Chapter 7

So.Gij houdt u goed,Theaetetus! Maar is dan[197]het al niet juist dàn het al, wanneer er niets aan ontbreekt?Theaet.Noodzakelijk.So.En is nu het geheel niet juist datzelfde, waaraan volstrekt niets ontbreekt? en waar iets aan ontbreekt, dat is immers noch het geheel noch het al, zoodat die twee uit hetzelfde ontstaande, hetzelfde zijn?Theaet.Nu geloof ik ook, dat het geheel en het al volstrekt niet verschillen469.So.Zeiden wij niet, dat, waar deelen zijn, het geheel en het al, al de deelen zijn470?[198]Theaet.Ja zeker.So.Zeg mij dan nu nog eens, of het niet, gelijk ik daar zoo reeds begon te zeggen, noodig is, dat zoo de lettergreep niet de letters is, zij die letters niet als hare deelen heeft, of dat zij, hetzelfde als die deelen zijnde, evenzeer als dezelve kenbaar is?Theaet.Juist.So.Hebben wij niet, om dit te vermijden, haar als iets anders beschouwd?Theaet.Ja.So.Maar wat dan? zoo de letters niet de deelen der lettergreep zijn, kunt gij dan eenige andere dingen noemen, die wel de deelen zijn der lettergreep, maar toch niet hare letters?Theaet.Wel neen! want,Socrates! zoo ik toestemde, dat zij deelen heeft, dan zou het zot zijn de letters te laten loopen en andere te zoeken.So.Dus zou dan,Theaetetus! volgens de tegenwoordige redekaveling de lettergreep ééne ondeelbare zaak471zijn.Theaet.Het schijnt zoo.[199]So.Herinnert gij u nu, mijn vriend! dat wij daareven als goed gezegd aannamen, dat er geene bepaling is van de grondbestanddeelen, waaruit de andere dingen zijn zamengesteld, omdat ieder op zich zelf niet zamengesteld is; en dat het niet eens goed is, daaraanhet zijnofhet dit472toe te schrijven, daar er dan iets anders en vreemds van gezegd wordt, en dat die oorzaak het onbepaalbaar en onkenbaar maakt?Theaet.Ja, dit herinner ik mij.So.Maar is er [van die onbepaalbaarheid en onkenbaarheid] nu wel eene andere oorzaak, dan deze: dat zij enkelvoudig en ondeelbaar zijn? ik althans zie geene andere.Theaet.Er schijnt dan ook geene andere te wezen.So.Dus is dan de verbinding van dezelfde soort als die dingen geworden, zoo zij geene deelen heeft en enkelvoudig is473.[200]Theaet.Zeer zeker.So.Zoo dus de verbinding vele grondbestanddeelen en een geheel is, en die grondbestanddeelen hare deelen zijn, dan zijn de verbindingen even zoo kenbaar en bepaalbaar474als de grondbestanddeelen, nademaal al de deelen hetzelfde blijken te zijn als het geheel.Theaet.Ongetwijfeld.So.Maar zoo zij één en ondeelbaar is, dan is de verbinding even zoo zeer als het grondbestanddeel onbepaalbaar en onkenbaar; want dezelfde oorzaak zal wel dezelfde gevolgen te weeg brengen.Theaet.Het is niet anders.So.Laten wij het dus niet aannemen, wanneer iemand de verbinding voor kenbaar en bepaalbaar, en het grondbestanddeel voor het tegendeel verklaart.Theaet.Zeker niet, zoo wij althans aan de redekaveling gehoor geven.So.Maar wat dan? zoudt gij niet veeleer, wegens hetgeen gij weet [dat] u bij het leeren lezen [gebeurd is], het tegengestelde aannemen?Theaet.Wat meent gij?So.Dat gij een geruimen tijd niets anders gedaan475[201]hebt, dan trachten om de letters ieder op zich zelve door het gezigt en het gehoor te onderkennen, opdat gij niet in de war zoudt komen bij hare plaatsing in het spreken of schrijven.Theaet.Gij zegt volkomen de waarheid.So.En was op school bij den muzijkmeester het volmaakt kennen [van uwe les] wel iets anders dan bij iederen toon te kunnen aangeven, van welke snaar zij was? en ieder zal toch toestemmen, dat dit de grondbestanddeelen der muzijk genoemd worden.Theaet.Niets anders.So.Zoo wij dus van de ons bekende bestanddeelen en verbindingen tot de andere mogen besluiten, dan moeten wij zeggen, dat die soort van dingen, waartoe de grondbestanddeelen behooren, eene veel meer klaarblijkelijke en gewigtige476kennis dan de verbinding aanbrengt, tot het volkomen verkrijgen van elke kennis; en zoo iemand zegt, dat de verbinding wel kenbaar is, maar het beginsel niet, dan moeten wij oordeelen, dat hij vrijwillig of onwillekeurig zotteklap spreekt.Theaet.Zeer zeker.XLII.So.Hiervan zouden echter, naar mijn inzien, nog wel andere bewijzen te vinden zijn; maar wij[202]moeten ons daardoor niet laten aftrekken van ons onderzoek, wat het toch zeggen wil, dat bepaling, bij ware meening komende, de volmaakte477kennis doet ontstaan.Theaet.Wij moeten dat dan beschouwen.So.Komaan dan! wat wil dat woordbepaling478hier te kennen geven? Naar mijne meening één van drie.Theaet.Van welke?So.Vooreerst zou het wezen: zijne gedachte door de stem met behulp van woorden en namen te openbaren, en zoo zijne meening, als het ware in eenen spiegel of in het water, te weêrkaatsen in de stem. Of houdt gij de bepaling niet voor zoo iets?Theaet.Ja; wij zeggen van hem, die dat doet, dat hij eene bepaling van zijne meening geeft479.[203]So.Maar is dan niet ieder, die niet stom of doof geboren is, in staat, om te kennen te geven, hoe hij ergens over denkt, zoodat allen, die ware meening hebben, dan daar de bepaling bij hebben, en er nergens ware meening zonder kennis gevonden wordt480?Theaet.Dat is waar.So.Laat ons echter hem, die de kennis op de ons bezighoudende wijze bepaald heeft, niet ligtvaardig vonnissen. Misschien toch meende hij er niet dit mede, maar dat men, op de vraag, wat ieder ding is, door het opgeven der grondbestanddeelen kan antwoorden.Theaet.Hoe meent gij dat,Socrates?So.Zoo als bij voorbeeldHesiodusvan een’ wagen zegt: „de bestanddeelen van eenen wagen zijn honderd.” Die zou ik wel niet kunnen opgeven, en gij, denk ik, evenmin; maar wij zouden op de vraag, wat een wagen is, heel tevreden zijn met het antwoord: wielen, eene as, een bovenstuk, zijstukken, een juk.Theaet.Wel zeker.So.Maar hij zou misschien oordeelen, dat wij even bespottelijk waren, als zoo wij, naar uwen naam[204]gewaagd zijnde, deszelfs lettergrepen opnoemden, en nu meenden, dat wij een taalkundig antwoord gaven en den naamTheaetetusbepaalden; want dat men van geen ding met kennis spreekt, zoo men het niet uit grondbestanddeelen met ware meening zamenstelt, zoo als ook daareven reeds gezegd is.Theaet.Ja.So.En dat wij aldus ook over eenen wagen wel ware meening hebben, maar dat hij, die zijne wezenheid naar zijne honderd stukken beschrijven kan, daardoor bepaling bij de ware meening verkregen heeft, en van ware meening tot kennis en begrip van de wezenheid eens wagens is opgeklommen, door het geheel uit de deelen zamen te stellen.Theaet.Maar vindt gij dat oordeel niet juist,Socrates?So.Zeg eens, mijn beste! of gij het zoo vindt, en toestemt, dat de bepaling eener zaak bestaat in het volledig opgeven harer grondbestanddeelen, terwijl het opgeven van derzelver [eerste] verbindingen of van nog grooter stukken nog geene bepaling is?Theaet.Wel zeker stem ik dat toe.So.Maar houdt gij dan iemand voor een’ kenner van iets, wanneer hetzelfde hem dan eens tot dit, en dan weer tot dat schijnt te behooren, of wanneer hij dan eens dit, en dan eens dat aan hetzelfde toeschrijft?Theaet.Wel neen ik.So.En is het u dan ontschoten, hoe gij en uwe makkers bij het leeren lezen in den beginne juist zoo gedaan hebt?Theaet.Meent gij, dat wij in dezelfde lettergreep dan deze en dan die letter meenden te zien, en dezelfde[205]letter dan eens in de goede, dan eens in eene verkeerde lettergreep plaatsten.So.Dat meen ik.Theaet.Neen waarlijk, dat is mij niet ontschoten, en ik geloof ook niet, dat zij, die zoo gesteld zijn, kennis bezitten.So.Wat dan? wanneer iemand, in dien tijdTheaetetusschrijvende,t,henemeent te moeten schrijven en schrijft; maarTheodoruswillende schrijven,tenemeent te moeten schrijven en schrijft; zullen wij dan zeggen, dat hij de eerste lettergreep van uw beider namen kent?Theaet.Maar wij hebben daareven beredeneerd, dat die zoo gesteld is, nog geene kennis bezit.So.Verhindert hem dan wel iets, om even zoo omtrent de tweede, derde en vierde lettergreep gesteld te zijn?Theaet.Wel neen.So.Maar zal hij niet, in het eerste geval de letters allen bijeenhebbende, met ware meeningTheaetetusschrijven, wanneer hij ze naar volgorde schrijft?Theaet.Natuurlijk.So.Dus zonder nog te kennen, maar, zooals wij zeiden, met ware meening?Theaet.Ja.So.Edoch bepaling en ware meening hebbende. Want schrijvende, stelde hij het woord uit de grondbestanddeelen zamen, en dat noemden wij bepaling.Theaet.Dat is waar.So.Dus, mijn beste! is er eene ware meening met bepaling, die wij nog geen kennis kunnen noemen.[206]Theaet.Dat schijnt zoo.XLIII.So.Dus hebben, wij ons, naar het schijnt, met een schaduwbeeld gevleid, toen, wij meenden de juiste bepaling der kennis te bezitten. Maar wacht! wij kunnen nog geen vonnis vellen. Want misschien zal iemand het niet zóó bepalen, maar de laatste kiezen der drie verklaringen, waarvoor wij zeiden, dat de bepaling der kennis als ware meening met bepaling vatbaar is.Theaet.Gij doet wel, mij daaraan te herinneren, want er is nog ééne over. De eerste toch was het als het ware afbeelden der gedachte in de spraak, de tweede de daareven besprokene samenstelling des geheels uit de grondbestanddeelen, en de derde?So.Wat de meesten zouden zeggen, [namelijk:] in staat te zijn eenig teeken te zeggen, waardoor het gevraagde van alle andere dingen onderscheiden wordt.Theaet.En kunt gij mij zulk eene bepaling ergens van geven481?So.Bij voorbeeld, zoo gij wilt, meen ik u de zon genoeg uitgeduid te hebben, zoo ik zeg, dat zij het schitterendste hemellicht is, dat rond de aarde loopt482.[207]Theaet.Wel zeker.So.Hoor dan nu eens, waarom dit gezegd is. Het is, wat wij daareven zeiden, dat, zoo gij van eenig ding het verschil, waardoor het van de anderen onderscheiden is, vatten kunt, gij volgens sommigen eene bepaling hebt; maar dat, zoo lang gij iets vat, dat aan velen gemeen is, gij slechts in het algemeen spreken kunt over de dingen, die door dat algemeene omvat worden.Theaet.Nu begrijp ik het, en ik geloof, dat het goed is, zoo iets bepaling te noemen.So.En hij nu, die bij de ware meening over eenig ding het verschil van de andere bekomt, zal dan datgene kennen, waaromtrent hij te voren slechts meening koesterde.Theaet.Zoo zeggen wij dat het is.So.Waarlijk,Theaetetus! het gaat mij met die uitspraak als met een schijnbedrog483; nu ik er nader[208]bij kom, begrijp ik er niet het minste van; hoewel ik, uit de verte oordeelende, meende, dat er heel wat gezegd was.Theaet.Hoe dat?So.Ik zal het zeggen, zoo ik er toe in staat ben. Wanneer ik ware meening over u koester en uwe bepaling er bij bekom, dan ken ik u; maar zoo niet, dan breng ik het niet verder dan meening.Theaet.Ja.So.En de bepaling was het aanduiden van hetgeen, waardoor gij onderscheiden zijt?[209]Theaet.Juist.So.Maar toen ik slechts meening koesterde, vatte ik dan toen met mijn verstand niets van hetgeen waardoor gij van anderen onderscheiden zijt?Theaet.Het schijnt van neen.So.Dus vatte ik slechts het gemeenschappelijke, dat gij volstrekt niet méér hebt dan een ander.Theaet.Natuurlijk.So.Komaan dan, bijZeus! hoe meende ik dan in dat geval u meer dan iemand anders? Want stel eens, dat ik dacht, datTheaetetuseen mensch is, en een neus, oogen, een mond, enz. heeft. Zal zulk eene gedachte mij meerTheaetetus, danTheodorus, of, zooals men zegt, den geringsten Mysiër doen denken?Theaet.Wel neen.So.Maar zoo ik nu niet alleen iemand denk, die een neus en oogen heeft, maar ook iemand met een platten neus en uitpuilende oogen, zal ik dan meer u meenen, dan mij zelven of anderen van dat uiterlijk?Theaet.Volstrekt niet.So.MaarTheaetetuszal, denk ik, niet voor mijnen geest staan, voordat die platneuzigheid een van de anderen, die ik gezien heb, verschillend kenmerk in mijn geest heeft geprent, en uwe andere ligchaamsdeelen evenzoo, waardoor zij mij, ook zoo ik u morgen tegenkom, aan u herinneren en ware meening over u doen koesteren.Theaet.Dat is volkomen waar.So.Dus zou dan ook de ware meening over eenig ding het onderscheid tot voorwerp hebben.[210]Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar wat zou dan het bekomen van bepaling bij de ware meening beduiden? want zoo het beteekent er datgene bij te meenen, waardoor iets van het overige verschilt, dan is dat een allergekst voorschrift.Theaet.Hoe zoo?So.Het schrijft ons dan voor, van die dingen, waaromtrent wij ware meening aangaande hun onderscheid van het overige hebben, ware meening aangaande hun onderscheid van het overige te bekomen. En zoo zou dan, in dat voorschrift, het omwinden met de scytala of het bovenstuk484, of hoe het ook heet, niets te beduiden hebben, maar veeleer de raadgeving van een blinde zijn; want het voorschrift, dat wij, hetgeen wij [reeds] hebben, er bij nemen moeten, om wat wij meenen, te leeren kennen, heeft waarlijk veel van in den blinde rond te tasten.Theaet.Maar zeg dan nu eens, wat gij daareven woudt vragen.So.Jongelief! zoo het bekomen van eene bepaling ons voorschrijft, het onderscheid te kennen en niet te[211]meenen, dan zou het er gek uitzien met die fraaije redenering over de kennis; want het kennen is toch het bezitten van kennis, niet waar?Theaet.Ja.So.Zij zal dus op de vraag, wat kennis is, ten antwoord geven, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid. Want volgens haar zou dit de beteekenis van het bekomen van kennis zijn.Theaet.Het schijnt zoo.So.En het is dan ook waarlijk onnoozel, nu wij de kennis onderzoeken, te zeggen, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid of van wat dan ook. Dus,Theaetetus! kan noch gevoel, noch ware meening, noch ware meening met bepaling kennis wezen485.Theaet.Het schijnt van neen.So.Zijn wij nu nog zwanger, mijn waarde! en[212]in barensnood over de kennis, of hebben wij alles ten einde toe gebaard?Theaet.Waarlijk, bijZeus! door uwe hulp heb ik meer gezegd dan in mij was.So.En zegt nu de vroedkunst ons niet, dat dit alles winderig en de opvoeding niet waardig is?Theaet.Ongetwijfeld.XLIV.So.Theaetetus!zoo gij nu hierna nog van iets anders poogt zwanger te worden, en zoo u dat gelukt, zult gij, ten gevolge van het onderzoek van heden, van betere dingen zwanger zijn; en zoo het u niet gelukt, zult gij minder lastig en handelbaarder zijn voor uwe bekenden, daar gij bescheiden uwe onkunde van hetgeen gij niet weet zult erkennen. Dit toch is het eenigste, dat mijne kunst vermag, meer niet; daar ik niets versta van datgene, waardoor anderen zich aanzien en roem hebben weten te bezorgen. Deze vroedkunst echter hebben ik en mijne moeder van de goden ontvangen; zij om vrouwen, ik om jongelingen van edelen inborst en schoone gedaante te verlossen486. Nu moet ik mij naar de koninklijke gaanderij487begeven, wegens de mij doorMeletusaangedane beschuldiging; maar morgen vroeg,Theodorus! willen wij elkander hier weder vinden.[213]

So.Gij houdt u goed,Theaetetus! Maar is dan[197]het al niet juist dàn het al, wanneer er niets aan ontbreekt?Theaet.Noodzakelijk.So.En is nu het geheel niet juist datzelfde, waaraan volstrekt niets ontbreekt? en waar iets aan ontbreekt, dat is immers noch het geheel noch het al, zoodat die twee uit hetzelfde ontstaande, hetzelfde zijn?Theaet.Nu geloof ik ook, dat het geheel en het al volstrekt niet verschillen469.So.Zeiden wij niet, dat, waar deelen zijn, het geheel en het al, al de deelen zijn470?[198]Theaet.Ja zeker.So.Zeg mij dan nu nog eens, of het niet, gelijk ik daar zoo reeds begon te zeggen, noodig is, dat zoo de lettergreep niet de letters is, zij die letters niet als hare deelen heeft, of dat zij, hetzelfde als die deelen zijnde, evenzeer als dezelve kenbaar is?Theaet.Juist.So.Hebben wij niet, om dit te vermijden, haar als iets anders beschouwd?Theaet.Ja.So.Maar wat dan? zoo de letters niet de deelen der lettergreep zijn, kunt gij dan eenige andere dingen noemen, die wel de deelen zijn der lettergreep, maar toch niet hare letters?Theaet.Wel neen! want,Socrates! zoo ik toestemde, dat zij deelen heeft, dan zou het zot zijn de letters te laten loopen en andere te zoeken.So.Dus zou dan,Theaetetus! volgens de tegenwoordige redekaveling de lettergreep ééne ondeelbare zaak471zijn.Theaet.Het schijnt zoo.[199]So.Herinnert gij u nu, mijn vriend! dat wij daareven als goed gezegd aannamen, dat er geene bepaling is van de grondbestanddeelen, waaruit de andere dingen zijn zamengesteld, omdat ieder op zich zelf niet zamengesteld is; en dat het niet eens goed is, daaraanhet zijnofhet dit472toe te schrijven, daar er dan iets anders en vreemds van gezegd wordt, en dat die oorzaak het onbepaalbaar en onkenbaar maakt?Theaet.Ja, dit herinner ik mij.So.Maar is er [van die onbepaalbaarheid en onkenbaarheid] nu wel eene andere oorzaak, dan deze: dat zij enkelvoudig en ondeelbaar zijn? ik althans zie geene andere.Theaet.Er schijnt dan ook geene andere te wezen.So.Dus is dan de verbinding van dezelfde soort als die dingen geworden, zoo zij geene deelen heeft en enkelvoudig is473.[200]Theaet.Zeer zeker.So.Zoo dus de verbinding vele grondbestanddeelen en een geheel is, en die grondbestanddeelen hare deelen zijn, dan zijn de verbindingen even zoo kenbaar en bepaalbaar474als de grondbestanddeelen, nademaal al de deelen hetzelfde blijken te zijn als het geheel.Theaet.Ongetwijfeld.So.Maar zoo zij één en ondeelbaar is, dan is de verbinding even zoo zeer als het grondbestanddeel onbepaalbaar en onkenbaar; want dezelfde oorzaak zal wel dezelfde gevolgen te weeg brengen.Theaet.Het is niet anders.So.Laten wij het dus niet aannemen, wanneer iemand de verbinding voor kenbaar en bepaalbaar, en het grondbestanddeel voor het tegendeel verklaart.Theaet.Zeker niet, zoo wij althans aan de redekaveling gehoor geven.So.Maar wat dan? zoudt gij niet veeleer, wegens hetgeen gij weet [dat] u bij het leeren lezen [gebeurd is], het tegengestelde aannemen?Theaet.Wat meent gij?So.Dat gij een geruimen tijd niets anders gedaan475[201]hebt, dan trachten om de letters ieder op zich zelve door het gezigt en het gehoor te onderkennen, opdat gij niet in de war zoudt komen bij hare plaatsing in het spreken of schrijven.Theaet.Gij zegt volkomen de waarheid.So.En was op school bij den muzijkmeester het volmaakt kennen [van uwe les] wel iets anders dan bij iederen toon te kunnen aangeven, van welke snaar zij was? en ieder zal toch toestemmen, dat dit de grondbestanddeelen der muzijk genoemd worden.Theaet.Niets anders.So.Zoo wij dus van de ons bekende bestanddeelen en verbindingen tot de andere mogen besluiten, dan moeten wij zeggen, dat die soort van dingen, waartoe de grondbestanddeelen behooren, eene veel meer klaarblijkelijke en gewigtige476kennis dan de verbinding aanbrengt, tot het volkomen verkrijgen van elke kennis; en zoo iemand zegt, dat de verbinding wel kenbaar is, maar het beginsel niet, dan moeten wij oordeelen, dat hij vrijwillig of onwillekeurig zotteklap spreekt.Theaet.Zeer zeker.XLII.So.Hiervan zouden echter, naar mijn inzien, nog wel andere bewijzen te vinden zijn; maar wij[202]moeten ons daardoor niet laten aftrekken van ons onderzoek, wat het toch zeggen wil, dat bepaling, bij ware meening komende, de volmaakte477kennis doet ontstaan.Theaet.Wij moeten dat dan beschouwen.So.Komaan dan! wat wil dat woordbepaling478hier te kennen geven? Naar mijne meening één van drie.Theaet.Van welke?So.Vooreerst zou het wezen: zijne gedachte door de stem met behulp van woorden en namen te openbaren, en zoo zijne meening, als het ware in eenen spiegel of in het water, te weêrkaatsen in de stem. Of houdt gij de bepaling niet voor zoo iets?Theaet.Ja; wij zeggen van hem, die dat doet, dat hij eene bepaling van zijne meening geeft479.[203]So.Maar is dan niet ieder, die niet stom of doof geboren is, in staat, om te kennen te geven, hoe hij ergens over denkt, zoodat allen, die ware meening hebben, dan daar de bepaling bij hebben, en er nergens ware meening zonder kennis gevonden wordt480?Theaet.Dat is waar.So.Laat ons echter hem, die de kennis op de ons bezighoudende wijze bepaald heeft, niet ligtvaardig vonnissen. Misschien toch meende hij er niet dit mede, maar dat men, op de vraag, wat ieder ding is, door het opgeven der grondbestanddeelen kan antwoorden.Theaet.Hoe meent gij dat,Socrates?So.Zoo als bij voorbeeldHesiodusvan een’ wagen zegt: „de bestanddeelen van eenen wagen zijn honderd.” Die zou ik wel niet kunnen opgeven, en gij, denk ik, evenmin; maar wij zouden op de vraag, wat een wagen is, heel tevreden zijn met het antwoord: wielen, eene as, een bovenstuk, zijstukken, een juk.Theaet.Wel zeker.So.Maar hij zou misschien oordeelen, dat wij even bespottelijk waren, als zoo wij, naar uwen naam[204]gewaagd zijnde, deszelfs lettergrepen opnoemden, en nu meenden, dat wij een taalkundig antwoord gaven en den naamTheaetetusbepaalden; want dat men van geen ding met kennis spreekt, zoo men het niet uit grondbestanddeelen met ware meening zamenstelt, zoo als ook daareven reeds gezegd is.Theaet.Ja.So.En dat wij aldus ook over eenen wagen wel ware meening hebben, maar dat hij, die zijne wezenheid naar zijne honderd stukken beschrijven kan, daardoor bepaling bij de ware meening verkregen heeft, en van ware meening tot kennis en begrip van de wezenheid eens wagens is opgeklommen, door het geheel uit de deelen zamen te stellen.Theaet.Maar vindt gij dat oordeel niet juist,Socrates?So.Zeg eens, mijn beste! of gij het zoo vindt, en toestemt, dat de bepaling eener zaak bestaat in het volledig opgeven harer grondbestanddeelen, terwijl het opgeven van derzelver [eerste] verbindingen of van nog grooter stukken nog geene bepaling is?Theaet.Wel zeker stem ik dat toe.So.Maar houdt gij dan iemand voor een’ kenner van iets, wanneer hetzelfde hem dan eens tot dit, en dan weer tot dat schijnt te behooren, of wanneer hij dan eens dit, en dan eens dat aan hetzelfde toeschrijft?Theaet.Wel neen ik.So.En is het u dan ontschoten, hoe gij en uwe makkers bij het leeren lezen in den beginne juist zoo gedaan hebt?Theaet.Meent gij, dat wij in dezelfde lettergreep dan deze en dan die letter meenden te zien, en dezelfde[205]letter dan eens in de goede, dan eens in eene verkeerde lettergreep plaatsten.So.Dat meen ik.Theaet.Neen waarlijk, dat is mij niet ontschoten, en ik geloof ook niet, dat zij, die zoo gesteld zijn, kennis bezitten.So.Wat dan? wanneer iemand, in dien tijdTheaetetusschrijvende,t,henemeent te moeten schrijven en schrijft; maarTheodoruswillende schrijven,tenemeent te moeten schrijven en schrijft; zullen wij dan zeggen, dat hij de eerste lettergreep van uw beider namen kent?Theaet.Maar wij hebben daareven beredeneerd, dat die zoo gesteld is, nog geene kennis bezit.So.Verhindert hem dan wel iets, om even zoo omtrent de tweede, derde en vierde lettergreep gesteld te zijn?Theaet.Wel neen.So.Maar zal hij niet, in het eerste geval de letters allen bijeenhebbende, met ware meeningTheaetetusschrijven, wanneer hij ze naar volgorde schrijft?Theaet.Natuurlijk.So.Dus zonder nog te kennen, maar, zooals wij zeiden, met ware meening?Theaet.Ja.So.Edoch bepaling en ware meening hebbende. Want schrijvende, stelde hij het woord uit de grondbestanddeelen zamen, en dat noemden wij bepaling.Theaet.Dat is waar.So.Dus, mijn beste! is er eene ware meening met bepaling, die wij nog geen kennis kunnen noemen.[206]Theaet.Dat schijnt zoo.XLIII.So.Dus hebben, wij ons, naar het schijnt, met een schaduwbeeld gevleid, toen, wij meenden de juiste bepaling der kennis te bezitten. Maar wacht! wij kunnen nog geen vonnis vellen. Want misschien zal iemand het niet zóó bepalen, maar de laatste kiezen der drie verklaringen, waarvoor wij zeiden, dat de bepaling der kennis als ware meening met bepaling vatbaar is.Theaet.Gij doet wel, mij daaraan te herinneren, want er is nog ééne over. De eerste toch was het als het ware afbeelden der gedachte in de spraak, de tweede de daareven besprokene samenstelling des geheels uit de grondbestanddeelen, en de derde?So.Wat de meesten zouden zeggen, [namelijk:] in staat te zijn eenig teeken te zeggen, waardoor het gevraagde van alle andere dingen onderscheiden wordt.Theaet.En kunt gij mij zulk eene bepaling ergens van geven481?So.Bij voorbeeld, zoo gij wilt, meen ik u de zon genoeg uitgeduid te hebben, zoo ik zeg, dat zij het schitterendste hemellicht is, dat rond de aarde loopt482.[207]Theaet.Wel zeker.So.Hoor dan nu eens, waarom dit gezegd is. Het is, wat wij daareven zeiden, dat, zoo gij van eenig ding het verschil, waardoor het van de anderen onderscheiden is, vatten kunt, gij volgens sommigen eene bepaling hebt; maar dat, zoo lang gij iets vat, dat aan velen gemeen is, gij slechts in het algemeen spreken kunt over de dingen, die door dat algemeene omvat worden.Theaet.Nu begrijp ik het, en ik geloof, dat het goed is, zoo iets bepaling te noemen.So.En hij nu, die bij de ware meening over eenig ding het verschil van de andere bekomt, zal dan datgene kennen, waaromtrent hij te voren slechts meening koesterde.Theaet.Zoo zeggen wij dat het is.So.Waarlijk,Theaetetus! het gaat mij met die uitspraak als met een schijnbedrog483; nu ik er nader[208]bij kom, begrijp ik er niet het minste van; hoewel ik, uit de verte oordeelende, meende, dat er heel wat gezegd was.Theaet.Hoe dat?So.Ik zal het zeggen, zoo ik er toe in staat ben. Wanneer ik ware meening over u koester en uwe bepaling er bij bekom, dan ken ik u; maar zoo niet, dan breng ik het niet verder dan meening.Theaet.Ja.So.En de bepaling was het aanduiden van hetgeen, waardoor gij onderscheiden zijt?[209]Theaet.Juist.So.Maar toen ik slechts meening koesterde, vatte ik dan toen met mijn verstand niets van hetgeen waardoor gij van anderen onderscheiden zijt?Theaet.Het schijnt van neen.So.Dus vatte ik slechts het gemeenschappelijke, dat gij volstrekt niet méér hebt dan een ander.Theaet.Natuurlijk.So.Komaan dan, bijZeus! hoe meende ik dan in dat geval u meer dan iemand anders? Want stel eens, dat ik dacht, datTheaetetuseen mensch is, en een neus, oogen, een mond, enz. heeft. Zal zulk eene gedachte mij meerTheaetetus, danTheodorus, of, zooals men zegt, den geringsten Mysiër doen denken?Theaet.Wel neen.So.Maar zoo ik nu niet alleen iemand denk, die een neus en oogen heeft, maar ook iemand met een platten neus en uitpuilende oogen, zal ik dan meer u meenen, dan mij zelven of anderen van dat uiterlijk?Theaet.Volstrekt niet.So.MaarTheaetetuszal, denk ik, niet voor mijnen geest staan, voordat die platneuzigheid een van de anderen, die ik gezien heb, verschillend kenmerk in mijn geest heeft geprent, en uwe andere ligchaamsdeelen evenzoo, waardoor zij mij, ook zoo ik u morgen tegenkom, aan u herinneren en ware meening over u doen koesteren.Theaet.Dat is volkomen waar.So.Dus zou dan ook de ware meening over eenig ding het onderscheid tot voorwerp hebben.[210]Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar wat zou dan het bekomen van bepaling bij de ware meening beduiden? want zoo het beteekent er datgene bij te meenen, waardoor iets van het overige verschilt, dan is dat een allergekst voorschrift.Theaet.Hoe zoo?So.Het schrijft ons dan voor, van die dingen, waaromtrent wij ware meening aangaande hun onderscheid van het overige hebben, ware meening aangaande hun onderscheid van het overige te bekomen. En zoo zou dan, in dat voorschrift, het omwinden met de scytala of het bovenstuk484, of hoe het ook heet, niets te beduiden hebben, maar veeleer de raadgeving van een blinde zijn; want het voorschrift, dat wij, hetgeen wij [reeds] hebben, er bij nemen moeten, om wat wij meenen, te leeren kennen, heeft waarlijk veel van in den blinde rond te tasten.Theaet.Maar zeg dan nu eens, wat gij daareven woudt vragen.So.Jongelief! zoo het bekomen van eene bepaling ons voorschrijft, het onderscheid te kennen en niet te[211]meenen, dan zou het er gek uitzien met die fraaije redenering over de kennis; want het kennen is toch het bezitten van kennis, niet waar?Theaet.Ja.So.Zij zal dus op de vraag, wat kennis is, ten antwoord geven, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid. Want volgens haar zou dit de beteekenis van het bekomen van kennis zijn.Theaet.Het schijnt zoo.So.En het is dan ook waarlijk onnoozel, nu wij de kennis onderzoeken, te zeggen, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid of van wat dan ook. Dus,Theaetetus! kan noch gevoel, noch ware meening, noch ware meening met bepaling kennis wezen485.Theaet.Het schijnt van neen.So.Zijn wij nu nog zwanger, mijn waarde! en[212]in barensnood over de kennis, of hebben wij alles ten einde toe gebaard?Theaet.Waarlijk, bijZeus! door uwe hulp heb ik meer gezegd dan in mij was.So.En zegt nu de vroedkunst ons niet, dat dit alles winderig en de opvoeding niet waardig is?Theaet.Ongetwijfeld.XLIV.So.Theaetetus!zoo gij nu hierna nog van iets anders poogt zwanger te worden, en zoo u dat gelukt, zult gij, ten gevolge van het onderzoek van heden, van betere dingen zwanger zijn; en zoo het u niet gelukt, zult gij minder lastig en handelbaarder zijn voor uwe bekenden, daar gij bescheiden uwe onkunde van hetgeen gij niet weet zult erkennen. Dit toch is het eenigste, dat mijne kunst vermag, meer niet; daar ik niets versta van datgene, waardoor anderen zich aanzien en roem hebben weten te bezorgen. Deze vroedkunst echter hebben ik en mijne moeder van de goden ontvangen; zij om vrouwen, ik om jongelingen van edelen inborst en schoone gedaante te verlossen486. Nu moet ik mij naar de koninklijke gaanderij487begeven, wegens de mij doorMeletusaangedane beschuldiging; maar morgen vroeg,Theodorus! willen wij elkander hier weder vinden.[213]

So.Gij houdt u goed,Theaetetus! Maar is dan[197]het al niet juist dàn het al, wanneer er niets aan ontbreekt?Theaet.Noodzakelijk.So.En is nu het geheel niet juist datzelfde, waaraan volstrekt niets ontbreekt? en waar iets aan ontbreekt, dat is immers noch het geheel noch het al, zoodat die twee uit hetzelfde ontstaande, hetzelfde zijn?Theaet.Nu geloof ik ook, dat het geheel en het al volstrekt niet verschillen469.So.Zeiden wij niet, dat, waar deelen zijn, het geheel en het al, al de deelen zijn470?[198]Theaet.Ja zeker.So.Zeg mij dan nu nog eens, of het niet, gelijk ik daar zoo reeds begon te zeggen, noodig is, dat zoo de lettergreep niet de letters is, zij die letters niet als hare deelen heeft, of dat zij, hetzelfde als die deelen zijnde, evenzeer als dezelve kenbaar is?Theaet.Juist.So.Hebben wij niet, om dit te vermijden, haar als iets anders beschouwd?Theaet.Ja.So.Maar wat dan? zoo de letters niet de deelen der lettergreep zijn, kunt gij dan eenige andere dingen noemen, die wel de deelen zijn der lettergreep, maar toch niet hare letters?Theaet.Wel neen! want,Socrates! zoo ik toestemde, dat zij deelen heeft, dan zou het zot zijn de letters te laten loopen en andere te zoeken.So.Dus zou dan,Theaetetus! volgens de tegenwoordige redekaveling de lettergreep ééne ondeelbare zaak471zijn.Theaet.Het schijnt zoo.[199]So.Herinnert gij u nu, mijn vriend! dat wij daareven als goed gezegd aannamen, dat er geene bepaling is van de grondbestanddeelen, waaruit de andere dingen zijn zamengesteld, omdat ieder op zich zelf niet zamengesteld is; en dat het niet eens goed is, daaraanhet zijnofhet dit472toe te schrijven, daar er dan iets anders en vreemds van gezegd wordt, en dat die oorzaak het onbepaalbaar en onkenbaar maakt?Theaet.Ja, dit herinner ik mij.So.Maar is er [van die onbepaalbaarheid en onkenbaarheid] nu wel eene andere oorzaak, dan deze: dat zij enkelvoudig en ondeelbaar zijn? ik althans zie geene andere.Theaet.Er schijnt dan ook geene andere te wezen.So.Dus is dan de verbinding van dezelfde soort als die dingen geworden, zoo zij geene deelen heeft en enkelvoudig is473.[200]Theaet.Zeer zeker.So.Zoo dus de verbinding vele grondbestanddeelen en een geheel is, en die grondbestanddeelen hare deelen zijn, dan zijn de verbindingen even zoo kenbaar en bepaalbaar474als de grondbestanddeelen, nademaal al de deelen hetzelfde blijken te zijn als het geheel.Theaet.Ongetwijfeld.So.Maar zoo zij één en ondeelbaar is, dan is de verbinding even zoo zeer als het grondbestanddeel onbepaalbaar en onkenbaar; want dezelfde oorzaak zal wel dezelfde gevolgen te weeg brengen.Theaet.Het is niet anders.So.Laten wij het dus niet aannemen, wanneer iemand de verbinding voor kenbaar en bepaalbaar, en het grondbestanddeel voor het tegendeel verklaart.Theaet.Zeker niet, zoo wij althans aan de redekaveling gehoor geven.So.Maar wat dan? zoudt gij niet veeleer, wegens hetgeen gij weet [dat] u bij het leeren lezen [gebeurd is], het tegengestelde aannemen?Theaet.Wat meent gij?So.Dat gij een geruimen tijd niets anders gedaan475[201]hebt, dan trachten om de letters ieder op zich zelve door het gezigt en het gehoor te onderkennen, opdat gij niet in de war zoudt komen bij hare plaatsing in het spreken of schrijven.Theaet.Gij zegt volkomen de waarheid.So.En was op school bij den muzijkmeester het volmaakt kennen [van uwe les] wel iets anders dan bij iederen toon te kunnen aangeven, van welke snaar zij was? en ieder zal toch toestemmen, dat dit de grondbestanddeelen der muzijk genoemd worden.Theaet.Niets anders.So.Zoo wij dus van de ons bekende bestanddeelen en verbindingen tot de andere mogen besluiten, dan moeten wij zeggen, dat die soort van dingen, waartoe de grondbestanddeelen behooren, eene veel meer klaarblijkelijke en gewigtige476kennis dan de verbinding aanbrengt, tot het volkomen verkrijgen van elke kennis; en zoo iemand zegt, dat de verbinding wel kenbaar is, maar het beginsel niet, dan moeten wij oordeelen, dat hij vrijwillig of onwillekeurig zotteklap spreekt.Theaet.Zeer zeker.XLII.So.Hiervan zouden echter, naar mijn inzien, nog wel andere bewijzen te vinden zijn; maar wij[202]moeten ons daardoor niet laten aftrekken van ons onderzoek, wat het toch zeggen wil, dat bepaling, bij ware meening komende, de volmaakte477kennis doet ontstaan.Theaet.Wij moeten dat dan beschouwen.So.Komaan dan! wat wil dat woordbepaling478hier te kennen geven? Naar mijne meening één van drie.Theaet.Van welke?So.Vooreerst zou het wezen: zijne gedachte door de stem met behulp van woorden en namen te openbaren, en zoo zijne meening, als het ware in eenen spiegel of in het water, te weêrkaatsen in de stem. Of houdt gij de bepaling niet voor zoo iets?Theaet.Ja; wij zeggen van hem, die dat doet, dat hij eene bepaling van zijne meening geeft479.[203]So.Maar is dan niet ieder, die niet stom of doof geboren is, in staat, om te kennen te geven, hoe hij ergens over denkt, zoodat allen, die ware meening hebben, dan daar de bepaling bij hebben, en er nergens ware meening zonder kennis gevonden wordt480?Theaet.Dat is waar.So.Laat ons echter hem, die de kennis op de ons bezighoudende wijze bepaald heeft, niet ligtvaardig vonnissen. Misschien toch meende hij er niet dit mede, maar dat men, op de vraag, wat ieder ding is, door het opgeven der grondbestanddeelen kan antwoorden.Theaet.Hoe meent gij dat,Socrates?So.Zoo als bij voorbeeldHesiodusvan een’ wagen zegt: „de bestanddeelen van eenen wagen zijn honderd.” Die zou ik wel niet kunnen opgeven, en gij, denk ik, evenmin; maar wij zouden op de vraag, wat een wagen is, heel tevreden zijn met het antwoord: wielen, eene as, een bovenstuk, zijstukken, een juk.Theaet.Wel zeker.So.Maar hij zou misschien oordeelen, dat wij even bespottelijk waren, als zoo wij, naar uwen naam[204]gewaagd zijnde, deszelfs lettergrepen opnoemden, en nu meenden, dat wij een taalkundig antwoord gaven en den naamTheaetetusbepaalden; want dat men van geen ding met kennis spreekt, zoo men het niet uit grondbestanddeelen met ware meening zamenstelt, zoo als ook daareven reeds gezegd is.Theaet.Ja.So.En dat wij aldus ook over eenen wagen wel ware meening hebben, maar dat hij, die zijne wezenheid naar zijne honderd stukken beschrijven kan, daardoor bepaling bij de ware meening verkregen heeft, en van ware meening tot kennis en begrip van de wezenheid eens wagens is opgeklommen, door het geheel uit de deelen zamen te stellen.Theaet.Maar vindt gij dat oordeel niet juist,Socrates?So.Zeg eens, mijn beste! of gij het zoo vindt, en toestemt, dat de bepaling eener zaak bestaat in het volledig opgeven harer grondbestanddeelen, terwijl het opgeven van derzelver [eerste] verbindingen of van nog grooter stukken nog geene bepaling is?Theaet.Wel zeker stem ik dat toe.So.Maar houdt gij dan iemand voor een’ kenner van iets, wanneer hetzelfde hem dan eens tot dit, en dan weer tot dat schijnt te behooren, of wanneer hij dan eens dit, en dan eens dat aan hetzelfde toeschrijft?Theaet.Wel neen ik.So.En is het u dan ontschoten, hoe gij en uwe makkers bij het leeren lezen in den beginne juist zoo gedaan hebt?Theaet.Meent gij, dat wij in dezelfde lettergreep dan deze en dan die letter meenden te zien, en dezelfde[205]letter dan eens in de goede, dan eens in eene verkeerde lettergreep plaatsten.So.Dat meen ik.Theaet.Neen waarlijk, dat is mij niet ontschoten, en ik geloof ook niet, dat zij, die zoo gesteld zijn, kennis bezitten.So.Wat dan? wanneer iemand, in dien tijdTheaetetusschrijvende,t,henemeent te moeten schrijven en schrijft; maarTheodoruswillende schrijven,tenemeent te moeten schrijven en schrijft; zullen wij dan zeggen, dat hij de eerste lettergreep van uw beider namen kent?Theaet.Maar wij hebben daareven beredeneerd, dat die zoo gesteld is, nog geene kennis bezit.So.Verhindert hem dan wel iets, om even zoo omtrent de tweede, derde en vierde lettergreep gesteld te zijn?Theaet.Wel neen.So.Maar zal hij niet, in het eerste geval de letters allen bijeenhebbende, met ware meeningTheaetetusschrijven, wanneer hij ze naar volgorde schrijft?Theaet.Natuurlijk.So.Dus zonder nog te kennen, maar, zooals wij zeiden, met ware meening?Theaet.Ja.So.Edoch bepaling en ware meening hebbende. Want schrijvende, stelde hij het woord uit de grondbestanddeelen zamen, en dat noemden wij bepaling.Theaet.Dat is waar.So.Dus, mijn beste! is er eene ware meening met bepaling, die wij nog geen kennis kunnen noemen.[206]Theaet.Dat schijnt zoo.XLIII.So.Dus hebben, wij ons, naar het schijnt, met een schaduwbeeld gevleid, toen, wij meenden de juiste bepaling der kennis te bezitten. Maar wacht! wij kunnen nog geen vonnis vellen. Want misschien zal iemand het niet zóó bepalen, maar de laatste kiezen der drie verklaringen, waarvoor wij zeiden, dat de bepaling der kennis als ware meening met bepaling vatbaar is.Theaet.Gij doet wel, mij daaraan te herinneren, want er is nog ééne over. De eerste toch was het als het ware afbeelden der gedachte in de spraak, de tweede de daareven besprokene samenstelling des geheels uit de grondbestanddeelen, en de derde?So.Wat de meesten zouden zeggen, [namelijk:] in staat te zijn eenig teeken te zeggen, waardoor het gevraagde van alle andere dingen onderscheiden wordt.Theaet.En kunt gij mij zulk eene bepaling ergens van geven481?So.Bij voorbeeld, zoo gij wilt, meen ik u de zon genoeg uitgeduid te hebben, zoo ik zeg, dat zij het schitterendste hemellicht is, dat rond de aarde loopt482.[207]Theaet.Wel zeker.So.Hoor dan nu eens, waarom dit gezegd is. Het is, wat wij daareven zeiden, dat, zoo gij van eenig ding het verschil, waardoor het van de anderen onderscheiden is, vatten kunt, gij volgens sommigen eene bepaling hebt; maar dat, zoo lang gij iets vat, dat aan velen gemeen is, gij slechts in het algemeen spreken kunt over de dingen, die door dat algemeene omvat worden.Theaet.Nu begrijp ik het, en ik geloof, dat het goed is, zoo iets bepaling te noemen.So.En hij nu, die bij de ware meening over eenig ding het verschil van de andere bekomt, zal dan datgene kennen, waaromtrent hij te voren slechts meening koesterde.Theaet.Zoo zeggen wij dat het is.So.Waarlijk,Theaetetus! het gaat mij met die uitspraak als met een schijnbedrog483; nu ik er nader[208]bij kom, begrijp ik er niet het minste van; hoewel ik, uit de verte oordeelende, meende, dat er heel wat gezegd was.Theaet.Hoe dat?So.Ik zal het zeggen, zoo ik er toe in staat ben. Wanneer ik ware meening over u koester en uwe bepaling er bij bekom, dan ken ik u; maar zoo niet, dan breng ik het niet verder dan meening.Theaet.Ja.So.En de bepaling was het aanduiden van hetgeen, waardoor gij onderscheiden zijt?[209]Theaet.Juist.So.Maar toen ik slechts meening koesterde, vatte ik dan toen met mijn verstand niets van hetgeen waardoor gij van anderen onderscheiden zijt?Theaet.Het schijnt van neen.So.Dus vatte ik slechts het gemeenschappelijke, dat gij volstrekt niet méér hebt dan een ander.Theaet.Natuurlijk.So.Komaan dan, bijZeus! hoe meende ik dan in dat geval u meer dan iemand anders? Want stel eens, dat ik dacht, datTheaetetuseen mensch is, en een neus, oogen, een mond, enz. heeft. Zal zulk eene gedachte mij meerTheaetetus, danTheodorus, of, zooals men zegt, den geringsten Mysiër doen denken?Theaet.Wel neen.So.Maar zoo ik nu niet alleen iemand denk, die een neus en oogen heeft, maar ook iemand met een platten neus en uitpuilende oogen, zal ik dan meer u meenen, dan mij zelven of anderen van dat uiterlijk?Theaet.Volstrekt niet.So.MaarTheaetetuszal, denk ik, niet voor mijnen geest staan, voordat die platneuzigheid een van de anderen, die ik gezien heb, verschillend kenmerk in mijn geest heeft geprent, en uwe andere ligchaamsdeelen evenzoo, waardoor zij mij, ook zoo ik u morgen tegenkom, aan u herinneren en ware meening over u doen koesteren.Theaet.Dat is volkomen waar.So.Dus zou dan ook de ware meening over eenig ding het onderscheid tot voorwerp hebben.[210]Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar wat zou dan het bekomen van bepaling bij de ware meening beduiden? want zoo het beteekent er datgene bij te meenen, waardoor iets van het overige verschilt, dan is dat een allergekst voorschrift.Theaet.Hoe zoo?So.Het schrijft ons dan voor, van die dingen, waaromtrent wij ware meening aangaande hun onderscheid van het overige hebben, ware meening aangaande hun onderscheid van het overige te bekomen. En zoo zou dan, in dat voorschrift, het omwinden met de scytala of het bovenstuk484, of hoe het ook heet, niets te beduiden hebben, maar veeleer de raadgeving van een blinde zijn; want het voorschrift, dat wij, hetgeen wij [reeds] hebben, er bij nemen moeten, om wat wij meenen, te leeren kennen, heeft waarlijk veel van in den blinde rond te tasten.Theaet.Maar zeg dan nu eens, wat gij daareven woudt vragen.So.Jongelief! zoo het bekomen van eene bepaling ons voorschrijft, het onderscheid te kennen en niet te[211]meenen, dan zou het er gek uitzien met die fraaije redenering over de kennis; want het kennen is toch het bezitten van kennis, niet waar?Theaet.Ja.So.Zij zal dus op de vraag, wat kennis is, ten antwoord geven, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid. Want volgens haar zou dit de beteekenis van het bekomen van kennis zijn.Theaet.Het schijnt zoo.So.En het is dan ook waarlijk onnoozel, nu wij de kennis onderzoeken, te zeggen, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid of van wat dan ook. Dus,Theaetetus! kan noch gevoel, noch ware meening, noch ware meening met bepaling kennis wezen485.Theaet.Het schijnt van neen.So.Zijn wij nu nog zwanger, mijn waarde! en[212]in barensnood over de kennis, of hebben wij alles ten einde toe gebaard?Theaet.Waarlijk, bijZeus! door uwe hulp heb ik meer gezegd dan in mij was.So.En zegt nu de vroedkunst ons niet, dat dit alles winderig en de opvoeding niet waardig is?Theaet.Ongetwijfeld.XLIV.So.Theaetetus!zoo gij nu hierna nog van iets anders poogt zwanger te worden, en zoo u dat gelukt, zult gij, ten gevolge van het onderzoek van heden, van betere dingen zwanger zijn; en zoo het u niet gelukt, zult gij minder lastig en handelbaarder zijn voor uwe bekenden, daar gij bescheiden uwe onkunde van hetgeen gij niet weet zult erkennen. Dit toch is het eenigste, dat mijne kunst vermag, meer niet; daar ik niets versta van datgene, waardoor anderen zich aanzien en roem hebben weten te bezorgen. Deze vroedkunst echter hebben ik en mijne moeder van de goden ontvangen; zij om vrouwen, ik om jongelingen van edelen inborst en schoone gedaante te verlossen486. Nu moet ik mij naar de koninklijke gaanderij487begeven, wegens de mij doorMeletusaangedane beschuldiging; maar morgen vroeg,Theodorus! willen wij elkander hier weder vinden.[213]

So.Gij houdt u goed,Theaetetus! Maar is dan[197]het al niet juist dàn het al, wanneer er niets aan ontbreekt?

Theaet.Noodzakelijk.

So.En is nu het geheel niet juist datzelfde, waaraan volstrekt niets ontbreekt? en waar iets aan ontbreekt, dat is immers noch het geheel noch het al, zoodat die twee uit hetzelfde ontstaande, hetzelfde zijn?

Theaet.Nu geloof ik ook, dat het geheel en het al volstrekt niet verschillen469.

So.Zeiden wij niet, dat, waar deelen zijn, het geheel en het al, al de deelen zijn470?[198]

Theaet.Ja zeker.

So.Zeg mij dan nu nog eens, of het niet, gelijk ik daar zoo reeds begon te zeggen, noodig is, dat zoo de lettergreep niet de letters is, zij die letters niet als hare deelen heeft, of dat zij, hetzelfde als die deelen zijnde, evenzeer als dezelve kenbaar is?

Theaet.Juist.

So.Hebben wij niet, om dit te vermijden, haar als iets anders beschouwd?

Theaet.Ja.

So.Maar wat dan? zoo de letters niet de deelen der lettergreep zijn, kunt gij dan eenige andere dingen noemen, die wel de deelen zijn der lettergreep, maar toch niet hare letters?

Theaet.Wel neen! want,Socrates! zoo ik toestemde, dat zij deelen heeft, dan zou het zot zijn de letters te laten loopen en andere te zoeken.

So.Dus zou dan,Theaetetus! volgens de tegenwoordige redekaveling de lettergreep ééne ondeelbare zaak471zijn.

Theaet.Het schijnt zoo.[199]

So.Herinnert gij u nu, mijn vriend! dat wij daareven als goed gezegd aannamen, dat er geene bepaling is van de grondbestanddeelen, waaruit de andere dingen zijn zamengesteld, omdat ieder op zich zelf niet zamengesteld is; en dat het niet eens goed is, daaraanhet zijnofhet dit472toe te schrijven, daar er dan iets anders en vreemds van gezegd wordt, en dat die oorzaak het onbepaalbaar en onkenbaar maakt?

Theaet.Ja, dit herinner ik mij.

So.Maar is er [van die onbepaalbaarheid en onkenbaarheid] nu wel eene andere oorzaak, dan deze: dat zij enkelvoudig en ondeelbaar zijn? ik althans zie geene andere.

Theaet.Er schijnt dan ook geene andere te wezen.

So.Dus is dan de verbinding van dezelfde soort als die dingen geworden, zoo zij geene deelen heeft en enkelvoudig is473.[200]

Theaet.Zeer zeker.

So.Zoo dus de verbinding vele grondbestanddeelen en een geheel is, en die grondbestanddeelen hare deelen zijn, dan zijn de verbindingen even zoo kenbaar en bepaalbaar474als de grondbestanddeelen, nademaal al de deelen hetzelfde blijken te zijn als het geheel.

Theaet.Ongetwijfeld.

So.Maar zoo zij één en ondeelbaar is, dan is de verbinding even zoo zeer als het grondbestanddeel onbepaalbaar en onkenbaar; want dezelfde oorzaak zal wel dezelfde gevolgen te weeg brengen.

Theaet.Het is niet anders.

So.Laten wij het dus niet aannemen, wanneer iemand de verbinding voor kenbaar en bepaalbaar, en het grondbestanddeel voor het tegendeel verklaart.

Theaet.Zeker niet, zoo wij althans aan de redekaveling gehoor geven.

So.Maar wat dan? zoudt gij niet veeleer, wegens hetgeen gij weet [dat] u bij het leeren lezen [gebeurd is], het tegengestelde aannemen?

Theaet.Wat meent gij?

So.Dat gij een geruimen tijd niets anders gedaan475[201]hebt, dan trachten om de letters ieder op zich zelve door het gezigt en het gehoor te onderkennen, opdat gij niet in de war zoudt komen bij hare plaatsing in het spreken of schrijven.

Theaet.Gij zegt volkomen de waarheid.

So.En was op school bij den muzijkmeester het volmaakt kennen [van uwe les] wel iets anders dan bij iederen toon te kunnen aangeven, van welke snaar zij was? en ieder zal toch toestemmen, dat dit de grondbestanddeelen der muzijk genoemd worden.

Theaet.Niets anders.

So.Zoo wij dus van de ons bekende bestanddeelen en verbindingen tot de andere mogen besluiten, dan moeten wij zeggen, dat die soort van dingen, waartoe de grondbestanddeelen behooren, eene veel meer klaarblijkelijke en gewigtige476kennis dan de verbinding aanbrengt, tot het volkomen verkrijgen van elke kennis; en zoo iemand zegt, dat de verbinding wel kenbaar is, maar het beginsel niet, dan moeten wij oordeelen, dat hij vrijwillig of onwillekeurig zotteklap spreekt.

Theaet.Zeer zeker.

XLII.So.Hiervan zouden echter, naar mijn inzien, nog wel andere bewijzen te vinden zijn; maar wij[202]moeten ons daardoor niet laten aftrekken van ons onderzoek, wat het toch zeggen wil, dat bepaling, bij ware meening komende, de volmaakte477kennis doet ontstaan.

Theaet.Wij moeten dat dan beschouwen.

So.Komaan dan! wat wil dat woordbepaling478hier te kennen geven? Naar mijne meening één van drie.

Theaet.Van welke?

So.Vooreerst zou het wezen: zijne gedachte door de stem met behulp van woorden en namen te openbaren, en zoo zijne meening, als het ware in eenen spiegel of in het water, te weêrkaatsen in de stem. Of houdt gij de bepaling niet voor zoo iets?

Theaet.Ja; wij zeggen van hem, die dat doet, dat hij eene bepaling van zijne meening geeft479.[203]

So.Maar is dan niet ieder, die niet stom of doof geboren is, in staat, om te kennen te geven, hoe hij ergens over denkt, zoodat allen, die ware meening hebben, dan daar de bepaling bij hebben, en er nergens ware meening zonder kennis gevonden wordt480?

Theaet.Dat is waar.

So.Laat ons echter hem, die de kennis op de ons bezighoudende wijze bepaald heeft, niet ligtvaardig vonnissen. Misschien toch meende hij er niet dit mede, maar dat men, op de vraag, wat ieder ding is, door het opgeven der grondbestanddeelen kan antwoorden.

Theaet.Hoe meent gij dat,Socrates?

So.Zoo als bij voorbeeldHesiodusvan een’ wagen zegt: „de bestanddeelen van eenen wagen zijn honderd.” Die zou ik wel niet kunnen opgeven, en gij, denk ik, evenmin; maar wij zouden op de vraag, wat een wagen is, heel tevreden zijn met het antwoord: wielen, eene as, een bovenstuk, zijstukken, een juk.

Theaet.Wel zeker.

So.Maar hij zou misschien oordeelen, dat wij even bespottelijk waren, als zoo wij, naar uwen naam[204]gewaagd zijnde, deszelfs lettergrepen opnoemden, en nu meenden, dat wij een taalkundig antwoord gaven en den naamTheaetetusbepaalden; want dat men van geen ding met kennis spreekt, zoo men het niet uit grondbestanddeelen met ware meening zamenstelt, zoo als ook daareven reeds gezegd is.

Theaet.Ja.

So.En dat wij aldus ook over eenen wagen wel ware meening hebben, maar dat hij, die zijne wezenheid naar zijne honderd stukken beschrijven kan, daardoor bepaling bij de ware meening verkregen heeft, en van ware meening tot kennis en begrip van de wezenheid eens wagens is opgeklommen, door het geheel uit de deelen zamen te stellen.

Theaet.Maar vindt gij dat oordeel niet juist,Socrates?

So.Zeg eens, mijn beste! of gij het zoo vindt, en toestemt, dat de bepaling eener zaak bestaat in het volledig opgeven harer grondbestanddeelen, terwijl het opgeven van derzelver [eerste] verbindingen of van nog grooter stukken nog geene bepaling is?

Theaet.Wel zeker stem ik dat toe.

So.Maar houdt gij dan iemand voor een’ kenner van iets, wanneer hetzelfde hem dan eens tot dit, en dan weer tot dat schijnt te behooren, of wanneer hij dan eens dit, en dan eens dat aan hetzelfde toeschrijft?

Theaet.Wel neen ik.

So.En is het u dan ontschoten, hoe gij en uwe makkers bij het leeren lezen in den beginne juist zoo gedaan hebt?

Theaet.Meent gij, dat wij in dezelfde lettergreep dan deze en dan die letter meenden te zien, en dezelfde[205]letter dan eens in de goede, dan eens in eene verkeerde lettergreep plaatsten.

So.Dat meen ik.

Theaet.Neen waarlijk, dat is mij niet ontschoten, en ik geloof ook niet, dat zij, die zoo gesteld zijn, kennis bezitten.

So.Wat dan? wanneer iemand, in dien tijdTheaetetusschrijvende,t,henemeent te moeten schrijven en schrijft; maarTheodoruswillende schrijven,tenemeent te moeten schrijven en schrijft; zullen wij dan zeggen, dat hij de eerste lettergreep van uw beider namen kent?

Theaet.Maar wij hebben daareven beredeneerd, dat die zoo gesteld is, nog geene kennis bezit.

So.Verhindert hem dan wel iets, om even zoo omtrent de tweede, derde en vierde lettergreep gesteld te zijn?

Theaet.Wel neen.

So.Maar zal hij niet, in het eerste geval de letters allen bijeenhebbende, met ware meeningTheaetetusschrijven, wanneer hij ze naar volgorde schrijft?

Theaet.Natuurlijk.

So.Dus zonder nog te kennen, maar, zooals wij zeiden, met ware meening?

Theaet.Ja.

So.Edoch bepaling en ware meening hebbende. Want schrijvende, stelde hij het woord uit de grondbestanddeelen zamen, en dat noemden wij bepaling.

Theaet.Dat is waar.

So.Dus, mijn beste! is er eene ware meening met bepaling, die wij nog geen kennis kunnen noemen.[206]

Theaet.Dat schijnt zoo.

XLIII.So.Dus hebben, wij ons, naar het schijnt, met een schaduwbeeld gevleid, toen, wij meenden de juiste bepaling der kennis te bezitten. Maar wacht! wij kunnen nog geen vonnis vellen. Want misschien zal iemand het niet zóó bepalen, maar de laatste kiezen der drie verklaringen, waarvoor wij zeiden, dat de bepaling der kennis als ware meening met bepaling vatbaar is.

Theaet.Gij doet wel, mij daaraan te herinneren, want er is nog ééne over. De eerste toch was het als het ware afbeelden der gedachte in de spraak, de tweede de daareven besprokene samenstelling des geheels uit de grondbestanddeelen, en de derde?

So.Wat de meesten zouden zeggen, [namelijk:] in staat te zijn eenig teeken te zeggen, waardoor het gevraagde van alle andere dingen onderscheiden wordt.

Theaet.En kunt gij mij zulk eene bepaling ergens van geven481?

So.Bij voorbeeld, zoo gij wilt, meen ik u de zon genoeg uitgeduid te hebben, zoo ik zeg, dat zij het schitterendste hemellicht is, dat rond de aarde loopt482.[207]

Theaet.Wel zeker.

So.Hoor dan nu eens, waarom dit gezegd is. Het is, wat wij daareven zeiden, dat, zoo gij van eenig ding het verschil, waardoor het van de anderen onderscheiden is, vatten kunt, gij volgens sommigen eene bepaling hebt; maar dat, zoo lang gij iets vat, dat aan velen gemeen is, gij slechts in het algemeen spreken kunt over de dingen, die door dat algemeene omvat worden.

Theaet.Nu begrijp ik het, en ik geloof, dat het goed is, zoo iets bepaling te noemen.

So.En hij nu, die bij de ware meening over eenig ding het verschil van de andere bekomt, zal dan datgene kennen, waaromtrent hij te voren slechts meening koesterde.

Theaet.Zoo zeggen wij dat het is.

So.Waarlijk,Theaetetus! het gaat mij met die uitspraak als met een schijnbedrog483; nu ik er nader[208]bij kom, begrijp ik er niet het minste van; hoewel ik, uit de verte oordeelende, meende, dat er heel wat gezegd was.

Theaet.Hoe dat?

So.Ik zal het zeggen, zoo ik er toe in staat ben. Wanneer ik ware meening over u koester en uwe bepaling er bij bekom, dan ken ik u; maar zoo niet, dan breng ik het niet verder dan meening.

Theaet.Ja.

So.En de bepaling was het aanduiden van hetgeen, waardoor gij onderscheiden zijt?[209]

Theaet.Juist.

So.Maar toen ik slechts meening koesterde, vatte ik dan toen met mijn verstand niets van hetgeen waardoor gij van anderen onderscheiden zijt?

Theaet.Het schijnt van neen.

So.Dus vatte ik slechts het gemeenschappelijke, dat gij volstrekt niet méér hebt dan een ander.

Theaet.Natuurlijk.

So.Komaan dan, bijZeus! hoe meende ik dan in dat geval u meer dan iemand anders? Want stel eens, dat ik dacht, datTheaetetuseen mensch is, en een neus, oogen, een mond, enz. heeft. Zal zulk eene gedachte mij meerTheaetetus, danTheodorus, of, zooals men zegt, den geringsten Mysiër doen denken?

Theaet.Wel neen.

So.Maar zoo ik nu niet alleen iemand denk, die een neus en oogen heeft, maar ook iemand met een platten neus en uitpuilende oogen, zal ik dan meer u meenen, dan mij zelven of anderen van dat uiterlijk?

Theaet.Volstrekt niet.

So.MaarTheaetetuszal, denk ik, niet voor mijnen geest staan, voordat die platneuzigheid een van de anderen, die ik gezien heb, verschillend kenmerk in mijn geest heeft geprent, en uwe andere ligchaamsdeelen evenzoo, waardoor zij mij, ook zoo ik u morgen tegenkom, aan u herinneren en ware meening over u doen koesteren.

Theaet.Dat is volkomen waar.

So.Dus zou dan ook de ware meening over eenig ding het onderscheid tot voorwerp hebben.[210]

Theaet.Het schijnt zoo.

So.Maar wat zou dan het bekomen van bepaling bij de ware meening beduiden? want zoo het beteekent er datgene bij te meenen, waardoor iets van het overige verschilt, dan is dat een allergekst voorschrift.

Theaet.Hoe zoo?

So.Het schrijft ons dan voor, van die dingen, waaromtrent wij ware meening aangaande hun onderscheid van het overige hebben, ware meening aangaande hun onderscheid van het overige te bekomen. En zoo zou dan, in dat voorschrift, het omwinden met de scytala of het bovenstuk484, of hoe het ook heet, niets te beduiden hebben, maar veeleer de raadgeving van een blinde zijn; want het voorschrift, dat wij, hetgeen wij [reeds] hebben, er bij nemen moeten, om wat wij meenen, te leeren kennen, heeft waarlijk veel van in den blinde rond te tasten.

Theaet.Maar zeg dan nu eens, wat gij daareven woudt vragen.

So.Jongelief! zoo het bekomen van eene bepaling ons voorschrijft, het onderscheid te kennen en niet te[211]meenen, dan zou het er gek uitzien met die fraaije redenering over de kennis; want het kennen is toch het bezitten van kennis, niet waar?

Theaet.Ja.

So.Zij zal dus op de vraag, wat kennis is, ten antwoord geven, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid. Want volgens haar zou dit de beteekenis van het bekomen van kennis zijn.

Theaet.Het schijnt zoo.

So.En het is dan ook waarlijk onnoozel, nu wij de kennis onderzoeken, te zeggen, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid of van wat dan ook. Dus,Theaetetus! kan noch gevoel, noch ware meening, noch ware meening met bepaling kennis wezen485.

Theaet.Het schijnt van neen.

So.Zijn wij nu nog zwanger, mijn waarde! en[212]in barensnood over de kennis, of hebben wij alles ten einde toe gebaard?

Theaet.Waarlijk, bijZeus! door uwe hulp heb ik meer gezegd dan in mij was.

So.En zegt nu de vroedkunst ons niet, dat dit alles winderig en de opvoeding niet waardig is?

Theaet.Ongetwijfeld.

XLIV.So.Theaetetus!zoo gij nu hierna nog van iets anders poogt zwanger te worden, en zoo u dat gelukt, zult gij, ten gevolge van het onderzoek van heden, van betere dingen zwanger zijn; en zoo het u niet gelukt, zult gij minder lastig en handelbaarder zijn voor uwe bekenden, daar gij bescheiden uwe onkunde van hetgeen gij niet weet zult erkennen. Dit toch is het eenigste, dat mijne kunst vermag, meer niet; daar ik niets versta van datgene, waardoor anderen zich aanzien en roem hebben weten te bezorgen. Deze vroedkunst echter hebben ik en mijne moeder van de goden ontvangen; zij om vrouwen, ik om jongelingen van edelen inborst en schoone gedaante te verlossen486. Nu moet ik mij naar de koninklijke gaanderij487begeven, wegens de mij doorMeletusaangedane beschuldiging; maar morgen vroeg,Theodorus! willen wij elkander hier weder vinden.[213]


Back to IndexNext