„Te Deum laudamus: te Dominum confitemurTe aeternum Patrem omnis terra veneratur.Tibi omnes Angeli, tibi coeli et universae potestates:Tibi Cherubim et Seraphim incessabili voce proclamant:Sanctus, Sanctus,Sanctus!”....[25]
„Te Deum laudamus: te Dominum confitemurTe aeternum Patrem omnis terra veneratur.Tibi omnes Angeli, tibi coeli et universae potestates:Tibi Cherubim et Seraphim incessabili voce proclamant:Sanctus, Sanctus,Sanctus!”....[25]
[25]Gezang 3 vers 1.
[25]Gezang 3 vers 1.
Het was de avond van dienzelfden dag. Het volk verspreidde zich, de koortsachtige opgewondenheid week met de geweldige spanning, maar nog lang zou blijven nagloeien in de harten het gevoel van redding en overstelpend geluk, waarvoor ieders mond vruchteloos woorden zocht.
Stilte daalde over de velden. Van de linde, die haar zoeten bloesemgeur zond in bisschop Ansfrieds vertrek, ritselde geen blad, geen vogel zong in de twijgen. Het was of geheel de schepping nog steeds zwijgend aanbad, bij het wonder dat zij aanschouwd had: het licht van den dageraad opgaande over de als herboren aarde....
Groote dankbaarheid, heilige vrede, heerschten in menig hart, beheerschte geheel dat van graaf Frethibold, wiens geluksgevoel thans zijn vroegere radeloosheid evenaarde, haar zelfs volkomen in de schaduw stelde.
Gerlach had gesproken, op ’s bisschops bevel. Hij wist nu, dat zijn zoon leefde, dien hij als dood had betreurd, den nooit vergeten oogopslag zijner vrouw vond hij thans terug bij zijn kind — bisschop Ansfrieds dappersten ridder — zijn redder uit doodsgevaar te midden van het wilde slaggedruisch....
„Frethibold, heeft God het nu wèlgemaakt, ook met u?”
De stem van den bisschop was zacht en vriendelijk als die van een vader, wanneer hij een dwaasheid vergeeft aan zijn kind.
De krachtige man drukte de handen voor de oogen, zij waren vochtig van ongeschreide tranen, tranen van geluk.
„O, heer, heer! Nimmer zal ik meer klagen, nooit meer! God vergeve mijn morren en wanhoop; ik heb Hem verlaten en Hij heeft mij gezocht en overstelpt met Zijn grootste zegening. Wat zal ik Hem ooit kunnen vergelden voor zulk een weldaad! God is goed, Hem looft mijn ziel!”....
„God is altijd dezelfde, Frethibold, in vreugde en in rouw, bij dag en bij nacht, in voorspoed en leed. Alleen de menschen vergeten Hem vaak te midden van hun geluk, dan trekt Hij hen tot zich met liefdekoorden gevlochten uit ramp en tegenspoed. Dàn klagen zij en Hij vergeeft en zegent.”
„Ja, zoo is het! Ach, had ik dit toch vroeger begrepen, vroeger. Hij geeft mij zooveel!”
Zijn blik zocht de vensternis aan de tegenovergestelde zijde van het vertrek, hij bleef rusten op twee jonge, bloeiende gestalten, die stonden hand in hand, alles om zich heen vergetend, alleen elkander ziende en hun geluk.
„Mijn, voor altijd mijn!” fluisterden Unruochs lippen.
Swanwitha, zijn jonge bruid nu, zag hem aan met een blik vol glans:
„Toen de duisternis mijn leven bedreigde, de ijzige koude van een bestaan zonder liefde, een verbintenis gesloten uit dwang, toen heb ik tot God gebeden en Hij heeft mij verhoord. Hij was het die Olaf zijn edelmoedige woorden op de lippen legde, die mij vrij maakten van mijn afgedwongen gelofte. Nu is uw God ook de mijne. ’t Is zoo heerlijk, alles is licht!”
Zij stond daar zoo kalm en vredig in haar wit kleed, met zulk een gelukkigen glimlach op het liefelijk gelaat, het avondrood tintte met zijn glorie haar lang golvend haar, ook in haar oogen welden groote tranen van onuitsprekelijk geluk.
Was het wonder, dat graaf Frethibold plotseling de armen uitbreidde met een teer:
„Mijn lieve dochter, door mijn zoon nu ook mijn kind!”....
„Neen, het uwe niet, niet het uwe!” Een stem snerpte het, schor van machtelooze woede, nog genietend tot het laatste oogenblik van haar macht om geluk te kunnen verkeeren in leed, vreugde in rouw.
Het was vrouw Sigrid, die alleen de laatste woorden had opgevangen, terwijl zij binnensnelde, op den voet gevolgd door haar beide wachters. Te vergeefs hadden zij beproefd haar in bedwang te houden en te doen blijven in het vertrek, haar aangewezen als voorloopige kerker. Zij had de deur weten open te rukken terwijl de bewaker haar het avondbrood bracht, toen was zij de wacht voorbijgestormd en nu stond zij hier. Een flauw gerucht was tot haar doorgedrongen, dat graaf Frethibold zijn kind had hervonden, wie dat was wist zij niet. Maar nu ving zij enkele zijner woorden op, zag zij hem Swanwitha liefkoozen.... Zij zou hem doen ontwaken uit zijn geluksdroom. Weer voelde zij haar macht, zij hield het heft in handen.... En dit gevoel dreef haar een geheim van de lippen, dat zij anders met zich zou hebben genomen in het graf.
„Uw dochter, zegt gij? Ha, ha! Waart gij dan gehuwd met Gisela van Teisterbant? Die was haar moeder, haar vader — mijn zoon.”
Een dubbele kreet weerklonk. Bisschop Ansfried drukte Swanwitha aan zijn hart, hij snikte als een kind:
„Heb ik het niet altijd geweten, altijd! Dochter mijner dochter, wees gezegend, wees tot zegen! Hoe zal ik den Heer loven Die mij u deed hervinden!”
Hij wendde zich tot vrouw Sigrid:
„Wèl mag ik hier de woorden herhalen eenmaal in Egypteland door Jozef gesproken tot zijn broeders:
„Gij hebt kwaad tegen mij gedacht doch God heeft dat ten goede gedacht!” Hij wees op Unruoch: „Daar staat de zoon van den gouwgraaf, de toekomstige graaf van Teisterbant en zijn bruid — het is mijn eigen kleindochter, mijn lieve Swanwitha!”
Zijn lippen liefkoosden den naam, zijn hand het gouden haar. Die gelukkige in elkaar als verzonken groep.... Het gezicht maakte vrouw Sigrid bijna razend. Met een verwensching trok zij haar langen, zwarten mantel om zich heen; als een visioen van den nacht, die rouw en jammer opriep, was zij verschenen, als een schaduw wilde zij verdwijnen uit het vertrek, uit de herinnering dezer menschen.
Maar de bisschop trad haar in den weg:
„Vrouw Sigrid, waarheen wilt gij? Gij zijt een gevangene, vergeet gij dat?”
Zij barstte uit in een tergenden lach:
„Gevangen, ik? Misschien zoolang ik dit zelf wil, maar ook geen oogenblik langer. Als ik het verkies verlaat ik uw kerker evenals ik het nu deed, dwars door de wachten heen.”
„Gij zult slechts weinig dagen een gevangene blijven, op deze wijze. In een stil, afgelegen vrouwenklooster zal u tijd worden gegeven tot boete en nadenken, die, God geve het, eenmaal ook bij u mogen worden gevolgd door bekeering en berouw.”
Weer die verachtelijke lach, die tartende blik:
„Berouw, ik? Ha, ha! Ik zie de tuchtroede reeds geheven boven mijn hoofd! Nu, deze handen zullen nog krachtig genoeg blijken om haar te breken.
Hoor, wat ik u zeg: Als gij mij opsluit, zal ik ontsnappen, als gij mij opnieuw weet te vinden weiger ik alle voedsel, dan sterf ik den hongerdood door uw toedoen, vrome bisschop, door ùw schuld! Voor mij bestaat er altijd een uitweg. Gezworen heb ik terug te keeren naar mijn Noorsch vaderland, en ik houd dien eed. Daar tusschen de zwijgende bosschen, in wier schors de eeuwen hun runen schreven, zal ik mijn leven voortsleepen in herinnering, die mij ten vloek zal zijn, door uw toedoen. Want de ongerepte sneeuw, die daar zwaar ligt en dicht, die de takken der dennen doet breken onder haar last, zal nooit in staat wezen den hellebrand te blusschen, die gloeit in mijn hart aan een verterend vuur gelijk, nu ik u heb zien zegevieren, terwijl mijn grootsche plannen faalden — alle!”
„Ongelukkige, misdadige vrouw, ik laat u niet gaan, nooit! Ook uw ziel is kostbaar in het oog van God, Die alleen haar kan redden van het eeuwige verderf.”
„Red u zelven van het verderf! Daar, dáár! Zie of gij er toe in staat zijt! Dáár!”
Als een furie gilde, krijschte zij. Zij hief den arm op. De manshooge luchter, die reeds was ontstoken in de nis voor het kleine huisaltaar, kantelde, viel om met een slag. Vuur vatten de drooge biezen op den vloer, weldra zou de vlam zich verspreiden....
„Redt! Helpt!” klonk het uit ieders mond.
„Onzalige vrouw! Gij, die steeds speelt met vuur, in vlammen zult gij eenmaal vergaan!”
Graaf Frethibolds stem klonk bitter van rechtmatigen toorn, een even bittere lach gaf hem het antwoord, daartusschen siste reeds het brandend stroo.
Terwijl allen zich beijverden om den brand te blusschen, sloeg de deur toe. Zij hoorden er den grendel voorschuiven aan de buitenzijde, zij moesten de vluchtende overlaten aan zich zelve om eigen leven, om het bedreigde kerkgebouw en het kleine gedeelte, dat nog over was van het zendingshuis te redden.
Toen die zware arbeid eindelijk was volbracht en door een toesnellenden speerknecht de deur ontgrendeld, lagen de vale schaduwen van den nacht over het land, waarin vrouw Sigrid nimmermeer zou worden gezien.
Over haar verder leven, over haar dood bleef de sluier rusten der vergetelheid.
Daar waren geen werken verricht door haar hand, die haar konden volgen. Zij behoorden tot den nacht en gingen onder in den nacht, beladen met smaad en verachting.
Of de trotsche vrouw nooit gevoelde, dat zij de straf harer schuld droeg in zich zelve? Haar verder leven zou zijn verlatenheid en wroeging. Verteerd door vruchtelooze wenschen naar voormalige macht, zou haar deel zijn de te late erkenning, dat ieder verantwoordelijk is voor eigen daden en, dat die daden hem het antwoord geven in de vergelding, welke zijn leven treft.
„Vaarwel, God zegene u! Schenk mij uw zegen, mijn vader! Vaarwel, vaarwel!”...
Olaf Erikson stond voor den bisschop — het was de laatste maal. Buiten, aan de overzij van het water, hinnikte zijn paard reeds ongeduldig de thuisreis tegen — het was voor de laatste maal.
Als geboeid hing zijn oog aan het gelaat van den grijsaard, dat zoo kalm en verheven neerzag op het woelen en drijven der menschen, dat zoo zacht en geduldig bleef bij smaad en hoon, waarvan de lippen een gebed fluisterden voor zijn vijanden — met woorden wellend uit het hart.
„Vaarwel!” stamelde Olaf nog eens, „vaarwel, voor altijd!”
Het scheen of hij geen ander woord wist te vinden.
Doch bisschop Ansfried had een beteren afscheidsgroet:
„Geen vaarwel voor altijd, Olaf! Dit leven is slechts kort van duur. Pelgrims zijn wij allen, op weg naar huis. Dáár, in het eeuwige land der onsterfelijkheid zullen eenmaal allen elkander hervinden, die God liefhadden, al werden zij hier beneden gescheiden door het aardsche leven en de wisselende lotgevallen der menschen.”
Het zachte suizen van den ochtendwind begeleidde zijn woorden, het klonk als een liefelijk gezang, dat aanzweefde uit de wijde verte.
„Hoe goed zal het daar de verlosten zijn, Olaf, in het heilige land van vrede en rust. Daar vloeien geen tranen meer, daar kent het hart, dat moedig volhardde in den levensstrijd, zijn goeden strijd streed ten einde toe, smart noch rouw. Olaf, is deze eindelooze vrede, dit geluk, dat ons wacht in het land onzer toekomst, niet waard, dat men er hier op aarde voor lijdt en draagt, dat men strijdt om in te gaan?
Laat het daarom niet langer uw wensch zijn het christendom te belijden, omdat gij het verhevene voelt van zijn leerstellingen, maar omdat het een godsdienst is, die de menschen edel maakt en rein en goed, omdat het de openbaring is van Gods Woord en wil, allen tot zaligheid gegeven.
Treur daarom niet langer zoo bang, zoo zwaar om wat het leven u ontneemt. Ik weet welke onvervulde wenschen gij hier achterlaat, ik weet, dat het hard is alleen door het leven te gaan, zonder liefde, zonder geluk. Maar draag het, moedig en sterk, omdat het God is, die ieder zijn kruis geeft. Voorwaar, het is geen lichte taak een christen te zijn. Het is een heldenleven, dat geduld eischt onder de zwaarste slagen, levensmoed bij het bitterste zieleleed, een onwrikbaar vertrouwen op de liefde en wijsheid van God, wanneer de zon van ons bestaan ondergaat in nacht. Wie een christen wil wezen, moet geheel zijn eigen ik loslaten, met al zijn wenschen, droomen en plannen voor dit leven. Hij moet alleen willen wat God wil en met Paulus getuigen: „Het leven is mij Christus, het sterven gewin.”
Want, wat hier ons kruis was, wordt dáár onze kroon. Omstraald door het licht der eeuwigheid zullen wij Gods wondere leidingen leeren begrijpen, die wij hier slechts aanschouwen in een duisteren spiegel. Hoop slechts, Olaf, geloof en vertrouw.”
Olaf sloot de oogen.
Het was bijna te schoon, te heerlijk om te kunnen gelooven, toch voelde hij de hoop van den christen en het geloof, „den vasten grond der dingen die men niet ziet,” rijzen in zijn hart en een groot vertrouwen nam bezit van hem geheel.
Mocht dan donker de zee zijn waarop zijn levensboot zou drijven in zwarten, sterrenloozen nacht, terwijl al de baren over hem heengingen en de wateren klotsten tegen de kiel, toch zou hij wankelen noch vertwijfelen. Want héél ver in het verschiet, aan het einde der reis lichtte het met blinkenden glans tegen de donkere wolken, dáár aan de grens der levenszee, waar het eeuwige land der toekomst den zwerver wachtte....
Helderder en schooner wordt het licht, het rijst, het verheft zich, neemt toe in kracht, het doet de donkere golven baden in gloed, en omstraald door die gouden glorie zweven lichtende gestalten nader, hun gelaat blinkt, hun serafwieken schitteren wonderschoon. Hun stemmen vereenen zich tot een koor met klanken, die niet meer behooren tot deze aarde, die zich aaneensnoeren tot een hemelschen zang. Welkom heeten zij de bevrijde ziel, die nadert om de palmen te ontvangen der overwinning, om hun gelukzaligheid te deelen, in eeuwig, onvergankelijk heil. De donkere zee — thans baadt zij in licht; de ontredderde kiel — hij rust in veilige haven.
Kon het vluchtige, aardsche leven, hoe vol moeiten en ontgoochelingen, ooit meer een beeld der verschrikking worden met zulk een toekomst in het verschiet?
Olaf hief de hand op als ten plechtigen eed:
„Gij hebt over mij gezegevierd geheel, over de laatste wenschen van mijn hart, die nog riepen om levensgeluk. Voortaan zal ik alleen vragen en zoeken naar een levensdoel. Dat God mij de kracht verleene het te vinden en te besteden tot Zijn eer, opdat wij eenmaal elkander mogen terugzien in het eeuwig licht.”
„Uw levensdoel behoeft gij niet te zoeken. Het werd u reeds geschonken, het ligt voor u bereid.”
Een verwonderde, vragende blik trof den spreker. Deze vervolgde:
„De toekomstige koning van uw groot en machtig vaderland is een kind, opgegroeid te midden van het heidendom, omringd van alle zijden door het geloof aan de woeste, geweldige goden van uw onverschrokken volk.
Hij draagt uw naam, ik weet, dat koning Harald u liefheeft, hem heeft genoemd naar u, wenscht, hoe hij eens u zal gelijken. Tracht daarom het hart van den jongen Olaf, den opperkoning van Upsala, te winnen voor het christendom, toon hem, dat de leer van den Christus machtiger is dan de ruwe kracht der heidensche goden, omdat zij haar oorsprong nam uit de eeuwige liefde.
Wijs hem op het wisselvallige van aardsche macht, op het vluchtige van het leven der menschen, dat wel mag worden vergeleken met de vallende bladeren in den herfst, als in de purperen en goudgele wouden de boomen onbeweeglijk staan en de bladeren neerdwarrelen in den stillen, grijzen najaarsmorgen. Zij worden niet meer gekend, als het gras vallen zij neer of verwelken gelijk de bloem op haar stengel. Dat is het einde. Alleen God blijft tot in eeuwigheid, wèl is het hem, die in dat geloof zijn rust vond: tot nieuw leven zal hij worden gewekt in Zijn eeuwig huis.
Dit, Olaf, is de levensles, die gij den jongen koning eenmaal zult leeren. Eenmaal, zeg ik, nu is de tijd nog niet daar. Gij zelf moet nog leeren in de school van het leven, in die van het christendom, eer gij anderen tot gids kunt zijn. Zelfs Paulus had een tijd van voorbereiding noodig, eer hij waardig werd gekeurd te gaan tot de heidenen.
Ook gij werdt wonderlijk getrokken, maar ook gij behoeft tijd en nadenken en véél gebed om te worden wat gij zijn moet, om de levenstaak te kunnen vervullen, die u wenkt.
Hier kunt gij niet blijven. Het volk weet wie gij waart, met welk doel gij in dit land zijt gekomen. Wantrouwen zou uw deel zijn van allen kant en wantrouwen doodt en verstikt wat goed en edel is in het menschelijk hart. Ga daarom, — waar ik de lessen leerde, waarvan mijn leven de vrucht werd — naar Keulen, naar de Schola Palatina, de groote leerschool bij uitnemendheid. Daar zult gij vrienden vinden in leermeesters en denkers, ik zal u aanbevelen en hoewel verwijderd van elkander, zullen wij niet gescheiden zijn. Weldra zult gij de letterteekens weten te ontcijferen, dan zullen onze brieven verhalen wat wij elkander niet kunnen zeggen. Leef en werk, heb vertrouwen in uw toekomst, dat is leven voor de toekomst.
En als gij u bereid voelt voor uw taak, ga dan tot den jongen koning. Erken hoe wonderlijk God u heeft geleid: Gij zijt hier gekomen om dit volk te verderven, gij wordt geroepen om, in hooger kracht, een ander te behouden.”
Een nieuwe glans lichtte in Olafs blik; om zijn mond speelde een glimlach, die de trek van berusting uitwischte, welke er nu sinds zoovele dagen zetelde, die verhaalde wat eens zegepraal wezen zou, als de goede strijd gestreden was en de loop voleindigd.
Bisschop Ansfried zag het, hij was voldaan. Zegenend legde hij Olaf de rechterhand op het hoofd, met de andere reikte hij hem een perkamentrol, beschreven met zijn eigen vast, duidelijk schrift. Het was het Evangelie van Johannes.
„Ziedaar Olaf, de beste gids, dien ik u geven kan voor het leven, nu gij, als mijn eerste zendeling, mijn zendingshuis verlaat. Neem het, lees dit boek zoodra gij het kunt en heb het lief, iederen dag meer en meer. Heilig zij u het rein en verheven woord, opgeteekend onder de ingeving van den Heiligen Geest door den Apostel dien Jezus liefhad.”
Hand in hand herhaalden beiden nog eenmaal hun afscheidsgroet — thans niet meer een „vaarwel!”....
Buiten straalde de aarde in den luister van zonlicht en zomerglans. Olaf wendde zijn paard. Een moeilijke leerschool wachtte hem, eer hij terug ging naar het land der trotsche bergen, wier duizelingwekkende rotstoppen, wier onbegaanbare sneeuwkloven zich omhullen met grijze wolken, met nevelen dicht en zwaar.
Vele jaren moesten verloopen in den vreemde eer hij weer zou keeren naar de schitterende koningshal, waar hij voorheen als bloedsbroeder en schildgenoot werd welkom geheeten, bij het plengen van den Bragibeker, bij zwaardslag en harpslag, waar hij dan als vijand zou worden gehouden, al de tegenkanting zou ondervinden, ingegeven door het wantrouwen en den haat tegen het christendom, die geheel zijn volk beheerschten.
Zijn volk, even krachtig, onoverwinnelijk en woest als de trotsche natuur van zijn land.
Zou hij slagen in zijn levenstaak?
———————————
De geschiedrollen, die de wereld richten, die blijven tot een onwrikbare getuigenis, zelfs als het erts vergruist en het hechtste arduin in puin valt, zouden het antwoord geven op die vraag.
Zij zouden eenmaal den jongen opperkoning van Upsala den naam schenken van „Olaf, de Heilige.”
Zij zouden vermelden, dat hij de eerste heerscher was van het ruwe Noorden, die koning van Zweden heette, die orde en recht wist te scheppen in de verwilderde Staten, welke hij vereende onder zijn gezag. Hij zou het heldenras, waarover hij den schepter hield geheven, vormen tot een christenvolk, dat hij door zijn heerschersgaven binnen voerde in de gewijde rijken der historie, door zijn voorbeeld en woorden bracht tot het geloof in het eeuwige land der onsterfelijkheid, weggelegd voor allen, die leven in dit geloof, dat eens zal worden tot zalig aanschouwen.—————
———————————
Nog eenmaal wendde Olaf het hoofd om, voor de laatste maal, want voorwaarts ligt de weg door het leven. Hij wist, hij gevoelde het, gelijk ieder, die zijn roeping begrijpt, de taak hem door God op aarde toevertrouwd.
Het klare, levenwekkende zonlicht stroomde over het landschap en tintte het water om den Hohorst met zijn schitterenden gloed. Het was of gewijde stemmen zegeningen fluisterden, of de gouden stralenbundels een lichtweg wilden vormen, die rechtstreeks voerde van de donkere aarde naar den hoogen hemel. Het scheen alsof al het licht, dat aan dien wijden hemel glansde, ineenvloeide boven den „Heiligen berg.”
Van Ansfried, graaf van Teisterbant, getuigt zijn levensbeschrijver:
„dat hij vijf en twintig jaar stond aan het hoofd van zijn graafschap, wijd en zijd beroemd als een uitstekend regent, een dienaar der hoogste gerechtigheid, die zich noch door groote giften noch door gunsten van den weg des rechts liet afbrengen, een oprecht en wijs raadsman zijner vorsten en een moedig verdediger van de belangen zijner onderdanen.”
AlpertusenPertzVI.
„Wij meenen hem (Ansfried) zeker een plaats te moeten toekennen, onder de broeders en zusters, die wij met Paulus vrijmoediglijk geheiligden in Christus Jezus heeten.”
Prof.Moll, in den Kalender voor Protestanten in Nederland. 1856.
Van den oprechten godsdienstzin zijner vrouw, Hereswit, gravin van Strijen, worden door Giesebrecht en Thietmar in hun kronieken verscheidene mededelingen gedaan. Ook de hierboven vermelde gebeurtenis in de kapel bij Casallum is geheel historisch.
Stichtingsoorkonde van de abdij van Thorn, 992.
In den naam der Heilige en onverdeelde Drievuldigheid.
Ik Hereswit van Strijen, wensch den bruidegom der Maagden te volgen en heb daarom in overleg met Ansfried, mijn heer, een kerk gesticht op mijn bezittingen te Thorn, waar ik en mijn dochter Benedicta dit sterfelijk leven zullen slijten onder den regel der heilige gehoorzaamheid, opdat wij verdienen in de toekomstige eeuw, met witte kleederen aangedaan onder de engelen te verschijnen voor den rechtvaardigen rechter.
Ik bezweer mijn erfgenamen, de heeren van Strijen, bij Hem, die was en komen zal, dat zij deze schenking niet bemoeilijken, maar mijne dochter en hare communauteit in rechtvaardigheid verdedigen.
Zie Diploma bijHaberts.
Hereswit stichtte met goedvinden van Ansfried de kerk en het klooster van Thorn, bij Maaseik. Zij werd er begraven. Hun dochter Benedicta was er abdis.
Vergrijsd en vermoeid van de vele wisselingen zijns levens werd Ansfried in 994 gekozen tot bisschop van Utrecht. Het Sticht, dat zooveel had geleden van de invallen der Noormannen, behoefde een verstandigen regent. Toen Otto III hem tot die hooge waardigheid riep, trad graaf Ansfried in diepe verslagenheid voor den keizer en gebruikte hij al zijn welsprekendheid, om den landsheer te overtuigen dat zulk een eer voor hem te groot en zulk een ambt voor hem, den veldheer, ongepast was. Toen niets baatte verzocht hij tijd om zich te beraden en te bidden.
Prof.Moll, Kerkgeschiedenis.
Ook als bisschop blonk hij uit door wijsheid en godsvrucht. Hij gebruikte al zijn inkomsten ten behoeve der kerk en was zoo sober in zijn leefwijze, dat zijn tegenstanders hem er om bespotten.
Alpertus.
Zijn gesprekken kruidde hij met het bijbrengen van voorbeelden uit den bijbel. Hij predikte, deed visitatie-reizen, sprak verstandig op de rijksdagen, zocht de overblijfselen van het heidendom uit te roeien en schonk zijn bezittingen „ad restaurandum ib idem Dei servitium.”
De schenkingsacte vindt men in zijn geheel bijHeda.
Het voorbeeld van Ansfried werd gevolgd door zijn vriend, graaf Frethibold. Deze gaf aanzienlijke bezittingen aan den Dom van St. Maarten.
Royaardsvermeldt, dat bisschop Ansfried in persoon tegen de Noormannen optrok.
Zelf wijdde hij de door hem gestichte kerk op den Hohorst bij Amersfoort, dat toen nog alleen bestond uit het slot Bachevorth en eenige omliggende hutten. De Hohorst was destijds een heuvel, die tusschen een breeden stroom (de Eem) en een moerassigen poel lag en alleen met een boot kon worden genaderd.
ZieThiermarenHeda.
Sinds bisschop Ansfried er verblijf hield, heet de Hohorst „de Heilige berg.” In gezelschap van eenige vrome monniken wenschte hij daar van tijd tot tijd uit te rusten van zijn zware plichten en zich voor te bereiden op zijn naderenden sterfdag. Zoo dikwijls het hem mogelijk was trok hij er heen en dan was de machtige kerkvoogd, die als jongeling de banier droeg en de zwaarddrager was der Ottonen en nu nog dikwerf nevens den keizer zijn plaats innam, een eenvoudige monnik, in niets van de broeders onderscheiden, dan door hoogeren ijver voor den godsdienst en door dieperen ootmoed. Alle dagen kwamen twee en zeventig armen uit den omtrek tot hem en hij spijsde ze met eigen hand, en als er kranken waren werden zij door hem verzorgd en opgenomen.
Moll. Kerkgeschiedenis.
Het was een algemeen verbreid geloof, dat in het jaar 1000 de wereld zou vergaan.
Met angst en beving had men het aanbreken van die eeuw afgewacht, want tal van sombere voorspellingen schenen het jaar duizend als het einde der wereld aan te duiden.
De Roever: Het leven onzer voorouders.
„Het jaar 1000, dat bange tijdstip, waarop onkunde en bijgeloof samenspanden om den menschelijken geest te doen sidderen voor de gevreesde ure van den met zekerheid in dat jaar geprofeteerden oordeelsdag.”
Hofdijk, Het Ned. volk.
Het Concilie in Rome gehouden in 998 houdt er zich echter evenmin mee bezig als dat van Poitiers in 999.
Koning Robert van Frankrijk, vroeg bisschop Fulbert van Chartres naar een verklaring van den bloedregen, die toen op de aarde was gevallen. Fulbert antwoordde: „dat het geen voorspelling van ramp of onheil kon zijn.”
Victor Duray; Hist. de France.
„Robert begon zijn regeering te midden eener alom heerschende vrees.”
(Idem.)
Toen in 909 het Concilie van Trosby werd gehouden eindigde Heriveüs, aartsbisschop van Reims, zijn klacht over het verval van den godsdienst bij geestelijken en leeken met de woorden:
„Het herderlijk ambt wordt een onduldbare last, wanneer het oogenblik nadert om rekenschap af te leggen van de taak, die ons is toevertrouwd, want hij nadert in zijn verschrikkelijke majesteit, die dag, waarop alle herders met hun kudden voor den Opperheer zullen staan.”
De abt Abbo van Fleury meldt daarentegen in 990:
In mijn jeugd heb ik te Parijs een prediking gehoord, dat zoodra het jaar 1000 daar zou zijn, de wereld zou vergaan, dat eerst de Antichrist zou verschijnen en niet lang daarna het oordeel zou volgen. Met een beroep op de Evangeliën heb ik deze prediking met al de kracht, die ik bezat weersproken.”
Ontelbare charters, stukken en schenkingen aan de kerk vangen in dien tijd — volgens Plaine reeds sinds de 7deen 8steeeuw — aan met de woorden:
„Waar alles voor onze voeten ten ondergang neigt, waar de verschrikkelijke dag, het einde der wereld nadert” enz.
Tegen het einde der 10deeeuw komt die aanhef niet meer voor.
„Der Glaube dass mit der Sommersonnenwende des Jahres 1000 die Welt untergehen und das jüngste Gericht hereinbrechen werde, galt während jenes Jahres im Abendland als unfehlbare Wahrheit.”
Felix Dahn.
„In het jaar 1003 werden over de geheele christenheid maar vooral in Italië en Gallië, de hoofdkerken vernieuwd, ofschoon de meesten het volstrekt niet noodig hadden. Alle volken wedijverden met elkander. Het was alsof de wereld zich zelve uitschudde en haar lompen wegwierp om een nieuw, blinkend wit gewaad aan te trekken.
Gabler, de kroniekschrijver van Cluny.
Het is niet met juistheid op te geven in welk jaar de gouwgraven van het Sticht plaats maakten voor de castellani (burggraven) van Utrecht.
De eerste castellano komt voor in 1105 tijdens bisschop Burchard. Tot 1156 waren de castellani dienstmannen, van 1164-1178 edelen. De bisschoppen bezaten zelf wereldlijke rechten in de gouw Nifterlake en Fleheti, die het Neder Sticht vormden. De gouwgraaf stond onder den bisschop.
Volgens Bondam is Bacheforth en Stuthenborch beide de naam van het tegenwoordige Amersfoort. Anderen zoeken den Stuthenborch bij Hoevelaken. (Stoutenburg).
Wie recht heeft valt moeilijk te beslissen. Want ook hier — en nog voor meerdere bijzonderheden in dit boek, o. a. over den hier beschreven inval der Noormannen, dien sommige kronieken eenigen tijd vóór, andere nà het jaar duizend vermelden — geldt het woord van den ouden kroniekschrijver, Claas Kolyn:
„Ik moet u rond uyt zeggenDat ons de schiedenissen ontbreekenOm duydelyker te spreeken.”
„Ik moet u rond uyt zeggenDat ons de schiedenissen ontbreekenOm duydelyker te spreeken.”
omslag
Opmerkingen van de bewerker.Enkele duidelijke (zet)fouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd.Overbodige, ontbrekende en inconsistent geplaatste aanhalingstekens zijn niet gecorrigeerd.Inconsistente spellingen, woordafbrekingen e.d. zijn niet genormaliseerd.Voetnoten zijn verplaatst naar het einde van het betreffende hoofdstuk.
Enkele duidelijke (zet)fouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd.Overbodige, ontbrekende en inconsistent geplaatste aanhalingstekens zijn niet gecorrigeerd.Inconsistente spellingen, woordafbrekingen e.d. zijn niet genormaliseerd.Voetnoten zijn verplaatst naar het einde van het betreffende hoofdstuk.