstee van haar zoon haast geen oogenblik verliet, alle de folteringen van den uitersten moederangst. Acht dagen bad en smeekte zij met bevende gevouwen handen, dat de Almachtige Heer haar zoon zou redden. Er kwamen uren van zalige hoop en verlichting, momenten van opperste vroomheid en illuzie, waarin ze zich, met de stugge hardnekkigheid van een die het fatale eind nietwilaanschouwen, aan 't leven, aan zijn leven weêr vastklampte; er kwamen uren en dagen van absolute vertwijfeling, waarin ze zelve reeds als dood was, vernield in ziel en lichaam, door het overweldigende van haar lijden.
En zoo kwam eindelijk ook het oogenblik, waarop zij, in stomme neerslachtigheid, begreep dat alles onherroepelijk verloren was?...
Den negenden dag, met den avond, na het vertrek van den dokter en van den pastoor, die hem de laatste sacramenten had toegediend, kreeg zij in eens 't afgrijselijk, acuut bewustzijn, dat niets meer hem kon redden. Stokstijf, met op elkaar geklemde tanden, zonder een kreet, zonder een traan, woonde zij den doodsstrijd bij. Haar triestige zieke oogen, haast blind geworden door het huilen, sperden zich voor het laatst wijd open, als om niets te verliezen van dat gruwelijk tafereel: de doodsstrijd van haar aangebeden zoon, de sombere vernieling van haar eenig goed op aarde! Zij zag zijn ontvleesde gelaatstrekken wasgeel en strak worden, in een laatste, gelouterde uitdrukking van nobele schoonheid; zij zag zijn mooie, zachte, helderblauwe oogen in hun holten omdraaien en breken; zij zag zijn gestalte, zeer lang, zich uitrekken en onbewegelijk worden, in hiëratische*lijnen van onverstoorbare rust, zonder dat zij, in haar stompe bewusteloosheid, iets anders voelde dan lange, vreeselijke rillingen, van haar hals tot haar voeten. Hij was reeds dood, en stijf en koud, toen ze daar nog altijd stom en roerloos op dezelfde plek stond, als versteend in haar afgrijzen van het Niets. En toen ze zich eindelijk wilde bewegen, waggelde zij half om, als dronken, de handen tastend uitgestrekt, als was er, in plaats van atmosfeer en vastheid, niets meer dan duisternis en afgrond om haar heen.
Zij hoorde niet de troostwoorden waarmede de boer en zijn vrouw haar trachten op te beuren en toen zij haar bij den arm wilden nemen om haar te doen zitten, in eens, licht als een schaduw was ze weg, de trappen af, den huize uit....
Zij holde door de duisternis, alleen, verdwaald, bewusteloos, in den zacht-zwoelen, geurigen nacht...
Zij meende stemmen te hooren, die naar haar riepen, en ze rende harder, om ze te ontvluchten. Maar ze wist hoe langer hoe minder waar ze heen rende, noch waar ze was; er bestond niets meer, er was niets meer in haar noch om haar heen. Zij zweefde, als een ijl, levenloos lichaam, in een ijle, onbekende ruimte, zonder atmosfeer.....
En ze zag dingen die ze niet meer kende, die ze niet meer begreep....
Zij zag de stille manesikkel, wazig oranjekleurig, laag op den gezichtseinder rijzen, over de donkere korenvelden; en 't kwam haar voor als zag zij een oud, mysterieus, droevig oog, dof-starend in bespiegeling naar de vernieling van een arm, lijdend schepsel....
Zij dwaalde over naakte stoppelvelden, waarvan de scherpe punten in haar enkels beten zonder dat ze 't voelde; en suf stond ze te staren op de lange rijen "stuiken," welke haar voorkwamen als smeekend-omarmde gestalten, die allen haar gruwelijk geheim kenden, en dit, in 't droomerig gezang der krekels, als een gefluisterde weeklacht aan elkander mededeelden....
Zij dwaalde in een bosch, onder hooge, inktzwarte kruinen; en 't kwam haar voor als was zij in een afgrond, waar 't laatst atoompje van haar zwakke leven ook in 't Niets verzwond....
Want er was niets meer, niets meer, niets meer! Want ieder harer waggelende schreden scheen struikelend te vallen in een ijle leege ruimte; want iedere trilling harer wild-zoekende handen bevoelde 't afgrijselijk Niets! En toch zocht zij! Dit enkele bewustzijn bleef in haar: dat zij iets zocht, zij wist niet wat, iets dat aldoor, aldoor scheen te vluchten.
En, van lieverlede, in den angst van dat vruchteloos zoeken, werd zij door een wilde gejaagdheid voortgezweept. Zij rende al harder en harder, rechts, links, de handen sidderend uitgestrekt, de keel droog-hikkend, de stem schor, huilend, snikkend. Zij strompelde, viel, sprong weer op, holde verder, viel opnieuw, zich vastklampend aan alles wat zij voelde, en alles dadelijk weer loslatend, zonder ooit het halsstarrig gezochte te vinden.
Toen vlamde plotseling in haar als een groot, vervaarlijk licht op....
Plotseling, in een bleeke klaarte, zwak-schijnend in een diepte, erkende zij het zoolang te vergeefs gezochte!....
Het was de Dood dien zij zocht! De Dood die haar kind, haar eenigen schat, haar eenig geluk, haar leven, haar à lles in zijn klauwer hield!.... De Dood die niet teruggeeft wat hij eenmaal genomen heeft, maar die toelaat het verlorene bij Hem, in Hem, terug te vinden!...
Zij had geen oogenblik van aarzeling.... Zij zag hem dáár, haar zoon, haar leven, in een afgrijselijke hallucinatie; en met een wilden kreet van vernieling en van liefde sprong zij in de diepte, in den bleek-glimmende poel.
Hoog spatte 't stille water op, in een ruischend gebobbeld. Zij slaakte nog een laatsten kreet, den smacht-kreet eener uiterste omarming, en weer werd alles stil in de bespiegeling van den heerlijk-zachten zomernacht.
Zij had het eenige geluk haars levens teruggevonden.
1Zwaar.
2Boudewijn.
3Klompen.
4Gevaar.
5Bang.
Toen Permentier dien morgen in de duisternis van 't kleine slaapvertrek ontwaakte, zich in zijn ledikant uitrekkend met een van die lange rustzuchten die een einde stellen aan den slaap, herinnerde hij zich even dat hij den vorigen avond, met zonsondergang, in het rapenveld tusschen zijn woninkje en de herberg van den jachtopziener Spiessens, een haas had zien zitten.
Hij bleef enkele oogenblikken, roerloos op den rug gestrekt, daarover nadenken, den nog weifelenden blik gevestigd op het grijzend licht-randje, waarmee de dageraad 't gesloten luik van het eenig venster omlijstte, terwijl zijn vrouw, 't gezicht naar den muur gekeerd, door bleef slapen. Toen kroop hij langzaam, stilletjes uit zijn bed, trok broek en wambuis aan, kwam barrevoets, den rug gekromd, in de nog pikdonkere keuken. Hij nam er zijn pet, die aan een spijker hing, deed zijn klompen aan, die naast den haard stonden te drogen, ging naar de buitendeur en trok die zachtjes open.
Het sloeg vijf ure op den niet ver afgelegen kerktoren. De dag brak aan, in grijzen nevel.
Roerloos, met een gevoel van verkwikking de frissche morgenlucht inademend, bleef hij een poosje op den drempel zijner woning staan, de deur achter zich op een kiertje latend, den loozen blik recht vóór zich uit op 't grijze rapenveld gevestigd, geduldig wachtend dat de nevel wat zou opklaren.
Het was een man van ongeveer vijftig jaar, middelmatig van gestalte, met nog ravezwarte, dichtgeplante, borstelige haren, en scherpe, diep achter dikke wenkbrauwen verscholen, zwarte oogen in een baardeloos, geelgerimpeld gezicht. Zijn plunje, aardkleurig en overal gelapt en versteld, was van die stof welke de Vlaamsche boeren "mollevel" noemen; zijn klompen, zonder trekleeren, waren hoog en zwaar, te groot voor zijn magere, vereelte voeten. Den nek tusschen de schouders ingedrongen, het lijf voortdurend in loerende houding een weinig naar voren gebogen, en den blik halsstarrig op het rapenveld gevestigd, had hij uit zijn zak een tabakspruim gehaald, welke hij langzaam knauwde, om den tijd te slijten.
Langzamerhand was de mist een weinig opgeklaard. Hij werd doorschijnend onder de eerste stralen der Septemberzon, rafelde zich uit in licht drijvende sluiers, telkens ontblootend en opnieuw omnevelend kleine gedeelten van het veld, onduidelijk afstompend de boomen en de elzenstruiken langs den rand der slooten, na zich latend, op gras en gebladerte, een effen-grijzen, killen pareldauw. Aan de overzijde van het rapenveld, op een paar geweerschoten afstands, verscheen het herbergje van Spiessens eventjes heel helder, klein, net en popperig als een stukje kinder-speelgoed, om het oogenblik daarna in den zwevenden dampsluier weer weg te smelten.
En plotseling, terwijl Permentier met nog hardnekkiger inspanning van den blik het rapenveld doorpeilde, ontdekte hij weer den haas op dezelfde plaats als den vorigen avond. Het waren slechts de punten van twee gespitste, vaalrosse ooren tusschen de grijsgroene blaren, doch zijn bedreven oog kon er zich niet in vergissen. Langzaam keerde hij met zijn tong de tabakspruim om, spuwde links een straal koffiekleurig sap, spijkerde, met een nog snijdender flikkering der kleine zwarte oogen, zijn aandacht op de puntig in het rapenloof gespitste ooren.
En wat hij schier op 't zelfde oogenblik ontwaarde, hield hem van emotie als het ware aan den grond genageld.
Dáár, op een zestigtal meters afstand, langzamerhand meer en meer duidelijk uit den grijzen mist te voorschijn komend, naderde, in 't midden van het rapenveld, een gluipende, omzichtige gestalte. Kleine, ineengedrongene gestalte, opgetrokken schouders, zakkende knieën, grauw-vilten hoedje met breeden, vóór de oogen neergeslagen rand. In de rechterhand twee stokken; de eene lang, de andere kort, beiden horizontaal, kniehoogte gedragen. Een kleine huivering doorrilde Permentier; hij had den kerel herkend: Buck, den onversaagden, onverbeterlijken wilddief.
Terstond bevatte Permetier*wat er gebeuren zou. Buck, dien hij sinds een paar dagen rond zijn woning zag sluipen, had, evenals hij zelf, den haas in zijn leger ontdekt en kwam hem nu dooden. Permentier zelf deed niet aan wildstrooperij. Hij durfde niet. Maar hij had met de wilddieven die instinctmatige sympathie, die indirect-begunstigende medeplichtigheid aan bijna alle boerenlieden eigen. Hij had de liefde en den haat van 't wild; de hevige begeerte het te dooden en te stelen, gedempt door den schrik voor de gendarmen en de wettelijke overheden. En een zijner grootste genoegens was, een haas of wild konijntje te zien vangen, zonder zichzelf tot de daaraan verbonden vervolgingen bloot te stellen.
In het nog licht beneveld rapenveld, had Buck, al zijn aandacht op zijn prooi gevestigd, schielijk stil gehouden. Het lijf sterk voorovergebogen, den hals uitgerekt, herkende hij den haas, wiens spitse ooren steeds onbewegelijk als twee bruine stipjes boven de grijsgroene bladeren uitstaken. Toen wierp hij een gluipenden blik op Spiessens' gesloten, vaag omneveld herbergje, en, zich omkeerend, legde hij den langste zijner twee stokken in het rapenloof neer, en kwam, breed-schrijdend, met den anderen uit het veld, in de richting van Permentier's huisje.
Terstond was Permentier in zijn woninkje teruggedrongen en had weer zijn deur gesloten, deze nog enkel op een kiertje latend, waardoor hij keek.
Vlug en stil, met een katachtige sluwheid en omzichtigheid, telkens zich omkeerend en stilhoudend om beurtelings het huisje van den koddebeier*en dat van Permentier gade te slaan, sloop de vermetele wildstrooper nu naar de met elzenstruiken bezoomde droge gracht, welke Permentier's erf van het rapenveld scheidde. Hij liet er zich in neer glijden, liep er gebogen langs het droge bed onder de ritselende twijgen, kwam er een vijftigtal meters verder, in den gezichtsstraal van den haas weer uit. Op handen en knieën kroop hij daar terug in 'trapenveld, en tuurde opnieuw, zich plat ten gronde uitstrekkend, naar de twee vaal-rosse, tusschen de blaren thans op hem gespitste ooren.
De haas had zich niet verroerd. Zachtjes, alsdan, nam Buck zijn vilten hoedje af, plaatste het op den stok, stak dien langzamerhand in de hoogte, plantte hem in den mullen grond, tusschen de nauwelijks aangeroerde bladeren. Daarna, steeds op handen en knieën, achterwaarts kruipend, verliet hij 't rapenveld en liet zich in de droge sloot terugglijden.
Dáár verademde hij een wijltje en staarde opnieuw naar den haas, zich half achter de hangende twijgen van een elzenstruik verbergend.
De puntige ooren hadden zich even wat scherper gespitst; de haas stak zijn neus boven de blaren uit, het rond, schuin oog op den hoed gevestigd. Een glimlach van genoegen kwam op de rooverstronie van den wildstrooper. Het beest, gefascineerd door het vreemde gezicht van den hoed op den stok, zou nu geen beweging meer maken. Langs de met droge bladeren bezaaide sloot keerde Buck op zijn schreden terug.
Hij kwam er uit op dezelfde plaats waar hij er in gekropen was, een twintigtal passen achter den rug van den haas, liep haastig weer in 't rapen-veld, raapte zijn langen stok op, en schreed er mee vooruit naar zijn prooi, blootshoofd, den rug gekromd, met lange, trage passen, met de sluipende omzichtigheid van een roofdier. Hij keek rechts noch links meer om, hij scheen niet bang meer, hij zag nog slechts zijn doel, zijn buit. Permentier, de kleine zwarte oogjes fonkelend van opgewekte belangstelling, was onwillekeurig weer op zijn drempel verschenen, de tabakspruim roerloos in den mond.
Buck, den blik halsstarrig op zijn prooi gevestigd, had maar een korten afstand meer af te leggen. Hij deed het op handen en voeten, den slependen stok onder den rechter oksel tegen zijn lijf gedrukt. En eindelijk stil gehouden, rechtte hij zich op zijn knieën, trok in een lange zachte glijding de roede naar voren, hief ze op.... mikte.... sloeg.
Een fijn, zwak gilletje, een echt kleinkindergilletje weerklonk, terwijl, Buck, toespringend, zich op den haas liet vallen, hem worgde en er mee vluchtte naar de sloot, in het voorbijrennen zijn hoed en den in 't rapenveld geplanten stok meênemend. In een oogwenk was 't volbracht.
Roerloos op den dorpel zijner woon, de tabakspruim als 't ware in zijn mond gemetseld, en de kleine donkere oogjes glinsterend van sluw genoegen in zijn geel, gerimpeld aangezicht, had Permentier geen enkele bizonderheid van het gansche kleine drama aan zijn trillende aandacht laten ontgaan. Hij zag den wildstrooper met zijn buit langs de sloot wegvluchten, er aan het uiteinde van 't rapen-veld weêr uitspringen, spoedig in den morgenmist verdwijnen. Hij keerde langzaam, met een draai der tong, zijn tabakspruim om, spuwde bruin, slaakte een zucht van verlossing, als had hij zelf het gevaarlijk waagstuk begaan. En hij was juist op 't punt om weer in huis te gaan en zijne deur te sluiten, toen hij, instinctmatig, als door iets aangetrokken, een blik wierp op het huisje van den jachtopziener, ginds in den mist, aan de overzijde van het rapenveld.
Hij sidderde. Op den drempel van het kleine herbergje, en duidelijk zichtbaar ondanks den afstand en den nevel, stond, insgelijks roerloos en het hoofd gewend naar de richting waar Buck verdwenen was, de koddebeier Spiessens in persoon.
Spoedig, gelijk een beest dat in zijn hok kruipt, drong Permentier terug in 't duister van zijn woninkje, welks voordeur hij zachtjes weer sloot.
Het was tien uur in den morgen, en onder de reeds heete zonnestralen van den heerlijken Septemberdag was Permentier, geholpen door zijn vrouw en zijn beide kinderen, aan het aardappelen uitrukken op een der stukken landen waarvan hij huurder was, toen hij, langs den steenweg, twee gendarmen in uniform zag komen, met het geweer over den schouder.
Een huivering greep hem aan. Hij dacht terstond dat Spiessens, die ongetwijfeld tegen den wildstrooper een klacht had ingediend, tevens hemzelf als bezwarende getuige aangewezen had, en dat de gendarmen zijn verklaring kwamen opnemen.
Het kon echter nog gebeuren dat hij zich vergiste, en, om geen argwaan op te wekken, veinsde hij de gendarmen niet gezien te hebben en uitsluitend met zijn arbeid bezig te zijn. Hij spitte vlugger in den grond, telkens een struik gele knollen omkeerend, welke zijn vrouw en zijn kinderen, een paar schreden achteraan op hun knieën neergehurkt, met beide handen opscharrelden; en, na ze volgens grootte en kwaliteit gesorteerd te hebben, in afzonderlijke korven wierpen. Doch kort van duur was zijn illuzie: hij hoorde den in kadans klinkenden stap der gendarmen steeds nader en nader komen, zich als het ware verharden en versnellen, eensklaps in den mullen grond verdooven. Schuw wendde hij halvelings 't hoofd om, zag ze trager het aardappelveld, dat naar het middelpunt eenigszins klom, opstappen. Hij staakte den arbeid, keerde zich geheel om, evenals zijn vrouw en kinderen; groette bedeesd, met een weifeling in den blik even zijn pet oplichtend:
- Dag menier den brugedier1."
- Dag Permentier," antwoordde deze, met een vagen glimlach om de lippen.
Het was een man van een veertigtal jaren, iets meer dan middelmatig van gestalte, blond, mager, met langen, blonden, opgekrulden knevel en zeer licht-blauwe, inpertinent-kijkende oogen in een door de zon wasachtig-geel verkleurd gelaat. De gendarm die hem vergezelde was grof en groot, zwart en leelijk, 't gezicht vol puisten. En dadelijk, met zijn zelfde vaag-vriendelijke, vaag-glimlachende uitdrukking, bracht de eerste het door Permentier geduchte onderwerp ter sprake.
Hij praatte op een beslisten en tevens verzoenenden toon, veinzend reeds de zaak in al hare bijzonderheden te kennen, en er overigens niet veel belang aan te hechten, als om den boereman tot wederzijdsch vertrouwen en ontboezeming uit te lokken, en hem als 't ware de verlangde antwoorden in te geven:
- Ge zij vandoage vroeg op geweest, Permentier; g'hêt de pensejoager2Buck 'nen hoaze zien deud doen in 't leufstik3tusschen ouw huis en 't hirbirgsken van Spiessens? Dà es 'nen deugeniet, e-woar, dien Buck?"....
Permentier, 't gelaat licht verkleurd, de looze zwarte oogjes weifelend, aarzelde even, hing der verbaasde uit, antwoordde eindelijk:
- 'K 'n doe4, menier den "brugedier," 'k 'n hê 'k ik niets gezien, niets geheurd"....
- Niets geheurd, natuurlijk, aangezien den hoaze mee 'ne stok deudgeslegen es," antwoordde de brigadier met schalkschen glimlach, "moar wa "gezien" betreft, da hêt-e, da m o e t-e, zeu wel en beter nog as Spiessens, die d'r veul veurder van af stond en die 't toch wèl gezien hêt. Pas op, vriend, veur 'n valsche getuigenesse; ge weet, ne woar, dat doar gevangenesse op stoat?"
De brigadier was schielijk zeer ernstig geworden, met iets hards in de starheid van zijn blauwe oogen terwijl Permentier, nog meer verbleekend, langzaam zijn gebogen hoofd heen en weer schudde, om nogmaals te bevestigen, dathijtoch van niets wist.
Hij durfde noch wilde spreken. Zijn vrees voor Buck, die de gewoonte had zich onverbiddelijk over zijn aanklagers te wreken, gepaard met zijn geheime medeplichtigheid en sympathie van listigen boereman voor al wat tot wilddieverij behoorde, hielden hardnekkig zijn mond gesloten. En hoe groot ook zijn instinctieve schrik en haat waren ten opzichte van gendarmen of wethandhavers, toch geloofde hij niet dat men hem kon vervolgen om gezegd te hebben dat hij niets gezien had. Trouwens, wie zou het kunnen bewijzen dat hij 't gezien had! Er hing een dikke mist over 't veld en geen geweerschot was gelost. In een vlugge aaneenschakeling van gedachten maakte Permentier deze overwegingen, terwijl zijn steeds ten gronde neergehurkte vrouw en kinderen, die insgelijks den arbeid gestaakt hadden, beurtelings hem en de gendarmen, in roerlooze benauwdheid, met angstige blikken aanstaarden. Toen hief hij eindelijk weêr het hoofd op en herhaalde, met eensklaps iets beslist in de uitdrukking zijner schitterend-zwarte oogjes:
-Ik'n hê toch niets gezien, niets geheurd, menier den 'brugedier,'*'t es al wa da'k er van zeggen kan"....
- 't Es goed, man, 'k zal ou vinden, zulle!" barstte de brigadier plotseling woedend los. Hij keerde zich om en vertrok, gevolgd door den anderen gendarm, den leelijke zwarte, die zijn mond niet had geopend.
Zes weken later werd de zaak voor de correctioneele rechtbank opgeroepen.
Buck, op de bank der beschuldigden, loochende zijn daad met vermetele driestheid. Hij was daar wel voorbijgegaan, langs dat stuk land, tusschen de woningen van Permentier en Spiessens, verklaarde hij, doch enkel omdat het de kortste weg was naar de hoeve van boer Lekens, waar hij dien dag moest arbeiden. En de stok die hij in de hand droeg moest dienen om er vlas mee te keeren: een ruime partij vlas, welke sinds drie dagen uit de roterij getrokken was.
Spiessens, van zijn kant, hield hardnekkig de beschuldiging staande. Evenals Buck en Permentier kende hij het leger van den haas, en daar hij reeds meermalen den wilddief om het rapenveld heen had zien sluipen, had hij, op den bewusten morgen, van af den dageraad de wacht gehouden, en, ondanks den mist, van achter zijn zoldervenster, waar hij zich schuil hield, heel het schouwspel bijgewoond. Hij had Permentier zijn deur zien openen, hem belangstellend al de bewegingen van Buck in 't rapenveld zien waarnemen, hem in zijn half gesloten deurgat zien terugkruipen, om door den dief niet opgemerkt te worden. Toen Buck ten laatste den haas doodgeslagen had, was hij, Spiessens, in allerijl beneden gesneld, had zijn voordeur opengerukt en een teeken gemaakt aan Permentier om hem tot getuige der misdaad te nemen. Permentier, veinzend dit niet te zien, had haastig zijn deur gesloten.
Een dof gemurmel steeg in de gerechtszaal op; de rechters, in zwarte toga en witte bef, met een houding als van dronkaards in hun leunstoelen scheef gezakt, raadpleegden elkaar in stilte. De brigadier werd geroepen.
Hij bracht de valschheid van Permentier's getuigenis in 't licht. Hij had de afstanden gemeten, en vastgesteld dat men van op den drempel van 's boeremans huisje nog beter het leger van den haas kon zien dan van op Spiessen's*zolder. De man loog dus voorbedachtelijk, en bevestigde zelf zijn medeplichtigheid met den wildstrooper, door te beweren dat hij niets gezien had.
De deurwaarder, een kleine dikke, met verhit gelaat en kalen schedel, was aan een hoek der groene gerechtstafel opgestaan, en riep af, met een brouwende stem:
- Permentier, Francies."
't Gelaat geelbleek onder zijn borstelige, laag geplante haren, de zwarte oogjes angstig draaiend en den rug gekromd, kwam Permentier te voorschijn, zijn bonte muts licht bevend tusschen zijn vereelte duimen.
- Zet ou doar, op die stoel," zei de president, een oude grijze met een flets-gezwollen gezicht en lange, geelachtige, puntig-uitloopende bakkebaarden.
Loom klom Permentier twee treden op, nam plaats op den stoel vóór de groene tafel, de handen en de pet voortdurend bibberend tusschen zijn magere knieën.
Opnieuw boog de voorzitter links over de armleuning van zijn stoel en wisselde in stilte enkele woorden met een der rechters, een nog betrekkelijk jong man, met kort, als het ware vierkant geknipt haar, bruinen puntbaard en bleekeren, wijd uitloopenden knevel. En dan, zich met een brusk gebaar der kin en opgeheven rechterhand tot den getuige wendend:
- Ala! stoa ne kier op en legt ouën ied af."
Permentier gehoorzaamde. De rechterhand inslijks opgeheven, zei hij met doffe stem de woorden van den president na: "Ik zweire van de woarheid te zeggen; geheul de woarheid en nie anders dan de woarheid; zeu helpe mij God."
- Nie spieken5zulle!" riep plotseling de president op dreigenden toon, met booze oogen.
- Nie nien ik, menier de president, nien nien ik, 't 'n es doar gien gedacht van," antwoordde Permentier bevend. - Joa moar 'k 'n betrauw ou nie, zulle! Ge moet weten dat 'k die boerestreeken kenne!"
Permentier kon geen woord meer uitbrengen. Het hikte en stokte hem in de keel van overweldigende ontsteltenis. Was hij werkelijk van plan geweest te "spieken"! Hij had het zelf niet kunnen zeggen; hij had zoo maar even werktuigelijk zijn tabakspruim in den mond eens omgedraaid. Misschien, als de president hem zoo ruw-dreigend niet had aangesproken, zou hij toch wel eventjes "gespiekt" hebben.
De voorzitter liet zijn hand zinken Op een wenk van hem ging Permentier weêr zitten.
Alvorens tot het verhoor van den getuige over te gaan, achtte de voorzitter het zijn plicht hem een waarschuwing voor te houden. Hij vergeleek de verklaringen van Spiessens en den brigadier met die, tijdens het eerste verhoor, door Permentier gedaan, en beschuldigde den laatste van onoprechtheid. Met nadruk wakkerde hij hem aan, in zijn nu af te leggen getuigenis te verbeteren wat in de eerste valsch en tegenstrijdig met de waarheid was geweest. De getuige moest zich wel bedenken dat een valsche getuigenis op een zeer strenge straf kon uitloopen.
Permentier, loom op zijn stoel gezeten, de angstige blikken beurtelings van den eenen rechter naar den andere weifelend, knikte werktuigelijk met het hoofd, als om te zeggen dat hij de vermaning trouw ter hart zou nemen. En overtuigd dat niets te zeggen toch geen valsche getuigenis afleggen was, bekrachtigde hij zijn eerste gezegde, verklaarde net als vroeger, met zijn lage doffe stem:
- Ik 'n hé toch niets gezien, menier de veurzitter;... ik 'n weet van niets..."
Nauwelijks had Permentier die woorden uitgesproken, of een der rechters, een lange magere, met een scheeven neus, vloog, als door een veer bewogen, uit zijn zetel op. Met een air van rechtmatige verontwaardiging, 't gelaat gekeerd naar de twee andere, voortdurend in hun laffe houding scheef gezakte rechters, sprak hij, in 't Fransch eenige vlugge woorden uit, waarvan Permentier geen zier begreep, en ging weêr zitten.
En nogmaals staken de twee anderen het hoofd bijeen, scheef-hellend over de armleuning hunner stoelen, met woordengefluister en goedkeurend hoofd-geknikt. Allen schenen eenstemmig over de zaak te oordeelen, en de voorzitter, eensklaps in zijn zetel opgericht, nam een voor hem liggend stuk papier ter hand, en begon in een vlug en verward gemompel zijn "vu que" en zijn "attendu que" uit te kramen, waarvan Buck noch Permentier alweer geen enkel woord begrepen.
Dat duurde zoo enkele minuten te midden van een groot stilzwijgen. Dan, bij een luider en nadrukkelijker uitgesproken volzin, kwamen, met klinkenden stap, uit een groep ter zijde staande haren mutsen, vier gendarmen te voorschijn. Twee naderden tot Buck, steeds roerloos op het bankje der beschuldigden gezeten; twee andere tot Permentier, steeds stom en bevend op zijn stoel; en in een oogwenk werden zij beiden geboeid en weggesleept: de eerste veroordeeld tot negen maanden gevangenschap voor zeventiende herhaling van overtreding der jachtwet; de tweede tot zes maanden, voor valsche getuigenis.
In de zaal ging een gemurmel op, oogenblikkelijk gedempt door eenige energieke "chuts," welke met dreigende blikken van onder de naast de rechtbank gebleven haren mutsen kwamen. Een belletje klonk en de brouwende stem van den kleinen, vetten deurwaarder riep een nieuwe zaak op, in een vlugge opsomming van namen en bedrijven.
Toen Permentier na vier maanden afwezigheid,--dank zij zijn goed gedrag in de gevangenis had hij twee maanden strafvermindering verkregen--op een kouden winteravond in zijn woninkje terug kwam, geleek hij, zoowel onder moreel als onder physiek opzicht, niet meer den man van vroeger.
Zijn dichtgeplante haren, toen hij vertrok nog gitzwart, waren met grijs doorspikkeld; zijn gestalte, sinds jaren door den arbeid eenigszins gekromd, was nu zichtbaar ineengedrongen en als 't ware verkleind; en in zijn geel, nog meer gerimpeld en getrokken aangezicht, blonken de dieper in hun holten weggekrompen zwarte oogjes met een helschen glans, onophoudelijk zoekend, peilend, vorschend; vol diepten van angst en wantrouwen, onbekwaam zich nog een tijd op een en zelfde voorwerp te vestigen.
Zijn vrouw, die hem elke week in de gevangenis was gaan bezoeken, om telkens een uurtje door de traliën zijner cel met hem te kunnen praten, had voor dien eersten avond zijner verlossing een lekker avondmaal: varkensribbetjes met aardappels en bier,*klaar gemaakt. Doch alvorens zijn maal te gebruiken, en ofschoon hij uitgehongerd was, liep Permentier even buiten en sloop hij, in de duisternis, rondom zijn huisje en de omringende velden, alsof hij vreesde dat zich ergens een vijand verborg, die hem kwaad zou kunnen doen. En toen hij in zijn hutje terug kwam, ging hij voor en achter de deuren en luiken toegrendelen, eer hij zich aan den disch zette. Zijn vrouw, verwonderd en bedroefd, poogde hem vruchteloos gerust te stellen met de verklaring dat men nu toch niets verkeerds deed, dat men nu toch niets te vreezen had. Bevend in den sombersten hoek van zijn keukentje teruggetrokken, at hij zonder rust en zonder vreugd, telkens met ontsteld-luisterend gezicht vork en mes neerleggend, telkens met angstig-draaiende oogen op de donkere deur en de vaal-glinsterende, kleingeruite vensterraampjes starend.
Hij praatte weinig, en met een holle, doffe stem als van een die in een kelder zit. Zonder ontboezeming voor zijn gezin, evenals zonder zichtbare blijdschap voor zijn teruggekregen vrijheid, vroeg hij, zakelijk, in korte zinsneden, of de landelijke herfstarbeid volbracht was, of men klaar was met het zaaien, of de enkele perceeltjes lands die zij in huur gebruikten, van onkruid gezuiverd en behoorlijk gemest waren. En eensklaps zei hij:
- Mee Meïe*goan we verhuizen! 'K zal trachten van elders 'n doenijnksken6t' huren, aan den anderen kant van 't durp."
De vrouw en de kinderen, stom-verslagen, staakten plotseling het eten.
- Ha moar voader, dà woare nou toch zottemeinschenswirk; d'r zit te minsten veur honder vijftig fran mest in 't land, en we zijn da allemaal kwijt as we mee Meïe verhuizen!" riep eindelijk de zoon, een twintigjarige zwarte krullekop, met een aardig, zacht meisjesgelaat.
Het achttienjarig dochtertje, gansch poezelig en bruin, met mooie oogen, was lichtkens bleek geworden bij de gedachte dat die verhuizing, indien ze werkelijk plaats greep, haar verre zou verwijderen van haar geliefde, die in de nabijheid woonde en haar dikwijls kwam bezoeken. En de moeder, effen-bleek van aangezicht met donkere haren, maakte zich eensklaps boos, riep luid dat zulks niet zou gebeuren, dat zij niet wilde verhuizen, dat zij weigerde ergens ginds verre te gaan wonen, in de bosschen, als een beest.
Zonder te antwoorden had Permentier hun bij het klimmend geluid der stemmen door een gebaar 't stilzwijgen opgelegd, en bevend was hij opgestaan, den bangen blik op de sombere venstertjes gevestigd. Hij had gedaan met eten, hij liep gebogen, alsof de lage balken der zoldering hem op de schouders drukten, naar de voordeur, ontgrendelde die, trok ze omzichtig open en ging buiten. In stomme verslagenheid zagen de rond den disch gebleven vrouw en kinderen elkander aan.
- Hij es hij zot geworden!" klaagde de vrouw met tranen in de stem.
De kinderen zwegen, diep-treurig, bevangen door een gevoel van onverwacht, op hen neerstortend onheil.
Permentier was evenwel haast dadelijk weer in huis gekomen; en zonder nog te gaan zitten tuurde hij gluipend om zich heen, alsof hij naar iets zocht. Clotilde, de dochter, ontruimde de tafel; Basiel, de zoon, had zich bij het kwijnend vuur der haardstee neergezet, een pijpje rookend. En daar vrouw Permentier aan haar man vroeg of hij wellicht naar pijp en tabak zocht om insgelijks te rooken, antwoordde de oude met gesmoorde stem:
- Nien 'k, 'k 'n reuke nie mier."
- 'n Pruime?" vroeg zij aanmoedigend, met den blik naar de gewoonlijk op de eetkast liggende karot*zoekend.
- Nien 'k, 'k 'n pruime nie mier; we goan sloapen."
En zij werden gedwongen aan het verzoek te gehoorzamen. Permentier zelf ging naar de lamp en draaide het pitje omlaag, terwijl Clotilde haastig met haar voorschoot de laatste overblijfsels van de tafel veegde en Basiel vol spijt zijn nauwelijks aangestoken pijpje uitdoofde.
Dat was de foltering der gevangenschap, dat was 't verpletterend besef van de geleden onrechtvaardigheid, die hem aldus veranderd hadden.
Dat steeg uit de geheime diepten van zijn wezen, uit de ruwe diepten van zijn stoere ziel; dat kwam hem schier in physieke walgingen van gruwel en afkeer, uit het hart op de lippen.
Hoe meer de tijd vervloog hoe vreeselijker werd hij overweldigd door dat één vaststaande denkbeeld, door dat één afschuwelijk besef: dat hij, hoewel zelf niets misdaan hebbend, vier maanden onuitsprekelijke marteling had moeten uitstaan. Hij voelde zich weerloos tegenover een geheime kwaadaardige almacht; hij voelde den gruwel en den schrik der Wet, der domme, anonieme macht, die willekeurig over het lot der menschen beslist. En 't was de Wet die hij vluchtte, die hij tot krankzinnig wordens toe, verfoeide en verafschuwde.
Hij was verhuisd met Mei, ondanks het smeeken zijner vrouw en kinderen; hij was gaan wonen ginds verre, zooals hij 't gezegd had, aan den anderen kant van 't dorp, in een eenzaam huisje dicht bij de bosschen, waar haast nooit een mensch voorbij ging. Had hij nog langer in zijn woning moeten blijven, tegenover de herberg van Spiessens, die hem dag en nacht kon gadeslaan, hij ware gek geworden, hij ware gestorven.
Nu, verscholen in zijn krot als een nagejaagd beest, meer dan twintig minuten van de naastgelegen boerderij verwijderd, vluchtte hij zijn evenmensch, als een natuurlijke vijand. Zelfs den minnaar van Clotilde had hij den toegang van zijn huis verboden; en telkens als hij in de verte iemand zag komen, verwijderde, verborg hij zich. Als het gebeurde dat die mensch een koddebeier of gendarm was, kwam er een doodsangst over hem, kwam er als een nevel van bedwelming vóór zijn oogen, liep hij, ineengekrompen, zich verschuilende achter een struik of in een sloot, waar hij soms uren lang roerloos, stom, als vernield bleef zitten. Al wie galon*of uniform droeg, al wie van ver of van nabij tot de besturende hiërarchie behoorde: tot de arme accijnsbedienden die zich afsloofden op hun lange tochten door de velden; tot de goedige brievenbesteller, die daar elken morgen voorbij kwam, de zwaar gevulde lederen tasch bochelend op zijn linker heup; allen, voor Permentier, waren lui die naar willekeur over zijn vrijheid beschikten, die de macht bezaten hem weer gevangen te nemen, niet enkel voor vier maanden, maar voor jaren, maar voor zijn leven lang, indien het hun aldus behaagde. In zijn onzinnigen afschuw voor de uitgestane onrechtvaardigheid waande hij bepaald de maatschappij verdeeld in twee categories van menschenklassen: zij die de macht bezaten alle kwaad te doen; zij die het slaafsch moesten verdragen. Hij was innig overtuigd, dat de eerste gegaloneerde de beste het recht bezat tot hem te komen, hem te gebieden: "stap op en volg mij," en hem zonder uitleggingen voor het overige van zijn leven in een kerker op te sluiten.
En, van lieverlede, uit al die overdreven angsten, uit al die opgekropte, van dag tot dag toenemende smarten, uit dien machteloozen wrok te hooren onder hen die onverdiend geleden hadden en nog zouden lijden, ontkiemde in de primitieve ziel van Permentier een duistere graagte naar opstand en naar wederwraak. Hij droomde in de bestaande wereldorde iets omver te werpen, zelf eenmaal tyran te zijn en een der tyrannen tot een slaaf te maken.
Deze gedachte werd aldra eene obcessie*, werd de unieke troost van zijn gefolterd leven, 't gedroomde ideaal, dat hij eenmaal hoopte te bereiken. Overdag op het veld, terwijl hij arbeidde, des nachts in zijn bed, als hij niet slapen kon, dacht hij er onverpoosd over na. 't Was in den afschuwnacht zijner ziel als een gretige hoop, als een groot helder licht, dat hem almachtig-verleidend aanlokte. In uren als de afkeer van het leven hem als een walging naar de keel steeg, troostte hij zich met de gedachte eenmaal kwaad te doen, gelijk anderen zich zouden getroost hebben met de hoop eens het goede te stichten.
En, wondere moreele aberratie, monstrueus uitwerksel der geleden onrechtvaardigheid op die simpele ziel: wat hij droomde was niet zich te wreken op hen, die hem mishandeld hadden en zijn wraak verdienden; neen, hij wenschte kwaad te doen aan iets dat goed en schuldeloos was, een onverdiend en nutteloos kwaad, zooals hij zelf had uitgestaan.
Misschien toch was deze moreele ziekelijkheid niet ongeneesbaar. Misschien, gelijk een vuur dat in zichzelf verteert, zou het te langdurig en te hevig smachten naar de wraak, de krachten om die wraak eens te bereiken in hem hebben uitgeput, had niet bij ongeluk een toeval, in zichzelf onbeduidend, gansch onverwacht de steeds bloedende wonden weer geopend.
Op zekeren morgen dat hij aan het spitten was op een stuk lands, dichtbij den boschkant, stond plotseling voor hem, met een korten "goên dag", een man, dien hij zien naderen noch hooren komen had. Het was een groote kloeke kerel van een veertigtal jaren, roodbruin van gelaatskleur, vierkant van schouders en gedecideerd van houding, met stout-peilende blauwe oogen en een dicht-kroezenden, rosbruinen, waaiervormig-openstaanden baard. Zijn lange, rechte, ietwat schrale beenen waren tot aan de knieën bedekt met spannende, aardkleurige slobkousen, en over zijn wijden blauwen kiel droeg hij een Lefaucheux*in bandelier*. Zijn pet was van glimmend-zwart wasdoek met een rood bandje, waarop, boven 't vizier, een verguld miniatuur-jachthorentje prijkte.
Sidderend had Permentier zijn werk gestaakt, terwijl hij, nog half op de spade geleund, met schuwe vlammetjes in de oogen den reusachtigen kerel aanstaarde. Hij herinnerde zich niet hem ooit gezien te hebben, maar aan zijn uiterlijk herkende hij terstond zijn betrekking: een koddebeier.
Trouwens de man gaf oogenblikkelijk, met het doel van zijn bezoek, zijn indentiteit*aan Permentier te kennen:
- 'K ben-e 'k ik hier de nieuwe garde-chasse*van menier den bron7de Villermont de Wilde. Ge zij gij hier onze noaste gebuur in de bosschen en menier den bron hoopt, dat hij over ou nie 'n zal te kloagen hen...."
Hij sprak langzaam, duidelijk, met een air van hoogmoed, telkens door een soort nadruk zijn woorden bekrachtigend, terwijl hij, vaag glimlachend in zijn breeden baard, halsstarrig Permentier bekeek met zijn helderpeilende oogen, waar een zweem van wantrouwen in schitterde.
Er was een korte stilte. Permentier, steeds op zijn spadesteel gebogen, zei niets, knikte alleen werktuigelijk met het hoofd, 't gelaat zeer bleek, den blik ten gronde. Een groote ontroering scheen hem aan te grijpen; hij spuwde tweemaal, links, een straal speeksel, wit speeksel, sinds hij niet meer pruimde.
- Gij 'n zij toch giene pensejoager, e-woar?" vroeg de jachtopziener, uit de hoogte.
- Nien ik,.... nien, nien ik,.... noeit,..." antwoordde dof de oude.
Zijn stem stokte, hij wierp, links en rechts schuinsche blikken, als zocht hij een hol om te vluchten.
- G'n leupt euk in de bosschen niet, g'n goat er gien heit8raopen....?"
- Nien ik,.... nie nien ik,.... noeit...."
Opnieuw er was*een kort stilzwijgen. Toen sprak de koddebeier eensklaps ruw, brutaal:
- Urkt9, Permentier; w'n vraogen den oorlog niet, we verlangen de vrede. 'K'n kwam ou moar woarschuwen da menier den bron ou in 't eug haudt. Hij weet woaromme da ge tot zes moanden gevangenesse vereurdeeld hêt geweest, en hij hoopt da dat in 't vervolg nie mier 'n zal gebeuren; anders...."
Hij eindigde den volzin niet, hij vergenoegde zich er bij te voegen: "Ge verstoa wa da'k zeggen wil, e-woar, Permentier?" en vertrok met een brusken "goên dag" den boereman als verpletterd op zijn spade geleund latend.
't Was de genadeslag, de stormklok van den opstand.
Het nauwelijks ontkiemend werk van verzoening met de wereld werd in den knop gedood: al de herlevende goede instincten gingen bij Permentier weêr onder; al de slechte en boosaardige kwamen boven.
Hij voelde eensklaps dat hij geen uur rust in zijn leven meer zou hebben; dat het wantrouwend oog van den jachtopziener hem onophoudelijk en overal zou achtervolgen; dat de argwaan en de weerwraak op hem zouden drukken na ieder in de bosschen nieuw gepleegd jachtmisdrijf. 't Was het noodlot welk er hem toe gedreven had de rust te willen zoeken in een oord dat juist voor hem vol gevaren was. En in zijn puëriel-barbaarsch*, hem door de uitgestane onrechtvaardigheid ingeboezemd begrip der Wet, twijfelde hij niet meer of de gruwel van zijn leven zou zich nu verwezenlijken: op een gegeven oogenblik zou die rosse reus hem zonder uitleggingen bij den kraag grijpen, hem voor een tribunaal sleuren, voor dat zelfde tribunaal waar kerels in zwarten mantel en wit slabbetje in scheefgezakte dronkaards-houdingen op hunne zetels zaten, en waar, na een eentonig gemompel van onverstaanbare klanken, twee gendarmen hem de boeien om de handen zouden wringen, en hem, voor 't overige zijner dagen, in de gevangenis gooien.
En bij dat akelig visioen bruisde 't in hem van woesten, ontoombaren opstand. Zeker, onfeilbaar zeker dat de ramp op hem zou neerstorten, wilde hij ze ditmaal tenminste verdiend hebben.
Hij staakte den arbeid, keerde huiswaarts, kwam gedurende drie dagen niet meer buiten. Hij zat ineengedrongen in een hoekje van den haard, de starre oogen brandend, 't gelaat verkleurd, tot niemand van zijn huisgezin een woord richtend, in diepe, sombere gepeinzen weggezonken. En, op een morgen, stond hij reeds vóór den dageraad op, nam een roestig geweer dat aan de zwartgerookte zoldering hing, voorzag zich van hagel en kruit, verliet zijn woninkje en rende met stuggen moedwil de bosschen in.
Het was de eerste maal dat hij er een voet in zette, de eerste maal dat hij het oude wapen hanteerde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . .
In een geritsel door de braamstruiken sprong een wild konijntje vóór zijn voeten uit, vlug zigzageerend over 't mos, tusschen de gladde stammen. Bleek, de tanden op elkaar gesloten, schouderde Permentier zijn wapen,.... mikte,.... schoot. De knal klonk onheilspellend ver en luide door de weergalmende bosschen, terwijl Permentier, den mond door een wreedaardigen grijnslach verwrongen, het nog spartelende dier ging oprapen.
Het was de eerste maal zijns levens dat hij een stuk wild doodde.
En hij hield niet meer op. Hij leefde in de bosschen, gelijk een Corsikaansch bandiet in den makis*, doodend het wild, meer nog om het bitter genoegen van het te verdelgen, dan om het zich tot buit te maken; slapend onder een gewelf van dooreengestrengelde braamranken, op een bed van dorre bladeren, in den bodem van de droge sloten, zijn steeds geladen geweer aan zijn zijde. Nooit meer kwam hij in 't klare daglicht uit, nooit meer werkte hij op zijn akker: alleen des nachts sloop hij somtijds voor enkele uren in zijn hutje, weigerde alle uitlegging aangaande zijn onheilspellend leven aan zijn wanhopige vrouw en kinderen, en vertrok reeds vóór het krieken van den dag, voorzien van kruit en hagel, een linnen tasch met roggebrood en gerookt zwijnevleesch onder den arm.
En reeds op 't einde van den vierden dag had hij in 't bosch een ontmoeting gehad: Buck, den onverbeterlijken wilddief, sluipend langs den rand van een dennenwoud, waarin Permentier zich verborgen hield. Hij had hem stil bij zich geroepen en samen hadden zij den ganschen nacht doorgebracht, op de loer naar wild, halfluid van vele dingen sprekend, schielijk vrienden met elkaar geworden in die solidariteit van bestendig gevaar en opstand tegen de gehate Wet.
En, sinds dien avond, ontmoetten zij elkaar haast elken dag. Hun bijeenkomstplaats was, met de schemering, aan den oever van een eenzamen vijver, omringd van kubieke stapels doorgezaagd brandhout, die zich vaagbleek afteekenden tegen den zwarten nacht der diepe sparrebosschen. Zij waren daar in 't hart der wouden, op verren afstand van de menschen-woningen, in volle eenzaamheid en vrijheid. Zij raadpleegden elkaar een oogenblik, alleen gestoord door 't krassen van de raven in de hooge boomen, kozen hun richting, plaatsten samen hun vallen en strikken. Toen gingen zij op zoek naar een verblijfplaats voor den nacht.
Buck, die door en door de uitgestrekte bosschen kende, had er sinds lang een uitmuntende ontdekt. Het was, in 't diepste van het woud, een soort spelonk onder de wortels van een reusachtigen olm, die aan den rand van een nauwe, letterlijk met door elkaar gestrengelde braamranken en slingerplanten overdekte sloot stond. Buck had die schuilplaats gevonden eens toen hij door de koddebeiers van den baron duchtig werd nagejaagd, en ze zich naderhand tot een soort van logies ingericht. Hij had het hol aanzienlijk verbreed en verdiept, den bodem er van bedekt met mos en droge bladeren; er zelfs, met takkenbos, hooi en oude zakken, een echte brits in gemaakt, ruim genoeg om er zich met tweeën op uit te strekken. En aan de boomwortels, die het lage gewelf bekleedden en tevens stutten, had hij met touwen allerhande voorwerpen gehangen: levensmiddelen en gedood wild, geweer en kruit, tot zelfs kleedingstukken en enkele kaarsen, alles met één woord wat op den vochtigen bodem beschadigd of de prooi van ratten en veldmuizen had kunnen worden.
Dáár was hun gewone verblijfplaats, waar zij, in rustieke gezelligheid, soms lange uren fluisterend bleven praten. In hun verbitterde harten trilde geen snaar meer van zachte ontroeringen, was er geen plaats, zelfs geen verlangen meer voor een toekomst van verzoening en van hoop; er was niets meer dan solidaire haat en angst: de angst van 't rusteloos vervolgde dier; de haat tegen die welke hen najoegen, tegen de vervloekte macht die bestendig hun treurige vrijheid van outlaws bedreigde: de woeste haat der Wet.
De Wet...! Buck trotseerde die openlijk, met verachtend-uitdagende vermetelheid. Permentier beefde er voor, voelde zich als vernield onder haar geheim alvermogen. Buck dorst bij helder daglicht met zijn geweer de velden intrekken, zoowel bekwaam dit af te vuren op den gendarm of jachtopziener die hem zou durven aanhouden, als op den haas die vóór zijn voeten zou uitspringen. Permentier, na zijn eerste opwellingen van opstand, ging weder met voorzichtigheid te werk, voelde zich telkens weer door een gruwelijken angst bekropen.
Hij wist dat de jachtopziener van den baron reeds iets vermoedde. Op een nacht dat hij in zijn hutje terugkwam, waren zijn vrouw en kinderen schreiend vóór zijn voeten gevallen, hem smeekend zijn ellendig leven te veranderen, hem waarschuwend dat de lange rosse kerel daar onophoudend voorbijzwierf om hun huisje te bewaken. Doch verre van hun bede aan te hooren was Permentier, door de overmaat zelve van zijn angst weer dapper geworden, onmiddellijk naar de bosschen teruggetogen, en had aan Buck de dreigende nabijheid van 't gevaar bekend gemaakt.
Deze had er om gejuicht. De lange rosse! o, kon die maar eens op hen los komen! Zonder een oogenblik te aarzelen, alvorens de kerel het zich bewust zou worden wat er gebeurde, zou Buck, dat zwoer hij, hem met een schot in den buik neervellen.
Zooveel besliste onversaagdheid had Permentier van lieverlede weêr versterkt en opgebeurd; en, lange uren roerloos-stilzwijgend, luisterde hij bewonderend naar de woorden van zijn niets-vreezenden makker. Er bestond geen wet voor Buck, evenals er voor hem geen privaat eigendom bestond. Je moest maar doen wat je wilde, nemen wat je noodig had, doodslaan wie je in den weg stond. Hij kwam hem groot, rechtvaardig voor; hij minachtte zichzelf in vergelijking met hem om zijn opwellingen van schrik en wankelmoedigheid. En naarmate hij in nauwere gemeenschap met hem leefde, zijn moed en zijn haat stalend aan den moed en den haat van den roover, werd vlijmender en vlijmender in hem 't gevoel van de geleden onrechtvaardigheid, de folterende herinnering aan zijn vier maanden gevangenisschap. Dat raakte hem soms plotseling als een oorveeg, dat deed hem knarsetandend in zijn hol overeind springen, dat werd een toenemend verscherpende gruwel, die zich uitbreidde en vertakte, die werd als een reusachtig net van ontelbare, eindelooze onrechtvaardigheden, allen gepleegd door de machtigen en de rijken, die de wetten,De Wetmaakten; allen geleden door de armen en de zwakken, die geen erkend recht noch doelmatig verdedigingswapen bezaten. Toen stikte hem de adem in de keel, toen bonsde zijn hart schier hoorbaar onder zijn borst, toen stonden zijn handen krampachtig in de mulle aarde der spelonk geklauwd, terwijl zijn starre oogen in de duisternis fonkelden.
Zoo brachten zij gewoonlijk een groot deel van den nacht door. Maar gewoonlijk ook, lang vóór den dageraad, had Buck het hok verlaten, en liep hij door de zwarte bosschen, een zak met wild over den schouder, op weg naar de verafgelegen stad, waar hij aan een verheler*zijn buit zou verkoopen.
En Permentier, die nu haast nooit meer huiswaarts keerde, strekte zich op de brits van mos en droge blaren uit, op de terugkomst van zijn makker wachtend.
Op een morgen dat hij, uitgeput van vermoeidheid, aldus sliep, werd hij plotseling, door een ruwen stoot op zijn voeten wakker geschrikt.
Hij trok die instinctmatig in, voelde zich heel en al wakker worden, zette zich brusk in zijn hok overeind en staarde naar buiten, door een schielijk besef van gevaar overweldigd.
Hij slaakte dof een kreet en greep ijlings naar het aan zijn zijde liggend geweer, terwijl de bramen die zijn schuilplaats overdekten uit elkaar geslingerd werden en een woeste stem luide riep:
- Ala, keirel, komt uit ou hol, ge zij gevangen!"
En eensklaps, alvorens zelfs Permentier den tijd had zich om te keeren en zijn wapen te schouderen, stortte de reusachtige, rosse koddebeier in de spelonk op hem neer, en vatte hij hem met ruwe handen bij de keel, luid schreeuwend:
- Ah, sloeber, ge zoedt ou nog durven weiren, geleuf ik!"
Permentier, onverhoeds verrast, smoorde een kreet. Hij herkende zijn gehaten vijand, slaakte een vloek, wendde een razende poging aan om zich uit zijn klauwen los te spartelen.
Maar de andere was sterk als een herkuul. Hij trok met geweld Permentier het geweer uit de hand, gooide het over de sloot, wierp er twee, in de spelonk liggende doode hazen achter, die dof-dreunend op het mos neerploften. En dan, met één enkelen, machtigen ruk, haalde hij den wildstrooper zelf uit het hol, gooide hem bij het wapen en de hazen, sprong er zelf achter en greep hem opnieuw bij den kraag.
Toen poogde Permentier niet langer tegenstand te bieden. Ineengekrompen van schrik bleef hij even roerloos naast zijn verwoeste schuilplaats staan, terwijl de jachtopziener met zijn vrij gebleven hand, haastig het geweer en de hazen opraapte.
Zwijgend, beiden bleek en de tanden op elkaar geklemd, stapten zij snel vooruit. Zij volgden lange breede lanen, vol ontwakend vogelengezang in de prachtige boomenkruinen; zij kwamen na een twintigtal minuten loopens, in een ruime clairière*, waar vier alleeën*door elkander kruisten, en waar, op een hoek, het houten huisje van den jachtopziener stond.
De rosse reus duwde Permentier binnen. Schuw groette de boereman een jonge vrouw en kinderen; en op een kort bevel van zijn vijand trad hij in de woonkamer. Daar werd het proces-verbaal behoorlijk opgesteld en geweer en hazen als bewijsstukken der overtreding in beslag gehouden. Waarna, met een minachtende verwensching en de schimpende belofte dat zijn zaak ordentelijk verzorgd zou worden, Permentier met een tweeden duw aan de deur werd gezet.
Werktuigelijk, instinctmatig, gelijk het verjaagde beest dat tòch druipstaartend naar zijn schuilplaats weder komt, keerde Permentier, met waggelenden stap, naar de spelonk terug.
Ontsteld bij het gezicht van hun verwoeste hok, terstond begrijpend dat iets akeligs voorgevallen was, kwam Buck, reeds van de stad teruggekeerd, hem driftig in een zijlaan te gemoet.
- Nondedzju, ge moet ou wreken!" riep hij woest, toen Permentier, met ontdaan gelaat en zwoegende borst, hem de geschiedenis verteld had.
- Ge moet hem nondedzju! de boan "afliggen"*en hem omverreschieten, ier dat hij den tijd hêt zijn proces-verbaal noar 't gemientenhuis te brijngen; anders zit-e veurzeker 'n joar in den bak10. Woar es hij nou, da ge peist?"
- In zijn huis, bezig mee 't proces-verbaal op te maoken," antwoordde Permentier doodsbleek, met zwarte oogen.
- Hawel, hoast ou, goa hem afwachten in de greute loane, tegen Veronika's Kruisse. Hij zal langs doar veurbij goan. Duikt11ou in nen dreuge gracht en mikt veural zjuust. Gedurende nen halve menuut zilt g' hem op ouë kogel12hên. Schiet hem vlak in den nekke, nondedzju! Hêt-e grof leud?*"
- De sloeber hê mijn geweire gestolen," antwoordde Permentier somber.
- Dat 'n doet er niet toe, pak 't mijne. 'K zal noar de stad om 'n ander goan.
Permentier had even een korte aarzeling. Zijn verkleurde lippen bibberden, zijn verwilderde oogen staarden strak ten gronde, als op een gruwelijk tafereel gevestigd. Maar eensklaps slaakte hij een woeste vermaledijding, en met een ruk zijn makker het geweer afnemend, verdween hij er mee onder de donkere sparren.
Buck, den rand van zijn hoed neergeslagen, verwijderde zich ijlings in de tegenovergestelde richting.
Verscholen onder braamstruiken in een droge sloot op den hoek van de laan, de keel droog, het hart bonzend, de van koorts gloeiende oogen strak vóór zich uitstarend, wachtte Permentier te vergeefs den ganschen dag de komst van zijn vijand af. Gedurende die eindelooze uren, in 't midden van die uitgestrekte, dood-eenzame bosschen, waar geen ander leven verneembaar was dan dat van insecten, gevogelte en wild, ontwaarde hij slechts een oud kreupel vrouwtje, dat kort na middaguur vóór het vermolmde Veronica's Kruis kwam bidden; en, een paar uren later, een oud ventje, dat op een krassenden kruiwagen een lading takkebos vervoerde. Hij zag ook twee hazen, spelend en rondspringend op een zonneplekje in het midden der allee, soms zoo héél dicht bij hem voorbijwippend, dat hij van uit zijn schuilplaats de kleur hunner rond-verwilderde oogen en de vaalrosse haartjes onderaan hun bruine gespitste ooren kon zien. Maar hij voelde niet den minsten lust ze te schieten, en toen Buck, die evenmin den jachtopziener ontmoet had, zich gluipend in de schemering met zijn nieuw geweer bij hem kwam vervoegen, slaakten zij beiden een kreet van woedende wanhoop:
- Nondedzju, we zijn verloren; de sloeber zal direkt noar de stad 'n klacht zijn goan indienen!"
Zij raadpleegden elkaar een oogenblik, als verslagen. Toen deed Buck een voorstel. Hij zou onverwijld naar Wangeren--het naast gelegen kleine station,--snellen, en daar pogen te vernemen of de jachtopziener dien middag met den trein stadwaarts gereden was. Intusschen zou Permentier een verkenningstocht rondom de wouden ondernemen, rusteloos zwerven langs lanen en paden, alles doen wat mogelijk was om den vijand te ontmoeten. Tusschen tien en elf uur zouden zij elkaar aan den voet van Veronica's Kruis terugvinden.
Met zijn schorre, sombere stem keurde Permentier het voorstel goed, en opnieuw namen zij afscheid.
De nacht was gansch gevallen, een kille noordwestenwind was na zonsondergang opgestoken, van lieverlede harder blazend in de klagend-buigende dennenkruinen. Men voelde de wolken zwaar en laag, schuinvlottend in chaotische gevaarten, welke soms de lucht als kool zoo donker maakten.
En Permentier, na het vertrek van zijn makker alleen gebleven in het midden der allee, wist niet meer langs welken kant zich te wenden. Hij voelde zich bepaald verloren, hij wanhoopte in de uitgestrektheid der sombere bosschen den vijand te ontmoeten, dien hij den ganschen dag vruchteloos had liggen te beloeren. Een ontzenuwende smart liet hem gansch moedeloos en zwak, de razende wraaklust, die hem acht of tien uren achtereen met hamerend hart en knarsende tanden in de sloot op wacht hield, had tijdelijk zijn krachten uitgeput: hij voelde zich zoo lam en zwak dat hij had kunnen huilen.
Wat zou er nu van hem worden....? In nare vizioenen ontstond in zijn brein het schrikbeeld van het onvermijdbare. Hij zag zich weer vóór de rechtbank zitten, op het bankje der beschuldigden ditmaal, met tegenover hem de vadsig op hun stoelen scheef-gezakte rechters, en achter zijn rug twee brutale gendarmen, de reusachtige haren muts tot op de oogen, 't geweer zijlings over den schouder. Hij vernam het eentonig, onbegrijpelijk woordengemompel van den voorzitter met zijn bleek, flets-opgezwollen gezicht en zijn puntigfletse bakkebaarden; hij voelde de gendarmen hem de boeien om de handen wringen en hem mee naar de gevangenis sleuren, wie weet voor hoelang nu...
Voor hoelang....! voor gansch zijn leven, zeker! De eenmaal uitgestane onrechtvaardigheid had onuitroeibaar deze meening in zijn brein gegrifd: nu hij weer naar de gevangenis moest, en wel voor een gepleegd misdrijf, zou hij er niet levend meer uit komen. Hij zou niet meer in vrije lucht de zon zien schijnen; hij zou zijn vrouw en kinderen niet meer wederzien. Hij zou daar sterven; dat wist hij, dat voelde hij.
Werktuigelijk was hij enkele schreden verder gegaan, langs den rand der donkere, in den toenemenden wind luider ruischende boschlaan. Na enkele oogenblikken hield hij nogmaals stil, het hoofd in somber nadenken gebukt, bruisend van folterende gewaarwordingen en gedachten. En eensklaps scheen hij een besluit te willen nemen. Eensklaps wendde hij zich om, keerde denzelfden weg terug, liep haastig voorbij het thans onzichtbaar, in den wind geschudde kruis, sloeg rechts een andere, nog donkerder boschlaan in.
IJlings, ijlings liep hij nu. Een wondere kracht stuwde hem onweerstaanbaar vooruit, naar een intuïtief doel, dat hij zelf nog niet kende. Hij volgde de laan tot het einde, sloeg een tweede in, links. En dwars door 't hart der wouden heen liep hij maar altijd verder, klein als een kabouter tusschen de reusachtige boomen, steeds sneller en sneller vooruitgestuwd door den wind die hem nu in den rug blies, die hem scheen te vergezellen, te leiden in het klagend geschommel der zwarte dennenkruinen. Zijn adem hijgde, het klamme zweet bedekte zijn gelaat. Koortsachtig peilden zijn oogen de duisternis van den onweersnacht.
Plotseling, op een hoek van het woud bleef hij palstil staan. Schuins vóór hem, op een paar honderd meters afstands, blonk een geel licht in den nacht. Een schorre zucht steeg uit zijn keel; hij aarzelde een oogenblik, de oogen fonkelend, 't gehoor gespitst. Toen liep hij dwars over de laan, en sloop, het lijf gebogen, als een panter, langs den somberen boschrand voort, in de richting van het licht.
Na enkele minuten, kwam hij op een breeden, ten allen kante door hooge boomen en donkere bosschen omlijsten kruisweg*terecht. Hij kroop links in een sloot, staarde naar het licht, dat nu vlak tegenover hem was. Zijn hart bleef een seconde stilstaan, terwijl hij, uit de sloot kruipend, onder het struikgewas van den boschrand verdween.
Vlak vóór hem, enkel van hem gescheiden door de breedte van de laan, stond het huisje van den jachtopziener waar hij 's morgens reeds geweest was, met de beide nog niet toegeblinde vensters van de keuken, helder verlicht door de lamp welke daar binnen brandde.
Permentier, onder de ruischende sparren ineengekrompen, verademde een oogenblik. Zijn hart was weer wild begonnen te jagen, zijn adem stokte in zijn toegeschroefde keel, die telkens, in een zenuwachtig hikken, droog slikte. Toen kroop hij een weinig over het mos naar voren, en, plat ten gronde uitgestrekt, onder de klagend-schommelende kruinen, staarde hij naar het tafereel.
Achter de heldere vensters, in het midden van de tamelijk ruime keuken met haar eiken zoldering en haar enkele schelgekleurde jachtchromolithografieën aan de witgekalkte wanden, zaten, aan een vierkant tafeltje, vier personen bij het schijnsel der op een kast geplaatste lamp, kaart te spelen.
Een van de vier, een man, keerde den rug naar het venster. Permentier herkende hem niet. Hij zag enkel van achter het hoofd, dat met een groote bonte muts bedekt was, en den rug, breed en hoekig, in zwarte omtrekken, met een iewat*scheef-hellenden linkerschouder, tegen het wit van den achterwand duidelijk afgeteekend.
Aan de linkerzijde van dien man, om den linker hoek der tafel, zat, zijlings, een jongeling van een twintigtal jaren, een frisch, blozend gezicht, met blond krullend haar. Die herkende hij. Het was de zoon van een der jachtopzieners van den burggraaf d'Hailly van Roosevelt, een eigenaar uit het omliggende.
Aan de rechterzijde, om den rechter hoek der tafel, en insgelijks zichtbaar van profiel, zat de vrouw van den huize, die Permentier 's morgens reeds gezien had, een jonge mooie vrouw, met een regelmatig, matbleek gezicht en groote zwarte oogen, onder een weelderigen, gitzwarten, van voren rechtopstaanden haarbos.
En eindelijk, aan den vierden hoek der tafel, recht tegenover 't venster, doch half aan Permentier's gezicht onttrokken, door den man met de bonte muts en breede schouders die naar hem den rug toekeerde, zat de jachtopziener zelf, zijn uniformpet met rood bandje achterover op het hoofd, zijn waaiervormigen rossen baard in het schijnsel der lamp als met goud begoten, zijn hooggekleurd gelaat uitstralend in een glimlach van vrede en genoegelijk welzijn.
Op een hoek der tafel stond een kruik met bier en glazen; tegen den achterwand, naast de eetkast, was een oude Vlaamsche klok met langzaam heen en weer zwaaienden slinger en moeilijk te ontcijferen zinken uurplaat.