„Kort recht, goed recht! Ik heb er nu den schrik in, allen doen wat ik wil! De geheele streek is als was in mijn hand.”
Hij dacht aan de berichten hem door den aanvoerder zijner ruiters gebracht, hoe vrijen en onvrijen sidderend bogen voor zijn bevelen, indien slechts hun ellendig leven, en hun schamel eigendom bleven gespaard.
Rolfr kneep zijn oogen half toe, als een op de loer liggend roofdier.
„Als Yglo en die deern naar den Hohorst zijn gevlucht, komt het mij goed te stade. Dan heb ik het recht haar op te eischen en de bisschop zal haar willen beschermen. Uitstekend!”
Swanwitha kwam. Zij was zeer bleek, van droefheid vertrokken waren haar lippen.
„Grootvader, wees barmhartig voor”.... Zij zag in een aschgrauw, verwrongen gezicht. Een zweepslag striemde haar.
„Ga weg! Ik wil niets meer met je te doen hebben!” Zijn razende drift overmeesterde hem, rood wolkte het voor zijn oogen, het benam hem schier de bezinning, zijn geregeld denken stond stil.
„Weg! Weg!”
De zweep zwiepte opnieuw door de lucht, voort dreef hij zijn kleindochter door hal en hof, de poort sloeg achter haar toe....
In haar torenvertrek wierp vrouw Sigrid de runen. Wat las zij? Haar trekken werden vaal.
Op den heirweg reed Olaf met zijn gewapenden stoet. Hij ging de vloot zoeken — zij moest nu reeds zijn geankerd — om de bemanning te voeren in het hart van het land.
Bewusteloos lag Swanwitha op den drempel van haar huis. Zij wist niet, dat oude Lisa haar hoofd ophief, dat de klaagvrouwen, die met haar Henno’s brandende woning waren ontvlucht, haar behoedzaam voortdroegen.
De avondwind huiverde over het land, rood ging de zon onder.
[9]Wolf: Niederländische Sagen.[10]Noordewier Ned. rechtsoudheden.
[9]Wolf: Niederländische Sagen.
[10]Noordewier Ned. rechtsoudheden.
„Gelukkig Utrecht, uitverkoren moeder der steden,gij bezit nu een heer, die aller lofspraak verdient,Ansfried is door zijn verdienste uw sieraad, uw bisschop,hij is de aan deugden rijke belijder des Heeren.Voorheen beschermde hij met zijn zwaard het land en zijne bewonersnu is hij de wachter der kerk, de heilige priester —De drager des zwaards bestuurt nu de harten des volks;de fiere soldaat is verkeerd in een man des gebeds.Zoo is het gewoel des krijgs in beter veranderd,Van geduchten krijger werd hij minnaar des vredes,van aanvoerder der strijdmacht, leider der zielen.”
„Gelukkig Utrecht, uitverkoren moeder der steden,gij bezit nu een heer, die aller lofspraak verdient,Ansfried is door zijn verdienste uw sieraad, uw bisschop,hij is de aan deugden rijke belijder des Heeren.
Voorheen beschermde hij met zijn zwaard het land en zijne bewonersnu is hij de wachter der kerk, de heilige priester —De drager des zwaards bestuurt nu de harten des volks;de fiere soldaat is verkeerd in een man des gebeds.
Zoo is het gewoel des krijgs in beter veranderd,Van geduchten krijger werd hij minnaar des vredes,van aanvoerder der strijdmacht, leider der zielen.”
Twee jonge leekebroeders zongen met heldere stem de Leonische strofen, een beeld der vreugde waarmee eenmaal de benoeming door den keizer van graaf Ansfried van Teisterbant tot bisschop van Utrecht was begroet. Met moeite — zij kwamen terug van de vischvangst — stuurden de zangers hun bootje door belemmerende rietbosschen en lischstruiken, naar de landingsplaats van den Hohorst.
Roerloos als gesmolten metaal lag het water, schitterend in den zonnegloed, waar het riet geen donkere schaduwplekken wierp op zijn effen vlak. Bisschop Ansfried, weer alleen in zijn werkkamer, zag de moeitevolle pogingen der visschers en hoorde hun zang. Een flauwe glimlach speelde om zijn ernstigen mond.
„Nog vóór de dam gemaakt is, die mijn Hohorst verbindt met het land, zal ik toonen, dat ik nog niet geheel den tijd ben vergeten, toen ik mij het zwaard aangordde. Ditmaal echter zal het een heiligen strijd gelden, een zwaren tevens.”
Zijn doordringende blik zocht nogmaals het ontrolde perkament, dat voor hem lag. Hij las:
„In den naam der Heilige en onverdeelbare drie-eenigheid, Otto III door Gods verzoenende goedertierenheid Koning. Dat het kennelijk zij aan al onze getrouwen zoo tegenwoordige als toekomende, dat wij alle grondgebied, dat Poppo, zoon van Walger voorheen bezat, ook dat in het graafschap Teisterbant en de heerlijkheid Arclo in eeuwig eigendom afstaan aan het bisdomUtrecht”....[11]
De bisschop las niet verder: tol en muntrecht te Arclo, het jachtrecht in geheel Drenthe werden hem tevens verleend. Zij liet hem niet onverschillig, die nieuwe, onverwachte keizerlijke gunst, maar geen bevordering van eigen belangen zocht hij.
In het vertrekje naast het zijne bevond Unruoch zich. Hij riep hem. Hij zag hem binnenkomen werktuiglijk, het gelaat strak, recht voor zich uitstarend de oogen:
„Unruoch, weet ge wat er heden nacht is gebeurd?”
„Ik heb niets gehoord.” Gedempt klonk zijn steeds zoo klankvolle stem, lusteloos bleef zijn houding.
„Rolfr van den Ravenhorst, heeft, gebruik makend van den angst voor den ondergang der wereld, die in ieder hart bijna stijgt met den dag, het landvolk van den geheelen omtrek bijeen geroepen bij den grafheuvel van Roruk. Daar heeft hij geofferd aan de oude goden en allen gedrongen terug te keeren tot het heidensche wangeloof.
Unruoch, die grafheuvel moet met den grond worden gelijk gemaakt.
Die taak draag ik u op. Laat uw paard zadelen en rijd zoo snel mogelijk naar den Stuthenborch, mijn sterkte bij de Hoeve Lake. Doe de helft der speerruiters, die haar bewaken, opzitten en draag zorg, dat het werk volbracht wordt eer de dag is gedaald.
De grafheuvel behoort nu tot mijn gebied. Alzoo bezit ik het recht hier handelend op te treden om de verdere verspreiding van bijgeloof te beletten. Draag echter zorg de urnen mee te voeren, wij zullen ze in stilte teruggeven aan het stof der aarde.”
Een verbaasde blik trof hem. Bezorgd klonk Unruochs stem:
„Ik vrees, dat geen enkele speerknecht te bewegen zal zijn naar een hunnebed te gaan. Liever zullen zij zich in ketenen laten klinken. Het algemeene geloof is immers, dat in die grafheuvels de duivel huist.
Met welke strenge straffen bedreigde voorheen bisschop Radboud niet ieder, die waagde er te offeren. Thans durft zelfs bijna niemand ervoorbijgaan.”[12]
Bisschop Ansfried glimlachte met zijn fijnen, weemoedigen glimlach:
„Zoo gaat het, mijn zoon! Toen ik mijn kerkelijk ambt ontving, hoopte ik in mijn geliefd Utrecht een kerkgebouw te stichten, waarin plaats zou zijn voor allen, die in mijn bisdom den Heer zochten met een geloovig hart. Thans bezit ik niet eens genoeg macht om een zandhoop te doen verdwijnen, die toch terecht een rots der ergernis en een steen des aanstoots mag heeten.”
„En die geslecht zal worden, heden nog. Wanneer bevel noch overreding baten, zal ik het alleen doen.”
„Ik zal u een bevelschrift meegeven. Ik wil gehoorzaamd worden. Het is een zaak van gering belang, maar die in deze dagen beteekenis heeft.”
„Gij bedoelt nu Rolfr Jarl”....
„Rolfr Jarl is slechts een schakel in den keten, die ons dreigt te omspannen: er is weer een Deensche vloot gezien bij Lammersvliet.”
Het bleek der ontzetting streek over Unruochs trekken. Maar bedaard ging de bisschop voort:
„Daarom moet ik handelen. Wie vrees toont is reeds half verloren. Zwijg er echter tegen ieder over. Morgen vertrekken wij allen van hier naar Utrecht. De stad moet in staat van tegenweer worden gesteld.
Neem dezen brief mede aan den kastelein van den Stuthenborch. Nog heden moet gij hier terug zijn. Wij zullen werken zoolang het dag is en niet steunen op eigen kracht alleen. Moge God ons volk behoeden voor een herhaling der jammertooneelen, waarvan bisschop Balderic in den aanvang dezer eeuw getuige was.”
Beiden kenden de deerniswaardige schets, gegeven door Balderic van Cleve in het jaar negen honderd zeventien. Naar Daventre had hij de wijk moeten nemen voor het geweld der Denen, en toen zij eindelijk waren weggezeild, beladen met roof onder hun buit gekromd, toen schreef bisschop Balderic, bij zijn terugkeer uit zijn ballingschap in zijn geliefd Utrecht:
„Toen ik die stad voor het eerst binnentrad, en haar door de Denen vernield en geheel verwoest aanschouwde; de kerken van St. Martinus en St. Salvator vernield en verbrand, heb ik, door den diepsten weemoed des harten geroerd, mijn tranen op geenerlei wijze kunnen weerhouden; en, de hulp des Hemels afgesmeekt hebbende, heb ik onder een vloed van tranen gebeden, dat Hij, die Zijn heilige kerk op een hechten rotssteen, welke Christus is, gebouwd heeft, tot den wederopbouw en het herstel der kerk, mij aanbevolen, zich mocht verwaardigen mede te werken.
Met Zijn hulp heb ik dan ook de brug over de gracht, de stad met haar poorten, den muur met zijn bolwerken, tegen vijandelijke aanvallen gebouwd en opgericht; en de Gode gewijde plaats van vrede, de kerken namelijk, door de heidenen verwoest en verbrand, heb ik — niet zooals ik het behoorde te doen, maar zoo goed ik het kon — eenigszinshersteld”....[13]
Beider onuitgesproken gedachten hadden elkander gevonden, toen bisschop Ansfried voortging:
„Balderic van Cleve liet het niet bij woorden en klachten. Nehemia was zijn voorbeeld, als deze riep hij uit: „Hoe zoude mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der grafstede mijner vaderen, woest is, en hare poorten met vuur verteerd zijn?” Maar evenals de profeet greep hij naar hamer en houweel om het puin weg te ruimen, gebruikte hij passer en troffel, hout en metselsteen om te vernieuwen wat nog herstelbaar, om te herstellen wat verwoest was. Het was als Nehemia schrijft: „De eene hand was bezig aan het werk, de andere hield de spies,” want weer liepen geruchten eener nieuwe landing door de Denen beraamd, maar ondanks den nood der tijden werd de stad herbouwd. De stevige muren, die thans Utrecht omringen, bewijzen evenals deBaldericstoren[14]dat de arbeid met evenveel kracht werd voortgezet als aangevangen. De kerken verrezen uit hun asch, hersteld werd de Rijnbrug. Wij zullen dit voorbeeld volgen: als de Denen ook ònze brug mochten afbreken, dan heffen wij op de slappe handen en bouwen een nieuwe.”
Veelbeteekenend zag hij den jongen man aan. „Verstaat gij mij, mijn zoon? Menigeen bouwt zich een brug en waant, dat zij voor hem de afgronden van leed en tegenspoed zal overwelven en hem regelrecht voeren in het geluksland. Maar dan komen er houtwormen, die het paalwerk doorknagen, een orkaan werpt de bogen neer, of de geheele bouw gaat op in vlammen en rook — in rook Unruoch — door de hand van een vijand. En dan buigt de mensch, die reeds de overwinning voor zich zag en het geluksland waande binnen te treden, het hoofd. De hoop ontvlucht zijn hart en daarin is het zoo vol van knagend, radeloos leed. Dan wijkt de glimlach van zijn gelaat, hij noemt zijn leven mislukt, gebroken. Waarom? Omdat de heldere vlammen zijner verwachtingen opgingen in rook, omdat hij leefde voor zijn eigen geluk, vertrouwde op eigen kracht, op den weg die leidde naar zijn doel. Hij dacht zijn leven vol heil en hij wist niet hoe leeg het was, omdat hij bij al zijn plannen God vergeten had, Die ieders levensbeker mengt, ieders levenslot bestuurt. Indien de menschen in Hem geloofden, zou hun nederlaag in zegepraal verkeeren, want dan zouden zij zich een nieuwe brug bouwen en haar schragen met de onwankelbare pijlers van plicht en geloof. Menschelijk geweld noch eenige aardsche macht zouden in staat blijken haar te vergruizen, en die brug zou haar bouwer voeren in het eeuwige land van zalig aanschouwen, bereid voor ieder, die hier moedig zijn kruis heeft getorst en de lessen van ervaring en zelfkennis hem door zijn levensleed geleerd, gebruikte om de wereld beter te maken en om het levensgeluk van anderen te vermeerderen.
Vaarwel, Unruoch, hier is mijn schrijven. Ik hoop, dat uw levensbrug u zal voeren in het land, waaruit eenmaal uw ziel haar oorsprong nam!”
Unruoch ging zwijgend, getroffen. Hij had zijn brug gebouwd, en — aan zijn geluksdroomen dacht hij nu en aan hun uitkomst. Swanwitha voor hem verloren, een vreemde noemde haar zijn bruid. Met zijn groote liefde had hij haar willen omringen, de weg naar hun geluksland leidde immers over een met bloemen bedekt pad en thans... Ruw en met steenen bezaaid was het veld van zijn werken en strijden, dat hij voor zich zag en zijn moed en hoop waren van hem geweken, zijn voetstap voorheen zoo vast, sleepte, wankelde....
Niet meer. De woorden van den grijzen bisschop, wien zijn levenservaringen wijsheid hadden geleerd en gevormd tot denker, wien ’s levens rouw en ontgoochelingen dichter hadden gebracht bij God, toonden hem zijn beeld in onmiskenbaar scherpe lijnen.
„Wie zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen.” Wie fluisterde hem dit toe, nu, juist nu? Had hij niet het eerst, het meest zijn eigen leven gezocht — zijn geluk? En daar was een wereld om hem die leed en streed, fel en zwaar, aldoor, aldoor. Had hij ooit gepoogd den last van anderen te verlichten? Jonge vriendschap, jonge liefde, waren gevolgd op zijn leerjaren in de kapittelschool, samengevloeid met de jacht van hair met hair en veer met veer. Soms had de gedachte hem bedroefd, dat hij niet wist wie zijn ouders waren: uit de rookende puinhoopen van het ten tweeden male door de Denen verwoeste Wiedelham was hij gered, door arme lieden wier eenige woning, sinds dien inval der gevreesde zeeschuimers, bestond in hun krakenden ossenwagen. In die armelijke omgeving had hij zijn eerste levensjaren gesleten, met zijn pleegouders zwervend door het verwoeste land. Toen — zeven jaren na den brand van Wiedelham — klopte een bijna stervende vrouw aan het klooster te Thorn, waar Benedicta, graaf Ansfried van Teisterbant’s dochter, de wijding had ontvangen tot abdis.
„Mevrouwe, ach, zorg voor dit kind. Ik sterf van gebrek en in een gevecht met de Denen is mijn man gevallen. Dit kind, het is van edelen stam.... het is”....
In onverstaanbaar fluisteren stierf haar stem weg, heen ging zij naar het eeuwige land voor zij den naam had geuit van het kind, dat zich schreiend aan haar vast klemde, als gevoelde het welk een schat van liefde het verloor met die verlaten, nooddruftige vrouw.
Maar vol medelijden had de jeugdige abdis zich het lot aangetrokken van den kleinen wees. Zij beval hem haar vader aan en deze — voor zoo menigen ouderloozen knaap zorgde hij — kreeg zijn schranderen pupil lief; aan het schuldelooze kind, met zijn warmvoelend hartje hechtte zich de sterke, eenzame man. Thans was hij zijn verklaarde lieveling, thans wees de hand van den vergrijsden bisschop hem den weg, dien hij gaan moest, hem, die een steun behoefde in zijn volle, jeugdige kracht.
Een gevoel van beschaming sloop het hart binnen van den jongeling:
„Ik zal mijn best doen, met Gods hulp,” prevelde hij voor zich heen. „Niet meer zal ik het eerst mijn eigen geluk zoeken, maar beproeven anderen tot heil te zijn.”
Er kwam weer glans in zijn oogen. Hij voelde nu, dat de steenen geworpen op zijn weg, als zooveel hindernissen, hem zouden helpen om hooger te stijgen, om zich te zien met ruimer blik op het heden, naar de toekomst het meest.
Toen hij uit de boot stapte, die hem wegvoerde van den Hohorst en hij zijn paard besteeg, dat hem reeds tegenhinnikte uit den, op den anderen oever gebouwden stal, volgde de bisschop ieder zijner bewegingen en nog stond hij hem voor het venster na te staren, terwijl reeds een stofwolk hem onttrok aan zijn blik.
„De weg zal moeilijk voor hem zijn. Het is hard levensheil en levenshoop reeds in zijn jeugd te moeten opgeven. Toch wanhoop ik niet voor hem. Ieder vindt den weg, die zich zelven leert vergeten voor de menschheid en haar weedom, voor haar lijden en strijden, haar inspanning en denken, die in zich voelt gloren een sprank van het Hoogere door God in ieder hart gelegd, dat lichtend opvoert tot Hem. Zelfvergetelheid, dat is geluk. Alleen door te arbeiden voor anderen rusteloos, ingespannen, vol liefde, wordt deze levensles geleerd.”
Hij verliet zijn vertrek: nog een anderen, moeden zwerveling had hij den weg te wijzen.
[11]Diploma bij Heda.[12]Picardt: Vergetene en verborgene antiquiteiten van ’t oude Vrieslant.[13]Het geheele schrijven is te vinden bij Heda: „Balderico.”[14]De latere Bollaerts-toren tusschen de Waard en Catharynepoort.
[11]Diploma bij Heda.
[12]Picardt: Vergetene en verborgene antiquiteiten van ’t oude Vrieslant.
[13]Het geheele schrijven is te vinden bij Heda: „Balderico.”
[14]De latere Bollaerts-toren tusschen de Waard en Catharynepoort.
Troostend en verkwikkend ruischte de linde voor het geopende venster, waaraan graaf Frethibold stond. Hij zelf staarde roerloos in de verte, zonder iets te zien. De bisschop had hem een onderhoud verzocht, nu wachtte hij — droomend. De zomerwind speelde ritselend met de perkamentbladen, die op de tafel lagen. Het was een afschrift van Cesars Gallische oorlogen. Hij had er in gelezen, nu maakte hij een beweging, als wilde hij een lans grijpen, als wenkte hem een zwaard.
Hij bemerkte het binnenkomen van den bisschop niet, zwijgend bleef deze hem eenige oogenblikken aanstaren.
„Frethibold!” sprak hij ten laatste met zijn klankvolle stem.
„Heer bisschop!” Met een hoofdbuiging begroette hij opstaande zijn bezoeker.
„Wat deert je? Je ziet zoo bedrukt.”
„Wat mij altijd vervolgt: mijn verdriet.”
Hij wees op de perkamenten. „Ik zat straks te lezen en vond opnieuw nood en ellende, jammer en gebrek de grondslag van het menschelijk bestaan, zoowel nu als in Cesars tijd. Hongersnood en pest, slagvelden, gevangenschap, dooden en verminkten, verdrukte volken, macht boven recht, ontevredenheid, verdeeldheid, afgunst, zoo was het toen, zoo is het nu, en zal het wel blijven, zoolang de wereld bestaat. Ik moest mij eigenlijk gelukkig prijzen, dat ik nu gouwgraaf ben van het Bovensticht. ’t Is als een klein, groen eiland te midden eener bulderende zee. Hier tenminste heerscht vrede. Maar wat baat zelfs dit, als men steeds in de leegte ziet, in den nacht!”...
Hij zweeg, maar een bittere glimlach vulde zijn woorden aan.
Zijn bezoeker schudde het hoofd. Welk een tegenstelling vormde beider gelaat: Het eene aangeraakt door den engel van den vrede, het andere donker als sprak de demon der vertwijfeling uit iedere lijn. Frethibold ging voort:
„Er lag een blad met vertaalde aanhalingen tusschen de perkamenten. Een was er bij met een klein vers van Sophokles. Zie, hier is het. Ik heb nooit een meer waar woord gelezen.”
De bisschop nam het blad, overluid las hij: „Niet geboren te zijn is voor alles het beste, ten tweede is verreweg het beste, terstond als men geboren is, zoo spoedig mogelijk terug te keeren, van waar men kwam.”
Langzaam legde bisschop Ansfried het blad neer, het had gebeefd in zijn hand. Toen stond hij vele oogenblikken zwijgend, den blik gericht op het hopelooze gelaat voor hem:
„Frethibold!” sprak hij eindelijk ernstig, „weet gij wel, dat gij met zoo te spreken uw Schepper hoont, Die u in het leven riep om dit te besteden tot Zijn eer?”
De andere haalde de schouders op en ging voort, als had hij niet verstaan, als dacht hij overluid:
„Ik vraag mij zelven af: wat is mannelijker, waardiger, steeds te dulden, te dragen al de giftige pijlen, die het lot ons toezendt of ze te doen eindigen door een beslissenden dolkstoot, in eigen hart!”
Ontzet legde de bisschop hem de hand op den arm, het was als wilde hij hem wakker schudden: „Frethibold! kom tot u zelven! Gij zijt ziek, uw hoofd en uw hart zijn het beide!”
„Neen, neen! Alleen ellendig, rampzalig ben ik!”
„En gij noemt u een volgeling van den Heer, Die heeft gezegd:
„In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.” Gij klaagt over den last, die Zijn wijsheid u oplegt. Hij woog niemands kruis ooit te zwaar, buig uw wil voor den Zijne en gij zult in staat zijn ùw kruis te dragen.”
„Geheel alleen! Verlaten door alles wat ik liefhad, alles weg, dood!”....
„Die gij liefhadt zijn u alleen voorgegaan naar het eeuwige land, uw wegbereiders zijn zij, uw goede gidsen. Aan de aarde kluisterde u het aardsche geluk en God wil, dat wij menschen ons hier voelen als vreemdelingen, op weg naar Zijn vaderhuis. Ik geloof, dat God velen de eenzaamheid zendt, die Hem misschien zouden vergeten te midden van het geluk, doch nu door hun leed tot Hem worden gebracht.
„Die is Mijns niet waardig.” Herinnert gij u welk tekstwoord hiermee eindigt, Frethibold?”
„Wie anderen lief heeft boven Mij”....
In een zucht klonk het:
„En dat deedt gij!”
„Ja, dat deed ik! Mijn lieve vrouw met de zachte oogen en het gouden haar, mijn lachend kind!.... Ik had ze lief, boven alles en ieder en nu zijn zij dood, verbrand.... Zelfs hun verkoold overschot mocht ik niet begraven!”
Welk een droefheid beefde in die woorden, een leed, diep en onmetelijk als de zee! Het hart van den grijzen bisschop brak van medelijden. Rezen ook in zijn borst herinneringen aan het weleer?
„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd! Frethibold, zeg dat den zwaar beproefde na van het Oude Verbond, zeg het met uw hart, niet met uw lippen, beproef het biddend, mèt uw hart!”
„O, als ik kon, als ik kòn! Maar onmogelijk is het mij, onmogelijk!”....
„Niets is onmogelijk voor wie bidt met een oprecht hart. God beproeft niet zonder reden of noodzaak. God is liefde en met Zijn liefde vormen Zijn grootheid en almacht éen geheel. Kunt gij inderdaad gelooven, dat Hij klein kan zijn in straf en toorn, Hij de Schepper van het heelal? Hier zien wij in een duisteren spiegel, eenmaal zullen wij helder zien in het eeuwig licht, indien wij slechts op Hem vertrouwen, niet vragen, niet vertwijfelen, maar volgen, volgen Hèm na.”
„O, kon ik dat! kon ik!”
„Ik denk aan een ander woord van een denker der grijze oudheid, Plato heette hij. Hij vergeleek de menschheid met gevangenen, vastgeketend in een rotsholte. Zij zagen de voetgangers niet, die achter hen voorbij gingen, zij zagen evenmin de zon. Zij aanschouwden alleen de schaduwen op den muur geworpen door beiden en hun ketenen, die hen dwongen onbeweeglijk te blijven.
Is het zoo niet met velen, met zéér velen? Hun levenslast ketent hen aan de aarde, zij zien slechts schaduwen en verborgen blijft voor hen het licht, omdat zij niet omhoog zien, omhóóg!”
„Ach, dat ik mijn ketenen van mij kon werpen, die mij neerbuigen met hun looden wicht!”
„Gij kunt het, zoodra Gods wil de uwe wordt. Dan zal uw last u licht toeschijnen, berusting uw wanhoop vervangen en overgave u brengen tot den vasten grond der dingen, die men niet ziet — het geloof.”
„Als dat nog mogelijk kon zijn! God moge mij er toe helpen!”
„Maar gij moet zelf meehelpen. Niet alleen uit bidden en zuchten bestaat het leven, ook uit arbeiden zoolang het dag is. Het mijmeren en peinzen in de eenzaamheid is niet goed voor u. Het verlamt u, het volle leven hebt gij noodig, het leven van inspanning en van de daad.
Verhef u met uw vroegere kracht, Frethibold!
Ik heb een dringende taak voor u en een dringender verzoek. Vertrek nog heden naar den keizer, naar Aken.”
Frethibold wankelde terug.
„Een gebroken man als ik! Pas ik aan het hof van heer Otto!”
„Uw plicht roept u daarheen en, die is te allen tijde de veiligste gids. Ik vertrouw er op, dat gij spoed maakt en zal in uw afzijn uw taak op mij nemen; zelf moet gij heer Otto spreken, op brieven slaat hij geen acht. Haast u, de Denen kruisen aan de kust!”
Een brandende gloed steeg in Frethibolds gelaat, zijn oogen vlamden — hoog richtte hij zich op, zijn hand balde zich tot een vuist....
„De Denen!”
Donkere golven van haat verrezen bij den klank van dit woord uit een zee van ellende en leed.
„Frethibold! Hoe ver zijt gij nog van Gods koninkrijk. Niet ù komt de wraak toe, gij moet vergeven. Als gij dat niet kunt, niet tracht te doen, zijt gij niet waardig te gaan.
Bericht heer Otto den nood, die opnieuw dit arme volk dreigt, smeek hem in te grijpen met de macht zijner speren, de kracht zijner lansen. Leer ùw levensles, ook op dezen tocht. Zij heet: zelfvergetelheid.”
„Ik zal het beproeven! Ik zal het beproeven. Dat zal ik waarlijk!”....
„En hij zal slagen,” fluisterde de bisschop, toen hij eenige uren later ook dezen afgezant naoogde. „Wie heeft het recht hem te veroordeelen? Zijn wij niet allen zwak?”
„Homo sum!”....
Aan zijn eigen verleden dacht hij, aan de dagen toen ook de levensreis voor hem bergopwaarts ging, schrede voor schrede, en de weg hem zwaar viel en hij dien zag met steenen bezaaid.
Hij zag bij die gedachte om zich als zocht, als miste hij iets. Een zucht ontsnapte hem; hij wist, dat hij niet zou vinden wat hij zocht. Hij voelde zich als een reiziger, die afgemat van het klimmen op een woesten rotsweg, verlangend opwaarts blikt naar den bergtop, het eind van zijn reis, die vol heimwee uitziet naar een trouwe hand, welke de zijne zal vatten om door haar druk den laatsten, zwaren gang te verzachten.
Ook zijn leven was bergopwaarts gegaan en aan het einde stond hij alleen.
„Het uitnemendste is moeite en verdriet” — hij wist het bij ervaring. En nu die nieuwe, zware moeilijkheid, terwijl hij zich oud voelde en zwak, terwijl zijn kracht hem ontzonk en hij wist welk een verantwoording op hem rustte bij den inval, die dreigde van het vermetelste volk der wereld, het dapperste en het wreedste.
„Voorwaar, ik heb het recht Frethibold te vermanen! Zelf gevoel ik mij even verlaten als hij,” klonk het in zijn borst. Hij zonk op de knieën; hoelang hij geknield lag wist hij niet, maar toen hij weer oprees fluisterden opnieuw zijn lippen: „Homo Sum,” maar voegde zijn hart er bij: „Fiat voluntas!”
Zijn gelaat glansde. Het ruischen van den luwen wind door de linde voor het venster verkwikte hem met zijn zachte koelte. Hij begaf zich naar buiten. Weldra kliefde het bootje, dat hem overvoerde, den klaren waterspiegel. Aan de overzijde wachtte zijn muildier; slechts door een enkelen leekebroeder vergezeld ving hij zijn dagelijkschen tocht aan naar de kranken in den wijden omtrek, die hulp behoefden en zelf niet tot hem konden komen.
Maar dezen dag klopte hij tevergeefs aan menige deur — zij waren alle gegrendeld en het landvolk scheen huis en hof te hebben verlaten. Was het uit angst voor Rolfr Jarl of uit vrees voor zijn Denen?
Hij zou het spoedig weten. De vrouw van Walger zag hij op haar smadelijken tocht. Met een vloed van woorden — niet te weerhouden door de bedreigingen der speerdragers, die haar omringden, riep zij gillend alles wat was geschied, van de straf, die haar man moest ondergaan, van Henno, aan de kaeck gesteld, van Yglo en Trutha....
„Laat die vrouw vrij. Uw heer heeft geen recht haar te straffen. Zij en haar huis staan onder mijn rechtsgebied,” beval de bisschop den speerknechten. Hun aanvoerder haalde de schouders op:
„Edele Ansfried, wij volgen onzen last, het kost ons anders zelf onze huid. Doe uw beklag bij Rolfr Jarl!” Voort dreven zij het grauwtje, krijschend gilde en schold Walgers vrouw....
De bisschop reed zwijgend verder. Hij ging over een grond, hem onvervreemdbaar in leen gegeven. Het welzijn der bewoners hing van hem af, het was hem toevertrouwd en wat vermocht hij tegen de onbeschaamdheid van het ruw geweld, dat gezag verachtte, het recht hoonde?
De middagzon wierp haar gouden glorie over het veld. De beek kabbelde rustig verder. Hoog bloeiden de bloemen op aan den groenen oeverkant. Rust en liefelijken vrede ademde de aarde, overal waar de menschen niet kwamen met hun jammer en tweedracht.
Een vrouw richtte zich op tusschen het lisch, een ellendig, erbarmelijk wezen, met een schootsvel en sandalen van boombast, nauwelijks voldoende gekleed met een hemd en rok van grof hennipgaren. Met haar doffen blik zocht zij den bisschop, eenige eendeneieren hield zij in de magere hand.
„Die breng ik aan Lisa, zij heeft mij van haar boonen gegeven en jonkvrouw Swanwitha ligt ziek in haar hut, zoo bleek als een geest. — Geen wonder: haar eigen grootvader, die helhond, heeft haar uit zijn huis gejaagd.”
Zoo snel hij kon ging de bisschop naar oude Lisa’s vervallen hut. Hij zag het bleeke hoofdje rustend op den vloer tegen een kussen van boomschors en dorre bladeren. Ingezonken waren de oogen. Tooverspreuken prevelend wreef Lisa met de palm harer hand Swanwitha de gekneusde leden.
„Is het geen gruwel, heer bisschop?
Op den drempel van den Ravenhorst lag zij als een bloedend lam. O, ’k wou, dat ik hem zelf daar zoo zag liggen, dien duivel”....
„Stil, Lisa! Gij moet uw vijand vergeven, zeventig maal zeven maal, de Heer wil het!”
„Dat kan ik later in den hemel misschien doen, maar hier niet.”
„Gij zult den hemel niet binnengaan, als ge het hier niet leert.”
Zij zweeg en boog zich over Swanwitha.
De flauwe ademhaling werd een weinig dieper. Geduldig wachtte ook de bisschop. Eindelijk sloeg de half bewustelooze de oogen op, die hun glans hadden verloren, evenals haar gelaat zijn blos. Vol nameloozen angst, iederen polsslag trillend van vrees, hief zij het hoofd op. Haar gloeiende vingers grepen de hand van bisschop Ansfried:
„O, help mij! Breng mij ver weg van hier, ver weg! Ik wil nooit meer naar huis, nóóit meer!”....
Onder snikken en tranen vertelde zij alles, om toen, met dubbelen nadruk te herhalen: „Nooit meer!”
Hij had haar zwijgend aangehoord en nu, terwijl haar oogen vol angst, smeekend de zijne zochten, kwam weer die zonderlinge ontroering over hem: geleken twee sterren, twee witte leliën zoo op elkander als dit kind op zijn verloren dochter? En weer dacht hij aan al het leed, dat Rolfr over zijn leven had gebracht.
„Hoe heette uw moeder, mijn kind?” vroeg hij plotseling, zonder eenigen overgang.
„Gisela.” Verwonderd klonk het. Swanwitha had een ander antwoord verwacht op haar droeve klacht, maar het hart van den bisschop hield bijna op te kloppen.
„Zij was gehuwd met den eenigen zoon van.... van”....
Zij knikte. „Ja, en nu heeft hij mij geslagen, zooals vroeger haar. O, toen zij leefde was alles anders. Een boek van den goeden Herder had zij ook. Grootmoeder wou het mij afnemen, maar ik”....
„Waar is het nu?”
Vol belangstelling werd het gevraagd.
Toch verwierp de bisschop als een hersenschim — wat hij hoopte. Zijn kind de vrouw van Rolfr Jarl’s zoon.... Te ongerijmd was die gedachte. Hij hoorde Swanwitha vervolgen:
„Het boek is th — daar waar ik niet meer heen wil.”
Zij richtte zich op. Een flauw rood kleurde haar wangen. Het was of haar kracht keerde met haar vast besluit. En dringender klonk haar zachte stem:
„O, neem mij mee! Verberg mij! Ik kán niet meer naar h — daarheen!”
O, hoe gaarne, hoe gaarne had hij haar beschermd voor de gansche wereld, tegen de ruwheid van dien enkele! Met zijn leven had hij haar geluk willen koopen. Maar beslist klonk zijn stem:
„Neen, mijn kind, dat kan niet!”
Zij liet het hoofdje hangen en barstte uit in tranen, die gloeiden op zijn hart.
„O, waarom niet, waarom niet! ’t Is daar zoo vreeselijk!”
„Omdat Rolfr Jarl uw grootvader is en uw ouders u toevertrouwden aan hem. Volgens de wet en van rechtswege is hij uw voogd en momboir. Alleen als gij andere verwanten bezat u even na bestaande”....
Weer trilde zijn stem en weer zweeg hij; neen, het was onmogelijk. Had hij niet overal gevraagd en gezocht, na het groote onheil zijns levens?....
De zoon van Rolfr was toen zelfs niet gezien in het land en verscheidene jaren daarna nog niet. Hij mocht dit kind niet afbrengen van haar plicht, hoe ook zijn hart hem drong haar te helpen.
„Als het leven u zwaar valt, waarom zoekt gij dan geen steun bij hem, wien gij u hebt toevertrouwd voor het leven?”
Toen zocht zij tevergeefs naar woorden, vele oogenblikken. Eindelijk klonk het nauw verstaanbaar:
„Dat is het ergste! Ik wil zijn vrouw niet worden en ik moet!”
Opnieuw verstikten tranen haar stem. Maar de bisschop legde de hand op haar schouder met ernstig gebaar.
„Als gij hem niet liefhebt, dan moogt gij zijn vrouw niet worden, nooit, wie het u ook gebiedt, wat zich tegen u kant. Gij mòogt niet. Het is doodzonde. Wie om hoogheid en eer bij de menschen, om goud of goed, door dwang of bevel zich laat verbinden voor het leven, zonder diep te dragen in het hart de liefde, „die alles gelooft, hoopt en verdraagt,” de liefde „die nooit wordt verbitterd en nooit zich zelve zoekt,” — die is een zelfmoordenaar gelijk. Want hij doodt zijn eigen eer met alles wat hoog en edel, en voor de eeuwigheid is geschapen in zijn hart.
Swanwitha, gij moet openlijk spreken en zonder vrees met hem, die u als bruidegom werd opgedrongen, met hen, die u dwongen tot die verloving. Het is uw hoogste plicht. Ik zal met u naar Rolfr Jarl gaan en trachten”....
„Haar nog verder van den rechten weg te brengen. Naar buiten, zeg ik u!”
Een scherpe vrouwenstem sprak het woord, een harde hand schudde Swanwitha bij den schouder.
„Grootmoeder!”
Welk een wanhoop lag in dat eene woord! Streng zag vrouw Sigrid haar aan:
„In het kot van een oude tooverkol vind ik je dus, in gezelschap van een christenpriester, eervergeten wezen! Er uit, zeg ik je, weg! En wat jou betreft” dit tot de bevende Lisa — „je zult gauw genoeg gerookt worden uit je hol en — heksen moeten branden, ha, ha!”
Zij dreef Swanwitha naar buiten, zij versperde den bisschop den uitgang. Hij trad haar in den weg, hoog, bevelend.
„Vrouw, zie toe wat gij doet! Gij brengt het oordeel over u zelve!”
Een uitdagende blik trof hem, zij hief haar hand op tot een slag. Lisa kroop naderbij op de knieën.
„Vrouw Sigrid, o, vrouw Si”....
De slag trof haar, het oude, stramme lichaam kromp ineen. Swanwitha schreide.
„Vrouw Sigrid, ik daag u voor mijn gericht. Gij kent de straf door wet en recht voor ieder bepaald, die een vrijgeborene tuchtigt.”
„Ik lach om uw wetten en rechten; bij mij geldt alleen het recht van den sterkste. Wat laat gij u in met de zaken van mijn kleindochter? Zij is niet meerderjarig, ik heb hier te bevelen, niet gij.”
„Gij zult zien, wat ik vermag. Ik zal niet rusten....”
Zij liet hem niet uitspreken, met een zwaai had zij Swanwitha voor zich op het paard geworpen. Nu reed zij met haar weg, zoo snel de ongelijke weg het toeliet.
Machteloos moest de bisschop het aanzien. Zijn hart bloedde. Een flauw kreunen klonk in zijn nabijheid. De slag, die oude Lisa had getroffen, was aangekomen.
Toen zag hij den plicht, die het dichtste bij was. Hij richtte haar op:
„Lisa, ga naar den Hohorst, eer de speerruiters komen. Ge hebt de bedreiging gehoord. Ge zult het daar beter hebben dan hier en ik zal je beschermen.”
Zij kuste zijn hand, een traan rolde over haar gebruinde wang. Sinds vele jaren had niemand zich om haar bekommerd of naar haar omgezien, bij verdriet en rouw. Beschermd, zij.... Een weldadig gevoel sloop haar in leed verstijfd hart binnen.
Trutha en Yglo vluchtten door het woud. De dienstmannen van den Ravenhorst zochten hen. Zij droegen den leeren kap over een ijzeren kruis gespannen en den ongelooiden kolder. Sommigen hielden hun ijfel vast en hadden gepunte en gevederde bouten aan den gordelriem — boogschutters alzoo. Anderen waren gewapend met kolf en speer, een drietal slingeraars met wollen kap en overkleed, voerd den stokslinger mee — het zou een felle jacht worden.
Yglo hield het meisje bij de hand; zoo snel zij konden, liepen zij voort, maar de meesten der jagers op dit menschelijk wild waren te paard, en de overigen drongen tusschen het struikgewas — de kans van ontkomen was gering. Toch troostte Yglo haar zoo goed mogelijk:
„Houd je maar goed, Trutha! ’t Wordt al gauw avond en dan zullen wij wel uit het bosch weten te raken. Wij moeten ons op den Hohorst maar niet ophouden; recht door naar Utrecht. „Stadrecht breekt landrecht,” zooals de jonkvrouw zei. Als de weg je maar niet te lang valt! Wij zijn geheel zonder teerkost.” Zij trachtte hem op haar beurt te bemoedigen.
„Daarvoor is geen zorg! Iedere reiziger mag immers visschen in het water langs zijn weg, als hij maar terstond zijn vangst braadt aan den oever. Drie rapen is ’t elk vergund in ’t voorbijgaan te roden van den akker, drie vruchten te plukken van elken dragendenboom.[15]Als wij de speerruiters slechts kunnen ontkomen!”
Als!.... Het geluid van snelle schreden kwam dichter bij; vloeken en verwenschingen klonken, wanneer een laag hangende tak een der vervolgers in het gelaat zwiepte. Tusschen het groene scherm der boomen glinsterden wapens....
„Zij komen! Zij zien ons! Gauw! Voort!”
Met haastige, ongelijke schreden trok Yglo zijn gezellin mee. Zijn voet bleef steken in den drassigen grond, aan een doornstruik haakte Trutha’s rok. Yglo liet zijn plompen, houten schoen in den steek, zij een breeden rand van haar kleedje.... Voort snelden zij, voort!....
Niet lang meer:
Na enkele minuten zagen zij, op nauwelijks een boogschot afstands, de speerknechten. Met gestrekte wapens trokken zij om de vluchtelingen een kring; opgewonden hitste een der voorsten met stem en gebaren een bulhond op hen aan:
„Daar, daar! Pak ze, Snel! Daar!” Huilend en blaffend sprong de hond voorwaarts, zijn scherpe tanden blikkerden. „Pak ze, Snel! Pak ze!”....
Radeloos zag Yglo om zich heen. Aan de eene zij waren de vervolgers, aan den anderen kant stuwde de stroom zijn breede golven door het verlaten landschap. Hij bedacht zich geen oogenblik. Met een ruk trok hij Trutha in zijn sterke armen. Met wilde sprongen bereikte hij den oeverkant. Vlak achter hem huilde de hond. Pijlen snorden van den boog boven zijn hoofd. Een sprong, een plons — hij lag in het water. Krampachtig hield hij Trutha vast met de eene hand, met de andere trachtte hij zwemmende den tegenovergestelden oever te bereiken.
„Pak ze, Snel! Hij wil overzwemmen! Pak ze!”
Jankend en keffend sprong de hond de vluchtelingen achterna. Weer snorde een pijl van den kruisboog. Trutha, half wezenloos van angst, slaakte een gil. Rood werden de zilveren golfjes, die zich om haar sloten als wilden zij haar met hun blanke kracht beschermen tegen het geweld der menschen.
„Vooruit! Snel, na! In het water!” schreeuwde een boogschutter aan den kant. Weer gonsde een pees van den boog. Yglo voelde een stekende pijn in zijn schouder, als verlamd viel de arm neer, die Trutha omknelde. Zij zonk in den stroom, de glanzende sluier van zilveren waterdruppels sloot zich boven haar. Zouden de wateralven haar dragen naar hun zuilenhal van doorzichtig kristal?
Die gedachte deed Yglo een zucht van verlichting slaken; geen menschelijk wezen kon haar dan meer bereiken of leed doen: de wateralven beschermden haar, voerden haar veilig.... Bloeiende struiken, lisch en rozelaren bogen ver over den oeverrand en vlochten hun taaie en doornige twijgen tot een ondoordringbaar net. Yglo had nog even tijd dit te zien, toen grepen ruwe vuisten hem bij de schouders, toen voelde hij den scherpen beet van een hond in zijn ongewonden arm.
„Trutha! Vaarwel!” In een snik klonk het. Een slag op zijn mond smoorde zijn stem. Aan land voelde hij zich gesleurd door vier gespierde vuisten.
„Laat het vrouwspersoon maar liggen! Zij behoort aan de wateralven. Zij zouden hun pijlen op ons afschieten, als wij haar meenamen. ’t Is genoeg, dat wij hem hebben!”
Het waren de laatste woorden, die Yglo verstond; als hij weer bij kwam zou hij met ketenen zijn gekluisterd aan den wand in den kerker van den Ravenhorst....
De golven schuimden over Trutha heen, zacht hieven zij haar roerlooze gestalte op en droegen haar verder in hun witte waterarmen tot zij tegen een met mos bedekten boomstam stieten, die aan de eene zijde den stroom stremde in zijn loop. De golfjes bekommerden zich niet om het beletsel, dat die boomstam gaf aan hun reis naar de zee; klaterend sprongen zij verder een man te gemoet, die de rivier oproeide in zijn plompe boot. Trutha bleef alleen achter, de avondhemel was met een smalle streep nog even zichtbaar boven haar hoofd. De rozelaar bewaakte haar met zijn groene doorntwijgen en het slanke lisch bloeide als een wacht van speren om haar heen. De azuren luchtstreep wierp zijn glans in de groene duisternis en de witte schuimdruppels geleken een snoer van parelen op een koningsmantel van blauw sameet.
[15]Noordewier: Ned. Rechtsoudh.
[15]Noordewier: Ned. Rechtsoudh.
Bisschop Ansfried was teruggekeerd van zijn dagelijkschen tocht. Het geheele verhaal van Rolfr Jarls strafoefeningen en bedreigingen was hem door het ontstelde landvolk meer dan eens gedaan. Allen die den Noorman vreesden, wellicht meer nog dan de macht die hij bezat, had de bisschop een schuilplaats aangeboden op den Hohorst. Gelast had hij hun vrienden en verwanten te zoeken, die nu voor hem vluchtten of den balk legden in de haag. Vol aandrang waren allen door hem vermaand om te blijven bij het geloof, waarin zij waren opgegroeid en, dat zij eens hadden beleden, zich niet uit vrees te laten meesleepen door voorstellingen van heidensche dwalingen.
De zon ging onder, het water vlamde op in purperschijn, alleen tusschen de dennenstammen glinsterde nog het scheidend licht als vloeibaar goud.
De bisschop maakte zijn laatste beschikkingen. Broeder Johannes was bij hem, de eerste, die hem bericht had gegeven van het tooneel bij den grafheuvel. Hij had dien nacht gebeden bij een stervende en werd zoo de onwillekeurige getuige van de komst der Druïde: ondanks het streng verbod had geen der wachten hem den weg versperd. Zoo had hij gestaan achter de haag van eikenhakhout en elzenstruiken, zoo had hij gezien en gehoord. Het zaad, door de bewoners van den Hohorst uitgestrooid met milde hand, was liefde geweest, het was ontloken in de harten. De doornen van machtsvertoon noch bevel konden het verstikken: geen der wachters had hem gegrepen of teruggewezen.
„Broeder Johannes, zorg dat de pakpaarden beladen worden en de muildieren gezadeld. Zoodra jonker Unruoch terugkeert, vertrekken wij, onder bedekking zijner ruiters, allen naar Utrecht. Melden zich nog landbewoners aan, die vluchten voor Rolfr van den Ravenhorst, neem ze op in den trein. ’t Is hier niet veilig meer.”
„Uw Hoogeerwaarde weet dus stellig, dat de Denen”....
Broeder Johannes bleef steken; een rilling liep door zijn tengere leden; doodsangst sprak uit ieder gebaar.
„Helaas, ja! Gisteren zond de kustwachter van Witlam mij een bode. Negentig zeilen waren door hem geteld, maar tegenwind had de vloot het ankeren of het land in te zeilen belet tot nu toe. Tot nu toè. Wie weet hoe het thans reeds is. Het zal een zware strijd worden. En nog is bijna geen enkele sterkte, die ik liet bouwen om de grenzen te verdedigen van het bisdom, gereed, slecht bemand zijn zij alle. Indien de landzaten slechts kodde en dorschvlegel grijpen, zoodra de nood daar is, maar Rolfr Jarl verlamt hun kracht.
Moge de onze echter door het gevaar worden verdubbeld. Voor geloof en geboorteland hoop ik te waken, als droeg ik nog pantser en zwaard. Houd ook gij u kloek en manhaftig, broeder. En als gij geen kracht in u voelt een speer te grijpen, doe dan uw plicht bij de gewonden en stervenden, ook dan wanneer de gevallenen Denen zijn.”
„Bij de Denen! Die duivels, die man, vrouw, noch kind ontzien?”
„Wilt gij een christen heeten en door geen daden toonen, dat gij het zijt?
Zelfverloochening en barmhartige liefde tot vijanden eischt de Heer.”
„En wie beslist hoe spoedig wij allen staan voor Zijn aangezicht! St. Jan is nabij!”
Broeder Johannes verborg het bleek gelaat in de magere handen, zijn tanden klapperden op elkaar:
„Heer, heer, gij wilt niet, dat wij er over spreken of er geloof aan slaan, maar ieder zegt het, iedereen, de geheele wereld, heer! Gij herinnert u toch ook de beide broeders uit Parijs, die te Utrecht in ons klooster kwamen, nog geen maand geleden? Zij keerden terug van een pelgrimstocht naar het graf van den apostel Petrus te Rome, zij verhaalden hoe ieder in Frankrijk en Italië geloofde, dat het einde van alle dingen aanstaande is. Alle bedrijven en zaken staan daar stil, alle schenkingen aan de kerk beginnen met: Appropinquante mundi termine.
Schrik en rouw vervullen ieder gemoed en de godsvrucht neemt toe met de vrees.”
„Is dàt godsvrucht ontweld uit reine bron, broeder Johannes? De liefde sluit de vrees buiten.”
Broeder Johannes zweeg enkele oogenblikken, toen klonk het opnieuw gedempt:
„Ach, heer bisschop, wij zijn allen zondige menschen, tastend en dwalend zoo lang wij leven. Maar is het duizendjarig rijk niet weldra ten einde, en staat er niet uitdrukkelijk in de Openbaring:
„En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de Satanas uit zijne gevangenis ontbonden worden”....
„En zijn bij God niet duizend jaren als éen dag, en éen dag als duizend jaren? Waant gij, dat de Eeuwige rekent met aardsche tijden en uren? Jezus zeide: Die dag en die ure kent niemand, en zich grondend op Zijn woord heeft geen der kerkvaders het ooit gewaagd den dag te bepalen van het jongste gericht. Wat God verborgen houdt in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid, mogen menschen daarvan den sluier trachten op te lichten?”
„Gewis niet, maar het geloof aan den aanstaanden ondergang bestaat nu eenmaal bij klein en groot, bij vorsten en dienstmannen, bij vrijen en hoorigen. In de kerken te Parijs wordt openlijk gepredikt, dat de wereldbrand aanstaande is, dat eerst de Antichrist zal verschijnen en, dat daarna het oordeel komt. „Als Maria boodschap en Goede Vrijdag op een dag samentreffen, is het einde daar!”...
Gij kent toch ook die voorspelling heer bisschop, gij toch ook! En is die dit jaar niet in vervulling gekomen?
O, er is geen hoop meer, geen hoop, geen enkele lichtsprank in den nacht!”
Met een gevoel van innig medelijden zag de bisschop neer op den jongen man, wien folterende angst klamme druppels op het gelaat deed parelen. Hij wist, dat duizenden en tienduizenden dachten, geloofden als hij, dat vijanden zich verzoenden en koningen zich verootmoedigden... Ried broeder Johannes zijn gedachten toen hij voortging:
„Koning Robert van Frankrijk is door paus Gregorius, nu juist twee jaar geleden, in den ban gedaan, omdat hij zich niet wilde laten scheiden van zijn vrouw, koningin Bertha, die hem te na in den bloede bestaat. En thans is de koning tot die scheiding besloten, „omdat nu toch de wereld zal vergaan, nù!”
„Maar paus Gregorius heeft den koning in 998 — wegens zijn weigering — veroordeeld tot eenzevenjarige boetedoening. Wijst dit op den ondergang der wereld in dit jaar?”
„Ik weet het niet, ik kàn niet meer! Mijn hoofd, mijn hoofd!”...
Meewarig schudde de bisschop het hoofd. Van hoeveel zielsangst, nachtwaken en vasten verhaalde dat ontvleesde gelaat!
„Broeder Johannes, gij zoekt het op een verkeerden weg. Dien uw God door liefde tot uw naasten, door te vertrouwen op Hem en op de reddende genade van den Zaligmaker, Die ook voor u heeft geleden en is gestorven.”
Hij nam een klein, in francyn gebonden boekdeeltje van het rek aan den wand.
„Lees opmerkzaam, zoodra wij te Utrecht zijn aangekomen, dezen „Libellus de Antichristo.” Het is reeds bijna een halve eeuw oud en geschreven door Adson, den geleerden abt van Mons-Dervense, in Champagne.”
Begeerig strekte broeder Johannes de hand uit.
De bisschop hernam: „Koningin Gerberga was destijds even bekommerd als gij nu. Op haar verzoek — zij wenschte zoo vurig te weten wat de Bijbel zegt omtrent den Antichrist en zijn gevreesde macht — werd het boekje geschreven. De laatste regels luiden: „Ik geloof, dat niemand weet, hoeveel tijd er zal voorbijgaan tusschen de komst van den Antichrist en het Laatste Oordeel, maar dit blijft ter beschikking Gods, Die de menschheid zal oordeelen in het uur, dat Hij daartoe voor eeuwen heeft bepaald.” —
„Moge de lezing ook u tot kalmte brengen, broeder, gelijk zij dit eens koningin Gerberga deed en dit geschrift u tevens leeren berusten in Gods wil door te gelooven in Zijn heilig woord. Ga echter nu de plichten volbrengen, die thans op u wachten. Ook het aardsche leven stelt den mensch zijn eischen.”
Zegenend legde de bisschop hem de hand op het hoofd; een groot gevoel van rust kwam in het gefolterde hart van den jongen broeder, toen hij in het opgeheven gelaat zag voor hem, door leed veredeld, door geloof gewijd, rust bezittend en rust gevend.
„Ach, dat allen waren als hij! De wereld zou anders zijn, beter!” fluisterde het in zijn hart, toen hij heenging om een der kleine plichten te volbrengen van het leven, allen schakels van een groot geheel. En hij dacht nogmaals, hoe verklaarbaar het was, dat door zijn volgelingen de grijze kerkvorst zoo hoog werd vereerd. Zijn christendom bestond niet alleen uit bidden, zijn daden toonden zijn geloof.
Bisschop Ansfried zag den jongen broeder zich naar het boothuis begeven langs de kerk.
Onwillekeurig ontsnapte ook hem een zucht. De muren van tufsteen van het kleine kerkgebouw waren nauwelijks opgetrokken. In den eenvoudigen vierkanten toren met een spits tusschen twee brandgevels, hing nog geen maand de klok, die met zilveren klank de omwonenden riep tot het gebed. Hoe had hij gehoopt hier dikwerf eenige dagen van verademende rust te vinden, wanneer de zorgen voor zijn uitgestrekt Bisdom geheel zijn kracht hadden gevraagd en overspannen. Hoe had hij gewenscht zijn verder leven te wijden aan den dienst van God en de uitbreiding van Zijn rijk. En thans — de klanken der aarde stegen tot hem op met stemmen van bloed en haat.
De Denen aan de kust! Rolfr Jarl hun bondgenoot, het volk opwekkend tot afval van zijn geloof....
Ook hij wist hoe diep de overleveringen van het heidendom nog, vaak onbewust, leefden in menig eenvoudig hart. Want een algemeen verbreid geloof was het onder het volk, toen dit het Christendom aannam, gedwongen meestal, dat de goden waren gevlucht voor den God der christenen, doch dat zij daarom niet waren gestorven: Zij hielden zich slechts schuil in eenzame wouden of in woeste landstreken, om terug te keeren als de nood op het hoogst was geklommen voor het volk, welks voorgeslacht hen had vereerd. Wodan wachtte met zijn Einheriar den laatsten strijd af, diep verborgen in een berg der Duitsche gouwen. Maar als die strijd ontbrandde, zou hij te voorschijn treden, zijn godenmantel van schitterend blauw om de trotsche schouders. Slingeren zou hij zijn geduchte speer naar de afvalligen, maar zijn getrouwen zou hij, de „zegenschenker”, veilig voeren in zijn vernieuwd rijk, dat was verrezen uit den wereldbrand, bloeiend, wonderschoon.
Eens — hoe goed herinnerde de bisschop het zich! — had hij op een reis door Duitschland zijn gids gevraagd, op een bergtop wijzend, die statig oprees boven het omliggende land:
„Dat is de Kyffhäuser, nietwaar?”
Maar tersluiks had de gids op zijn voorhoofd een teeken gevormd, dat geen kruis was, terwijl hij schuw mompelde, met een zijblik op het berggevaarte, waarboven de grijze wolken laag dreven en de raven geheimvol krasten:
„Het is de Wodansberg, heer. Zie, zijn raven vliegen om den top, gehoorzaam lettend op zijn bevelen en de wolken wachten of hij, door hen omsluierd ongezien wil rijden over de aarde.
Hij slaapt nu in den berg met zijn getrouwen, heer! In den marmeren disch voor hem groeit zijn baard, maar als de nood dreigt en het einde komt, zal hij ontwaken en dan, en dan”....
Met verbazing zag de spreker zich het zwijgen opgelegd door den onbekende. Waarom? Ieder wist immers, dat het zoo was en eenmaal zoo zijn zou? Zijn grootvader had het hem verhaald, die had het van zijn voorganger gehoord en die....
Graaf Ansfried leerde dien dag opnieuw, hoe zwaar het valt, volksoverleveringen uit te roeien, die eenmaal wortelden in volksgeloof. Voorwaar, Rolfr Jarl had ditmaal geen zware taak! Hoe dikwijls was hij — gedurende de korte jaren zijner kerkelijke waardigheid — niet genoodzaakt geweest krachtig op te treden tegen heidensche gebruiken, ingeslopen in den christelijken eeredienst, of gehandhaafd ondanks verbod en bevel. Het land was gekerstend sinds meer dan twee eeuwen, maar velen zijner bewoners waren daarom nog geen christenen.
Gespannen zag de bisschop naar den landweg. Het was hoog tijd om te vertrekken. Er zou te Utrecht veel te doen zijn. De stad moest versterkt en in staat van tegenweer worden gebracht, de heirban worden opgeroepen, boden gezonden door het land om het volk aan te manen zich te wapenen. Scherp wacht moest worden gehouden op den toren van ieder landkasteel, zoowel als op de heidehoogten, terwijl op de duinen roodgloeiende wachtvuren hoog opvlammend, elkander het teeken moesten geven van de landing der gevreesde vijanden.
Of de gravin-weduwe van Kennemerland reeds was gewaarschuwd of op haar hoede? De graven van die landstreek waren door den keizer belast met de kustwacht en de kustverdediging tegen de invallen der Noormannen. Maar de krachtige graaf Aernout was enkele jaren geleden gesneuveld op de made van Winckel in een zijner veelvuldige veeten met de woeste West-Friezen; zijn zoon Dirc nog een kind. En het berokkende zijner weduwe, de schoone Luitgarde, reeds zooveel zorgen, om het van alle zijden aangevochten erfdeel van haar zoon te beschermen, dat reeds nu diepe lijnen zich hadden gegroefd in haar blank voorhoofd, dat zich welfde onder den sluierkroon en den weelderigen diadeem harer golvende haren.
Neen, van die zijde was niet op hulp te rekenen. Had de bedrukte regentes nog niet kort geleden de tusschenkomst verzocht zijner gewapenden om het burggraafschap van Gent terug te verwerven, dat voor goed verloren dreigde te gaan van haar zoon, evenals dit reeds zijn vader was ontroofd?
Bisschop Ansfried wist zich aangewezen op eigen krachtsontwikkeling. Hij moest handelen, terstond naar Utrecht vertrekken en — nog kwam Unruoch niet.
De avond viel snel en bij dit schemerlicht volbracht de bisschop zijn plicht van het oogenblik. Hij zocht eerst naar een kussen voor oude Lisa om haar den tocht wat gemakkelijker te maken in den zadel van een muildier op den weg vol kuilen en gaten en borg toen de kwartijnen, die de werken van Augustinus, de Topica van Aristoteles, de Aphorismen van Hippocrates en de godgeleerde beschouwingen van Athanasius bevatten in een leeren tasch.
Dichter werd de schemering, vale schaduwen wierpen de boomen, tot loodkleur verdofte het watervlak. Plotseling klonk het gedruisch van vele paardenhoeven door de suizende stilte. Zij kwamen! De bisschop greep zijn mantel. De eerste sterren glinsterden, avondrust was rondom. Nu kon de tocht aanvangen. Zij kwamen.... Maar, als overwinnaars niet.
Snel als de wind renden de bisschoppelijke ruiters over de bruine heide, Unruoch aan het hoofd, maar als een huilende Novemberstorm volgde hen Rolfr Jarl met zijn Denen. Pijlen snorden van den boog — met lossen teugel reden de Denen — wonden bijtende speren zochten hun wit. Reeds meer dan een angstig hinnikend paard zonder ruiter toonde, dat zij doel hadden getroffen. Nu bereikten de bisschoppelijke ruiters den waterkant. Slechts op een tiental schreden afstands waren de vervolgers. Hoog richtte Unruoch zich op in den zadel. Ver in ’t rond klonk zijn stem tot de ruiters:
„Redt u! Hier is het water ons behoud. Werpt u in den stroom, op den Hohorst zijt gij veilig!”
Ver in de meerderheid waren de Noorsche ruiters. Langer verzet was de dood. De mannen van St. Maarten begrepen het. Een sprong, een plons, de paarden voelden het water opspatten boven hun manen. Zwemmend poogden zij den tegenovergestelden oever te bereiken. Maar ondiep was de stroom. De modder van den bodem kleefde en trok omlaag. Het was een hachelijk oogenblik. Met stem en teugel vuurden de ruiters hun paarden aan. Vruchteloos arbeidden de vermoeide dieren, en de bende door Rolfr Jarl zelf aangevoerd, had hen bereikt. Thans trof iedere pijl zijn doel. Op den heuvel stonden de kloosterbroeders met den bisschop, hun eigen leven niet vreezend voor de snorrende pijlen, toch tot helpen machteloos.
Unruoch zag het. Hij stond nog alleen aan den oever, met zijn zwaard den overtocht der zijnen dekkend. De pijlen kletterden tegen zijn schild; als ijzeren veeren bleven zij er trillend in steken. Met smeekend gebaar wendde hij zich tot den bisschop:
„Blijf daar niet! Het bestaan van dit volk hangt af van uw leven. Met u staat en valt zijn vrijheid! De Denen!”.... Hij kon niet verder. Een pijl drong door de voegen van zijn helmkap. Bloed druppelde op zijn pantser. Het zwaard ontglipte zijn vuist.
„Grijpt hem! Grijpt hem levend!” dreunde de stem van Rolfr Jarl. „Dan”....
De belooning door hem toegezegd ging verloren in rumoer en geschreeuw, — het antwoord op zijn bevel. Als honden op een gewond hert wierpen zich de Denen op Unruoch. Zij trachtten hem van het paard te rukken, hij verweerde zich als een wanhopige, de heirbijl in de ongewonde hand. Maar zijn krachten begaven hem, hij voelde het. Nog éen oogenblik en zij zouden hem op den grond werpen, hem sleuren over heide en boomstronken naar hun heer, die hem ten tweeden male niet zou vrijgeven — door overmacht gedwongen. Krampachtig omknelden hem de gespierde armen in de harde lederen kolders, nog éen oogenblik.... Toen gaf hij zijn paard een slag met de heirbijl, die doordrong diep in de flank van het moedige dier. Een scherp, snijdend geluid, hoog steigerde het paard op zijn achterbeenen, in den wind fladderden de lange manen, met een ruk van getergde kracht, uit felle pijn ontstaan, wierp hij het verwarde menschelijke kluwen van zich, trappend, bijtend in schier razende woestheid. Toen nogmaals een sprong en neer ploften ruiter en ros in den stroom. Geen eigen gevaar meer achtend, waadden de enkele nog ongewond gebleven ruiters — het was hun eindelijk gelukt den wal te bereiken — terug. Na eenige oogenblikken zag Rolfr Jarl, met trekken donker van woede en drift zijn prooi ontsnapt. Tevergeefs dreigde hij met gebalde hand de ruiters; vruchteloos vergat hij den afstand, die hem van hen scheidde, door zijn teleurstelling te uiten in een woordenvloed, die hem tot gelijke stempelde zijner ruwste eigenhoorigen. Ten laatste zweeg hij met droge keel, naar adem snakkend. Met een ruk wendde hij zijn paard. Een pijl suisde hem voorbij, een tweede trof zijn hand, toen keerde hij zich opnieuw naar den Hohorst met een plotselingen inval:
„Des te beter! Ik rook den beer uit zijn hol!”
Norsch wendde hij zich tot zijn ruiters. Zij verwachtten zijn bevelen, sidderend, deemoedig. Hij wees naar de loodsen, den stal en het boothuis:
„Steekt die kotten in brand, maar bewaar de boot en houdt scherp wacht. Ieder die tracht over te steken zingt gij de lansenmis. Wij zullen ze uithongeren of van de aardsche jammeren verlossen, die verheven christenen! Vlammende pekkransen op het dak en geen teerkost binnenshuis! Past op, dat gij niemand doorlaat! Gij boet het met uw leven!”
Rolfr Jarl reed heen, de ruiters bleven. Van voldoening hamerde zijn hart met versnelden slag. Bisschop Ansfried zijn gevangene op den Hohorst en de Denen tot den inval gereed!
Oude Lisa strompelde dien avond door de velden. De sterren verlichtten haar pad, ook de ster met de gevreesde vurige roede. Zij klopte aan de huisdeuren — van binnen versperd door een balk als waren er vijanden in ’t gezicht; op een kier werden zij geopend om haar in te laten. En dan zag zij:
In het eene gezin alle huisgenooten knielen voor de alruinen.
„Boer, boer! sta op! De bisschop is gevangen als een muis in de val!” klonk haar bevende stem. En zij verstond het antwoord:
„Is dat mijn schuld? Hij heeft ons die willen afnemen” — met een gebaar naar de alruinen — „en gij weet, wie een alruin uit den grond trekt moetsterven.[16]Zij waren de machtigsten, lang voordat keizer Karel leefde of nu de bisschop. Had hij de alruinen maar met rust gelaten, maar hij ging rond door het land om alle overblijfselen uit te roeien van het heidendom. Nu hebben zij hun wraak!”
De deur sloeg toe, de wachthond blafte, oude Lisa stond weer alleen buiten, onder den sterrenhemel. Zij ging met moeite het erf af, het vonder over, als een groet uit het Paradijs drong de lindengeur tot haar door. Doch geen paradijsvrede heerschte in de volgende woning waar zij aanklopte. Geknield lagen ook hier allen, maar doodsangst sprak uit den starren blik der oogen, radelooze wanhoop uit de saamgewrongen, omhoog geheven handen:
„Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons! Het is aanstaande, het oordeel komt! Heer, erbarm u onzer!”
„Menschen, komt tot je zelven! Let op het heden: onze bisschop!”....
„Vrouw, wat hebben wij met je noodig? Houd ons niet op: Het einde is nabij. Op Midzomer — ik meen met St.-Jan is de groote, geweldige dag daar. En wij verbranden mee! Heer, erbarm u! Erbarm u!”....
Zwijgend ging Lisa. Allen dachten alleen aan eigen behoud, niemand scheen zich meer te herinneren, wat de grijze kerkvorst was geweest voor hen; hij, die zoo hoog in aanzien en macht, hier rondging als de minste der broeders om te raden, te helpen, te redden bij iederen nood. Wie zijn leven zal willen behouden zal het verliezen....
Lisa’s voetstappen stierven weg.
Henno kruiste haar pad. Hij zag haar niet voor zij hem staande hield. Toen trof haar een blik vol doodsangst uit oogen, door droefheid verduisterd:
„Weet ge ’t al, Lisa? Mijn Yglo ligt in den slangenkelder van den Ravenhorst en verdronken is Trutha! Mijn vrouw dood, gevangen om te sterven mijn zoon! O, dat het einde ook voor mij kwam! nu, nù! Ik ben weggegeeseld van den Ravenhorst. Hadden zij mij maar dood geslagen! Waarom duurt het nog zoo lang, dat de wereld vergaat! Zoolang!”
Het was of de gebogen gestalte voor hem, rees. Beschikte inderdaad die oude, doffe stem over zooveel kracht?
„Omdat er nog veel te doen is in die wereld, ook voor jou visscher, ook voor jou!”
„Wat meen je, moeder Lisa? Wat meen je?” Zij verhaalde hem wat er op den Hohorst was gebeurd:
„Ik stond en zag het uit de verte. Een onderkomen was mij daar beloofd door onzen bisschop. Nu moet ik zwerven door ’t land, naar mijn hutje durf ik niet meer. Henno, hij was goed voor ieder van ons; niemand, die hulp behoefde, werd ooit door hem afgewezen en nu laten allen hem alleen. Allen, Henno!” De visscher verborg het hoofd in de handen.
„Ik deed het ook. God vergeve mij en rekene het mij niet toe! Ook ik vergat hem en nu is de straf gekomen! Ik was bij het offervuur, in vlammen ging mijn hoeve op. Den bisschop werd door Rolfr Jarl de dood gezworen en nu.... mijn vrouw, mijn kind!”....
„Maak het goed, Henno, maak het goed!”
„Hoe zou ik, arme man, dat kunnen?”
Toen ontwikkelde Lisa haar plan. Wat maakte die oude, onwetende vrouw zoo vindingrijk?
Een blik in het verleden:
Door de velden rende Rolfr Jarl met zijn stoet. De middagzon brandde; naar verademing hijgde geheel de natuur. Onvoordeelig was de jacht geweest; een zijner beste brakken had een jachtspriet in ’t lijf gekregen door de schuld van een drijver — hij was op last van zijn heer dadelijk opgehangen. Nu reed Rolfr huiswaarts; wie de uitdrukking van zijn gezicht zag, sidderde.
Dietmer, den koeherder, zag hij van verre. Het vel eener koe met kop en horens er nog aan, slingerde hem over den rug. Rolfr spande den boog, terwijl de herder naderkwam. Grauwend klonk het:
„Wat waag je nu weer, aartsdief! Een van mijn koeien heb je dood gestoken om”....
Drift belette hem verder te spreken. Het gaf Dietmer gelegenheid smeekend uit te roepen:
„Heer, spaar mij! Het dier is zijn natuurlijken dood gestorven! Huid en kop lever ik u immers onbeschadigd, dan is de herder vrij vanschuld.[17]Met zijn boog sloeg Rolfr den herder in het gezicht. Dat was zijn antwoord. Toen wees hij de Denen van zijn gevolg op een groepje hoorigen, dat het noenmaal verorberde: boonen, een stuk grof, zwart brood, na de zware morgentaak.
„Wij hebben heden een slechte jacht gehad. Jaagt op dat vee! Ik zal ze leeren, te luieren en te stelen!”
Met wilde bijvalskreten volgden de woeste Denen het bevel. Jacht werd gemaakt op de hoorigen als op de hazen en konijnen der heide. Gewond lagen zij weldra. De herder stierf door een boogschot van den Jarl. Lisa kwam van den molen. Ook haar trof een pijl in den arm.
„En ik ben vrijgeboren! Niet mijns heeren eigendom, met lijf en huid, als de hoorigen!”
Als de stervenskreet van het gehoonde recht klonk haar uitroep den geestelijke in de ooren, die de ongelukkigen vond in het veld, gekwetsten en dooden, nadat de jachtstoet onder hoorngeschal en lustig hondgebas verder was gerend.
Zij kenden hem geen van allen, dien man met het ernstig, denkend gelaat en het zilveren haar, de arme hoorigen. Hij droeg het eenvoudige, zwarte kleed der Benedictijner kloosterbroeders. Maar hij had de dooden begraven en gebeden bij hun lijk. Hij had de gewonden verpleegd met eigen hand, ze gebracht naar den Hohorst en gelijk eerst voor de dooden bad hij nu met de levenden. En terwijl hij hen tot lijdzaamheid aanspoorde in hun lot en hen wees op den Gekruisigden Heer, Wiens last den hunnen had overtroffen tien- en honderdvoud, daalde berusting in menig tot weerwraak getergde borst en werden klachten en verwenschingen omgeschapen in gebeden tot God, Die eenmaal alle tranen zou afwisschen van de vermoeide oogen.
„Niet Hooge Horst, Heilige berg, moest deze plek heeten!”....
Het was het laatste woord van een stervende, die het eeuwige leven had gevonden op de plaats waar hij het aardsche liet, maar het ging van mond tot mond en het werd nooit meer vergeten in geheel den omtrek — nimmermeer. Ook door oude Lisa niet. En daarom wist zij heden een uitweg, nu allen versaagden....
Mistroostig zaten Walger en zijn vrouw op den grond voor hun half verwoeste woning. Nu was er vuur noch visch, gejoel noch bruin bier. In wanhoop had hij eindelijk zich zelven verlost uit den schandkorf, met het touw door te snijden. Met veel moeite, doornat aan wal gekropen, na zijn plons in het water, was hij terstond gegrepen en op den „blauwen steen” voor het gehate heerenhuis te pronk gesteld, tot de avond viel. Toen werd hij den Ravenhorst afgejaagd en thuiskomend had hij zijn vrouw gevonden als een waanzinnige gillend in zijn bijna geheel omgetrokken woning. De kinderen waren weggeloopen, waarheen wist niemand. Nu zaten zij en staarden in den nacht.