[Inhoud]OVERZIGT DER REDEKAVELING.Socratesvraagt aanTheodorus, welke Atheensche jongelingen vooral uitmunten.TheodorusroemtTheaetetusom zijne vlugheid in het leeren, zijne zachtmoedigheid en zijne losheid van het geld.Hierop zoektSocratesTheaetetusin een gesprek te wikkelen, en legt hem de vraag voor, wat kennis is.Theaetetuszegt, dit dikwijls onderzocht te hebben, maar het niet te kunnen vinden, waaropSocrateszegt, zelf geene kennis te hebben, maar wel de kunst te verstaan, van de begrippen, die in den geest van anderen sluimeren, door vragen te ontwikkelen. Hierdoor aangespoord, zegtTheaetetus:kennis is gevoel. Dit antwoord onderzoektSocratesop deze wijs. Het komt op hetzelfde neêr als de leer vanProtagoras:dat de mensch de maat is van alle dingen, met andere woorden: dat alle kennis subjectief is, dewijl zij ontstaat door de zamenwerking van de indrukken, op de zinnen gemaakt door de aanhoudend veranderende dingen buiten ons, en van den toestand, waarin hij, die de indrukken ontvangt, zich op het oogenblik[214]bevindt, waaruit volgt, dat alle meening op het oogenblik waar is, doch alleen voor hem, die dezelve koestert, en dat geene hoedanigheid of eigenschap, die wij aan de zaken toekennen, op zich zelve bestaat, maar alles slechts betrekkelijk is en aanhoudend verandert. Nu zou men kunnen zeggen, dat dan ook de meeningen van gekken, droomenden of zieken waar zijn, en anderen daarmede niets te maken hebben. Men zou kunnen tegenwerpen: 1o. dat alzoo ieder even wijs is, en het dwaasheid zijn zou, anderen te willen leeren, 2o. dat wij dan talen, die wij niet kennen, zoo wij ze hooren spreken of geschreven zien, ook verstaan moeten, welk laatste zoo kan weêrlegd worden, dat wij alleen kennen, wat wij hooren en zien, doch de rest niet in aanmerking komt. 3o. Dat dan iemand, wat hij niet ziet noch hoort, maar zich wel uit vroegere waarneming herinnert, ook niet kent. 4o. Dat men dan iets, dat men slechts met het ééne oog ziet, tegelijk kent en niet kent, en dat al de eigenschappen van de aandoeningen der zinnen dus op de kennis van toepassing zijn.Hierop zouProtagoraskunnen antwoorden:1. Het doel van het leeren is niet meerware, maar meernuttigemeening te doen ontstaan, want alle meening is wel even waar, doch alle meening is niet even nuttig.2. Op deze tegenwerping is reeds geantwoord.3. Herinnering is geheel iets anders dan waarneming en kan dus niet evenzeer kennis genoemd worden. Ook is iemand, zoo hij van waarnemend herinnerend[215]geworden is, niet meer dezelfde, maar hij is veranderd.4. Kennen en niet kennen kan best zamengaan, zooals juist uit het vorige blijkt.Hierna weetSocratesTheodorusin het gesprek te doen deelen en weêrlegt, met hem sprekende,Protagorasaldus.1. De ondervinding leert, dat de menschen wel degelijk in vele gevallen meenen, dat anderen de waarheid beter kennen dan zij. Deze meening is waar of niet. Is zij waar, dan wordt daardoorProtagorasweêrlegd; en is zij niet waar, dan wordt hij ook weêrlegd, daar wij dan hier eene valsche meening hebben.2. Dus hangt de waarheid der meening vanProtagorasvan het oordeel der anderen af, en zij is niet waar, zoodra niemand ze aanneemt, terwijl hij zelf de meening van hen, die zijne leer verwerpen, als waar moet erkennen.3. Al stemt men toe, dat de leer vanProtagoraswaar is, ten opzigte van de enkele aandoeningen der zinnen, en van deugd en regtvaardigheid; ten opzigte van het nuttige wordt zij echter door de ondervinding weêrsproken.Hier volgt eene episode, waarin, naar eene gezochte aanleiding, de toestand van den wijsgeer, die de eeuwige ideën naspoort, verheven wordt boven het lot van hem, die zich op de zaken van het dagelijksche leven toelegt; hoewel wordt toegestemd, dat de wijsgeer niet minder ongeschikt is voor het dagelijksche leven, dan de anderen voor wijsgeerig onderzoek; daar de wijsgeer[216]hoe langer hoe beter, de andere hoe langer hoe slechter wordt, en de eerste veel meer grond van hoop op eene gelukkige onsterfelijkheid heeft dan de andere. Nu wordt de weêrlegging vanProtagorasweêr opgevat.4. Ten opzigte van het toekomstige is het duidelijk, dat niet alle meening even waar is, dewijl zij, die eene kunst verstaan, al wat daarop betrekking heeft, zelfs de toekomstige meeningen van anderen over de voortbrengselen dier kunst, veel beter dan die anderen kunnen vooruitzien.Wat nu de leer betreft, waarop de meening vanProtagorassteunt, namelijk, dat alles in beweging is: zij veroordeelt zich zelve door den onderlingen strijd harer aanhangers en de onmogelijkheid der kennis, die uit dezelve voortvloeit, daar, zoo alles steeds in beweging is en steeds verandert, het zintuig evenmin als het waargenomene zóó of zóó is, en dus het toekennen van eigenschappen of hoedanigheden ongerijmd moet geacht worden.Verder heeft iedere zin zijn eigen gebied, en de eene neemt de voorwerpen van de anderen niet waar. Wij hebben echter begrippen, b. v., van zijn, van gelijkheid en ongelijkheid, van éénheid en veelheid, enz., die op de waarnemingen van al de zinnen toepasselijk zijn. Dus moeten wij eene ziel aannemen, die boven de zinnen staat, hun middelpunt uitmaakt, en die begrippen door zich zelve kent. Die begrippen bevatten de waarheid; dus kan alleen de ziel de waarheid bereiken, en de zinnen, welke die begrippen niet kunnen vatten, zijn van de waarheid en dus van de kennis verstoken.[217]Dus is de kennis geen gevoel. Maar wat dan? Zij moet dus in de verrigtingen der ziel gezocht worden, en kan bepaald worden alsmeening, en wel, daar zij waar zijn moet, alsware meening. Maar is dan valsche meening bestaanbaar? Men kan er tegen inbrengen, dat, daar men elke zaak kent of niet kent, valsche meening niet bestaan kan, noch over hetgeen men kent, en welks waarheid dus voor onzen geest is, noch over hetgeen men niet kent, en dus in het geheel niet voor den geest heeft. Verder, dat, daar elke zaak is of niet is, hij, die meent wat is, ware meening heeft, en die meent wat niet is, niets meent.Maar is valsche meening dan ook verwisseling van begrippen? Het is onmogelijk, zoo men beide begrippen voor den geest heeft, ze te verwisselen, en dit kan evenmin geschieden, zoo men er maar één voor den geest heeft.Valsche meening is echter mogelijk, wanneer de vorige tegenstelling van kennen en niet kennen niet in de uitersten wordt vastgehouden, maar, óf het begrip óf de waarneming onvolkomen zijnde, beide op elkander worden toegepast; en ook wanneer niet volkomen heldere begrippen met elkaar worden in verband gebragt.Maar hoe is het mogelijk, begrippen te hebben en zich er toch in te vergissen? Zoo men ze wel bezit, maar niet duidelijk voor het bewustzijn heeft. Hierin zijn nog wel zwarigheden, want zoo men een waar begrip voor het bewustzijn haalt, hoe kan dat ons tot valsche meening brengen? Hiertoe moet aangenomen[218]worden, dat wij ook valsche begrippen in onzen geest hebben. Hoe zullen wij die onderscheiden? Natuurlijk door kennis. Dus komen wij weder tot de vraag: wat is kennis? Ware meening is er een bestanddeel van, maar voldoende is zij niet, daar er dikwijls ware meening gevonden wordt, die als bij toeval ontstaat en dus den naam van kennis niet verdient. Daarom willen wij beproeven, de kennis aldus te bepalen:kennis is ware meening met bepaling. Voor wij dit onderzoeken, moet opgemerkt worden, dat men beweert de grondbestanddeelen der begrippen niet te kunnen bepalen, maar wel derzelver verbindingen. Zoo zouden dan die grondbestanddeelen onkenbaar zijn. Dit laatste is echter niet waar, want, zijn de grondbestanddeelen onkenbaar, dan is het ook datgene, wat daaruit is zamengesteld, en het leeren van eenige kunst of wetenschap bestaat juist in het verkrijgen van kennis harer grondbestanddeelen.Nu kan men het woordbepalenin drieërlei zin opvatten. Of als het uitdrukken zijner meening door woorden; doch dit is geene uitsluitende eigenschap der ware meening; of als het opgeven der grondbestanddeelen; doch dit kan ook bij toeval goed gedaan worden; of als het opgeven van bet kenmerkend onderscheid; doch ook dit is niet voldoende; want het onderscheid er bij te meenen, geeft niets, en het er bij te kennen, veronderstelt reeds kennis, en neemt dus, wat moet bepaald worden, in de bepaling op.[219]
[Inhoud]OVERZIGT DER REDEKAVELING.Socratesvraagt aanTheodorus, welke Atheensche jongelingen vooral uitmunten.TheodorusroemtTheaetetusom zijne vlugheid in het leeren, zijne zachtmoedigheid en zijne losheid van het geld.Hierop zoektSocratesTheaetetusin een gesprek te wikkelen, en legt hem de vraag voor, wat kennis is.Theaetetuszegt, dit dikwijls onderzocht te hebben, maar het niet te kunnen vinden, waaropSocrateszegt, zelf geene kennis te hebben, maar wel de kunst te verstaan, van de begrippen, die in den geest van anderen sluimeren, door vragen te ontwikkelen. Hierdoor aangespoord, zegtTheaetetus:kennis is gevoel. Dit antwoord onderzoektSocratesop deze wijs. Het komt op hetzelfde neêr als de leer vanProtagoras:dat de mensch de maat is van alle dingen, met andere woorden: dat alle kennis subjectief is, dewijl zij ontstaat door de zamenwerking van de indrukken, op de zinnen gemaakt door de aanhoudend veranderende dingen buiten ons, en van den toestand, waarin hij, die de indrukken ontvangt, zich op het oogenblik[214]bevindt, waaruit volgt, dat alle meening op het oogenblik waar is, doch alleen voor hem, die dezelve koestert, en dat geene hoedanigheid of eigenschap, die wij aan de zaken toekennen, op zich zelve bestaat, maar alles slechts betrekkelijk is en aanhoudend verandert. Nu zou men kunnen zeggen, dat dan ook de meeningen van gekken, droomenden of zieken waar zijn, en anderen daarmede niets te maken hebben. Men zou kunnen tegenwerpen: 1o. dat alzoo ieder even wijs is, en het dwaasheid zijn zou, anderen te willen leeren, 2o. dat wij dan talen, die wij niet kennen, zoo wij ze hooren spreken of geschreven zien, ook verstaan moeten, welk laatste zoo kan weêrlegd worden, dat wij alleen kennen, wat wij hooren en zien, doch de rest niet in aanmerking komt. 3o. Dat dan iemand, wat hij niet ziet noch hoort, maar zich wel uit vroegere waarneming herinnert, ook niet kent. 4o. Dat men dan iets, dat men slechts met het ééne oog ziet, tegelijk kent en niet kent, en dat al de eigenschappen van de aandoeningen der zinnen dus op de kennis van toepassing zijn.Hierop zouProtagoraskunnen antwoorden:1. Het doel van het leeren is niet meerware, maar meernuttigemeening te doen ontstaan, want alle meening is wel even waar, doch alle meening is niet even nuttig.2. Op deze tegenwerping is reeds geantwoord.3. Herinnering is geheel iets anders dan waarneming en kan dus niet evenzeer kennis genoemd worden. Ook is iemand, zoo hij van waarnemend herinnerend[215]geworden is, niet meer dezelfde, maar hij is veranderd.4. Kennen en niet kennen kan best zamengaan, zooals juist uit het vorige blijkt.Hierna weetSocratesTheodorusin het gesprek te doen deelen en weêrlegt, met hem sprekende,Protagorasaldus.1. De ondervinding leert, dat de menschen wel degelijk in vele gevallen meenen, dat anderen de waarheid beter kennen dan zij. Deze meening is waar of niet. Is zij waar, dan wordt daardoorProtagorasweêrlegd; en is zij niet waar, dan wordt hij ook weêrlegd, daar wij dan hier eene valsche meening hebben.2. Dus hangt de waarheid der meening vanProtagorasvan het oordeel der anderen af, en zij is niet waar, zoodra niemand ze aanneemt, terwijl hij zelf de meening van hen, die zijne leer verwerpen, als waar moet erkennen.3. Al stemt men toe, dat de leer vanProtagoraswaar is, ten opzigte van de enkele aandoeningen der zinnen, en van deugd en regtvaardigheid; ten opzigte van het nuttige wordt zij echter door de ondervinding weêrsproken.Hier volgt eene episode, waarin, naar eene gezochte aanleiding, de toestand van den wijsgeer, die de eeuwige ideën naspoort, verheven wordt boven het lot van hem, die zich op de zaken van het dagelijksche leven toelegt; hoewel wordt toegestemd, dat de wijsgeer niet minder ongeschikt is voor het dagelijksche leven, dan de anderen voor wijsgeerig onderzoek; daar de wijsgeer[216]hoe langer hoe beter, de andere hoe langer hoe slechter wordt, en de eerste veel meer grond van hoop op eene gelukkige onsterfelijkheid heeft dan de andere. Nu wordt de weêrlegging vanProtagorasweêr opgevat.4. Ten opzigte van het toekomstige is het duidelijk, dat niet alle meening even waar is, dewijl zij, die eene kunst verstaan, al wat daarop betrekking heeft, zelfs de toekomstige meeningen van anderen over de voortbrengselen dier kunst, veel beter dan die anderen kunnen vooruitzien.Wat nu de leer betreft, waarop de meening vanProtagorassteunt, namelijk, dat alles in beweging is: zij veroordeelt zich zelve door den onderlingen strijd harer aanhangers en de onmogelijkheid der kennis, die uit dezelve voortvloeit, daar, zoo alles steeds in beweging is en steeds verandert, het zintuig evenmin als het waargenomene zóó of zóó is, en dus het toekennen van eigenschappen of hoedanigheden ongerijmd moet geacht worden.Verder heeft iedere zin zijn eigen gebied, en de eene neemt de voorwerpen van de anderen niet waar. Wij hebben echter begrippen, b. v., van zijn, van gelijkheid en ongelijkheid, van éénheid en veelheid, enz., die op de waarnemingen van al de zinnen toepasselijk zijn. Dus moeten wij eene ziel aannemen, die boven de zinnen staat, hun middelpunt uitmaakt, en die begrippen door zich zelve kent. Die begrippen bevatten de waarheid; dus kan alleen de ziel de waarheid bereiken, en de zinnen, welke die begrippen niet kunnen vatten, zijn van de waarheid en dus van de kennis verstoken.[217]Dus is de kennis geen gevoel. Maar wat dan? Zij moet dus in de verrigtingen der ziel gezocht worden, en kan bepaald worden alsmeening, en wel, daar zij waar zijn moet, alsware meening. Maar is dan valsche meening bestaanbaar? Men kan er tegen inbrengen, dat, daar men elke zaak kent of niet kent, valsche meening niet bestaan kan, noch over hetgeen men kent, en welks waarheid dus voor onzen geest is, noch over hetgeen men niet kent, en dus in het geheel niet voor den geest heeft. Verder, dat, daar elke zaak is of niet is, hij, die meent wat is, ware meening heeft, en die meent wat niet is, niets meent.Maar is valsche meening dan ook verwisseling van begrippen? Het is onmogelijk, zoo men beide begrippen voor den geest heeft, ze te verwisselen, en dit kan evenmin geschieden, zoo men er maar één voor den geest heeft.Valsche meening is echter mogelijk, wanneer de vorige tegenstelling van kennen en niet kennen niet in de uitersten wordt vastgehouden, maar, óf het begrip óf de waarneming onvolkomen zijnde, beide op elkander worden toegepast; en ook wanneer niet volkomen heldere begrippen met elkaar worden in verband gebragt.Maar hoe is het mogelijk, begrippen te hebben en zich er toch in te vergissen? Zoo men ze wel bezit, maar niet duidelijk voor het bewustzijn heeft. Hierin zijn nog wel zwarigheden, want zoo men een waar begrip voor het bewustzijn haalt, hoe kan dat ons tot valsche meening brengen? Hiertoe moet aangenomen[218]worden, dat wij ook valsche begrippen in onzen geest hebben. Hoe zullen wij die onderscheiden? Natuurlijk door kennis. Dus komen wij weder tot de vraag: wat is kennis? Ware meening is er een bestanddeel van, maar voldoende is zij niet, daar er dikwijls ware meening gevonden wordt, die als bij toeval ontstaat en dus den naam van kennis niet verdient. Daarom willen wij beproeven, de kennis aldus te bepalen:kennis is ware meening met bepaling. Voor wij dit onderzoeken, moet opgemerkt worden, dat men beweert de grondbestanddeelen der begrippen niet te kunnen bepalen, maar wel derzelver verbindingen. Zoo zouden dan die grondbestanddeelen onkenbaar zijn. Dit laatste is echter niet waar, want, zijn de grondbestanddeelen onkenbaar, dan is het ook datgene, wat daaruit is zamengesteld, en het leeren van eenige kunst of wetenschap bestaat juist in het verkrijgen van kennis harer grondbestanddeelen.Nu kan men het woordbepalenin drieërlei zin opvatten. Of als het uitdrukken zijner meening door woorden; doch dit is geene uitsluitende eigenschap der ware meening; of als het opgeven der grondbestanddeelen; doch dit kan ook bij toeval goed gedaan worden; of als het opgeven van bet kenmerkend onderscheid; doch ook dit is niet voldoende; want het onderscheid er bij te meenen, geeft niets, en het er bij te kennen, veronderstelt reeds kennis, en neemt dus, wat moet bepaald worden, in de bepaling op.[219]
OVERZIGT DER REDEKAVELING.
Socratesvraagt aanTheodorus, welke Atheensche jongelingen vooral uitmunten.TheodorusroemtTheaetetusom zijne vlugheid in het leeren, zijne zachtmoedigheid en zijne losheid van het geld.Hierop zoektSocratesTheaetetusin een gesprek te wikkelen, en legt hem de vraag voor, wat kennis is.Theaetetuszegt, dit dikwijls onderzocht te hebben, maar het niet te kunnen vinden, waaropSocrateszegt, zelf geene kennis te hebben, maar wel de kunst te verstaan, van de begrippen, die in den geest van anderen sluimeren, door vragen te ontwikkelen. Hierdoor aangespoord, zegtTheaetetus:kennis is gevoel. Dit antwoord onderzoektSocratesop deze wijs. Het komt op hetzelfde neêr als de leer vanProtagoras:dat de mensch de maat is van alle dingen, met andere woorden: dat alle kennis subjectief is, dewijl zij ontstaat door de zamenwerking van de indrukken, op de zinnen gemaakt door de aanhoudend veranderende dingen buiten ons, en van den toestand, waarin hij, die de indrukken ontvangt, zich op het oogenblik[214]bevindt, waaruit volgt, dat alle meening op het oogenblik waar is, doch alleen voor hem, die dezelve koestert, en dat geene hoedanigheid of eigenschap, die wij aan de zaken toekennen, op zich zelve bestaat, maar alles slechts betrekkelijk is en aanhoudend verandert. Nu zou men kunnen zeggen, dat dan ook de meeningen van gekken, droomenden of zieken waar zijn, en anderen daarmede niets te maken hebben. Men zou kunnen tegenwerpen: 1o. dat alzoo ieder even wijs is, en het dwaasheid zijn zou, anderen te willen leeren, 2o. dat wij dan talen, die wij niet kennen, zoo wij ze hooren spreken of geschreven zien, ook verstaan moeten, welk laatste zoo kan weêrlegd worden, dat wij alleen kennen, wat wij hooren en zien, doch de rest niet in aanmerking komt. 3o. Dat dan iemand, wat hij niet ziet noch hoort, maar zich wel uit vroegere waarneming herinnert, ook niet kent. 4o. Dat men dan iets, dat men slechts met het ééne oog ziet, tegelijk kent en niet kent, en dat al de eigenschappen van de aandoeningen der zinnen dus op de kennis van toepassing zijn.Hierop zouProtagoraskunnen antwoorden:1. Het doel van het leeren is niet meerware, maar meernuttigemeening te doen ontstaan, want alle meening is wel even waar, doch alle meening is niet even nuttig.2. Op deze tegenwerping is reeds geantwoord.3. Herinnering is geheel iets anders dan waarneming en kan dus niet evenzeer kennis genoemd worden. Ook is iemand, zoo hij van waarnemend herinnerend[215]geworden is, niet meer dezelfde, maar hij is veranderd.4. Kennen en niet kennen kan best zamengaan, zooals juist uit het vorige blijkt.Hierna weetSocratesTheodorusin het gesprek te doen deelen en weêrlegt, met hem sprekende,Protagorasaldus.1. De ondervinding leert, dat de menschen wel degelijk in vele gevallen meenen, dat anderen de waarheid beter kennen dan zij. Deze meening is waar of niet. Is zij waar, dan wordt daardoorProtagorasweêrlegd; en is zij niet waar, dan wordt hij ook weêrlegd, daar wij dan hier eene valsche meening hebben.2. Dus hangt de waarheid der meening vanProtagorasvan het oordeel der anderen af, en zij is niet waar, zoodra niemand ze aanneemt, terwijl hij zelf de meening van hen, die zijne leer verwerpen, als waar moet erkennen.3. Al stemt men toe, dat de leer vanProtagoraswaar is, ten opzigte van de enkele aandoeningen der zinnen, en van deugd en regtvaardigheid; ten opzigte van het nuttige wordt zij echter door de ondervinding weêrsproken.Hier volgt eene episode, waarin, naar eene gezochte aanleiding, de toestand van den wijsgeer, die de eeuwige ideën naspoort, verheven wordt boven het lot van hem, die zich op de zaken van het dagelijksche leven toelegt; hoewel wordt toegestemd, dat de wijsgeer niet minder ongeschikt is voor het dagelijksche leven, dan de anderen voor wijsgeerig onderzoek; daar de wijsgeer[216]hoe langer hoe beter, de andere hoe langer hoe slechter wordt, en de eerste veel meer grond van hoop op eene gelukkige onsterfelijkheid heeft dan de andere. Nu wordt de weêrlegging vanProtagorasweêr opgevat.4. Ten opzigte van het toekomstige is het duidelijk, dat niet alle meening even waar is, dewijl zij, die eene kunst verstaan, al wat daarop betrekking heeft, zelfs de toekomstige meeningen van anderen over de voortbrengselen dier kunst, veel beter dan die anderen kunnen vooruitzien.Wat nu de leer betreft, waarop de meening vanProtagorassteunt, namelijk, dat alles in beweging is: zij veroordeelt zich zelve door den onderlingen strijd harer aanhangers en de onmogelijkheid der kennis, die uit dezelve voortvloeit, daar, zoo alles steeds in beweging is en steeds verandert, het zintuig evenmin als het waargenomene zóó of zóó is, en dus het toekennen van eigenschappen of hoedanigheden ongerijmd moet geacht worden.Verder heeft iedere zin zijn eigen gebied, en de eene neemt de voorwerpen van de anderen niet waar. Wij hebben echter begrippen, b. v., van zijn, van gelijkheid en ongelijkheid, van éénheid en veelheid, enz., die op de waarnemingen van al de zinnen toepasselijk zijn. Dus moeten wij eene ziel aannemen, die boven de zinnen staat, hun middelpunt uitmaakt, en die begrippen door zich zelve kent. Die begrippen bevatten de waarheid; dus kan alleen de ziel de waarheid bereiken, en de zinnen, welke die begrippen niet kunnen vatten, zijn van de waarheid en dus van de kennis verstoken.[217]Dus is de kennis geen gevoel. Maar wat dan? Zij moet dus in de verrigtingen der ziel gezocht worden, en kan bepaald worden alsmeening, en wel, daar zij waar zijn moet, alsware meening. Maar is dan valsche meening bestaanbaar? Men kan er tegen inbrengen, dat, daar men elke zaak kent of niet kent, valsche meening niet bestaan kan, noch over hetgeen men kent, en welks waarheid dus voor onzen geest is, noch over hetgeen men niet kent, en dus in het geheel niet voor den geest heeft. Verder, dat, daar elke zaak is of niet is, hij, die meent wat is, ware meening heeft, en die meent wat niet is, niets meent.Maar is valsche meening dan ook verwisseling van begrippen? Het is onmogelijk, zoo men beide begrippen voor den geest heeft, ze te verwisselen, en dit kan evenmin geschieden, zoo men er maar één voor den geest heeft.Valsche meening is echter mogelijk, wanneer de vorige tegenstelling van kennen en niet kennen niet in de uitersten wordt vastgehouden, maar, óf het begrip óf de waarneming onvolkomen zijnde, beide op elkander worden toegepast; en ook wanneer niet volkomen heldere begrippen met elkaar worden in verband gebragt.Maar hoe is het mogelijk, begrippen te hebben en zich er toch in te vergissen? Zoo men ze wel bezit, maar niet duidelijk voor het bewustzijn heeft. Hierin zijn nog wel zwarigheden, want zoo men een waar begrip voor het bewustzijn haalt, hoe kan dat ons tot valsche meening brengen? Hiertoe moet aangenomen[218]worden, dat wij ook valsche begrippen in onzen geest hebben. Hoe zullen wij die onderscheiden? Natuurlijk door kennis. Dus komen wij weder tot de vraag: wat is kennis? Ware meening is er een bestanddeel van, maar voldoende is zij niet, daar er dikwijls ware meening gevonden wordt, die als bij toeval ontstaat en dus den naam van kennis niet verdient. Daarom willen wij beproeven, de kennis aldus te bepalen:kennis is ware meening met bepaling. Voor wij dit onderzoeken, moet opgemerkt worden, dat men beweert de grondbestanddeelen der begrippen niet te kunnen bepalen, maar wel derzelver verbindingen. Zoo zouden dan die grondbestanddeelen onkenbaar zijn. Dit laatste is echter niet waar, want, zijn de grondbestanddeelen onkenbaar, dan is het ook datgene, wat daaruit is zamengesteld, en het leeren van eenige kunst of wetenschap bestaat juist in het verkrijgen van kennis harer grondbestanddeelen.Nu kan men het woordbepalenin drieërlei zin opvatten. Of als het uitdrukken zijner meening door woorden; doch dit is geene uitsluitende eigenschap der ware meening; of als het opgeven der grondbestanddeelen; doch dit kan ook bij toeval goed gedaan worden; of als het opgeven van bet kenmerkend onderscheid; doch ook dit is niet voldoende; want het onderscheid er bij te meenen, geeft niets, en het er bij te kennen, veronderstelt reeds kennis, en neemt dus, wat moet bepaald worden, in de bepaling op.[219]
Socratesvraagt aanTheodorus, welke Atheensche jongelingen vooral uitmunten.TheodorusroemtTheaetetusom zijne vlugheid in het leeren, zijne zachtmoedigheid en zijne losheid van het geld.
Hierop zoektSocratesTheaetetusin een gesprek te wikkelen, en legt hem de vraag voor, wat kennis is.Theaetetuszegt, dit dikwijls onderzocht te hebben, maar het niet te kunnen vinden, waaropSocrateszegt, zelf geene kennis te hebben, maar wel de kunst te verstaan, van de begrippen, die in den geest van anderen sluimeren, door vragen te ontwikkelen. Hierdoor aangespoord, zegtTheaetetus:kennis is gevoel. Dit antwoord onderzoektSocratesop deze wijs. Het komt op hetzelfde neêr als de leer vanProtagoras:dat de mensch de maat is van alle dingen, met andere woorden: dat alle kennis subjectief is, dewijl zij ontstaat door de zamenwerking van de indrukken, op de zinnen gemaakt door de aanhoudend veranderende dingen buiten ons, en van den toestand, waarin hij, die de indrukken ontvangt, zich op het oogenblik[214]bevindt, waaruit volgt, dat alle meening op het oogenblik waar is, doch alleen voor hem, die dezelve koestert, en dat geene hoedanigheid of eigenschap, die wij aan de zaken toekennen, op zich zelve bestaat, maar alles slechts betrekkelijk is en aanhoudend verandert. Nu zou men kunnen zeggen, dat dan ook de meeningen van gekken, droomenden of zieken waar zijn, en anderen daarmede niets te maken hebben. Men zou kunnen tegenwerpen: 1o. dat alzoo ieder even wijs is, en het dwaasheid zijn zou, anderen te willen leeren, 2o. dat wij dan talen, die wij niet kennen, zoo wij ze hooren spreken of geschreven zien, ook verstaan moeten, welk laatste zoo kan weêrlegd worden, dat wij alleen kennen, wat wij hooren en zien, doch de rest niet in aanmerking komt. 3o. Dat dan iemand, wat hij niet ziet noch hoort, maar zich wel uit vroegere waarneming herinnert, ook niet kent. 4o. Dat men dan iets, dat men slechts met het ééne oog ziet, tegelijk kent en niet kent, en dat al de eigenschappen van de aandoeningen der zinnen dus op de kennis van toepassing zijn.
Hierop zouProtagoraskunnen antwoorden:
1. Het doel van het leeren is niet meerware, maar meernuttigemeening te doen ontstaan, want alle meening is wel even waar, doch alle meening is niet even nuttig.
2. Op deze tegenwerping is reeds geantwoord.
3. Herinnering is geheel iets anders dan waarneming en kan dus niet evenzeer kennis genoemd worden. Ook is iemand, zoo hij van waarnemend herinnerend[215]geworden is, niet meer dezelfde, maar hij is veranderd.
4. Kennen en niet kennen kan best zamengaan, zooals juist uit het vorige blijkt.
Hierna weetSocratesTheodorusin het gesprek te doen deelen en weêrlegt, met hem sprekende,Protagorasaldus.
1. De ondervinding leert, dat de menschen wel degelijk in vele gevallen meenen, dat anderen de waarheid beter kennen dan zij. Deze meening is waar of niet. Is zij waar, dan wordt daardoorProtagorasweêrlegd; en is zij niet waar, dan wordt hij ook weêrlegd, daar wij dan hier eene valsche meening hebben.
2. Dus hangt de waarheid der meening vanProtagorasvan het oordeel der anderen af, en zij is niet waar, zoodra niemand ze aanneemt, terwijl hij zelf de meening van hen, die zijne leer verwerpen, als waar moet erkennen.
3. Al stemt men toe, dat de leer vanProtagoraswaar is, ten opzigte van de enkele aandoeningen der zinnen, en van deugd en regtvaardigheid; ten opzigte van het nuttige wordt zij echter door de ondervinding weêrsproken.
Hier volgt eene episode, waarin, naar eene gezochte aanleiding, de toestand van den wijsgeer, die de eeuwige ideën naspoort, verheven wordt boven het lot van hem, die zich op de zaken van het dagelijksche leven toelegt; hoewel wordt toegestemd, dat de wijsgeer niet minder ongeschikt is voor het dagelijksche leven, dan de anderen voor wijsgeerig onderzoek; daar de wijsgeer[216]hoe langer hoe beter, de andere hoe langer hoe slechter wordt, en de eerste veel meer grond van hoop op eene gelukkige onsterfelijkheid heeft dan de andere. Nu wordt de weêrlegging vanProtagorasweêr opgevat.
4. Ten opzigte van het toekomstige is het duidelijk, dat niet alle meening even waar is, dewijl zij, die eene kunst verstaan, al wat daarop betrekking heeft, zelfs de toekomstige meeningen van anderen over de voortbrengselen dier kunst, veel beter dan die anderen kunnen vooruitzien.
Wat nu de leer betreft, waarop de meening vanProtagorassteunt, namelijk, dat alles in beweging is: zij veroordeelt zich zelve door den onderlingen strijd harer aanhangers en de onmogelijkheid der kennis, die uit dezelve voortvloeit, daar, zoo alles steeds in beweging is en steeds verandert, het zintuig evenmin als het waargenomene zóó of zóó is, en dus het toekennen van eigenschappen of hoedanigheden ongerijmd moet geacht worden.
Verder heeft iedere zin zijn eigen gebied, en de eene neemt de voorwerpen van de anderen niet waar. Wij hebben echter begrippen, b. v., van zijn, van gelijkheid en ongelijkheid, van éénheid en veelheid, enz., die op de waarnemingen van al de zinnen toepasselijk zijn. Dus moeten wij eene ziel aannemen, die boven de zinnen staat, hun middelpunt uitmaakt, en die begrippen door zich zelve kent. Die begrippen bevatten de waarheid; dus kan alleen de ziel de waarheid bereiken, en de zinnen, welke die begrippen niet kunnen vatten, zijn van de waarheid en dus van de kennis verstoken.[217]
Dus is de kennis geen gevoel. Maar wat dan? Zij moet dus in de verrigtingen der ziel gezocht worden, en kan bepaald worden alsmeening, en wel, daar zij waar zijn moet, alsware meening. Maar is dan valsche meening bestaanbaar? Men kan er tegen inbrengen, dat, daar men elke zaak kent of niet kent, valsche meening niet bestaan kan, noch over hetgeen men kent, en welks waarheid dus voor onzen geest is, noch over hetgeen men niet kent, en dus in het geheel niet voor den geest heeft. Verder, dat, daar elke zaak is of niet is, hij, die meent wat is, ware meening heeft, en die meent wat niet is, niets meent.
Maar is valsche meening dan ook verwisseling van begrippen? Het is onmogelijk, zoo men beide begrippen voor den geest heeft, ze te verwisselen, en dit kan evenmin geschieden, zoo men er maar één voor den geest heeft.
Valsche meening is echter mogelijk, wanneer de vorige tegenstelling van kennen en niet kennen niet in de uitersten wordt vastgehouden, maar, óf het begrip óf de waarneming onvolkomen zijnde, beide op elkander worden toegepast; en ook wanneer niet volkomen heldere begrippen met elkaar worden in verband gebragt.
Maar hoe is het mogelijk, begrippen te hebben en zich er toch in te vergissen? Zoo men ze wel bezit, maar niet duidelijk voor het bewustzijn heeft. Hierin zijn nog wel zwarigheden, want zoo men een waar begrip voor het bewustzijn haalt, hoe kan dat ons tot valsche meening brengen? Hiertoe moet aangenomen[218]worden, dat wij ook valsche begrippen in onzen geest hebben. Hoe zullen wij die onderscheiden? Natuurlijk door kennis. Dus komen wij weder tot de vraag: wat is kennis? Ware meening is er een bestanddeel van, maar voldoende is zij niet, daar er dikwijls ware meening gevonden wordt, die als bij toeval ontstaat en dus den naam van kennis niet verdient. Daarom willen wij beproeven, de kennis aldus te bepalen:kennis is ware meening met bepaling. Voor wij dit onderzoeken, moet opgemerkt worden, dat men beweert de grondbestanddeelen der begrippen niet te kunnen bepalen, maar wel derzelver verbindingen. Zoo zouden dan die grondbestanddeelen onkenbaar zijn. Dit laatste is echter niet waar, want, zijn de grondbestanddeelen onkenbaar, dan is het ook datgene, wat daaruit is zamengesteld, en het leeren van eenige kunst of wetenschap bestaat juist in het verkrijgen van kennis harer grondbestanddeelen.
Nu kan men het woordbepalenin drieërlei zin opvatten. Of als het uitdrukken zijner meening door woorden; doch dit is geene uitsluitende eigenschap der ware meening; of als het opgeven der grondbestanddeelen; doch dit kan ook bij toeval goed gedaan worden; of als het opgeven van bet kenmerkend onderscheid; doch ook dit is niet voldoende; want het onderscheid er bij te meenen, geeft niets, en het er bij te kennen, veronderstelt reeds kennis, en neemt dus, wat moet bepaald worden, in de bepaling op.[219]