Het stranden van het vlot.Het stranden van het vlot.Al aanstonds had het onze aandacht getrokken, dat de Chunchos er zich in het minst niet om bekommerden, of zij een gebaand pad volgden, dan wel dwars door het dichte hout gingen. Dit scheen hun volmaakt onverschillig: en waar wij gevreesd zouden hebben onze kleederen te scheuren, schenen zij in het minst niet aan hunne naakte huid te denken. Trouwens, de behendigheid, waarmede zij zich door alle gaten en bochten wisten heen te werken, grensde aanhet wonderbare. Een slang kon het niet beter en knapper doen. Hoe dicht ook het woud met doornen, lianen of slingerplanten bewassen of omwoeld was, nooit verbraken zij die hinderpalen of namen, zooals wij, hun toevlucht tot bijl of mes. Zij schoven eenvoudig de takken of lianen ter zijde, of lichtten die op, als ware het een gordijn of draperie; en dat met zooveel behendigheid en zooveel natuurlijke bevalligheid van beweging, dat wij er ons telkens op nieuw over verwonderden. Maar al dit fraais had ook eene minder aangename keerzijde. Wij liepen namelijk telkens gevaar, de lianen of doornen in het gezicht te krijgen, die de wilden met de grootste vlugheid hadden ter zijde gebogen, en die zij daarna weder loslieten, zonder er een oogenblik aan te denken, dat wij hen op den voet volgden. Evenwel, wij getroostten ons deze onaangenaamheid, ziende hoe groot genoegen wij hen deden, door met hen mede te gaan.Reeds was er een uur verloopen, sedert wij ons op weg hadden begeven, en begon ons de wandeling tamelijk lang te vallen, toen wij aan eene meer open plek in het woud kwamen, waar de zonnestralen lichte kringen op den grond teekenden. Aan de overzijde bespeurden wij een smal pad, tusschen twee hoogten ingesloten, dat met zachte helling naar boven liep, en overal de sporen droeg van veelvuldige menschelijke voetstappen. De Siriniris sloegen dat pad in, en wij volgden hen. Na verloop van tien minuten kwamen wij op eene vlakte, waar wij tusschen het geboomte de palmbladeren-daken van eenige hutten ontdekten.Onze gidsen hadden, bij de nadering van het dorp, een luid geschreeuw aangeheven; hunne vrouwen kwamen nu aanloopen, maar stonden, zoodra zij ons bemerkten, eensklaps stil, als niet wetende wat deze onverwachte verschijning te beduiden had. Maar ziende dat haar eigen stamgenooten als vrienden met ons omgingen, en door eenige verklaringen van hare mannen gerustgesteld, waagden zij het, naderbij te komen. Naalden, belletjes, koperen knoopen en dergelijke snuisterijen, die wij inmiddels te voorschijn hadden gehaald en haar nu aanboden, verdreven weldra de laatste sporen van vrees, zoodat wij spoedig goede maatjes waren.De woningen van het dorp bestonden uit zeer groote open loodsen, met palmen gedekt en in schilderachtige wanorde door elkander geplaatst; zij waren aan de noordwestzijde gesloten, en dus beveiligd tegen de regens en den wind, die van den kant der Cordilleras komen; aan de zuidoostzijde waren zij geheel open, en voorts door palmhouten beschotten in drie of vier afdeelingen of kamers gesplitst. Wij telden zeven van zulke loodsen, die te zamen in drie-en-twintig compartimenten waren verdeeld; aannemende, dat in elk compartiment een gezin van zes personen huisvestte—wat zeker niet overdreven was—zou het dorp Huatinmio eene bevolking tellen van honderd-acht-en-dertig zielen, de vrouwen en kinderen daaronder begrepen.Ieder vertrek bevatte—behalve het weinige vaatwerk en keukengereedschap, waaraan de wilde behoefte heeft, zooals kruiken en schotels van ruw aardewerk;—geen ander meubel dan een breede, van takken gevlochten, op vier pooten rustende bank, die de Indianenbarbacoanoemen, en die hun beurtelings tot tafel, buffet, rustbank en bed dient. Tegen de wanden hingen bogen, pijlen, kleine trommels, fluiten, kronen van papegaaien- of toucanvederen, versierselen van boomschors met franje van gedroogd gras, die bij groote plechtigheden werden gebruikt. Deze geheele rommel, die er tamelijk smerig en verlept uitzag, had voor het oog niets aantrekkelijks.Bij de nadere beschouwing van deze woningen, waar de walgelijkste onzindelijkheid hand aan hand ging met de volkomenste armoede,—indien althans deze volslagen onbekendheid met al wat tot veraangenaming des levens behoort, armoede kan genoemd worden;—trof ons vooral eene bijzonderheid. Onder al die rustbanken, die, zooals ik gezegd heb, tot verschillende doeleinden dienen, zagen wij de overblijfselen van vuren. Waartoe dat vuur onder eene barbacoa, die twee voet boven den grond verheven was? Diende dit meubel ook nog als rooster, om de spijzen op te braden of te droogen? Wij konden ons dat niet verklaren, en besloten daaromtrent onzen gastheeren inlichtingen te vragen.Rondom de woningen groeiden, te midden van mimosa’s en anoneën, bananen, deels nog in bloei, deels reeds met vrucht. Een weinig buiten het dorp vonden wij een eenigszins bebouwd terrein, waar manioc, pasteken, pompoenen en ettelijke andere vruchten werden geteeld; alles toonde echter duidelijk aan, dat deze zoogenaamde plantage zeer slecht werd onderhouden, en dat, zoo er nog iets van terecht kwam, dit wel voornamelijk aan de vruchtbaarheid van den bodem en het gezegend klimaat te danken was. Ook was de opbrengst van dezen akker geheel onvoldoende om de bevolking van het dorp te voeden, die dan ook, evenals alle stammen van het woud, in jacht en visscherij hare voornaamste middelen van bestaan vindt.Toen wij van onze wandeling terugkwamen, vonden wij een maaltijd gereed staan, dien men bepaaldelijk te onzer eere had aangericht, bestaande in een in der haast gekookte ragout van gerookt apenvleesch en groene bananen. Zout ontbrak; maar dit gemis werd meer dan vergoed door een zoo ruimen overvloed van spaanschen peper, dat reeds bij den eersten hap de tranen ons over de oogen liepen, en wij een gevoel hadden of onze mond en keel met een gloeiend ijzer werden verschroeid. Gelukkig had men de voorzorg genomen, nevens dien kom met heeten ragoût een schotel met frisch, helder water te zetten, waar wij telkens een teug van namen. Onze vrienden de Siriniris schenen voor deze sterke kruiderijen onaandoenlijk.Toen onze maaltijd, dien wij op den grond zittende gebruikt hadden, was afgeloopen, bemerkten wij, dat de zon reeds ter kimme begon te neigen. Wij hadden ons, verleid door het vreemde dezer omgeving, wat lang opgehouden, en waren nu onzeker wat te doen. De kolonel, die, naar hij zeide, alles gezien had wat hier te zien viel, wilde volstrekt vertrekken en ergens in het woud gaan bivouakeeren. Ik wilde evenwel gaarne van deze gelegenheid gebruik maken, om ietsmeer te weten te komen van de lieden, in wier midden wij ons nu bevonden; ik deed daarom den kolonel opmerken, dat het onwellevend zou zijn, aanstonds na den maaltijd heen te gaan; en dat wij in ieder geval nog beter in het dorp konden overnachten, dan in het vochtige woud, waar wij op den sterk bedauwden grond moesten rusten. Vooral deze laatste opmerking scheen bij Perez, die nog al last van rhumatiek had, te wegen; er werd dus besloten, dat wij te Huatinmio zouden overnachten.Toen Pepe Garcia dit besluit aan de Chunchos mededeelde, waren zij daarmede blijkbaar zeer in bun schik. Aanstonds noodigden zij ons uit, zelf eene keuze te doen tusschen de verschillende woningen, die allen te onzer beschikking werden gesteld. Natuurlijk kozen wij de grootste, zoodat wij allen bij elkander konden blijven. Zoodra onze bagage daarin was geplaatst, brachten de Siriniris ons hout en water, de eenige zaken, die zij ons voor den nacht konden aanbieden. Zoodra het donker was geworden, haalde ik eene bougie te voorschijn, die ik aanstak, en die de uiterste verbazing der inboorlingen opwekte. Ik wenschte het een en ander aan te teekenen aangaande de zeden en gewoonten onzer gastheeren, waartoe ik de hulp van Pepe Garcia noodig had, die zich reeds een barbacoa had uitgekozen om daarop met Aragon te gaan slapen. Het was hem dan ook niet zeer naar den zin, toen ik hem gelastte, de Chunchos te ondervragen omtrent hetgeen ik wenschte te weten, en mij hunne antwoorden mede te deelen. Aanvankelijk ging de ondervraging niet gemakkelijk, maar allengs begon men elkander beter te verstaan, en werden geregelde antwoorden gegeven. Wat ik op die wijze te weten kwam, zal ik hier kort mededeelen.De Siriniris, waartoe onze gastheeren behoorden, waren destijds in drie stammen verdeeld, die eene landstreek bewoonden van omstreeks tien mijlen lengte bij drie à vier mijlen breedte, geheel met dichte bosschen bedekt, en door verscheidene beken en kleine rivieren besproeid. Deze drie stammen te zamen waren misschien omstreeks driehonderd zielen sterk; sedert langen tijd leefden zij zoowel onderling, als met de naburige stammen der Huatchipayris, Tuyneris en Pukiris, die de noordelijk en zuidelijk aangrenzende valleien bewoonden, in ongestoorden vrede.De zeden en gewoonten van dezen stam kwamen tamelijk overeen met die van al de stammen, die de hellingen van de Cordilleras, tusschen den 10denen den 12dengraad zuiderbreedte bewonen, en waarmede wij reeds vroeger kennis hadden gemaakt. De veelwijverij was bij de Siriniris echter veeleer uitzondering dan regel: niet zoozeer omdat hunne begrippen ten aanzien van het huwelijk zooveel strenger waren, maar omdat de schaarschte der levensmiddelen, en de moeilijkheid om altijd in het onderhoud te voorzien, de mannen doorgaans weerhield, meer vrouwen te nemen, dan zij zonder al te veel inspanning konden voeden.Overigens was hunne levenswijze geheel dezelfde als die hunner stamgenooten: zij kenden geene andere zorg of bezigheid, dan de vervulling hunner dagelijksche, physieke behoeften. Had de jacht of de visscherij genoeg opgeleverd, dat er voor eenige dagen voorraad was, dan bleven de mannen thuis, meestal in volslagen werkeloosheid op den grond of de barbacoa liggende, terwijl de vrouwen alle bezigheden in en buiten ’s huis verrichtten. Zooals ik reeds zeide, de vrouw is hier nog, in den letterlijken zin des woords, de slavin, het lastdier, het eigendom van den man, en in geenen deele zijne gelijke, zijne echtgenoote. Alle zware arbeid, dien de man niet verrichten wil, komt ten laste van de vrouw, boven en behalve de zorg voor de kinderen en de huishouding. De vrouwen zijn, sedert eeuwen reeds, aan die ruwe behandeling gewoon en denken er niet aan, zich daarover te beklagen: zij zijn daaraan zoo gewoon geworden, dat zij niet anders weten of het behoort zoo.Evenals bij alle indiaansche volksstammen van Zuid-Amerika, gaat het huwelijk, of liever de vereeniging der beide geslachten, zonder eenige ceremonie of plechtigheid. De jonkman neemt zich een meisje, en daarmede is het uit. De kinderen blijven tot aan hun zevende jaar onder het opzicht van de moeder; dan gaan zij onder de voogdij van den vader over, die zich met de verdere opvoeding belast. Zijn eerste werk is, hen, evenals jonge honden, in het water te werpen, om hun zoodoende zwemmen te leeren; dan onderwijst hij hen in de behandeling van boog en pijlen, en in de kunst om met een steenen mes, en met behulp van vuur, knodsen te snijden. Daartoe en tot het nabootsen van het geluid van eenige dieren, bepaalt zich de geheele opvoeding. Het kind vergezelt zijn vader op diens tochten door het bosch, gaat met hem op de jacht, en neemt, op zijne beurt groot geworden, zooveel vrouwen als hij meent te kunnen onderhouden. En zoo gaat het leven dezer menschen, geslacht aan geslacht voort, terwijl hun aantal voortdurend vermindert, en met onvermijdelijke zekerheid de dag nadert, waarop zij geheel van de aarde zullen verdwenen zijn.Gezicht op den berg Basiri.Gezicht op den berg Basiri.III.Den volgenden morgen vertrokken wij van Huatinmio, na van onze vriendelijke gastheeren afscheid genomen te hebben, en vervolgden onzen weg. Allengs nam het woud een schilderachtiger karakter aan, en alleen de begeerte om zoo spoedig mogelijk buiten het bereik der Siriniris te komen, dreef ons zoo haastig voort, dat wij aan de schoone partijen, die ons omringden, niet de aandacht konden schenken, die zij zoo ruimschoots verdienden. Doch weldra scheen de vrees voor eene ontmoeting geen beletsel meer om het landschap rondom ons goed op te nemen; onze cascarilleros begonnen weder de bosschen te onderzoeken, of zij ook kinaboomen konden vinden: en hunne nasporingen waren niet altijd vruchteloos. Zoo ging het voort, dagen achtereen, altijd door de bosschen en wouden; des nachts ons kamp opslaande op een open plek of aan den oever der rivier, en des daags onzen tocht vervolgende, die niets bijzonders opleverde.Op zekeren dag opende zich eensklaps voor ons oog een wijde, dorre vlakte, schitterende in de zonnestralen, en aan den gezichteinder begrensd door het woud, waarboven zich de toppen van twee, geheel met bosch bedekte heuvelen verhieven. Juist toen wij uit de schaduw te voorschijn kwamen, en ons gereed maakten om de vlakte over te steken, bespeurden wij een troep inboorlingen, mannen, vrouwen en kinderen, die naar ons toe kwamen. Deze ontmoeting was ons hoogst onaangenaam, en wij peinsden op een middel om die nog te vermijden. Dit was alleen mogelijk door zoo spoedig doenlijk in het woud terug te keeren, en eene andere richting te volgen. Wij deden dit ook dadelijk: maar helaas, het was reeds te laat! Plotseling verhief zich een oorverdoovend geschreeuw, dat duidelijk genoeg bewees, dat de wilden ons gezien hadden, en het niet meer mogelijk zou zijn, de gevreesde ontmoeting te vermijden. Wij bleven dus waar wij waren, en wachtten de nadering dezer onbekenden af. Wij behoefden niet lang te wachten. Zoodra zij ons in het bosch hadden zien terugtrekken, hadden zij het op een loopen gezet, en weldra was de geheele bende bij ons. In een oogenblik waren wij nu omringd en ingesloten, en begonnen de Chunchos onsmet luid geschreeuw en allerlei wilde gebaren te omhelzen en aan hunne borst te drukken. Niet dan met eenige moeite konden wij er in slagen, ons aan deze onstuimige liefkozingen te onttrekken, en de wilden een weinig van het lijf te houden, zoodat wij ons althans vrij bewegen konden.Wij maakten daarvan gebruik om het bosch te verlaten en naar de vlakte te gaan, waar wij onze bezoekers beter in het oog konden houden, en zoo noodig alle vijandelijkheden dadelijk konden keeren; maar onze vrees bleek weldra ongegrond. Zoodra zij zagen, dat hunne wijze van handelen ons niet beviel, veranderden zij van houding, en maakte de vrijpostige familiariteit van zooeven plaats voor aanhalige nederigheid. Toch was het ons duidelijk, dat zij van begeerte brandden om de fraaie messen te bezitten, die in onze gordels staken; zij konden er de oogen niet afwenden, en wezen er naar, terwijl zij met de lippen smakten als kinderen, die een of andere lekkernij zien. Wij hielden ons evenwel of wij die wenken niet begrepenenzwegen stil.Door onze onbekende bezoekers begeleid, trokken wij tot midden in de vlakte voort. Wij wilden niet doorgaan naar het bosch, waar zij ons ongetwijfeld zouden volgen, maar hielden halt, in de hoop, dat de zeer koele ontvangst hen weldra zou bewegen, ons te verlaten. Wij zetten ons neder op de rotsblokken, die zich hier en daar uit het zand verhieven; terwijl de Chunchos zich in verschillende houdingen op den grond zetten; zij wenden hunne blikken niet van ons af, en begonnen tevens met elkander een druk gesprek, dat op zoo gedempten toon gevoerd werd, dat wij er geen woord van konden verstaan. Dit onderhoud, dat natuurlijk in de eerste plaats over onze personen en onze messen liep, had reeds ongeveer een half uur geduurd, toen ik, vreezende dat er geen eind aan komen zou, onze tolken verzocht, aan de wilden te zeggen, dat zij ons verveelden, en dat zij, in plaats van ons te blijven aankijken, beter zouden doen met heen te gaan en zich niet verder met ons te bemoeien. Ik weet niet of de tolken mijne woorden trouw overbrachten; maar wel verre dat de Chunchos den gegeven raad zouden volgen, begon er nu een levendig gesprek tusschen hen en onze woordvoerders. Weldra vernamen wij wat er gaande was.Ziende, dat wij volstrekt niet gezind waren; hen gratis van bijlen en messen te voorzien, en van hun kant niets bezittende om ons aan te bieden, waren deze Siriniris op de gedachte gekomen, de begeerde voorwerpen in te ruilen tegen levensmiddelen, die zij ergens in het woud verborgen hadden. Hun voorraad bestond in een halven gerookten pecari; eene zekere hoeveelheid bananen, zoete aardakers en eenige andere vruchten; en onze tolken hadden het der moeite waard geacht, daarover nader in onderhandeling te treden, want onze eigene voorraad was bijna verteerd. De Chunchos hielden echter hunne waren op prijs: voor den halven pecari vroegen zij een bijl, voor de bananen en andere vruchten zes groote messen. De prijs was buitensporig; maar het vooruitzicht van een goeden maaltijd te kunnen doen, was zoo uitlokkend, dat de koop weldra gesloten werd. Doch, wenschende zoo spoedig mogelijk van hen verlost te worden, drongen wij er op aan, dat de zaak onmiddellijk zou worden ten einde gebracht. De Siriniris stonden een oogenblik in beraad; toen verwijderden zich twee hunner en begaven zich, vanhunnevrouwen vergezeld, met snelle schreden naar het bosch.Reeds waren sedert hun vertrek eenige minuten verloopen, toen ik, werktuigelijk het hoofd omwendende, zag, hoe deze afgevaardigden al langzamer en langzamer begonnen te loopen, en eindelijk aan den rand van het bosch gekomen, in plaats van daarin te gaan, onder een boom gingen zitten, en uit de verte naar ons bleven kijken. Dit scheen mij minstens zonderling; ik maakte daar den kolonel opmerkzaam op, die zich weldra overtuigde, dat mijne oogen mij niet misleidden. Zoodra zij bemerkten, dat wij hen ontdekt hadden, stonden zij allen op en verdwenen in het woud.Toen, na verloop van een uur, de uitgezondenen nog niet waren teruggekeerd, liet ik aan de Siriniris zeggen, dat, daar de levensmiddelen niet kwamen, wij den koop als nietig beschouwden, en onze tocht zouden vervolgen. Deze mededeeling scheen hen niet te bevallen; door zeer duidelijke uitroepen en gebaren gaven zij aan hunne ontevredenheid lucht. Ik stoorde mij daaraan niet, maar gaf het sein tot vertrekken. Toen onze dragers zich daartoe gereed maakten, gingen sommigen dezer wilden zoover, dat zij hen omringden en aangrepen, en aanstalten schenen te maken om hen van hunne kleederen te berooven. De verschrikte Quechuas begonnen als kinderen te schreeuwen, waardoor de vroolijkheid der plunderaars niet weinig werd opgewekt. Reeds had een hunner de montera van een onzer lieden weggekaapt en die opgezet, en maakte hij zich gereed daarmede weg te loopen, toen wij tusschenbeiden kwamen om aan dit tooneel, dat ernstige gevolgen kon hebben, een einde te maken. Het gelukte ons, met groote woorden en dreigementen, de Siriniris in bedwang te houden, waarop wij onze schreden naar het bosch richtten.De Indianen, bevreesd voor onze geweren, durfden ons niet volgen; maar nauwelijks waren wij het bosch ingegaan, of eensklaps drong ons een luid en langgerekt geschreeuw in de ooren, dat wij voor een signaal der wilden hielden. Daardoor verschrikt, en niet wetende, welk gevaar ons bedreigen kon, zetten wij het op een loopen, vooral toen, eenige minuten later, hetzelfde geschreeuw zich nog eens liet hooren, maar nu, zoo het scheen, meer in onze nabijheid. Wij renden nu zoo hard mogelijk voort, dwars door kreupelhout en struikgewas, tot wij bijkans buiten adem waren, en ons mochten vleien, dat de vijand, indien hij ons al vervolgde, zeker wel ons spoor zou verloren hebben.Intusschen had deze overhaaste vlucht ons eenigszins van den weg doen afdwalen: in plaats van, zooals tot dusver, eene zuidelijke richting te volgen, waren wij westwaarts afgeslagen. Na raadpleging met onze Bolivianen, besloten wij, nog een paar dagen in westelijke richting voort te gaan, en ons dan wedernaar het zuiden te wenden. Wij zouden op die wijze nader bij de Cordilleras komen, maar ons tevens verwijderen van de Siriniris, wier gedurige verschijning ons hoogst onaangenaam was en bovendien onze cascarilleros telkens in hunne onderzoekingen stoorde.Nadat wij een paar uren in westelijke richting waren voortgegaan, merkten wij een verandering in het woud op. De boomen schenen zich gaandeweg te ontdoen van het net van slingerplanten en lianen, die hen tot dusverre hield omwoeld; hier en daar vertoonden zich open plekken, waar zich bevallige palmen verhieven. Tegelijk werd de vlakke grond telkens hobbeliger en het gaan bezwaarlijker. De majordomo der cascarilleros, wien ik naar de reden van deze veranderingen vroeg, antwoorde mij, dat het gewijzigd karakter der vegetatie een gevolg was van de nabijheid der Cordilleras; en dat wat het hobbelige en ongelijke van den grond aanging, dit te wijten was aan eene of andere rivier, die wij weldra zouden bereiken.Weldra bewees de uitkomst dat hij gelijk had. Hijgend van vermoeienis en erg gehavend door de doornen, die het laatste gedeelte van ons pad hadden versperd, bereikten wij den oever van de rivier Ayapata, die wij moesten overtrekken, Maar, aangezien wij noch een pont, noch een vlot, zelfs geen boomstam hadden, om den overtocht te doen, was het zaak, vooraf zoo nauwkeurig mogelijk de gesteldheid der rivier te onderzoeken. De Ayapata, hier ongeveer honderd ellen breed, stroomde voort tusschen vlakke oevers, ter wederzijde geheel met zware boomen bedekt, die door een net van lianen aan elkander waren verbonden. De verschillende kleurschakeeringen in de tamelijk snelvlietende wateren bewezen dat de diepte zeer verschillend was, en dus ook dat er op sommige plaatsen meerofminder geschikte voorden moesten zijn. Twee rijen rotsen, op eenige ellen afstands van elkander, veroorzaakten eene branding, sterk genoeg om eene gewone boot te verbrijzelen. Na zorgvuldige waarneming van alle deze teekenen, kozen wij voor den overtocht eene plaats, die door een witachtige streep op de oppervlakte der rivier werd aangewezen, en waar, naar de schatting der Bolivianen, de diepte niet meer dan tusschen de vier of zes voet moest bedragen. Wij grepen elkander bij de hand, en daalden in de Ayapata af. In het midden der rivier gekomen, hadden wij al onze krachten noodig om ons te verdedigen tegen den stroom, die ons optilde, omver wierp en ons ongetwijfeld zou hebben medegevoerd, indien wij niet de voorzorg hadden gebruikt van elkander vast te houden en zoo een soort van keten te vormen. Toch kwamen de meesten er niet zonder eene onderdompeling af.Druipnat kwamen wij op den anderen oever, waar ons eerste werk was een plekje op te zoeken, waar de Siriniris ons niet konden ontdekken, ingeval zij bij toeval aan den anderen oever kwamen; en vervolgens, nadat wij zulk een plekje gevonden hadden, onze kleederen uit te trekken om die in de zon te drogen. Na een oponthoud van een paar uur, maakte wij ons gereed, onzen tocht te hervatten. Eerst waren wij voornemens, den zandigen oever der rivier te volgen, maar de vrees dat de Siriniris ons zouden zien, bracht ons van dit denkbeeld terug. Wij gingen dus het bosch in, ver genoeg om niet van de overzijde gezien te kunnen worden, en toch dicht genoeg bij de rivier om haar niet uit het oog te verliezen. Intusschen ontdekken wij, noch aan dezen, noch aan den tegenover liggenden oever, een enkel spoor, waaruit de nabijheid der wilden viel af te leiden. Na verloop van eenigen tijd werd de weg zoo steil en zoo moeilijk, dat wij genoodzaakt waren, in zuidwestelijke richting af te wijken, zoodat wij de rivier uit het oog verloren. Daarentegen hadden wij nu, aan onze linkerhand, een dier barrancas of steile kloven, die hier zoo menigvuldig zijn, en die wij besloten tot het einde te volgen.Aanvankelijk moesten wij, niet zonder moeite en gevaar, voortklauteren over opeengestapelde rotsblokken, die een soort van amphitheater vormden. Toen werd het beter: de rots was nu, bij wijze van een natuurlijke trap, in dunne lagen verdeeld, zoodat wij zonder veel inspanning naar boven konden komen. Deze geheele rotshelling was bovendien met de fraaiste en zeldzaamste planten en bloemen bedekt, die aan het geheele dal een allerschilderachtigst voorkomen gaven. Toen wij, na een half uur klimmens, den top der rots hadden bereikt, strekte zich voor onze blikken een dier onmetelijke panorama’s uit, waarbij de details zich in de massa verliezen, en die eene eigenaardige kalmte en rust ademen, welke zich als van zelve aan den beschouwer mededeelt.Van het noorden naar het oosten was het ééne onafzienbare zee van groen, wier dicht opeengedrongen golven tot den horizon reikten, waar zij zich in een lichtenden nevel verloren. Hier en daar verhief zich uit deze bewegelijke oppervlakte een heuvel, een spits, een bergkegel, als het ware een baken te midden dezer grenzenloosheid. Enkele zilveren strepen, nu eens verdwijnende in het dichte groen, dan van verre zichtbaar, teekenden den loop der rivieren, die haar wateren in de Madre-de-Dios of de Inambari uitstorten. Een wolkelooze, donkerblauwe hemel welfde zich over dit wijde landschap.Als ge u omkeerd, ziet ge voor u, van het westen naar het zuiden, een verwarde en outzaggelijke mengeling van punten, naalden, spitsen, bergkammen, regelmatige of zonderling afgebroken kegels, van toppen en kruinen, allen behoorende tot de bergketenen, die, van de hoofdketen der Andes uitgaande, met, steile hellingen naar de vlakte afdalen. Deze geheele ontzagwekkende berggroep, die bij morgen- of avondverlichting ongetwijfeld een prachtig effect moet maken, vertoonde nu, onder de loodrechte stralen der middagzon, niet veelmeer dan ééne saamgepakte levenlooze massa. Hier en daar dreven langs de lagere hellingen lichte wolken en nevels, opstijgende uit de rivieren, die zich tusschen deze bergen een weg baanden.Op weg naar Huatinmio.Op weg naar Huatinmio.Maar wat nog meer dan dit onmetelijk vergezicht onze aandacht trok, was de rivier de Ayapata zelve, die ver beneden ons haar loop vervolgde, doch nuniet meer vrijelijk tusschen vlakke oevers, door maagdelijke wouden omzoomd, zooals op het punt waar wij haar hadden doorwaad, maar nu gevangen en ingesloten tusschen de loodrechte rotswanden, op welker top wij stonden. Als wij tot den rand der rots voortgingen, konden wij, ons voorover buigende en ons vasthoudende aan de planten, die hare wortels in den steen geslagen hadden, in de diepe kloof afzien, waarin onze rivier gevangen was.Deze eenigszins bochtige kloof had eene lengte van honderdvijftig el; de breedte bedroeg nog geen derde van die der Ayapata. De rivier, in haar loop nog versneld door de helling van den bodem, stortte zich met donderend geweld in de bergengte; spatte haar vlokkig schuim tegen en over enkele rotsen, die hier en daar boven de kokende wateren uitstaken; weerspiegelde in haar oppervlakte de donkere tinten der sombere rotswanden, die aan alle zijden loodrecht oprezen; en ontsnapte dan uit haar kerker, terwijl zij hare woelende wateren in een aantal takken en armen verdeelde.De voorde.De voorde.Na een poos dit schouwspel te hebben aangestaard, maakten wij ons gereed weder af te dalen. Ongelukkig was, aan deze zijde, geen spoor te ontdekken van de natuurlijke trap, die ons bij het opklimmen van zooveel dienst was geweest. De helling was hier bovendien zoo steil, dat aan geen afdalen te denken viel, en wij genoodzaakt waren een langen omweg te maken, en, op de manier der kreeften, met allerlei bochten en slingeringen onzen weg te vervolgen. Wij kwamen zonder ongeval beneden, en gingen het woud weder in, zoodat wij de rivier uit het oog verloren.In den namiddag hadden wij een dier lomas of boschrijke heuvels bereikt, die aan deze streek eigen zijn en als vooruitgeschoven posten van de Cordilleras kunnen worden beschouwd. Wij bestegen den heuvel, die geheel met dicht struikgewas was bezet, waardoor wij ons met onze bijlen en messen een weg moesten banen, en waren weldra op den top, waar wij gemakkelijker konden voortgaan. Ik hield mij bezig met de beschouwing van sommige merkwaardige bloemen, toen ik plotseling eenige onderdrukte kreten vernam. Aanstonds herhaalde ik de stem onzer dragers, en nieuwsgierig om te weten wat er gaande was, liep ik naar hen toe. Toen ik bij hen kwam, schreeuwden zij niet meer, maar waren zij nog geheel ontroerd door hetgeen zij gezien hadden. Een onzer had namelijk den kamp gewaagd met een der bewoners van deze wildernis; en allen, die getuigen van dezen strijd waren geweest, brandden van begeerte om mij het voorgevallene te vertellen.Een der Quechuas, die vooruit ging, had eensklaps in het bosch iets vreemds gezien, en was stil blijven staan om dat onbekende voorwerp meer van nabij op te nemen. Hij hield het eerst voor een kabeltouw; maar Pepe Garcia, naderbij komende, zag dadelijk dat dit gewaande touw niet anders was dan een groote boa-constrictor, die, saamgerold, rustig lag te slapen. De Indiaan en zijne kameraden waren van meening, dat men het dier stil moest laten liggen, daar zij blijkbaar geen lust hadden, nader met de slang kennis te maken. Maar Pepe Garcia had daarop geantwoord, dat het vleesch van de slang zeergoed was om te eten, en dat hij van de huid scheden voormessen kon maken. Tegelijkertijd had hij met beide handen een stevigen palmhouten boog gegrepen, dien hij bij wijze van wandelstok gebruikte, en dat wapen, als een knots, opheffende, had hij daarmede een geweldige slag aan de slang toegebracht, die zich eensklaps had ontrold. Op het gezicht van het gevreesde dier, dat vergeefs poogde zich op zijn gebroken ruggegraat op te heffen en zijn bek dreigend tegen zijn aanvaller opensperde, hadden de verschrikte dragers zich haastig uit de voeten gemaakt. Ik had hun geschreeuw gehoord. De moedigsten waren op eenigen afstand blijven staan, hadden zich achter de boomen verborgen, en vandaar den verderen loop van het gevecht gadegeslagen. Pepe Garcia, zonder zich door de machtelooze woede der slang van zijn stuk te laten brengen, had met groote kracht en behendigheid zijn knots blijven gebruiken, en was dan ook als overwinnaar uit de strijd gekomen. De slang lag roerloos op den grond uitgestrekt. Ik trad naderbij, en zag dat de slang tot een bijzondere soort van python behoorde, die in deze streken veel voorkomt, en effen bruin van kleur is. Het dier was ruim negentien voet lang, en had in het midden een omvang van veertien duim. In onze omstandigheden was deze vondst een groot geluk: het vleesch van de boa verschafte ons dien avond een zoo smakelijk en zoo overvloedig souper, als wij in langen tijd niet hadden gebruikt.IV.Den volgenden morgen hervatten wij onzen tocht, door een prachtig landschap, waar het anders zoo dichte, bijkans ondoordringbare woud schier de gedaante aannam van een park met schilderachtige, verspreide boomgroepen. Na een marsch van eenige uren bereikten wij een open plek, waar onze aandacht getrokken werd door steenhoopen, in halven cirkel of rechte lijn nevens elkander geplaatst. Onze cascarilleros stonden in twijfel, of hier aan de arbeid van menschenhanden dan wel aan de werking van het water der rivier moest worden gedacht: en wij waren juist bezig hierover te praten, toen ons eensklaps uit het bosch een geweldig geschreeuw tegenklonk, dat ons eene huivering door de leden joeg. Wij keerden ons allen te gelijk om naar den kant, vanwaar dat geluid kwam, en zagen, op nauwelijks twintig schreden afstands van ons, een troep Chunchos, met den boog in de hand en de kroon van vederen op het hoofd.De Indianen hervatten nu hun geschreeuw, en begonnen tegelijk te springen en allerlei gebaren te maken, maar niemand kwam naar ons toe: zij bleven springen en hunne armen en beenen bewegen, doch zonder te naderen. Wij begrepen de reden hunner terughouding, toen wij een hunner het woordtasa-tasahoorden uitspreken, terwijl hij op onze geweren wees. In dien man herkende ik dadelijk, aan zijn eigenaardig hoofdtooisel, een der Siriniris, wier ontmoeting ons bewogen had, de rivier Ayapata over te trekken. De Indiaan had ons dus gevolgd, zonder dat wij daar iets van hadden gemerkt, en hij was het, die ons nu deze nieuwe bezoekers op het lijf stuurde.Toen de Chuncho bemerkte dat wij hem herkend hadden: trad hij eenige schreden vooruit, en zijne armen uitbreidende, alsof hij ons wilde omhelzen, riep hij ons toe:Amico Dunkinpuna huayri. Volgens Pepe Garcia wilde hij daarmede zeggen, dat hij onze vriend was, en dat wij te doen hadden met een opperhoofd (huaijri), Dunkinpuna genaamd. Wij beantwoordden deze mededeeling met de verzekering, dat hij zonder vrees naderbij kon komen. De Siriniri liet zich dit geen tweemaal zeggen: hij liep naar ons toe en sloot ons in zijne armen, daarbij tevens, met eene komische mengeling van angst en nieuwsgierigheid, onze geweren aanrakende. Door ons vriendelijk onthaal gerustgesteld, begon hij nu met zijne handen over onze kleederen en straks ook langs ons gelaat te strijken. Deze bijzondere gemeenzaamheid, die wij kalm afweerden, gaf nu ook aan de anderen moed, naderbij te komen en ons ook een weinig te betasten. Wij lieten hen eenige oogenblikken begaan; toen, oordeelende dat het nu genoeg was, maakten wij eene beweging met de geweren, die hen dadelijk op een eerbiedigen afstand deed terugwijken. Daar hielden zij stil, zetten zich gedeeltelijk op den grond neder, en bleven ons onafgebroken aanstaren.Nog meer dan hunne plotselinge verschijning, verwonderde mij hun bescheiden zwijgen over onze messen en bijlen. Hield de vrees voor onze geweren hun den mond gesloten? of wisten zij door hun gids, dat wij de messen en bijlen niet voor niet gaven, maar slechts tegen andere voorwerpen inruilden? Daar zij nu niets hadden om ons aan te bieden, hielden zij zich maar stil, wetende dat zij toch niets krijgen zouden.Na verloop van een half uur, oordeelde ik dat het nu tijd was, afscheid van onze nieuwe bekenden te nemen. Ik stond juist op het punt aan onze dragers te gelasten, den tocht te hervatten, toen Pepe Garcia, die zich onder de Chunchos begeven had en met hen praatte, op den inval kwam om hun te vragen, van waar die steenhoopen afkomstig waren, die wij in den omtrek hadden opgemerkt. In het eerst scheen hun de vraag bespottelijk en antwoordden zij alleen met een luid gelach; maar eindelijk deelden zij onzen tolk mede, dat die steenhoopen in vroeger tijd waren opgeworpen door menschen van onzen eigen stam en kleur; met het doel om goud op te zamelen, dat door de rivier, welke toen langs die plaats haar weg nam, werd medegevoerd. Deze rivier had zich sedert teruggetrokken, wilden wij haar zien, dan moesten wij links afslaan.De rivier, waarvan deze Siriniris spraken, moest de San-Gaban zijn, in de zeventiende eeuw beroemd vanwege de goudwasscherijen, aan hare oevers gevestigd. Ik besloot zoo mogelijk, eenige nadere inlichtingen in te winnen, en verzocht den tolk aan de Indianen eenige vragen te doen, die ik hem zou opgeven, met de belofte dat zoo zij die behoorlijk beantwoordden, zij eenige messen ten geschenke zouden ontvangen. Aanstonds hield hunne luidruchtigheid op, en luisterden zij met ingespannen aandacht naar hetgeen hun zou worden gevraagd.Ik liet hun daarop door Pepe Garcia vragen of zijhunne vaders of grootvaders nooit hadden hooren spreken van eene stad, in vroeger tijd door de Spanjaarden hier in den omtrek gebouwd, en die door de Caranga- en Suchimani-Indianen van de rivier Inambari was verbrand geworden. Deze vraag bracht eene geweldige opschudding onder de Chunchos te weeg: zij riepen en schreeuwden, en wilden allen te gelijk antwoorden. Ik verstond niets dan de woordensacapa huyaris Jpanos, die met groote levendigheid en drift werden uitgesproken; maar toch begreep ik, dat de geschiedenis van San-Graban en de spaansche avonturiers, als overlevering bij deze stammen bekend was. Verder bleek dat de Carangas en de Suchimanis sedert langen tijd deze streek verlaten hadden; en dat de plaats, waar de oude stad gestaan had, niet meer dan een dagreis verwijderd was.De verzoeking om deze eenmaal zoo beroemde plek te gaan zien, was mij te sterk; ook de kolonel en de Bolivianen namen met deze geringe afwijking van onzen weg genoegen. Terwijl wij nog daarover beraadslaagden, lieten de Siriniris ons door Pepe Garcia vragen, of wij de bedoelde plaats, die zij Sacapa noemden, wilden bezoeken; en op mijn bevestigend antwoord, bood Dunkinpuna, die de aanvoerder scheen te zijn, aan, ons derwaarts te geleiden, tot belooning een bijl vragende. Aanstonds wilde de gansche troep medegaan, waar ik volstrekt geen zin in had. Na lange onderhandelingen, kwam men eindelijk overeen, dat drie van de oudsten met den chef Dunkinpuna mede zouden gaan; deze gidsen zouden ieder een bijl krijgen, en, na volbrachten tocht, voor de anderen, die achterbleven, een zeker aantal messen, vischhaken, belletjes en andere snuisterijen, medebrengen. De achterblijvende mannen keerden daarop naar de vrouwen en kinderen terug, die op eenigen afstand waren gebleven. Vergezeld van onze vier gidsen trokken wij het woud in, dat allengs dichter en dichter werd, en ons noodzaakte, met bijlen en messen een doortocht te banen, tot groote verwondering der wilden, die de lianen en struiken eenvoudig op zij schuiven.Het begon duister te worden, en wij moesten eene geschikte plaats opzoeken om in het woud te overnachten. Vooraf wilden wij echter gaarne onzen honger stillen: maar de voorraad ontbrak. Op mijn last wonnen onze beide tolken den raad in der Chunchos, die, gewoon in deze bosschen te leven, beter dan wij bekend moesten zijn met de middelen om ons een avondmaal te bezorgen. Zij waren aanstonds bereid, ons te helpen, en gingen met onze beide tolken het bosch in; terwijl onze dragers inmiddels hout bijeen zochten en een vuur aanmaakten. Weldra vielen vijf geweerschoten, en kort daarop keerden onze lieden terug met wildbraad en vruchten in overvloed. Het wildbraad bestond in een afschuwelijk leelijken brulaap, drie hoccos en vijf patrijzen. De maaltijd smaakte ons heerlijk, en wel verkwikt begaven wij ons ter rust. Onze gidsen, die het vuur zouden aanhouden, sliepen echter niet, maar bleven den geheelen nacht door babbelen.Den volgenden morgen zetten wij onzen marsch voort, en bereikten omstreeks den middag een plek, waar de boomen zeer ver uit elkander stonden en een soort van open vlakte lieten, van ongeveer twee kilometer in omtrek, waarachter weder het dichte woud begon. De met gras begroeide grond was zeer ongelijk, vol kloven en gaten en diepten, overal omgewoeld als ten gevolge eener vulkanische werking. Deze eigenaardigheid viel te meer in het oog, omdat wij sedert den vorigen dag bijna over een geheel effen bodem waren voortgetrokken.De wilden hadden zich onmiddellijk en zonder zich verder om ons te bekommeren, op den grond neder gezet. Ik dacht eerst, dat zij wat verlangden te rusten, maar vernam weldra, dat wij te San-Gaban waren, en dat zij afwachtten of wij nog verder wilden gaan. Deze mededeeling verbaasde mij zoozeer, dat ik de gidsen op nieuw door Pepe Garcia liet ondervragen, waarop zij nogmaals verzekerden dat wij ons op de eigen plek bevonden, waar San-Gaban gestaan had. Nu was geen twijfel langer mogelijk; werktuigelijk zag ik in het rond, of ik niet een of ander overblijfsel van menschelijken arbeid vinden kon; ik zag niets dan gras, mos, struiken en groote boomen. Toch was deze eenzaamheid eenmaal getuige geweest van een koortsachtig overspannen leven.Het was omstreeks het jaar 1550. De valleien van Caravaya, destijds door de stammen Suchimani en Caranga bewoond, waren door spaansche deserteurs ontdekt geworden, die, zoodra zij zich vergewist hadden, dat hier goud in overvloed voorhanden was, de Indianen verdreven, zich hier vestigden, en de toevallig gevonden schatten gingen exploiteeren. Intusschen verspreidde zich spoedig het gerucht dezer ontdekking. Don Antonio de Mendoza, onderkoning van Peru, ook zijn aandeel in de winst begeerende, had eene kolonie Spanjaarden, soldaten en commissarissen, ingenieurs en metselaars, daarheen gezonden, en in de nieuw ontdekte streek de dorpen Ollachea, San-Gaban, Aporoma, Sandia, San-Juan-del-Oro, Inambari en Pari, doen bouwen. De vereenigde mijnwerkers van San-Gaban en San-Juan-del-Oro zonden aan Karel V een klomp goud ten geschenke van tweehonderd achttien pond; de keizer had, tot belooning, aan de beide vlekken den titel van keizerlijke stad geschonken en al de inwoners in den adelstand verheven.De exploitatie der negentien valleien van oostelijk Caravaya werd gedurende ongeveer twee eeuwen voortgezet, en bracht den koningen van Spanje vele millioenen op. Na dien tijd werden de meeste werken verlaten; de vlekken ontvolkten zich; de mijnwerkers, nu pachters geworden, gingen op hunne nieuw ontgonnen plantages leven; toen, later nog, het echte spaansche ras was uitgestorven of zich naar elders had verstrooid, werd de landstreek ingenomen door eene gemengde bevolking, die er heden nog gevestigd is.In 1767 was de stad San-Gaban de eenige, die nog van hare vroegere mededingsters was overgebleven, en nu ook de algemeene verzamelplaats der schatten van Caravaya. Al het goud, hetzij erts, hetzij korrels, hetzij goudzand, dat ergens in het land werd gevonden, werd door Indianen of op muildieren naar San-Gaban gebracht, en in loodsen geborgen, vanwaarhet eenmaal per jaar, na gesmolten en tot staven gevormd te zijn, naar Lima werd vervoerd, om vervolgens naar Spanje te worden overgebracht. In den nacht van 15 op 16 December dezes jaars 1767, werd de keizerlijke stad, die hoegenaamd geen gevaar vermoedde, door de Carangas en de Suchimanis overvallen, die haar in brand staken en al de inwoners vermoordden. Zoo werd door de afstammelingen der eerste bezitters van Caravaya, de overweldiging van voor twee eeuwen gewroken. Dit feit baarde destijds groot opzien, en was het onderwerp van alle gesprekken; maar het geslacht, dat van deze verwoesting getuige was geweest, werd door een ander vervangen, en de treurige geschiedenis van San-Gaban werd langzamerhand eene geheimzinnige legende. Zelfs als ge hier te midden van het woud staat, waar niets u van de tegenwoordigheid van menschen spreekt, zoudt ge bijkans aan de waarheid der historie gaan twijfelen.Ik liet aan onze gidsen vier bijlen ter hand stellen, als loon voor hunne dienst; en toen ik zag, dat zij daarmede zeer in hun schik waren, liet ik hun verzoeken zich ook met de zorg voor ons ontbijt te willen belasten, gelijk zij den vorigen avond zoogoed voor ons souper hadden gezorgd. Zij toonden zich daartoe bereid, en verdwenen weldra in het bosch; de kolonel en de beide tolken togen mede, op hunne eigene gelegenheid, ter jacht. Al spoedig keerden deze laatsten terug, met geen anderen buit dan een eekhoorn en een paar vogels, maar de Chunchos lieten zich te vergeefs wachten. Doch nauwelijks hadden wij ons schraal ontbijt verorberd, of een dier onbeschrijfelijke kreten, waarvan geen taal eenig denkbeeld geven kan, drong ons door merg en been. Opziende zagen wij een ganschen troep wilden, mannen, vrouwen en kinderen, die in draf naar ons toekwamen. Wij hadden ternauwernood den tijd, eenigszins van onze verbazing te bekomen, toen wij reeds aan alle kanten omsingeld waren, en onder luid geschreeuw en geschater werden omhelsd, geschud, en op allerlei manieren geliefkoosd.Te vergeefs poogde ik onder de wilden onze gidsen van zooeven te herkennen; ik hoorde en zag niets, versuft door het oorverdoovend geschreeuw:Siruta inta menea!—geef mij een mes!—dat door het bosch weerklonk. Ieder onzer was door minstens een zestal Chunchos omringd, zonder de vrouwen en kinderen te rekenen, die even dapper meededen. Met groote moeite, en door met onze vuisten en onze geweren dapper om ons heen te slaan, gelukte het ons eindelijk een weinig ruimte te maken; de Chunchos vormden nu een kring om ons, terwijl anderen inmiddels pogingen aanwendden om zich van onze bagage meester te maken. Ziende wat er gaande was, haastten wij ons, onze dragers ter hulp te komen, die van schrik als verlamd waren. Van de daardoor ontstane verwarring maakten de Chunchos gebruik, om haastig alles weg te pakken wat zij grijpen konden, en daarmede in het bosch te verdwijnen.Na een weinig de orde hersteld te hebben, togen wij weder op weg, op eenigen afstand gevolgd door de wilden. Daar ik den schijn niet wilde aannemen, alsof wij voor den vijand vluchtten, beval ik halt te houden, en onze vervolgers af te wachten. Het duurde ook niet lang, of zij hadden ons op nieuw omsingeld. Onder luid geschreeuw wierpen de Indianen zich nu op onze bagage, als tijgers op hunne prooi. Onze dragers namen verschrikt de vlucht; de cascarilleros, aan dergelijke tooneelen niet gewoon, beefden over al hunne leden. In weinige oogenblikken waren wij bijna van alles beroofd wat wij hadden, waarna de Chunchos zich, lachende en juichende, verwijderden.Gelukkig waren er verder geen ongelukken gebeurd, en kwamen wij, het verlies onzer bagage daargelaten, verder met den schrik vrij. Wij besloten nu evenwel, onmiddellijk den terugtocht aan te nemen, hetgeen wij zooveel te gereeder doen konden, daar de nasporingen onzer Bolivianen althans een voldoenden uitslag hadden opgeleverd, en wij dus in zooverre het doel onzer reis hadden bereikt. Wij riepen dus onze dragers, die zich in de struiken hadden verscholen, terug, pakten het weinige, dat ons nog was overgebleven bijeen, en sloegen den weg in naar Marcapata.Wij liepen dien geheelen dag zoo snel wij konden, ten einde ons zoover mogelijk van den noodlottigen vijand te verwijderen. Tegen den avond bereikten wij een heuvel, waar wij besloten te overnachten. Met onze messen baanden wij ons een weg door de struiken en slingerplanten, waarmede de helling geheel bedekt was; en op den top gekomen, vonden wij een pleintje, met mos begroeid en door groote boomen omringd. Hier zetten wij ons neder; van avondeten kon geen spraak zijn; vuur aanmaken durfden wij niet, uit vrees dat wij daardoor onze schuilplaats aan de wilden zouden openbaren. Uitgeput van vermoeienis, vielen wij eindelijk in slaap.Tegen het krieken van den morgen werden wij eensklaps door het reeds zoo welbekende geschreeuw gewekt. Er viel niet aan te twijfelen: de wilden hadden ons wederom ingehaald. In een oogenblik waren zij bij ons, en begon hetzelfde tumult op nieuw. Onder de bende waren er ook, die aan de plundering van gisteren geen deel hadden genomen, en nu ook hun deel van den buit verlangden. Om hen tot bedaren te brengen, liet ik de valiezen openen, zoodat zij zelf konden zien, dat wij niets meer bezaten om hun te geven. Maar, in plaats van heen te gaan, hieven zij een nog luider geschreeuw aan; en een hunner, een athletisch gebouwde jonkman van twintig jaren, van het hoofd tot de voeten met roode en zwarte strepen beschilderd, wierp ons, met eene uitdrukking van toorn en verontwaardiging, een hoop versch afgesneden lianen voor de voeten. Dat waren de lianen, die wij den vorigen avond, bij het beklimmen van den heuvel, hadden afgesneden: de wilden wierpen ons die nu voor de voeten, om onze bewering te logenstraffen, dat wij geen messen meer hadden. Ik haastte mij, mijn kostbaar spaansch mes, dat in mijn gordel stak, te verbergen; nauwelijks had ik dit gedaan, of de Chunchos onderzochten ons den een na den ander, en ontnamen aan mijne reisgenooten de messen, die zij niet in veiligheid hadden kunnen brengen.
Het stranden van het vlot.Het stranden van het vlot.
Het stranden van het vlot.
Het stranden van het vlot.
Al aanstonds had het onze aandacht getrokken, dat de Chunchos er zich in het minst niet om bekommerden, of zij een gebaand pad volgden, dan wel dwars door het dichte hout gingen. Dit scheen hun volmaakt onverschillig: en waar wij gevreesd zouden hebben onze kleederen te scheuren, schenen zij in het minst niet aan hunne naakte huid te denken. Trouwens, de behendigheid, waarmede zij zich door alle gaten en bochten wisten heen te werken, grensde aanhet wonderbare. Een slang kon het niet beter en knapper doen. Hoe dicht ook het woud met doornen, lianen of slingerplanten bewassen of omwoeld was, nooit verbraken zij die hinderpalen of namen, zooals wij, hun toevlucht tot bijl of mes. Zij schoven eenvoudig de takken of lianen ter zijde, of lichtten die op, als ware het een gordijn of draperie; en dat met zooveel behendigheid en zooveel natuurlijke bevalligheid van beweging, dat wij er ons telkens op nieuw over verwonderden. Maar al dit fraais had ook eene minder aangename keerzijde. Wij liepen namelijk telkens gevaar, de lianen of doornen in het gezicht te krijgen, die de wilden met de grootste vlugheid hadden ter zijde gebogen, en die zij daarna weder loslieten, zonder er een oogenblik aan te denken, dat wij hen op den voet volgden. Evenwel, wij getroostten ons deze onaangenaamheid, ziende hoe groot genoegen wij hen deden, door met hen mede te gaan.
Reeds was er een uur verloopen, sedert wij ons op weg hadden begeven, en begon ons de wandeling tamelijk lang te vallen, toen wij aan eene meer open plek in het woud kwamen, waar de zonnestralen lichte kringen op den grond teekenden. Aan de overzijde bespeurden wij een smal pad, tusschen twee hoogten ingesloten, dat met zachte helling naar boven liep, en overal de sporen droeg van veelvuldige menschelijke voetstappen. De Siriniris sloegen dat pad in, en wij volgden hen. Na verloop van tien minuten kwamen wij op eene vlakte, waar wij tusschen het geboomte de palmbladeren-daken van eenige hutten ontdekten.
Onze gidsen hadden, bij de nadering van het dorp, een luid geschreeuw aangeheven; hunne vrouwen kwamen nu aanloopen, maar stonden, zoodra zij ons bemerkten, eensklaps stil, als niet wetende wat deze onverwachte verschijning te beduiden had. Maar ziende dat haar eigen stamgenooten als vrienden met ons omgingen, en door eenige verklaringen van hare mannen gerustgesteld, waagden zij het, naderbij te komen. Naalden, belletjes, koperen knoopen en dergelijke snuisterijen, die wij inmiddels te voorschijn hadden gehaald en haar nu aanboden, verdreven weldra de laatste sporen van vrees, zoodat wij spoedig goede maatjes waren.
De woningen van het dorp bestonden uit zeer groote open loodsen, met palmen gedekt en in schilderachtige wanorde door elkander geplaatst; zij waren aan de noordwestzijde gesloten, en dus beveiligd tegen de regens en den wind, die van den kant der Cordilleras komen; aan de zuidoostzijde waren zij geheel open, en voorts door palmhouten beschotten in drie of vier afdeelingen of kamers gesplitst. Wij telden zeven van zulke loodsen, die te zamen in drie-en-twintig compartimenten waren verdeeld; aannemende, dat in elk compartiment een gezin van zes personen huisvestte—wat zeker niet overdreven was—zou het dorp Huatinmio eene bevolking tellen van honderd-acht-en-dertig zielen, de vrouwen en kinderen daaronder begrepen.
Ieder vertrek bevatte—behalve het weinige vaatwerk en keukengereedschap, waaraan de wilde behoefte heeft, zooals kruiken en schotels van ruw aardewerk;—geen ander meubel dan een breede, van takken gevlochten, op vier pooten rustende bank, die de Indianenbarbacoanoemen, en die hun beurtelings tot tafel, buffet, rustbank en bed dient. Tegen de wanden hingen bogen, pijlen, kleine trommels, fluiten, kronen van papegaaien- of toucanvederen, versierselen van boomschors met franje van gedroogd gras, die bij groote plechtigheden werden gebruikt. Deze geheele rommel, die er tamelijk smerig en verlept uitzag, had voor het oog niets aantrekkelijks.
Bij de nadere beschouwing van deze woningen, waar de walgelijkste onzindelijkheid hand aan hand ging met de volkomenste armoede,—indien althans deze volslagen onbekendheid met al wat tot veraangenaming des levens behoort, armoede kan genoemd worden;—trof ons vooral eene bijzonderheid. Onder al die rustbanken, die, zooals ik gezegd heb, tot verschillende doeleinden dienen, zagen wij de overblijfselen van vuren. Waartoe dat vuur onder eene barbacoa, die twee voet boven den grond verheven was? Diende dit meubel ook nog als rooster, om de spijzen op te braden of te droogen? Wij konden ons dat niet verklaren, en besloten daaromtrent onzen gastheeren inlichtingen te vragen.
Rondom de woningen groeiden, te midden van mimosa’s en anoneën, bananen, deels nog in bloei, deels reeds met vrucht. Een weinig buiten het dorp vonden wij een eenigszins bebouwd terrein, waar manioc, pasteken, pompoenen en ettelijke andere vruchten werden geteeld; alles toonde echter duidelijk aan, dat deze zoogenaamde plantage zeer slecht werd onderhouden, en dat, zoo er nog iets van terecht kwam, dit wel voornamelijk aan de vruchtbaarheid van den bodem en het gezegend klimaat te danken was. Ook was de opbrengst van dezen akker geheel onvoldoende om de bevolking van het dorp te voeden, die dan ook, evenals alle stammen van het woud, in jacht en visscherij hare voornaamste middelen van bestaan vindt.
Toen wij van onze wandeling terugkwamen, vonden wij een maaltijd gereed staan, dien men bepaaldelijk te onzer eere had aangericht, bestaande in een in der haast gekookte ragout van gerookt apenvleesch en groene bananen. Zout ontbrak; maar dit gemis werd meer dan vergoed door een zoo ruimen overvloed van spaanschen peper, dat reeds bij den eersten hap de tranen ons over de oogen liepen, en wij een gevoel hadden of onze mond en keel met een gloeiend ijzer werden verschroeid. Gelukkig had men de voorzorg genomen, nevens dien kom met heeten ragoût een schotel met frisch, helder water te zetten, waar wij telkens een teug van namen. Onze vrienden de Siriniris schenen voor deze sterke kruiderijen onaandoenlijk.
Toen onze maaltijd, dien wij op den grond zittende gebruikt hadden, was afgeloopen, bemerkten wij, dat de zon reeds ter kimme begon te neigen. Wij hadden ons, verleid door het vreemde dezer omgeving, wat lang opgehouden, en waren nu onzeker wat te doen. De kolonel, die, naar hij zeide, alles gezien had wat hier te zien viel, wilde volstrekt vertrekken en ergens in het woud gaan bivouakeeren. Ik wilde evenwel gaarne van deze gelegenheid gebruik maken, om ietsmeer te weten te komen van de lieden, in wier midden wij ons nu bevonden; ik deed daarom den kolonel opmerken, dat het onwellevend zou zijn, aanstonds na den maaltijd heen te gaan; en dat wij in ieder geval nog beter in het dorp konden overnachten, dan in het vochtige woud, waar wij op den sterk bedauwden grond moesten rusten. Vooral deze laatste opmerking scheen bij Perez, die nog al last van rhumatiek had, te wegen; er werd dus besloten, dat wij te Huatinmio zouden overnachten.
Toen Pepe Garcia dit besluit aan de Chunchos mededeelde, waren zij daarmede blijkbaar zeer in bun schik. Aanstonds noodigden zij ons uit, zelf eene keuze te doen tusschen de verschillende woningen, die allen te onzer beschikking werden gesteld. Natuurlijk kozen wij de grootste, zoodat wij allen bij elkander konden blijven. Zoodra onze bagage daarin was geplaatst, brachten de Siriniris ons hout en water, de eenige zaken, die zij ons voor den nacht konden aanbieden. Zoodra het donker was geworden, haalde ik eene bougie te voorschijn, die ik aanstak, en die de uiterste verbazing der inboorlingen opwekte. Ik wenschte het een en ander aan te teekenen aangaande de zeden en gewoonten onzer gastheeren, waartoe ik de hulp van Pepe Garcia noodig had, die zich reeds een barbacoa had uitgekozen om daarop met Aragon te gaan slapen. Het was hem dan ook niet zeer naar den zin, toen ik hem gelastte, de Chunchos te ondervragen omtrent hetgeen ik wenschte te weten, en mij hunne antwoorden mede te deelen. Aanvankelijk ging de ondervraging niet gemakkelijk, maar allengs begon men elkander beter te verstaan, en werden geregelde antwoorden gegeven. Wat ik op die wijze te weten kwam, zal ik hier kort mededeelen.
De Siriniris, waartoe onze gastheeren behoorden, waren destijds in drie stammen verdeeld, die eene landstreek bewoonden van omstreeks tien mijlen lengte bij drie à vier mijlen breedte, geheel met dichte bosschen bedekt, en door verscheidene beken en kleine rivieren besproeid. Deze drie stammen te zamen waren misschien omstreeks driehonderd zielen sterk; sedert langen tijd leefden zij zoowel onderling, als met de naburige stammen der Huatchipayris, Tuyneris en Pukiris, die de noordelijk en zuidelijk aangrenzende valleien bewoonden, in ongestoorden vrede.
De zeden en gewoonten van dezen stam kwamen tamelijk overeen met die van al de stammen, die de hellingen van de Cordilleras, tusschen den 10denen den 12dengraad zuiderbreedte bewonen, en waarmede wij reeds vroeger kennis hadden gemaakt. De veelwijverij was bij de Siriniris echter veeleer uitzondering dan regel: niet zoozeer omdat hunne begrippen ten aanzien van het huwelijk zooveel strenger waren, maar omdat de schaarschte der levensmiddelen, en de moeilijkheid om altijd in het onderhoud te voorzien, de mannen doorgaans weerhield, meer vrouwen te nemen, dan zij zonder al te veel inspanning konden voeden.
Overigens was hunne levenswijze geheel dezelfde als die hunner stamgenooten: zij kenden geene andere zorg of bezigheid, dan de vervulling hunner dagelijksche, physieke behoeften. Had de jacht of de visscherij genoeg opgeleverd, dat er voor eenige dagen voorraad was, dan bleven de mannen thuis, meestal in volslagen werkeloosheid op den grond of de barbacoa liggende, terwijl de vrouwen alle bezigheden in en buiten ’s huis verrichtten. Zooals ik reeds zeide, de vrouw is hier nog, in den letterlijken zin des woords, de slavin, het lastdier, het eigendom van den man, en in geenen deele zijne gelijke, zijne echtgenoote. Alle zware arbeid, dien de man niet verrichten wil, komt ten laste van de vrouw, boven en behalve de zorg voor de kinderen en de huishouding. De vrouwen zijn, sedert eeuwen reeds, aan die ruwe behandeling gewoon en denken er niet aan, zich daarover te beklagen: zij zijn daaraan zoo gewoon geworden, dat zij niet anders weten of het behoort zoo.
Evenals bij alle indiaansche volksstammen van Zuid-Amerika, gaat het huwelijk, of liever de vereeniging der beide geslachten, zonder eenige ceremonie of plechtigheid. De jonkman neemt zich een meisje, en daarmede is het uit. De kinderen blijven tot aan hun zevende jaar onder het opzicht van de moeder; dan gaan zij onder de voogdij van den vader over, die zich met de verdere opvoeding belast. Zijn eerste werk is, hen, evenals jonge honden, in het water te werpen, om hun zoodoende zwemmen te leeren; dan onderwijst hij hen in de behandeling van boog en pijlen, en in de kunst om met een steenen mes, en met behulp van vuur, knodsen te snijden. Daartoe en tot het nabootsen van het geluid van eenige dieren, bepaalt zich de geheele opvoeding. Het kind vergezelt zijn vader op diens tochten door het bosch, gaat met hem op de jacht, en neemt, op zijne beurt groot geworden, zooveel vrouwen als hij meent te kunnen onderhouden. En zoo gaat het leven dezer menschen, geslacht aan geslacht voort, terwijl hun aantal voortdurend vermindert, en met onvermijdelijke zekerheid de dag nadert, waarop zij geheel van de aarde zullen verdwenen zijn.
Gezicht op den berg Basiri.Gezicht op den berg Basiri.
Gezicht op den berg Basiri.
Gezicht op den berg Basiri.
Den volgenden morgen vertrokken wij van Huatinmio, na van onze vriendelijke gastheeren afscheid genomen te hebben, en vervolgden onzen weg. Allengs nam het woud een schilderachtiger karakter aan, en alleen de begeerte om zoo spoedig mogelijk buiten het bereik der Siriniris te komen, dreef ons zoo haastig voort, dat wij aan de schoone partijen, die ons omringden, niet de aandacht konden schenken, die zij zoo ruimschoots verdienden. Doch weldra scheen de vrees voor eene ontmoeting geen beletsel meer om het landschap rondom ons goed op te nemen; onze cascarilleros begonnen weder de bosschen te onderzoeken, of zij ook kinaboomen konden vinden: en hunne nasporingen waren niet altijd vruchteloos. Zoo ging het voort, dagen achtereen, altijd door de bosschen en wouden; des nachts ons kamp opslaande op een open plek of aan den oever der rivier, en des daags onzen tocht vervolgende, die niets bijzonders opleverde.
Op zekeren dag opende zich eensklaps voor ons oog een wijde, dorre vlakte, schitterende in de zonnestralen, en aan den gezichteinder begrensd door het woud, waarboven zich de toppen van twee, geheel met bosch bedekte heuvelen verhieven. Juist toen wij uit de schaduw te voorschijn kwamen, en ons gereed maakten om de vlakte over te steken, bespeurden wij een troep inboorlingen, mannen, vrouwen en kinderen, die naar ons toe kwamen. Deze ontmoeting was ons hoogst onaangenaam, en wij peinsden op een middel om die nog te vermijden. Dit was alleen mogelijk door zoo spoedig doenlijk in het woud terug te keeren, en eene andere richting te volgen. Wij deden dit ook dadelijk: maar helaas, het was reeds te laat! Plotseling verhief zich een oorverdoovend geschreeuw, dat duidelijk genoeg bewees, dat de wilden ons gezien hadden, en het niet meer mogelijk zou zijn, de gevreesde ontmoeting te vermijden. Wij bleven dus waar wij waren, en wachtten de nadering dezer onbekenden af. Wij behoefden niet lang te wachten. Zoodra zij ons in het bosch hadden zien terugtrekken, hadden zij het op een loopen gezet, en weldra was de geheele bende bij ons. In een oogenblik waren wij nu omringd en ingesloten, en begonnen de Chunchos onsmet luid geschreeuw en allerlei wilde gebaren te omhelzen en aan hunne borst te drukken. Niet dan met eenige moeite konden wij er in slagen, ons aan deze onstuimige liefkozingen te onttrekken, en de wilden een weinig van het lijf te houden, zoodat wij ons althans vrij bewegen konden.
Wij maakten daarvan gebruik om het bosch te verlaten en naar de vlakte te gaan, waar wij onze bezoekers beter in het oog konden houden, en zoo noodig alle vijandelijkheden dadelijk konden keeren; maar onze vrees bleek weldra ongegrond. Zoodra zij zagen, dat hunne wijze van handelen ons niet beviel, veranderden zij van houding, en maakte de vrijpostige familiariteit van zooeven plaats voor aanhalige nederigheid. Toch was het ons duidelijk, dat zij van begeerte brandden om de fraaie messen te bezitten, die in onze gordels staken; zij konden er de oogen niet afwenden, en wezen er naar, terwijl zij met de lippen smakten als kinderen, die een of andere lekkernij zien. Wij hielden ons evenwel of wij die wenken niet begrepenenzwegen stil.
Door onze onbekende bezoekers begeleid, trokken wij tot midden in de vlakte voort. Wij wilden niet doorgaan naar het bosch, waar zij ons ongetwijfeld zouden volgen, maar hielden halt, in de hoop, dat de zeer koele ontvangst hen weldra zou bewegen, ons te verlaten. Wij zetten ons neder op de rotsblokken, die zich hier en daar uit het zand verhieven; terwijl de Chunchos zich in verschillende houdingen op den grond zetten; zij wenden hunne blikken niet van ons af, en begonnen tevens met elkander een druk gesprek, dat op zoo gedempten toon gevoerd werd, dat wij er geen woord van konden verstaan. Dit onderhoud, dat natuurlijk in de eerste plaats over onze personen en onze messen liep, had reeds ongeveer een half uur geduurd, toen ik, vreezende dat er geen eind aan komen zou, onze tolken verzocht, aan de wilden te zeggen, dat zij ons verveelden, en dat zij, in plaats van ons te blijven aankijken, beter zouden doen met heen te gaan en zich niet verder met ons te bemoeien. Ik weet niet of de tolken mijne woorden trouw overbrachten; maar wel verre dat de Chunchos den gegeven raad zouden volgen, begon er nu een levendig gesprek tusschen hen en onze woordvoerders. Weldra vernamen wij wat er gaande was.
Ziende, dat wij volstrekt niet gezind waren; hen gratis van bijlen en messen te voorzien, en van hun kant niets bezittende om ons aan te bieden, waren deze Siriniris op de gedachte gekomen, de begeerde voorwerpen in te ruilen tegen levensmiddelen, die zij ergens in het woud verborgen hadden. Hun voorraad bestond in een halven gerookten pecari; eene zekere hoeveelheid bananen, zoete aardakers en eenige andere vruchten; en onze tolken hadden het der moeite waard geacht, daarover nader in onderhandeling te treden, want onze eigene voorraad was bijna verteerd. De Chunchos hielden echter hunne waren op prijs: voor den halven pecari vroegen zij een bijl, voor de bananen en andere vruchten zes groote messen. De prijs was buitensporig; maar het vooruitzicht van een goeden maaltijd te kunnen doen, was zoo uitlokkend, dat de koop weldra gesloten werd. Doch, wenschende zoo spoedig mogelijk van hen verlost te worden, drongen wij er op aan, dat de zaak onmiddellijk zou worden ten einde gebracht. De Siriniris stonden een oogenblik in beraad; toen verwijderden zich twee hunner en begaven zich, vanhunnevrouwen vergezeld, met snelle schreden naar het bosch.
Reeds waren sedert hun vertrek eenige minuten verloopen, toen ik, werktuigelijk het hoofd omwendende, zag, hoe deze afgevaardigden al langzamer en langzamer begonnen te loopen, en eindelijk aan den rand van het bosch gekomen, in plaats van daarin te gaan, onder een boom gingen zitten, en uit de verte naar ons bleven kijken. Dit scheen mij minstens zonderling; ik maakte daar den kolonel opmerkzaam op, die zich weldra overtuigde, dat mijne oogen mij niet misleidden. Zoodra zij bemerkten, dat wij hen ontdekt hadden, stonden zij allen op en verdwenen in het woud.
Toen, na verloop van een uur, de uitgezondenen nog niet waren teruggekeerd, liet ik aan de Siriniris zeggen, dat, daar de levensmiddelen niet kwamen, wij den koop als nietig beschouwden, en onze tocht zouden vervolgen. Deze mededeeling scheen hen niet te bevallen; door zeer duidelijke uitroepen en gebaren gaven zij aan hunne ontevredenheid lucht. Ik stoorde mij daaraan niet, maar gaf het sein tot vertrekken. Toen onze dragers zich daartoe gereed maakten, gingen sommigen dezer wilden zoover, dat zij hen omringden en aangrepen, en aanstalten schenen te maken om hen van hunne kleederen te berooven. De verschrikte Quechuas begonnen als kinderen te schreeuwen, waardoor de vroolijkheid der plunderaars niet weinig werd opgewekt. Reeds had een hunner de montera van een onzer lieden weggekaapt en die opgezet, en maakte hij zich gereed daarmede weg te loopen, toen wij tusschenbeiden kwamen om aan dit tooneel, dat ernstige gevolgen kon hebben, een einde te maken. Het gelukte ons, met groote woorden en dreigementen, de Siriniris in bedwang te houden, waarop wij onze schreden naar het bosch richtten.
De Indianen, bevreesd voor onze geweren, durfden ons niet volgen; maar nauwelijks waren wij het bosch ingegaan, of eensklaps drong ons een luid en langgerekt geschreeuw in de ooren, dat wij voor een signaal der wilden hielden. Daardoor verschrikt, en niet wetende, welk gevaar ons bedreigen kon, zetten wij het op een loopen, vooral toen, eenige minuten later, hetzelfde geschreeuw zich nog eens liet hooren, maar nu, zoo het scheen, meer in onze nabijheid. Wij renden nu zoo hard mogelijk voort, dwars door kreupelhout en struikgewas, tot wij bijkans buiten adem waren, en ons mochten vleien, dat de vijand, indien hij ons al vervolgde, zeker wel ons spoor zou verloren hebben.
Intusschen had deze overhaaste vlucht ons eenigszins van den weg doen afdwalen: in plaats van, zooals tot dusver, eene zuidelijke richting te volgen, waren wij westwaarts afgeslagen. Na raadpleging met onze Bolivianen, besloten wij, nog een paar dagen in westelijke richting voort te gaan, en ons dan wedernaar het zuiden te wenden. Wij zouden op die wijze nader bij de Cordilleras komen, maar ons tevens verwijderen van de Siriniris, wier gedurige verschijning ons hoogst onaangenaam was en bovendien onze cascarilleros telkens in hunne onderzoekingen stoorde.
Nadat wij een paar uren in westelijke richting waren voortgegaan, merkten wij een verandering in het woud op. De boomen schenen zich gaandeweg te ontdoen van het net van slingerplanten en lianen, die hen tot dusverre hield omwoeld; hier en daar vertoonden zich open plekken, waar zich bevallige palmen verhieven. Tegelijk werd de vlakke grond telkens hobbeliger en het gaan bezwaarlijker. De majordomo der cascarilleros, wien ik naar de reden van deze veranderingen vroeg, antwoorde mij, dat het gewijzigd karakter der vegetatie een gevolg was van de nabijheid der Cordilleras; en dat wat het hobbelige en ongelijke van den grond aanging, dit te wijten was aan eene of andere rivier, die wij weldra zouden bereiken.
Weldra bewees de uitkomst dat hij gelijk had. Hijgend van vermoeienis en erg gehavend door de doornen, die het laatste gedeelte van ons pad hadden versperd, bereikten wij den oever van de rivier Ayapata, die wij moesten overtrekken, Maar, aangezien wij noch een pont, noch een vlot, zelfs geen boomstam hadden, om den overtocht te doen, was het zaak, vooraf zoo nauwkeurig mogelijk de gesteldheid der rivier te onderzoeken. De Ayapata, hier ongeveer honderd ellen breed, stroomde voort tusschen vlakke oevers, ter wederzijde geheel met zware boomen bedekt, die door een net van lianen aan elkander waren verbonden. De verschillende kleurschakeeringen in de tamelijk snelvlietende wateren bewezen dat de diepte zeer verschillend was, en dus ook dat er op sommige plaatsen meerofminder geschikte voorden moesten zijn. Twee rijen rotsen, op eenige ellen afstands van elkander, veroorzaakten eene branding, sterk genoeg om eene gewone boot te verbrijzelen. Na zorgvuldige waarneming van alle deze teekenen, kozen wij voor den overtocht eene plaats, die door een witachtige streep op de oppervlakte der rivier werd aangewezen, en waar, naar de schatting der Bolivianen, de diepte niet meer dan tusschen de vier of zes voet moest bedragen. Wij grepen elkander bij de hand, en daalden in de Ayapata af. In het midden der rivier gekomen, hadden wij al onze krachten noodig om ons te verdedigen tegen den stroom, die ons optilde, omver wierp en ons ongetwijfeld zou hebben medegevoerd, indien wij niet de voorzorg hadden gebruikt van elkander vast te houden en zoo een soort van keten te vormen. Toch kwamen de meesten er niet zonder eene onderdompeling af.
Druipnat kwamen wij op den anderen oever, waar ons eerste werk was een plekje op te zoeken, waar de Siriniris ons niet konden ontdekken, ingeval zij bij toeval aan den anderen oever kwamen; en vervolgens, nadat wij zulk een plekje gevonden hadden, onze kleederen uit te trekken om die in de zon te drogen. Na een oponthoud van een paar uur, maakte wij ons gereed, onzen tocht te hervatten. Eerst waren wij voornemens, den zandigen oever der rivier te volgen, maar de vrees dat de Siriniris ons zouden zien, bracht ons van dit denkbeeld terug. Wij gingen dus het bosch in, ver genoeg om niet van de overzijde gezien te kunnen worden, en toch dicht genoeg bij de rivier om haar niet uit het oog te verliezen. Intusschen ontdekken wij, noch aan dezen, noch aan den tegenover liggenden oever, een enkel spoor, waaruit de nabijheid der wilden viel af te leiden. Na verloop van eenigen tijd werd de weg zoo steil en zoo moeilijk, dat wij genoodzaakt waren, in zuidwestelijke richting af te wijken, zoodat wij de rivier uit het oog verloren. Daarentegen hadden wij nu, aan onze linkerhand, een dier barrancas of steile kloven, die hier zoo menigvuldig zijn, en die wij besloten tot het einde te volgen.
Aanvankelijk moesten wij, niet zonder moeite en gevaar, voortklauteren over opeengestapelde rotsblokken, die een soort van amphitheater vormden. Toen werd het beter: de rots was nu, bij wijze van een natuurlijke trap, in dunne lagen verdeeld, zoodat wij zonder veel inspanning naar boven konden komen. Deze geheele rotshelling was bovendien met de fraaiste en zeldzaamste planten en bloemen bedekt, die aan het geheele dal een allerschilderachtigst voorkomen gaven. Toen wij, na een half uur klimmens, den top der rots hadden bereikt, strekte zich voor onze blikken een dier onmetelijke panorama’s uit, waarbij de details zich in de massa verliezen, en die eene eigenaardige kalmte en rust ademen, welke zich als van zelve aan den beschouwer mededeelt.
Van het noorden naar het oosten was het ééne onafzienbare zee van groen, wier dicht opeengedrongen golven tot den horizon reikten, waar zij zich in een lichtenden nevel verloren. Hier en daar verhief zich uit deze bewegelijke oppervlakte een heuvel, een spits, een bergkegel, als het ware een baken te midden dezer grenzenloosheid. Enkele zilveren strepen, nu eens verdwijnende in het dichte groen, dan van verre zichtbaar, teekenden den loop der rivieren, die haar wateren in de Madre-de-Dios of de Inambari uitstorten. Een wolkelooze, donkerblauwe hemel welfde zich over dit wijde landschap.
Als ge u omkeerd, ziet ge voor u, van het westen naar het zuiden, een verwarde en outzaggelijke mengeling van punten, naalden, spitsen, bergkammen, regelmatige of zonderling afgebroken kegels, van toppen en kruinen, allen behoorende tot de bergketenen, die, van de hoofdketen der Andes uitgaande, met, steile hellingen naar de vlakte afdalen. Deze geheele ontzagwekkende berggroep, die bij morgen- of avondverlichting ongetwijfeld een prachtig effect moet maken, vertoonde nu, onder de loodrechte stralen der middagzon, niet veelmeer dan ééne saamgepakte levenlooze massa. Hier en daar dreven langs de lagere hellingen lichte wolken en nevels, opstijgende uit de rivieren, die zich tusschen deze bergen een weg baanden.
Op weg naar Huatinmio.Op weg naar Huatinmio.
Op weg naar Huatinmio.
Op weg naar Huatinmio.
Maar wat nog meer dan dit onmetelijk vergezicht onze aandacht trok, was de rivier de Ayapata zelve, die ver beneden ons haar loop vervolgde, doch nuniet meer vrijelijk tusschen vlakke oevers, door maagdelijke wouden omzoomd, zooals op het punt waar wij haar hadden doorwaad, maar nu gevangen en ingesloten tusschen de loodrechte rotswanden, op welker top wij stonden. Als wij tot den rand der rots voortgingen, konden wij, ons voorover buigende en ons vasthoudende aan de planten, die hare wortels in den steen geslagen hadden, in de diepe kloof afzien, waarin onze rivier gevangen was.
Deze eenigszins bochtige kloof had eene lengte van honderdvijftig el; de breedte bedroeg nog geen derde van die der Ayapata. De rivier, in haar loop nog versneld door de helling van den bodem, stortte zich met donderend geweld in de bergengte; spatte haar vlokkig schuim tegen en over enkele rotsen, die hier en daar boven de kokende wateren uitstaken; weerspiegelde in haar oppervlakte de donkere tinten der sombere rotswanden, die aan alle zijden loodrecht oprezen; en ontsnapte dan uit haar kerker, terwijl zij hare woelende wateren in een aantal takken en armen verdeelde.
De voorde.De voorde.
De voorde.
De voorde.
Na een poos dit schouwspel te hebben aangestaard, maakten wij ons gereed weder af te dalen. Ongelukkig was, aan deze zijde, geen spoor te ontdekken van de natuurlijke trap, die ons bij het opklimmen van zooveel dienst was geweest. De helling was hier bovendien zoo steil, dat aan geen afdalen te denken viel, en wij genoodzaakt waren een langen omweg te maken, en, op de manier der kreeften, met allerlei bochten en slingeringen onzen weg te vervolgen. Wij kwamen zonder ongeval beneden, en gingen het woud weder in, zoodat wij de rivier uit het oog verloren.
In den namiddag hadden wij een dier lomas of boschrijke heuvels bereikt, die aan deze streek eigen zijn en als vooruitgeschoven posten van de Cordilleras kunnen worden beschouwd. Wij bestegen den heuvel, die geheel met dicht struikgewas was bezet, waardoor wij ons met onze bijlen en messen een weg moesten banen, en waren weldra op den top, waar wij gemakkelijker konden voortgaan. Ik hield mij bezig met de beschouwing van sommige merkwaardige bloemen, toen ik plotseling eenige onderdrukte kreten vernam. Aanstonds herhaalde ik de stem onzer dragers, en nieuwsgierig om te weten wat er gaande was, liep ik naar hen toe. Toen ik bij hen kwam, schreeuwden zij niet meer, maar waren zij nog geheel ontroerd door hetgeen zij gezien hadden. Een onzer had namelijk den kamp gewaagd met een der bewoners van deze wildernis; en allen, die getuigen van dezen strijd waren geweest, brandden van begeerte om mij het voorgevallene te vertellen.
Een der Quechuas, die vooruit ging, had eensklaps in het bosch iets vreemds gezien, en was stil blijven staan om dat onbekende voorwerp meer van nabij op te nemen. Hij hield het eerst voor een kabeltouw; maar Pepe Garcia, naderbij komende, zag dadelijk dat dit gewaande touw niet anders was dan een groote boa-constrictor, die, saamgerold, rustig lag te slapen. De Indiaan en zijne kameraden waren van meening, dat men het dier stil moest laten liggen, daar zij blijkbaar geen lust hadden, nader met de slang kennis te maken. Maar Pepe Garcia had daarop geantwoord, dat het vleesch van de slang zeergoed was om te eten, en dat hij van de huid scheden voormessen kon maken. Tegelijkertijd had hij met beide handen een stevigen palmhouten boog gegrepen, dien hij bij wijze van wandelstok gebruikte, en dat wapen, als een knots, opheffende, had hij daarmede een geweldige slag aan de slang toegebracht, die zich eensklaps had ontrold. Op het gezicht van het gevreesde dier, dat vergeefs poogde zich op zijn gebroken ruggegraat op te heffen en zijn bek dreigend tegen zijn aanvaller opensperde, hadden de verschrikte dragers zich haastig uit de voeten gemaakt. Ik had hun geschreeuw gehoord. De moedigsten waren op eenigen afstand blijven staan, hadden zich achter de boomen verborgen, en vandaar den verderen loop van het gevecht gadegeslagen. Pepe Garcia, zonder zich door de machtelooze woede der slang van zijn stuk te laten brengen, had met groote kracht en behendigheid zijn knots blijven gebruiken, en was dan ook als overwinnaar uit de strijd gekomen. De slang lag roerloos op den grond uitgestrekt. Ik trad naderbij, en zag dat de slang tot een bijzondere soort van python behoorde, die in deze streken veel voorkomt, en effen bruin van kleur is. Het dier was ruim negentien voet lang, en had in het midden een omvang van veertien duim. In onze omstandigheden was deze vondst een groot geluk: het vleesch van de boa verschafte ons dien avond een zoo smakelijk en zoo overvloedig souper, als wij in langen tijd niet hadden gebruikt.
Den volgenden morgen hervatten wij onzen tocht, door een prachtig landschap, waar het anders zoo dichte, bijkans ondoordringbare woud schier de gedaante aannam van een park met schilderachtige, verspreide boomgroepen. Na een marsch van eenige uren bereikten wij een open plek, waar onze aandacht getrokken werd door steenhoopen, in halven cirkel of rechte lijn nevens elkander geplaatst. Onze cascarilleros stonden in twijfel, of hier aan de arbeid van menschenhanden dan wel aan de werking van het water der rivier moest worden gedacht: en wij waren juist bezig hierover te praten, toen ons eensklaps uit het bosch een geweldig geschreeuw tegenklonk, dat ons eene huivering door de leden joeg. Wij keerden ons allen te gelijk om naar den kant, vanwaar dat geluid kwam, en zagen, op nauwelijks twintig schreden afstands van ons, een troep Chunchos, met den boog in de hand en de kroon van vederen op het hoofd.
De Indianen hervatten nu hun geschreeuw, en begonnen tegelijk te springen en allerlei gebaren te maken, maar niemand kwam naar ons toe: zij bleven springen en hunne armen en beenen bewegen, doch zonder te naderen. Wij begrepen de reden hunner terughouding, toen wij een hunner het woordtasa-tasahoorden uitspreken, terwijl hij op onze geweren wees. In dien man herkende ik dadelijk, aan zijn eigenaardig hoofdtooisel, een der Siriniris, wier ontmoeting ons bewogen had, de rivier Ayapata over te trekken. De Indiaan had ons dus gevolgd, zonder dat wij daar iets van hadden gemerkt, en hij was het, die ons nu deze nieuwe bezoekers op het lijf stuurde.
Toen de Chuncho bemerkte dat wij hem herkend hadden: trad hij eenige schreden vooruit, en zijne armen uitbreidende, alsof hij ons wilde omhelzen, riep hij ons toe:Amico Dunkinpuna huayri. Volgens Pepe Garcia wilde hij daarmede zeggen, dat hij onze vriend was, en dat wij te doen hadden met een opperhoofd (huaijri), Dunkinpuna genaamd. Wij beantwoordden deze mededeeling met de verzekering, dat hij zonder vrees naderbij kon komen. De Siriniri liet zich dit geen tweemaal zeggen: hij liep naar ons toe en sloot ons in zijne armen, daarbij tevens, met eene komische mengeling van angst en nieuwsgierigheid, onze geweren aanrakende. Door ons vriendelijk onthaal gerustgesteld, begon hij nu met zijne handen over onze kleederen en straks ook langs ons gelaat te strijken. Deze bijzondere gemeenzaamheid, die wij kalm afweerden, gaf nu ook aan de anderen moed, naderbij te komen en ons ook een weinig te betasten. Wij lieten hen eenige oogenblikken begaan; toen, oordeelende dat het nu genoeg was, maakten wij eene beweging met de geweren, die hen dadelijk op een eerbiedigen afstand deed terugwijken. Daar hielden zij stil, zetten zich gedeeltelijk op den grond neder, en bleven ons onafgebroken aanstaren.
Nog meer dan hunne plotselinge verschijning, verwonderde mij hun bescheiden zwijgen over onze messen en bijlen. Hield de vrees voor onze geweren hun den mond gesloten? of wisten zij door hun gids, dat wij de messen en bijlen niet voor niet gaven, maar slechts tegen andere voorwerpen inruilden? Daar zij nu niets hadden om ons aan te bieden, hielden zij zich maar stil, wetende dat zij toch niets krijgen zouden.
Na verloop van een half uur, oordeelde ik dat het nu tijd was, afscheid van onze nieuwe bekenden te nemen. Ik stond juist op het punt aan onze dragers te gelasten, den tocht te hervatten, toen Pepe Garcia, die zich onder de Chunchos begeven had en met hen praatte, op den inval kwam om hun te vragen, van waar die steenhoopen afkomstig waren, die wij in den omtrek hadden opgemerkt. In het eerst scheen hun de vraag bespottelijk en antwoordden zij alleen met een luid gelach; maar eindelijk deelden zij onzen tolk mede, dat die steenhoopen in vroeger tijd waren opgeworpen door menschen van onzen eigen stam en kleur; met het doel om goud op te zamelen, dat door de rivier, welke toen langs die plaats haar weg nam, werd medegevoerd. Deze rivier had zich sedert teruggetrokken, wilden wij haar zien, dan moesten wij links afslaan.
De rivier, waarvan deze Siriniris spraken, moest de San-Gaban zijn, in de zeventiende eeuw beroemd vanwege de goudwasscherijen, aan hare oevers gevestigd. Ik besloot zoo mogelijk, eenige nadere inlichtingen in te winnen, en verzocht den tolk aan de Indianen eenige vragen te doen, die ik hem zou opgeven, met de belofte dat zoo zij die behoorlijk beantwoordden, zij eenige messen ten geschenke zouden ontvangen. Aanstonds hield hunne luidruchtigheid op, en luisterden zij met ingespannen aandacht naar hetgeen hun zou worden gevraagd.
Ik liet hun daarop door Pepe Garcia vragen of zijhunne vaders of grootvaders nooit hadden hooren spreken van eene stad, in vroeger tijd door de Spanjaarden hier in den omtrek gebouwd, en die door de Caranga- en Suchimani-Indianen van de rivier Inambari was verbrand geworden. Deze vraag bracht eene geweldige opschudding onder de Chunchos te weeg: zij riepen en schreeuwden, en wilden allen te gelijk antwoorden. Ik verstond niets dan de woordensacapa huyaris Jpanos, die met groote levendigheid en drift werden uitgesproken; maar toch begreep ik, dat de geschiedenis van San-Graban en de spaansche avonturiers, als overlevering bij deze stammen bekend was. Verder bleek dat de Carangas en de Suchimanis sedert langen tijd deze streek verlaten hadden; en dat de plaats, waar de oude stad gestaan had, niet meer dan een dagreis verwijderd was.
De verzoeking om deze eenmaal zoo beroemde plek te gaan zien, was mij te sterk; ook de kolonel en de Bolivianen namen met deze geringe afwijking van onzen weg genoegen. Terwijl wij nog daarover beraadslaagden, lieten de Siriniris ons door Pepe Garcia vragen, of wij de bedoelde plaats, die zij Sacapa noemden, wilden bezoeken; en op mijn bevestigend antwoord, bood Dunkinpuna, die de aanvoerder scheen te zijn, aan, ons derwaarts te geleiden, tot belooning een bijl vragende. Aanstonds wilde de gansche troep medegaan, waar ik volstrekt geen zin in had. Na lange onderhandelingen, kwam men eindelijk overeen, dat drie van de oudsten met den chef Dunkinpuna mede zouden gaan; deze gidsen zouden ieder een bijl krijgen, en, na volbrachten tocht, voor de anderen, die achterbleven, een zeker aantal messen, vischhaken, belletjes en andere snuisterijen, medebrengen. De achterblijvende mannen keerden daarop naar de vrouwen en kinderen terug, die op eenigen afstand waren gebleven. Vergezeld van onze vier gidsen trokken wij het woud in, dat allengs dichter en dichter werd, en ons noodzaakte, met bijlen en messen een doortocht te banen, tot groote verwondering der wilden, die de lianen en struiken eenvoudig op zij schuiven.
Het begon duister te worden, en wij moesten eene geschikte plaats opzoeken om in het woud te overnachten. Vooraf wilden wij echter gaarne onzen honger stillen: maar de voorraad ontbrak. Op mijn last wonnen onze beide tolken den raad in der Chunchos, die, gewoon in deze bosschen te leven, beter dan wij bekend moesten zijn met de middelen om ons een avondmaal te bezorgen. Zij waren aanstonds bereid, ons te helpen, en gingen met onze beide tolken het bosch in; terwijl onze dragers inmiddels hout bijeen zochten en een vuur aanmaakten. Weldra vielen vijf geweerschoten, en kort daarop keerden onze lieden terug met wildbraad en vruchten in overvloed. Het wildbraad bestond in een afschuwelijk leelijken brulaap, drie hoccos en vijf patrijzen. De maaltijd smaakte ons heerlijk, en wel verkwikt begaven wij ons ter rust. Onze gidsen, die het vuur zouden aanhouden, sliepen echter niet, maar bleven den geheelen nacht door babbelen.
Den volgenden morgen zetten wij onzen marsch voort, en bereikten omstreeks den middag een plek, waar de boomen zeer ver uit elkander stonden en een soort van open vlakte lieten, van ongeveer twee kilometer in omtrek, waarachter weder het dichte woud begon. De met gras begroeide grond was zeer ongelijk, vol kloven en gaten en diepten, overal omgewoeld als ten gevolge eener vulkanische werking. Deze eigenaardigheid viel te meer in het oog, omdat wij sedert den vorigen dag bijna over een geheel effen bodem waren voortgetrokken.
De wilden hadden zich onmiddellijk en zonder zich verder om ons te bekommeren, op den grond neder gezet. Ik dacht eerst, dat zij wat verlangden te rusten, maar vernam weldra, dat wij te San-Gaban waren, en dat zij afwachtten of wij nog verder wilden gaan. Deze mededeeling verbaasde mij zoozeer, dat ik de gidsen op nieuw door Pepe Garcia liet ondervragen, waarop zij nogmaals verzekerden dat wij ons op de eigen plek bevonden, waar San-Gaban gestaan had. Nu was geen twijfel langer mogelijk; werktuigelijk zag ik in het rond, of ik niet een of ander overblijfsel van menschelijken arbeid vinden kon; ik zag niets dan gras, mos, struiken en groote boomen. Toch was deze eenzaamheid eenmaal getuige geweest van een koortsachtig overspannen leven.
Het was omstreeks het jaar 1550. De valleien van Caravaya, destijds door de stammen Suchimani en Caranga bewoond, waren door spaansche deserteurs ontdekt geworden, die, zoodra zij zich vergewist hadden, dat hier goud in overvloed voorhanden was, de Indianen verdreven, zich hier vestigden, en de toevallig gevonden schatten gingen exploiteeren. Intusschen verspreidde zich spoedig het gerucht dezer ontdekking. Don Antonio de Mendoza, onderkoning van Peru, ook zijn aandeel in de winst begeerende, had eene kolonie Spanjaarden, soldaten en commissarissen, ingenieurs en metselaars, daarheen gezonden, en in de nieuw ontdekte streek de dorpen Ollachea, San-Gaban, Aporoma, Sandia, San-Juan-del-Oro, Inambari en Pari, doen bouwen. De vereenigde mijnwerkers van San-Gaban en San-Juan-del-Oro zonden aan Karel V een klomp goud ten geschenke van tweehonderd achttien pond; de keizer had, tot belooning, aan de beide vlekken den titel van keizerlijke stad geschonken en al de inwoners in den adelstand verheven.
De exploitatie der negentien valleien van oostelijk Caravaya werd gedurende ongeveer twee eeuwen voortgezet, en bracht den koningen van Spanje vele millioenen op. Na dien tijd werden de meeste werken verlaten; de vlekken ontvolkten zich; de mijnwerkers, nu pachters geworden, gingen op hunne nieuw ontgonnen plantages leven; toen, later nog, het echte spaansche ras was uitgestorven of zich naar elders had verstrooid, werd de landstreek ingenomen door eene gemengde bevolking, die er heden nog gevestigd is.
In 1767 was de stad San-Gaban de eenige, die nog van hare vroegere mededingsters was overgebleven, en nu ook de algemeene verzamelplaats der schatten van Caravaya. Al het goud, hetzij erts, hetzij korrels, hetzij goudzand, dat ergens in het land werd gevonden, werd door Indianen of op muildieren naar San-Gaban gebracht, en in loodsen geborgen, vanwaarhet eenmaal per jaar, na gesmolten en tot staven gevormd te zijn, naar Lima werd vervoerd, om vervolgens naar Spanje te worden overgebracht. In den nacht van 15 op 16 December dezes jaars 1767, werd de keizerlijke stad, die hoegenaamd geen gevaar vermoedde, door de Carangas en de Suchimanis overvallen, die haar in brand staken en al de inwoners vermoordden. Zoo werd door de afstammelingen der eerste bezitters van Caravaya, de overweldiging van voor twee eeuwen gewroken. Dit feit baarde destijds groot opzien, en was het onderwerp van alle gesprekken; maar het geslacht, dat van deze verwoesting getuige was geweest, werd door een ander vervangen, en de treurige geschiedenis van San-Gaban werd langzamerhand eene geheimzinnige legende. Zelfs als ge hier te midden van het woud staat, waar niets u van de tegenwoordigheid van menschen spreekt, zoudt ge bijkans aan de waarheid der historie gaan twijfelen.
Ik liet aan onze gidsen vier bijlen ter hand stellen, als loon voor hunne dienst; en toen ik zag, dat zij daarmede zeer in hun schik waren, liet ik hun verzoeken zich ook met de zorg voor ons ontbijt te willen belasten, gelijk zij den vorigen avond zoogoed voor ons souper hadden gezorgd. Zij toonden zich daartoe bereid, en verdwenen weldra in het bosch; de kolonel en de beide tolken togen mede, op hunne eigene gelegenheid, ter jacht. Al spoedig keerden deze laatsten terug, met geen anderen buit dan een eekhoorn en een paar vogels, maar de Chunchos lieten zich te vergeefs wachten. Doch nauwelijks hadden wij ons schraal ontbijt verorberd, of een dier onbeschrijfelijke kreten, waarvan geen taal eenig denkbeeld geven kan, drong ons door merg en been. Opziende zagen wij een ganschen troep wilden, mannen, vrouwen en kinderen, die in draf naar ons toekwamen. Wij hadden ternauwernood den tijd, eenigszins van onze verbazing te bekomen, toen wij reeds aan alle kanten omsingeld waren, en onder luid geschreeuw en geschater werden omhelsd, geschud, en op allerlei manieren geliefkoosd.
Te vergeefs poogde ik onder de wilden onze gidsen van zooeven te herkennen; ik hoorde en zag niets, versuft door het oorverdoovend geschreeuw:Siruta inta menea!—geef mij een mes!—dat door het bosch weerklonk. Ieder onzer was door minstens een zestal Chunchos omringd, zonder de vrouwen en kinderen te rekenen, die even dapper meededen. Met groote moeite, en door met onze vuisten en onze geweren dapper om ons heen te slaan, gelukte het ons eindelijk een weinig ruimte te maken; de Chunchos vormden nu een kring om ons, terwijl anderen inmiddels pogingen aanwendden om zich van onze bagage meester te maken. Ziende wat er gaande was, haastten wij ons, onze dragers ter hulp te komen, die van schrik als verlamd waren. Van de daardoor ontstane verwarring maakten de Chunchos gebruik, om haastig alles weg te pakken wat zij grijpen konden, en daarmede in het bosch te verdwijnen.
Na een weinig de orde hersteld te hebben, togen wij weder op weg, op eenigen afstand gevolgd door de wilden. Daar ik den schijn niet wilde aannemen, alsof wij voor den vijand vluchtten, beval ik halt te houden, en onze vervolgers af te wachten. Het duurde ook niet lang, of zij hadden ons op nieuw omsingeld. Onder luid geschreeuw wierpen de Indianen zich nu op onze bagage, als tijgers op hunne prooi. Onze dragers namen verschrikt de vlucht; de cascarilleros, aan dergelijke tooneelen niet gewoon, beefden over al hunne leden. In weinige oogenblikken waren wij bijna van alles beroofd wat wij hadden, waarna de Chunchos zich, lachende en juichende, verwijderden.
Gelukkig waren er verder geen ongelukken gebeurd, en kwamen wij, het verlies onzer bagage daargelaten, verder met den schrik vrij. Wij besloten nu evenwel, onmiddellijk den terugtocht aan te nemen, hetgeen wij zooveel te gereeder doen konden, daar de nasporingen onzer Bolivianen althans een voldoenden uitslag hadden opgeleverd, en wij dus in zooverre het doel onzer reis hadden bereikt. Wij riepen dus onze dragers, die zich in de struiken hadden verscholen, terug, pakten het weinige, dat ons nog was overgebleven bijeen, en sloegen den weg in naar Marcapata.
Wij liepen dien geheelen dag zoo snel wij konden, ten einde ons zoover mogelijk van den noodlottigen vijand te verwijderen. Tegen den avond bereikten wij een heuvel, waar wij besloten te overnachten. Met onze messen baanden wij ons een weg door de struiken en slingerplanten, waarmede de helling geheel bedekt was; en op den top gekomen, vonden wij een pleintje, met mos begroeid en door groote boomen omringd. Hier zetten wij ons neder; van avondeten kon geen spraak zijn; vuur aanmaken durfden wij niet, uit vrees dat wij daardoor onze schuilplaats aan de wilden zouden openbaren. Uitgeput van vermoeienis, vielen wij eindelijk in slaap.
Tegen het krieken van den morgen werden wij eensklaps door het reeds zoo welbekende geschreeuw gewekt. Er viel niet aan te twijfelen: de wilden hadden ons wederom ingehaald. In een oogenblik waren zij bij ons, en begon hetzelfde tumult op nieuw. Onder de bende waren er ook, die aan de plundering van gisteren geen deel hadden genomen, en nu ook hun deel van den buit verlangden. Om hen tot bedaren te brengen, liet ik de valiezen openen, zoodat zij zelf konden zien, dat wij niets meer bezaten om hun te geven. Maar, in plaats van heen te gaan, hieven zij een nog luider geschreeuw aan; en een hunner, een athletisch gebouwde jonkman van twintig jaren, van het hoofd tot de voeten met roode en zwarte strepen beschilderd, wierp ons, met eene uitdrukking van toorn en verontwaardiging, een hoop versch afgesneden lianen voor de voeten. Dat waren de lianen, die wij den vorigen avond, bij het beklimmen van den heuvel, hadden afgesneden: de wilden wierpen ons die nu voor de voeten, om onze bewering te logenstraffen, dat wij geen messen meer hadden. Ik haastte mij, mijn kostbaar spaansch mes, dat in mijn gordel stak, te verbergen; nauwelijks had ik dit gedaan, of de Chunchos onderzochten ons den een na den ander, en ontnamen aan mijne reisgenooten de messen, die zij niet in veiligheid hadden kunnen brengen.