185τῇδε: aldus als nu volgt. WanneerPlatoτῇδεbezigt, doelt hij meestal op de eerstvolgende redekaveling.↑186Namelijk op de betrekking tusschen kennis en gevoel.↑187ἢ ἀκούειν τε καὶ ἐπίστασθαι. Hier moet uit het vorigeοὐ φήσομενeenvoudigφήσομενworden aangevuld, waaruit blijkt, datοὐ φημὶgeenszins onbepaald in de beteekenis van ontkennen gebruikt wordt, maar dat de Grieken wel degelijk in het taalgebruikοὐenφημὶals twee afzonderlijke[73]woorden beschouwden. Omtrent het gebruik vanοὐ φημὶmeen ik te moeten aanmerken, datοὐóf als bijwoord bijφημὶkan gebruikt worden, wanneer het eenvoudig beteekent: ik zeg niet, óf datοὐals het object vanφημὶkan aangemerkt worden, wanneer het beteekent: ik zeg neen, en vandaar: ik ontken.↑188Namelijk:ἃοἱ βάρβαροι λέγουσι.↑189σωζόμενονis hier medium, even als hoofdst. IX. p. 153 B.↑190αὐτὸ τοῦτο, ὃ μέμνηται. Hierin is eene bijzondere[74]groote breedheid van stijl, daar dit zelfde reeds, in het begin van den volzin, door de woordenἔτι ἔχοντα μνήμην αὐτοῦis uitgedrukt. Dit wordt hier zoo uitvoerig behandeld, om duidelijk te doen uitkomen, dat hetdezelfdezaak is, die te gelijk onthouden en niet gekend moet worden.↑191WanneerPlatozelf hetvorigete omslagtig vond, waarom liet hij het dan staan? Om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in het oog vallen, terwijl de hier gegevene kortere uitdrukking het vorige, tot gemakkelijker overzigt, nu nog eens in korte bewoordingen zamenvat. Deze wijze van doen heeft hare eigenaardige voordeelen, want eene korte, krachtige wijs van uitdrukken doet eene reeds begrepene stelling gemakkelijk in de gedachte blijven, maar is op zich zelve dikwijls niet duidelijk genoeg.↑192δεινὸςschijnt oorspronkelijkzeer grootte beteekenen, en vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk, als van uitstekend verkregen te hebben. Hier beteekent het eigenlijk ongeveer hetzelfde, als wanneer wij zeggen:zulk eene bewering is wat al te sterk.↑193δεῖheeft hier den zin van eene logische, niet van eene morele noodzakelijkheid, daar hier alleen op het verband tusschen de twee beweringen gezien wordt.↑194ὑποπτεύωkomt vanὑπόπτης, eigenlijkonderkijkend, dat is:die onder eens anders mantel ziet, of hij ook wapens bij zich heeft, vandaar;ergdenkend,wantrouwend.↑195οὗπερ ὁρᾷ. Deze genitivus moet per attractionem verklaard[76]worden, tenzij men de lezingὁρῶνverkieze, die in sommige handschriften gevonden wordt, en om de grammaticale overeenkomst metἐπιστήμωνde voorkeur schijnt te verdienen. Deze lezing wordt ook door het genoegzaam onmiddellijk volgende:ὁ δέ γε ὁρῶν καὶ ἐπιστήμων γεγονὼςbevestigd.↑196ἑκάτερονziet opτὸ ὁρᾷνenτὸ ἐπίστασθαι. ἄλλοbeteekent hierwat anders, namelijk, datτὸ ὁρᾷνwat anders is danτὸ ἐπίστασθαιen omgekeerd.↑197De constructie is:Ἀλλ’ ἐγὼ πειράσομαι δηλῶσαι ὅ γεδὴπερὶ αὐτῶν νοῶ. Overigens wordt hier de aor.δηλῶσαιduidelijk zonder eenig denkbeeld van tijd gebezigd, hetgeen vooral in den infinitivus zeer dikwijls met den aoristus plaats heeft.↑198τοῦτο δ’ εἶναι ἀδύνατον. τοῦτοschijnt hier niet zoo zeer de accusativus cum infinitivo metεἶναιte zijn, als wel het object vanἀπεδείξαμεν, waarbijεἶναιter nadere[78]verklaring gevoegd is. Vele voorbeelden van den accusativus cum infinitivo schijnen op deze wijs verklaard te moeten worden.↑199Dit was altijd een waagstuk, daarSocrates, dat isPlato, door alles wat voor de leer vanProtagoraskon gezegd worden, op te zoeken, eigenlijk zijne zaak in gevaar bragt. Men ziet hier de groote waarheidsliefde en vaste overtuiging, waarmedePlatote werk ging. Men vergelijke uit dit oogpunt, en ook in het geheel om de groote overeenkomst met den hier gevonden strijd, de polemiek vanEmile Saissettegen de stellige wijsbegeerte, in deRevue des deux mondesvan Julij 1846.↑200Calliaswas een groot voorstander vanProtagoras, zooals uit de zamenspraak vanPlato, die den naam vanProtagorasdraagt, blijken kan.↑201θᾶττον. De comparativus moet hier aldus verklaard worden: spoediger dan wij hadden moeten doen, zoo wij als vertegenwoordigers dier rigting wilden gelden.↑202τοῖς ῥήμασι ᾗ. Hier wordtᾗals bijwoord gebruikt, en ziet tevens opῥήμασι. Deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met het Hollandschewaarmedevoormet welke.↑203Dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder, datSocrateshet weêrleggen vanProtagorasstandpunt afkeurt, omdat de feiten, die tegen hem worden aangevoerd, door hem op eene zijn gevoelen begunstigende wijs kunnen worden uitgelegd.↑204ἀνέπληκτος ἀνήρ. Dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten, die zich niet ligt uit het veld lieten slaan, daar zij de grootste ongerijmdheden durfden aannemen, om hun gevoelen door te drijven.↑205φαίνειis hier Attisch voorφαίνῃ, dus de tweede persoon enkelvoud. Overigens ziet men, dat deze geheele redenering gebouwd is op het schermen met het abstracte, dat is: het weglaten van nadere bepalingen der begrippen, waardoor zij verder gewijzigd worden, en op het niet in het oog houden van de ziel als bron van de eenheid der verschillende zinnelijke waarnemingen.↑206πελταστικὸς ἀνὴρ μισθοφόρος. Hiermede wordt een sophist aangeduid, daar die lieden vooral in vlugheid, of liever vlugtigheid uitmuntten, en, bij hun beoefenen van wetenschappelijke vraagstukken, altijd hun geldelijk[81]voordeel op het oog hadden. Overigens meene men niet, dat het toeschrijven dier tegenwerpingen aan sophisten, een bewijs is, datPlatode leer vanProtagorasgoedkeurde. Integendeel moet hierin een bewijs gezocht worden van zijne verachting voor die leer, daar hij te kennen geeft, dat de minste sophist haar gemakkelijk kon weêrleggen.↑207ταῦτά τε δὴ πάντα. Deze woorden staan in den accusativus, die afhangt vanἐρεῖ, dat uit de naastvorige woorden vanSocrateshier moet bijgedacht worden.↑208αὐτῷis een dativus commodi, waarin hier de hatelijke beteekenis ligt, dat de vrees van dat kindSocratesuitstekend te stade kwam.↑209De constructie is:ἐπειδὴ παίδιον τι ἐρωτηθὲν, εἰ οἷόν τε τὸν αὐτὸν ἅμα μεμνῆσαι καὶ μὴ εἰδέναι τὸ αὐτὸ, ἔδεισεν αὐτῷ.↑210Hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen.προορᾶνbeteekent eigenlijkvooruitzien. Wat moest nuTheaetetusvooruitgezien hebben? Immers dat, zoo hij ontkende, de leer vanProtagoraszou vallen. Edoch, wanneer hij dat ontkennen naliet, niet omdat hij wezenlijk overtuigd was, dat hij het moest nalaten, maar omdat zijne stelling daardoor vallen moest, dan was het doel der redekaveling niet, waarheid te zoeken, maar gelijk te hebben.↑211γέλωτα τὸν ἐμὲ. Datγέλωταvoorγέλοιονstaat, doch sterker is, daar hier de persoon, als eenzelvig met het gelach, als door en door bespottelijk wordt voorgesteld, is duidelijk genoeg. Het lidwoord echter voorἐμὲheeft meer zwarigheid.Stallbaumkomt mij voor, de waarheid vrij goed gevoeld te hebben.PlatolaatProtagoraszich zelven zoo naauwkeurig aanwijzen, om hem daardoor te doen aanduiden, dat de geheele strijd eigenlijk uit persoonlijkheid tegen hem ontstaan was.↑212De constructie is:δοκεῖς γάρ τινά σοι αὐτίκα ξυγχωρήσεσθαι μνήμην ὧν ἔπαθε οὖσαν πάθος τι τοιοῦτον, οἷον ὅτε ἔπασχε,παρεῖναιτῷ μηκέτι πάσχοντι.↑213γιγνομένους. Zeer juist heeftPlatohierγιγνομένους, nietὄνταςgebezigd, want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene oneindigheid daarstellen, dan kan dit alleen door eene oneindige reeks geschieden, die steeds wordt, maar nimmer voltooid is.↑214ἐξέλεγξον, ὡς οὐχὶ. Dit is eene constructio praegnans, daar uitἐξέλεγξονhetzijἀποδεικνύωνof een ander woord van dezelfde beteekenis moet ingevuld worden.↑215καὶ λέγω σοφόν. Ditκαὶis moeijelijk te verdedigen, tenzij er iets is uitgevallen, b. v.ὀνομάζωof iets dergelijks. Misschien echter is naκαὶ ἐγώuitgevallen, hetgeen door de overeenkomst in klank met het volgendeλέγωkan veroorzaakt wezen.↑216κατηγορητέον. Dit kan op twee wijzen verklaard worden, wantκατηγορέωbeteekent eigenlijkbeschuldigen, maar is later gebezigd vanhet toekennen eener eigenschapin het algemeen, vanwaar in de Aristotelische wijsbegeerte het woordκατηγορία,praedicamentum, gebezigd is, om de algemeene rubrieken aan te duiden, waaronder de verschillende hoedanigheden, die aan de dingen worden toegekend, begrepen zijn. Neemt men de laatste beteekenis, dan is alles duidelijk, want dan zegtPlatohier eenvoudig, dat men noch aan den zieken de eigenschap van domheid, noch aan den gezonden die van wijsheid moet toekennen; doch dit laatste gebruik is meer Aristotelisch dan Platonisch. Daarom geef ik de voorkeur aan de eerste beteekenis, die vanbeschuldigen, en verklaar dan den zin aldus, datPlatobij den zieken aan eigenlijk beschuldigen gedacht heeft, maar bij den gezonden uit het voorgaande beschuldigen een woord in de gedachte heeft ingevuld, dat tot beschuldigen in dezelfde reden staat, als wijsheid tot domheid. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.634., 3, 6.↑217ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ τὴν ἀμείνω. Deze spreekwijs is weder voor twee uitleggingen vatbaar, daar men namelijk ófἑτέραςkan vertalen: de andere dan de betere, dat is de slechtere, óf aannemen, datPlatobegonnen is, als had hij willen schrijven:ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ ἑτέραν, maar, omdat hierdoor alleen verandering, maar niet verandering ten goede zou aangeduid worden, in plaats vanἑτέραν, ἀμείνωgeschreven heeft.↑218Deze redenering komt hierop neder: Eene ware meening is zooals de zaken zijn; dus zijn de zaken, die werkelijk bestaan, haar voorwerp. Is nu hetgeen werkelijk bestaat, het voorwerp der ware meening, dan is, hetgeen niet werkelijk bestaat, het voorwerp der valsche. Edoch, wat niet bestaat, heeft geene eigenschappen, dus ook niet die van voorwerp eener meening te zijn. Dus heeft de valsche meening geen voorwerp. Dus bestaat zij niet, q. e. d. Het is naauwelijks noodig te doen opmerken, dat deze redenering verkeerd is, omdat zij het onderscheid over het hoofd ziet tusschen het bestaan van de meening en hare voorwerpen in den geest, en het buiten den geest aanwezig zijn van voorwerpen, die daarmede overeenkomen.↑219τοιαῦταstaat hier voorσυγγενῆ αὐτῆςen ziet opχρηστὴ, daar de goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is, als de kwade met den kwaden.↑220φαντάσματαhoort eigenlijk in den vorigen zin. ZieButtm., Gr. Gr. § 143. 4.↑221Er staat woordelijk: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de planten landbouwers. In dezen zin kon zulk eene constructie nog eenigzins toegelaten worden, maar zooPlatoeens gezegd had: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de zielen sophisten, dan zou dit, volgens de in de vertaling gevolgde wijs van verklaren, zeer juist geweest zijn, doch tevens aanleiding tot eene dubbelzinnigheid gegeven hebben, daar deze woorden, oppervlakkig beschouwd, den schijn zouden hebben, als werden daarin de wijzen naar ziel en ligchaam beschreven, daar dan ziel en ligchaam moeijelijk iets anders dan de ziel en het ligchaam der wijzen zou kunnen beteekenen. In den tekst is nu wel deze verklaarwijs niet mogelijk, doch dat zij hier niet kan toegelaten worden, blijkt niet uit den grammaticalen zamenhang, maar uit de ongerijmde resultaten, waartoe zij voeren zou. Dit meen ik als een gebrek inPlato’sstijl te dezer plaatse te moeten aanmerken.↑222Hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag, daar het goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet, maar daardoor zelf, als op zich zelf, onafhankelijk van de meening der menschen, goed of kwaad zijnde beschouwd wordt.↑223Dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden; namelijk, óf van het dulden van tegenspraak in het algemeen, óf van het toelaten der vragende methode, welke laatste doorSocratesgewoonlijk werd toegepast, dewijl hij daardoor de sophisten belette in lange redevoeringen door de kracht der welsprekendheid hunne toehoorders te misleiden. Vragen en lange redevoeringen staan dan ook bijPlatosteeds tegen elkander over, maarProtagorashad, zooals uit de naar hem genoemde zamenspraak kan blijken, van beiden zijn werk gemaakt.↑224ὡς ἀγωνιζόμενος—διαλεγόμενος. Dit sluit niet goed op elkander, daar de symmetrie vordertὡςóf tweemaal, óf in het geheel niet te schrijven. Ik verklaar mij voor het laatste, omdat hier niet aan eene vertooning, een spiegelgevecht, maar aan werkelijk redekavelen moet gedacht worden.↑225καὶ. Ik hebκαὶdoordaarvertaald, dewijl wij, omdat de periode naκαὶslechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is, hier het voegwoorddaarzouden verwachten, ofschoon de Griek zich vergenoegt met twee zulke perioden eenvoudig doorente verbinden, en het opmerken der nadere betrekking aan de scherpzinnigheid der lezers overlaat.↑226παρεκέκρουστο. Ik heb vroeger gemeend hierπεριεκέκρουστοte moeten lezen, en dacht dan om struikelingen, die door den teregtbrenger vroeger begaan waren, doch waarvan hij genezen was; maar nu houd ik het voor beter, hier te denken aan die struikelingen, welke de teregtbrenger aan den teregtgebragten verwijt. Dan is de zin deze: Hij zal hem niet in de war helpen, om hem dan later de fouten, die hij hem heeft laten doen, te verwijten, maar hij zal hem alleen de fouten, die hij van zelfs maakt, onder het oog brengen, daar het hier om waarheid, niet om gelijk hebben te doen is.↑227ἀποφανεῖς. Dit woord beteekent eigenlijk vertoonen, maar wordt van het ten toon stellen van eigen arbeid, en vandaar van den arbeid zelven gebezigd.↑228Dit laatste is duidelijk een paskwil opProtagoraszelven, wiens tegenwoordige leerlingTheodorusde wijsbegeerte voor de meetkunst had laten loopen. Over het geheel is, hetgeenSocrateshier uit naam vanProtagorasaan zich zelven voorschrijft, eigentlijk niet tegenSocratesgerigt, daar deze juist die regels opvolgde, maar tegen zijne tegenpartij, de sophisten, wien het om gelijk hebben, niet om waarheid te doen was. Men vergelijke hier de doorAristotelesvan eenen sophist gegevene bepaling:ἔστι γὰρ ἡ σοφιστικὴ φαινομένη σοφία, οὖσα δὲ μή. καὶ ὁ σοφιστὴς χρηματιστὴς ἀπὸ φαινομένης σοφίας, ἀλλ’ οὐκ οὔσης. (Soph. elench. 1. § 6.) d. i.: de Sophistiek is eene schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid, en een sophist is iemand, die zich door schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid zoekt rijk te maken.↑229Hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten. Onze meeste woorden, ja onze meeste begrippen, zijn zonder de noodige zaakkennis gevormd, waarvan het onvermijdelijk gevolg is, dat daaronder vele gebrekkige en valsche woorden en begrippen gevonden worden; weshalve het bij wijsgeerig onderzoek volstrekt noodig is, hierop naauwkeurig acht te geven, en het gewone niet dadelijk voor het werkelijk bekende te houden. Om hier met juistheid te werk te gaan, is eene genetische ontwikkeling vooral aan te bevelen. ZieTheod. Waitz,Grundlegung der Psychologie, p. 1–8.↑230De uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien, en zelfs gemeend, dat hier veranderingen noodzakelijk waren. Ik geloof echter, dat zulks onnoodig is, en dat debeteekenisvanbeginnenhier uitstekend op hare plaats is.Socratesgeeft te kennen, dat hij begonnen isProtagoraste verdedigen, daarmedeTheodoruszijdelings aansporende, om het daar niet bij te laten blijven, maar hetgeen hij begonnen had, verder te voltooijen.↑231λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου—καὶ ἀποκαλῶν διεκελεύσατο. Deze verbinding is vreemd, daar hier een gen. abs. met een werkwoord in de aantoonende wijs wordt verbonden. Zwarigheid is er echter niet in, daar de woordenλέγοντος τοῦ Πρωταγόρουop hetzelfde neerkomen, alsof er stond:ὅτε ἔλεγεν ὁ Πρωταγόρας.↑232Merkwaardig is de aardige wijs, waaropSocratesTheodorusin het gesprek weet in te wikkelen. Hierdoor wilPlatowaarschijnlijk te kennen geven, dat het hier volgend onderzoek van het hoogste gewigt is en eene groote rijpheid van oordeel vordert.↑233μέχρι τούτου αὐτοῦ. Ditαὐτοῦkan het best verklaard worden, door achterὀλίγον ἐπίσπουde woordenτῷ λόγῳin de gedachte in te voegen.↑234Σκίῤῥωνα. Ik heb gemeend, hierἈνταῖονte moeten lezen, daarScironin dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt, enPlatoin het volgende, nietSciron, maarAntaeusvermeldt, welke laatste hier met regt wordt aangehaald, daar hij al de voorbijgangers dwong, om met hem te worstelen. Zie overigens het aangeteekende op hoofdst. XVI., blz. 70 (1).↑235ἐκείνων. Ditἐκείνωνzou doen vermoeden, datScironin het overige op zijne plaats was, hetgeen door de vermelding[93]vanTheseus, die metScirongevochten heeft, bevestigd wordt. Met dat al komtScironin het vorige niet te pas, waarom ik lieverἐκείνωνopAntaeusen zijns gelijken in het algemeen laat slaan, en de vermelding vanTheseusbeschouw, als onwillekeurig voortgevloeid uit het nationaal gevoel vanPlato, dieHerculesnoemende, den grooten Atheenschen held niet kon voorbijgaan, terwijl dan daarom in het vorigeScirondoor een afschrijver ten onpas is ingevoegd.↑
185τῇδε: aldus als nu volgt. WanneerPlatoτῇδεbezigt, doelt hij meestal op de eerstvolgende redekaveling.↑186Namelijk op de betrekking tusschen kennis en gevoel.↑187ἢ ἀκούειν τε καὶ ἐπίστασθαι. Hier moet uit het vorigeοὐ φήσομενeenvoudigφήσομενworden aangevuld, waaruit blijkt, datοὐ φημὶgeenszins onbepaald in de beteekenis van ontkennen gebruikt wordt, maar dat de Grieken wel degelijk in het taalgebruikοὐenφημὶals twee afzonderlijke[73]woorden beschouwden. Omtrent het gebruik vanοὐ φημὶmeen ik te moeten aanmerken, datοὐóf als bijwoord bijφημὶkan gebruikt worden, wanneer het eenvoudig beteekent: ik zeg niet, óf datοὐals het object vanφημὶkan aangemerkt worden, wanneer het beteekent: ik zeg neen, en vandaar: ik ontken.↑188Namelijk:ἃοἱ βάρβαροι λέγουσι.↑189σωζόμενονis hier medium, even als hoofdst. IX. p. 153 B.↑190αὐτὸ τοῦτο, ὃ μέμνηται. Hierin is eene bijzondere[74]groote breedheid van stijl, daar dit zelfde reeds, in het begin van den volzin, door de woordenἔτι ἔχοντα μνήμην αὐτοῦis uitgedrukt. Dit wordt hier zoo uitvoerig behandeld, om duidelijk te doen uitkomen, dat hetdezelfdezaak is, die te gelijk onthouden en niet gekend moet worden.↑191WanneerPlatozelf hetvorigete omslagtig vond, waarom liet hij het dan staan? Om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in het oog vallen, terwijl de hier gegevene kortere uitdrukking het vorige, tot gemakkelijker overzigt, nu nog eens in korte bewoordingen zamenvat. Deze wijze van doen heeft hare eigenaardige voordeelen, want eene korte, krachtige wijs van uitdrukken doet eene reeds begrepene stelling gemakkelijk in de gedachte blijven, maar is op zich zelve dikwijls niet duidelijk genoeg.↑192δεινὸςschijnt oorspronkelijkzeer grootte beteekenen, en vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk, als van uitstekend verkregen te hebben. Hier beteekent het eigenlijk ongeveer hetzelfde, als wanneer wij zeggen:zulk eene bewering is wat al te sterk.↑193δεῖheeft hier den zin van eene logische, niet van eene morele noodzakelijkheid, daar hier alleen op het verband tusschen de twee beweringen gezien wordt.↑194ὑποπτεύωkomt vanὑπόπτης, eigenlijkonderkijkend, dat is:die onder eens anders mantel ziet, of hij ook wapens bij zich heeft, vandaar;ergdenkend,wantrouwend.↑195οὗπερ ὁρᾷ. Deze genitivus moet per attractionem verklaard[76]worden, tenzij men de lezingὁρῶνverkieze, die in sommige handschriften gevonden wordt, en om de grammaticale overeenkomst metἐπιστήμωνde voorkeur schijnt te verdienen. Deze lezing wordt ook door het genoegzaam onmiddellijk volgende:ὁ δέ γε ὁρῶν καὶ ἐπιστήμων γεγονὼςbevestigd.↑196ἑκάτερονziet opτὸ ὁρᾷνenτὸ ἐπίστασθαι. ἄλλοbeteekent hierwat anders, namelijk, datτὸ ὁρᾷνwat anders is danτὸ ἐπίστασθαιen omgekeerd.↑197De constructie is:Ἀλλ’ ἐγὼ πειράσομαι δηλῶσαι ὅ γεδὴπερὶ αὐτῶν νοῶ. Overigens wordt hier de aor.δηλῶσαιduidelijk zonder eenig denkbeeld van tijd gebezigd, hetgeen vooral in den infinitivus zeer dikwijls met den aoristus plaats heeft.↑198τοῦτο δ’ εἶναι ἀδύνατον. τοῦτοschijnt hier niet zoo zeer de accusativus cum infinitivo metεἶναιte zijn, als wel het object vanἀπεδείξαμεν, waarbijεἶναιter nadere[78]verklaring gevoegd is. Vele voorbeelden van den accusativus cum infinitivo schijnen op deze wijs verklaard te moeten worden.↑199Dit was altijd een waagstuk, daarSocrates, dat isPlato, door alles wat voor de leer vanProtagoraskon gezegd worden, op te zoeken, eigenlijk zijne zaak in gevaar bragt. Men ziet hier de groote waarheidsliefde en vaste overtuiging, waarmedePlatote werk ging. Men vergelijke uit dit oogpunt, en ook in het geheel om de groote overeenkomst met den hier gevonden strijd, de polemiek vanEmile Saissettegen de stellige wijsbegeerte, in deRevue des deux mondesvan Julij 1846.↑200Calliaswas een groot voorstander vanProtagoras, zooals uit de zamenspraak vanPlato, die den naam vanProtagorasdraagt, blijken kan.↑201θᾶττον. De comparativus moet hier aldus verklaard worden: spoediger dan wij hadden moeten doen, zoo wij als vertegenwoordigers dier rigting wilden gelden.↑202τοῖς ῥήμασι ᾗ. Hier wordtᾗals bijwoord gebruikt, en ziet tevens opῥήμασι. Deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met het Hollandschewaarmedevoormet welke.↑203Dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder, datSocrateshet weêrleggen vanProtagorasstandpunt afkeurt, omdat de feiten, die tegen hem worden aangevoerd, door hem op eene zijn gevoelen begunstigende wijs kunnen worden uitgelegd.↑204ἀνέπληκτος ἀνήρ. Dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten, die zich niet ligt uit het veld lieten slaan, daar zij de grootste ongerijmdheden durfden aannemen, om hun gevoelen door te drijven.↑205φαίνειis hier Attisch voorφαίνῃ, dus de tweede persoon enkelvoud. Overigens ziet men, dat deze geheele redenering gebouwd is op het schermen met het abstracte, dat is: het weglaten van nadere bepalingen der begrippen, waardoor zij verder gewijzigd worden, en op het niet in het oog houden van de ziel als bron van de eenheid der verschillende zinnelijke waarnemingen.↑206πελταστικὸς ἀνὴρ μισθοφόρος. Hiermede wordt een sophist aangeduid, daar die lieden vooral in vlugheid, of liever vlugtigheid uitmuntten, en, bij hun beoefenen van wetenschappelijke vraagstukken, altijd hun geldelijk[81]voordeel op het oog hadden. Overigens meene men niet, dat het toeschrijven dier tegenwerpingen aan sophisten, een bewijs is, datPlatode leer vanProtagorasgoedkeurde. Integendeel moet hierin een bewijs gezocht worden van zijne verachting voor die leer, daar hij te kennen geeft, dat de minste sophist haar gemakkelijk kon weêrleggen.↑207ταῦτά τε δὴ πάντα. Deze woorden staan in den accusativus, die afhangt vanἐρεῖ, dat uit de naastvorige woorden vanSocrateshier moet bijgedacht worden.↑208αὐτῷis een dativus commodi, waarin hier de hatelijke beteekenis ligt, dat de vrees van dat kindSocratesuitstekend te stade kwam.↑209De constructie is:ἐπειδὴ παίδιον τι ἐρωτηθὲν, εἰ οἷόν τε τὸν αὐτὸν ἅμα μεμνῆσαι καὶ μὴ εἰδέναι τὸ αὐτὸ, ἔδεισεν αὐτῷ.↑210Hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen.προορᾶνbeteekent eigenlijkvooruitzien. Wat moest nuTheaetetusvooruitgezien hebben? Immers dat, zoo hij ontkende, de leer vanProtagoraszou vallen. Edoch, wanneer hij dat ontkennen naliet, niet omdat hij wezenlijk overtuigd was, dat hij het moest nalaten, maar omdat zijne stelling daardoor vallen moest, dan was het doel der redekaveling niet, waarheid te zoeken, maar gelijk te hebben.↑211γέλωτα τὸν ἐμὲ. Datγέλωταvoorγέλοιονstaat, doch sterker is, daar hier de persoon, als eenzelvig met het gelach, als door en door bespottelijk wordt voorgesteld, is duidelijk genoeg. Het lidwoord echter voorἐμὲheeft meer zwarigheid.Stallbaumkomt mij voor, de waarheid vrij goed gevoeld te hebben.PlatolaatProtagoraszich zelven zoo naauwkeurig aanwijzen, om hem daardoor te doen aanduiden, dat de geheele strijd eigenlijk uit persoonlijkheid tegen hem ontstaan was.↑212De constructie is:δοκεῖς γάρ τινά σοι αὐτίκα ξυγχωρήσεσθαι μνήμην ὧν ἔπαθε οὖσαν πάθος τι τοιοῦτον, οἷον ὅτε ἔπασχε,παρεῖναιτῷ μηκέτι πάσχοντι.↑213γιγνομένους. Zeer juist heeftPlatohierγιγνομένους, nietὄνταςgebezigd, want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene oneindigheid daarstellen, dan kan dit alleen door eene oneindige reeks geschieden, die steeds wordt, maar nimmer voltooid is.↑214ἐξέλεγξον, ὡς οὐχὶ. Dit is eene constructio praegnans, daar uitἐξέλεγξονhetzijἀποδεικνύωνof een ander woord van dezelfde beteekenis moet ingevuld worden.↑215καὶ λέγω σοφόν. Ditκαὶis moeijelijk te verdedigen, tenzij er iets is uitgevallen, b. v.ὀνομάζωof iets dergelijks. Misschien echter is naκαὶ ἐγώuitgevallen, hetgeen door de overeenkomst in klank met het volgendeλέγωkan veroorzaakt wezen.↑216κατηγορητέον. Dit kan op twee wijzen verklaard worden, wantκατηγορέωbeteekent eigenlijkbeschuldigen, maar is later gebezigd vanhet toekennen eener eigenschapin het algemeen, vanwaar in de Aristotelische wijsbegeerte het woordκατηγορία,praedicamentum, gebezigd is, om de algemeene rubrieken aan te duiden, waaronder de verschillende hoedanigheden, die aan de dingen worden toegekend, begrepen zijn. Neemt men de laatste beteekenis, dan is alles duidelijk, want dan zegtPlatohier eenvoudig, dat men noch aan den zieken de eigenschap van domheid, noch aan den gezonden die van wijsheid moet toekennen; doch dit laatste gebruik is meer Aristotelisch dan Platonisch. Daarom geef ik de voorkeur aan de eerste beteekenis, die vanbeschuldigen, en verklaar dan den zin aldus, datPlatobij den zieken aan eigenlijk beschuldigen gedacht heeft, maar bij den gezonden uit het voorgaande beschuldigen een woord in de gedachte heeft ingevuld, dat tot beschuldigen in dezelfde reden staat, als wijsheid tot domheid. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.634., 3, 6.↑217ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ τὴν ἀμείνω. Deze spreekwijs is weder voor twee uitleggingen vatbaar, daar men namelijk ófἑτέραςkan vertalen: de andere dan de betere, dat is de slechtere, óf aannemen, datPlatobegonnen is, als had hij willen schrijven:ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ ἑτέραν, maar, omdat hierdoor alleen verandering, maar niet verandering ten goede zou aangeduid worden, in plaats vanἑτέραν, ἀμείνωgeschreven heeft.↑218Deze redenering komt hierop neder: Eene ware meening is zooals de zaken zijn; dus zijn de zaken, die werkelijk bestaan, haar voorwerp. Is nu hetgeen werkelijk bestaat, het voorwerp der ware meening, dan is, hetgeen niet werkelijk bestaat, het voorwerp der valsche. Edoch, wat niet bestaat, heeft geene eigenschappen, dus ook niet die van voorwerp eener meening te zijn. Dus heeft de valsche meening geen voorwerp. Dus bestaat zij niet, q. e. d. Het is naauwelijks noodig te doen opmerken, dat deze redenering verkeerd is, omdat zij het onderscheid over het hoofd ziet tusschen het bestaan van de meening en hare voorwerpen in den geest, en het buiten den geest aanwezig zijn van voorwerpen, die daarmede overeenkomen.↑219τοιαῦταstaat hier voorσυγγενῆ αὐτῆςen ziet opχρηστὴ, daar de goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is, als de kwade met den kwaden.↑220φαντάσματαhoort eigenlijk in den vorigen zin. ZieButtm., Gr. Gr. § 143. 4.↑221Er staat woordelijk: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de planten landbouwers. In dezen zin kon zulk eene constructie nog eenigzins toegelaten worden, maar zooPlatoeens gezegd had: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de zielen sophisten, dan zou dit, volgens de in de vertaling gevolgde wijs van verklaren, zeer juist geweest zijn, doch tevens aanleiding tot eene dubbelzinnigheid gegeven hebben, daar deze woorden, oppervlakkig beschouwd, den schijn zouden hebben, als werden daarin de wijzen naar ziel en ligchaam beschreven, daar dan ziel en ligchaam moeijelijk iets anders dan de ziel en het ligchaam der wijzen zou kunnen beteekenen. In den tekst is nu wel deze verklaarwijs niet mogelijk, doch dat zij hier niet kan toegelaten worden, blijkt niet uit den grammaticalen zamenhang, maar uit de ongerijmde resultaten, waartoe zij voeren zou. Dit meen ik als een gebrek inPlato’sstijl te dezer plaatse te moeten aanmerken.↑222Hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag, daar het goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet, maar daardoor zelf, als op zich zelf, onafhankelijk van de meening der menschen, goed of kwaad zijnde beschouwd wordt.↑223Dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden; namelijk, óf van het dulden van tegenspraak in het algemeen, óf van het toelaten der vragende methode, welke laatste doorSocratesgewoonlijk werd toegepast, dewijl hij daardoor de sophisten belette in lange redevoeringen door de kracht der welsprekendheid hunne toehoorders te misleiden. Vragen en lange redevoeringen staan dan ook bijPlatosteeds tegen elkander over, maarProtagorashad, zooals uit de naar hem genoemde zamenspraak kan blijken, van beiden zijn werk gemaakt.↑224ὡς ἀγωνιζόμενος—διαλεγόμενος. Dit sluit niet goed op elkander, daar de symmetrie vordertὡςóf tweemaal, óf in het geheel niet te schrijven. Ik verklaar mij voor het laatste, omdat hier niet aan eene vertooning, een spiegelgevecht, maar aan werkelijk redekavelen moet gedacht worden.↑225καὶ. Ik hebκαὶdoordaarvertaald, dewijl wij, omdat de periode naκαὶslechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is, hier het voegwoorddaarzouden verwachten, ofschoon de Griek zich vergenoegt met twee zulke perioden eenvoudig doorente verbinden, en het opmerken der nadere betrekking aan de scherpzinnigheid der lezers overlaat.↑226παρεκέκρουστο. Ik heb vroeger gemeend hierπεριεκέκρουστοte moeten lezen, en dacht dan om struikelingen, die door den teregtbrenger vroeger begaan waren, doch waarvan hij genezen was; maar nu houd ik het voor beter, hier te denken aan die struikelingen, welke de teregtbrenger aan den teregtgebragten verwijt. Dan is de zin deze: Hij zal hem niet in de war helpen, om hem dan later de fouten, die hij hem heeft laten doen, te verwijten, maar hij zal hem alleen de fouten, die hij van zelfs maakt, onder het oog brengen, daar het hier om waarheid, niet om gelijk hebben te doen is.↑227ἀποφανεῖς. Dit woord beteekent eigenlijk vertoonen, maar wordt van het ten toon stellen van eigen arbeid, en vandaar van den arbeid zelven gebezigd.↑228Dit laatste is duidelijk een paskwil opProtagoraszelven, wiens tegenwoordige leerlingTheodorusde wijsbegeerte voor de meetkunst had laten loopen. Over het geheel is, hetgeenSocrateshier uit naam vanProtagorasaan zich zelven voorschrijft, eigentlijk niet tegenSocratesgerigt, daar deze juist die regels opvolgde, maar tegen zijne tegenpartij, de sophisten, wien het om gelijk hebben, niet om waarheid te doen was. Men vergelijke hier de doorAristotelesvan eenen sophist gegevene bepaling:ἔστι γὰρ ἡ σοφιστικὴ φαινομένη σοφία, οὖσα δὲ μή. καὶ ὁ σοφιστὴς χρηματιστὴς ἀπὸ φαινομένης σοφίας, ἀλλ’ οὐκ οὔσης. (Soph. elench. 1. § 6.) d. i.: de Sophistiek is eene schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid, en een sophist is iemand, die zich door schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid zoekt rijk te maken.↑229Hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten. Onze meeste woorden, ja onze meeste begrippen, zijn zonder de noodige zaakkennis gevormd, waarvan het onvermijdelijk gevolg is, dat daaronder vele gebrekkige en valsche woorden en begrippen gevonden worden; weshalve het bij wijsgeerig onderzoek volstrekt noodig is, hierop naauwkeurig acht te geven, en het gewone niet dadelijk voor het werkelijk bekende te houden. Om hier met juistheid te werk te gaan, is eene genetische ontwikkeling vooral aan te bevelen. ZieTheod. Waitz,Grundlegung der Psychologie, p. 1–8.↑230De uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien, en zelfs gemeend, dat hier veranderingen noodzakelijk waren. Ik geloof echter, dat zulks onnoodig is, en dat debeteekenisvanbeginnenhier uitstekend op hare plaats is.Socratesgeeft te kennen, dat hij begonnen isProtagoraste verdedigen, daarmedeTheodoruszijdelings aansporende, om het daar niet bij te laten blijven, maar hetgeen hij begonnen had, verder te voltooijen.↑231λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου—καὶ ἀποκαλῶν διεκελεύσατο. Deze verbinding is vreemd, daar hier een gen. abs. met een werkwoord in de aantoonende wijs wordt verbonden. Zwarigheid is er echter niet in, daar de woordenλέγοντος τοῦ Πρωταγόρουop hetzelfde neerkomen, alsof er stond:ὅτε ἔλεγεν ὁ Πρωταγόρας.↑232Merkwaardig is de aardige wijs, waaropSocratesTheodorusin het gesprek weet in te wikkelen. Hierdoor wilPlatowaarschijnlijk te kennen geven, dat het hier volgend onderzoek van het hoogste gewigt is en eene groote rijpheid van oordeel vordert.↑233μέχρι τούτου αὐτοῦ. Ditαὐτοῦkan het best verklaard worden, door achterὀλίγον ἐπίσπουde woordenτῷ λόγῳin de gedachte in te voegen.↑234Σκίῤῥωνα. Ik heb gemeend, hierἈνταῖονte moeten lezen, daarScironin dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt, enPlatoin het volgende, nietSciron, maarAntaeusvermeldt, welke laatste hier met regt wordt aangehaald, daar hij al de voorbijgangers dwong, om met hem te worstelen. Zie overigens het aangeteekende op hoofdst. XVI., blz. 70 (1).↑235ἐκείνων. Ditἐκείνωνzou doen vermoeden, datScironin het overige op zijne plaats was, hetgeen door de vermelding[93]vanTheseus, die metScirongevochten heeft, bevestigd wordt. Met dat al komtScironin het vorige niet te pas, waarom ik lieverἐκείνωνopAntaeusen zijns gelijken in het algemeen laat slaan, en de vermelding vanTheseusbeschouw, als onwillekeurig voortgevloeid uit het nationaal gevoel vanPlato, dieHerculesnoemende, den grooten Atheenschen held niet kon voorbijgaan, terwijl dan daarom in het vorigeScirondoor een afschrijver ten onpas is ingevoegd.↑
185τῇδε: aldus als nu volgt. WanneerPlatoτῇδεbezigt, doelt hij meestal op de eerstvolgende redekaveling.↑186Namelijk op de betrekking tusschen kennis en gevoel.↑187ἢ ἀκούειν τε καὶ ἐπίστασθαι. Hier moet uit het vorigeοὐ φήσομενeenvoudigφήσομενworden aangevuld, waaruit blijkt, datοὐ φημὶgeenszins onbepaald in de beteekenis van ontkennen gebruikt wordt, maar dat de Grieken wel degelijk in het taalgebruikοὐenφημὶals twee afzonderlijke[73]woorden beschouwden. Omtrent het gebruik vanοὐ φημὶmeen ik te moeten aanmerken, datοὐóf als bijwoord bijφημὶkan gebruikt worden, wanneer het eenvoudig beteekent: ik zeg niet, óf datοὐals het object vanφημὶkan aangemerkt worden, wanneer het beteekent: ik zeg neen, en vandaar: ik ontken.↑188Namelijk:ἃοἱ βάρβαροι λέγουσι.↑189σωζόμενονis hier medium, even als hoofdst. IX. p. 153 B.↑190αὐτὸ τοῦτο, ὃ μέμνηται. Hierin is eene bijzondere[74]groote breedheid van stijl, daar dit zelfde reeds, in het begin van den volzin, door de woordenἔτι ἔχοντα μνήμην αὐτοῦis uitgedrukt. Dit wordt hier zoo uitvoerig behandeld, om duidelijk te doen uitkomen, dat hetdezelfdezaak is, die te gelijk onthouden en niet gekend moet worden.↑191WanneerPlatozelf hetvorigete omslagtig vond, waarom liet hij het dan staan? Om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in het oog vallen, terwijl de hier gegevene kortere uitdrukking het vorige, tot gemakkelijker overzigt, nu nog eens in korte bewoordingen zamenvat. Deze wijze van doen heeft hare eigenaardige voordeelen, want eene korte, krachtige wijs van uitdrukken doet eene reeds begrepene stelling gemakkelijk in de gedachte blijven, maar is op zich zelve dikwijls niet duidelijk genoeg.↑192δεινὸςschijnt oorspronkelijkzeer grootte beteekenen, en vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk, als van uitstekend verkregen te hebben. Hier beteekent het eigenlijk ongeveer hetzelfde, als wanneer wij zeggen:zulk eene bewering is wat al te sterk.↑193δεῖheeft hier den zin van eene logische, niet van eene morele noodzakelijkheid, daar hier alleen op het verband tusschen de twee beweringen gezien wordt.↑194ὑποπτεύωkomt vanὑπόπτης, eigenlijkonderkijkend, dat is:die onder eens anders mantel ziet, of hij ook wapens bij zich heeft, vandaar;ergdenkend,wantrouwend.↑195οὗπερ ὁρᾷ. Deze genitivus moet per attractionem verklaard[76]worden, tenzij men de lezingὁρῶνverkieze, die in sommige handschriften gevonden wordt, en om de grammaticale overeenkomst metἐπιστήμωνde voorkeur schijnt te verdienen. Deze lezing wordt ook door het genoegzaam onmiddellijk volgende:ὁ δέ γε ὁρῶν καὶ ἐπιστήμων γεγονὼςbevestigd.↑196ἑκάτερονziet opτὸ ὁρᾷνenτὸ ἐπίστασθαι. ἄλλοbeteekent hierwat anders, namelijk, datτὸ ὁρᾷνwat anders is danτὸ ἐπίστασθαιen omgekeerd.↑197De constructie is:Ἀλλ’ ἐγὼ πειράσομαι δηλῶσαι ὅ γεδὴπερὶ αὐτῶν νοῶ. Overigens wordt hier de aor.δηλῶσαιduidelijk zonder eenig denkbeeld van tijd gebezigd, hetgeen vooral in den infinitivus zeer dikwijls met den aoristus plaats heeft.↑198τοῦτο δ’ εἶναι ἀδύνατον. τοῦτοschijnt hier niet zoo zeer de accusativus cum infinitivo metεἶναιte zijn, als wel het object vanἀπεδείξαμεν, waarbijεἶναιter nadere[78]verklaring gevoegd is. Vele voorbeelden van den accusativus cum infinitivo schijnen op deze wijs verklaard te moeten worden.↑199Dit was altijd een waagstuk, daarSocrates, dat isPlato, door alles wat voor de leer vanProtagoraskon gezegd worden, op te zoeken, eigenlijk zijne zaak in gevaar bragt. Men ziet hier de groote waarheidsliefde en vaste overtuiging, waarmedePlatote werk ging. Men vergelijke uit dit oogpunt, en ook in het geheel om de groote overeenkomst met den hier gevonden strijd, de polemiek vanEmile Saissettegen de stellige wijsbegeerte, in deRevue des deux mondesvan Julij 1846.↑200Calliaswas een groot voorstander vanProtagoras, zooals uit de zamenspraak vanPlato, die den naam vanProtagorasdraagt, blijken kan.↑201θᾶττον. De comparativus moet hier aldus verklaard worden: spoediger dan wij hadden moeten doen, zoo wij als vertegenwoordigers dier rigting wilden gelden.↑202τοῖς ῥήμασι ᾗ. Hier wordtᾗals bijwoord gebruikt, en ziet tevens opῥήμασι. Deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met het Hollandschewaarmedevoormet welke.↑203Dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder, datSocrateshet weêrleggen vanProtagorasstandpunt afkeurt, omdat de feiten, die tegen hem worden aangevoerd, door hem op eene zijn gevoelen begunstigende wijs kunnen worden uitgelegd.↑204ἀνέπληκτος ἀνήρ. Dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten, die zich niet ligt uit het veld lieten slaan, daar zij de grootste ongerijmdheden durfden aannemen, om hun gevoelen door te drijven.↑205φαίνειis hier Attisch voorφαίνῃ, dus de tweede persoon enkelvoud. Overigens ziet men, dat deze geheele redenering gebouwd is op het schermen met het abstracte, dat is: het weglaten van nadere bepalingen der begrippen, waardoor zij verder gewijzigd worden, en op het niet in het oog houden van de ziel als bron van de eenheid der verschillende zinnelijke waarnemingen.↑206πελταστικὸς ἀνὴρ μισθοφόρος. Hiermede wordt een sophist aangeduid, daar die lieden vooral in vlugheid, of liever vlugtigheid uitmuntten, en, bij hun beoefenen van wetenschappelijke vraagstukken, altijd hun geldelijk[81]voordeel op het oog hadden. Overigens meene men niet, dat het toeschrijven dier tegenwerpingen aan sophisten, een bewijs is, datPlatode leer vanProtagorasgoedkeurde. Integendeel moet hierin een bewijs gezocht worden van zijne verachting voor die leer, daar hij te kennen geeft, dat de minste sophist haar gemakkelijk kon weêrleggen.↑207ταῦτά τε δὴ πάντα. Deze woorden staan in den accusativus, die afhangt vanἐρεῖ, dat uit de naastvorige woorden vanSocrateshier moet bijgedacht worden.↑208αὐτῷis een dativus commodi, waarin hier de hatelijke beteekenis ligt, dat de vrees van dat kindSocratesuitstekend te stade kwam.↑209De constructie is:ἐπειδὴ παίδιον τι ἐρωτηθὲν, εἰ οἷόν τε τὸν αὐτὸν ἅμα μεμνῆσαι καὶ μὴ εἰδέναι τὸ αὐτὸ, ἔδεισεν αὐτῷ.↑210Hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen.προορᾶνbeteekent eigenlijkvooruitzien. Wat moest nuTheaetetusvooruitgezien hebben? Immers dat, zoo hij ontkende, de leer vanProtagoraszou vallen. Edoch, wanneer hij dat ontkennen naliet, niet omdat hij wezenlijk overtuigd was, dat hij het moest nalaten, maar omdat zijne stelling daardoor vallen moest, dan was het doel der redekaveling niet, waarheid te zoeken, maar gelijk te hebben.↑211γέλωτα τὸν ἐμὲ. Datγέλωταvoorγέλοιονstaat, doch sterker is, daar hier de persoon, als eenzelvig met het gelach, als door en door bespottelijk wordt voorgesteld, is duidelijk genoeg. Het lidwoord echter voorἐμὲheeft meer zwarigheid.Stallbaumkomt mij voor, de waarheid vrij goed gevoeld te hebben.PlatolaatProtagoraszich zelven zoo naauwkeurig aanwijzen, om hem daardoor te doen aanduiden, dat de geheele strijd eigenlijk uit persoonlijkheid tegen hem ontstaan was.↑212De constructie is:δοκεῖς γάρ τινά σοι αὐτίκα ξυγχωρήσεσθαι μνήμην ὧν ἔπαθε οὖσαν πάθος τι τοιοῦτον, οἷον ὅτε ἔπασχε,παρεῖναιτῷ μηκέτι πάσχοντι.↑213γιγνομένους. Zeer juist heeftPlatohierγιγνομένους, nietὄνταςgebezigd, want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene oneindigheid daarstellen, dan kan dit alleen door eene oneindige reeks geschieden, die steeds wordt, maar nimmer voltooid is.↑214ἐξέλεγξον, ὡς οὐχὶ. Dit is eene constructio praegnans, daar uitἐξέλεγξονhetzijἀποδεικνύωνof een ander woord van dezelfde beteekenis moet ingevuld worden.↑215καὶ λέγω σοφόν. Ditκαὶis moeijelijk te verdedigen, tenzij er iets is uitgevallen, b. v.ὀνομάζωof iets dergelijks. Misschien echter is naκαὶ ἐγώuitgevallen, hetgeen door de overeenkomst in klank met het volgendeλέγωkan veroorzaakt wezen.↑216κατηγορητέον. Dit kan op twee wijzen verklaard worden, wantκατηγορέωbeteekent eigenlijkbeschuldigen, maar is later gebezigd vanhet toekennen eener eigenschapin het algemeen, vanwaar in de Aristotelische wijsbegeerte het woordκατηγορία,praedicamentum, gebezigd is, om de algemeene rubrieken aan te duiden, waaronder de verschillende hoedanigheden, die aan de dingen worden toegekend, begrepen zijn. Neemt men de laatste beteekenis, dan is alles duidelijk, want dan zegtPlatohier eenvoudig, dat men noch aan den zieken de eigenschap van domheid, noch aan den gezonden die van wijsheid moet toekennen; doch dit laatste gebruik is meer Aristotelisch dan Platonisch. Daarom geef ik de voorkeur aan de eerste beteekenis, die vanbeschuldigen, en verklaar dan den zin aldus, datPlatobij den zieken aan eigenlijk beschuldigen gedacht heeft, maar bij den gezonden uit het voorgaande beschuldigen een woord in de gedachte heeft ingevuld, dat tot beschuldigen in dezelfde reden staat, als wijsheid tot domheid. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.634., 3, 6.↑217ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ τὴν ἀμείνω. Deze spreekwijs is weder voor twee uitleggingen vatbaar, daar men namelijk ófἑτέραςkan vertalen: de andere dan de betere, dat is de slechtere, óf aannemen, datPlatobegonnen is, als had hij willen schrijven:ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ ἑτέραν, maar, omdat hierdoor alleen verandering, maar niet verandering ten goede zou aangeduid worden, in plaats vanἑτέραν, ἀμείνωgeschreven heeft.↑218Deze redenering komt hierop neder: Eene ware meening is zooals de zaken zijn; dus zijn de zaken, die werkelijk bestaan, haar voorwerp. Is nu hetgeen werkelijk bestaat, het voorwerp der ware meening, dan is, hetgeen niet werkelijk bestaat, het voorwerp der valsche. Edoch, wat niet bestaat, heeft geene eigenschappen, dus ook niet die van voorwerp eener meening te zijn. Dus heeft de valsche meening geen voorwerp. Dus bestaat zij niet, q. e. d. Het is naauwelijks noodig te doen opmerken, dat deze redenering verkeerd is, omdat zij het onderscheid over het hoofd ziet tusschen het bestaan van de meening en hare voorwerpen in den geest, en het buiten den geest aanwezig zijn van voorwerpen, die daarmede overeenkomen.↑219τοιαῦταstaat hier voorσυγγενῆ αὐτῆςen ziet opχρηστὴ, daar de goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is, als de kwade met den kwaden.↑220φαντάσματαhoort eigenlijk in den vorigen zin. ZieButtm., Gr. Gr. § 143. 4.↑221Er staat woordelijk: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de planten landbouwers. In dezen zin kon zulk eene constructie nog eenigzins toegelaten worden, maar zooPlatoeens gezegd had: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de zielen sophisten, dan zou dit, volgens de in de vertaling gevolgde wijs van verklaren, zeer juist geweest zijn, doch tevens aanleiding tot eene dubbelzinnigheid gegeven hebben, daar deze woorden, oppervlakkig beschouwd, den schijn zouden hebben, als werden daarin de wijzen naar ziel en ligchaam beschreven, daar dan ziel en ligchaam moeijelijk iets anders dan de ziel en het ligchaam der wijzen zou kunnen beteekenen. In den tekst is nu wel deze verklaarwijs niet mogelijk, doch dat zij hier niet kan toegelaten worden, blijkt niet uit den grammaticalen zamenhang, maar uit de ongerijmde resultaten, waartoe zij voeren zou. Dit meen ik als een gebrek inPlato’sstijl te dezer plaatse te moeten aanmerken.↑222Hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag, daar het goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet, maar daardoor zelf, als op zich zelf, onafhankelijk van de meening der menschen, goed of kwaad zijnde beschouwd wordt.↑223Dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden; namelijk, óf van het dulden van tegenspraak in het algemeen, óf van het toelaten der vragende methode, welke laatste doorSocratesgewoonlijk werd toegepast, dewijl hij daardoor de sophisten belette in lange redevoeringen door de kracht der welsprekendheid hunne toehoorders te misleiden. Vragen en lange redevoeringen staan dan ook bijPlatosteeds tegen elkander over, maarProtagorashad, zooals uit de naar hem genoemde zamenspraak kan blijken, van beiden zijn werk gemaakt.↑224ὡς ἀγωνιζόμενος—διαλεγόμενος. Dit sluit niet goed op elkander, daar de symmetrie vordertὡςóf tweemaal, óf in het geheel niet te schrijven. Ik verklaar mij voor het laatste, omdat hier niet aan eene vertooning, een spiegelgevecht, maar aan werkelijk redekavelen moet gedacht worden.↑225καὶ. Ik hebκαὶdoordaarvertaald, dewijl wij, omdat de periode naκαὶslechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is, hier het voegwoorddaarzouden verwachten, ofschoon de Griek zich vergenoegt met twee zulke perioden eenvoudig doorente verbinden, en het opmerken der nadere betrekking aan de scherpzinnigheid der lezers overlaat.↑226παρεκέκρουστο. Ik heb vroeger gemeend hierπεριεκέκρουστοte moeten lezen, en dacht dan om struikelingen, die door den teregtbrenger vroeger begaan waren, doch waarvan hij genezen was; maar nu houd ik het voor beter, hier te denken aan die struikelingen, welke de teregtbrenger aan den teregtgebragten verwijt. Dan is de zin deze: Hij zal hem niet in de war helpen, om hem dan later de fouten, die hij hem heeft laten doen, te verwijten, maar hij zal hem alleen de fouten, die hij van zelfs maakt, onder het oog brengen, daar het hier om waarheid, niet om gelijk hebben te doen is.↑227ἀποφανεῖς. Dit woord beteekent eigenlijk vertoonen, maar wordt van het ten toon stellen van eigen arbeid, en vandaar van den arbeid zelven gebezigd.↑228Dit laatste is duidelijk een paskwil opProtagoraszelven, wiens tegenwoordige leerlingTheodorusde wijsbegeerte voor de meetkunst had laten loopen. Over het geheel is, hetgeenSocrateshier uit naam vanProtagorasaan zich zelven voorschrijft, eigentlijk niet tegenSocratesgerigt, daar deze juist die regels opvolgde, maar tegen zijne tegenpartij, de sophisten, wien het om gelijk hebben, niet om waarheid te doen was. Men vergelijke hier de doorAristotelesvan eenen sophist gegevene bepaling:ἔστι γὰρ ἡ σοφιστικὴ φαινομένη σοφία, οὖσα δὲ μή. καὶ ὁ σοφιστὴς χρηματιστὴς ἀπὸ φαινομένης σοφίας, ἀλλ’ οὐκ οὔσης. (Soph. elench. 1. § 6.) d. i.: de Sophistiek is eene schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid, en een sophist is iemand, die zich door schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid zoekt rijk te maken.↑229Hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten. Onze meeste woorden, ja onze meeste begrippen, zijn zonder de noodige zaakkennis gevormd, waarvan het onvermijdelijk gevolg is, dat daaronder vele gebrekkige en valsche woorden en begrippen gevonden worden; weshalve het bij wijsgeerig onderzoek volstrekt noodig is, hierop naauwkeurig acht te geven, en het gewone niet dadelijk voor het werkelijk bekende te houden. Om hier met juistheid te werk te gaan, is eene genetische ontwikkeling vooral aan te bevelen. ZieTheod. Waitz,Grundlegung der Psychologie, p. 1–8.↑230De uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien, en zelfs gemeend, dat hier veranderingen noodzakelijk waren. Ik geloof echter, dat zulks onnoodig is, en dat debeteekenisvanbeginnenhier uitstekend op hare plaats is.Socratesgeeft te kennen, dat hij begonnen isProtagoraste verdedigen, daarmedeTheodoruszijdelings aansporende, om het daar niet bij te laten blijven, maar hetgeen hij begonnen had, verder te voltooijen.↑231λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου—καὶ ἀποκαλῶν διεκελεύσατο. Deze verbinding is vreemd, daar hier een gen. abs. met een werkwoord in de aantoonende wijs wordt verbonden. Zwarigheid is er echter niet in, daar de woordenλέγοντος τοῦ Πρωταγόρουop hetzelfde neerkomen, alsof er stond:ὅτε ἔλεγεν ὁ Πρωταγόρας.↑232Merkwaardig is de aardige wijs, waaropSocratesTheodorusin het gesprek weet in te wikkelen. Hierdoor wilPlatowaarschijnlijk te kennen geven, dat het hier volgend onderzoek van het hoogste gewigt is en eene groote rijpheid van oordeel vordert.↑233μέχρι τούτου αὐτοῦ. Ditαὐτοῦkan het best verklaard worden, door achterὀλίγον ἐπίσπουde woordenτῷ λόγῳin de gedachte in te voegen.↑234Σκίῤῥωνα. Ik heb gemeend, hierἈνταῖονte moeten lezen, daarScironin dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt, enPlatoin het volgende, nietSciron, maarAntaeusvermeldt, welke laatste hier met regt wordt aangehaald, daar hij al de voorbijgangers dwong, om met hem te worstelen. Zie overigens het aangeteekende op hoofdst. XVI., blz. 70 (1).↑235ἐκείνων. Ditἐκείνωνzou doen vermoeden, datScironin het overige op zijne plaats was, hetgeen door de vermelding[93]vanTheseus, die metScirongevochten heeft, bevestigd wordt. Met dat al komtScironin het vorige niet te pas, waarom ik lieverἐκείνωνopAntaeusen zijns gelijken in het algemeen laat slaan, en de vermelding vanTheseusbeschouw, als onwillekeurig voortgevloeid uit het nationaal gevoel vanPlato, dieHerculesnoemende, den grooten Atheenschen held niet kon voorbijgaan, terwijl dan daarom in het vorigeScirondoor een afschrijver ten onpas is ingevoegd.↑
185τῇδε: aldus als nu volgt. WanneerPlatoτῇδεbezigt, doelt hij meestal op de eerstvolgende redekaveling.↑186Namelijk op de betrekking tusschen kennis en gevoel.↑187ἢ ἀκούειν τε καὶ ἐπίστασθαι. Hier moet uit het vorigeοὐ φήσομενeenvoudigφήσομενworden aangevuld, waaruit blijkt, datοὐ φημὶgeenszins onbepaald in de beteekenis van ontkennen gebruikt wordt, maar dat de Grieken wel degelijk in het taalgebruikοὐenφημὶals twee afzonderlijke[73]woorden beschouwden. Omtrent het gebruik vanοὐ φημὶmeen ik te moeten aanmerken, datοὐóf als bijwoord bijφημὶkan gebruikt worden, wanneer het eenvoudig beteekent: ik zeg niet, óf datοὐals het object vanφημὶkan aangemerkt worden, wanneer het beteekent: ik zeg neen, en vandaar: ik ontken.↑188Namelijk:ἃοἱ βάρβαροι λέγουσι.↑189σωζόμενονis hier medium, even als hoofdst. IX. p. 153 B.↑190αὐτὸ τοῦτο, ὃ μέμνηται. Hierin is eene bijzondere[74]groote breedheid van stijl, daar dit zelfde reeds, in het begin van den volzin, door de woordenἔτι ἔχοντα μνήμην αὐτοῦis uitgedrukt. Dit wordt hier zoo uitvoerig behandeld, om duidelijk te doen uitkomen, dat hetdezelfdezaak is, die te gelijk onthouden en niet gekend moet worden.↑191WanneerPlatozelf hetvorigete omslagtig vond, waarom liet hij het dan staan? Om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in het oog vallen, terwijl de hier gegevene kortere uitdrukking het vorige, tot gemakkelijker overzigt, nu nog eens in korte bewoordingen zamenvat. Deze wijze van doen heeft hare eigenaardige voordeelen, want eene korte, krachtige wijs van uitdrukken doet eene reeds begrepene stelling gemakkelijk in de gedachte blijven, maar is op zich zelve dikwijls niet duidelijk genoeg.↑192δεινὸςschijnt oorspronkelijkzeer grootte beteekenen, en vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk, als van uitstekend verkregen te hebben. Hier beteekent het eigenlijk ongeveer hetzelfde, als wanneer wij zeggen:zulk eene bewering is wat al te sterk.↑193δεῖheeft hier den zin van eene logische, niet van eene morele noodzakelijkheid, daar hier alleen op het verband tusschen de twee beweringen gezien wordt.↑194ὑποπτεύωkomt vanὑπόπτης, eigenlijkonderkijkend, dat is:die onder eens anders mantel ziet, of hij ook wapens bij zich heeft, vandaar;ergdenkend,wantrouwend.↑195οὗπερ ὁρᾷ. Deze genitivus moet per attractionem verklaard[76]worden, tenzij men de lezingὁρῶνverkieze, die in sommige handschriften gevonden wordt, en om de grammaticale overeenkomst metἐπιστήμωνde voorkeur schijnt te verdienen. Deze lezing wordt ook door het genoegzaam onmiddellijk volgende:ὁ δέ γε ὁρῶν καὶ ἐπιστήμων γεγονὼςbevestigd.↑196ἑκάτερονziet opτὸ ὁρᾷνenτὸ ἐπίστασθαι. ἄλλοbeteekent hierwat anders, namelijk, datτὸ ὁρᾷνwat anders is danτὸ ἐπίστασθαιen omgekeerd.↑197De constructie is:Ἀλλ’ ἐγὼ πειράσομαι δηλῶσαι ὅ γεδὴπερὶ αὐτῶν νοῶ. Overigens wordt hier de aor.δηλῶσαιduidelijk zonder eenig denkbeeld van tijd gebezigd, hetgeen vooral in den infinitivus zeer dikwijls met den aoristus plaats heeft.↑198τοῦτο δ’ εἶναι ἀδύνατον. τοῦτοschijnt hier niet zoo zeer de accusativus cum infinitivo metεἶναιte zijn, als wel het object vanἀπεδείξαμεν, waarbijεἶναιter nadere[78]verklaring gevoegd is. Vele voorbeelden van den accusativus cum infinitivo schijnen op deze wijs verklaard te moeten worden.↑199Dit was altijd een waagstuk, daarSocrates, dat isPlato, door alles wat voor de leer vanProtagoraskon gezegd worden, op te zoeken, eigenlijk zijne zaak in gevaar bragt. Men ziet hier de groote waarheidsliefde en vaste overtuiging, waarmedePlatote werk ging. Men vergelijke uit dit oogpunt, en ook in het geheel om de groote overeenkomst met den hier gevonden strijd, de polemiek vanEmile Saissettegen de stellige wijsbegeerte, in deRevue des deux mondesvan Julij 1846.↑200Calliaswas een groot voorstander vanProtagoras, zooals uit de zamenspraak vanPlato, die den naam vanProtagorasdraagt, blijken kan.↑201θᾶττον. De comparativus moet hier aldus verklaard worden: spoediger dan wij hadden moeten doen, zoo wij als vertegenwoordigers dier rigting wilden gelden.↑202τοῖς ῥήμασι ᾗ. Hier wordtᾗals bijwoord gebruikt, en ziet tevens opῥήμασι. Deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met het Hollandschewaarmedevoormet welke.↑203Dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder, datSocrateshet weêrleggen vanProtagorasstandpunt afkeurt, omdat de feiten, die tegen hem worden aangevoerd, door hem op eene zijn gevoelen begunstigende wijs kunnen worden uitgelegd.↑204ἀνέπληκτος ἀνήρ. Dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten, die zich niet ligt uit het veld lieten slaan, daar zij de grootste ongerijmdheden durfden aannemen, om hun gevoelen door te drijven.↑205φαίνειis hier Attisch voorφαίνῃ, dus de tweede persoon enkelvoud. Overigens ziet men, dat deze geheele redenering gebouwd is op het schermen met het abstracte, dat is: het weglaten van nadere bepalingen der begrippen, waardoor zij verder gewijzigd worden, en op het niet in het oog houden van de ziel als bron van de eenheid der verschillende zinnelijke waarnemingen.↑206πελταστικὸς ἀνὴρ μισθοφόρος. Hiermede wordt een sophist aangeduid, daar die lieden vooral in vlugheid, of liever vlugtigheid uitmuntten, en, bij hun beoefenen van wetenschappelijke vraagstukken, altijd hun geldelijk[81]voordeel op het oog hadden. Overigens meene men niet, dat het toeschrijven dier tegenwerpingen aan sophisten, een bewijs is, datPlatode leer vanProtagorasgoedkeurde. Integendeel moet hierin een bewijs gezocht worden van zijne verachting voor die leer, daar hij te kennen geeft, dat de minste sophist haar gemakkelijk kon weêrleggen.↑207ταῦτά τε δὴ πάντα. Deze woorden staan in den accusativus, die afhangt vanἐρεῖ, dat uit de naastvorige woorden vanSocrateshier moet bijgedacht worden.↑208αὐτῷis een dativus commodi, waarin hier de hatelijke beteekenis ligt, dat de vrees van dat kindSocratesuitstekend te stade kwam.↑209De constructie is:ἐπειδὴ παίδιον τι ἐρωτηθὲν, εἰ οἷόν τε τὸν αὐτὸν ἅμα μεμνῆσαι καὶ μὴ εἰδέναι τὸ αὐτὸ, ἔδεισεν αὐτῷ.↑210Hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen.προορᾶνbeteekent eigenlijkvooruitzien. Wat moest nuTheaetetusvooruitgezien hebben? Immers dat, zoo hij ontkende, de leer vanProtagoraszou vallen. Edoch, wanneer hij dat ontkennen naliet, niet omdat hij wezenlijk overtuigd was, dat hij het moest nalaten, maar omdat zijne stelling daardoor vallen moest, dan was het doel der redekaveling niet, waarheid te zoeken, maar gelijk te hebben.↑211γέλωτα τὸν ἐμὲ. Datγέλωταvoorγέλοιονstaat, doch sterker is, daar hier de persoon, als eenzelvig met het gelach, als door en door bespottelijk wordt voorgesteld, is duidelijk genoeg. Het lidwoord echter voorἐμὲheeft meer zwarigheid.Stallbaumkomt mij voor, de waarheid vrij goed gevoeld te hebben.PlatolaatProtagoraszich zelven zoo naauwkeurig aanwijzen, om hem daardoor te doen aanduiden, dat de geheele strijd eigenlijk uit persoonlijkheid tegen hem ontstaan was.↑212De constructie is:δοκεῖς γάρ τινά σοι αὐτίκα ξυγχωρήσεσθαι μνήμην ὧν ἔπαθε οὖσαν πάθος τι τοιοῦτον, οἷον ὅτε ἔπασχε,παρεῖναιτῷ μηκέτι πάσχοντι.↑213γιγνομένους. Zeer juist heeftPlatohierγιγνομένους, nietὄνταςgebezigd, want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene oneindigheid daarstellen, dan kan dit alleen door eene oneindige reeks geschieden, die steeds wordt, maar nimmer voltooid is.↑214ἐξέλεγξον, ὡς οὐχὶ. Dit is eene constructio praegnans, daar uitἐξέλεγξονhetzijἀποδεικνύωνof een ander woord van dezelfde beteekenis moet ingevuld worden.↑215καὶ λέγω σοφόν. Ditκαὶis moeijelijk te verdedigen, tenzij er iets is uitgevallen, b. v.ὀνομάζωof iets dergelijks. Misschien echter is naκαὶ ἐγώuitgevallen, hetgeen door de overeenkomst in klank met het volgendeλέγωkan veroorzaakt wezen.↑216κατηγορητέον. Dit kan op twee wijzen verklaard worden, wantκατηγορέωbeteekent eigenlijkbeschuldigen, maar is later gebezigd vanhet toekennen eener eigenschapin het algemeen, vanwaar in de Aristotelische wijsbegeerte het woordκατηγορία,praedicamentum, gebezigd is, om de algemeene rubrieken aan te duiden, waaronder de verschillende hoedanigheden, die aan de dingen worden toegekend, begrepen zijn. Neemt men de laatste beteekenis, dan is alles duidelijk, want dan zegtPlatohier eenvoudig, dat men noch aan den zieken de eigenschap van domheid, noch aan den gezonden die van wijsheid moet toekennen; doch dit laatste gebruik is meer Aristotelisch dan Platonisch. Daarom geef ik de voorkeur aan de eerste beteekenis, die vanbeschuldigen, en verklaar dan den zin aldus, datPlatobij den zieken aan eigenlijk beschuldigen gedacht heeft, maar bij den gezonden uit het voorgaande beschuldigen een woord in de gedachte heeft ingevuld, dat tot beschuldigen in dezelfde reden staat, als wijsheid tot domheid. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.634., 3, 6.↑217ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ τὴν ἀμείνω. Deze spreekwijs is weder voor twee uitleggingen vatbaar, daar men namelijk ófἑτέραςkan vertalen: de andere dan de betere, dat is de slechtere, óf aannemen, datPlatobegonnen is, als had hij willen schrijven:ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ ἑτέραν, maar, omdat hierdoor alleen verandering, maar niet verandering ten goede zou aangeduid worden, in plaats vanἑτέραν, ἀμείνωgeschreven heeft.↑218Deze redenering komt hierop neder: Eene ware meening is zooals de zaken zijn; dus zijn de zaken, die werkelijk bestaan, haar voorwerp. Is nu hetgeen werkelijk bestaat, het voorwerp der ware meening, dan is, hetgeen niet werkelijk bestaat, het voorwerp der valsche. Edoch, wat niet bestaat, heeft geene eigenschappen, dus ook niet die van voorwerp eener meening te zijn. Dus heeft de valsche meening geen voorwerp. Dus bestaat zij niet, q. e. d. Het is naauwelijks noodig te doen opmerken, dat deze redenering verkeerd is, omdat zij het onderscheid over het hoofd ziet tusschen het bestaan van de meening en hare voorwerpen in den geest, en het buiten den geest aanwezig zijn van voorwerpen, die daarmede overeenkomen.↑219τοιαῦταstaat hier voorσυγγενῆ αὐτῆςen ziet opχρηστὴ, daar de goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is, als de kwade met den kwaden.↑220φαντάσματαhoort eigenlijk in den vorigen zin. ZieButtm., Gr. Gr. § 143. 4.↑221Er staat woordelijk: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de planten landbouwers. In dezen zin kon zulk eene constructie nog eenigzins toegelaten worden, maar zooPlatoeens gezegd had: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de zielen sophisten, dan zou dit, volgens de in de vertaling gevolgde wijs van verklaren, zeer juist geweest zijn, doch tevens aanleiding tot eene dubbelzinnigheid gegeven hebben, daar deze woorden, oppervlakkig beschouwd, den schijn zouden hebben, als werden daarin de wijzen naar ziel en ligchaam beschreven, daar dan ziel en ligchaam moeijelijk iets anders dan de ziel en het ligchaam der wijzen zou kunnen beteekenen. In den tekst is nu wel deze verklaarwijs niet mogelijk, doch dat zij hier niet kan toegelaten worden, blijkt niet uit den grammaticalen zamenhang, maar uit de ongerijmde resultaten, waartoe zij voeren zou. Dit meen ik als een gebrek inPlato’sstijl te dezer plaatse te moeten aanmerken.↑222Hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag, daar het goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet, maar daardoor zelf, als op zich zelf, onafhankelijk van de meening der menschen, goed of kwaad zijnde beschouwd wordt.↑223Dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden; namelijk, óf van het dulden van tegenspraak in het algemeen, óf van het toelaten der vragende methode, welke laatste doorSocratesgewoonlijk werd toegepast, dewijl hij daardoor de sophisten belette in lange redevoeringen door de kracht der welsprekendheid hunne toehoorders te misleiden. Vragen en lange redevoeringen staan dan ook bijPlatosteeds tegen elkander over, maarProtagorashad, zooals uit de naar hem genoemde zamenspraak kan blijken, van beiden zijn werk gemaakt.↑224ὡς ἀγωνιζόμενος—διαλεγόμενος. Dit sluit niet goed op elkander, daar de symmetrie vordertὡςóf tweemaal, óf in het geheel niet te schrijven. Ik verklaar mij voor het laatste, omdat hier niet aan eene vertooning, een spiegelgevecht, maar aan werkelijk redekavelen moet gedacht worden.↑225καὶ. Ik hebκαὶdoordaarvertaald, dewijl wij, omdat de periode naκαὶslechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is, hier het voegwoorddaarzouden verwachten, ofschoon de Griek zich vergenoegt met twee zulke perioden eenvoudig doorente verbinden, en het opmerken der nadere betrekking aan de scherpzinnigheid der lezers overlaat.↑226παρεκέκρουστο. Ik heb vroeger gemeend hierπεριεκέκρουστοte moeten lezen, en dacht dan om struikelingen, die door den teregtbrenger vroeger begaan waren, doch waarvan hij genezen was; maar nu houd ik het voor beter, hier te denken aan die struikelingen, welke de teregtbrenger aan den teregtgebragten verwijt. Dan is de zin deze: Hij zal hem niet in de war helpen, om hem dan later de fouten, die hij hem heeft laten doen, te verwijten, maar hij zal hem alleen de fouten, die hij van zelfs maakt, onder het oog brengen, daar het hier om waarheid, niet om gelijk hebben te doen is.↑227ἀποφανεῖς. Dit woord beteekent eigenlijk vertoonen, maar wordt van het ten toon stellen van eigen arbeid, en vandaar van den arbeid zelven gebezigd.↑228Dit laatste is duidelijk een paskwil opProtagoraszelven, wiens tegenwoordige leerlingTheodorusde wijsbegeerte voor de meetkunst had laten loopen. Over het geheel is, hetgeenSocrateshier uit naam vanProtagorasaan zich zelven voorschrijft, eigentlijk niet tegenSocratesgerigt, daar deze juist die regels opvolgde, maar tegen zijne tegenpartij, de sophisten, wien het om gelijk hebben, niet om waarheid te doen was. Men vergelijke hier de doorAristotelesvan eenen sophist gegevene bepaling:ἔστι γὰρ ἡ σοφιστικὴ φαινομένη σοφία, οὖσα δὲ μή. καὶ ὁ σοφιστὴς χρηματιστὴς ἀπὸ φαινομένης σοφίας, ἀλλ’ οὐκ οὔσης. (Soph. elench. 1. § 6.) d. i.: de Sophistiek is eene schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid, en een sophist is iemand, die zich door schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid zoekt rijk te maken.↑229Hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten. Onze meeste woorden, ja onze meeste begrippen, zijn zonder de noodige zaakkennis gevormd, waarvan het onvermijdelijk gevolg is, dat daaronder vele gebrekkige en valsche woorden en begrippen gevonden worden; weshalve het bij wijsgeerig onderzoek volstrekt noodig is, hierop naauwkeurig acht te geven, en het gewone niet dadelijk voor het werkelijk bekende te houden. Om hier met juistheid te werk te gaan, is eene genetische ontwikkeling vooral aan te bevelen. ZieTheod. Waitz,Grundlegung der Psychologie, p. 1–8.↑230De uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien, en zelfs gemeend, dat hier veranderingen noodzakelijk waren. Ik geloof echter, dat zulks onnoodig is, en dat debeteekenisvanbeginnenhier uitstekend op hare plaats is.Socratesgeeft te kennen, dat hij begonnen isProtagoraste verdedigen, daarmedeTheodoruszijdelings aansporende, om het daar niet bij te laten blijven, maar hetgeen hij begonnen had, verder te voltooijen.↑231λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου—καὶ ἀποκαλῶν διεκελεύσατο. Deze verbinding is vreemd, daar hier een gen. abs. met een werkwoord in de aantoonende wijs wordt verbonden. Zwarigheid is er echter niet in, daar de woordenλέγοντος τοῦ Πρωταγόρουop hetzelfde neerkomen, alsof er stond:ὅτε ἔλεγεν ὁ Πρωταγόρας.↑232Merkwaardig is de aardige wijs, waaropSocratesTheodorusin het gesprek weet in te wikkelen. Hierdoor wilPlatowaarschijnlijk te kennen geven, dat het hier volgend onderzoek van het hoogste gewigt is en eene groote rijpheid van oordeel vordert.↑233μέχρι τούτου αὐτοῦ. Ditαὐτοῦkan het best verklaard worden, door achterὀλίγον ἐπίσπουde woordenτῷ λόγῳin de gedachte in te voegen.↑234Σκίῤῥωνα. Ik heb gemeend, hierἈνταῖονte moeten lezen, daarScironin dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt, enPlatoin het volgende, nietSciron, maarAntaeusvermeldt, welke laatste hier met regt wordt aangehaald, daar hij al de voorbijgangers dwong, om met hem te worstelen. Zie overigens het aangeteekende op hoofdst. XVI., blz. 70 (1).↑235ἐκείνων. Ditἐκείνωνzou doen vermoeden, datScironin het overige op zijne plaats was, hetgeen door de vermelding[93]vanTheseus, die metScirongevochten heeft, bevestigd wordt. Met dat al komtScironin het vorige niet te pas, waarom ik lieverἐκείνωνopAntaeusen zijns gelijken in het algemeen laat slaan, en de vermelding vanTheseusbeschouw, als onwillekeurig voortgevloeid uit het nationaal gevoel vanPlato, dieHerculesnoemende, den grooten Atheenschen held niet kon voorbijgaan, terwijl dan daarom in het vorigeScirondoor een afschrijver ten onpas is ingevoegd.↑
185τῇδε: aldus als nu volgt. WanneerPlatoτῇδεbezigt, doelt hij meestal op de eerstvolgende redekaveling.↑
185τῇδε: aldus als nu volgt. WanneerPlatoτῇδεbezigt, doelt hij meestal op de eerstvolgende redekaveling.↑
186Namelijk op de betrekking tusschen kennis en gevoel.↑
186Namelijk op de betrekking tusschen kennis en gevoel.↑
187ἢ ἀκούειν τε καὶ ἐπίστασθαι. Hier moet uit het vorigeοὐ φήσομενeenvoudigφήσομενworden aangevuld, waaruit blijkt, datοὐ φημὶgeenszins onbepaald in de beteekenis van ontkennen gebruikt wordt, maar dat de Grieken wel degelijk in het taalgebruikοὐenφημὶals twee afzonderlijke[73]woorden beschouwden. Omtrent het gebruik vanοὐ φημὶmeen ik te moeten aanmerken, datοὐóf als bijwoord bijφημὶkan gebruikt worden, wanneer het eenvoudig beteekent: ik zeg niet, óf datοὐals het object vanφημὶkan aangemerkt worden, wanneer het beteekent: ik zeg neen, en vandaar: ik ontken.↑
187ἢ ἀκούειν τε καὶ ἐπίστασθαι. Hier moet uit het vorigeοὐ φήσομενeenvoudigφήσομενworden aangevuld, waaruit blijkt, datοὐ φημὶgeenszins onbepaald in de beteekenis van ontkennen gebruikt wordt, maar dat de Grieken wel degelijk in het taalgebruikοὐenφημὶals twee afzonderlijke[73]woorden beschouwden. Omtrent het gebruik vanοὐ φημὶmeen ik te moeten aanmerken, datοὐóf als bijwoord bijφημὶkan gebruikt worden, wanneer het eenvoudig beteekent: ik zeg niet, óf datοὐals het object vanφημὶkan aangemerkt worden, wanneer het beteekent: ik zeg neen, en vandaar: ik ontken.↑
188Namelijk:ἃοἱ βάρβαροι λέγουσι.↑
188Namelijk:ἃοἱ βάρβαροι λέγουσι.↑
189σωζόμενονis hier medium, even als hoofdst. IX. p. 153 B.↑
189σωζόμενονis hier medium, even als hoofdst. IX. p. 153 B.↑
190αὐτὸ τοῦτο, ὃ μέμνηται. Hierin is eene bijzondere[74]groote breedheid van stijl, daar dit zelfde reeds, in het begin van den volzin, door de woordenἔτι ἔχοντα μνήμην αὐτοῦis uitgedrukt. Dit wordt hier zoo uitvoerig behandeld, om duidelijk te doen uitkomen, dat hetdezelfdezaak is, die te gelijk onthouden en niet gekend moet worden.↑
190αὐτὸ τοῦτο, ὃ μέμνηται. Hierin is eene bijzondere[74]groote breedheid van stijl, daar dit zelfde reeds, in het begin van den volzin, door de woordenἔτι ἔχοντα μνήμην αὐτοῦis uitgedrukt. Dit wordt hier zoo uitvoerig behandeld, om duidelijk te doen uitkomen, dat hetdezelfdezaak is, die te gelijk onthouden en niet gekend moet worden.↑
191WanneerPlatozelf hetvorigete omslagtig vond, waarom liet hij het dan staan? Om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in het oog vallen, terwijl de hier gegevene kortere uitdrukking het vorige, tot gemakkelijker overzigt, nu nog eens in korte bewoordingen zamenvat. Deze wijze van doen heeft hare eigenaardige voordeelen, want eene korte, krachtige wijs van uitdrukken doet eene reeds begrepene stelling gemakkelijk in de gedachte blijven, maar is op zich zelve dikwijls niet duidelijk genoeg.↑
191WanneerPlatozelf hetvorigete omslagtig vond, waarom liet hij het dan staan? Om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in het oog vallen, terwijl de hier gegevene kortere uitdrukking het vorige, tot gemakkelijker overzigt, nu nog eens in korte bewoordingen zamenvat. Deze wijze van doen heeft hare eigenaardige voordeelen, want eene korte, krachtige wijs van uitdrukken doet eene reeds begrepene stelling gemakkelijk in de gedachte blijven, maar is op zich zelve dikwijls niet duidelijk genoeg.↑
192δεινὸςschijnt oorspronkelijkzeer grootte beteekenen, en vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk, als van uitstekend verkregen te hebben. Hier beteekent het eigenlijk ongeveer hetzelfde, als wanneer wij zeggen:zulk eene bewering is wat al te sterk.↑
192δεινὸςschijnt oorspronkelijkzeer grootte beteekenen, en vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk, als van uitstekend verkregen te hebben. Hier beteekent het eigenlijk ongeveer hetzelfde, als wanneer wij zeggen:zulk eene bewering is wat al te sterk.↑
193δεῖheeft hier den zin van eene logische, niet van eene morele noodzakelijkheid, daar hier alleen op het verband tusschen de twee beweringen gezien wordt.↑
193δεῖheeft hier den zin van eene logische, niet van eene morele noodzakelijkheid, daar hier alleen op het verband tusschen de twee beweringen gezien wordt.↑
194ὑποπτεύωkomt vanὑπόπτης, eigenlijkonderkijkend, dat is:die onder eens anders mantel ziet, of hij ook wapens bij zich heeft, vandaar;ergdenkend,wantrouwend.↑
194ὑποπτεύωkomt vanὑπόπτης, eigenlijkonderkijkend, dat is:die onder eens anders mantel ziet, of hij ook wapens bij zich heeft, vandaar;ergdenkend,wantrouwend.↑
195οὗπερ ὁρᾷ. Deze genitivus moet per attractionem verklaard[76]worden, tenzij men de lezingὁρῶνverkieze, die in sommige handschriften gevonden wordt, en om de grammaticale overeenkomst metἐπιστήμωνde voorkeur schijnt te verdienen. Deze lezing wordt ook door het genoegzaam onmiddellijk volgende:ὁ δέ γε ὁρῶν καὶ ἐπιστήμων γεγονὼςbevestigd.↑
195οὗπερ ὁρᾷ. Deze genitivus moet per attractionem verklaard[76]worden, tenzij men de lezingὁρῶνverkieze, die in sommige handschriften gevonden wordt, en om de grammaticale overeenkomst metἐπιστήμωνde voorkeur schijnt te verdienen. Deze lezing wordt ook door het genoegzaam onmiddellijk volgende:ὁ δέ γε ὁρῶν καὶ ἐπιστήμων γεγονὼςbevestigd.↑
196ἑκάτερονziet opτὸ ὁρᾷνenτὸ ἐπίστασθαι. ἄλλοbeteekent hierwat anders, namelijk, datτὸ ὁρᾷνwat anders is danτὸ ἐπίστασθαιen omgekeerd.↑
196ἑκάτερονziet opτὸ ὁρᾷνenτὸ ἐπίστασθαι. ἄλλοbeteekent hierwat anders, namelijk, datτὸ ὁρᾷνwat anders is danτὸ ἐπίστασθαιen omgekeerd.↑
197De constructie is:Ἀλλ’ ἐγὼ πειράσομαι δηλῶσαι ὅ γεδὴπερὶ αὐτῶν νοῶ. Overigens wordt hier de aor.δηλῶσαιduidelijk zonder eenig denkbeeld van tijd gebezigd, hetgeen vooral in den infinitivus zeer dikwijls met den aoristus plaats heeft.↑
197De constructie is:Ἀλλ’ ἐγὼ πειράσομαι δηλῶσαι ὅ γεδὴπερὶ αὐτῶν νοῶ. Overigens wordt hier de aor.δηλῶσαιduidelijk zonder eenig denkbeeld van tijd gebezigd, hetgeen vooral in den infinitivus zeer dikwijls met den aoristus plaats heeft.↑
198τοῦτο δ’ εἶναι ἀδύνατον. τοῦτοschijnt hier niet zoo zeer de accusativus cum infinitivo metεἶναιte zijn, als wel het object vanἀπεδείξαμεν, waarbijεἶναιter nadere[78]verklaring gevoegd is. Vele voorbeelden van den accusativus cum infinitivo schijnen op deze wijs verklaard te moeten worden.↑
198τοῦτο δ’ εἶναι ἀδύνατον. τοῦτοschijnt hier niet zoo zeer de accusativus cum infinitivo metεἶναιte zijn, als wel het object vanἀπεδείξαμεν, waarbijεἶναιter nadere[78]verklaring gevoegd is. Vele voorbeelden van den accusativus cum infinitivo schijnen op deze wijs verklaard te moeten worden.↑
199Dit was altijd een waagstuk, daarSocrates, dat isPlato, door alles wat voor de leer vanProtagoraskon gezegd worden, op te zoeken, eigenlijk zijne zaak in gevaar bragt. Men ziet hier de groote waarheidsliefde en vaste overtuiging, waarmedePlatote werk ging. Men vergelijke uit dit oogpunt, en ook in het geheel om de groote overeenkomst met den hier gevonden strijd, de polemiek vanEmile Saissettegen de stellige wijsbegeerte, in deRevue des deux mondesvan Julij 1846.↑
199Dit was altijd een waagstuk, daarSocrates, dat isPlato, door alles wat voor de leer vanProtagoraskon gezegd worden, op te zoeken, eigenlijk zijne zaak in gevaar bragt. Men ziet hier de groote waarheidsliefde en vaste overtuiging, waarmedePlatote werk ging. Men vergelijke uit dit oogpunt, en ook in het geheel om de groote overeenkomst met den hier gevonden strijd, de polemiek vanEmile Saissettegen de stellige wijsbegeerte, in deRevue des deux mondesvan Julij 1846.↑
200Calliaswas een groot voorstander vanProtagoras, zooals uit de zamenspraak vanPlato, die den naam vanProtagorasdraagt, blijken kan.↑
200Calliaswas een groot voorstander vanProtagoras, zooals uit de zamenspraak vanPlato, die den naam vanProtagorasdraagt, blijken kan.↑
201θᾶττον. De comparativus moet hier aldus verklaard worden: spoediger dan wij hadden moeten doen, zoo wij als vertegenwoordigers dier rigting wilden gelden.↑
201θᾶττον. De comparativus moet hier aldus verklaard worden: spoediger dan wij hadden moeten doen, zoo wij als vertegenwoordigers dier rigting wilden gelden.↑
202τοῖς ῥήμασι ᾗ. Hier wordtᾗals bijwoord gebruikt, en ziet tevens opῥήμασι. Deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met het Hollandschewaarmedevoormet welke.↑
202τοῖς ῥήμασι ᾗ. Hier wordtᾗals bijwoord gebruikt, en ziet tevens opῥήμασι. Deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met het Hollandschewaarmedevoormet welke.↑
203Dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder, datSocrateshet weêrleggen vanProtagorasstandpunt afkeurt, omdat de feiten, die tegen hem worden aangevoerd, door hem op eene zijn gevoelen begunstigende wijs kunnen worden uitgelegd.↑
203Dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder, datSocrateshet weêrleggen vanProtagorasstandpunt afkeurt, omdat de feiten, die tegen hem worden aangevoerd, door hem op eene zijn gevoelen begunstigende wijs kunnen worden uitgelegd.↑
204ἀνέπληκτος ἀνήρ. Dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten, die zich niet ligt uit het veld lieten slaan, daar zij de grootste ongerijmdheden durfden aannemen, om hun gevoelen door te drijven.↑
204ἀνέπληκτος ἀνήρ. Dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten, die zich niet ligt uit het veld lieten slaan, daar zij de grootste ongerijmdheden durfden aannemen, om hun gevoelen door te drijven.↑
205φαίνειis hier Attisch voorφαίνῃ, dus de tweede persoon enkelvoud. Overigens ziet men, dat deze geheele redenering gebouwd is op het schermen met het abstracte, dat is: het weglaten van nadere bepalingen der begrippen, waardoor zij verder gewijzigd worden, en op het niet in het oog houden van de ziel als bron van de eenheid der verschillende zinnelijke waarnemingen.↑
205φαίνειis hier Attisch voorφαίνῃ, dus de tweede persoon enkelvoud. Overigens ziet men, dat deze geheele redenering gebouwd is op het schermen met het abstracte, dat is: het weglaten van nadere bepalingen der begrippen, waardoor zij verder gewijzigd worden, en op het niet in het oog houden van de ziel als bron van de eenheid der verschillende zinnelijke waarnemingen.↑
206πελταστικὸς ἀνὴρ μισθοφόρος. Hiermede wordt een sophist aangeduid, daar die lieden vooral in vlugheid, of liever vlugtigheid uitmuntten, en, bij hun beoefenen van wetenschappelijke vraagstukken, altijd hun geldelijk[81]voordeel op het oog hadden. Overigens meene men niet, dat het toeschrijven dier tegenwerpingen aan sophisten, een bewijs is, datPlatode leer vanProtagorasgoedkeurde. Integendeel moet hierin een bewijs gezocht worden van zijne verachting voor die leer, daar hij te kennen geeft, dat de minste sophist haar gemakkelijk kon weêrleggen.↑
206πελταστικὸς ἀνὴρ μισθοφόρος. Hiermede wordt een sophist aangeduid, daar die lieden vooral in vlugheid, of liever vlugtigheid uitmuntten, en, bij hun beoefenen van wetenschappelijke vraagstukken, altijd hun geldelijk[81]voordeel op het oog hadden. Overigens meene men niet, dat het toeschrijven dier tegenwerpingen aan sophisten, een bewijs is, datPlatode leer vanProtagorasgoedkeurde. Integendeel moet hierin een bewijs gezocht worden van zijne verachting voor die leer, daar hij te kennen geeft, dat de minste sophist haar gemakkelijk kon weêrleggen.↑
207ταῦτά τε δὴ πάντα. Deze woorden staan in den accusativus, die afhangt vanἐρεῖ, dat uit de naastvorige woorden vanSocrateshier moet bijgedacht worden.↑
207ταῦτά τε δὴ πάντα. Deze woorden staan in den accusativus, die afhangt vanἐρεῖ, dat uit de naastvorige woorden vanSocrateshier moet bijgedacht worden.↑
208αὐτῷis een dativus commodi, waarin hier de hatelijke beteekenis ligt, dat de vrees van dat kindSocratesuitstekend te stade kwam.↑
208αὐτῷis een dativus commodi, waarin hier de hatelijke beteekenis ligt, dat de vrees van dat kindSocratesuitstekend te stade kwam.↑
209De constructie is:ἐπειδὴ παίδιον τι ἐρωτηθὲν, εἰ οἷόν τε τὸν αὐτὸν ἅμα μεμνῆσαι καὶ μὴ εἰδέναι τὸ αὐτὸ, ἔδεισεν αὐτῷ.↑
209De constructie is:ἐπειδὴ παίδιον τι ἐρωτηθὲν, εἰ οἷόν τε τὸν αὐτὸν ἅμα μεμνῆσαι καὶ μὴ εἰδέναι τὸ αὐτὸ, ἔδεισεν αὐτῷ.↑
210Hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen.προορᾶνbeteekent eigenlijkvooruitzien. Wat moest nuTheaetetusvooruitgezien hebben? Immers dat, zoo hij ontkende, de leer vanProtagoraszou vallen. Edoch, wanneer hij dat ontkennen naliet, niet omdat hij wezenlijk overtuigd was, dat hij het moest nalaten, maar omdat zijne stelling daardoor vallen moest, dan was het doel der redekaveling niet, waarheid te zoeken, maar gelijk te hebben.↑
210Hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen.προορᾶνbeteekent eigenlijkvooruitzien. Wat moest nuTheaetetusvooruitgezien hebben? Immers dat, zoo hij ontkende, de leer vanProtagoraszou vallen. Edoch, wanneer hij dat ontkennen naliet, niet omdat hij wezenlijk overtuigd was, dat hij het moest nalaten, maar omdat zijne stelling daardoor vallen moest, dan was het doel der redekaveling niet, waarheid te zoeken, maar gelijk te hebben.↑
211γέλωτα τὸν ἐμὲ. Datγέλωταvoorγέλοιονstaat, doch sterker is, daar hier de persoon, als eenzelvig met het gelach, als door en door bespottelijk wordt voorgesteld, is duidelijk genoeg. Het lidwoord echter voorἐμὲheeft meer zwarigheid.Stallbaumkomt mij voor, de waarheid vrij goed gevoeld te hebben.PlatolaatProtagoraszich zelven zoo naauwkeurig aanwijzen, om hem daardoor te doen aanduiden, dat de geheele strijd eigenlijk uit persoonlijkheid tegen hem ontstaan was.↑
211γέλωτα τὸν ἐμὲ. Datγέλωταvoorγέλοιονstaat, doch sterker is, daar hier de persoon, als eenzelvig met het gelach, als door en door bespottelijk wordt voorgesteld, is duidelijk genoeg. Het lidwoord echter voorἐμὲheeft meer zwarigheid.Stallbaumkomt mij voor, de waarheid vrij goed gevoeld te hebben.PlatolaatProtagoraszich zelven zoo naauwkeurig aanwijzen, om hem daardoor te doen aanduiden, dat de geheele strijd eigenlijk uit persoonlijkheid tegen hem ontstaan was.↑
212De constructie is:δοκεῖς γάρ τινά σοι αὐτίκα ξυγχωρήσεσθαι μνήμην ὧν ἔπαθε οὖσαν πάθος τι τοιοῦτον, οἷον ὅτε ἔπασχε,παρεῖναιτῷ μηκέτι πάσχοντι.↑
212De constructie is:δοκεῖς γάρ τινά σοι αὐτίκα ξυγχωρήσεσθαι μνήμην ὧν ἔπαθε οὖσαν πάθος τι τοιοῦτον, οἷον ὅτε ἔπασχε,παρεῖναιτῷ μηκέτι πάσχοντι.↑
213γιγνομένους. Zeer juist heeftPlatohierγιγνομένους, nietὄνταςgebezigd, want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene oneindigheid daarstellen, dan kan dit alleen door eene oneindige reeks geschieden, die steeds wordt, maar nimmer voltooid is.↑
213γιγνομένους. Zeer juist heeftPlatohierγιγνομένους, nietὄνταςgebezigd, want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene oneindigheid daarstellen, dan kan dit alleen door eene oneindige reeks geschieden, die steeds wordt, maar nimmer voltooid is.↑
214ἐξέλεγξον, ὡς οὐχὶ. Dit is eene constructio praegnans, daar uitἐξέλεγξονhetzijἀποδεικνύωνof een ander woord van dezelfde beteekenis moet ingevuld worden.↑
214ἐξέλεγξον, ὡς οὐχὶ. Dit is eene constructio praegnans, daar uitἐξέλεγξονhetzijἀποδεικνύωνof een ander woord van dezelfde beteekenis moet ingevuld worden.↑
215καὶ λέγω σοφόν. Ditκαὶis moeijelijk te verdedigen, tenzij er iets is uitgevallen, b. v.ὀνομάζωof iets dergelijks. Misschien echter is naκαὶ ἐγώuitgevallen, hetgeen door de overeenkomst in klank met het volgendeλέγωkan veroorzaakt wezen.↑
215καὶ λέγω σοφόν. Ditκαὶis moeijelijk te verdedigen, tenzij er iets is uitgevallen, b. v.ὀνομάζωof iets dergelijks. Misschien echter is naκαὶ ἐγώuitgevallen, hetgeen door de overeenkomst in klank met het volgendeλέγωkan veroorzaakt wezen.↑
216κατηγορητέον. Dit kan op twee wijzen verklaard worden, wantκατηγορέωbeteekent eigenlijkbeschuldigen, maar is later gebezigd vanhet toekennen eener eigenschapin het algemeen, vanwaar in de Aristotelische wijsbegeerte het woordκατηγορία,praedicamentum, gebezigd is, om de algemeene rubrieken aan te duiden, waaronder de verschillende hoedanigheden, die aan de dingen worden toegekend, begrepen zijn. Neemt men de laatste beteekenis, dan is alles duidelijk, want dan zegtPlatohier eenvoudig, dat men noch aan den zieken de eigenschap van domheid, noch aan den gezonden die van wijsheid moet toekennen; doch dit laatste gebruik is meer Aristotelisch dan Platonisch. Daarom geef ik de voorkeur aan de eerste beteekenis, die vanbeschuldigen, en verklaar dan den zin aldus, datPlatobij den zieken aan eigenlijk beschuldigen gedacht heeft, maar bij den gezonden uit het voorgaande beschuldigen een woord in de gedachte heeft ingevuld, dat tot beschuldigen in dezelfde reden staat, als wijsheid tot domheid. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.634., 3, 6.↑
216κατηγορητέον. Dit kan op twee wijzen verklaard worden, wantκατηγορέωbeteekent eigenlijkbeschuldigen, maar is later gebezigd vanhet toekennen eener eigenschapin het algemeen, vanwaar in de Aristotelische wijsbegeerte het woordκατηγορία,praedicamentum, gebezigd is, om de algemeene rubrieken aan te duiden, waaronder de verschillende hoedanigheden, die aan de dingen worden toegekend, begrepen zijn. Neemt men de laatste beteekenis, dan is alles duidelijk, want dan zegtPlatohier eenvoudig, dat men noch aan den zieken de eigenschap van domheid, noch aan den gezonden die van wijsheid moet toekennen; doch dit laatste gebruik is meer Aristotelisch dan Platonisch. Daarom geef ik de voorkeur aan de eerste beteekenis, die vanbeschuldigen, en verklaar dan den zin aldus, datPlatobij den zieken aan eigenlijk beschuldigen gedacht heeft, maar bij den gezonden uit het voorgaande beschuldigen een woord in de gedachte heeft ingevuld, dat tot beschuldigen in dezelfde reden staat, als wijsheid tot domheid. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.634., 3, 6.↑
217ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ τὴν ἀμείνω. Deze spreekwijs is weder voor twee uitleggingen vatbaar, daar men namelijk ófἑτέραςkan vertalen: de andere dan de betere, dat is de slechtere, óf aannemen, datPlatobegonnen is, als had hij willen schrijven:ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ ἑτέραν, maar, omdat hierdoor alleen verandering, maar niet verandering ten goede zou aangeduid worden, in plaats vanἑτέραν, ἀμείνωgeschreven heeft.↑
217ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ τὴν ἀμείνω. Deze spreekwijs is weder voor twee uitleggingen vatbaar, daar men namelijk ófἑτέραςkan vertalen: de andere dan de betere, dat is de slechtere, óf aannemen, datPlatobegonnen is, als had hij willen schrijven:ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ ἑτέραν, maar, omdat hierdoor alleen verandering, maar niet verandering ten goede zou aangeduid worden, in plaats vanἑτέραν, ἀμείνωgeschreven heeft.↑
218Deze redenering komt hierop neder: Eene ware meening is zooals de zaken zijn; dus zijn de zaken, die werkelijk bestaan, haar voorwerp. Is nu hetgeen werkelijk bestaat, het voorwerp der ware meening, dan is, hetgeen niet werkelijk bestaat, het voorwerp der valsche. Edoch, wat niet bestaat, heeft geene eigenschappen, dus ook niet die van voorwerp eener meening te zijn. Dus heeft de valsche meening geen voorwerp. Dus bestaat zij niet, q. e. d. Het is naauwelijks noodig te doen opmerken, dat deze redenering verkeerd is, omdat zij het onderscheid over het hoofd ziet tusschen het bestaan van de meening en hare voorwerpen in den geest, en het buiten den geest aanwezig zijn van voorwerpen, die daarmede overeenkomen.↑
218Deze redenering komt hierop neder: Eene ware meening is zooals de zaken zijn; dus zijn de zaken, die werkelijk bestaan, haar voorwerp. Is nu hetgeen werkelijk bestaat, het voorwerp der ware meening, dan is, hetgeen niet werkelijk bestaat, het voorwerp der valsche. Edoch, wat niet bestaat, heeft geene eigenschappen, dus ook niet die van voorwerp eener meening te zijn. Dus heeft de valsche meening geen voorwerp. Dus bestaat zij niet, q. e. d. Het is naauwelijks noodig te doen opmerken, dat deze redenering verkeerd is, omdat zij het onderscheid over het hoofd ziet tusschen het bestaan van de meening en hare voorwerpen in den geest, en het buiten den geest aanwezig zijn van voorwerpen, die daarmede overeenkomen.↑
219τοιαῦταstaat hier voorσυγγενῆ αὐτῆςen ziet opχρηστὴ, daar de goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is, als de kwade met den kwaden.↑
219τοιαῦταstaat hier voorσυγγενῆ αὐτῆςen ziet opχρηστὴ, daar de goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is, als de kwade met den kwaden.↑
220φαντάσματαhoort eigenlijk in den vorigen zin. ZieButtm., Gr. Gr. § 143. 4.↑
220φαντάσματαhoort eigenlijk in den vorigen zin. ZieButtm., Gr. Gr. § 143. 4.↑
221Er staat woordelijk: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de planten landbouwers. In dezen zin kon zulk eene constructie nog eenigzins toegelaten worden, maar zooPlatoeens gezegd had: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de zielen sophisten, dan zou dit, volgens de in de vertaling gevolgde wijs van verklaren, zeer juist geweest zijn, doch tevens aanleiding tot eene dubbelzinnigheid gegeven hebben, daar deze woorden, oppervlakkig beschouwd, den schijn zouden hebben, als werden daarin de wijzen naar ziel en ligchaam beschreven, daar dan ziel en ligchaam moeijelijk iets anders dan de ziel en het ligchaam der wijzen zou kunnen beteekenen. In den tekst is nu wel deze verklaarwijs niet mogelijk, doch dat zij hier niet kan toegelaten worden, blijkt niet uit den grammaticalen zamenhang, maar uit de ongerijmde resultaten, waartoe zij voeren zou. Dit meen ik als een gebrek inPlato’sstijl te dezer plaatse te moeten aanmerken.↑
221Er staat woordelijk: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de planten landbouwers. In dezen zin kon zulk eene constructie nog eenigzins toegelaten worden, maar zooPlatoeens gezegd had: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de zielen sophisten, dan zou dit, volgens de in de vertaling gevolgde wijs van verklaren, zeer juist geweest zijn, doch tevens aanleiding tot eene dubbelzinnigheid gegeven hebben, daar deze woorden, oppervlakkig beschouwd, den schijn zouden hebben, als werden daarin de wijzen naar ziel en ligchaam beschreven, daar dan ziel en ligchaam moeijelijk iets anders dan de ziel en het ligchaam der wijzen zou kunnen beteekenen. In den tekst is nu wel deze verklaarwijs niet mogelijk, doch dat zij hier niet kan toegelaten worden, blijkt niet uit den grammaticalen zamenhang, maar uit de ongerijmde resultaten, waartoe zij voeren zou. Dit meen ik als een gebrek inPlato’sstijl te dezer plaatse te moeten aanmerken.↑
222Hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag, daar het goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet, maar daardoor zelf, als op zich zelf, onafhankelijk van de meening der menschen, goed of kwaad zijnde beschouwd wordt.↑
222Hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag, daar het goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet, maar daardoor zelf, als op zich zelf, onafhankelijk van de meening der menschen, goed of kwaad zijnde beschouwd wordt.↑
223Dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden; namelijk, óf van het dulden van tegenspraak in het algemeen, óf van het toelaten der vragende methode, welke laatste doorSocratesgewoonlijk werd toegepast, dewijl hij daardoor de sophisten belette in lange redevoeringen door de kracht der welsprekendheid hunne toehoorders te misleiden. Vragen en lange redevoeringen staan dan ook bijPlatosteeds tegen elkander over, maarProtagorashad, zooals uit de naar hem genoemde zamenspraak kan blijken, van beiden zijn werk gemaakt.↑
223Dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden; namelijk, óf van het dulden van tegenspraak in het algemeen, óf van het toelaten der vragende methode, welke laatste doorSocratesgewoonlijk werd toegepast, dewijl hij daardoor de sophisten belette in lange redevoeringen door de kracht der welsprekendheid hunne toehoorders te misleiden. Vragen en lange redevoeringen staan dan ook bijPlatosteeds tegen elkander over, maarProtagorashad, zooals uit de naar hem genoemde zamenspraak kan blijken, van beiden zijn werk gemaakt.↑
224ὡς ἀγωνιζόμενος—διαλεγόμενος. Dit sluit niet goed op elkander, daar de symmetrie vordertὡςóf tweemaal, óf in het geheel niet te schrijven. Ik verklaar mij voor het laatste, omdat hier niet aan eene vertooning, een spiegelgevecht, maar aan werkelijk redekavelen moet gedacht worden.↑
224ὡς ἀγωνιζόμενος—διαλεγόμενος. Dit sluit niet goed op elkander, daar de symmetrie vordertὡςóf tweemaal, óf in het geheel niet te schrijven. Ik verklaar mij voor het laatste, omdat hier niet aan eene vertooning, een spiegelgevecht, maar aan werkelijk redekavelen moet gedacht worden.↑
225καὶ. Ik hebκαὶdoordaarvertaald, dewijl wij, omdat de periode naκαὶslechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is, hier het voegwoorddaarzouden verwachten, ofschoon de Griek zich vergenoegt met twee zulke perioden eenvoudig doorente verbinden, en het opmerken der nadere betrekking aan de scherpzinnigheid der lezers overlaat.↑
225καὶ. Ik hebκαὶdoordaarvertaald, dewijl wij, omdat de periode naκαὶslechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is, hier het voegwoorddaarzouden verwachten, ofschoon de Griek zich vergenoegt met twee zulke perioden eenvoudig doorente verbinden, en het opmerken der nadere betrekking aan de scherpzinnigheid der lezers overlaat.↑
226παρεκέκρουστο. Ik heb vroeger gemeend hierπεριεκέκρουστοte moeten lezen, en dacht dan om struikelingen, die door den teregtbrenger vroeger begaan waren, doch waarvan hij genezen was; maar nu houd ik het voor beter, hier te denken aan die struikelingen, welke de teregtbrenger aan den teregtgebragten verwijt. Dan is de zin deze: Hij zal hem niet in de war helpen, om hem dan later de fouten, die hij hem heeft laten doen, te verwijten, maar hij zal hem alleen de fouten, die hij van zelfs maakt, onder het oog brengen, daar het hier om waarheid, niet om gelijk hebben te doen is.↑
226παρεκέκρουστο. Ik heb vroeger gemeend hierπεριεκέκρουστοte moeten lezen, en dacht dan om struikelingen, die door den teregtbrenger vroeger begaan waren, doch waarvan hij genezen was; maar nu houd ik het voor beter, hier te denken aan die struikelingen, welke de teregtbrenger aan den teregtgebragten verwijt. Dan is de zin deze: Hij zal hem niet in de war helpen, om hem dan later de fouten, die hij hem heeft laten doen, te verwijten, maar hij zal hem alleen de fouten, die hij van zelfs maakt, onder het oog brengen, daar het hier om waarheid, niet om gelijk hebben te doen is.↑
227ἀποφανεῖς. Dit woord beteekent eigenlijk vertoonen, maar wordt van het ten toon stellen van eigen arbeid, en vandaar van den arbeid zelven gebezigd.↑
227ἀποφανεῖς. Dit woord beteekent eigenlijk vertoonen, maar wordt van het ten toon stellen van eigen arbeid, en vandaar van den arbeid zelven gebezigd.↑
228Dit laatste is duidelijk een paskwil opProtagoraszelven, wiens tegenwoordige leerlingTheodorusde wijsbegeerte voor de meetkunst had laten loopen. Over het geheel is, hetgeenSocrateshier uit naam vanProtagorasaan zich zelven voorschrijft, eigentlijk niet tegenSocratesgerigt, daar deze juist die regels opvolgde, maar tegen zijne tegenpartij, de sophisten, wien het om gelijk hebben, niet om waarheid te doen was. Men vergelijke hier de doorAristotelesvan eenen sophist gegevene bepaling:ἔστι γὰρ ἡ σοφιστικὴ φαινομένη σοφία, οὖσα δὲ μή. καὶ ὁ σοφιστὴς χρηματιστὴς ἀπὸ φαινομένης σοφίας, ἀλλ’ οὐκ οὔσης. (Soph. elench. 1. § 6.) d. i.: de Sophistiek is eene schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid, en een sophist is iemand, die zich door schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid zoekt rijk te maken.↑
228Dit laatste is duidelijk een paskwil opProtagoraszelven, wiens tegenwoordige leerlingTheodorusde wijsbegeerte voor de meetkunst had laten loopen. Over het geheel is, hetgeenSocrateshier uit naam vanProtagorasaan zich zelven voorschrijft, eigentlijk niet tegenSocratesgerigt, daar deze juist die regels opvolgde, maar tegen zijne tegenpartij, de sophisten, wien het om gelijk hebben, niet om waarheid te doen was. Men vergelijke hier de doorAristotelesvan eenen sophist gegevene bepaling:ἔστι γὰρ ἡ σοφιστικὴ φαινομένη σοφία, οὖσα δὲ μή. καὶ ὁ σοφιστὴς χρηματιστὴς ἀπὸ φαινομένης σοφίας, ἀλλ’ οὐκ οὔσης. (Soph. elench. 1. § 6.) d. i.: de Sophistiek is eene schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid, en een sophist is iemand, die zich door schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid zoekt rijk te maken.↑
229Hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten. Onze meeste woorden, ja onze meeste begrippen, zijn zonder de noodige zaakkennis gevormd, waarvan het onvermijdelijk gevolg is, dat daaronder vele gebrekkige en valsche woorden en begrippen gevonden worden; weshalve het bij wijsgeerig onderzoek volstrekt noodig is, hierop naauwkeurig acht te geven, en het gewone niet dadelijk voor het werkelijk bekende te houden. Om hier met juistheid te werk te gaan, is eene genetische ontwikkeling vooral aan te bevelen. ZieTheod. Waitz,Grundlegung der Psychologie, p. 1–8.↑
229Hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten. Onze meeste woorden, ja onze meeste begrippen, zijn zonder de noodige zaakkennis gevormd, waarvan het onvermijdelijk gevolg is, dat daaronder vele gebrekkige en valsche woorden en begrippen gevonden worden; weshalve het bij wijsgeerig onderzoek volstrekt noodig is, hierop naauwkeurig acht te geven, en het gewone niet dadelijk voor het werkelijk bekende te houden. Om hier met juistheid te werk te gaan, is eene genetische ontwikkeling vooral aan te bevelen. ZieTheod. Waitz,Grundlegung der Psychologie, p. 1–8.↑
230De uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien, en zelfs gemeend, dat hier veranderingen noodzakelijk waren. Ik geloof echter, dat zulks onnoodig is, en dat debeteekenisvanbeginnenhier uitstekend op hare plaats is.Socratesgeeft te kennen, dat hij begonnen isProtagoraste verdedigen, daarmedeTheodoruszijdelings aansporende, om het daar niet bij te laten blijven, maar hetgeen hij begonnen had, verder te voltooijen.↑
230De uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien, en zelfs gemeend, dat hier veranderingen noodzakelijk waren. Ik geloof echter, dat zulks onnoodig is, en dat debeteekenisvanbeginnenhier uitstekend op hare plaats is.Socratesgeeft te kennen, dat hij begonnen isProtagoraste verdedigen, daarmedeTheodoruszijdelings aansporende, om het daar niet bij te laten blijven, maar hetgeen hij begonnen had, verder te voltooijen.↑
231λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου—καὶ ἀποκαλῶν διεκελεύσατο. Deze verbinding is vreemd, daar hier een gen. abs. met een werkwoord in de aantoonende wijs wordt verbonden. Zwarigheid is er echter niet in, daar de woordenλέγοντος τοῦ Πρωταγόρουop hetzelfde neerkomen, alsof er stond:ὅτε ἔλεγεν ὁ Πρωταγόρας.↑
231λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου—καὶ ἀποκαλῶν διεκελεύσατο. Deze verbinding is vreemd, daar hier een gen. abs. met een werkwoord in de aantoonende wijs wordt verbonden. Zwarigheid is er echter niet in, daar de woordenλέγοντος τοῦ Πρωταγόρουop hetzelfde neerkomen, alsof er stond:ὅτε ἔλεγεν ὁ Πρωταγόρας.↑
232Merkwaardig is de aardige wijs, waaropSocratesTheodorusin het gesprek weet in te wikkelen. Hierdoor wilPlatowaarschijnlijk te kennen geven, dat het hier volgend onderzoek van het hoogste gewigt is en eene groote rijpheid van oordeel vordert.↑
232Merkwaardig is de aardige wijs, waaropSocratesTheodorusin het gesprek weet in te wikkelen. Hierdoor wilPlatowaarschijnlijk te kennen geven, dat het hier volgend onderzoek van het hoogste gewigt is en eene groote rijpheid van oordeel vordert.↑
233μέχρι τούτου αὐτοῦ. Ditαὐτοῦkan het best verklaard worden, door achterὀλίγον ἐπίσπουde woordenτῷ λόγῳin de gedachte in te voegen.↑
233μέχρι τούτου αὐτοῦ. Ditαὐτοῦkan het best verklaard worden, door achterὀλίγον ἐπίσπουde woordenτῷ λόγῳin de gedachte in te voegen.↑
234Σκίῤῥωνα. Ik heb gemeend, hierἈνταῖονte moeten lezen, daarScironin dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt, enPlatoin het volgende, nietSciron, maarAntaeusvermeldt, welke laatste hier met regt wordt aangehaald, daar hij al de voorbijgangers dwong, om met hem te worstelen. Zie overigens het aangeteekende op hoofdst. XVI., blz. 70 (1).↑
234Σκίῤῥωνα. Ik heb gemeend, hierἈνταῖονte moeten lezen, daarScironin dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt, enPlatoin het volgende, nietSciron, maarAntaeusvermeldt, welke laatste hier met regt wordt aangehaald, daar hij al de voorbijgangers dwong, om met hem te worstelen. Zie overigens het aangeteekende op hoofdst. XVI., blz. 70 (1).↑
235ἐκείνων. Ditἐκείνωνzou doen vermoeden, datScironin het overige op zijne plaats was, hetgeen door de vermelding[93]vanTheseus, die metScirongevochten heeft, bevestigd wordt. Met dat al komtScironin het vorige niet te pas, waarom ik lieverἐκείνωνopAntaeusen zijns gelijken in het algemeen laat slaan, en de vermelding vanTheseusbeschouw, als onwillekeurig voortgevloeid uit het nationaal gevoel vanPlato, dieHerculesnoemende, den grooten Atheenschen held niet kon voorbijgaan, terwijl dan daarom in het vorigeScirondoor een afschrijver ten onpas is ingevoegd.↑
235ἐκείνων. Ditἐκείνωνzou doen vermoeden, datScironin het overige op zijne plaats was, hetgeen door de vermelding[93]vanTheseus, die metScirongevochten heeft, bevestigd wordt. Met dat al komtScironin het vorige niet te pas, waarom ik lieverἐκείνωνopAntaeusen zijns gelijken in het algemeen laat slaan, en de vermelding vanTheseusbeschouw, als onwillekeurig voortgevloeid uit het nationaal gevoel vanPlato, dieHerculesnoemende, den grooten Atheenschen held niet kon voorbijgaan, terwijl dan daarom in het vorigeScirondoor een afschrijver ten onpas is ingevoegd.↑