1.Komt vrienden die hier staan in t’ rond,Hoort wat ik singen zal.Het dient dog niemand tot affrond,Het is in het generaal.De franse waaren uitgerükt,En is haar dog niet wel gelüktDe Pruissen wierden dat gewaarDie stonden daar al klaar.2.De Pruyssen waren dog niet dom,Dat zult gy nu verstaan.Zy schooten den Tamboer door de TromDie stond gereed te slaan.Aan het Posthuis op den wal,Daar gebeurden dit geval;Den Tamboer viel overück,Dat was voor hem gelück.3.Op Paaschavond wilt verstaan,Ving de Batalie aan,En is franzosen niet wel gegaan,Gelyk gy zult verstaan.Te Tegelen op den kerkhof dan,Daar kregen de snaken proef daervan,Dat donderden, kraakten gaven vuur.Fransoos kwam in t’ getruur.4.De Pruyssen stormden met geweld,Doen gieng den hagel aan,En wierden meester van het veld,Gelyk gy zult verstaan.Zy waaren maar vyf es zestig man,En sloegen de franschen nog daarvan,En dat was haar groot verdrietDat selden selden ook zo geschied.5.Den küster stond in dit gevalVerslagen en verbaasd,Dat knapten en kraakten overal,Jandorie wat dat raast,De kogels vlogen door de logtZo dat hy maar een schuylplaats zogt,En dagt wat drommel saperloot.Nu blyf ik zeker dood.6.De fransse maakten retiraatEn dat met groot gedruis,En sprongen als half disparaatDe steenen van de muur.De poort was haar niet wyt genoeg,Zy hebben het over de muur gezogt.Frans, avans, dat was gedaan,Zy kosten niet meer bestaan.7.De fransse vleugden naar het veldAl maar naar hun grof geschut.De Pruyssen volgden met geweldGelyk water door een geut.Zy schooten veel fransozen neer,Dat was voorwaar nog geen plasier,Hun dooden hebben zy opgevatEn voerden ze naar de stad.8.De fransen maakten geen geraas,Gelyk gy hooren zult.Zy wierpen haar dooden in de Maas,Die was nog niet gevult.En die dit lietjen heeft gedichtDat was een manneke viel wat ligtEn is dog uit dit VaderlandSyn Naam blyft onbekant.(Letterlyk van het originaal overgedrukt).
1.Komt vrienden die hier staan in t’ rond,Hoort wat ik singen zal.Het dient dog niemand tot affrond,Het is in het generaal.De franse waaren uitgerükt,En is haar dog niet wel gelüktDe Pruissen wierden dat gewaarDie stonden daar al klaar.2.De Pruyssen waren dog niet dom,Dat zult gy nu verstaan.Zy schooten den Tamboer door de TromDie stond gereed te slaan.Aan het Posthuis op den wal,Daar gebeurden dit geval;Den Tamboer viel overück,Dat was voor hem gelück.3.Op Paaschavond wilt verstaan,Ving de Batalie aan,En is franzosen niet wel gegaan,Gelyk gy zult verstaan.Te Tegelen op den kerkhof dan,Daar kregen de snaken proef daervan,Dat donderden, kraakten gaven vuur.Fransoos kwam in t’ getruur.4.De Pruyssen stormden met geweld,Doen gieng den hagel aan,En wierden meester van het veld,Gelyk gy zult verstaan.Zy waaren maar vyf es zestig man,En sloegen de franschen nog daarvan,En dat was haar groot verdrietDat selden selden ook zo geschied.5.Den küster stond in dit gevalVerslagen en verbaasd,Dat knapten en kraakten overal,Jandorie wat dat raast,De kogels vlogen door de logtZo dat hy maar een schuylplaats zogt,En dagt wat drommel saperloot.Nu blyf ik zeker dood.6.De fransse maakten retiraatEn dat met groot gedruis,En sprongen als half disparaatDe steenen van de muur.De poort was haar niet wyt genoeg,Zy hebben het over de muur gezogt.Frans, avans, dat was gedaan,Zy kosten niet meer bestaan.7.De fransse vleugden naar het veldAl maar naar hun grof geschut.De Pruyssen volgden met geweldGelyk water door een geut.Zy schooten veel fransozen neer,Dat was voorwaar nog geen plasier,Hun dooden hebben zy opgevatEn voerden ze naar de stad.8.De fransen maakten geen geraas,Gelyk gy hooren zult.Zy wierpen haar dooden in de Maas,Die was nog niet gevult.En die dit lietjen heeft gedichtDat was een manneke viel wat ligtEn is dog uit dit VaderlandSyn Naam blyft onbekant.(Letterlyk van het originaal overgedrukt).
1.
1.
Komt vrienden die hier staan in t’ rond,Hoort wat ik singen zal.Het dient dog niemand tot affrond,Het is in het generaal.De franse waaren uitgerükt,En is haar dog niet wel gelüktDe Pruissen wierden dat gewaarDie stonden daar al klaar.
Komt vrienden die hier staan in t’ rond,
Hoort wat ik singen zal.
Het dient dog niemand tot affrond,
Het is in het generaal.
De franse waaren uitgerükt,
En is haar dog niet wel gelükt
De Pruissen wierden dat gewaar
Die stonden daar al klaar.
2.
2.
De Pruyssen waren dog niet dom,Dat zult gy nu verstaan.Zy schooten den Tamboer door de TromDie stond gereed te slaan.Aan het Posthuis op den wal,Daar gebeurden dit geval;Den Tamboer viel overück,Dat was voor hem gelück.
De Pruyssen waren dog niet dom,
Dat zult gy nu verstaan.
Zy schooten den Tamboer door de Trom
Die stond gereed te slaan.
Aan het Posthuis op den wal,
Daar gebeurden dit geval;
Den Tamboer viel overück,
Dat was voor hem gelück.
3.
3.
Op Paaschavond wilt verstaan,Ving de Batalie aan,En is franzosen niet wel gegaan,Gelyk gy zult verstaan.Te Tegelen op den kerkhof dan,Daar kregen de snaken proef daervan,Dat donderden, kraakten gaven vuur.Fransoos kwam in t’ getruur.
Op Paaschavond wilt verstaan,
Ving de Batalie aan,
En is franzosen niet wel gegaan,
Gelyk gy zult verstaan.
Te Tegelen op den kerkhof dan,
Daar kregen de snaken proef daervan,
Dat donderden, kraakten gaven vuur.
Fransoos kwam in t’ getruur.
4.
4.
De Pruyssen stormden met geweld,Doen gieng den hagel aan,En wierden meester van het veld,Gelyk gy zult verstaan.Zy waaren maar vyf es zestig man,En sloegen de franschen nog daarvan,En dat was haar groot verdrietDat selden selden ook zo geschied.
De Pruyssen stormden met geweld,
Doen gieng den hagel aan,
En wierden meester van het veld,
Gelyk gy zult verstaan.
Zy waaren maar vyf es zestig man,
En sloegen de franschen nog daarvan,
En dat was haar groot verdriet
Dat selden selden ook zo geschied.
5.
5.
Den küster stond in dit gevalVerslagen en verbaasd,Dat knapten en kraakten overal,Jandorie wat dat raast,De kogels vlogen door de logtZo dat hy maar een schuylplaats zogt,En dagt wat drommel saperloot.Nu blyf ik zeker dood.
Den küster stond in dit geval
Verslagen en verbaasd,
Dat knapten en kraakten overal,
Jandorie wat dat raast,
De kogels vlogen door de logt
Zo dat hy maar een schuylplaats zogt,
En dagt wat drommel saperloot.
Nu blyf ik zeker dood.
6.
6.
De fransse maakten retiraatEn dat met groot gedruis,En sprongen als half disparaatDe steenen van de muur.De poort was haar niet wyt genoeg,Zy hebben het over de muur gezogt.Frans, avans, dat was gedaan,Zy kosten niet meer bestaan.
De fransse maakten retiraat
En dat met groot gedruis,
En sprongen als half disparaat
De steenen van de muur.
De poort was haar niet wyt genoeg,
Zy hebben het over de muur gezogt.
Frans, avans, dat was gedaan,
Zy kosten niet meer bestaan.
7.
7.
De fransse vleugden naar het veldAl maar naar hun grof geschut.De Pruyssen volgden met geweldGelyk water door een geut.Zy schooten veel fransozen neer,Dat was voorwaar nog geen plasier,Hun dooden hebben zy opgevatEn voerden ze naar de stad.
De fransse vleugden naar het veld
Al maar naar hun grof geschut.
De Pruyssen volgden met geweld
Gelyk water door een geut.
Zy schooten veel fransozen neer,
Dat was voorwaar nog geen plasier,
Hun dooden hebben zy opgevat
En voerden ze naar de stad.
8.
8.
De fransen maakten geen geraas,Gelyk gy hooren zult.Zy wierpen haar dooden in de Maas,Die was nog niet gevult.En die dit lietjen heeft gedichtDat was een manneke viel wat ligtEn is dog uit dit VaderlandSyn Naam blyft onbekant.
De fransen maakten geen geraas,
Gelyk gy hooren zult.
Zy wierpen haar dooden in de Maas,
Die was nog niet gevult.
En die dit lietjen heeft gedicht
Dat was een manneke viel wat ligt
En is dog uit dit Vaderland
Syn Naam blyft onbekant.
(Letterlyk van het originaal overgedrukt).
(Letterlyk van het originaal overgedrukt).
Om nu op de cosakken terug te komen, zullen veele zich nog in de gemeente herinneren hoe deze dagelyks door Tegelen kwamen, om voor het opgaan der zonne tot aan de 3 Croonen te gaan zien, of er geen fransouskis uit Venlo eenen uitval maakten om uit de omliggende dorpen te gaan levensmiddelen binnenbrengen.
De franschen dit zeer goed wetende, hadden in eene zekere nagt, eenige soldaten in de 3 Croonen geposteerd om de cosakken te overassen, en als deze ’s morgens hunne gewoonlyke vraag deeden aen de gezusters Bavaux,nikske fransouski, schooten de fransosen door deur en venster, en maakten eenen cosak gevangen, die met groote vreugde te Venlo wierd binnengebragt. Na deze overrassing wierden ze voorzichter en lieten de zon eerst goed schynen, voor en alleer zy zich naby de vesting waagden. Men moet overigens de cosakken regt doen wedervaren, dat zy hun kamp goed bewaakten, en hebben de franschen dikwils getracht, hun van alle kanten te overassen, maar de vedetten van de bergen[2]ontdekten ze weldra, en dan was allesdadelyk in rep en roer. Het gebeurde eens dat eene fransche colonne ’s nagts uit Venlo trok langs Blerick Baerlo te Kessel over de Maas, om de cosakken langs Schelkesbeek in de rug te vallen, maar in de verte ontdekt, vlugtte het kamp dadelyk naar de Brachterheyde. Eenen enkelen cosak die de boeren de Meelzak noemden, omdat hy eenen witten mantel droeg, was nog teruggebleven, om een groot stuk ossevleesch voor de soep bestemd niet in de strik te laaten.—In den haast, nam hy de osserib tusschen de tanden, sprong te paard, en kwam juist uit het stof als de franschen zich vertoonden.
De cosakken kwamen dagelyks in Tegelen en waren somtyds zo onbeleefd, een bedlaken, een heemd, of ander wit goed, te droogen hangende, aan de lance te steeken en zo by vergeet mede te nemen. Alles wierd onder de zadel geriemd, maar vrouwen onderrokken dienden voor mantels zonder mouwen. Jenever met peper in, was hunnen liefsten drank; het waaren in het algemeen sterke menschen, en byzonder goede ruiters.
In 1830 den 10 November, kwam het corps van den belgischen generaal Daine in Tegelen post vatten, om zich van Venlo meester te maaken. Hetzelve bestond uit een bataillon van het 11eregiment linie, eene ½ battery Brusselsche artillerie, 78 cosaques de la Meuse en verscheidene corpsen vrywilligers van Luyk, Doornik, enz.
De vesting, dezen onverwachten aanval onbekend, was in volle vertrouwen nog open, zodat er eenen cosaque de la Meuse, namens A. Düfhauss, met vollen toom de stad binnen reed, en gevangen genomen wierd. Na onmiddelyk de bruggen te hebbenopgehaald, schoot de artillerie van de wallen op de Belgische troepen die aan de Wilderbeek op de groote weg halte maakten. Den eersten schot trof het paard van eenen cosak de la Meuse, namensBrassiné, welke naby Stevenhuisje voltigeerde, en de tweede schot doode het paard van den doctor Buys, welke op Wilderveld met generaal Daine zich geplaatst had, om de vesting van naby te kunnen in oogenschyn nemen. Onmiddelyk daarna verlieten de troepen de groote weg, en trokken achter Wilderhof en naar de kant van de Maas, om niet zo zeer aan het geschut blootgesteld te zyn.
In den avond logeerden een gedeelte der Belgische troepen op Tegelsch grondgebied, en de staf met generaal Daine vestigde zyn hoofdkwartier in het dorp. Den 11 November ’sanderdags, als zich de vesting overgaf, nam generaal Daine bezit van de stad, en de troepen wierden gecaserneerd.
Een gedeelte der Nederlandsche bezetting passeerde den 12 November door Tegelen als krygsgevangene om naar Ath in Belgien te worden geinterneerd en zyn in 1831 te Schriek by Antwerpen uitgewisseld tegen Belgische krygsgevangene die in Holland sedert de gebeurtenissen van 1830 en 1831 aldaar verbleven.
In 1831 zyn in den tiendagigen veldtocht te Tegelen geene andere gebeurtenissen voorgevallen, als dat de garde civique is opgeroepen, die in Helden en Meyell is gecantonneerd geweest.
Ten allen tyde zyn er veele militaire doortogten te Tegelen geweest, zodat de gemeente veeltyds met inkwartering overladen was, byzonder onder het fransch keyzerryk als den oorlog uitbrak tusschen Frankryk en Rusland. Wy zullen er hier eenige aanhalen, die nog in allemans geheugen zyn.
In 1812 en 13 als de fransche armée naar Rusland trok, kwamen verscheidene corpsen door Tegelen, en geduurende deze jaaren was de gemeente zelden zonder inkwartering. Dikwils logeerden verscheidene huizen, tot 30 soldaten, en byzonder by de laatste doortogten, bestaande uit de garde regimenten te paard van keyzer Napoleon, en die van de keyzerinne, waren dagelyks alle huizen overladen van inkwartering. Onder deze troepen, muntden byzonder uit de Poolsche garde lanciers die ryk gekleed waaren, en byzonder goed gemonteerd. By de terugkomst, van de franschen uit Rusland, was het nog erger, omdat onmiddelyk de cosakken en andere geallieerde troepen er op volgden. De laatste franschen die door Tegelen passeerden, was de bezetting van Hamburg die in 1815, als reeds de geallieerden Parys hadden ingenomen, onder het bevel van den hertog van Tarente naar Frankryk terugkeerden.
Een regiment pupils, alle jonge soldaten, hielden by deze gelegenheid 2 rustdagen in Tegelen.
In 1815 voor en naar de groote slag van Waterloo,waren er nog doortogten van soldaten, en daar destyds Tegelen nog in bezit was van Pruissen, hebben verscheidene inwoners als landwehrn-mannen onder de wapens moeten komen, en tegen Frankryk marcheeren, als Nicolas Ronck, Jacob Ronck, Herman Houba, Joachim Dreessen, Lambert Kessels, Hubert Thiessen, Henrik Faessen, H. Ewalds, Frans Glaasmacher, Leonard Teurlings, en Peeter Leenaerts. In de winter van 1815 à 1816, kwam er ook een schip de Maas af, geladen met franschen brandewyn, Cognac en Rhum hetwelk door pruissische soldaten vergezeld was. De vaten wierden op Steyl gelost, en in de hevigste koude van Kersmis in kleindere vaten omgetapt en zo verder per as vervoerd.
In 1830 als de Belgische onlusten uitborstten, zyn verscheidene regimenten curassiers en voetvolk uit Holland komende, door Tegelen getrokken op Maastricht en Luyk. In 1881 verscheen ook eene compagnie vrywilligers van het corps van Mellinet, onder het bevel van colonel de Millisini de Sautel, die eene maand te Tegelen zyn ingekwarteerd geweest.
De doortogten in den russischen oorlog zyn zeer drukkend geweest voor de inwooners, en de meeste boeren weeten nog van 1813 en 14 te vertellen, terwyl zy steeds byvoegen, vreede gaet boven al.
Het gehucht Steyl, door zyne voordelige lage op de Maas, eene breede en gemakkelyke losplaats, bezat onder de Kurphalz, de fransche republiek en keyzerryk, eenen zeer belangryken eigen en expeditie handel. De naburige Rhynprovintien hadden deze plaats gekozen voor de stapelplaats van hunne goederen die zy uit Frankryk, Belgien en Holland betrokken, en omgekeerd verzonden zy hunne goederen over Steyl langs de Maas, op en afwaarts naar alle landen. Deze beweging was zo groot, dat de pakhuizen op Steyl niet toereikende waaren om de groote hoeveelheden zout, olie, teer, pek, granen en coloniale goederen onder dak te brengen, en zag men maanden lang, goederen gedekt en ongedekt onder den blooten hemel geplaatst, die ook somtyds by gebrek van voerlieden niet konden verzonden worden.
De meeste boeren van Tegelen waaren destyds te gelyk voerman, en bragten de goederen van Steyl naarKeulen,Neurs,Dusseldorp,Uerdingen,Gladbach,Kempen,Vierssen,Hückelhoven,Wegberg,Ameren,Breyell,Dulken,Waldnielgenoeg door de geheele Rhynprovincie. Waarschynlyk gaven de goedkoopspryzen van los- en pakhuis geld veel aanleiding, dat Steyl de voorkeur had voor andere plaatsen op de Maas, dan voor 1800, telde men de zogenoemdespesenniet per 50 of 100 ko, maar den eigenaar der goederen betaalde voor lossen en pakhuis geld 12 cents per vragtkar, zonder te berekenen wat erop was. Men begrype dat de winst zeer gering moest zyn, maar onze goede voorvaderen hadden tot principe dat groove winsten nietgebenedyden. In deze eeuw, onderstond dit principe eene merkelyke verandering, en huizen die anders uitsluitend voor andere werkten, begonnen zelfs eigen handel die voortdurend aangroeide, en tot 1815 eene groote beweging aan Steyl toebragt. In dat jaar echter, als Tegelen door eene verkeerde uitlegging van het tractaat van Weenen, door Pruissen in bezit gehouden wierd tot 1816, plaatste de pruissische regie eene zoutfactory te Steyl, en de andere goederen voor de Rhynlanden wierden nog altoos te Steyl gelost. De naburige stad Venlo begon zich over dezen staat van zaaken ernstig te ontrusten, en in de onzekerheid of wel Tegelen en Steyl door Pruissen in bezit gehouden wierden, deed de kamer van koophandel hare bezwaren gelden by Z. M. den koning der Nederlanden, die den 7 Juny 1815 Venlo met zyne tegenwoordigheid vereerde. Z. M. stelde den handel van Venlo daaromtrent gerust, omdat tusschen Pruissen en de Nederlanden, eene uitwisseling van gemeentens genegotieerd wierd, zodat ook in 1816 Tegelen nog in de Nederlanden wierd ingelyfd by uitwisseling van plaatsen nabyAakengelegendie by Pruissen gekomen zyn. Deze overlevering geschiedde ceremonieel, en van de kant van Pruissen was als speciale commissaris gedelegeerd de heer ........ en van de kant der Nederlanden, de heer baron Michiels de Kessenich van Roermond. De pruissische zoutfactory wierd alsdan naar Kaldekerken verplaatst, en den exp. handel kreeg eenen slag, welke hem zo te zeggen geheel deed verdwynen.
Dan bleef nog veel eigen handel in granen, zaden en schors, die maar eenige jaaren duurde, en voor en na heeft opgehouden.
In 1822 tot 1830 was de colonial handel nog al belangryk en kwamen er dagelyks een hondert tal pruissische smokkelaars, coffy, ryst, tabak en andere goederen te Steyl in koopen, die langs de grenzen sluikswys wierden binnengebragt. Dog na 1830 als de Maas op en af met Holland geheel en al gesloten wierd, moesten de goederen hetzy van Antwerpen door karren worden afgehaald, of uit Holland over Cranenborg door Pruissen betrokken worden, en daar deze vragten zeer duur waren, hoorde deze beweging geheel op.
Ook de koolen die te Maastricht niet mogten passeeren, wierden de Eysden gelost en onder Maestricht aan hetVoelwameswederom gescheept, en zo naar de ondermaas gebragt.
Het küpken vroeger aan 30 à 35 cents verkogt,steeg destyds op 75 cents, en nog waaren ze zeer schaars.
Andere inwoners van Tegelen voeren met karren naar Herzogenrath by Aaken, om aldaar aan de koolmynen brandstof te haalen, die even zo duur te staan kwamen.
De overeenkomst van den 21 mey 1833 te London gesloten, maakte de Maas wederom vry en de scheepvaart hernam eenigzints, zonder zynen ouden luister te bereiken.
Den tegenwoordigen handel te Steyl is zeer onbeduidend, daar vooreerst de koolenhandel door de spoorweg van Vierssen verdwenen is en in koloniale goederen geene kwantiteiten in ’t groot meer mogen opgedaan worden.
Enkelde grensbewoners der Pruissische gemeentens laaten zich voor koolen en kalk en mergel nog zien, maar de pryzen in concurrentie met de koolen van de Rhur en Aaken doen dezen handel totaal verdwynen.
Blyft nog guano en aarduinsteenen die steeds nog voor uitbreiding vatbaar zyn.
Twee huizen van Steyl doen in wyn en hebben redelyken aftrek.
In het begin van deze euw en zelf tot 1830, zyn te Steyl verscheidene scheepen gebouwd die aan hethekske van Stapel geloopen zyn. Zedert dat de stoomschepen de oude vaartuigen zyn komen vervangen, heeft deze nyverheid geheel opgehouden.
De pannen- en steenbakkeryen waren voortyds de eenigste nyverheid der gemeente, als men deze onder nyverheid kan rangschikken.
De goede zoort potkley die byzonder op de Oelesheyde op eene diepte van 5 ellen zich bevond, lokte waarschynlyk de Romeinen uit, aldaar pannenbakkeryen te plaatzen, dan men vind er nog een groot aantaal stukken van Romeinsche pannen en plavuysen.
De eerste pannenfabrieken in de 18eeuw bekend, waaren die van Denissen aan het Brökske en Engels in den hoek te Steyl. Deze laatste is afgebroken. Zedert zyn er nieuwe bygekomen, zodat men er heeden nog 8 groote teld die aan een groot getal inwoners brood geeven.
De pannen van Steylen Tegelen zyn zeer vermaard door hunne sterkte, en worden byzonder te Luyk zeer gezogt.
Deze industrie is voor uitbreiding vatbaar, en het is te verwonderen, dat er niet meer worden aangelegd, omdat de pannen schier warm uit de ovens naar Luyk en Pruissen trekken, alwaar het bouwen van huizen en fabrieken dagelyks toeneemt.
Daarna zyn de potfabrieken opgekomen, die eerst begonnen zyn met gewoon rood goed te maaken, en laatergelood, zo als thans nog het geval is. Men noemt dit zwart goed en wordt met de 100 of 1000 quart verkocht.
Deze fabrieken hebben zich byzonder onder de Nederlandsche regering vermeerdert, zodat er aanvangs 1830, 20 in volle werking waren die hunne fabrikaten alle jaaren afleverden aan kooplieden uit het Thal Ehrenbreitstein, en byzonder van Ransbach en omstreken (Nassau).
Deze kooplieden verschenen alle jaaren om Paasschen, deden hunne inkoopen, en kwamen alsdan uit Holland op met schepen, die de goederen over-bragten naar Rotterdam, Amsterdam, Groningen, Zwoll, Dordrecht, Middelburg, Antwerpen, Brussel, genoeg, in de geheele vereenigde Nederlanden.
Andere lieten zeeschepen te Steyl aan de Maas komen, en namen lading in voor Bordeaux en Marseille, en Spaansche havens.
In deze groote drükte geleek Steyl wezentlyk aan eenen zeehaven; ook kwam er veel geld in de gemeente, dat grootendeels door het werkvolk verteerd wierd, terwyl de meesters goede winsten inzamelden. De Belgische onlusten maakten een einde aan dezen voorspoed in de potfabrieken, terwyl de Maas op en af gesloten wierd, en dus de verzendingen t’ eenemaal moesten gestaakt worden.
Dezen staat van zaaken duurde van den 11 november 1830 tot in 1833, als door de conventie van London van den 21 Mai 1833, vereenigd met de conventie van Mainz van den 31 Maart 1831, de Maas voor de Riverains wederom geopend wierd.
Het eerste schip, dat zich vertoonde, was devrouw Dorothea, Hannoversche kof, capitein Johan Henrik Carstens, die den 26 mei 1834 eene lading zwart aardewerk innam, voor Duinkerke in Frankryk.
Dit schip ontvieng eenige moeijelykheden te Katwyk by Mook, als hetzelve aldaar aankwam, maar wierd, by speciale vergunning, toegelaten door Holland naar zyne bestemming te Stevenen.
Andere schepenenvoorHolland kwamen ook voor en na potten laaden, zelfs den 17 maart 1835 verscheen eene nieuwe Hannoversche kofTeclanette,captein J. C. Zirkx, groot 38 last, die 33,000 Ned. pond. zwart aardewerk inlaedde en daarmede naar Rouen (Frankryk) zeilde.
Het was in die jaaren niet moeijelyk gereed goed te verkrygen, maar de fabrikanten werkten niet meer in voorraad, en als den ouden stok by was die van 1830 overbleef, kwynde de fabrikatie van dag tot dag, zodat er heden nog maar 5 fabrieken bestaan die in werking zyn. Deeze maaken weinig zwart goed, en leggen zich meer op grove artikels, zelfs onderaardsche buizen voor wateraflossingen enz.
De kooplieden uit Nassau, die voor en na veelverdwenen zyn, genoten voor 1830 alle vertrouwen, alhoewel somtyds onbekend. Zy betaalden het goed gedeeltelyk by scheep nemen, en laater uit Holland Brabant, Frankryk of Spanje terugkomende, deeden zy eene nieuwe betaling. Eenige bleeven ook wel eens terug, maar de groote zelden.
De potfabrieken gebruikten jaarlyks alleen voor 50,000 guldens schanssen en ander brandhout.
De glazuur aarde betrokken ze uit de Pruissische Eiffelt, en wierd lood genoemd (Bleierz), en om de zwarte kouleur te geeven, gebruikt men Alquifoux, dat men bruinsteen noemde.
De potfabrieken zyn in hunnen grootsten voorspoed, wat defabrikatie betrof, altoos staande gebleven, alhoewel zy meenige verbeteringen hadden kunnen te weeg brengen.
Sedert 1854 hebben de heeren Kamp en Soetens eene nieuwe nyverheid ingebragt, bestaande in eene yzer-smeedery en gietery die met stoom in beweging gezet wordt. Zy werkt voor de provintie, en voor de Hollandsche zeehavens, en ook voor die van Hamburg. Het is te wenschen dat deze onderneming meer en meer in voorspoed mag toenemen en zy door de regering goedgunstiglyk beschermd word.
Er bestaan nog in de gemeente drie tabaksfabrieken waarvan de merken goeden aftrek vinden. De 6 bierbrouweryen werken voor de gemeente en omstreken; eene enkele daarvan maakt Beyersch bier.
Drie stookeryen zyn van weinig aanbelang, maaken echter zuiveren jenever.
Twee inwooners dezer gemeente hebben nog voor 1830 octroi gevraagd tot het oprigten van eenePotasfabriek, getrokken uit de asschen der pot- en pannen fabrieken. Deze aanvraag den 6 September 1880, onder no103/71 door Z. E. den heer Minister van binnenlandsche zaaken en Z. E. den heer Minister van waterstaat, nationale nyverheid en kolonien, naar de provintiale ovrigheid verwezen, is door de rekwestrantien niet meer gesolliciteerd geworden, dus zonder gevolg gebleven.
1oDe verlichting in de straaten.
2oGemeente pompen.
3oArmen-huizen.
1oDe kleinste stad heeft tegenwoordig de gaz-verlichting. De meeste dorpen zyn door olie verlicht, terwyl Tegelen in de lange winteravonden in de diepste duisternis gedompeld is. Eene lantaarn aan den hoek van het huis van Jan van Leipsig, eene op de brug midden in het dorp, en eene op den hoek van het Posthuis zou met genoegen gezien worden, en bewyzen dat Tegelen in alles met de verbeteringen van den tydgeest overgaat.
2oVeele huizen zyn zonder put nog pomp, en zyn dus genoodzaakt hun drinkwater uit de beeken te scheppen. Ofschoon dit water zeer zuiver van de bergen komt, passeerd het dog door broeken en moerassen die er dog min of meer vuiligheid in brengen. Eene of twee gemeentepompen zouden eene verbetering zyn, die de gezondheid bevordert.
3oOude verslete menschen die hun brood niet meer kunnen verdienen; weduwen met kinder overladen en in armoede verzonken, zouden niet slegt geplaatst zyn in armen huizen waarin zy tydelyk en gratis eene schuilplaats vonden.
Voor den franschen tyd, was er in Tegelen eene wynherberg, in het oud gezangs-huis die door veelen bezogt wierd.
De oudste bierherberg was by Pou in den hoek. Thans zyn er 26 die wyn, bier, jenever en in de winter hommersom vertappen. Voor het jaar 1830 wierd er nog alflipgedronken en men vond ook wel een glasknül, maer zedert de garst en de hop zo duur zyn, is deze onbekend.
De musiek was ook in Tegelen weinig verbreid in gemelden tyd, terwyl er maar eenen enkelden persoon bekend was, die de viool speelde, en die men niet anders noemde alsPetter had ich nur Harz.
Flip Storm is dezen laater komen vervangen.
Thans bestaan er twee harmonie gezelschappen.
Den ouden Engels uit den hoek te Steyl (dood) diende in de engelsche marine, en nam deel in de zeeslag als admiraal Nelson sneuvelde.
In de 18 eeuw wierd er te Steyl eene zo groote menigteSalmgevangen in de Maas, dat de knechten zich niet meer verhuurden dan onder conditie maareensin de week te moeten Salm eeten.
Voor 1789 koste te Tegelen een pond bruine Java 8 cleefsche stuivers, en in het laatst van de franschen (1814) 6 francs een pond ordinaire coffy.
In 1796 stopte het ys zich aan hiet hekske en de Maas bereikte eene byzondere hoogte, zodat dezelve boven op de plaats stond waar nu het huis van d’heer G. J. de Ryk staat.
Den 12 September 1801 passeerde te Tegelen Napoleon I, keizer van frankryk.
Byna 70 jaaren heeft eenen ongelukkigen zinneloosen de straaten van Tegelen doorwandeld die overal bekend was, onder de nam van Gekke-Nades.
In 1812 moest hy te Aaken voor de conseriptieraad verschynen, maar nauwelyks had de franschen Prefekt hem gezien, of den raad verklaarde dat Nane-Nane niet voor de armée kon dienen.
In 1812 waren te Tegelen en omliggende Maasdorpen een groot aantal Spaansche gevangene (guerillas) geinterneerd, die by de boeren voor de kost werk zochten, onder deze was er eenen goed bekend, die by Ronck zich verhuurd had, en die Careggo di Monjo zich noemde.
In 1814 stond de Maas midden op Steyl en het water liep by de wed. Canoy door de onderste vensters in huis binnen. De inwoners voeren met booten van het een huis naar het andere.
In de jaaren 1812 tot 1830, als de potfabrieken floreerden, waaren alle zondagendans- envechtpartyente Tegelen, die echter veel na gelaten hebben, zedert zekeren Gerard Faessen, in volle quadrille, met een carabyn door den arm geschoten wierd.
Als in de sterke winter tusschen 1813 en 14 de Cosakken te Tegelen verschenen, stormden de burgers alle uit het huis van den burgemeester, om deze verlossers te verwilkomen; maar in de duisternis namen de Cosakken ze voor eenen franschen aanval, en begonnen er deftig met dekanschuonder te slaan.
Eenen burger zich herrinnerende dat St-Nicolas de patroon van Rusland was, riep Vivat Nicolas, maar hoe meer hy schreeuwde, hoe meer slagen. Aangename overassing.
In 1831 op Vasten-Avond Dinsdag, wierd Joachim Ewalds, een braven en rustigen inwooner, op eene dans-party door eenen messteek gedood. Dader onbekend gebleven.
Den beroemden beeldhouwer, M. Kessels, den 20 Mey 1784 in Maastricht geboren, kwam in 1820 zich te Baerlo vestigen, en alle dagen verscheen hy te Steyl op de beugelbaan.
Laater naar Romen vertrokken, behaalde hy met een St-Sebastianus beeld den eersten prys; men vermoed hy St-Sebastianus gekozen had, uit genegentheid voor Steyl, waarvan dezen heyligen de patroon is.
Kessels heeft nog te Steyl van zyne werken terug gelaten die hy ten geschenk aanbood, en stierf te Romen in 1836.
In 1824 verscheen als eene zeldenheid in de Maas te Steyl, stroom-op eenensteurvan 2 ellen lang. Schipper Van Gend stak hem met eene palingschaar, en eenen anderen inwooner loste er 2 scheuten op, maar de visch gieng naar de diepte, en wierd eerst te Herstal by Luik gevangen.
In 1835 vond men te Tegelen in de Beek achter de Ligtenberg, een zeldzaam dier, dat de dikte had van een paarde haar, en eene lengte van 3 ellen, dog nog kop nog staart aen te onderscheiden. Aan de akademie te Brussel verzonden, erkende deze het dier voor eenenDragomeau. Deze verschynzels zyn zeer zelden.
In 1854 brak de cholera te Steyl uit in een huisje aan de beek, dat zedert het cholera huisje genoemd wordt.
Weinige inwoners in de gemeente zyn met hunnen familie naam bekend, of betekend, by voorbeeld:
1oDe persoon heet Pieter N..... dan betekend men de dochter Wildelina onder de naam van Pitte Windeline, deze haaren zoon, die ook Pieter heet, noemt menPitte Windeline Pit.
2oDe vader heetCristiaenN..... en de zoon Michiel, dan noemt men dezen laatsten Cristiaene Geel, terwyl wederom de zoon van Michiel die ook Cristiaen geheeten is,geele-Cristiaengenoemd word.
3oDe vader noemd zich Andreas N..... en de zoon Hendrik, dan wordt dezen laatsten Andreesen Drik genoemd.
Somtyds wordt ook den doopnaam by de plaats genomen waar ze wonen, als Lingster Grades, Krützer Drik, Agtegaals Klööske, Enger Helmes, Aape-Nel, Heys-Manes, Sieper-Trinke, Brökskes Hannes, Haander-Peter, Zwarterhonds-Meyes enz. De familienaam komtzelden voor, en maakt hy eene groote uitzondering, dog de persoonen er onder betekend, wordt altoos den doopnaam achter de familie naam geplaatsd.
Gedinkt dig nag, Helmes, det in vrüger jooren de kermes heel wet angers was as nou,—doe woord meer wien gesoopen op einen daag as nou op ein heel joor. Van wien en zien, kwome ze getrekke as ein persessie, en dink ens, wat er van Vendelen kwoomen boeremik met schink eeten, det deurde zo veer dag aan ei stük, van de morge tot den ovend al maar op die dikke trom geslagen.
Min bestevader sprikt nog nog altied van as te Steyl de vogel geschoten woord agter de kepel, en gekegeld, dat mennig fleske doo gekraakt woord, en by De Pööt den in de Tent, doo dreef de win door de plenk, en de spoölu droogen al oves einen oeles met geld noo oör kamer.—Ja, jong, det woor wet; me zoo gezagt hebbe, nou vergeit de welt, maar in deen tiid verdeenden de potbekkers oug groof geld.—En die worstpartien den, in de winkter eerst dik gegeeten, en den gekaart,—ze sloogen zig döks genogt, de vüst kapot met de troef.—Ja jong, dou küs zekke was dou wils, maar det kömt in ooze levestied neet meer voor.
Waat zees te, het beer is oug neet meer as vrüger; ze zitten der te vööl met de kneen op, maar den aldenknüldee ging in de teen.—Nou geeve ze dig, ei schoon glaas met ein kopere dekselken op, en vööl schoem, maar det is geineflip, en oug geineknül. Ig wil neet zekke, dat et zo beter is want as dee köp wet in ha, den slooge ze zig as de ketelbüters.
En wat waas det ei spööl as de gans gereye woord, en de jonges met den doedelspot en as Pester met ein gebro kat, noo de vossekoel slepde in het oelesgat, en as ze ginge fretteeren noo bakkesen hüske op de Neenefeet, aen Boorspoep en in de gebrankde peschen, en as de slibberman is opgetrokken met vastelovend, doo wöörd nou neet meer van gekikt, maar min bestevader wet det nag allemool hoorklein te vertellen.
Wets dou oug nag Helmes, as Koobes met ein alde berosde pistool op de schelme schoot, en as Nikloos de proemedanten appel, de fleermoes, en cnokattekop in de boumschool haa, en detPielzig den hals neet woo loote zegene met sinte Blasius.—Og herm, dee goeyen hals is nog in het water versoopen, God trööst zin zeel.
Ja jong, deen tied is verbey; de vroulü droogen oug in deen tied trekmutzen, en bezüüg ze nou ens, ig wet om ei glaas beer, det in die groote mütze die ze nou dragen, meer in geit, as ein hoefker.—Zek was te wils, maar doo zal nog einen tied komen, det de honder schoon dragen, maar den zullen oos teng niet meer sweeren.—Wy hebben voöl gezeen in onze levestied, maar die noo os komen, die zeen mischien de welt vergoon, en den zeen wy dog al die aa snaaken de jongsten daag nog eins terük.
Elf ougen, zagt Strükske.
Allerbest, zagt Van Leipsig.
Det zo waal woor zün, zagt Kensen Tis.
Alleneen, zagt Sprengers.
Ei kik, zagt Ronck.
Goede leut, zagt Gipmans.
Getroffen zagt de jong, dou smeete zi moor ein oug oet.
Gep...d, zagt Scheerkes.
Ei, ei, zo, zo, zagt Jette.
As gy kettekes zit, den komt er maar üt, zagt Jenne.
Drikkes, drikkes, eine goldworm, zagt Bilke.
Neet scheeten minheer, zagt Jö hemke.
Stompen oet, zeet Peeter.
Ranflan, zeet de smeet.
Het spööl steit, zeet Kobes.
[1]Dit zou doen veronderstellen dat Tegelen in 1481 onder het Hanzea-verbond stond.
[1]Dit zou doen veronderstellen dat Tegelen in 1481 onder het Hanzea-verbond stond.
[2]Zy hadden eene wagt op den Dolenberg, en eene op de Bergen naby de Mergelstraat die nog de Cosakkenberg heet.
[2]Zy hadden eene wagt op den Dolenberg, en eene op de Bergen naby de Mergelstraat die nog de Cosakkenberg heet.
EINDE.
typ. E.-F. Van Velsen.
ColofonDuidelijke zetfouten in de originele tekst zijn verbeterd. Daarnaast is aangepast:PaginaOrigineelAangepast12PechelmusPlechelmus27vuervuur41veltochtveldtocht50naar naarnaar
Colofon
Duidelijke zetfouten in de originele tekst zijn verbeterd. Daarnaast is aangepast:PaginaOrigineelAangepast12PechelmusPlechelmus27vuervuur41veltochtveldtocht50naar naarnaar