ruiters bij een kasteel
„Dit aan uw Jarl. Leid mij tot hem.” De hofmeester boog; verwonderd volgde Swanwitha’s blik de ranke gestalte. Het was of de vleugels van den witten gier, de eenige helmtooi van den onbekende, rezen. Wilden zij hem meevoeren hoog, héel hoog? Hij stond op de breede treden in zijn zilverblinkend pantser, om hem ’s hemels blauw en de schittering der blanke vleugels. Maar hij zag alleen het schoone meisjesgelaat. Evenmin als de hare streefde zijn blik omhoog. Zijn horensein had geklonken als een zegezang, een jubel van aardsche glorie en aardsch geluk. Maar lijfdienaars snelden toe, grepen ook de paarden van zijn gevolg bij den teugel, wijd geopend werd de poort van het hoofdgebouw. Welgevallig sloeg menige verweerde krijger den blik naar esch en vlier, naar den paardekop boven den ingang, heimelijk vormde meer dan een vuist het hamerteeken. De jonge aanvoerder zag het eene noch het andere, zijn blik hing aan het rozenomrankte venster, aan het meisjesgezichtje, dat zelf een witte roos geleek. Maar op den drempel verscheen Rolfr Jarl; met de hoffelijkheid den Noren eigen, bracht hij zijn onverwachten gast den welkomstgroet. Naar het verhoogde gedeelte der hal geleidde hij hem, zelf hief hij den gouden, in den vorm van een paardekop gedreven beker van het blad, dien de hofmeester zich haastte te brengen. Zijn gejaagde bewegingen verrieden de spanning, waarin hij verkeerde.
Zij vormden een groote tegenstelling, de man met het vermagerd gelaat en den diepliggenden blik, waarin het gloeide van een vuur, dat verteerde, doch niet louterde, wien ’s levens ontgoochelingen scherpe voren hadden getrokken in het breede voorhoofd, omdat hij alleen van het aardsche leven alles had gevraagd en verwacht, wiens vastgesloten lippen in hun sombere lijnen verhaalden van eerzucht, die tot hartstocht werd, tot onbevredigden hartstocht, en de jongeling wiens oogen straalden van een toekomstverwachting, wolkeloos als de zomerhemel buiten.
Maar thans verhelderde een flauwe glimlach de sombere trekken van Rolfr Jarl, terwijl hij, eenige druppels plengend, zijn gast den welkomstdronk bood:
„Drink heil, Olaf Erikson. De wind, die den wil der goden weet, heeft uw vloot den weg gewezen, voer nu weldra over den golvenden stroom uw drakenschepen hierheen, Thor ter eere, den Alvader tot zege en heil.”
Hij hief de hand op met plechtig gebaar en terwijl Olaf vol eerbied het hamerteeken maakte over den beker, eer hij dien aan zijn lippen bracht, volgde zijn blik die beweging. Door de tegenover elkander liggende vensters viel het helle morgenlicht in de hal. Het brak de somberheid der donkere hoeken en van de bruin berookte zoldering en wierp over het uitgestrekte landschap zijn wemelenden glans. Aan de eene zijde van den Ravenhorst strekte zich de heide uit, daar stonden de dennen als reuzenlansen, hun takken schenen pijlen, gereed te snorren van den boog. Onder hun forsche kruinen huilde ’s nachts de wolf en woelde het everzwijn den bodem om met zijn scherpe slagtanden; daar vernam de behoedzame jager alleen het gedruisch zijner eigen schreden en het kraken van het struikgewas, wanneer de opgejaagde roofdieren voor hem vluchtten in razenden ren. Het was of de Eem, die ter anderer zij den Noormannenburcht bespoelde, en breed, als een zilveren lint, zich slingerde door het landschap, de grensscheiding vormde tusschen de woeste heide en het ontgonnen land. Langs zijn groene oevers verhieven zich verspreide hoeven, de meeste omgeven door slooten en moeras, als welkom verdedigingsmiddel. Hun middenpunt vormde de Hohorst met zijn halfvoltooid houten klooster en klein steenen kerkgebouw. In het verre verschiet rezen de wallen en torenspitsen vanBacheforth,[3]het sterke slot. De lage houten huizen, die het omgaven, verhaalden in hun toegenomen aantal van vernieuwde welvaart na jaren van ellende en strijd.
Rust zweefde over geheel den omtrek, in zomerweelde verzonken lag het landschap, vredig steeg de blauwgrijze rook omhoog uit de opening in het rieten of met plaggen beschutte dak van hoeve of heem. Omhoog, als eenmaal die der gewijde offeranden in Salomo’s tempel, stegen die rookzuilen, goudgetint door de breede stralenbundels van het licht, dat neervloot van den hemel om zich te vereenen met den oprijzenden lofzang der aarde. Of waren zij geen lofzang gelijk de volle, plechtige metaalklanken, die dreunend van den torentrans op den Hohorst, de ruimte vulden, de stilte braken, omhoog stegen als een jubelzang van een toekomstheil nog onbegrepen door wie hen thans hoorden?
De dreigende flikkering in Rolfr Jarls blik schonk nogmaals een antwoord van haat aan dien juichenden klokkenzang. Had Olaf Erikson andere stemmen verstaan in die statige galmen? Een ernstige uitdrukking verscheen in zijn peinzende oogen. Het waren oogen, die een wereld van gevoel verborgen in hun diepten, blauw als de stralende zomerhemel, ondoorgrondelijk als de zee van het zuiden, die parelen verbergt onder haar schitterend golvenvlak en — onzichtbare klippen. Ook hij hief de hand op, — het scheen een waarschuwing:
„Voor rust zal daar weldra onrust heerschen, waar nu het leven lacht, treurt dan de dood en schreit de wanhoop. Handelen wij goed?”
De borstelige wenkbrauwen van Rolfr Jarl vormden een enkele saamgetrokken streep, toen hij norsch antwoordde:
„Hebt gij berouw of koestert gij vrees, Olaf Erikson? Wilt gij onder schoonschijnende voorwendsels uw heiligen eed ontduiken?”
Met de beide eerste vingers zijner gespierde rechterhand vormde Olaf het hamerteeken op zijn voorhoofd, eer hij sprak:
„Gezworen heb ik bij Odins speer en bij den donderkeil van Thor, en onverbrekelijk blijft die eed, gelijk hij dit steeds was ook voor de geslachten, die ons voorgingen, in lang vervlogen eeuwen. Want wat wisselt of verandert, Alvader blijft, zijn almacht heerscht. Dat zegt mij de stem van mijn hart. Wat is, was altijd en wat de toekomst zal brengen ligt besloten in het heden.”
Hij besefte niet welk een eeuwige waarheid hij uitsprak met deze woorden.
Bijna plechtig ging hij voort:
„Gestand doende den eed, dien ik voor u aflegde, als in Odins tegenwoordigheid, heb ik opgeroepen al de mannen en jongelingen, die in mijn Noorsch vaderland, evenals ik, de leer verfoeien van den Gekruiste, den lafhartigen godsdienst uit het Zuiden, die thans zelfs Odins leer dreigt te overheerschen in de erflanden der helden. En vele honderden hebben gehoor gegeven aan de woorden en beloften, die mijn boden hun brachten in uw naam. Harald Sigvatr, vergrijsd in roem en wapendaden, bevindt zich bij ons, als aller raadsman. Weldra sneden onze drakenschepen de golven, hoog spoot het vlokkig schuim op voor den boeg. Thans kruist de vloot niet ver van het Sincfal. Gereed is zij om de stroomen op te zeilen, die haar zal brengen in het hart van dit land. Alleen wacht zij op uw woord, dat de ure daar is om Odin en Thor een nieuw rijk te scheppen. Met deze vraag kom ik tot u, in naam van Viking en bemanning. Wat moet ik hun antwoorden? Komen wij ter rechter tijd, heeft onze inval kans van slagen?”
Diep haalde Rolfr Jarl adem, het was of een last zijn borst ontzonk of zijn trekken minder stroef werden, toen hij antwoordde:
„De ure is daar. Gunstig de tijd. Zelf zal ik — als het onbemerkt mogelijk is — met u gaan om de vloot naar Utrecht te voeren, de sterkste stad van dit land.”
Hij streek zich met de hand over het voorhoofd:
„Zoo zal dan de droom van mijn leven verwezenlijkt worden, nu mijn grijze haren mij toeroepen, dat ik weldra zal worden verheven om het heil te deelen der helden in Odins hal.
Het zij! Wellicht val ik in den slag en word ik verkozen tot Einheriar van den Alvader. Dan zal ik de overwinning zien, maar gij, Olaf Erikson, zult er de voordeelen van genieten.” Kwalijk verborgen ijverzucht klonk in zijn stem. — „Dan zult gij nooit die jaren van onmacht kennen, zooals ik ze heb doorworsteld, nooit, in het hart een dof gevoel van haat, dat iederen ademtocht tot een marteling maakt, behoeven te dulden, hoe een ras, dat gij veracht en verafschuwt, om den godsdienst dien het belijdt, steeds toeneemt in macht. O, hoe menigmaal heb ik vol nieuwe hoop een Vikinger vloot de rivieren zien opzeilen van dit land, hoop, die geleden teleurstelling slechts te feller deed schrijnen. Dan, als weeklagend het landvolk vluchtte en steden en kerken opgingen in vlammen, riep ik den overwinnaars toe:
„Keert niet terug! Blijft! Sticht u hier een nieuw rijk; een rijk voor Thor en Odin!”
Maar, zij haalden de schouders op, spottend: alleen zucht naar buit dreef hen. Zij zeilden verder, zelfs naar de groene eilanden van Grecaland, ver in de zuidelijke zeeën, waar het water zijn kleur leent van het hooge gewelf der lucht, de woonplaats der goden. Soms wezen eenigen mij met bijtenden spot op het voorbeeld van hertog Godfried en ook op dat van mijn stamvader. Honend klonk het mij dan tegen:
„Ook zij namen bezit van geheele landstreken, maar weldra werden zij genoodzaakt die op te dragen aan de Karolingische vorsten en ontvingen ze terug als leen, op voorwaarde, dat zij zich lieten onderdompelen in het doopwater. Dan héétten zij christenen. Wenscht gij dat voorbeeld gevolgd te zien door ons? Ook uw vader behoorde tot hen, die een kruis slaan in stede van een hamerteeken!”
En allen, die zoo spraken, haatte ik, maar grooter nog was mijn verachting. Vaak ben ik in de eenzaamheid gevlucht om te ontkomen aan ieder menschelijk wezen, heiden of christen. En eens, toen ik in toorn en verbittering uitriep, — weer had ik in de verte aanschouwd hoe een Viking zich liet doopen door den bisschop van Utrecht, om zich een erfgoed te verwerven en gezag:
„Odin is dood, ik wil sterven als hij!”.... was het of mijn hand werd tegengehouden, de hand waarmee ik reeds het zwaard ophief om het te dompelen in eigen borst. Een nevel kwam voor mijn oogen, in de verte, daar waar de zon wegzonk aan den gezichteinder, legerde zich een witte sluier over het veld en het was mij eensklaps of oprees uit dien zilverglans de statige vrouw met den gouden voorhoofdband en den glinsterenden barnsteenen halsketen, de Brinsigamen. Geen twijfel, Frigga, Odins liefelijke gemalinne, stond voor mij:
„Vrees niet,” sprak zij zacht: „Alvader is onsterfelijk. Geen menschenmacht kan verbreken wat waar is en eeuwig. Sticht gij alzoo den eeuwige een nieuw rijk. Dit zij de taak u toevertrouwd op deze aarde.”
Geknield beloofde ik haar wat zij wenschte, de machtige godin. De bindende gelofte legde ik af, de hand opgeheven naar de verheven woonplaats der goden, waar in hetzelfde oogenblik Odins wagen zichtbaar werd, het schitterend, zevenvoudig sterrenbeeld. En geen bliksemschicht geslingerd door Thors hamer, sloeg mij neer. De Alvader nam mijn gelofte aan”....
„Toch deedt gij wat hij heeft verboden, de hand opheffen naar zijn van licht stralend Walhalla.”
„Het was het geweldige oogenblik, dat mij dreef. Alvader wist het. Hij leest in de harten der stervelingen.” Rolfr Jarl begreep de beteekenis niet zijner woorden: hij vereerde als godheid een schepping van menschen. Zou ooit de dag nog voor hem aanbreken waarop hij den Schepper der menschen aanbad?
Hij trad aan het venster en staarde naar buiten, verdiept in herinneringen, die sneden scherp als het zwaard, dat hij zoo dikwerf had opgeheven in den bloedigen slag. Klonk daarom zijn stem hard en koud, nog meer dan gewoonlijk, toen hij eindelijk hernam:
„Het overige weet gij. Ik leefde in een ijzeren tijd en was zelf van ijzer. Geen middel liet ik onbeproefd om den ouden eeredienst de macht van weleer te hergeven. Het was te vergeefs. Zelfs aan het hof der Noorsche vorsten vond ik geestelijken met kruisen en kaarsen, psalmgezang in christenkerken werd ook daar reeds gehoord, maar verstomd waren de reizangen bij het plechtig offermaal. Verboden werd het heilige paardevleesch te eten, niet langer vlamde de brandstapel van den doode. Bij de koele bronnen werd geen water meer geschept onder stille gebeden, esch noch vlier waren meer heilig, de wolf was niet langer Odins bode, maar een roofdier, waarop jacht moest worden gemaakt. Het roodborstje bleef niet aan Donar gewijd, niemand kweekte meer huislook op het dak, of vereerde nog de alruinen als huisgoden. Geen rund, de hoornen met veelkleurige linten omvlochten, werd geslacht den goden ter eere door priesters, wien de eikenkrans ruischte om de slapen; geen hamerslag wijdde meer de bruid of het lijk van den held, wiens geest door de schildmaagden werd gedragen naar het stralend Walhalla....
De oude tijd was voorbij met de oude zeden, met het geloof der vaderen.
Toen reisde ik, — vermomd als Skald — van land tot land, van stad tot stad, van de eene hoeve naar de andere en ik zong, bij de klanken mijner harp, het oude geloof, de vroegere gebruiken terug in de harten der menschen. Schouderophalend werd ik aangehoord aan de luidruchtige hoven, maar volgelingen vond ik in de stille bosschen, waar de vervlogen eeuwen hun runen schreven in de grijsbemoste stammen. Het volk sloeg geloof aan mijn woorden. Velen dreef ontevredenheid met bestaande toestanden aan mijn zijde, hun aantal nam toe met den dag, vooral in Noorwegen waar eens Harald Haarfager de macht der onderkoningen had geknot, wat vele Noren opnieuw den weg der zwanen had doen kiezen op het wiegelend drakenschip, tot zij IJsland en Groenland ontdekten om ook daar Odin een nieuw rijk te stichten.
Ik behoefde de nakomelingen van die stoute zwervers slechts te herinneren aan hun fiere vaderen om hun het woord te ontlokken: „Wij volgen hun voorbeeld.”
Want bruisend joeg de gedachte hun het bloed door de aderen, dat Olaf Trygväson, Haralds achterkleinzoon, thans tracht het christendom ook in Noorwegen in te voeren. Velen van zijn tegenstanders bevinden zich ongetwijfeld op de vloot?”
Olaf knikte. „Zij vormen een groot deel der bemanning. Maar wat Noorwegens afvallige vorst betreft, het zal hem niet gelukken, zijn voornemen te volvoeren, naar ik geloof. Ook Haralds zoon, koning Hako, was een christen en in Engeland opgevoed. Maar zooras hij den troon beklom van het Noorden werd hij gedwongen in de heilige tempels te offeren. Had hij volhard bij zijn eerste weigering, dan was hij door zijn eigen volk omgebracht.”
De blik van Rolfr Jarl gloeide:
„Zou thans inderdaad de tijd daar zijn, de tijd die mijn stoute plannen vormt tot hooge werkelijkheid? De gansche aarde aan Odin gewijd, en onderworpen aan zijn helden. Waar nu het psalmgezang der christenen weerklinkt, zal daar worden aangeheven het strijdlied van Thor?”
„Het is niet onmogelijk. Sven, de machtige Sven van Denemarken, is een hevig vijand der christenen. Gij weet, dat hij Ethelred van Engeland, laf als een christenvorst moet zijn door zijn godsdienst, van den troon heeft gestooten en nu in Engeland onbeperkt gebiedt. De rijksgrooten dienen liever den Noorschen held dan hun flauwhartigen koning. Sven heeft gezworen, dat Odins tempels weldra zullen rijzen aan de Theems. Volgen wij zijn voorbeeld in dit land. Weg met alle aarzeling. In bloed werd steeds Odins rijk gesticht. Voer gij ons, in leven en dood, naar Walhalla of naar Hel en steeds zal mijn speer flikkeren waar uw schild schittert.”
De trekken van den Jarl verzachtten zich. „Heb dank! Gij brengt dit volk de ware vrijheid; hoog zullen eens allen u houden als hun held en hun heer.”
In vervoering sprak Rolfr met de stafrijmen van zijn volk, waarvan niet de eindlettergreep doch de aanvangsletter van een of meer op elkander volgende woorden dezelfde was.
Olaf hernam ernstig: „Hoe zou ik anders kunnen? Het geldt Odins eer, zijn eeredienst is de hoogste, omdat zij wortelt in kracht en moed, en tegenover u drijft mij de plicht der dankbaarheid. Gij hebt mij uit de macht van heerschzuchtige verwanten gered, door uw toedoen heb ik mijn erfdeel terug ontvangen. Gij hebt mij de oogen geopend voor de dwaalleer der christenen, toen ik als jongeling wankelde, bedwelmd door den wapenroem der ridders aan het hof van keizer Otto, waar men mij als gijzelaar hield. U dank ik meer dan het leven: mijn onsterfelijke eer. Onbevlekt bleef mijn schild, dat ik eens hoog zal kunnen houden in Odins hal: ik werd geen afvallige.”
Rolfr Jarl scheen voldaan. Zooveel eerlijkheid las hij op dat hooge voorhoofd, in die heldere, dwepende oogen, die nog vol vertrouwen in het leven blikten, zoekend naar de vervulling hunner droomen.
„Wanneer denkt gij, dat de vloot hier zal kunnen zijn?” hernam de Jarl.
„Over een week gewis. Zij had de laatste dagen met tegenwind te kampen, die houdt haar af van de kust. Anders had ik u wellicht reeds heden te gast genood aan boord van mijn drakenschip.”
„Over een week alzoo zal het luiden: strijd en zege!” Diep haalde hij adem, zijn borst zwol, zijn uitroep dreunde door de holle hal, het was als antwoordden de muren met een echo van ontzetting.
De beide menschen wier levensbaan elkaar kruiste, duizenden tot ramp en rouw, wisselden nogmaals een langen blik. Onwillekeurig huiverde Olaf, de oogen van Rolfr Jarl gloeiden van een vuur, dat, als de bliksem, doodt wat het aanraakt. En beiden wisten, dat zij niet hetzelfde doel beoogden, al schenen zij te trachten naar hetzelfde wit.
Olaf begreep, dat heerschzucht zich mengde in de plannen van zijn gastheer; deze, dat zijn jonge gast zou strijden, sterven, als dit moest, voor zijn droombeeld, dat hem een hindernis zou zijn, voor de verwezenlijking van plannen, die een wijd verschiet zagen van macht, eigen macht. Hernam Rolfr Jarl daarom haastig — het zwijgen wordt pijnlijk als men luistert naar onuitgesproken gedachten: —
„Zeshonderd helmen zijn bereid om zich te voegen bij uw strijders. Eigenhoorigen en vrijen zal ik wapenen op mijn bezittingen, velen der steeds onderling verdeelde Friezen, meer dan een ontevreden onderdaan van den jongen graaf Dirc van Kennemerland heeft mij door een geheimen bode bericht:
„Mijn zwaard heeft geen roestvlek, mijn schild draagt geen smet. Beide zijn gereed, voor het oogenblik, dat het oorlogsvuur wenkt op de hoogte van den Ravenhorst: „Hierheen!”....
Doch Olaf, ook het gerucht van uw komst bleef geen geheim voor mijn getrouwen en door mijn woorden weten zij, dat gij meer zijt dan een jonge Viking, begeerig naar roem en buit, gelijk zij reeds dikwerf zagen. Zij zien in u mijn erfgenaam en ik neem mijn gelofte niet terug, mits nà de zege.”
Een hooge blos vlamde op Olafs voorhoofd. Tot nu toe had hij nooit meer gedacht aan die belofte van den Jarl.
Het was op een Vikingertocht, den eersten, dien het hem vergund was mee te maken als volwassen man.
Toen had hij het leven gered van den onbekenden Skald, die in ’t heetst van den slag allen moed zong in het hart, kracht in de vuist, door zijn vlammende strijdzangen.
Maar de Skald greep, weer tot zich zelven komend, na den houw, die zijn helm had gekloofd, de hand van zijn jongen, vermetelen redder.
„Wie zijt gij? Ik zal u loonen wat gij deedt.”
„Behoud wat gij hebt. Mijn goed zwaard zal mij wel geven wat ik behoef.”
Het trotsche antwoord van den jongeling behaagde den man, die steeds zooveel zelfzucht, zooveel hebzucht had gevonden, bij zijn omzwervingen te zee en te land. Hij deed onderzoek naar Olafs levenslot, door zijn tusschenkomst redde hij diens erfdeel — het was slechts gering — uit de macht van hebzuchtige verwanten.
„Gij zult eenmaal mijn erfgenaam zijn,” sprak hij toen met een plotseling besluit. Want Olafs dankbaarheid was zoo ongeveinsd en Rolfr Jarl dacht aan anderen, die hij veel gewichtiger diensten had bewezen, en wier eenige erkentelijkheid had bestaan in het feit, dat zij hem vergaten.
„Wie erkentelijk kan zijn is een goed mensch, wie dankbaarheid durft toonen is groot,” dacht de Jarl.
Hij, die zoo woest kon haten, zoo hevig toornen, wanneer hij werd getroffen in zijn trots, besefte welk een offer die fiere, jonge lippen hem brachten, toen zij zich plooiden tot een dankwoord. Want hemzelf zou het hebben beleedigd, wanneer een ander had gezorgd voor zijn belangen.
„Ik ben mijzelven genoeg.” Dat was de levensspreuk waarnaar hij zich richtte. Maar niet aan anderen gunde hij datzelfde recht. Het was de gewone fout der blinde heerschzucht. Ditmaal echter dreef ook de noodzaak hem. Olafs vloot, diens gewapenden behoefde hij, om zijn plannen te verwezenlijken, en waar de landzaten, een vreemde Vikinger vloot vijandig, gewapend zouden tegenstormen, zou haar krijgsmacht vertrouwen wekken, zoodra bekend werd, dat de aanvoerder zijn toekomstige erfgenaam was en de bruidegom zijner kleindochter. Hij besloot daarom hem nog heden — volgens de voor jaren gemaakte overeenkomst — plechtig aan Swanwitha te verloven.
[3]Het tegenwoordige Amersfoort.
[3]Het tegenwoordige Amersfoort.
Swanwitha werd dien ganschen dag alleen gelaten. Haar wangen brandden en een woeste angst gloeide in haar oogen. Zij had den geharnasten vreemdeling zien komen met zijn kleinen stoet van speerruiters en door Siva’s woorden geheel begrepen wat zij reeds ten deele wist.
Hoelang was het reeds geleden, dàt zij het wist? Vijf jaren? Ja, dat zou het zijn. Toen was het — naar haar voedster zei — de dertiende maal, dat zij de St. Jans vuren zag vlammen op de heidehoogten om den Ravenhorst. Zij dacht, dat die glooiende heuvels op altaren geleken, waar de offers werden ontstoken Jehovah ter eere, gelijk eenmaal in Jerusalems heiligen tempel. Haar moeder had haar dit verhaald, haar moeder, die een christin was geweest, wier droeve oogen nu voor goed waren geloken in den stillen slaap des doods. En toen, weinige weken na haar scheiden van deze wereld, haar vader even roerloos werd thuisgebracht — een ongeluk had hem getroffen op de jacht, de jachtspriet stak nog in zijn zijde, — naar werd gefluisterd afgeschoten door een verraderlijke hand — toen werd zij uit de verlaten hallen van het huis harer kindsheid gevoerd naar den Ravenhorst. Hier heerschte haar grootmoeder. Met gebogen hoofd, als in elkaar gedoken, stond het burchtgezin, wanneer zij ging door hal en hof in haar langslepend kleed, met haar statigen tred en bevelenden oogopslag. Op Swanwitha viel nauwelijks een vluchtige blik, bij de eerste ontmoeting. Maar aan Siva beval haar strenge stem:
„Doe haar dat kruis af en als zij soms een boek heeft, zooals de christenen gebruiken bij hun afgoderijen, verbrand dat.”
„Geef mij nu dat kruisje, hartje, de Groote Vrouw heeft het bevolen,” had Siva ’s avonds gezegd.
Maar hartstochtelijk had zij gesmeekt: „Laat het me houden! Laat het me houden! Een paar dagen nog maar!”
Zij drukte de handen op het kleine, gouden kruis en ’t was haar als hoorde zij opnieuw de zachte stem harer moeder: „Denk als ge het ziet, steeds aan het kruis van den Zaligmaker, mijn kind, en neem uw kruis op, gelijk Hij dit eenmaal het Zijne deed. Volg Hem!” En terwijl zij die woorden meende te verstaan, hernam Siva:
„Laat mij nu eerst het kruis maar naar vrouw Sigrid brengen, misschien mag je het boek dan nog een paar dagen houden.”
Zij wees op eenige perkamentbladen door een rood koord verbonden. Met regelmatig, fraai schrift waren de bladen beschreven, de purperen en gouden aanvangsletters geleken schitterende sterren en roode rozen.
Witha schudde de perkamenten uit elkaar en behield er een, waarop een herder stond afgebeeld, die een klein lam in zijn armen droeg.
„Neem de anderen dan maar mee, dit houd ik. Mijn moeder vond het zoo mooi en haar kruis geef ik nooit, nòoit!” Haar stem klonk dof en haar jong lichaam trilde van krampachtige schokken. Daar werd het donkere gordijn, dat den ingang bedekte, teruggeschoven. Haar grootmoeder stond voor haar met opgeheven hoofd en vasten mond, den gouden band op de zilveren haren. De zoom van haar kleed was doorweven met roode runen, ook op den gordel prijkten die geheimvolle teekens.
Zonder een woord te zeggen greep zij het kruis, maar Swanwitha ontrukte het haar en slingerde haar arm weg.
De lippen van de trotsche vrouw werden wit, haar gezicht vertrok zich.
„Honger en kerkerlucht zullen je dwingen,” sprak zij ijzig.
Swanwitha haalde diep adem en bewoog zich niet.
„Hoor je dat, kind?” Twee dreigende oogen zagen haar strak aan.
„Misschien wel, maar dan doet gij onrecht. Mijn moeder heeft mij op haar sterfbed dat kruis en het boek gegeven en wat ik gekregen heb, behoort mij toe. Neemt gij het mij af, dan begaat gij diefstal.”
Haar stem beefde niet, maar Siva wrong de handen, achter de strenge gebiedster. Deze echter trad terug. In haar trotsche borst klonk het:
„Dat kind heeft mij een les gegeven: Ik heb nog nooit iets genomen wat mij niet behoort en doe het ook nu niet, zelfs niet uit haat tegen de christenen.”
Maar van dien dag koesterde zij meer weerzin tegen Swanwitha dan ooit: zij had reeds lang te voren de geboorte verwenscht van de kleindochter, waarmee haar hoog geslacht zou uitsterven.
Toen kwam Rolfr Jarl terug van een zijner veelvuldige zwerftochten. Onderzoekend zag hij zijn onbekende kleindochter aan, een uitdrukking, die naar voldoening zweemde, gleed hierbij over zijn harde trekken.
„Gij zult mij eenmaal mijn doel helpen bereiken,” prevelde hij voor zich heen. Hij scheen het gemis van een kleinzoon niet zoo sterk te gevoelen als zijn vrouw.
De jaren gingen voorbij. Swanwitha spon in het vrouwenvertrek en leerde wandtapijten vervaardigen voor de naakte muren der hal, zij wist artsenij en kruiden te mengen en zong bij haar driehoekige harp. Maar het waren de heldenliederen der mannen van de „grimma hjerna”, die zij leerde tot eens de gedachte aan een zang harer kinderjaren in haar opwelde en zij aanhief:
„Einen Kuning weiz ich,Heisset Herr Hludwig,Der gerne Gott dienet,Weil er ihms lohnet.O das warth al geendist,Koron wolda sin Gott iz.Ob her herbeidiSo lang tholon mahti.Liess der heidine mannObar sie lidan,Thiot VranconoMannon sin diono.Thoh erbarmed es Gott,Wiss er alla thia nodHiess Herr HludwiganTharot sarritan....[4]
„Einen Kuning weiz ich,Heisset Herr Hludwig,Der gerne Gott dienet,Weil er ihms lohnet.
O das warth al geendist,Koron wolda sin Gott iz.Ob her herbeidiSo lang tholon mahti.
Liess der heidine mannObar sie lidan,Thiot VranconoMannon sin diono.
Thoh erbarmed es Gott,Wiss er alla thia nodHiess Herr HludwiganTharot sarritan....[4]
Verschrikt echter snelde Siva toe: „Kind, kind! wat doet gij! Als dat de Groote Vrouw hoorde!... Weet ge dan niet meer, dat dit het Lodewijkslied is, de zegezang van dien koning der West-Franken?” Haar stem daalde tot geheimzinnig gefluister. „Hij leefde voor meer dan een eeuw, die groote vorst, en de roem van zijn overwinning vervult nog de wereld, maar hij overwon de Noormannen. Zwijg daarom, als uw vrijheid u lief is.”
Swanwitha zweeg inderdaad, want zij wist reeds toen, wiens levensdroom het was zijn onstuimig heldenvolk opnieuw te verheffen tot heerschend ras. Daar kwamen en gingen zooveel geheimzinnige boden op den Ravenhorst: West-Friezen, die zich evenmin wilden onderwerpen aan het gezag van den graaf van Kennemerland als buigen voor dat van den bisschop van Utrecht. Zij offerden onder den Donarseik en lieten een schoof haver op het veld staan voor Wodans schimmel. Zij gaven elkander, op den kortsten dag, everzwijnen — aan Fro gewijd — van koek en brandden lichtjes dien god ter eere.
Den Kennemerlandschen graaf tartten zij uit, hen te vervolgen in hun moerassen en kreeken; de zendelingen van den Stichtschen kerkvorst hingen zij op. Dan waren er afgezanten en boden van de Friezen tusschen Flie en Lauwers, zij erkenden keizer noch heer en waren — in hun onbedwingbaren drang naar vrijheid — steeds bereid ieder bij te staan, die dit evenmin langer verkoos. Zelfs mannen die de „langue d’oui” spraken kwamen. Zij lagen steeds in veete met hun naburen, die zich uitten in de „langue d’oc”, mannen waren het met donkere oogen en hartstochtelijke gelaatstrekken. En die krijgers uit Normandië wisselden af met blonde Noren en breedgeschouderde Denen. Van hun lippen klonk een onbezorgde lach, maar grenzenlooze weemoed lag in den blik hunner oogen.
Swanwitha zag allen komen en gaan. Haar moeder had haar lezen geleerd en hoewel Rolfr Jarl hierover eerst het hoofd schudde, verhief het haar, in den loop van den tijd, eenigszins tot zijn vertrouwde. Want soms werden ook hem perkamenten gebracht; dan werd zij geroepen om die voor te lezen. Bevolen had hij haar echter te zwijgen over hun inhoud en hij wist, dat hij staat kon maken op haar belofte.
Zoo leerde zij zijn toekomstdroom begrijpen, wist zij, dat zij bestemd was de bruid te worden van hem, die Rolfr Jarl zijn invloed en macht zou leenen, om dien droom te helpen herscheppen in werkelijkheid.
Waarom dacht zij aan dit alles op het gezicht van den onbekenden ridder en waarom gingen toen opnieuw haar gedachten naar Unruoch in zijn kerker en drong zich nogmaals de radelooze gewisheid als een wig in haar hart:
„Ik kan niets, nièts.... en hij sterft.”
Kon zij dan werkelijk niets, in het geheel niets?
Weer viel de avond. Het was of de hemel en de aarde ineensmolten. Witte en grijze nevelen hingen boven de heide en blanke wolken dreven langs de zilverkleurige lucht. Alleen ver aan den gezichteinder bleef nog een roode streep zichtbaar en waar die den grond raakte straalde de omtrek van een glans, die blonk zelfs door de nevelen.
Uit de hal vielen opnieuw de rosse lichtstralen. De burchtheer vereende zijn gasten — Olaf was niet de eenige gebleven dien dag — aan den maaltijd. Vrouw Sigrid zat in haar hoogen zetel aan zijn zijde, maar de jonge meisjes — haar gewoon gevolg — bleven, evenals Swanwitha, in het vrouwenverblijf.
Zij zagen uit dit vertrek hoe de lijfdienaars door elkaar joelden op het voorplein, na het einde van het maal, dat ook hun een rijkelijk deel had verschaft van paardevleesch en schuimend gerstebier. Ook Swanwitha aanschouwde dit tooneel en een nieuw denkbeeld overmeesterde haar en deed haar hart gejaagd kloppen.
Voorzichtig opende zij eindelijk de deur, niets bewoog zich in het nevenvertrek, geen vlugge schreden repten zich op de steenen trap, die zij nu onhoorbaar begon af te gaan. De scherpe geur van bier en gekruiden wijn drong, vermengd met de zoete reuk der mede, tot haar door uit de hal, drinkliederen en gelach bewezen, dat het feest nog werd voortgezet. Verlicht haalde zij adem. Wentelde zich bij die zekerheid een steen van haar hart? Niemand zou haar zoeken of dacht nu aan haar....
Dieper daalde de kronkelende gang, het was hier volkomen duister, vocht sijpelde langs den wand. Met de handen voor zich uitgestrekt ging Swanwitha verder. Na eenige minuten, waarin zij nauwelijks waagde te ademen, zonken echter haar armen slap neer. Zij had op een deur gestooten, op een zware, met ijzer beslagen deur. Wat nu, wat nu?
Zij luisterde een oogenblik, maar geen geluid verbrak de beklemmende stilte, alleen op den vastgestampten bodem tikte het dof met regelmatige tusschenpoozen. Het waren de vallende druppels. Nooit was zij hier nog geweest. Wel had Siva haar soms fluisterend verteld van de diepe, donkere kerkers, waar de vijanden van Rolfr Jarl heenkwijnden zonder lucht, zonder voedsel; dan was een huivering door haar leden gegaan, maar zij had ze nooit gezien. Hoe had zij dan al den jammer kunnen begrijpen welke die sombere diepte verborg? En boven die holen van ellende welfde zich de burchthal, waar scherts en lach weerklonken bij het overvloedig maal....
Wanhopig tastte zij met haar handen langs den muur, zij kwam terug bij haar punt van uitgang. Een rond gewelf scheen het, waarin zij zich bevond. Langs de plompe deur gleden opnieuw haar vingers, zij raakten een ijzeren slot aan.... een sleutel....
Uit al haar macht trekkend gelukte het haar eindelijk de deur te openen en toen, en toen....
„Zij hebben hem al gedood, hij is weggenomen uit het leven, nu reeds, nu!”....
Want zij zag het bleeke hoofd op het rottend stroo. Met roestige ketenen was Unruoch geklonken aan vloer en wand, geen kleur was meer op zijn gelaat en de oogen waren geloken.
Een flauw, walmend licht liet haar dit onderscheiden, een pit drijvend in een platte schaal met olie. Hoe was die hier gekomen? Zij dacht er niet over na, maar knielde bij den half bewustelooze en ontsloot zijn boeien. Rinkelend vielen zij op den vloer, als ijzeren slangen lagen zij in het stof.
„Unruoch! Unruoch! Word toch wakker! Zeg iets. Of hebben ze je van mij weggenomen, hebben ze dat durven doen! O, zeg iets, zèg iets! Een woord maar, een enkel woord!”....
Neergezonken lag zij op den grond, een doffe zucht scheen om te waren door den hollen kerker. Of kaatsten zijn sombere wanden slechts haar klacht terug? Wekte dit echter den gevangene tot nieuw leven?
Even bewoog hij zich. Hij scheen niet meer te weten waar hij was, noch te beseffen wie zich over hem heen boog.
„Lucht, lucht! Ik stik!”....
Nauw verstaanbaar gleed het over zijn lippen.
Witha zag om zich heen. Door de geopende deur stroomde thans lucht genoeg, doch zij zag de ongekalkte muren zonder kijkgat of eenig venster. Dit was dus het einde van hen, die werden geworpen in dezen kerker: de dood door verstikking.
Zij wrong de handen. Hoorngeschal, een schaterende zang drongen flauw tot haar door. Boven alles uit klonk de dreunende stem van Rolfr Jarl. In vollen gang scheen nog het feest....
„Unruoch, o, Unruoch!”....
Nu herademde hij, zijn bewustzijn keerde, een flauw rood kleurde zijn voorhoofd en een gevoel van nameloos geluk rees in zijn hart, toen hij zijn redster herkende.
„Witha, gij! God is goed, Hij heeft je mij gezonden!”....
Een oogenblik heerschte weer de stilte, nu een stilte, plechtig en heilig, want de kerkerwanden, die zoo menigen noodkreet, zoo menige verwensching hadden opgevangen, hadden thans weerkaatst den naam van Hem, die Eeuwig is, Die blijft, wanneer alles vergaat.”
Het was Witha als moest zij op de knieën vallen gelijk Unruoch dit deed, om met hem te danken....
Maar de tijd drong. Zij sprak het eerst: „Unruoch, ga nu mee, voor de bewaarder terugkeert.”
„Die kwam alleen om te zien of het licht reeds was uitgedoofd, want dan rest ook den gevangene niet veel levenstijd meer.”
Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen; in hun diepten las hij nog een ander gevoel dan alleen medelijden. Zijn hart klopte snel, niet om de gevaren zijner vlucht. Hij wilde spreken, maar zij toonde hem den weg, de donkere, kronkelende gang, de smalle trap....
„Kom nu, kom! Ik wijs u den weg, hier linksom, anders komt ge in de hal en daar vieren zij — feest.”
Het klonk zoo droevig en zoo hartstochtelijk. Maar ongehinderd bereikten zij de verdieping, gelegen boven de burchtzaal. Nu opende Witha een lage deur en schoof een donker gordijn terug. Unruoch zag lange trossen vlas opgehangen aan de bruine balken. Hij onderscheidde weefgetouwen en meer dan een spinrokken in het zilveren maanlicht.
„Waar brengt ge mij heen?” vroeg hij verwonderd.
„In het vrouwenverblijf. Dit is de weefkamer, hier naast is mijn vertrek. Daar zijt ge vooreerst veilig.”
Er kwam een uitdrukking van schrik in zijn blik, zijn wenkbrauwen trokken zich samen.
„Dat is onmogelijk! Welke gevolgtrekkingen zou men maken als ik daar werd gevonden, in het vrouwenverblijf, in uw vertrek”?
In haar oogen lichtte een zachte weemoed.
„Ik zou de eerste niet zijn, die werd veroordeeld om den schijn. Moet men daarom vreezen het goede te doen? Gij kunt nu onmogelijk verder vluchten: de brug is opgehaald, de poort gesloten, vol hoorigen het lage hof. Wacht daarom eenige uren. Ik zal Siva roepen, zij zal wel een touw weten te vinden, waar mee ge u kunt laten afglijden van den muur, op een plaats waar de gracht ondiep is.”
Het werd alles zoo bedaard en wel overlegd gezegd. Begreep zij geheel, welk offer zij bereid was hem te brengen? Want men zou hem zoeken, overal. Hij zag haar aan, hij vond haar even aantrekkelijk en mooi als vroeger, maar anders mooi. In de zorgelooze oogen was nu een ernstige blik gekomen, stille droefheid verving den zonnigen lach om haar mond. Het vroolijke, speelsche kind was veranderd in een fiere, vastberaden jonkvrouw, die onverschrokken den weg volgde haar door den plicht gewezen.
Plicht alleen?
Een groote liefde vervulde zijn hart voor haar, wier zoet geheim zich verried in haar zelfverloochenende toewijding.
„Swanwitha,” zei hij eensklaps, haar hand in de zijne klemmend, „ik zeg niet, dat ik je dit ooit zal vergelden, dat zou onmogelijk zijn. Ik vraag nog meer, nog oneindig meer, dan je me nu toevertrouwt. Geef mij je geheele leven, heb mij lief altijd, altijd en ik zal God loven voor Zijn grootste geschenk.”
Zij schudde het hoofd:
„Het kan niet, Unruoch! Wat zou mijn grootvader zeggen, wat bisschop Ansfried?”
Zijn blik rustte in den haren:
„Denk je daaraan het eerst? Dan heb je mij niet lief.”
„Niet lief!”.... Het beven harer lippen was haar eenig antwoord, haar gezichtje straalde, maar zij zweeg. Hij trok haar in zijn krachtige armen.
„De bisschop moet weten, dat ge mijn bruid zijt. Stemt hij, als mijn voormalige voogd, toe in onze verloving, dan kan niets ons meer scheiden volgens de wetten van dit land.
Zeg me, Witha, is dit onze verloving?”
Zij boog haar hoofd aan zijn hart en voelde op haar lippen zijn kus.
Zoo stonden zij zwijgend in overstelpend geluk.
De purperen tinten waren aan den hemel reeds lang uitgewischt door den ijl-blauwen sluier van den nacht; de eerste sterren glinsterden.
Wit en stil lag het ruime voorhof waar de laatste pekton verglom; donkere schaduwen wierpen de struiken op het zand. Maar te midden der plechtige stilte van den lenteavond trilden eensklaps kristalheldere, lang aangehouden tonen. Eerst zacht en teer, zwollen zij met ieder oogenblik in kracht, vulden zij meer en meer de ruimte. Zwijgend luisterden de beide jonge menschen, tot het hun was of al de liefde, al de toekomsthoop, die zij droegen in het hart, een liefde, diep en onmetelijk als de zee, een verwachting hoog als de hemel, die zich welfde boven hun hoofd, uiting vond in den jubelzang van den nachtegaal, of die kleine vogel hun verhaalde, wat zij elkander niet konden zeggen, omdat de taal er geen woorden voor bezat.
[4]Eenen koning ken ik,Hij heet Heer LodewijkDie gaarne God dient,Omdat Hij het hem loont.Toen dit alles geschied was,Beproeven wilde God hem,Of hij ook moeiteZoo lang kon verduren.Hij liet heidensche mannenOver de zee komen,Om de FrankenTe herinneren aan hun zonden.Doch God had erbarmen,Hij wist al dien nood,Hij beval Heer LodewijkTerstond derwaarts te rijden.”
[4]
Eenen koning ken ik,Hij heet Heer LodewijkDie gaarne God dient,Omdat Hij het hem loont.Toen dit alles geschied was,Beproeven wilde God hem,Of hij ook moeiteZoo lang kon verduren.Hij liet heidensche mannenOver de zee komen,Om de FrankenTe herinneren aan hun zonden.Doch God had erbarmen,Hij wist al dien nood,Hij beval Heer LodewijkTerstond derwaarts te rijden.”
Eenen koning ken ik,Hij heet Heer LodewijkDie gaarne God dient,Omdat Hij het hem loont.
Toen dit alles geschied was,Beproeven wilde God hem,Of hij ook moeiteZoo lang kon verduren.
Hij liet heidensche mannenOver de zee komen,Om de FrankenTe herinneren aan hun zonden.
Doch God had erbarmen,Hij wist al dien nood,Hij beval Heer LodewijkTerstond derwaarts te rijden.”
Seringengeur begroette den nieuwen dag; het was of al de knoppen, die de heesters droegen op den Hohorst, tegelijk waren opengegaan. Dauwbepareld glinsterde het buigend gras en de zonnestralen tintten de golven van de Eem, die den „Hoogen horst” bespoelden met goudkleurigen glans.
Recht en slank stonden de dennen, in groepen vereenigd, op de witte heidehoogten. De ochtendwind ruischte zijn zang door hun takken, doch kon het geluid niet dempen, dat klonk van den Hohorst en voortgolfde over de heide tot het werd weerkaatst door de muren van den Ravenhorst. Of Rolfr Jarl niet wrevelig de zware wenkbrauwen zou fronsen wanneer hij die bijlslagen opving? Tergend moesten zij hem immers in de ooren klinken van dien heuvel, ver in ’t rond zichtbaar, bespoeld door de Eem ter eener zij, en aan den tegenovergestelden kant begrensd door het moeras. Een natuurlijke sterkte, door weinig manschappen te verdedigen, die slechts te dwingen zouden zijn door — hongersnood.
Bij die gedachte speelde om Rolfr Jarls mond een glimlach, zooals niemand zou wenschen voor de tweede maal te zien. Het scheen bijna of het hem nu verheugde, dat het woonhuis naast de kleine kerk weer werd vergroot door een nieuwen vleugel, met een gevel van rechtopstaande planken en door een stevig staketsel omringd. Bisschop Ansfried van Utrecht had immers gezegd, dat hij den Hohorst had uitgekozen tot zijn rustoord, bij de vele zorgen, die het leven van hem eischte. Hier zocht hij, van tijd tot tijd, eenige dagen verademing, ook thans bevond hij er zich en — de Denenvloot naderde de kust. Rolfr dacht na, steeds met denzelfden wreeden glimlach om de lippen tot het blaffen der honden, die den ontsnapten beer najoegen op het lage hof, hem zijn jachtspriet grijpen deed. Ook dezen gevangene zou hij weten te dwingen tot zijn wil. —
En op den Hohorst repten zich intusschen de vlugge handen om bisschop Ansfrieds „zendingshuis”, als hij het noemde, op te trekken volgens zijn eigen aanwijzingen. Afgepaald waren de grondslagen voor schuur, werkhuis en spijker. Er moest plaats wezen om den oogst te bergen — de vrucht van zwaren arbeid op den nauw ontgonnen grond, — naast de levensmiddelen uit Utrecht aangevoerd, om ze te kunnen wegschenken „als de nood drong en het gebrek neep, Christi ter eere, om Godswil.” — —
IJverig arbeidden de werklieden voort. Hun zwart oppergewaad met wijde mouwen hadden zij hierbij afgelegd. Het wees hen aan als broeders, behoorend tot de orde van Benedictus van Nursia, den Patriarch der Westersche geestelijkheid, wien zelfs zijn grootste tegenstanders de eer geven, „dat hij was de weldoener der menschheid en het licht zijner duistere eeuw” — de zesde sinds Christus’ geboorte.
Toch vormen zij nog een bijzondere broederschap, die ijverige bouwlieden. Bijzondere voorrechten en vrijheden zijn hun geschonken — vandaar heeten zij „vrije metselaars” in den volksmond. Zij hebben teekenen, waaraan de leden der verschillende vereenigingen elkander kennen, en reizen van land tot land, van het eene volk naar het andere, overal waar zij worden geroepen, om kerken en gebouwen, vaak nog van zoo eenvoudigen vorm, om te scheppen in kunstwerken.
Want de „bouwmeester” van dien tijd mocht eerst na jaren van ernstigen arbeid dien naam voeren, en toonde door de voortbrengselen zijner kunst, dat hij daartoe het recht had.
De bouwlieden, die thans op den Hohorst arbeidden, bewezen door hun taal, dat zij uit York afkomstig waren, de stad van wetenschap en kunst bij uitnemendheid. Met den naam van Kuldeërs werden zij aangeduid. In navolging van de bouwmeesters der oudheid, die tijdens Constantijn den Groote christenpriesters werden, droegen zij dien naam. Hun levensregel was streng en hun kunst regeerde hen met een ijzeren roede. Toch arbeidden zij steeds vol kracht en lust. Zij wisten, dat zij mijlpalen plaatsten in het zand van den tijd, dat zooveel overstuift en onkenbaar maakt. En welke kunstenaar offert zelfs niet bereidwillig zijn leven voor het kunstwerk, dat ontstond door zijn scheppend genie, dat blijft, om te toonen wat arbeid en volharding vermogen, aan de geslachten, die nog niet waren toen het ontstond.
De geur der bloeiende meidoorns steeg in wolken omhoog in den hof, een vlucht witte duiven zweefde verschrikt door de hamerslagen met kleppenden wiekslag weg door de diep blauwe lucht.
Twee bejaarde wandelaars — zij hadden de vorderingen van den bouw bezichtigd — volgden die kleine vredeboden met hun blik. Een zeer verschillende uitdrukking gleed hierbij over beider gelaat.
„Alles geniet van lentelucht en zonneweelde; wat is de aarde toch schoon, en groot Hij, die haar schiep. Groot en goed.”
De oudste der beide wandelaars sprak het op een toon, die rust moest schenken wie hem hoorde en de jongste ving de woorden op en dezelfde bittere uitdrukking, die zijn lippen plooide bleef haar sombere lijnen trekken om zijn vastgesloten mond. Bijna verwijtend richtte zich zijn blik op den spreker. Recht en ongebogen was diens gansche houding, al kringelden hem zilveren haren langs de bleeke slapen, ofschoon de fijne voren in zijn hoog voorhoofd meer waren getrokken door den ploeg van het zieleleed, dan door de hand van den tijd. Het eenvoudige zwarte kleed der Benedictijners vormde ook zijn gewaad. Toch dacht, wie hem zag, zich onwillekeurig een mijter op dit waardig gedragen hoofd, wenschte hij voor deze hooge gestalte een geborduurde dalmatiek over een met gouddraad omzoomde alba van zuivere witte wol — het gewaad van de bisschoppen der christelijke kerk. En wie zijn oogen op zich voelde rusten, oogen helder en vredig, vol van licht, opende de zijne wijder. Niet omdat het zulk een schoon gelaat was, dat hij aanschouwde, het waren de trekken van een bejaard man, maar in wiens blik een glans lag, die lichtte en straalde, die verhaalde van duur verworven zielevrede, maar van een edel zieleleven tevens. Het was of er licht van hem zelf uitging of hij reeds begreep wat men hem zeggen wilde, nog voor hij had verstaan. Op zijn edel gevormd voorhoofd stond te lezen dat steeds de liefde hem de meeste was geweest, dat hij nooit met woord of daad zou zaaien het onkruid van den haat, dat verbittering en tweedracht draagt als giftige vrucht. Van hem ging uit vrede en zegenende rust, die voorspelde wat eens de zaligheid wezen zou, waarvan zij de flauwe afschaduwing waren, hier op aarde.
Een groote tegenstelling vormde hij met den man aan zijn zijde, in de ijzeren maliënrusting van den ridder, den man wellicht het vierde eener eeuw jonger dan hij, doch die het hoofd ter aarde boog en wiens magere, sombere trekken fluisterden van veel leed, waaraan geen berustende overgave zijn angel had ontnomen.
Warm straalde de zon ook boven zijn hoofd, en liefelijk als harpgesuis klonk het ruischen der dennen; blauw zag de lucht, de lijster zong, — hij scheen er geen acht op te slaan. Starend bleef zijn blik, de rimpel tusschen zijn oogen groefde zich dieper.
Kleine berkeboomen met zilverwitten stam wiegden hun blaadjes op den morgenwind. Hij trok eenigen af, liet ze dwarrelen, zag hoe zij eindelijk neerzonken om te sterven of te worden vertreden.
„Zoo gaat het met alles, met allen!” — Welk een bittere klank was in zijn stem. „Waarom zou men zich dan verheugen over lenteglans? Menschen, bladeren vliegt hoog, vliegt den hemel tegemoet en gij valt ter aarde en wordt vertreden, ongeacht, ongezien.”
De andere schudde het hoofd.
„Neen, Frethibold, neen, gij spreekt tegen uw weten, uw beter weten in. Wiens ziel ooit hemelvlucht heeft genomen en zijn God vond omhoog, kàn niet meer vallen of zinken, want God is zijn toevlucht en schild en beschermt hem voor beide.”
„Dat zegt gij, gij! Maar u lachte ook het leven toe, altijd, altijd! Toen gij de wereldlijke macht moede werdt, vondt gij die der kerk voor u gereed. Bisschop van Utrecht, meester niet over de lichamen, zooals de woeste Jarl van den Ravenhorst over zijn hoorigen, doch over de zielen der menigte. Wat begeert gij nog meer?”
Bisschop Ansfried zag hem ernstig aan:
„Ik begeer te heerschen door liefde, Frethibold, en, dat wordt mij zwaar gemaakt, zeer zwaar, want onze tijd is ruw en hard als ijzer.”
„En de menschen worden voortgezweept door het geweld, dat steeds gaat boven het recht. Dwarrelende bladeren zijn zij allen, allen!”
„Frethibold!” De stem van den bisschop werd ernstig waarschuwend. „Moogt gij, een christen, zóo spreken?”
„Kan ik anders, als ik het leven zie en de lotgevallen der menschen, van geslacht tot geslacht; als ik mijn eigen lot zie en dat van deze landen en gouwen? Voorheen waren zij bloeiend als mijn bestaan. Toen keizer Karel, dien zij nu den Groote noemen, stierf, waren zijn staten een rijpen, met weelderigen oogst prijkenden akker gelijk. Maar, de Denen kwamen, verdrongen elkander in deze rampzalige landen, schier van jaar tot jaar. Het verderf hield den sikkel, en de velden wit om te oogsten, gaven geen vrucht.
O, waarom was de keizerlijke adelaar dus afgemat, dat hij de wieken moest samenplooien in de rust van den dood? De raven krasten reeds bij zijn lijk, de raven uit het Noorden, tuk op aas.
En de vorsten, die na hem kwamen, die hoopten zich te redden van de Noorsche speren door het Noorsche schild, en daarom Deensche aanvoerders het erfdeel van landgenooten schonken.” Dreigend schudde hij zijn vuist. „Rolfr Jarls geslacht is een van hen, die macht en invloed verwierven op zulk een wijze. Dat wist de vader van mijn vader, eer hij werd gedood in den slag door een pijlschot in den nek. En ofschoon haast twee eeuwen voorbij zijn gegaan na hun eersten inval, de geest der mannen van de grimma hjerna is dezelfde gebleven, al deze tientallen van jaren door.
Harald Jarl onderwierp Friesland en vestigde in het bloeiende Dorestad zijn verblijf. Wèl mocht den nijveren inwoners de schrik om ’t hart slaan:
Raven zoeken aas.... De volkswelvaart was voorbij, de volksellende kwam. Het kwijnende Wijc kan het getuigen, dat ontstond uit de rijke stad. Voorbij bleef het met handel en verkeer, met landbouw en veeteelt. De horden der Denen overstroomden onze gouwen om wraak te nemen op voormalige aanvoerders, die thans christenkerken stichtten, om daarmee invloed en gezag te winnen in hun pas verworven bezittingen.
En terwijl Gaungo Rolfr, de reus, dien geen paard dragen kon, Friesland vernederde tot zijn krimpend wingewest, en het arme Dorestad nogmaals in vlammen opging, was het wonder, dat toen ook Wiedelkam, dat herleefde onder mijn bestuur, voor de tweede maal werd gelijk gemaakt met den grond? De stad aan den Maasstroom, waar die zijn blonde golven vermengt met de grijze wateren der Germaansche zee.”
Hij zweeg eenige oogenblikken. Kostte het hem moeite de rechte woorden te vinden? Toen vlogen zij eensklaps uit zijn keel, alsof een pijl van den kruisboog schoot:
„Ik had trouw gestreden voor keizer en rijk tegen de Denen, tegen de Denen altijd. Want zij waren overal: in de Friesche gouwen glinsterden hun speren, op de Kennemer duinen vlamden hun wachtvuren, Masaland en Toxandria werden door hen uitgemoord, Niumage bezet, Utrecht verwoest. O, een storm van ontzetting en wanhoop voer door het land: waar geen speren kletterden tegen speren, wezen verwoeste hoeven, vertrapte velden en raven die den marsch van het leger volgden, den weg aan, dien de overwinnaars waren gegaan.
Toen drong op eenmaal de kreet in mijn ooren:
„Wiedelham gaat op in vlammen. Gedood, weggevoerd als slaven zijn de inwoners, uitgeplunderd, verwoest is de gansche stad!” Het was of ieder lid van mijn lichaam verstijfde. Wiedelham! Dat was mijn gebied. Daar, op den hechten burcht had ik achtergelaten, toen veilig, toèn nog veilig, mijn lieve vrouw, mijn zoon, mijn eenige....
Ik worstelde met mijzelven, de ijzige koude, die als de adem des doods over mij heenstreek, week, ik voelde mijn hart weer kloppen, keeren mijn kracht. Toen greep ik mijn zwaard, sprong in den zadel, klemde mijn heirbijl in de vuist, mijn getrouwen en schildgenooten joegen mij na, in stormende vaart en wij bereikten Wiedelham.”
Hij haalde diep adem en strekte de handen uit als wilde hij een visioen afweren, dat hem voorbijtrok, een visioen van bittere, brandende smart. Toen hernam hij dof:
„Waartoe nog meer? ’t Is zoo gewoon, zoo alledaagsch wat ik heb te zeggen. Verwoesting en dood zijn overal in dit land, sinds twee eeuwen bijna, sedert twee eeuwen! Ook in Wiedelham vonden wij slechts verkoolde lijken en smeulende puinhoopen, maar ook”....
Hij hield de hand voor de oogen, te sterk, te machtig werd de herinnering.
„Frethibold houd op! Ik weet immers uw groot, gróot leed. Wees stil. Laat ook uw ziel dit zijn — stil in God. Denk aan het woord van een, zwaar beproefd als gij:
„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd.”
„O, kon ik dat zeggen, kón ik dat! Als ik nog slechts de verkoolde overblijfsels had mogen vinden van mijne vrouw, van mijn kind. Maar niets, niets dan rookend puin, smeulende balken, wolken van smook, grauwe sintels. Ik zocht, zocht vele dagen lang, ach, een puinhoop was mijn huis, evenals voortaan mijn leven, een puinhoop van verwoest geluk....”
„Frethibold, God weegt niemands last te zwaar. Buig u voor Zijn wil. Gij zondigt, als gij zoo spreekt. Het leven is geen geluk, het is plicht. Wee hem die in opstand komt tegen het lot, dat God hem geeft!”
„Plicht! Een ander begrip voor staal en ijzer. Kan dat het gemis, de ontbering vergoeden? O, waarom, waarom liet God zooveel leed over mij komen? Waarom?”....
„Gods wegen zijn niet onze wegen. Hoe menigeen werd door leed en beproeving dichter gebracht tot Hem.”
„Ik vergat Hem niet te midden van mijn geluk.”
„Maar hebt gij toen ooit gevraagd, waarmee gij zooveel zegen hadt verdiend, waarom gij zoo gelukkig waart? En nu in smart en zielsverdriet twijfelt gij aan Gods liefde en vraagt gij: „Waarom dit?”
„Ach, vergeef mijn wanhoop! De zielsellende brandt in mijn binnenste als een schroeiende vlam!”
„Vraag niet mij vergeving, maar aan God. Uw geluk naamt gij aan uit Zijn hand zonder vragen, aanvaard thans zonder morren uw kruis. „Gij zult het na dezen verstaan.” Denk aan dat heilige woord, Frethibold. Het zal u rust geven en berusting: „ná dezen.”
Een flauwe glimlach verhelderde Frethibolds droevige trekken.
„Na dezen! Wie weet hoe spoedig dat is!”
Thans kwam een ernstige uitdrukking in den vriendelijken blik van bisschop Ansfried, toen hij waarschuwend sprak:
„Frethibold, zwijg tot mij over deze dingen. Ik acht het godslastering. Gij weet, dat er geschreven staat: „Deze dag en die ure weet niemand.”
„Maar, heer bisschop, door de gansche menschheid gaat thans het gerucht, dat de wereld zal vergaan, nog dit jaar, in den St. Jansnacht. En hoeveel geestelijken gelooven het ook en vermanen de leeken tot boete en bekeering?”
„En met hoeveel bijgeloof is thans reeds bijna overal het Christendom vermengd. Wie houdt zich nog aan het Evangelie, zooals de Apostelen ons dat nalieten? Menschenwoord en menschenleer verdringen bij velen, bij de meesten, het woord van onzen Heer.”
„Deze dag en die ure weet niemand,” herhaalde Frethibold zacht en een zucht ontsnapte hem. Was hem het leven zwaarder dan de gedachte aan den dood?
Met bezorgdheid zag de bisschop hem aan.
„Frethibold, gij mijmert te veel, het maakt uw gedachten ziek. Gij hebt het volle leven noodig, het leven van daden. Gij vergeet dat te veel. Tot gouwgraaf van het Bovensticht benoemde u voor weinig weken de keizer en waaraan denkt gij meer? Aan uw eigen zorgen of aan die van uw gewest? Zijt gij daarvoor uit het klooster te Prüm, waar gij in afzondering leefdet, hier terug gekeerd?”
„Ach laat mij mijn rust, rust!”
„Dat is voor u de dood. Houd de lampen brandende! Ook u wenkt een ruim arbeidsveld. Zie om u heen. Er is veel te doen in uw gouw. Leef voor anderen. Waarom stichtte ik hier een kerkgebouw, hier op den Hohorst, waar eens de offervuren vlamden voor Wodan en Donar? Waarom bouw ik er thans een ordehuis naast?” Hij wees met de hand naar het dennenbosch, dat glansde smaragdgroen in den zonnegloed. — „Ziet gij tusschen de boomstammen die hooge tinnen schemeren? Daar ligt de Ravenhorst. Hij beheerscht deze gansche landstreek en de geest, die van hem uitgaat, strekt tot ieders verderf.”
„Hoezoo?”
„Zijn eigenaar is trouw aan de goden zijner Noorsche voorvaderen, gezworen heeft hij zelfs hun eeredienst opnieuw te maken tot de heerschende en, hebben mijn geheime boden mij wèl onderricht, dan is de tijd niet ver meer, waarop hij zijn doel hoopt te bereiken, door het zwaard der Denen.”
„En, dat zegt gij zoo kalm!”
„Wie kan beter maatregelen nemen tegen een dreigend gevaar, hij die zich opwindt of die het rustig onder de oogen ziet en intijds tracht in te grijpen?”
Frethibold boog het hoofd, de bisschop vervolgde:
„Deze geheele landstreek wordt geregeerd door overmacht en geweld. ’t Zijn meest hoorigen van den Ravenhorst, die hier wonen en de weinige vrijen zijn genoodzaakt het gezag te dulden van zijn eigenaar; meer dan eens vonden zij bij een inval der Denen een toevlucht op zijn burcht. Dáár waren zij veilig; waarom begrijpt gij. Doch de christenen werden gedwongen hun geloof te verzaken of dit tenminste niet meer openlijk te belijden. Zoo ontstond er in dit geheel gekerstende land een streek waar onverschilligheid heerscht of bijgeloof, naast den dienst der vroegere goden. En om dit wangeloof te bestrijden verzocht ik van keizer Otto den Hohorst met het omliggende land in leen. Het was teruggevallen aan het rijk door den dood van zijn laatsten eigenaar. Thans echter reken ik op uw steun. Gij moet mij helpen met uw zwaard en gezag waar ik trachtte het Evangelie te brengen aan deze door den geweldigen druk van Rolfr Jarl geheel verwilderde landbewoners.” Tot antwoord slaakte Frethibold een kreet, die door merg en been ging.
„Rolfr Jarl! Hij was het, die Wiedelham deed opgaan in vlammen! Hij vermoordde mijn vrouw en mijn zoon, verkeerde mijn huis in een puinhoop, hij brak mijn leven! O, bind geen strijd aan met hem! Gij kent hem niet, zooals ik! Uw haar deed hij niet vergrijzen in leed, hij brak niet u het hart!”
Neen, klaarblijkelijk kende de grijze kerkvorst den woesten Noorman niet. Alleen zijn gelaat was zeer bleek geworden, toen hij den naam uitsprak, dien menigeen deed vergezellen van een vervloeking.
Stil vouwde hij de handen, in zijn borst klonk het:
„Leid mij niet in verzoeking, Heer! Hij heeft reeds zooveel te dragen; laat mij zijn last niet vergrooten, door hem deelgenoot te maken van mijn leed!”
Beiden stonden zwijgend vele oogenblikken en hun hart was als lood in hun borst, terwijl zij zagen hoe de zon glansde aan de blauwe lucht en hun bittere gedachten dwaalden in den nacht van hun weleer.
Op geringen afstand van den rozelaar, die zijn geurige twijgen strengelde boven hun hoofd, werd intusschen de bouw van bisschop Ansfrieds „zendingshuis” met kracht voortgezet. Balken werden opgeheschen, hamerslagen klonken, planken werden gezaagd, Opeens verstomde het gedruisch. Wat was hiervan de oorzaak? Geen hamerslag op de tusschen twee palen onder een afdak hangende klok zonder klepel, kondigde immers nog het rustuur aan?
Maar een bootje dreef over de klare golven van de Eem; twee vrouwelijke, dichtgesluierde gestalten stapten aan wal en beklommen den heuvel. Was hun komst de oorzaak der heerschende stilte? Het was zulk een ongewone gebeurtenis in dezen kring!
„Zou het mij vergund zijn den bisschop zelf te spreken, slechts één oogenblik?” fluisterde de jongste tot den gezel, die naar voren trad, in schootsvel en camizool, de bijl nog in de gespierde vuist. Hij schudde het hoofd:
„’t Zal niet gaan, denk ik! Wie zijt gij? Hoe moet ik u aandienen?”
„Ik — neen, dat kan niet.... Dan”.... Gejaagd trok zij een kleine perkamentrol te voorschijn, toen hernam zij — de sluier kon niet geheel haar blos verbergen:
„Geef den bisschop dit en dan.... Wij mogen hier toch zoolang wachten tot gij antwoord brengt?”
Hij knikte zwijgend en ging.
Weinige oogenblikken later voerde bisschop Ansfried beide vrouwen terzijde. Bevrijd van nieuwsgierige blikken sloeg zij die ’t eerst had gesproken nu haar sluier op en thans kwam in de oogen van den grijzen kerkvorst dezelfde uitdrukking van zieleleed, die hem had doen huiveren voorden blik van Frethibold.
„God, geef mij kracht en help mij!” Zijn lippen beefden, maar hij ontving de kracht zijn gedachten te bewaren in zijn hart.
„Wat zoekt de kleindochter van Rolfr Jarl hier?” vroeg hij kalm.
In weinig woorden verhaalde Swanwitha van Unruochs gevangenneming, smeekte zij om zijn tusschenkomst: „De poort blijft gesloten, bewaakt wordt de hof, want zijn vlucht is ontdekt.... Ieder oogenblik kan hij worden gevonden.... O, help daarom; gij alleen kunt het!”
Tranen stroomden haar uit de oogen, een snik brak haar woorden. Maar de bisschop schudde het hoofd:
„De Ravenhorst heeft hooge wallen en een dubbele gracht. Rolfr Jarl laat geen gevangene vrij en vluchten is onmogelijk. „Wie daar boeien draagt wordt alleen verlost door den dood,” beweert ieder hier in den omtrek, eigenhoorige of vrije. Wat zal ik, een ongewapend, bejaard man dan vermogen?”
„O, heer, heer!”....
„Noem niet mij zoo, geef dien naam den Eenige, die hier kan helpen.”
„Wie is dat? Wie h——?”
„Dat is de Heer, die den menschen het leven schonk en hun lot houdt in Zijn hand. God alleen kan uitkomst geven in dezen nood.”
Zij hoorde niet meer, zij vouwde de handen. Half verstikt door een nieuwen tranenvloed, fluisterden haar lippen:
„O, goede God, geef redding! Gij alleen hebt er de macht toe! Ik voel, dat het zoo is!”
Het was Swanwitha of zich iets ontspande in haar ziel, een groote rust kwam over haar, de radeloosheid week, het scheen haar een wonder en opnieuw was het een gebed, dat zij stamelde.
Bisschop Ansfried zag het met aandoening, niet alleen om den zielsangst, die uit haar woorden klonk.
„Mijn dochter,” sprak hij zacht, „thans in angst en ellende hebt gij God gezocht, vergeet Hem niet als Hij uw smart verkeert in vreugde.”
„Neen, o, neen! Nooit meer! Dat beloof ik!” Toen hernam zij snel en aarzelend:
„Het gaf mij zulk een rust. Ik voelde, dat de God van mijn moeder mij hoorde en mij heel nabij was, al schijnt” — zij wees omhoog — „Zijn hemel ook ver.”
„Houd Hem vast, mijn kind” — hoe beefde zijn stem bij dat woord! — „en alle onrust zal van u wijken en ook in leed en nood zult gij zielevrede kennen, want „daar blijft een rust over voor het volk van God.”
Gewillig legde zij haar hand in die van den grijzen dienaar van het Evangelie, wiens trekken opnieuw werden geteekend door een ontroering voor woorden te groot, toen hij die trillende vingers in de zijne hield.
„Ga nu, Gisela,” hernam hij haastiger dan zijn gewoonte was.
„Gisela! Zoo heette mijn moeder. Ik”....
Hij streek zich met de hand over de oogen als ontwakend uit een droom, die hem terugvoerde in het verleden, het verre weleer. Met moeite herstelde hij zich:
„Gij moest nu gaan, mijn”.... Weer zweeg hij een oogenblik. „Ik volg u, zoo spoedig het mij mogelijk is. Beproeven wil ik wat ik kan doen, met Gods hulp.”
Toen zij den heuvel afgingen en de kleine boot bestegen, die hen naar den overkant bracht, vroeg Witha haar gezellin:
„Waarom zou de bisschop mij Gisela hebben genoemd?”
Siva zweeg en zag haar aan met een raadselachtigen blik.