The Project Gutenberg eBook ofTheaetetusThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: TheaetetusAuthor: PlatoTranslator: D. BurgerRelease date: November 12, 2023 [eBook #72108]Language: DutchOriginal publication: Amsterdam: P. N. van Kampen, 1847Credits: Wouter Franssen, Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK THEAETETUS ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: TheaetetusAuthor: PlatoTranslator: D. BurgerRelease date: November 12, 2023 [eBook #72108]Language: DutchOriginal publication: Amsterdam: P. N. van Kampen, 1847Credits: Wouter Franssen, Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)
Title: Theaetetus
Author: PlatoTranslator: D. Burger
Author: Plato
Translator: D. Burger
Release date: November 12, 2023 [eBook #72108]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: P. N. van Kampen, 1847
Credits: Wouter Franssen, Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK THEAETETUS ***
[Inhoud][Inhoud]THEAETETUS.[Inhoud]Oorspronkelijke titelpagina.THEAETETUS,OFOPLEIDING TOT DE WIJSBEGEERTE.UIT HET GRIEKSCH VANPLATO,IN HET HOLLANDSCH OVERGEZET, EN MET OPHELDERENDE EN BEOORDEELENDE AANMERKINGEN VOORZIEN,DOORDr.D. BURGER,Jr.AMSTERDAM,P. N. VAN KAMPEN.1847.[V][Inhoud]VOORBERIGT.Toen ik, voor omtrent vier jaren, wenschte te promoveren, ried mij mijn hooggeschatte leermeester, de HoogleeraarBake,den Theaetetus tot onderwerp mijner dissertatie te nemen. Dien raad volgde ik op en bevond er mij wel bij. Sedert heb ik altijd voor die zamenspraak veel genegenheid behouden, en werd daardoor, na het uitgeven mijner vertaling van den Phaedo, tot eene dergelijke bewerking van den Theaetetus aangezet. Hierin werd ik versterkt door het groote verband, dat mij tusschen het onderwerp van beide dialogen scheen te bestaan, en door de opmerking, dat hier en daar bij ons een eenzijdig materialismus schijnt veld te winnen, hetwelk, schoon ook zijne regten hebbende, door eene grondige studie der zielkunde binnen zijne grenzen moet gehouden worden. Tot dit laatste kan de studie van den Theaetetus welligt iets bijdragen; althans ook met dat doel heb ik juist dit werk vanPlatozoeken op te helderen.Misschien heeft het sommigen verwonderd, dat ik tegenwoordig alleen over de Grieksche Wijsbegeerte schrijf, en niet mede strijd op het wijsgeerig-theologische slagveld. Behalve door de belangrijkheid der Grieksche Wijsbegeerte, die op zich zelve aantrekkelijk genoeg is, om bij uitsluiting beoefend te worden, ben ik daartoe genoopt: vooreerst door mijn afkeer van theologische twisten, die meest verbitteren en zelden verbeteren, daar de Grieksche Wijsbegeerte door den tijd van haren bloei in dit opzigt meer onzijdig is, en haren beoefenaar, niet meer dan hij zelf wil, met[VI]theologische strijdpunten in aanraking brengt; ten andere door mijne overtuiging, dat eene meer oplettende beschouwing dier Wijsbegeerte nog tegenwoordig vanonberekenbaarnut is; eindelijk door mijn beroep: het geven van privaat-onderwijs in de oude letteren, daar ik mijne neiging tot de Wijsbegeerte door die studie althans gedeeltelijk voldoen kan, zonder mijn dagelijksch werk te benadeelen. Naarmate toch iemands beroep en studie meer zamenvallen, kan hij beiden beter uitoefenen, daar dan beiden elkander schragen en bevorderen.Ik heb bij den Theaetetus eenige taalkundige aanmerkingen gevoegd, zoo om mijne vertaling te regtvaardigen, als om eene soort van letterkundige geloofsbelijdenis af te leggen. Hoezeer volmondig erkennende,—en wie zal zulks na de redevoering van den HoogleeraarCobetnog tegenspreken?—dat vele plaatsen der oude schrijvers alleen door verandering der lezing kunnen verklaard worden, heb ik echter altijd meer neiging tot interpreteren dan tot emenderen gehad. Daar ik nu, vooral in den Theaetetus, menige plaats, die oppervlakkig zeer verward is, door naauwkeurige interpretatie, zonder verandering der lezing, meen te kunnen redden, heb ik hiervan eenige proeven gegeven, om daardoor het oordeel van bevoegde beoordeelaars uit te lokken.Dit moge volstaan tot regtvaardiging van mijne handelwijs. Verder hoop ik, dat ook door deze vertaling en opheldering van den Theaetetus iets moge bijgedragen worden, om de ontwikkeling der Wijsbegeerte in Nederland te bevorderen.Amsterdam, 19 April, 1847.D. Burger jr.[1][Inhoud]INLEIDING.De zamenspraak vanPlato, die ik hier aan mijne landgenooten zoek te verklaren, is, hoewel geenszins een vervolg op den Phaedo, door haren inhoud zeer geschikt, om onmiddellijk na den Phaedo behandeld te worden, zooals ik hoop, dat bij eene naauwkeurige lezing blijken zal. In den Phaedo wordt de onsterfelijkheid der ziel tot de vraag teruggebragt, of de ziel eene eigenschap des ligchaams, of een wezen op zich zelf is. Dat inderdaad van het antwoord op deze vraag ons oordeel over het voortduren der ziel moet afhangen, valt gemakkelijk in te zien, wanneer wij bedenken, dat eene eigenschap niet langer bestaat, dan het wezen waarvan zij eigenschap is, en dat bij gevolg, zoo de ziel slechts eene eigenschap des ligchaams is, haar bestaan geheel en al van het bestaan des ligchaams afhangt, en dus met het ophouden van het bestaan des ligchaams ophoudt. Daar alzoo de vraag naar de onsterfelijkheid der ziel voor een groot deel afhangt van het oordeel, dat wij over haar verband[2]met het ligchaam vellen, zoo is het, nadat de vraag over hare onsterfelijkheid geopperd is, allezins dienstig, de gronden te overwegen, die voor eene onderscheiding der ziel van het ligchaam kunnen pleiten.In denTheaetetusnu wordt een deel dier gronden behandeld en de vraag wordt hier op een gebied overgebragt, waarop, naPlato, vele groote wijsgeeren dezelfde vraag hebben meenen te moeten overbrengen. Het is namelijk de wezenheid der menschelijke kennis, die hier behandeld wordt, welke kennis óf geheel uit de zinnen stamt, óf gedeeltelijk uit eene hoogere bron ontleend is. Naarmate dit laatste wordt beantwoord, valt ook ons oordeel uit aangaande het al of niet onderscheiden zijn van ziel en ligchaam.Voordat er met de lezing een begin gemaakt wordt, zal het niet ondienstig zijn, een enkel woord te zeggen zoowel over den tijd, waarin deTheaetetusgeschreven is, als over het doel, datPlatoer mede beoogde, waarna ik nog kortelijk over de daarin voorkomende personen zal handelen. Bij het beoordeelen vanPlato’s geschriften rigt ik mij vooral naar de doorKarl Fr. Hermannuiteengezette verhouding tusschenPlato’s leven en zijne wijsgeerige ontwikkeling. In de inleiding voor mijnen Phaedo heb ik dat punt uitvoeriger behandeld, en kan daarop verwijzen, zoodat hier een enkel woord over dat onderwerp voldoende is.Wij weten, datPlatonaSocratesdood zich naarMegarabegaf, en aldaar eenigen tijd de lessen vanEuclides, een ouder leerling vanSocrates, bijwoonde.Wij kunnen denTheaetetusin het tijdperk stellen, datPlatoteMegaradoorbragt, en zien in het begin[3]van den Theaetetus eene soort van toewijding van dit werk aan zijne vrienden teMegara; ja,Platogeeft niet onduidelijk te kennen, dat hij de hier vermelde bijzonderheden inMegaravernomen heeft, hetgeen wel verdicht zal wezen, daarPlato, hetgeenSocratesbetrof, niet uit de tweede hand behoefde te vernemen, en het bekend is, hoe weinig zijne geschriften op geschiedkundige waarheid aanspraak maken, doch hetgeen slechts ten bewijze van de goede verstandhouding tusschenPlatoenEuclidesen ter aanleiding der bron daarvan, namelijk de gemeenschappelijke vereering van hunnen meester, kan dienen. Verder wordt de leer der sensualisten, die alle kennis uit de zinnelijke waarneming afleiden, en daartoe, gelijk wij zien zullen, de leer vanHeraclietmisbruikten, in dit werk hevig bestreden; en ieder, die weet, datEuclidesde leer der Eleaten, die juist de redekennis ten koste der zinnelijke waarneming beoefenden, met de Socratische wijsbegeerte zocht te verbinden, zal gemakkelijk begrijpen, datPlatonergens eerder dan teMegaraeene bestrijding van die sensualistische theorie kon in den zin krijgen. Hierbij komt nog, dat wij in den Theaetetus eene vrij uitvoerige beschrijving vinden van de onaangename botsingen tusschen den wijsgeer en het werkelijke leven, waarin duidelijk de verbittering doorstraalt, diePlatowegens de veroordeeling van zijnen meester gevoelde. Eindelijk wordt in den Theaetetus een groot deel des gespreks aan den wiskunstenaarTheodorusopgedragen, die ten tijde vanSocratesinAthenede meetkunst onderwezen heeft. Deze wiskunstenaar was vanCyrenegeboortig, en wij weten, datPlatovanMegaranaarCyrenegegaan is,[4]om zijne lessen bij te wonen. Daar hij nuTheodorusals leerling vanProtagorasdoet optreden, maar hem tevens met de grootste eere vermeldt, en hem de verklaring in den mond geeft, dat hij zich tegenwoordig alleen met de meetkunst bezig hield, zie ik hierin een uitvloeisel vanPlato’s verlangen, om dien wiskundige in zijne woonplaats op te zoeken en door zijne lessen in de wiskunde onderwezen te worden. Daarom is het welligt niet onjuist, wanneer wij aannemen, datPlatoden Theaetetus in den laatsten tijd van zijn verblijf teMegarageschreven heeft, toen hij op het punt stond om de reis naarCyrenete ondernemen. OfPlatoechter toen dit zijn werk heeft uitgegeven, is onzeker, ja wordt onwaarschijnlijk door de vermelding der oorlogsdaden vanTheaetetusen van het gevecht bijCorinthe, dat eerst naPlato’s terugkomst schijnt plaats gehad te hebben, waarom de meening geenszins verwerpelijk is, dat hij den Theaetetus eerst later heeft uitgegeven, zonder er veel in te veranderen, en dat hij alleen het begin eenigzins heeft gewijzigd.Nu willen wij nog met een enkel woord het doel van den Theaetetus behandelen, hoewel dit punt eerst na de lezing der geheele zamenspraak behoorlijk kan uiteengezet worden.Nadat er uitvoerig gesproken is van de bekwaamheid vanSocrates, om door vragen de waarheid uit den geest zijner toehoorders te ontwikkelen, wordt de leer, dat alle kennis uit de zinnen stamt, bestreden, en het bestaan van een hooger kenvermogen aangetoond. Hierop volgen nog eenige aanmerkingen, waarvan wijlagermelding zullen maken; het aangemerkte is, geloof ik, voldoende,[5]om voorloopig eenig denkbeeld te geven van hetgeen wij van den Theaetetus te verwachten hebben. Wij zullen hier namelijk een betoog vinden van de stelling, dat niet de zinnen, maar de geest zelf, de rede zouden wij zeggen, de bron is der ware kennis. Het boek, dat wij voor ons hebben, is dus eene soort van inleiding in de eigenlijke philosophie, eene beschouwing van het kenvermogen, geschikt om tot de wijsbegeerte voor te bereiden, en reeds in de verte het ware voorwerp der wijsbegeerte volgensPlato, de leer der Ideën namelijk, te doen opmerken. Dit laatste geschiedt echter slechts in het voorbijgaan, waaruit blijkt, dat hetPlato’s voornemen niet was, de vraag naar den aard der menschelijke kennis hier geheel en volledig te beantwoorden; daar hij dan de leer der Ideën niet in het voorbijgaan, maar meer opzettelijk zou behandeld hebben; maar dat hij slechts eene inleiding in de wijsbegeerte wilde geven. Hieruit kan reeds blijken, dat ik in mijn oordeel over deze zamenspraak vanVan Heusdeverschil, daar deze van gevoelen is, dat vooral het vertoonen der Socratische wijze van ondervragen het doel van dit werk is, terwijl ik daarentegen meen, datPlatoalleen daarvan gesproken heeft, om op die wijze eene proefondervindelijke weêrlegging te geven van de leer, dat alle kennis uit de zinnen stamt. Wij zullen echter dit onderwerp na het lezen van den Theaetetus uitvoeriger moeten behandelen.Nu wilde ik nog kortelijk van de hier voorkomende personen spreken, daar dit tot beter verstand des boeks dienstig is.De eerste persoon, die hier in aanmerking komt, is[6]natuurlijkTheaetetuszelf. Van dezen weten wij weinig, behalve hetgeen in onze zamenspraak van hem vermeld wordt. Hij komt hier, zooals wij zien zullen, allergunstigst voor, zoo om zijne zedigheid, als om zijnen uitstekenden aanleg en zijne dapperheid in den oorlog. Later zegt men, dat hijPlatogehoord heeft, eindelijk naarHeracleavertrokken is, en daar de wiskunst heeft onderwezen.Te gelijk metTheaetetuswordt zijn leermeesterTheodorusvermeld, van wien wij reeds gezegd hebben, dat hij, hoewel de wijsbegeerte eene poos beoefend hebbende, later zich vooral op de meetkunst heeft toegelegd, en daarin zooveel naam had, dat zijne vermaardheidPlatonaarCyrenelokte, waar deze zijn onderwijs een tijd lang genoten heeft. De voorname bron, waaruit wij hem kennen, is, even als bijTheaetetus, het voor ons liggende werk.Theodorushad zich vooral op de leer vanProtagorastoegelegd. Er is een werk vanPlato, dat naar dezen genoemd wordt, hoewel daarin zijne leer vrij wat minder grondig dan in den Theaetetus wordt aangegrepen, hetgeen voor den hoogeren ouderdom vanPlato’s Protagoras pleit. Men verhaalt vanProtagoras, dat hij vanAbderageboortig en doorDemocritusin de wijsbegeerte was ingewijd, maar zich later beter met de leer vanHeracliethad kunnen vereenigen. Een wijsgeer echter verdient hij niet te heeten, daar hij een voorstander was der wijsbegeerte van den schijn, en, gelijk uit de naar hem genoemde zamenspraak blijkt, zich er op beroemde, dat hij het eerst openlijk den naam van sophist had gedragen. Hij bekwam door zijn[7]onderwijs veel aanzien en rijkdom; doch toen hij zich eindelijk had laten ontvallen, dat hij het bestaan der Goden als onzeker beschouwde, werden zijne boeken verbrand en hij zelf wegens ongodisterij veroordeeld. Hij ontvlood uitAthene, maar kwam op zee om.Protagorasvolgde de leer vanHeracliet, dat is, hij nam daaruit eenige deelen over, die zich gemakkelijk lieten gebruiken voor het doel, dat hij beoogde.Heraclietde Ephesier was door eenzame overpeinzingen en gebrekkige gezondheid tot eene zwaarmoedige geestgesteldheid vervallen, die zich ook in de duisterheid van zijnen stijl vertoonde. Wij weten van zijne leer, dat hij alle zinnelijke waarneming voor uiterst gebrekkig hield, daar de stoffelijke wereld onophoudelijk verandert, en geen oogenblik in denzelfden toestand blijft. Hierbij kwam echter een belangrijk toevoegsel, dat door zijne navolgers verwaarloosd is, hoewel het de noodzakelijke keerzijde van zijn gevoelen aangaande de veranderlijkheid der natuur uitmaakte. Hij erkende namelijk het bestaan van eenen algemeenen geest, die, alles doordringende en al wat bestaat beurtelings voortbrengende en weder in zich opnemende, eigenlijk in het vuur als het grond-element zijnen zetel had, en zelf de bron was van alle orde en wijsheid; zoodat de menschelijke geest, die van hem was uitgevloeid, alleen door zich aan hem vast te houden, der ware wijsheid kon deelachtig worden, en het kwaad eigenlijk daarin bestond, dat het enkele wezen, zijnen zamenhang met het algemeen vergetende, op zich zelf wilde staan en handelen. Dit laatste echter is door zijne navolgers niet vastgehouden, zooals uit den Theaetetus blijken kan,[8]hoewel het hier moest vermeld worden, om te doen inzien, dat de leer vanHeraclietin zijnen oorspronkelijken vorm vrij wat hooger stond, dan hetgeen later uit dezelve gemaakt is. Tot een staaltje van zijne duisterheid diene de anecdote, dat hij, aan waterzucht lijdende, de geneesheeren vroeg, of zij regen in droogte konden veranderen, hetgeen door deze, zooals ik bijna niet behoef te zeggen, niet begrepen werd.Verder komen hier nogEuclidesenTerpsionin aanmerking, twee getrouwe leerlingen vanSocrates, vooral de eerste, die zelfs met gevaar van zijn leven des nachts naarAthenekwam, omSocrateslessen te hooren.Hij bezat zelfstandigheid genoeg, om eene poging te wagen, ten einde de Socratische wijsbegeerte door die der Eleaten aan te vullen, en stichtte teMegaraeene school, die nog eenigen tijd gebloeid heeft, vooral de redeneerkunde met ijver beoefende, en in wetenschappelijken strijd metAristotelesis gewikkeld geworden. Hoezeer deze school door die vanPlatoenAristoteleseindelijk geheel is overschaduwd, verdient zij echter met eere vermeld te worden, al was het alleen, omdat zij den heilzaamsten invloed opPlatoheeft uitgeoefend, en hem tot de kennis der Eleatische wijsbegeerte heeft opgeleid.—VanTerpsionis ons weinig of niets bekend.Nu kunnen wij tot de lezing van den Theaetetus zelven overgaan.[9]
[Inhoud]
[Inhoud]THEAETETUS.
THEAETETUS.
THEAETETUS.
[Inhoud]Oorspronkelijke titelpagina.
Oorspronkelijke titelpagina.
Oorspronkelijke titelpagina.
THEAETETUS,OFOPLEIDING TOT DE WIJSBEGEERTE.UIT HET GRIEKSCH VANPLATO,IN HET HOLLANDSCH OVERGEZET, EN MET OPHELDERENDE EN BEOORDEELENDE AANMERKINGEN VOORZIEN,DOORDr.D. BURGER,Jr.AMSTERDAM,P. N. VAN KAMPEN.1847.
THEAETETUS,OFOPLEIDING TOT DE WIJSBEGEERTE.
UIT HET GRIEKSCH VANPLATO,IN HET HOLLANDSCH OVERGEZET, EN MET OPHELDERENDE EN BEOORDEELENDE AANMERKINGEN VOORZIEN,DOORDr.D. BURGER,Jr.
AMSTERDAM,P. N. VAN KAMPEN.1847.
[V]
[Inhoud]VOORBERIGT.Toen ik, voor omtrent vier jaren, wenschte te promoveren, ried mij mijn hooggeschatte leermeester, de HoogleeraarBake,den Theaetetus tot onderwerp mijner dissertatie te nemen. Dien raad volgde ik op en bevond er mij wel bij. Sedert heb ik altijd voor die zamenspraak veel genegenheid behouden, en werd daardoor, na het uitgeven mijner vertaling van den Phaedo, tot eene dergelijke bewerking van den Theaetetus aangezet. Hierin werd ik versterkt door het groote verband, dat mij tusschen het onderwerp van beide dialogen scheen te bestaan, en door de opmerking, dat hier en daar bij ons een eenzijdig materialismus schijnt veld te winnen, hetwelk, schoon ook zijne regten hebbende, door eene grondige studie der zielkunde binnen zijne grenzen moet gehouden worden. Tot dit laatste kan de studie van den Theaetetus welligt iets bijdragen; althans ook met dat doel heb ik juist dit werk vanPlatozoeken op te helderen.Misschien heeft het sommigen verwonderd, dat ik tegenwoordig alleen over de Grieksche Wijsbegeerte schrijf, en niet mede strijd op het wijsgeerig-theologische slagveld. Behalve door de belangrijkheid der Grieksche Wijsbegeerte, die op zich zelve aantrekkelijk genoeg is, om bij uitsluiting beoefend te worden, ben ik daartoe genoopt: vooreerst door mijn afkeer van theologische twisten, die meest verbitteren en zelden verbeteren, daar de Grieksche Wijsbegeerte door den tijd van haren bloei in dit opzigt meer onzijdig is, en haren beoefenaar, niet meer dan hij zelf wil, met[VI]theologische strijdpunten in aanraking brengt; ten andere door mijne overtuiging, dat eene meer oplettende beschouwing dier Wijsbegeerte nog tegenwoordig vanonberekenbaarnut is; eindelijk door mijn beroep: het geven van privaat-onderwijs in de oude letteren, daar ik mijne neiging tot de Wijsbegeerte door die studie althans gedeeltelijk voldoen kan, zonder mijn dagelijksch werk te benadeelen. Naarmate toch iemands beroep en studie meer zamenvallen, kan hij beiden beter uitoefenen, daar dan beiden elkander schragen en bevorderen.Ik heb bij den Theaetetus eenige taalkundige aanmerkingen gevoegd, zoo om mijne vertaling te regtvaardigen, als om eene soort van letterkundige geloofsbelijdenis af te leggen. Hoezeer volmondig erkennende,—en wie zal zulks na de redevoering van den HoogleeraarCobetnog tegenspreken?—dat vele plaatsen der oude schrijvers alleen door verandering der lezing kunnen verklaard worden, heb ik echter altijd meer neiging tot interpreteren dan tot emenderen gehad. Daar ik nu, vooral in den Theaetetus, menige plaats, die oppervlakkig zeer verward is, door naauwkeurige interpretatie, zonder verandering der lezing, meen te kunnen redden, heb ik hiervan eenige proeven gegeven, om daardoor het oordeel van bevoegde beoordeelaars uit te lokken.Dit moge volstaan tot regtvaardiging van mijne handelwijs. Verder hoop ik, dat ook door deze vertaling en opheldering van den Theaetetus iets moge bijgedragen worden, om de ontwikkeling der Wijsbegeerte in Nederland te bevorderen.Amsterdam, 19 April, 1847.D. Burger jr.[1]
VOORBERIGT.
Toen ik, voor omtrent vier jaren, wenschte te promoveren, ried mij mijn hooggeschatte leermeester, de HoogleeraarBake,den Theaetetus tot onderwerp mijner dissertatie te nemen. Dien raad volgde ik op en bevond er mij wel bij. Sedert heb ik altijd voor die zamenspraak veel genegenheid behouden, en werd daardoor, na het uitgeven mijner vertaling van den Phaedo, tot eene dergelijke bewerking van den Theaetetus aangezet. Hierin werd ik versterkt door het groote verband, dat mij tusschen het onderwerp van beide dialogen scheen te bestaan, en door de opmerking, dat hier en daar bij ons een eenzijdig materialismus schijnt veld te winnen, hetwelk, schoon ook zijne regten hebbende, door eene grondige studie der zielkunde binnen zijne grenzen moet gehouden worden. Tot dit laatste kan de studie van den Theaetetus welligt iets bijdragen; althans ook met dat doel heb ik juist dit werk vanPlatozoeken op te helderen.Misschien heeft het sommigen verwonderd, dat ik tegenwoordig alleen over de Grieksche Wijsbegeerte schrijf, en niet mede strijd op het wijsgeerig-theologische slagveld. Behalve door de belangrijkheid der Grieksche Wijsbegeerte, die op zich zelve aantrekkelijk genoeg is, om bij uitsluiting beoefend te worden, ben ik daartoe genoopt: vooreerst door mijn afkeer van theologische twisten, die meest verbitteren en zelden verbeteren, daar de Grieksche Wijsbegeerte door den tijd van haren bloei in dit opzigt meer onzijdig is, en haren beoefenaar, niet meer dan hij zelf wil, met[VI]theologische strijdpunten in aanraking brengt; ten andere door mijne overtuiging, dat eene meer oplettende beschouwing dier Wijsbegeerte nog tegenwoordig vanonberekenbaarnut is; eindelijk door mijn beroep: het geven van privaat-onderwijs in de oude letteren, daar ik mijne neiging tot de Wijsbegeerte door die studie althans gedeeltelijk voldoen kan, zonder mijn dagelijksch werk te benadeelen. Naarmate toch iemands beroep en studie meer zamenvallen, kan hij beiden beter uitoefenen, daar dan beiden elkander schragen en bevorderen.Ik heb bij den Theaetetus eenige taalkundige aanmerkingen gevoegd, zoo om mijne vertaling te regtvaardigen, als om eene soort van letterkundige geloofsbelijdenis af te leggen. Hoezeer volmondig erkennende,—en wie zal zulks na de redevoering van den HoogleeraarCobetnog tegenspreken?—dat vele plaatsen der oude schrijvers alleen door verandering der lezing kunnen verklaard worden, heb ik echter altijd meer neiging tot interpreteren dan tot emenderen gehad. Daar ik nu, vooral in den Theaetetus, menige plaats, die oppervlakkig zeer verward is, door naauwkeurige interpretatie, zonder verandering der lezing, meen te kunnen redden, heb ik hiervan eenige proeven gegeven, om daardoor het oordeel van bevoegde beoordeelaars uit te lokken.Dit moge volstaan tot regtvaardiging van mijne handelwijs. Verder hoop ik, dat ook door deze vertaling en opheldering van den Theaetetus iets moge bijgedragen worden, om de ontwikkeling der Wijsbegeerte in Nederland te bevorderen.Amsterdam, 19 April, 1847.D. Burger jr.[1]
Toen ik, voor omtrent vier jaren, wenschte te promoveren, ried mij mijn hooggeschatte leermeester, de HoogleeraarBake,den Theaetetus tot onderwerp mijner dissertatie te nemen. Dien raad volgde ik op en bevond er mij wel bij. Sedert heb ik altijd voor die zamenspraak veel genegenheid behouden, en werd daardoor, na het uitgeven mijner vertaling van den Phaedo, tot eene dergelijke bewerking van den Theaetetus aangezet. Hierin werd ik versterkt door het groote verband, dat mij tusschen het onderwerp van beide dialogen scheen te bestaan, en door de opmerking, dat hier en daar bij ons een eenzijdig materialismus schijnt veld te winnen, hetwelk, schoon ook zijne regten hebbende, door eene grondige studie der zielkunde binnen zijne grenzen moet gehouden worden. Tot dit laatste kan de studie van den Theaetetus welligt iets bijdragen; althans ook met dat doel heb ik juist dit werk vanPlatozoeken op te helderen.
Misschien heeft het sommigen verwonderd, dat ik tegenwoordig alleen over de Grieksche Wijsbegeerte schrijf, en niet mede strijd op het wijsgeerig-theologische slagveld. Behalve door de belangrijkheid der Grieksche Wijsbegeerte, die op zich zelve aantrekkelijk genoeg is, om bij uitsluiting beoefend te worden, ben ik daartoe genoopt: vooreerst door mijn afkeer van theologische twisten, die meest verbitteren en zelden verbeteren, daar de Grieksche Wijsbegeerte door den tijd van haren bloei in dit opzigt meer onzijdig is, en haren beoefenaar, niet meer dan hij zelf wil, met[VI]theologische strijdpunten in aanraking brengt; ten andere door mijne overtuiging, dat eene meer oplettende beschouwing dier Wijsbegeerte nog tegenwoordig vanonberekenbaarnut is; eindelijk door mijn beroep: het geven van privaat-onderwijs in de oude letteren, daar ik mijne neiging tot de Wijsbegeerte door die studie althans gedeeltelijk voldoen kan, zonder mijn dagelijksch werk te benadeelen. Naarmate toch iemands beroep en studie meer zamenvallen, kan hij beiden beter uitoefenen, daar dan beiden elkander schragen en bevorderen.
Ik heb bij den Theaetetus eenige taalkundige aanmerkingen gevoegd, zoo om mijne vertaling te regtvaardigen, als om eene soort van letterkundige geloofsbelijdenis af te leggen. Hoezeer volmondig erkennende,—en wie zal zulks na de redevoering van den HoogleeraarCobetnog tegenspreken?—dat vele plaatsen der oude schrijvers alleen door verandering der lezing kunnen verklaard worden, heb ik echter altijd meer neiging tot interpreteren dan tot emenderen gehad. Daar ik nu, vooral in den Theaetetus, menige plaats, die oppervlakkig zeer verward is, door naauwkeurige interpretatie, zonder verandering der lezing, meen te kunnen redden, heb ik hiervan eenige proeven gegeven, om daardoor het oordeel van bevoegde beoordeelaars uit te lokken.
Dit moge volstaan tot regtvaardiging van mijne handelwijs. Verder hoop ik, dat ook door deze vertaling en opheldering van den Theaetetus iets moge bijgedragen worden, om de ontwikkeling der Wijsbegeerte in Nederland te bevorderen.
Amsterdam, 19 April, 1847.
D. Burger jr.[1]
[Inhoud]INLEIDING.De zamenspraak vanPlato, die ik hier aan mijne landgenooten zoek te verklaren, is, hoewel geenszins een vervolg op den Phaedo, door haren inhoud zeer geschikt, om onmiddellijk na den Phaedo behandeld te worden, zooals ik hoop, dat bij eene naauwkeurige lezing blijken zal. In den Phaedo wordt de onsterfelijkheid der ziel tot de vraag teruggebragt, of de ziel eene eigenschap des ligchaams, of een wezen op zich zelf is. Dat inderdaad van het antwoord op deze vraag ons oordeel over het voortduren der ziel moet afhangen, valt gemakkelijk in te zien, wanneer wij bedenken, dat eene eigenschap niet langer bestaat, dan het wezen waarvan zij eigenschap is, en dat bij gevolg, zoo de ziel slechts eene eigenschap des ligchaams is, haar bestaan geheel en al van het bestaan des ligchaams afhangt, en dus met het ophouden van het bestaan des ligchaams ophoudt. Daar alzoo de vraag naar de onsterfelijkheid der ziel voor een groot deel afhangt van het oordeel, dat wij over haar verband[2]met het ligchaam vellen, zoo is het, nadat de vraag over hare onsterfelijkheid geopperd is, allezins dienstig, de gronden te overwegen, die voor eene onderscheiding der ziel van het ligchaam kunnen pleiten.In denTheaetetusnu wordt een deel dier gronden behandeld en de vraag wordt hier op een gebied overgebragt, waarop, naPlato, vele groote wijsgeeren dezelfde vraag hebben meenen te moeten overbrengen. Het is namelijk de wezenheid der menschelijke kennis, die hier behandeld wordt, welke kennis óf geheel uit de zinnen stamt, óf gedeeltelijk uit eene hoogere bron ontleend is. Naarmate dit laatste wordt beantwoord, valt ook ons oordeel uit aangaande het al of niet onderscheiden zijn van ziel en ligchaam.Voordat er met de lezing een begin gemaakt wordt, zal het niet ondienstig zijn, een enkel woord te zeggen zoowel over den tijd, waarin deTheaetetusgeschreven is, als over het doel, datPlatoer mede beoogde, waarna ik nog kortelijk over de daarin voorkomende personen zal handelen. Bij het beoordeelen vanPlato’s geschriften rigt ik mij vooral naar de doorKarl Fr. Hermannuiteengezette verhouding tusschenPlato’s leven en zijne wijsgeerige ontwikkeling. In de inleiding voor mijnen Phaedo heb ik dat punt uitvoeriger behandeld, en kan daarop verwijzen, zoodat hier een enkel woord over dat onderwerp voldoende is.Wij weten, datPlatonaSocratesdood zich naarMegarabegaf, en aldaar eenigen tijd de lessen vanEuclides, een ouder leerling vanSocrates, bijwoonde.Wij kunnen denTheaetetusin het tijdperk stellen, datPlatoteMegaradoorbragt, en zien in het begin[3]van den Theaetetus eene soort van toewijding van dit werk aan zijne vrienden teMegara; ja,Platogeeft niet onduidelijk te kennen, dat hij de hier vermelde bijzonderheden inMegaravernomen heeft, hetgeen wel verdicht zal wezen, daarPlato, hetgeenSocratesbetrof, niet uit de tweede hand behoefde te vernemen, en het bekend is, hoe weinig zijne geschriften op geschiedkundige waarheid aanspraak maken, doch hetgeen slechts ten bewijze van de goede verstandhouding tusschenPlatoenEuclidesen ter aanleiding der bron daarvan, namelijk de gemeenschappelijke vereering van hunnen meester, kan dienen. Verder wordt de leer der sensualisten, die alle kennis uit de zinnelijke waarneming afleiden, en daartoe, gelijk wij zien zullen, de leer vanHeraclietmisbruikten, in dit werk hevig bestreden; en ieder, die weet, datEuclidesde leer der Eleaten, die juist de redekennis ten koste der zinnelijke waarneming beoefenden, met de Socratische wijsbegeerte zocht te verbinden, zal gemakkelijk begrijpen, datPlatonergens eerder dan teMegaraeene bestrijding van die sensualistische theorie kon in den zin krijgen. Hierbij komt nog, dat wij in den Theaetetus eene vrij uitvoerige beschrijving vinden van de onaangename botsingen tusschen den wijsgeer en het werkelijke leven, waarin duidelijk de verbittering doorstraalt, diePlatowegens de veroordeeling van zijnen meester gevoelde. Eindelijk wordt in den Theaetetus een groot deel des gespreks aan den wiskunstenaarTheodorusopgedragen, die ten tijde vanSocratesinAthenede meetkunst onderwezen heeft. Deze wiskunstenaar was vanCyrenegeboortig, en wij weten, datPlatovanMegaranaarCyrenegegaan is,[4]om zijne lessen bij te wonen. Daar hij nuTheodorusals leerling vanProtagorasdoet optreden, maar hem tevens met de grootste eere vermeldt, en hem de verklaring in den mond geeft, dat hij zich tegenwoordig alleen met de meetkunst bezig hield, zie ik hierin een uitvloeisel vanPlato’s verlangen, om dien wiskundige in zijne woonplaats op te zoeken en door zijne lessen in de wiskunde onderwezen te worden. Daarom is het welligt niet onjuist, wanneer wij aannemen, datPlatoden Theaetetus in den laatsten tijd van zijn verblijf teMegarageschreven heeft, toen hij op het punt stond om de reis naarCyrenete ondernemen. OfPlatoechter toen dit zijn werk heeft uitgegeven, is onzeker, ja wordt onwaarschijnlijk door de vermelding der oorlogsdaden vanTheaetetusen van het gevecht bijCorinthe, dat eerst naPlato’s terugkomst schijnt plaats gehad te hebben, waarom de meening geenszins verwerpelijk is, dat hij den Theaetetus eerst later heeft uitgegeven, zonder er veel in te veranderen, en dat hij alleen het begin eenigzins heeft gewijzigd.Nu willen wij nog met een enkel woord het doel van den Theaetetus behandelen, hoewel dit punt eerst na de lezing der geheele zamenspraak behoorlijk kan uiteengezet worden.Nadat er uitvoerig gesproken is van de bekwaamheid vanSocrates, om door vragen de waarheid uit den geest zijner toehoorders te ontwikkelen, wordt de leer, dat alle kennis uit de zinnen stamt, bestreden, en het bestaan van een hooger kenvermogen aangetoond. Hierop volgen nog eenige aanmerkingen, waarvan wijlagermelding zullen maken; het aangemerkte is, geloof ik, voldoende,[5]om voorloopig eenig denkbeeld te geven van hetgeen wij van den Theaetetus te verwachten hebben. Wij zullen hier namelijk een betoog vinden van de stelling, dat niet de zinnen, maar de geest zelf, de rede zouden wij zeggen, de bron is der ware kennis. Het boek, dat wij voor ons hebben, is dus eene soort van inleiding in de eigenlijke philosophie, eene beschouwing van het kenvermogen, geschikt om tot de wijsbegeerte voor te bereiden, en reeds in de verte het ware voorwerp der wijsbegeerte volgensPlato, de leer der Ideën namelijk, te doen opmerken. Dit laatste geschiedt echter slechts in het voorbijgaan, waaruit blijkt, dat hetPlato’s voornemen niet was, de vraag naar den aard der menschelijke kennis hier geheel en volledig te beantwoorden; daar hij dan de leer der Ideën niet in het voorbijgaan, maar meer opzettelijk zou behandeld hebben; maar dat hij slechts eene inleiding in de wijsbegeerte wilde geven. Hieruit kan reeds blijken, dat ik in mijn oordeel over deze zamenspraak vanVan Heusdeverschil, daar deze van gevoelen is, dat vooral het vertoonen der Socratische wijze van ondervragen het doel van dit werk is, terwijl ik daarentegen meen, datPlatoalleen daarvan gesproken heeft, om op die wijze eene proefondervindelijke weêrlegging te geven van de leer, dat alle kennis uit de zinnen stamt. Wij zullen echter dit onderwerp na het lezen van den Theaetetus uitvoeriger moeten behandelen.Nu wilde ik nog kortelijk van de hier voorkomende personen spreken, daar dit tot beter verstand des boeks dienstig is.De eerste persoon, die hier in aanmerking komt, is[6]natuurlijkTheaetetuszelf. Van dezen weten wij weinig, behalve hetgeen in onze zamenspraak van hem vermeld wordt. Hij komt hier, zooals wij zien zullen, allergunstigst voor, zoo om zijne zedigheid, als om zijnen uitstekenden aanleg en zijne dapperheid in den oorlog. Later zegt men, dat hijPlatogehoord heeft, eindelijk naarHeracleavertrokken is, en daar de wiskunst heeft onderwezen.Te gelijk metTheaetetuswordt zijn leermeesterTheodorusvermeld, van wien wij reeds gezegd hebben, dat hij, hoewel de wijsbegeerte eene poos beoefend hebbende, later zich vooral op de meetkunst heeft toegelegd, en daarin zooveel naam had, dat zijne vermaardheidPlatonaarCyrenelokte, waar deze zijn onderwijs een tijd lang genoten heeft. De voorname bron, waaruit wij hem kennen, is, even als bijTheaetetus, het voor ons liggende werk.Theodorushad zich vooral op de leer vanProtagorastoegelegd. Er is een werk vanPlato, dat naar dezen genoemd wordt, hoewel daarin zijne leer vrij wat minder grondig dan in den Theaetetus wordt aangegrepen, hetgeen voor den hoogeren ouderdom vanPlato’s Protagoras pleit. Men verhaalt vanProtagoras, dat hij vanAbderageboortig en doorDemocritusin de wijsbegeerte was ingewijd, maar zich later beter met de leer vanHeracliethad kunnen vereenigen. Een wijsgeer echter verdient hij niet te heeten, daar hij een voorstander was der wijsbegeerte van den schijn, en, gelijk uit de naar hem genoemde zamenspraak blijkt, zich er op beroemde, dat hij het eerst openlijk den naam van sophist had gedragen. Hij bekwam door zijn[7]onderwijs veel aanzien en rijkdom; doch toen hij zich eindelijk had laten ontvallen, dat hij het bestaan der Goden als onzeker beschouwde, werden zijne boeken verbrand en hij zelf wegens ongodisterij veroordeeld. Hij ontvlood uitAthene, maar kwam op zee om.Protagorasvolgde de leer vanHeracliet, dat is, hij nam daaruit eenige deelen over, die zich gemakkelijk lieten gebruiken voor het doel, dat hij beoogde.Heraclietde Ephesier was door eenzame overpeinzingen en gebrekkige gezondheid tot eene zwaarmoedige geestgesteldheid vervallen, die zich ook in de duisterheid van zijnen stijl vertoonde. Wij weten van zijne leer, dat hij alle zinnelijke waarneming voor uiterst gebrekkig hield, daar de stoffelijke wereld onophoudelijk verandert, en geen oogenblik in denzelfden toestand blijft. Hierbij kwam echter een belangrijk toevoegsel, dat door zijne navolgers verwaarloosd is, hoewel het de noodzakelijke keerzijde van zijn gevoelen aangaande de veranderlijkheid der natuur uitmaakte. Hij erkende namelijk het bestaan van eenen algemeenen geest, die, alles doordringende en al wat bestaat beurtelings voortbrengende en weder in zich opnemende, eigenlijk in het vuur als het grond-element zijnen zetel had, en zelf de bron was van alle orde en wijsheid; zoodat de menschelijke geest, die van hem was uitgevloeid, alleen door zich aan hem vast te houden, der ware wijsheid kon deelachtig worden, en het kwaad eigenlijk daarin bestond, dat het enkele wezen, zijnen zamenhang met het algemeen vergetende, op zich zelf wilde staan en handelen. Dit laatste echter is door zijne navolgers niet vastgehouden, zooals uit den Theaetetus blijken kan,[8]hoewel het hier moest vermeld worden, om te doen inzien, dat de leer vanHeraclietin zijnen oorspronkelijken vorm vrij wat hooger stond, dan hetgeen later uit dezelve gemaakt is. Tot een staaltje van zijne duisterheid diene de anecdote, dat hij, aan waterzucht lijdende, de geneesheeren vroeg, of zij regen in droogte konden veranderen, hetgeen door deze, zooals ik bijna niet behoef te zeggen, niet begrepen werd.Verder komen hier nogEuclidesenTerpsionin aanmerking, twee getrouwe leerlingen vanSocrates, vooral de eerste, die zelfs met gevaar van zijn leven des nachts naarAthenekwam, omSocrateslessen te hooren.Hij bezat zelfstandigheid genoeg, om eene poging te wagen, ten einde de Socratische wijsbegeerte door die der Eleaten aan te vullen, en stichtte teMegaraeene school, die nog eenigen tijd gebloeid heeft, vooral de redeneerkunde met ijver beoefende, en in wetenschappelijken strijd metAristotelesis gewikkeld geworden. Hoezeer deze school door die vanPlatoenAristoteleseindelijk geheel is overschaduwd, verdient zij echter met eere vermeld te worden, al was het alleen, omdat zij den heilzaamsten invloed opPlatoheeft uitgeoefend, en hem tot de kennis der Eleatische wijsbegeerte heeft opgeleid.—VanTerpsionis ons weinig of niets bekend.Nu kunnen wij tot de lezing van den Theaetetus zelven overgaan.[9]
INLEIDING.
De zamenspraak vanPlato, die ik hier aan mijne landgenooten zoek te verklaren, is, hoewel geenszins een vervolg op den Phaedo, door haren inhoud zeer geschikt, om onmiddellijk na den Phaedo behandeld te worden, zooals ik hoop, dat bij eene naauwkeurige lezing blijken zal. In den Phaedo wordt de onsterfelijkheid der ziel tot de vraag teruggebragt, of de ziel eene eigenschap des ligchaams, of een wezen op zich zelf is. Dat inderdaad van het antwoord op deze vraag ons oordeel over het voortduren der ziel moet afhangen, valt gemakkelijk in te zien, wanneer wij bedenken, dat eene eigenschap niet langer bestaat, dan het wezen waarvan zij eigenschap is, en dat bij gevolg, zoo de ziel slechts eene eigenschap des ligchaams is, haar bestaan geheel en al van het bestaan des ligchaams afhangt, en dus met het ophouden van het bestaan des ligchaams ophoudt. Daar alzoo de vraag naar de onsterfelijkheid der ziel voor een groot deel afhangt van het oordeel, dat wij over haar verband[2]met het ligchaam vellen, zoo is het, nadat de vraag over hare onsterfelijkheid geopperd is, allezins dienstig, de gronden te overwegen, die voor eene onderscheiding der ziel van het ligchaam kunnen pleiten.In denTheaetetusnu wordt een deel dier gronden behandeld en de vraag wordt hier op een gebied overgebragt, waarop, naPlato, vele groote wijsgeeren dezelfde vraag hebben meenen te moeten overbrengen. Het is namelijk de wezenheid der menschelijke kennis, die hier behandeld wordt, welke kennis óf geheel uit de zinnen stamt, óf gedeeltelijk uit eene hoogere bron ontleend is. Naarmate dit laatste wordt beantwoord, valt ook ons oordeel uit aangaande het al of niet onderscheiden zijn van ziel en ligchaam.Voordat er met de lezing een begin gemaakt wordt, zal het niet ondienstig zijn, een enkel woord te zeggen zoowel over den tijd, waarin deTheaetetusgeschreven is, als over het doel, datPlatoer mede beoogde, waarna ik nog kortelijk over de daarin voorkomende personen zal handelen. Bij het beoordeelen vanPlato’s geschriften rigt ik mij vooral naar de doorKarl Fr. Hermannuiteengezette verhouding tusschenPlato’s leven en zijne wijsgeerige ontwikkeling. In de inleiding voor mijnen Phaedo heb ik dat punt uitvoeriger behandeld, en kan daarop verwijzen, zoodat hier een enkel woord over dat onderwerp voldoende is.Wij weten, datPlatonaSocratesdood zich naarMegarabegaf, en aldaar eenigen tijd de lessen vanEuclides, een ouder leerling vanSocrates, bijwoonde.Wij kunnen denTheaetetusin het tijdperk stellen, datPlatoteMegaradoorbragt, en zien in het begin[3]van den Theaetetus eene soort van toewijding van dit werk aan zijne vrienden teMegara; ja,Platogeeft niet onduidelijk te kennen, dat hij de hier vermelde bijzonderheden inMegaravernomen heeft, hetgeen wel verdicht zal wezen, daarPlato, hetgeenSocratesbetrof, niet uit de tweede hand behoefde te vernemen, en het bekend is, hoe weinig zijne geschriften op geschiedkundige waarheid aanspraak maken, doch hetgeen slechts ten bewijze van de goede verstandhouding tusschenPlatoenEuclidesen ter aanleiding der bron daarvan, namelijk de gemeenschappelijke vereering van hunnen meester, kan dienen. Verder wordt de leer der sensualisten, die alle kennis uit de zinnelijke waarneming afleiden, en daartoe, gelijk wij zien zullen, de leer vanHeraclietmisbruikten, in dit werk hevig bestreden; en ieder, die weet, datEuclidesde leer der Eleaten, die juist de redekennis ten koste der zinnelijke waarneming beoefenden, met de Socratische wijsbegeerte zocht te verbinden, zal gemakkelijk begrijpen, datPlatonergens eerder dan teMegaraeene bestrijding van die sensualistische theorie kon in den zin krijgen. Hierbij komt nog, dat wij in den Theaetetus eene vrij uitvoerige beschrijving vinden van de onaangename botsingen tusschen den wijsgeer en het werkelijke leven, waarin duidelijk de verbittering doorstraalt, diePlatowegens de veroordeeling van zijnen meester gevoelde. Eindelijk wordt in den Theaetetus een groot deel des gespreks aan den wiskunstenaarTheodorusopgedragen, die ten tijde vanSocratesinAthenede meetkunst onderwezen heeft. Deze wiskunstenaar was vanCyrenegeboortig, en wij weten, datPlatovanMegaranaarCyrenegegaan is,[4]om zijne lessen bij te wonen. Daar hij nuTheodorusals leerling vanProtagorasdoet optreden, maar hem tevens met de grootste eere vermeldt, en hem de verklaring in den mond geeft, dat hij zich tegenwoordig alleen met de meetkunst bezig hield, zie ik hierin een uitvloeisel vanPlato’s verlangen, om dien wiskundige in zijne woonplaats op te zoeken en door zijne lessen in de wiskunde onderwezen te worden. Daarom is het welligt niet onjuist, wanneer wij aannemen, datPlatoden Theaetetus in den laatsten tijd van zijn verblijf teMegarageschreven heeft, toen hij op het punt stond om de reis naarCyrenete ondernemen. OfPlatoechter toen dit zijn werk heeft uitgegeven, is onzeker, ja wordt onwaarschijnlijk door de vermelding der oorlogsdaden vanTheaetetusen van het gevecht bijCorinthe, dat eerst naPlato’s terugkomst schijnt plaats gehad te hebben, waarom de meening geenszins verwerpelijk is, dat hij den Theaetetus eerst later heeft uitgegeven, zonder er veel in te veranderen, en dat hij alleen het begin eenigzins heeft gewijzigd.Nu willen wij nog met een enkel woord het doel van den Theaetetus behandelen, hoewel dit punt eerst na de lezing der geheele zamenspraak behoorlijk kan uiteengezet worden.Nadat er uitvoerig gesproken is van de bekwaamheid vanSocrates, om door vragen de waarheid uit den geest zijner toehoorders te ontwikkelen, wordt de leer, dat alle kennis uit de zinnen stamt, bestreden, en het bestaan van een hooger kenvermogen aangetoond. Hierop volgen nog eenige aanmerkingen, waarvan wijlagermelding zullen maken; het aangemerkte is, geloof ik, voldoende,[5]om voorloopig eenig denkbeeld te geven van hetgeen wij van den Theaetetus te verwachten hebben. Wij zullen hier namelijk een betoog vinden van de stelling, dat niet de zinnen, maar de geest zelf, de rede zouden wij zeggen, de bron is der ware kennis. Het boek, dat wij voor ons hebben, is dus eene soort van inleiding in de eigenlijke philosophie, eene beschouwing van het kenvermogen, geschikt om tot de wijsbegeerte voor te bereiden, en reeds in de verte het ware voorwerp der wijsbegeerte volgensPlato, de leer der Ideën namelijk, te doen opmerken. Dit laatste geschiedt echter slechts in het voorbijgaan, waaruit blijkt, dat hetPlato’s voornemen niet was, de vraag naar den aard der menschelijke kennis hier geheel en volledig te beantwoorden; daar hij dan de leer der Ideën niet in het voorbijgaan, maar meer opzettelijk zou behandeld hebben; maar dat hij slechts eene inleiding in de wijsbegeerte wilde geven. Hieruit kan reeds blijken, dat ik in mijn oordeel over deze zamenspraak vanVan Heusdeverschil, daar deze van gevoelen is, dat vooral het vertoonen der Socratische wijze van ondervragen het doel van dit werk is, terwijl ik daarentegen meen, datPlatoalleen daarvan gesproken heeft, om op die wijze eene proefondervindelijke weêrlegging te geven van de leer, dat alle kennis uit de zinnen stamt. Wij zullen echter dit onderwerp na het lezen van den Theaetetus uitvoeriger moeten behandelen.Nu wilde ik nog kortelijk van de hier voorkomende personen spreken, daar dit tot beter verstand des boeks dienstig is.De eerste persoon, die hier in aanmerking komt, is[6]natuurlijkTheaetetuszelf. Van dezen weten wij weinig, behalve hetgeen in onze zamenspraak van hem vermeld wordt. Hij komt hier, zooals wij zien zullen, allergunstigst voor, zoo om zijne zedigheid, als om zijnen uitstekenden aanleg en zijne dapperheid in den oorlog. Later zegt men, dat hijPlatogehoord heeft, eindelijk naarHeracleavertrokken is, en daar de wiskunst heeft onderwezen.Te gelijk metTheaetetuswordt zijn leermeesterTheodorusvermeld, van wien wij reeds gezegd hebben, dat hij, hoewel de wijsbegeerte eene poos beoefend hebbende, later zich vooral op de meetkunst heeft toegelegd, en daarin zooveel naam had, dat zijne vermaardheidPlatonaarCyrenelokte, waar deze zijn onderwijs een tijd lang genoten heeft. De voorname bron, waaruit wij hem kennen, is, even als bijTheaetetus, het voor ons liggende werk.Theodorushad zich vooral op de leer vanProtagorastoegelegd. Er is een werk vanPlato, dat naar dezen genoemd wordt, hoewel daarin zijne leer vrij wat minder grondig dan in den Theaetetus wordt aangegrepen, hetgeen voor den hoogeren ouderdom vanPlato’s Protagoras pleit. Men verhaalt vanProtagoras, dat hij vanAbderageboortig en doorDemocritusin de wijsbegeerte was ingewijd, maar zich later beter met de leer vanHeracliethad kunnen vereenigen. Een wijsgeer echter verdient hij niet te heeten, daar hij een voorstander was der wijsbegeerte van den schijn, en, gelijk uit de naar hem genoemde zamenspraak blijkt, zich er op beroemde, dat hij het eerst openlijk den naam van sophist had gedragen. Hij bekwam door zijn[7]onderwijs veel aanzien en rijkdom; doch toen hij zich eindelijk had laten ontvallen, dat hij het bestaan der Goden als onzeker beschouwde, werden zijne boeken verbrand en hij zelf wegens ongodisterij veroordeeld. Hij ontvlood uitAthene, maar kwam op zee om.Protagorasvolgde de leer vanHeracliet, dat is, hij nam daaruit eenige deelen over, die zich gemakkelijk lieten gebruiken voor het doel, dat hij beoogde.Heraclietde Ephesier was door eenzame overpeinzingen en gebrekkige gezondheid tot eene zwaarmoedige geestgesteldheid vervallen, die zich ook in de duisterheid van zijnen stijl vertoonde. Wij weten van zijne leer, dat hij alle zinnelijke waarneming voor uiterst gebrekkig hield, daar de stoffelijke wereld onophoudelijk verandert, en geen oogenblik in denzelfden toestand blijft. Hierbij kwam echter een belangrijk toevoegsel, dat door zijne navolgers verwaarloosd is, hoewel het de noodzakelijke keerzijde van zijn gevoelen aangaande de veranderlijkheid der natuur uitmaakte. Hij erkende namelijk het bestaan van eenen algemeenen geest, die, alles doordringende en al wat bestaat beurtelings voortbrengende en weder in zich opnemende, eigenlijk in het vuur als het grond-element zijnen zetel had, en zelf de bron was van alle orde en wijsheid; zoodat de menschelijke geest, die van hem was uitgevloeid, alleen door zich aan hem vast te houden, der ware wijsheid kon deelachtig worden, en het kwaad eigenlijk daarin bestond, dat het enkele wezen, zijnen zamenhang met het algemeen vergetende, op zich zelf wilde staan en handelen. Dit laatste echter is door zijne navolgers niet vastgehouden, zooals uit den Theaetetus blijken kan,[8]hoewel het hier moest vermeld worden, om te doen inzien, dat de leer vanHeraclietin zijnen oorspronkelijken vorm vrij wat hooger stond, dan hetgeen later uit dezelve gemaakt is. Tot een staaltje van zijne duisterheid diene de anecdote, dat hij, aan waterzucht lijdende, de geneesheeren vroeg, of zij regen in droogte konden veranderen, hetgeen door deze, zooals ik bijna niet behoef te zeggen, niet begrepen werd.Verder komen hier nogEuclidesenTerpsionin aanmerking, twee getrouwe leerlingen vanSocrates, vooral de eerste, die zelfs met gevaar van zijn leven des nachts naarAthenekwam, omSocrateslessen te hooren.Hij bezat zelfstandigheid genoeg, om eene poging te wagen, ten einde de Socratische wijsbegeerte door die der Eleaten aan te vullen, en stichtte teMegaraeene school, die nog eenigen tijd gebloeid heeft, vooral de redeneerkunde met ijver beoefende, en in wetenschappelijken strijd metAristotelesis gewikkeld geworden. Hoezeer deze school door die vanPlatoenAristoteleseindelijk geheel is overschaduwd, verdient zij echter met eere vermeld te worden, al was het alleen, omdat zij den heilzaamsten invloed opPlatoheeft uitgeoefend, en hem tot de kennis der Eleatische wijsbegeerte heeft opgeleid.—VanTerpsionis ons weinig of niets bekend.Nu kunnen wij tot de lezing van den Theaetetus zelven overgaan.[9]
De zamenspraak vanPlato, die ik hier aan mijne landgenooten zoek te verklaren, is, hoewel geenszins een vervolg op den Phaedo, door haren inhoud zeer geschikt, om onmiddellijk na den Phaedo behandeld te worden, zooals ik hoop, dat bij eene naauwkeurige lezing blijken zal. In den Phaedo wordt de onsterfelijkheid der ziel tot de vraag teruggebragt, of de ziel eene eigenschap des ligchaams, of een wezen op zich zelf is. Dat inderdaad van het antwoord op deze vraag ons oordeel over het voortduren der ziel moet afhangen, valt gemakkelijk in te zien, wanneer wij bedenken, dat eene eigenschap niet langer bestaat, dan het wezen waarvan zij eigenschap is, en dat bij gevolg, zoo de ziel slechts eene eigenschap des ligchaams is, haar bestaan geheel en al van het bestaan des ligchaams afhangt, en dus met het ophouden van het bestaan des ligchaams ophoudt. Daar alzoo de vraag naar de onsterfelijkheid der ziel voor een groot deel afhangt van het oordeel, dat wij over haar verband[2]met het ligchaam vellen, zoo is het, nadat de vraag over hare onsterfelijkheid geopperd is, allezins dienstig, de gronden te overwegen, die voor eene onderscheiding der ziel van het ligchaam kunnen pleiten.
In denTheaetetusnu wordt een deel dier gronden behandeld en de vraag wordt hier op een gebied overgebragt, waarop, naPlato, vele groote wijsgeeren dezelfde vraag hebben meenen te moeten overbrengen. Het is namelijk de wezenheid der menschelijke kennis, die hier behandeld wordt, welke kennis óf geheel uit de zinnen stamt, óf gedeeltelijk uit eene hoogere bron ontleend is. Naarmate dit laatste wordt beantwoord, valt ook ons oordeel uit aangaande het al of niet onderscheiden zijn van ziel en ligchaam.
Voordat er met de lezing een begin gemaakt wordt, zal het niet ondienstig zijn, een enkel woord te zeggen zoowel over den tijd, waarin deTheaetetusgeschreven is, als over het doel, datPlatoer mede beoogde, waarna ik nog kortelijk over de daarin voorkomende personen zal handelen. Bij het beoordeelen vanPlato’s geschriften rigt ik mij vooral naar de doorKarl Fr. Hermannuiteengezette verhouding tusschenPlato’s leven en zijne wijsgeerige ontwikkeling. In de inleiding voor mijnen Phaedo heb ik dat punt uitvoeriger behandeld, en kan daarop verwijzen, zoodat hier een enkel woord over dat onderwerp voldoende is.
Wij weten, datPlatonaSocratesdood zich naarMegarabegaf, en aldaar eenigen tijd de lessen vanEuclides, een ouder leerling vanSocrates, bijwoonde.
Wij kunnen denTheaetetusin het tijdperk stellen, datPlatoteMegaradoorbragt, en zien in het begin[3]van den Theaetetus eene soort van toewijding van dit werk aan zijne vrienden teMegara; ja,Platogeeft niet onduidelijk te kennen, dat hij de hier vermelde bijzonderheden inMegaravernomen heeft, hetgeen wel verdicht zal wezen, daarPlato, hetgeenSocratesbetrof, niet uit de tweede hand behoefde te vernemen, en het bekend is, hoe weinig zijne geschriften op geschiedkundige waarheid aanspraak maken, doch hetgeen slechts ten bewijze van de goede verstandhouding tusschenPlatoenEuclidesen ter aanleiding der bron daarvan, namelijk de gemeenschappelijke vereering van hunnen meester, kan dienen. Verder wordt de leer der sensualisten, die alle kennis uit de zinnelijke waarneming afleiden, en daartoe, gelijk wij zien zullen, de leer vanHeraclietmisbruikten, in dit werk hevig bestreden; en ieder, die weet, datEuclidesde leer der Eleaten, die juist de redekennis ten koste der zinnelijke waarneming beoefenden, met de Socratische wijsbegeerte zocht te verbinden, zal gemakkelijk begrijpen, datPlatonergens eerder dan teMegaraeene bestrijding van die sensualistische theorie kon in den zin krijgen. Hierbij komt nog, dat wij in den Theaetetus eene vrij uitvoerige beschrijving vinden van de onaangename botsingen tusschen den wijsgeer en het werkelijke leven, waarin duidelijk de verbittering doorstraalt, diePlatowegens de veroordeeling van zijnen meester gevoelde. Eindelijk wordt in den Theaetetus een groot deel des gespreks aan den wiskunstenaarTheodorusopgedragen, die ten tijde vanSocratesinAthenede meetkunst onderwezen heeft. Deze wiskunstenaar was vanCyrenegeboortig, en wij weten, datPlatovanMegaranaarCyrenegegaan is,[4]om zijne lessen bij te wonen. Daar hij nuTheodorusals leerling vanProtagorasdoet optreden, maar hem tevens met de grootste eere vermeldt, en hem de verklaring in den mond geeft, dat hij zich tegenwoordig alleen met de meetkunst bezig hield, zie ik hierin een uitvloeisel vanPlato’s verlangen, om dien wiskundige in zijne woonplaats op te zoeken en door zijne lessen in de wiskunde onderwezen te worden. Daarom is het welligt niet onjuist, wanneer wij aannemen, datPlatoden Theaetetus in den laatsten tijd van zijn verblijf teMegarageschreven heeft, toen hij op het punt stond om de reis naarCyrenete ondernemen. OfPlatoechter toen dit zijn werk heeft uitgegeven, is onzeker, ja wordt onwaarschijnlijk door de vermelding der oorlogsdaden vanTheaetetusen van het gevecht bijCorinthe, dat eerst naPlato’s terugkomst schijnt plaats gehad te hebben, waarom de meening geenszins verwerpelijk is, dat hij den Theaetetus eerst later heeft uitgegeven, zonder er veel in te veranderen, en dat hij alleen het begin eenigzins heeft gewijzigd.
Nu willen wij nog met een enkel woord het doel van den Theaetetus behandelen, hoewel dit punt eerst na de lezing der geheele zamenspraak behoorlijk kan uiteengezet worden.
Nadat er uitvoerig gesproken is van de bekwaamheid vanSocrates, om door vragen de waarheid uit den geest zijner toehoorders te ontwikkelen, wordt de leer, dat alle kennis uit de zinnen stamt, bestreden, en het bestaan van een hooger kenvermogen aangetoond. Hierop volgen nog eenige aanmerkingen, waarvan wijlagermelding zullen maken; het aangemerkte is, geloof ik, voldoende,[5]om voorloopig eenig denkbeeld te geven van hetgeen wij van den Theaetetus te verwachten hebben. Wij zullen hier namelijk een betoog vinden van de stelling, dat niet de zinnen, maar de geest zelf, de rede zouden wij zeggen, de bron is der ware kennis. Het boek, dat wij voor ons hebben, is dus eene soort van inleiding in de eigenlijke philosophie, eene beschouwing van het kenvermogen, geschikt om tot de wijsbegeerte voor te bereiden, en reeds in de verte het ware voorwerp der wijsbegeerte volgensPlato, de leer der Ideën namelijk, te doen opmerken. Dit laatste geschiedt echter slechts in het voorbijgaan, waaruit blijkt, dat hetPlato’s voornemen niet was, de vraag naar den aard der menschelijke kennis hier geheel en volledig te beantwoorden; daar hij dan de leer der Ideën niet in het voorbijgaan, maar meer opzettelijk zou behandeld hebben; maar dat hij slechts eene inleiding in de wijsbegeerte wilde geven. Hieruit kan reeds blijken, dat ik in mijn oordeel over deze zamenspraak vanVan Heusdeverschil, daar deze van gevoelen is, dat vooral het vertoonen der Socratische wijze van ondervragen het doel van dit werk is, terwijl ik daarentegen meen, datPlatoalleen daarvan gesproken heeft, om op die wijze eene proefondervindelijke weêrlegging te geven van de leer, dat alle kennis uit de zinnen stamt. Wij zullen echter dit onderwerp na het lezen van den Theaetetus uitvoeriger moeten behandelen.
Nu wilde ik nog kortelijk van de hier voorkomende personen spreken, daar dit tot beter verstand des boeks dienstig is.
De eerste persoon, die hier in aanmerking komt, is[6]natuurlijkTheaetetuszelf. Van dezen weten wij weinig, behalve hetgeen in onze zamenspraak van hem vermeld wordt. Hij komt hier, zooals wij zien zullen, allergunstigst voor, zoo om zijne zedigheid, als om zijnen uitstekenden aanleg en zijne dapperheid in den oorlog. Later zegt men, dat hijPlatogehoord heeft, eindelijk naarHeracleavertrokken is, en daar de wiskunst heeft onderwezen.
Te gelijk metTheaetetuswordt zijn leermeesterTheodorusvermeld, van wien wij reeds gezegd hebben, dat hij, hoewel de wijsbegeerte eene poos beoefend hebbende, later zich vooral op de meetkunst heeft toegelegd, en daarin zooveel naam had, dat zijne vermaardheidPlatonaarCyrenelokte, waar deze zijn onderwijs een tijd lang genoten heeft. De voorname bron, waaruit wij hem kennen, is, even als bijTheaetetus, het voor ons liggende werk.
Theodorushad zich vooral op de leer vanProtagorastoegelegd. Er is een werk vanPlato, dat naar dezen genoemd wordt, hoewel daarin zijne leer vrij wat minder grondig dan in den Theaetetus wordt aangegrepen, hetgeen voor den hoogeren ouderdom vanPlato’s Protagoras pleit. Men verhaalt vanProtagoras, dat hij vanAbderageboortig en doorDemocritusin de wijsbegeerte was ingewijd, maar zich later beter met de leer vanHeracliethad kunnen vereenigen. Een wijsgeer echter verdient hij niet te heeten, daar hij een voorstander was der wijsbegeerte van den schijn, en, gelijk uit de naar hem genoemde zamenspraak blijkt, zich er op beroemde, dat hij het eerst openlijk den naam van sophist had gedragen. Hij bekwam door zijn[7]onderwijs veel aanzien en rijkdom; doch toen hij zich eindelijk had laten ontvallen, dat hij het bestaan der Goden als onzeker beschouwde, werden zijne boeken verbrand en hij zelf wegens ongodisterij veroordeeld. Hij ontvlood uitAthene, maar kwam op zee om.
Protagorasvolgde de leer vanHeracliet, dat is, hij nam daaruit eenige deelen over, die zich gemakkelijk lieten gebruiken voor het doel, dat hij beoogde.Heraclietde Ephesier was door eenzame overpeinzingen en gebrekkige gezondheid tot eene zwaarmoedige geestgesteldheid vervallen, die zich ook in de duisterheid van zijnen stijl vertoonde. Wij weten van zijne leer, dat hij alle zinnelijke waarneming voor uiterst gebrekkig hield, daar de stoffelijke wereld onophoudelijk verandert, en geen oogenblik in denzelfden toestand blijft. Hierbij kwam echter een belangrijk toevoegsel, dat door zijne navolgers verwaarloosd is, hoewel het de noodzakelijke keerzijde van zijn gevoelen aangaande de veranderlijkheid der natuur uitmaakte. Hij erkende namelijk het bestaan van eenen algemeenen geest, die, alles doordringende en al wat bestaat beurtelings voortbrengende en weder in zich opnemende, eigenlijk in het vuur als het grond-element zijnen zetel had, en zelf de bron was van alle orde en wijsheid; zoodat de menschelijke geest, die van hem was uitgevloeid, alleen door zich aan hem vast te houden, der ware wijsheid kon deelachtig worden, en het kwaad eigenlijk daarin bestond, dat het enkele wezen, zijnen zamenhang met het algemeen vergetende, op zich zelf wilde staan en handelen. Dit laatste echter is door zijne navolgers niet vastgehouden, zooals uit den Theaetetus blijken kan,[8]hoewel het hier moest vermeld worden, om te doen inzien, dat de leer vanHeraclietin zijnen oorspronkelijken vorm vrij wat hooger stond, dan hetgeen later uit dezelve gemaakt is. Tot een staaltje van zijne duisterheid diene de anecdote, dat hij, aan waterzucht lijdende, de geneesheeren vroeg, of zij regen in droogte konden veranderen, hetgeen door deze, zooals ik bijna niet behoef te zeggen, niet begrepen werd.
Verder komen hier nogEuclidesenTerpsionin aanmerking, twee getrouwe leerlingen vanSocrates, vooral de eerste, die zelfs met gevaar van zijn leven des nachts naarAthenekwam, omSocrateslessen te hooren.
Hij bezat zelfstandigheid genoeg, om eene poging te wagen, ten einde de Socratische wijsbegeerte door die der Eleaten aan te vullen, en stichtte teMegaraeene school, die nog eenigen tijd gebloeid heeft, vooral de redeneerkunde met ijver beoefende, en in wetenschappelijken strijd metAristotelesis gewikkeld geworden. Hoezeer deze school door die vanPlatoenAristoteleseindelijk geheel is overschaduwd, verdient zij echter met eere vermeld te worden, al was het alleen, omdat zij den heilzaamsten invloed opPlatoheeft uitgeoefend, en hem tot de kennis der Eleatische wijsbegeerte heeft opgeleid.—VanTerpsionis ons weinig of niets bekend.
Nu kunnen wij tot de lezing van den Theaetetus zelven overgaan.[9]