Dertiende hoofdstuk.

Dertiende hoofdstuk.Tolstoi en Toerghenjeff.—Vrederechter.Zooals reeds in het vorige hoofdstuk is gezegd, reisde Tolstoi van Berlijn naar St.-Petersburg. Begin Mei vertrok hij naar Moskou en spoedig daarna kwam hij terug in Jasnaja Paljana.Rusland vierde feest bij den aanvang van het nieuwe tijdperk, de afschaffing van de lijfeigenschap.Alles wat het bezat aan intellectueele en vooruitstrevende personen nam deel aan de ingrijpende gebeurtenissen, en een van de eersten was natuurlijk Leo Tolstoi.Door het werkzaam aandeel, dat hij nam in alle takken van het maatschappelijk leven, werd zijn bestaan zoo veelzijdig, dat wij gedwongen zijn de door ons aangenomen chronologische volgorde te verlaten en over te gaan tot een overzicht van zijne werkzaamheden, die, hoe verschillend ook van aard, in zekeren zin toch steeds voeling hielden met zijn particulier en familieleven.Zijne bezigheden in de maatschappij, waarop wij later zullen terugkomen, waren tweeërlei: de administratieve werkkring van scheids- en vrederechter en zijne bemoeiingen met de volksschool, benevens het schrijven zijner paedagogische opstellen.Voor wij tot de behandeling van bovengenoemde werkzaamheden overgaan, moeten wij ons nog eenige oogenblikken met den particulier Tolstoi bezighouden.Tolstoi had zich voorgenomen op de terugreis zijne beide buren Fet en Toerghenjeff op te zoeken. Naar aanleiding daarvan ontspon zich de volgende correspondentie tusschen de beide laatsten:“Fetticarissime!“Hierbij ingesloten zend ik u een briefje van Tolstoi, dien ik juist heb geschreven, dat hij beslist in ’t begin van de volgende week moet komen. Gezamenlijk doen wij dan een’ inval in uw Stjepanowska, nu de nachtegalen nog zingen en de lente lacht met haren liefsten glimlach. Ik hoop dat hij mijne roepstem zal volgen en spoedig hier zal zijn. In ieder geval kunt gij mij in ’t eind van de volgende week verwachten. Houd u verder goed, wind u niet op, denk aan de woorden van Goethe: ‘Ohne Hast, ohne Rast’, en werp onderwijl nog eens een’ enkelen blik naar uwe verlaten muze.”Ingesloten was het volgende briefje van Tolstoi:“Lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!“In gedachten omhels ik u hartelijk voor uwen brief, voor uwe vriendschap, en daarvoor dat gij ‘Fet’ zijt. Toerghenjeff te ontmoeten vind ik aangenaam, maar u weer te zien verheugt mij tienmaal meer. Hoe lang is ’t niet geleden dat wij elkaar gesproken hebben, en wat is er in dien tijd al niet gebeurd! Het doet mij toch zoo veel genoegen, dat gij u aan ’t landleven hebt gewijd, en ik ben er trotsch op, dat ik daar ook een weinig toe heb meegewerkt. Maar ben ik eigenlijk de persoon om u raad te geven? Een vriend is goed, maar hij kan sterven, weggaan; men kan hem uit het oog verliezen. De natuur echter, waarmee wij ons voor immer hebben verbonden, hetzij dan door eene koopacte, of wel door geboorte en erfenis, is beter. Zij is koud, ongevoelig, veeleischend, maar daarbij blijft zij ons trouw tot aan dendood, en als wij sterven gaan wij in haar over. Ik daarentegen heb mij van haar afgekeerd, mij wachten andere bezigheden; maar indien ik niet wist dat zij om mij heen is, dat ik mij maar behoef om te wenden om haar te grijpen, dan zou mijn leven treurig zijn. God schenke u zijn’ zegen, opdat gij vreugde moogt beleven van uw Stjepanowka! Dat gij schrijft en zult schrijven, daaraan twijfel ik niet. Ik druk uwe vrouw de hand; zeg haar dat zij mij niet moet vergeten. Het zou al heel ongelukkig moeten loopen, zoo ik dezen zomer niet bij u kwam; wanneer echter, dat weet ik niet.”“Ondanks de vriendelijke belofte,” schrijft Fet, “was de verschijning van een rijtuig, dat vlug nader kwam en weldra voor het huis stilhield, eene groote verrassing voor ons en met vreugde begroetten wij Toerghenjeff en Tolstoi. Het is niet te verwonderen dat de aanblik van het landgoed, armoedig als het er toen nog uitzag, Toerghenjeff de woorden ontlokte: ‘Wij keken en keken en konden uw huis maar niet ontdekken. Eindelijk zagen wij een’ vetten pannekoek om een’ wijsvinger, en ziedaar Stjepanowska!’“Terwijl de gasten uitrustten en de gastvrouw de twee uren, die haar nog restten vóór het middagmaal, gebruikte om alles een feestelijk aanzien te geven, onderhielden wij ons zóó levendig als dat slechts mogelijk is tusschen menschen, die nog niet levensmoe zijn....”Een betreurenswaardig feit maakte aan dit samenzijn een ontijdig einde; er brak n.l. een twist uit tusschen Toerghenjeff en Tolstoi. Deze gebeurtenis is tamelijk juist door Fet in zijneHerinneringenweergegeven; wij laten de beschrijving hier volgen, aangevuld en zoo noodig verbeterd, met gebruikmaking van ander vertrouwbaar materiaal.”’s-Morgens, op onzen gewonen tijd,” zoo vertelt Fet, “d.w.z. om acht uur, kwamen onze gasten in de eetkamer, waar mijne vrouw, gezeten aan ’t eene eind van de tafel, achter densamowar, en ik aan ’t andere, hen reeds opwachtten. Toerghenjeff zat rechts, Tolstoi links van mijne vrouw, die, wetende, dat haar rechterbuurman groote waarde hechtte aan de opvoeding zijner dochter, dezen vroeg of hij met de nieuwe Engelsche gouvernante tevreden was. Hij putte zich uit in lofredenen en vertelde o.a., dat zij met echt Engelsche nauwgezetheid hem eene som gelds had gevraagd, die zijne dochter uitsluitend moest aanwenden voor liefdadige doeleinden.“‘En nu,” vervolgde Toerghenjeff, “verlangt de gouvernante dat mijne dochter de oude kleedingstukken van arme menschen eigenhandig verstelt en zelf aan de eigenaars terug brengt.’“‘En vindt gij dat goed?’ vroeg Tolstoi.“‘Zeker, dat leert haar weldadig zijn en brengt haar in aanraking met de behoeftigen.’“‘En ik vind, dat een jong, mooi-aangekleed meisje, dat daar met een vuil, slecht-riekend kleedingstuk op haar schoot zit, comedie speelt.’“‘Ik verzoek u, dat niet te herhalen,’ stoof Toerghenjeff op, trillend van woede.“‘Waarom zou ik mijne meening niet zeggen?’ antwoordde Tolstoi.“‘Gij wilt dus zeggen, dat ik mijne dochter eene slechte opvoeding geef?’“Tolstoi antwoordde hierop, dat hij eenvoudig uitte wat hij dacht en geen persoonlijkheden bedoelde.”Voordat Fet den tijd had tusschen beiden te komen, zeide Toerghenjeff, wit van drift: “En als je dat wilt zeggen, dan zal ik je een slag in je gezicht geven.” Bij die woorden vloog hij met de handen aan zijn hoofd de kamer uit. Een oogenblik daarna keerde hij terug, en, zich tot mevrouw Fet wendende, zeide hij: “Vergeef mij om Gods wil mijn onbehoorlijkgedrag, waarvan ik diep berouw heb.” Daarop verliet hij de kamer weer.Kort daarna vertrokken de gasten.Tolstoi schreef van het station Nowosjelok een’ brief aan Toerghenjeff die een eisch tot genoegdoening behelsde; daarop reisde hij verder naar Bogoeslaff, een station dat halfweg het landgoed van Fet en Nikolski, eene bezitting van de Tolstoi’s, ligt. Vandaar liet hij pistolen halen, en daar er nog geen antwoord op zijn schrijven was gekomen stuurde hij Toerghenjeff een’ tweeden brief die eene formeele uitdaging bevatte. Tevens gaf hij den wensch te kennen, niet te duelleeren zooals schrijvers dat gewoonlijk doen, d.w.z. dat twee schrijvers een’ derden en ook pistolen meenemen, en dat alles eindigt met champagne, maar dat hij een ernstig duel verlangde. Daarom verzocht hij Toerghenjeff gewapend in het bosch van Bogoeslaff te komen.Tolstoi ging niet slapen, maar bleef den geheelen nacht wachten. Eindelijk kwam er antwoord op den eersten brief. Toerghenjeff schreef:“Geachte Heer Leo Nikolajewitsch!“In antwoord op uwen brief kan ik slechts herhalen, wat ik mij reeds bij Fet verplicht achtte te zeggen. Meegesleept door een onwillekeurig vijandig gevoel (’t is hier niet de plaats dit nader te omschrijven), beleedigde ik u zonder eenige aanleiding uwerzijds, en vroeg u daarna om verschooning. Hetgeen vanmorgen gebeurd is toont duidelijk aan, dat iedere toenadering tusschen twee zulke tegenstrijdige naturen als de onze tot niets kan lijden. Ik doe des te liever de schuld af, die ik mij tegenover u bewust ben, omdat deze brief waarschijnlijk het laatste levensteeken zal zijn, dat tusschen ons gewisseld wordt. Van ganscher harte hoop ik dat dit schrijven u moge bevredigen, en ik verklaar u van te vorenmijne instemming met het gebruik dat gij er van wilt maken.“Met de meeste hoogachting heb ik, geachte heer, de eer te zijn“27 Mei 1861, Spasskoje.“Uw dw. dn.Iwan Toerghenjeff.”Hierbij was het volgend bijschrift:“10½ uur ’s-nachts.“Iwan Petrowitsch brengt mij daar juist mijn’ brief terug die, door de domheid van mijn’ bediende, te Nowosjelok in plaats van te Bogoeslaff is bezorgd. Wil deze nalatigheid verontschuldigen. Ik hoop dat nu mijn bode u nog te Bogoeslaff zal treffen.”Waarschijnlijk dienzelfden dag nog schreef Tolstoi aan Fet:“Ik kon mij niet weerhouden den brief van den heer Toerghenjeff (een antwoord op mijn’ brief) te lezen. Ik wensch u in uwe verhouding tot dien heer het allerbeste, maar ik veracht hem en heb hem dat ook geschreven; daarmee is alles tusschen ons uit, behalve natuurlijk indien hij genoegdoening vordert. Hoewel ik uiterlijk kalm was stormde het in mij en verlangde ik eene betere verontschuldiging van dien heer, hetgeen ik hem in mijn’ brief van Nowosjelok heb geschreven. Hier is zijn antwoord, waarmee ik genoegen neem, hetgeen ik hem ook te kennen heb gegeven, onder bijvoeging, dat de reden waarom ik zijne verontschuldiging aanneem niet ligt in onze tegenstrijdige naturen, maar in eene oorzaak die hij zelf begrijpen kan. Bovendien zond ik tengevolge van het oponthoud een tweeden scherpen brief, waarin ik hem uitdaagde, maar waarop ik geen antwoord ontving. Indien het nog komt, zal ik den brief ongeopend terugzenden. En dit is nu het einde van deze treurige geschiedenis, waaraan gij, zoo zij over uwen drempel mocht gaan, het bovenstaande moet toevoegen.“L. Tolstoi.”Op de uitdaging antwoordde Toerghenjeff het volgende:“Uw bediende zegt, dat hij op antwoord moet wachten, maar ik zou niet weten wat ik aan mijn eerste schrijven nog zou kunnen toevoegen. Misschien dit, dat ik u het volste recht toeken mij uit te dagen. Gij hebt er de voorkeur aan gegeven mijne uitgesproken en herhaalde verontschuldigingen aan te nemen. Gij hebt het zoo gewild. Ik geef u de oprechte verzekering, dat ik mij gaarne aan uw schot zou hebben blootgesteld, om daardoor mijne inderdaad zinnelooze woorden uit te wisschen. Hetgeen ik tegen u gezegd heb wijkt zoo af van mijne gewone wijze van doen, dat ik het slechts kan toeschrijven aan een gevoel van verbittering, dat ontstaan is door onze geheel tegenstrijdige inzichten. Dit is geene verontschuldiging; ik wil mij niet rechtvaardigen; het is slechts eene verklaring. En daarom moeten onze wegen zich scheiden. Dergelijke gebeurtenissen laten zich niet uitwisschen, maar ik acht het mijn plicht, nogmaals te herhalen, dat gij in deze zaak gelijk en ik schuld heb. Ik voeg hier nog bij dat in dit geval het zwaartepunt niet ligt in den moed dien ik u al of niet wil toonen, maar in de bekentenis dat gij zoowel het recht hebt mij uit te dagen (natuurlijk in den aangenomen vorm, met secondanten) als om mij te vergeven. Gij hebt gekozen wat gij goed vondt, en mij past het mij naar uw besluit te voegen.“Wederom verzoek ik u de betuiging mijner oprechte hoogachting te aanvaarden.“Iw. Toerghenjeff.”Waarschijnlijk stelde Fet pogingen in het werk, zijne beide vrienden te verzoenen, want in zijneHerinneringenschrijft hij:“Tolstoi zond mij het volgende briefje:“‘Toerghenjeff...., hetgeen ik u verzoek hem even nauwkeurig over te brengen als gij mij zijne welwillende meeningmededeeldet, hoewel ik u uitdrukkelijk verzocht had niet meer over hem te spreken.“‘GraafL. Tolstoi.’“‘Ik verzoek u mij niet meer te schrijven, daar ik uwe zoomin als zijne brieven zal openen.’”“Ik behoef wel niet te zeggen,” vervolgt Fet, “dat ik mijn uiterste best deed om deze kwestie, die helaas in mijn huis begonnen was, tot een goed einde te brengen.“Ik herinner mij nog in welk een onbeschrijflijk ironische woede Nikolaas Nikolajewitsch Toerghenjeff geraakte, toen hij van ’t geval hoorde. ‘Welk eene dwaasheid,’ riep hij uit, ‘te verlangen, dat iedereen zal denken zooals wij zelf! Maar zijt gij eenmaal begonnen, zet dan de zaak ook door tot aan het einde, met het pistool in de hand.’ Zoo sprak hij tot mij; wat hij tegen Iwan Toerghenjeff heeft gezegd, is mij niet bekend.“Het slot van de zaak was, dat het tot een formeele breuk kwam tusschen Tolstoi en mij, en tot op dit oogenblik weet ik nog niet, of onze verhouding weer vriendschappelijk is geworden.”“Eenigen tijd later,” vertelt gravin Tolstoi, “gebeurde het, dat Tolstoi in eene van die verheven gemoedsstemmingen geraakte, die men nu en dan bij hem kon waarnemen. Hij was dan verdraagzaam, liefdevol en vervuld van de begeerte om naar het goede en het allerhoogste te streven. Als hij in dien toestand verkeerde, kon hij het niet verdragen een’ vijand te hebben. En daarom zond hij den 25stenSeptember aan Toerghenjeff een’ brief, waarin hij zijne spijt uitdrukte dat hunne verhouding vijandig was. Hij schreef:“‘Zoo ik u beleedigd heb, vergeef het mij dan, het is mij eene oneindig treurige gedachte te weten dat ik een vijand heb.’”Dit schrijven werd naar den boekhandel van Dawidoff gestuurd, waarmee Toerghenjeff in relatie stond. Om de eene of andere reden werd de brief niet dadelijk doorgestuurd en nu gebeurde het, dat juist in dien tijd Toerghenjeff een onaangenaam gerucht ter oore kwam, waarvan hij Fet in den volgenden brief mededeeling deed.“Parijs, 8 November.“....En nu nog een woord over die ongelukkige historie met Tolstoi. Ik reisde over Petersburg en hoorde van ‘vertrouwbare personen’ (o, die vertrouwbare personen!) dat eene copie van mijn laatsten brief (waarin hij mij zijne verachting te kennen geeft) in Moskou door hem zelf zou zijn verspreid. Het maakte mij razend, en ik heb hem eene uitdaging gezonden om, zoodra ik weer in Rusland zal zijn, met hem te duelleeren. Tolstoi antwoordde dat het verspreiden van dien brief een praatje is en voegde er bij dat, hoewel ik hem had beleedigd, hij mij om verontschuldiging verzocht, en dat hij van het duel afzag. Natuurlijk moet ik er nu ook genoegen mee nemen, maar nu vraag ik u hem te willen mededeelen (hij schreef mij immers vroeger dat hij ieder bericht van mij aan hem als eene beleediging zou opnemen), dat ik zelf afstand doe van het recht om met hem te duelleeren, en dat ik hoop dat deze gebeurtenis nu voor goed begraven is. Zijn’ brief met verontschuldigingen heb ik vernietigd en den anderen, dien hij mij door Dawidoff had gestuurd, heb ik niet ontvangen. En daarmee basta.”In Tolstoi’s dagboek vinden wij over deze zaak:“October. Gisteren ontving ik een’ brief van Toerghenjeff, waarin hij mij beschuldigt hem voor een’ lafaard te hebben uitgemaakt en copieën van zijne brieven te hebben verspreid. Ik heb hem geschreven dat dit praatjes zijn en zond hem bovendien den volgenden brief: ‘Gij hebt mijn optredeneerloos genoemd; vroeger hebt gij mij in het gezicht willen slaan, en ik erken dat ik schuld heb, vraag u om verschooning en wensch niet meer te duelleeren.’”Gravin Tolstoi schrijft in hare aanteekeningen, dat deze brief werd geschreven met de gedachte, dat zoo Toerghenjeff zich niet persoonlijk kon wreken, en toch tegenover het publiek in zijne eer hersteld moest worden, hij dezen brief kon gebruiken. Tolstoi stond boven dergelijke zaken, en het oordeel der menschen verachtte hij. Toerghenjeff toonde zich nu klein, en antwoordde dat hij zich voldaan achtte.Den 7denJanuari schreef Toerghenjeff nogmaals aan Fet:“....En nu ter zake. Hebt gij Tolstoi gezien? Eerst heden ontving ik den brief, dien gij mij in September door bemiddeling van Dawidoff stuurdet. (Wat zijn die Russische zakenmenschen accuraat!) Hierin schrijft hij dat hij mij heeft willen beleedigen en biedt hij mij zijne verontschuldiging aan. En in dien zelfden tijd stuurde ik hem, opgewonden door ’t gepraat van anderen, eene uitdaging voor een duel.“Uit een en ander maak ik de gevolgtrekking dat onze gesternten zich in tegengestelde richtingen bewegen, en daarom is het beter, zooals hij zelf ook inziet, eene ontmoeting te vermijden. Maar gij kunt hem schrijven, of zeggen, dat ik hem, wanneer wij ver van elkaar zijn, acht en liefheb, en met belangstelling zijne loopbaan volg, maar dat dit alles verandert zoodra wij bij elkaar zijn. Wat kan men daaraan doen! Wij moeten maar denken dat wij ieder op een verschillende planeet of in eene andere eeuw leven.”Leo Tolstoi in 1860, toen hij in het buitenland vertoefde.—Blz. 343.Leo Tolstoi in 1860, toen hij in het buitenland vertoefde.—Blz.343.Waarschijnlijk heeft Fet er met Tolstoi over gesproken en daardoor opnieuw diens misnoegen opgewekt, hetgeen hij aan Toerghenjeff heeft geschreven, waarop deze den volgenden brief zond.“Januari 1862.“Waarde Afanasie Afanasjewitsch!“Allereerst vraag ik u excuus voor al de onaangenaamheden, die mijn brief u bezorgd heeft. Mijne eenige verontschuldiging is, dat ik niet had voorzien dat Tolstoi de zaak zoo op zou nemen, maar dat ik integendeel had gedacht haar tot een goed einde te brengen. Het schijnt echter beter het geval geheel te laten rusten. Nogmaals, vergeef mij wat ik onwillekeurig misdeed.”En hiermede eindigen wij de beschrijving van deze ongelukkige gebeurtenis, die plotseling eene scheiding veroorzaakte tusschen twee groote mannen, doch waaruit misschien later eene zuiverder verhouding zou ontstaan.Wij kunnen hier nog bij voegen dat de wijze, waarop Garschin dezen twist in het Januari-nummer van den Historischen Bode beschreven heeft, niet juist is. Waarschijnlijk heeft hij niet uit zuivere bronnen geput.In de jaren 1861 en ’62 bekleedde Tolstoi het ambt van vrede- en scheidsrechter in een deel van het district Krapiwenski.De roep, die van hem uitging, dat hij zijne boeren niet uitzoog en uitmergelde, was bijna een hinderpaal geworden voor zijne bevestiging in bovengenoemd ambt. Hierover ontspon zich eene uitvoerige correspondentie, waarvan wij slechts de belangrijkste stukken laten volgen.De gouvernements-adelmaarschalk beklaagde zich o.a. bij den minister van binnenlandsche zaken over den gouverneur van Toela, die Tolstoi tot vrede- en scheidsrechter had benoemd. Hij wees er op, dat de geringe overeenstemming tusschen Tolstoi en den overigen adel van Toela, in zake landhuishoudkunde, aanleiding kon geven tot ongewenschte botsingen tusschen de leden van het lichaam waar Tolstoinu deel van uitmaakte. Daarbij zou de benoeming zijn geschied met verwaarloozing van eenige daaraan verbonden formaliteiten.De minister antwoordde daarop, dat de zaak waarschijnlijk op een misverstand berustte en onderzocht zou worden.Op eene aan hem gerichte vraag antwoordde luitenant-generaal Daragan, de gouverneur van Toela, in een confidentiëel schrijven, o.a. het volgende:“Ik ken graaf Tolstoi persoonlijk als een beschaafd, ontwikkeld mensch, die zeer veel voor de bewuste zaak voelt. Daarbij hebben verschillende landeigenaren uit dit district mij hun’ wensch te kennen gegeven, graaf Tolstoi als scheidsrechter benoemd te zien, zoodat er voor mij geen reden bestaat hem door een ander, mij onbekend, persoon te vervangen. Ook heeft de voorganger van Uwe Excellentie, onder vele andere invloedrijke personen, mijne aandacht op hem gevestigd.”Zoo bleef Tolstoi dus in zijn ambt gehandhaafd en uit de stukken, die ons zijn geworden, blijkt, dat hij met al de kracht die in hem was trachtte het volk te vrijwaren voor de groote willekeur der landeigenaren en politie-ambtenaren, zoodat de vrees van den adel voor zijne benoeming niet ongegrond bleek te zijn.Wij zullen hier eenige voorbeelden van zijne werkzaamheid laten volgen.Eene landeigenares, eene zekere Artjoechowa, beklaagde zich dat een gewezen stalknecht van haar was weggegaan, omdat hij volgens zijne verklaring “een volkomen vrij man” was.Tolstoi antwoordde hierop:“Mark kan volgens mijne uitspraak met zijne vrouw gaan waarheen hij wil. Beleefd verzoek ik u nog het volgende: hem schadevergoeding te geven voor de diensten, die gij gedurende drie maanden wederrechtelijk van hem genoten hebt,alsook voor de slagen zijne vrouw toegebracht, hetgeen nog meer tegen de wet is. Indien gij geen genoegen neemt met mijn besluit, dan hebt gij het recht in beroep te gaan bij het vrede- en bij het gouvernements-gerecht. Ik zal in deze zaak geen verdere verklaringen meer geven.“Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn“Uw onderdanige dienaarGraafL. Tolstoi.”De eischeres teekende protest aan en de overige leden van het vredegerecht, die tegenstanders van Tolstoi waren, stelden hem, zooals in vele andere gevallen, in het ongelijk. Daarop ging de zaak naar de tweede instantie, die zich nu—en dit geschiedde meermalen—met Tolstoi’s uitspraak vereenigde.Zoo werd Mark dus vrij verklaard en zijne vrouw kreeg eene schadeloosstelling voor de haar toegebrachte slagen.Zijne volgende uitspraak gold een’ strijd over het afgrazen van eene weide.Eenige boeren, die bij een’ landeigenaar aan ’t ploegen waren, hadden in het schaftuur hunne paarden op diens weide laten grazen. Hij ging zich daarover bij Tolstoi beklagen. Deze ried hem aan de boeren niet te vervolgen, waarschijnlijk in de hoop dat eene betere verhouding tusschen dien landeigenaar en de boeren daarvan het gevolg zou zijn. De aanklager wilde hier niets van hooren, maar eischte eene schadevergoeding van tachtig roebel.De wijze waarop Tolstoi deze zaak behandelde bevredigde den landeigenaar niet, en hij beklaagde zich bij het gerecht.“...Graaf Tolstoi,” schreef hij, “verscheen met drie boeren, die als deskundigen moesten optreden, in de bewuste weide.De boeren gaven als hun oordeel te kennen, dat er drie desjatin waren afgeweid, vertegenwoordigende eene waarde van dertig roebel. Graaf Tolstoi was het met deze uitspraak niet eens en schatte de schade op vijftien roebel. De deskundigen spraken den graaf niet tegen, en zoo werden de boeren dus tot eene schadeloosstelling van vijftien roebel veroordeeld.”De landeigenaar, die deze uitspraak niet in overeenstemming met de wet vond, voegde hier nog aan toe:“Ik ben overtuigd dat het vredegerecht, steeds geneigd het lot van de boeren te verbeteren, niet zal dulden dat deze verbeteringen zullen geschieden langs den weg, door den vrederechter graaf Tolstoi aangewezen.”Derhalve ter verantwoording geroepen, antwoordde Tolstoi, dat hij op grond van artikel 29, 31 en 32 van de wet tot regeling van de zaken der boeren, het niet noodig oordeelde eenige opheldering te geven. De zaak ging verder naar het gouvernements-gerecht en werd teruggezonden zonder eenige schriftelijke verklaring, met de kantteekening “accoord”, zoodat de beslissing wederom ten gunste van Tolstoi uitviel.Het volgende voorval toont, hoe weinig eerzuchtig Tolstoi in zijne betrekking was. Steeds streefde hij er naar zoo rechtvaardig mogelijk te handelen, en mocht hij zich al eens vergissen, dan erkende hij dit volmondig.Een grondeigenares had zich beklaagd dat Tolstoi aan een van hare knechts wederrechtelijk een’ pas had uitgereikt. Toen bij het onderzoek bleek dat hare aanklacht gegrond was, erkende hij eene fout te hebben begaan en bood aan haar schadevergoeding te geven.Hoewel Tolstoi altijd opkwam voor hunne rechten had hij dikwijls zeer veel last met de boeren, die, na de opheffing van de lijfeigenschap, hardnekkig hunne vroegere voorrechten trachtten te behouden.Tusschen den landeigenaar Osipowitsch en zijne gewezen lijfeigenen was het volgende geschil ontstaan. Een gedeelte van het dorp was door brand vernield en nu wilde de landheer den boeren niet toestaan hunne hutten weer op dezelfde plaats op te bouwen; bovendien onthield hij hun het noodige materiaal en den vereischten vrijen tijd.Tolstoi vond eenerzijds de eischen der boeren wettig, maar aan den anderen kant zag hij dat de omstandigheden van den kleinen grondeigenaar zóó waren, dat hij er onmogelijk aan kon voldoen. Hij wendde zich nu tot den adel met een verzoek om hulp voor den collega-landheer, wiens zaken zoo achteruit waren gegaan, of voor diens boeren. Maar zijn verzoek werd afgewezen en men begon de boeren te dwingen de eischen van den landheer in te willigen.De zaak werd van de eene instantie naar de andere verwezen en kwam maar niet tot een eind. Tolstoi zag in, dat het niet gunstig voor de boeren zou afloopen, en teekende daarom nogmaals protest aan. Maar dit bracht geen verandering in de behandeling der zaak, en toen hij begreep dat door de leden van het gerecht met opzet een verkeerde weg werd ingeslagen en dat hij niet krachtig genoeg was dit tegen te gaan, verliet hij bij wijze van protest de vergadering, zonder de behandelde stukken te onderteekenen. Wegens deze handelwijze werd eene aanklacht ingediend bij het gouvernementsgerecht, waarop echter geen acht werd geslagen.Over ’t algemeen trachtten de landeigenaren hun’ boeren zoo weinig mogelijk grond te geven en hen met de slechtste stukken af te schepen. Wanneer Tolstoi een dergelijk streven opmerkte, kwam hij tusschen beiden en zorgde dat er verandering in kwam.Het spreekt van zelf dat de sympathie, die Tolstoi den boeren toedroeg, den landeigenaren een doorn in het oog was. Zij beschuldigden hem dat hij tweedracht zaaide; dat hijde patriarchale verhouding, die er steeds tusschen den landheer en de boeren had bestaan, verstoorde, waardoor de boeren tot onwettige handelingen kwamen; zij beklaagden zich dat zelfs de leden van het boeren-bestuur, om Tolstoi te gerieven, hunne plichten verzaakten, zoodat er anarchie in het dorp heerschte en onregelmatigheden, als diefstal, willekeur en verregaande onafhankelijkheid, welig tierden.Hoe beter de verhouding met de boeren werd, des te onaangenamer werd die met den adel en de overige landeigenaren, zoodat Tolstoi’s positie steeds moeilijker en ten slotte onhoudbaar werd. In Juni 1861 schreef hij in zijn dagboek:“Mijn ambt van vrederechter heeft mij weinig materiaal geleverd, mij in onmin gebracht met alle landeigenaren en mijne gezondheid verwoest.”Nog eenige maanden bleef Tolstoi op zijn post, maar in Februari 1862 besloot hij zijn ontslag te nemen.De aanvraag hiertoe omkleedde hij met alle redenen die hem tot deze daad noopten, wijzende op de systematische tegenwerking die hij steeds had ondervonden, en zelfs revisie vragende van enkele tegen zijn advies in genomen besluiten. Tevens verzocht hij verlof zijn ambt voorloopig aan den oudsten kandidaat te mogen overdragen.Een’ tijd lang bleef Tolstoi nog in functie, maar den 30stenApril droeg hij, wegens zijne geschokte gezondheid, zijn ambt tijdelijk aan een’ ander over. Eindelijk, 26 Mei, kwam bericht bij den gouverneur van Toela, dat het verzoek werd ingewilligd en hij om gezondheidsredenen was ontslagen.De volgende schets, ontleend aan Löwenfeld, toont ons duidelijk hoe onrechtvaardig Tolstoi werd beschuldigd de boeren te bevoordeelen ten koste van de landeigenaren.“Een jonge Duitscher, in betrekking bij een’ landeigenaar in Toela, moest voor zaken van zijn’ patroon Tolstoi opJasnaja Paljana bezoeken. Er was een verschil gerezen over een stuk grond tusschen den landheer en zijne boeren, en in zijne kwaliteit van scheidsrechter moest Tolstoi uitspraak doen in deze zaak.“Om een oordeel te kunnen vellen moest hij den grond zelf in oogenschouw nemen, en daarom begaf hij zich, vergezeld van een’ twaalfjarigen boerenjongen, dien hij zijn kleinen landmeter noemde, naar de aangeduide plaats. Hier ontving hij de boerendeputatie, bestaande uit drie personen, die hunne belangen kwamen bepleiten.“‘Nu kinderen, wat wenscht ge?’ vroeg graaf Tolstoi. De afgevaardigden legden hem uit, dat zij een ander stuk grond wenschten te ontvangen dan hun was toegewezen.“‘Het spijt mij zeer, dat ik uw verzoek niet kan inwilligen,’ zeide graaf Tolstoi, ‘want als ik het toestond dan zou ik uwen landheer zeer benadeelen,’ en daarop begon hij hun de redenen zijner weigering duidelijk uiteen te zetten.“‘Och, doe maar iets voor ons,’ vroegen de boeren.“‘Neen, ik kan niets voor u doen,’ herhaalde graaf Tolstoi.“Alsof zij niets gehoord hadden, herhaalden de boeren, die met eerbiedig gebogen hoofd voor hem stonden: ‘och, doe iets voor ons, vadertje, doe iets voor ons.’“‘Wanneer gij wilt, vadertje,’ begon opnieuw de woordvoerder, ‘dan kunt gij wel iets voor ons doen,’ en de overige leden van de deputatie knikten bij wijze van instemming met hun hoofd.“Graaf Tolstoi bekruiste zich en zeide: ‘Bij Gods rechtvaardigheid zweer ik u, dat ik u niet kan helpen.’ En toen de boeren maar door zeurden: ‘Och vadertje, doe iets voor ons, doe iets voor ons, vadertje’, wendde hij zich driftig tot den jongen Duitscher, die ook aanwezig was en zeide: ‘Misschien kon Amfion nog vlugger bergen en bosschen verzetten dan wij dezen boeren iets aan het verstand kunnen brengen.’“Bij de voortzetting van het gesprek, dat nog wel een uur duurde, verloor graaf Tolstoi geen oogenblik zijn geduld en bleef hij steeds welwillend. De halsstarrigheid van de boeren ontlokte hem niet één ruw woord.”Vorst Dmitri Dmitrijewitsch Obolenski vertelt ons nog eene herinnering van een feestdiner, waarbij Tolstoi zijn buurman was.“Bij gelegenheid van eene verkiezing werd den leden van het scheidsgerecht een feestdiner aangeboden.“Dat diner zal ik niet licht vergeten. Na afloop bleven eenige landeigenaren, waaronder natuurlijk ook ik, nog een oogenblikje napraten. Toevallig kwam ik naast Tolstoi te zitten, met wien ik toen al heel goed bekend was. Er werden eenige toasten uitgebracht; de eerste, die met groot enthousiasme werd ontvangen, gold den ‘Tsaar, den Bevrijder’.“‘Ik drink dien toast met zeer veel genoegen,’ zeide Tolstoi, ‘want alleen aan hem hebben wij de emancipatie te danken...’“In het jaar van de afschaffing der lijfeigenschap (vervolgt Obolenski) stichtte Leo Tolstoi eenige scholen in Jasnaja Paljana, waarvoor ik mij zeer interesseerde. Ik bezocht hem dikwijls en in den herfst gingen wij veel samen jagen. Wie zou nu in den vluggen jager, voor wien geen sloot te breed was, met wien ik dagen achtereen op jacht ging, den diepzinnigen filosoof herkennen! Aangenamer gezelschap kan men zich moeielijk denken. Een goed vrederechter vind ik hem echter niet, daarvoor was hij veel te verstrooid. Als den dag van gisteren herinner ik mij nog het eerste protocol dat hij indiende. Het onderschrift luidde letterlijk:“‘Dit protocol zal op verzoek van een’ zekeren die-en-die, niet kunnende schrijven, door een’ zekeren stalknecht zoo-en-zoo worden onderteekend.’ Alle namen waren vergeten. Zooals graaf Tolstoi het gedicteerd had, had de knecht het opgeschrevenzonder één naam in te vullen, en zoo werd het, zonder te zijn doorgelezen, door Tolstoi onderteekend en doorgezonden naar het gouvernements-gerecht.“Ik hoorde deze geschiedenis van mijn’ oom, die als lid van bovengenoemd lichaam het protocol had ontvangen.”Tolstoi onderscheidde zich niet door kanselarijarbeid, maar hij was, wat zijn hart en verstand betreft, uitstekend berekend voor het ambt van scheidsrechter, en als zoodanig heeft hij ook goede herinneringen achtergelaten. In zijne paedagogische loopbaan, waarop wij in het volgende hoofdstuk zullen terugkomen, was hij, ondanks eenige tegenspoeden, zeer gelukkig.Veertiende hoofdstuk.Tolstoi’s paedagogische werkzaamheden.—De oprichting van scholen.—Theorieën.Reeds eenige malen had Tolstoi zich met paedagogischen arbeid bezig gehouden. In het jaar 1849, teruggekeerd uit St.-Petersburg, stichtte hij eene volkschool te Jasnaja Paljana en voerde eenige verbeteringen in, in de hoop daardoor het volk nader te komen. Wij weten dat deze eerste proefneming met eene mislukking eindigde. Bij zijn vertrek naar den Kaukasus werd de school natuurlijk gesloten, doch zij werd weer geopend na zijn eerste buitenlandsche reis.Tolstoi was zich zijn gebrek aan theoretische kennis volkomen bewust, en haastte zich dit tekort aan te vullen op de door ons in het vorige hoofdstuk beschreven wijze. Na zijn’ terugkeer uit het buitenland voelde hij zich krachtig genoeg om eene nieuwe proef te wagen. Wederom ging hij zich wijden aan het volksonderwijs en bracht dat tot eene nog ongekende hoogte.In een van zijne artikelen over paedagogie heeft hij over zijne proefnemingen en voorbereidingen in zake schoolarbeid het volgende gezegd.“Toen ik, nu ongeveer vijftien jaar geleden, zonder eenige voorbereiding, zoo min practisch als theoretisch, alleen bezield met den innigen wensch een goed onderwijzer in mijne school te zijn, mij voor het eerst ging wijden aan het volksonderwijs, stootte ik dadelijk op de twee vragen: ‘wat moetik onderwijzen?’ en ‘hoe moet ik onderwijzen?’ De meeningen van de verschillende personen die belang stellen in volksontwikkeling, loopen hierover, thans zoowel als vroeger, zeer uiteen. Sommigen antwoorden op de vraag ‘wat moet ik onderwijzen?’ dat, behalve het lezen en schrijven, de natuurwetenschappen voor eerstbeginnenden zeer nuttig zijn; anderen weer oordeelen deze geheel overbodig, ja zelfs schadelijk. De een geeft de voorkeur aan aardrijkskunde en geschiedenis, de ander ontkent de noodzakelijkheid daarvan, een derde pleit voor de oude Slavische taal, spraakkunst en godsdienstonderwijs, en nummer vier acht ook dit niet goed, maar is voor algemeene ontwikkeling.“Over de vraag: ‘hoe moet ik onderwijzen?’ liepen vroeger, en loopen ook nu nog, de meeningen nog meer uiteen, en de verschillende wijzen waarop schrijven, lezen en rekenen worden onderwezen zijn ook nu, evenals vroeger, in tegenspraak met elkaar.“Toen ik in de Russische litteratuur geen bevredigend antwoord op deze vragen vond, wendde ik mij tot de Europeesche. Ik las alles wat er over paedagogie geschreven was, richtte mij tot de beroemdste vertegenwoordigers van deze wetenschap in Europa en vond niet alleen geen antwoord op mijne vraag, maar kwam tot de overtuiging, dat in de paedagogie als wetenschap eene dergelijke vraag niet eens bestond; dat iedere paedagoog, voorstander van eene zekere school, onvoorwaardelijk geloofde in de juistheid van zijne methode. Kritiek daarop uit te oefenen zou een nuttelooze arbeid zijn geweest. En daarbij, waarschijnlijk omdat ik mij aan de opvoeding van ’t volk ging wijden zonder eenige voorbereidende studie, zonder er in de verste verte begrip van te hebben hoe ik moest onderwijzen, maar zelf in de dompige dorpsschool begon te schoolmeesteren, vestigde zich bij mij de overtuiging dat er een kriterium moest zijn volgens hetwelk de vraag konworden opgelost: ‘hoe en wat moet men onderwijzen: het psalmboek van buiten leeren of de grondbeginselen der natuurkunde? Het alfabet onderwijzen volgens de Duitsche- of volgens de oud-Slavische methode?’“Ik werd bij de oplossing van deze vraag geholpen door een weinig paedagogisch talent en doordat de zaak mij zoo zeer ter harte ging. Toen ik in onmiddellijke aanraking kwam met de veertig kleine boertjes, die mijn school bezochten (ik noem hen kleine boeren omdat zij alle karaktertrekken, zooals vlug begrip, praktischen zin, vroolijkheid, eenvoud en afwezigheid van alle valschheid aan den dag legden, die den Russischen boer eigen zijn), en zag hoe ontvankelijk zij waren voor de wetenschappen die zij noodig hadden, begreep ik tevens dat de oude kerkelijke methode van onderwijzen een verouderd standpunt was, dat niet meer voor hen deugde. Ik beproefde het op eene andere manier, en daar ik afkeerig ben van allen dwang, zette ik nooit door zoodra ik bemerkte dat de leerstof niet goed werd verwerkt. Deze proefnemingen bewezen mij, en ook den onderwijzers die volgens mijne vrije methode op de andere scholen te Jasnaja Paljana les gaven, dat bijna alles wat men in de paedagogische wereld over schoolzaken schrijft, geheel in strijd is met de werkelijkheid; dat er onder de aangenomen leervakken veel is, b.v. natuurkundige wetenschappen, aanschouwelijk onderwijs en andere, dat den leerlingen afkeer en spot inboezemt en dat zij niet kunnen verwerken. Toen begonnen wij naar leerstof te zoeken die gemakkelijk door de kinderen werd begrepen, en zoo vormde ik dus mijne eigene methode, die echter nog op één lijn stond met alle andere, terwijl de vraag waarom zij beter was ook nog onopgelost bleef.“....In dien tijd werden mijne paedagogische geschriften nog met de grootste onverschilligheid ontvangen. Men viel hier en daar over eene kleinigheid, maar voor het vraagstukzelf interesseerde men zich blijkbaar niet. Ik was toen nog jong en die koelheid deed mij veel verdriet. Ik begreep niet dat ik met mijne vraag ‘hoe en wat moeten wij onderwijzen?’ gelijk was aan den man, die in eene vergadering van Turksche pasha’s, beraadslagende over het vraagstuk: ‘hoe kunnen wij de meeste belasting innen?’ ten antwoord gaf: ‘mijne heeren, om te weten van wien en hoeveel belasting gij kunt eischen, moet gij eerst eene oplossing vinden voor de vraag: “waarop berust het recht, dat wij belasting eischen?”’“Waarschijnlijk hebben de pasha’s met een minachtend voorbijgaan van deze ongepaste vraag hunne beraadslagingen voortgezet.”1Uit Tolstoi’s brieven hebben wij gezien, hoe hij ook gedurende zijn verblijf in het buitenland vervuld was van zijne scholen.Met groote regelmatigheid wijdde Tolstoi zich, na zijne terugkomst in het voorjaar van 1861, aan de taak, die hij zich zelf had opgelegd, en in 1862 kon hij met tevredenheid constateeren, dat er op eene bevolking van 10,000 zielen, behalve de kerkelijke, reeds 14 nieuwe scholen verrezen waren. Ook in de omliggende districten nam het aantal scholen snel toe.....“De betaling voor deze scholen geschiedde eenvoudig volgens eene mondelinge afspraak met de ouders of met het bestuur van de boerenvereeniging. Iedereen zal moeten toestemmen, dat een dergelijke betrekking wel de meest gewenschte kan zijn die er tusschen onderwijzer eenerzijds en ouders of boeren anderzijds kan bestaan.”In een van Tolstoi’s paedagogische artikelen geeft hij eene zeer uitvoerige beschrijving van de oprichting zijner scholen.“De school wordt gehouden in een steenen huis van tweeverdiepingen. Er zijn twee schoolvertrekken, eene werkkamer en twee kamers voor de onderwijzers. Boven de stoep hangt onder een afdakje eene bel, en in de gang bevinden zich gymnastiek-toestellen. In de gang, die men het, even als de trappen, steeds kan aanzien dat zij veel beloopen wordt, hangt ook eene werklijst. Om acht uur stuurt de onderwijzer een’ jongen, die gewoonlijk bij hem overnacht, naar beneden om te luiden.“In het dorp is men reeds lang wakker, en een half uur nadat de bel weerklonken heeft doemen uit nevel en mist kleine figuurtjes op, die gezamenlijk, in clubjes van twee of drie, maar ook alleen, zich schoolwaarts spoeden. De leerlingen hebben sedert lang niet meer de behoefte om steeds als een kudde te zamen te loopen. Ook is het niet meer noodig hen op te wachten en hun toe te roepen: ‘kom kinderen,naschool’! Zij weten reeds dat men zegtnaarschool; zij weten reeds veel meer en, vreemd, als gevolg daarvan schuwen zij de eenzaamheid niet meer.“Niet slechts in zijne handen draagt de knaap niets mee, ook zijn hoofd is niet bezwaard. Het is voor hem geen verplichting, de lessen die hij gisteren gehad heeft, vandaag van buiten te kennen. Hij heeft geen angst voor de les die hem wacht. Hij komt, zoo als hij is, met zijn ontvankelijk gemoed, overtuigd dat het heden even prettig in school zal zijn als gisteren. Hij denkt niet aan zijne klasse voordat de school begonnen is. Nooit wordt het den kinderen verweten, zoo zij verzuimen, en als gevolg daarvan mist er nooit iemand, behalve misschien de grootste jongens, die in den drukken tijd vader moeten helpen, maar die ook dan nog dikwijls, hijgend van vermoeidheid, naar school komen. Is de onderwijzer nog niet aanwezig, dan wachten zij op de stoep, spelen of maken een glijbaantje. Als het te koud is gaan zij naar binnen en lezen of praten wat totdat de les begint. Dejongens en de meisjes bemoeien zich niet met elkaar, en zoo het al geschiedt, dan nooit met één afzonderlijk.“‘Hei meiskes, waarom maken jelui geen glijbaantje?’ ‘Zie eens hoe bevroren de meisjes er uitzien,’ of ‘meisjes, durf jelui met je allen mij alleen wel aan?’ Slecht één tienjarig meisje, met een bijzonder helder verstand, wordt door de jongens hunne opmerkzaamheid waardig gekeurd. Met deze ééne gaan zij om als met een’ jongen, alleen misschien een weinig beleefder en ingetogener.”In 1862 richtte Tolstoi het tijdschriftJasnaja Paljanaop, waarin verschillende opstellen voorkwamen over de theorieën, die op zijne eigenaardige scholen in praktijk werden gebracht.Wij zullen trachten een beknopt overzicht te geven van deze theorieën, door Tolstoi in de vier volgende rubrieken ingedeeld:1. Over de volksbeschaving. 2. Over de methodes om lezen en schrijven te leeren. 3. Opvoeding en beschaving. 4. Verdere ontwikkeling der beschaving.“De volksbeschaving,” zoo begint Tolstoi één van zijne eerste artikelen, “was en is voor mij altijd een onbegrijpelijk iets geweest. Het volk wil leeren en ieder afzonderlijk streeft onbewust naar ontwikkeling. De meer ontwikkelde klasse, de hoogere standen, evenals de regeering, streven er naar den minder bedeelden hunne kennis mede te deelen. Beide partijen zouden door die overeenstemming gebaat moeten zijn, maar het tegendeel is waar. Het volk verzet zich met alle kracht tegen de hulp, die de regeering en de hoogere standen, de vertegenwoordigers dus der meer ontwikkelde klasse, hun bieden, zoodat de inspanning der laatsten vruchteloos is.“Een van de redenen van dezen afkeer ligt in de wet op het lager onderwijs, dat in Europa grootendeels verplicht is geworden, d.w.z. dat men het volk dwingt lezen enschrijven te leeren, eene wet die men helaas bij ons in Rusland ook tracht in te voeren.Huis in het park Jasnaja Paljana, door Tolstoi als school gebruikt, 1860–’62.—Blz. 398.Huis in het park Jasnaja Paljana, door Tolstoi als school gebruikt, 1860–’62.—Blz.398.“Waar dwang wordt uitgeoefend ontwikkelt zich ook verzet.“Waarom bestaat er bij het volk verzet, terwijl het om beschaving vraagt, zelf zich tracht te ontwikkelen en de opvoeding voor heilzaam houdt?“Men moet zich bij eene dergelijke botsing afvragen: ‘wat is meer gewettigd, verzet of medewerking?’“De oplossing van dit vraagstuk is altijd ten gunste van den dwang uitgevallen, maar om te dwingen moet men toch goede gronden kunnen aanvoeren. En waar zijn die?” Hierop geeft Tolstoi het volgende antwoord:“Die gronden kunnen gevonden worden in: religie, filosofie, ervaring en historie,” hetgeen hij op de volgende wijze toelicht:“In den tegenwoordigen tijd, nu degodsdienstslechts zoo’n gering deel uitmaakt van onze beschaving, kan hij voor het jonge geslacht niet als dwangmiddel worden gebruikt.“Filosofischeargumenten kunnen ook niet als zoodanig worden aangemerkt. Alle filosofen, van Plato tot Kant, richten hun streven op één punt: de school te bevrijden van haar hinderlijken, historischen teugel, en in plaats daarvan datgene te vinden wat de mensch noodig heeft. De meer of minder goede resultaten van dit streven vormen den grondslag van hunne leer. Luther bracht den mensch er toe de Heilige Schrift in hare oorspronkelijke gedaante, zonder commentaar, te lezen. Bacon raadt aan, de natuur in de natuur te bestudeeren en de wijsheid niet uit de boeken van Aristoteles te halen. Rousseau wil het leven, zooals hij het begrijpt, door het leven leeren kennen en niet afgaan op verouderde proefnemingen. Iedere schrede die de filosofie voorwaarts doet, heeft ten doel op paedagogisch gebied de school te bevrijden van die theorieën over het onderwijs, die men vroeger voorde jeugd in toepassing bracht, en de aandacht op datgene te vestigen wat het opkomende geslacht noodig heeft.“Deze algemeene, doch zich zelf tegensprekende gedachte loopt door de geheele filosofie; algemeen, omdat allen meer vrijheid voor de school verlangen; zich zelf tegensprekend, omdat ieder paedagoog de wet stelt die op zijne eigen theorie is gegrond, en daarmee een hinderpaal is voor de vrijheid.“Deervaringop opvoedkundig gebied kan ons nog minder doen gelooven in de noodzakelijkheid van den paedagogischen dwang. Behalve dat het op zich zelf eene jammerlijke proefneming is, dat de school het kind verwart, zijne geestesgaven verminkt, het in den besten tijd zijner ontwikkeling aan zijn’ familiekring ontrukt, het zijn levenslust ontneemt en het maakt tot een gekweld, verschrompeld wezen, met eene uitdrukking van vermoeidheid, angst en verveling, werktuigelijk vreemde woorden uit een hem vreemde taal nazeggende,—behalve dat alles verkrijgt men geen resultaat, omdat het gebrek aan vrijheid elke mogelijkheid aan een’ goeden uitslag te niet moet doen.“De school moest het middel zijn voor de ontwikkeling en tevens de toetssteen voor het jonge geslacht om steeds beteren uitslag te verkrijgen. Slechts dan, als proefneming den grondslag der school vormt, als deze beschouwd wordt als een paedagogisch laboratorium, slechts in dat geval blijft de school niet ten achter bij den algemeenen vooruitgang en dan kan alleen die proefneming een hechten grondslag leggen voor wetenschappelijke ontwikkeling.“Dehistorischegronden zijn niet minder wankel. De vooruitgang in het leven, de techniek, de wetenschap gaan vlugger dan de vooruitgang op school; deze blijft dus meer en meer terug en wordt daarom slechter en slechter.”Op de bewering, dat de scholen goed zijn omdat zij bestaan en altijd bestaan hebben, antwoordde Tolstoi metde beschrijving zijner persoonlijke ervaring, opgedaan in Marseille, Parijs en andere West-Europeesche steden, die hem de overtuiging schonk, dat het grootste deel der volksontwikkeling niet in de scholen wordt verkregen maar in het leven, dat de kennis op straat, in vergaderingen, tentoonstellingen en uit de boeken opgedaan de schoolgeleerdheid verre te boven gaat.Ten slotte wendt Tolstoi zich met de volgende opmerking speciaal tot de Russische paedagogen. “Aangenomen, dat de Duitsche school, ondanks de fouten die haar aankleven, als historische proefneming is aan te bevelen, welke reden hebben wij, Russen, dan nog om eene volksschool te verdedigen, die wij niet hebben. Op welken historischen grond kunnen wij verdedigen dat onze scholen op dezelfde leest geschoeid moeten zijn als de West-Europeesche?“Wat moeten wij, Russen, in de naaste toekomst doen? Zullen wij overeenkomen als grondslag de meening der Fransche, Engelsche, Duitsche of Noord-Amerikaansche paedagogen over te nemen? Of zullen wij ons verdiepen in filosofie en psychologie om uit te vinden wat noodig is voor de ontwikkeling van den menschelijken geest en voor het opkomende geslacht, om dit naar ons begrip tot goede menschen te vormen? Of wel, moeten wij van de historische ondervinding gebruik maken, niet in den zin van het navolgen der oude gebruiken, maar zooals de geschiedenis van het menschelijk lijden ons dat geleerd heeft, en moeten wij eerlijk en oprecht erkennen, dat wij niet weten en niet kunnen weten wat de toekomstige geslachten noodig hebben, maar dat wij verplicht zijn deze behoeften te leeren kennen? Wij moeten niet het onontwikkelde volk verwijten, dat het onze ontwikkeling niet aan wil nemen, maar ons gebrek aan kennis en onzen trots, dat wij het naar ons beeld willen vervormen.“Laten wij toch het verzet van het volk tegen onze ontwikkelingniet beschouwen als een der paedagogie vijandig element, maar integendeel als eene uiting van goeden wil, die onzen arbeid moet leiden. Erkennen wij ten slotte die wet, die zoo duidelijk spreekt uit de historie der paedagogie en der ontwikkeling, dat, opdat de onderwijzer wete wat goed en wat slecht is, de leerling de volle vrijheid moet hebben zijne ontevredenheid te uiten, of minstens zich af te kunnen wenden van de ontwikkeling, die hem instinctief niet bevredigt; erkennen wij dat het kriterium enkel en alleen is—de vrijheid.”Het slot van dit artikel luidt:“Wij weten dat slechts enkelen zich door onze bewijzen zullen laten overtuigen. Wij weten dat onze overtuiging hierop berust, dat de eenige methode voor beschaving in proefnemingen bestaat, dat het eenige kriterium de vrijheid is. Voor den een is deze bewering doodalledaagsch, voor den ander eene onduidelijke, abstracte redeneering, voor een’ derde eene fantasie en eene onmogelijkheid. Wij zouden ons niet veroorloofd hebben de rust der paedagogen-theoretici te verstoren, en eene overtuiging te uiten die in tegenspraak is met de geheele wereld, indien wij ons wilden bepalen tot de uitgave dezer artikelen. Wij gevoelen echter dat wij in staat zijn om schrede voor schrede en feit voor feit de uitvoerbaarheid en de wettigheid van onze stoute overtuigingen te bewijzen, en aan dat doel alleen wijden wij het tijdschriftJasnaja Paljana.”In het eerste nummer van dit orgaan richt Tolstoi zich op de volgende wijze tot het publiek:“Aan het publiek.“Bij de betreding van dit voor mij nieuwe gebied word ik angstig voor mij zelf, zoowel als voor de denkbeelden aan welker voltooiing ik jarenlang gewerkt heb en die ik voor juisthoud. Ik ben reeds van te voren overtuigd dat vele van deze denkbeelden later zullen blijken dwalingen te zijn. Hoeveel moeite ik mij ook gaf, het onderwerp in zijn geheel te bestudeeren, zoo beschouwde ik het toch onwillekeurig van één zijde. Ik hoop dat mijne ideeën tegenspraak zullen uitlokken. Alle meeningen geef ik met genoegen eene plaats in mijn blad. Één ding slechts zou ik vreezen, n.l. dat het meeningsverschil ons verbitterde en de beschouwingen over het ons zoo dierbare onderwerp, de volksbeschaving, in spot, personenstrijd of journalistieke polemiek zouden kunnen ontaarden. Ik zeg niet dat spot en persoonlijkheden mij niet kunnen deren, dat ik meen daar boven te staan. Integendeel, ik erken dat ik bevreesd ben voor mij zelf, zoowel als voor de zaak; ik vrees dat ik mij dan ook zou laten meesleepen door persoonlijke polemiek, in plaats van mij rustig en onvermoeid aan mijn werk te wijden.“En daarom verzoek ik al mijne toekomstige tegenstanders, hunne meening op eene zoodanige wijze te uiten, dat ik eene verklaring kan geven en mijne bewijzen kan overleggen wanneer het meeningsverschil voortkomt uit een misverstand, en mijne instemming kan betuigen dáár waar mij bewezen wordt dat mijn inzicht niet juist is.“GraafL. Tolstoi.”In ieder nummer van het tijdschriftJasnaja Paljanawerden opgenomen: een of twee opstellen over de theorie der paedagogie; een overzicht van de werkzaamheden der scholen, die onder Tolstoi’s leiding stonden; bibliografie; eene beschrijving van de schoolbibliotheek, en—eene berekening van de uitgaven. Het bijblad bevatte grootendeels bellettristische lectuur. De spreuk: “Glaubst zu schieben und wirst geschoben,” stond als motto aan het hoofd van het blad.Het tijdschrift is eene bibliografische zeldzaamheid geworden. Behalve Tolstoi’s hoofdartikelen (opgenomen in deel IV van zijne verzamelde werken), bevatte het blad verschillende losse op- en aanmerkingen, beschrijvingen enz., die zeer belangrijk zijn voor den onderwijzer, voor den theoretikus zoowel als voor den praktikus.In een opstel over de methode om lezen en schrijven te leeren, zet hij als zijne meening voorop, dat het lezen en schrijven niet de eerste trap der beschaving is maar slechts een der hulpmiddelen. En iets dat niet de eerste plaats inneemt is ook niet de hoofdzaak.“Wanneer wij den eersten trap der beschaving willen vinden, waarom zoeken wij dien dan in het lezen en schrijven en waarom niet veel dieper? Waarom stil blijven staan bij één van detalrijkehulpbronnen dezer beschaving en daarin de alfa en de omega zien, terwijl het slechts een toevallig, weinig beteekenend middel is om haar te verkrijgen?“Het begrip ‘beschaving’ valt niet samen met het begrip ‘lezen en schrijven’.“Wij zien menschen die zeer goed op de hoogte zijn van de hoofdzaken der astronomie en wat daarop betrekking heeft, terwijl zij niet kunnen lezen of schrijven. Men ziet eenvoudig door het leven gevormde lieden bekwaam voor hun vak, met groote kennis en degelijk oordeel, die niet kunnen lezen en schrijven, en daarentegen personen die dit wel kunnen en ten gevolge hiervan geen nieuwe kundigheden hebben verworven.”Om te bewijzen dat de kennis van lezen en schrijven niet behoort tot de dagelijksche behoeften van het volk, verwijst Tolstoi ons naar den historischen gang van de ontwikkeling der inrichtingen van onderwijs.“Eerst ontstonden niet de lagere, maar de hoogere scholen: eerst de kloosterscholen, toen de middelbare, daarna de volksscholen.Het lezen en schrijven is de laagste trap van ontwikkeling in deze georganiseerde hiërarchie van de opleiding, of de eerste trap als men begint bij het einde. En daarom beantwoordt de laagste school slechts aan de eischen die de hoogste aangeeft. Er is echter nog een ander standpunt van waaruit gezien de volkschool eene zelfstandige inrichting is, niet verplicht de gebreken der hoogere scholen te dragen, een onafhankelijk doel hebbende, een doel genaamd: ‘de volksbeschaving.’“De school voor lezen en schrijven is voor het volk als een werkplaats en voldoet aan zijn begrensde behoeften; daarom is lezen en schrijven voor dat volk een zeker soort van handwerk of kunst.”Nadat Tolstoi ons de beteekenis van het lezen en schrijven, en de plaats die het in het volksleven inneemt, heeft aangewezen, gaat hij over tot de beschouwing van de verschillende methodes van dit onderwijs.De deugden en de gebreken van verschillende andere methodes ontledende, alleen even stilstaande bij de pedante Duitsche Lautier-Anschauungs-Unterrichtsmethode, komt Tolstoi tot het besluit, dat alle methodes goed en slecht zijn; dat de kunstvaardigheid en het talent van den onderwijzer den grondslag vormen van iedere methode, en ten slotte wendt hij zich met de volgende raadgevingen tot den onderwijzer:“Iedere onderwijzer in het lezen en schrijven moet één methode, die voor het volk begrijpelijk is, goed kennen en daarmee proeven nemen; hij moet verschillende methodes kennen, en die beschouwen als hulpmiddel; het niet begrijpen van den leerling moet hij niet aan dezen wijten, maar aan een gebrek in de methode, en hij moet dan trachten eene andere manier van onderwijzen uit te vinden. Iedere onderwijzer moet weten, dat iedere gekozen methode slechts eene trede is, die men moet gebruiken om hooger te komen; moet weten, dat, zoo hij dit verzuimt, een ander het doen zal; hijmoet weten, dat het geven van onderwijs eene kunst is die steeds hooger opgevoerd kan worden en waarvan het einde en de volmaking niet zijn te bereiken.”Nog vollediger en duidelijker ontwikkelde Tolstoi zijne denkbeelden over paedagogie in zijn geschrift:Opvoeding en Beschaving.In de eerste plaats constateert hij het feit, dat deze twee begrippen door het grootste deel der Russische en Europeesche paedagogen niet van elkaar worden onderscheiden. Daarop tracht hij het verschil aan te toonen en laat eene definitie volgen van de drie volgende hoofdbegrippen: beschaving, opvoeding en onderricht.“Beschavingin den ruimen zin van ’t woord is, volgens onze overtuiging, eene samenvoeging van de invloeden die den mensch ontwikkelen, hem eene ruimere wereldbeschouwing geven en hem nieuwe kennis schenken. De kinderspelen, het verdriet, de ouderlijke bestraffingen, boeken, het leeren (gedwongen of vrij), de kunst, de wetenschap, het leven, alles geeft beschaving.“Opvoedingis de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met het doel hem de algemeen aangenomen zeden en gebruiken te doen kennen.“Onderrichtis eene overgave van kennis van den eenen mensch aan den anderen (men kan onderwijs geven in het schaakspel, in geschiedenis, in het laarzenmaken). Het leeren is eene schaduw van het onderricht, is de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met het doel den leerling zekere physieke gewoonten te doen aannemen: het leeren zingen, timmeren, dansen, roeien en uit het hoofd iets opzeggen. Het onderricht en het leeren zijn middelen om te beschaven, zoo zij vrij zijn, en middelen om op te voeden, zoo het leeren gedwongen en het onderricht exclusief is, d.w.z. als de opvoeder slechts die vakken onderwijst, die hij noodig acht.“Opvoeding is gedwongen, beschaving is vrij. En van waar komt het recht tot dien dwang?“Dwang bij de opvoeding kan niet bestaan. Ik erken dien niet en hij wordt, werd en zal niet erkend worden door het geheele jonge geslacht, dat steeds en overal zich tegen gedwongen opvoeding zal verzetten.”Welke zijn de oorzaken van dezen dwang, dien het menschdom niet wil erkennen? Op deze vraag geeft Tolstoi het volgende antwoord:“Daar reeds sedert eeuwen abnormale verschijnselen, als dwang in de opvoeding en de beschaving, bestaan, moeten de oorzaken in de menschelijke natuur zijn vastgeworteld. Ik zie die oorzaken: 1. in het familieleven, 2. in de religie, 3. in den staat, 4. in de hoogere standen en bij ons in Rusland in de bekrompenheid van onze ambtenaren en onzen adel.”Zonder den drie eersten oorzaken recht van bestaan toe te kennen, zegt Tolstoi, dat hij ze toch begrijpen kan. “Het is moeielijk de ouders te verhinderen, dat zij trachten hunne kinderen op te voeden zooals zij zelf zijn opgevoed; het is moeielijk voor den geloovigen mensch zijn streven niet daarop te richten, dat het kind in datzelfde geloof opgroeit, en ten slotte is het moeielijk van de regeering te verlangen dat zij niet zou zorgen voor de vorming van de noodige ambtenaren.”Maar welk recht heeft de bevoorrechte liberale klasse het volk, dat haar vreemd is, op te voeden volgens eigen model? Dat kan slechts verklaard worden door het bestaan van een grof-egoïstisch misverstand.Waardoor ontstaat dit misverstand?“Ik denk,” zegt Tolstoi, “doordat wij de stem niet hooren die ons roept, en wij hooren die niet omdat zij niet spreekt uit boeken, noch van den katheder. Het is de machtige stem van het volk, waarnaar wij moeten luisteren.”Facsimile van een brief van Tolstoi, in 1860 geschreven.Facsimile van een brief van Tolstoi, in 1860 geschreven.En dan treedt hij in beschouwingen over het uitgangspuntvan dezen opvoedingsdwang, d.w.z. van de inrichtingen voor onderwijs, van de hoogste tot de laagste, en hij vindt bij haar geen troost voor de toekomst. Onze universiteiten onderwerpt hij aan eene bijzondere kritiek.Hoewel Tolstoi den beschavenden invloed van de universiteit niet geheel versmaadt, zegt hij toch:“Ik erken het recht van eene universiteit, als deze beantwoordt aan haar naam en aan haar grondbeginsel, n.l. lieden tot elkaar te brengen om elkaar wederzijds te beschaven. Zulke universiteiten, die wij officiëel niet kennen, bestaan en ontstaan in verschillende hoekjes van Rusland: in de universiteiten zelf, in de kringen der studenten. Hier komen menschen bij elkaar, men leest, spreekt met elkaar, en ten slotte regelt men de samenkomsten en de onderwerpen van gesprek. Dat is de ware universiteit. Onze hoogescholen zijn, ondanks den ijdelen klank harer liberale inrichting, instellingen die zich nergens door onderscheiden van de inrichtingen van onderwijs voor vrouwen en van de cadettenscholen.“Behalve alle afwezigheid van vrijheid en zelfstandigheid is hare grootste fout dat zij buiten het leven staan.“Zie, hoe de zoon van den landman leert landman, de zoon van den kerkdienaar, kerkdienaar, de zoon van den herder, herder te worden. Reeds van zijne jeugd af aan stelt hij zich op het juiste standpunt tegenover de menschen, de natuur en het leven. Reeds in zijne jeugd leert hij werkende, leert hij aldus te zorgen voor de materiëele zijde van het leven, d.w.z. zich zijn dagelijksch brood, kleeding en huisvesting te verschaffen.“Zie nu naar den student, ontrukt aan zijne familie, heengeworpen in eene vreemde stad, waar van alle kanten de verleiding lokt, zonder middel van bestaan (want hetgeen hij van zijne ouders krijgt reikt slechts voor het allernoodigste en wordt nog voor zijn genoegen uitgegeven), in een’ vriendenkring, die hem versterkt in zijne fouten, zonder leiding,zonder doel, ontrukt aan het oude leven en niet geschikt voor het nieuwe; ziedaar, op eene kleine uitzondering na, de omstandigheden van den student. Zij wordenonvermijdelijkòf ambtenaren, alleen ten gerieve van de regeering, òf ambtenaar-professoren, ambtenaar-letterkundigen, alleen ten gerieve van de hoogere standen; òf menschen zonder levensdoel, ontrukt aan hunne vroegere omgeving, met eene bedorven jeugd, geen plaats vindende in het leven, de zoogenaamde jongelui met eene akademische opleiding, de meer ontwikkelden, doch met een anderen naam, de opgewonden, ziekelijke liberalen.“De universiteit is de voornaamste van onze opvoedingsinrichtingen. Zij meent de grootste rechten te hebben in zake opvoeding, en de verkregen resultaten leveren ons het bewijs van de onwettigheid en het onbestaanbare van haaropvoedingssysteem. Slechts van het gezichtspunt der hoogere standen kan men genoegen nemen met de vruchten die zij oplevert. De universiteit vormt geen lieden die noodig zijn voor het geheele menschdom, doch alleen personen die onontbeerlijk zijn voor de bedorven hoogere kringen der maatschappij.”Tolstoi heeft op deze radikale stellingen eenige tegenspraak verwacht van menschen die het nieuwe schuwen, en sluit daarom zijn artikel met het volgende antwoord:“Maar wat moeten wij doen? Moeten wij dan werkelijk geene lagere scholen, geen gymnasium, geen colleges over het Romeinsche recht hebben? ‘Wat moet er dan van het menschdom worden?’ hoor ik vragen; ‘dat alles zal er dus niet zijn, indien de leerling het zelf niet verlangt en gij zult hen niet tot goede menschen kunnen vormen. Maar kinderen, weten toch niet altijd, wat zij noodig hebben; kinderen vergissen zich enz.’ Ik laat mij niet in met een dergelijken strijd; die zou ons leiden tot de vraag: staat in dezen demenschelijke natuur boven het menschelijk oordeel? Dat weet ik niet en op dat standpunt plaats ik mij niet. Ik beweer slechts, dat, als wij inderdaad kunnen weten wat wij moeten onderwijzen, niemand mij kan verhinderen onzen Russischen kinderen de Fransche taal te leeren, de middeleeuwsche genealogie en zelfs de kunst om te stelen. En ik zal dit alles bewijzen, precies zooals gij het hebt bewezen. ‘Dus moet er geen gymnasium en geen Latijnsche taal zijn? Wat moeten wij dan wel doen?’ hoor ik weder.“Maak u niet bezorgd. Latijn en rhetorica zullen blijven, nog honderden van jaren, en zij zullen er zijn slechts daarom, omdat het geneesmiddel gekocht is en men het moet innemen, zooals een zieke zegt. Over nauwelijks honderd jaren zal mijne gedachte, die ik misschien onklaar en onduidelijk weergeef, algemeen eigendom zijn geworden. Na nauwelijks honderd jaren zullen zij zijn verdwenen, al deze inrichtingen: de lagere scholen, de gymnasia en de universiteiten, en zullen er vrije instellingen verrijzen, gegrond op de vrijheid van het leerende geslacht.”Natuurlijk werden deze vermetele gedachten niet aangenomen door de paedagogen, die omstreeks 1860 de opvoeders waren van de hoogere, zoowel als van de lagere standen. De beleedigde wetenschap heeft deze denkbeelden zelfs geen tegenspraak waardig gekeurd. In deVerzamelde Kritieken over Tolstoivan Zelinski, die met zorg zijn samengesteld, vinden wij slechts twee ernstige opstellen gewijd aan het tijdschriftJasnaja Paljanaen aan Tolstoi’s school. Deze kritieken werden in 1862 opgenomen in denSawremjennik. Op een van deze kritieken, geschreven door Markoff, heeft Tolstoi in zijn blad geantwoord onder het opschrift: “Vooruitgang en verdere ontwikkeling der beschaving.”Markoff zegt o.a. in zijne kritiek, dat een paedagogischedwang gerechtvaardigd is, dat hij dus de vrije ontwikkeling een recht van bestaan toekent en dat hij de tegenwoordige systemen van opvoeding bevredigend acht. De praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana, welke door den schrijver ten zeerste worden bewonderd, is volgens zijne meening in tegenspraak met de theorieën van hunnen stichter en leider.Tolstoi herhaalt in zijn antwoord aan Markoff wat hij reeds vroeger heeft gezegd en komt tot de gevolgtrekking, dat zij in hoofdzaak daarom niet overeenstemmen, omdat Markoff aan den vooruitgang gelooft en hij niet.Zijn ongeloof aan den vooruitgang verklaart Tolstoi op de volgende wijze:“Door de geheele menschheid (zegt een historikus die aan vooruitgaan gelooft) gaat sedert onheugelijke tijden een proces van vooruitgang, en hij voert als bewijsgrond hiervoor aan: Engeland in 1685 vergeleken bij het Engeland van den tegenwoordigen tijd. Doch, zelfs indien men kan bewijzen dat de gesteldheid van Rusland, Frankrijk en Italië in den tegenwoordigen tijd gunstiger is dan die van het vroegere Rome, Griekenland en Karthago, dan verbaast mij toch steeds de volgende onbegrijpelijke omstandigheid. Men neemt een wet aan voor de geheele menschheid, terwijl men slechts eene vergelijking maakt tusschen kleine onderdeelen. Men zegt: ‘vooruitgang is eene algemeene wet voor de geheele menschheid’, maar slaat daarbij geen acht op Azië, Amerika, Afrika, en Australië, op millioenen menschen. Wij bemerken de wet van vooruitgang in het hertogdom Hohenzollern-Sigmaringen, met eene bevolking van 2000 zielen; wij weten dat China met zijn 200 millioen inwoners onze geheele theorie van den vooruitgang verwerpt, en toch twijfelen wij er geen oogenblik aan, dat de vooruitgang eene algemeene wet is voor de menschheid; dat wij, die daaraan gelooven, gelijk, en zij die het ontkennen, ongelijk hebben, en wij gaanmet geweren en kanonnen naar de Chineezen om hun het begrip van den vooruitgang te brengen. Het gezonde verstand zegt mij, dat, zoo het grootste gedeelte van het menschdom, het zoogenaamde Oosten, de wet van den vooruitgang niet erkent, maar haar integendeel verwerpt, die wet niet bestaat voor de geheele menschheid, maar dat er slechts een geloof in den vooruitgang bestaat bij een zeker gedeelte der menschen. Ik, evenals alle menschen, die vrij zijn van het bijgeloof in den vooruitgang, zie slechts dat het menschdom bestaat en dat de herinneringen aan het verleden evenveel worden vergroot, als zij verloren zijn gegaan, dat het werk van vorige geslachten dikwijls den grondslag vormt van nieuwen arbeid maar ook dikwijls een hinderpaal daarvoor is, dat de welstand der menschen hier in een enkel opzicht grooter, daar in een ander opzicht kleiner wordt. Hoe gaarne ik het ook zou wenschen, ik kan geen wet vinden voor het menschdom in het algemeen en ik ben van oordeel, dat men de geschiedenis even gemakkelijk aan het begrip van den voor- als van den achteruitgang kan onderwerpen, of aan iedere andere historische fantasie. Ik ga verder. Ik zie de noodzakelijkheid niet in, afgezien van de onuitvoerbaarheid van het plan, algemeene wetten in de geschiedenis te gaan zoeken. De algemeene, eeuwige wet is neergeschreven in de ziel van iederen mensch. De wet van den vooruitgang of der volmaking is ook neergelegd in de ziel van den mensch, en slechts als gevolg van eene begripsverwarring zoekt men haar in de geschiedenis. Wanneer die wet individueel gedacht wordt, wordt zij vruchtdragend; in de geschiedenis overgebracht wordt zij een leeg begrip, een ijdele klank, leidende totabstracteredeneering, ieder fatalisme rechtvaardigend.“De vooruitgang van de menschheid in ’t algemeen is een niet bewezen en niet bestaand feit voor alle Oostersche volken; daarom is de bewering dat de vooruitgang eene wet is voorde geheele menschheid even ongegrond, als de verzekering dat alle menschen blond zijn, behalve degenen die donker zijn.”2De theorieën, neergeschreven in dit hoofdstuk, zijn ontleend aan een uitvoerig opstel over dit onderwerp, dat wij niet in zijn geheel hebben aangehaald, omdat het ons hier te ver zou voeren. Vóor wij echter van dit onderwerp afstappen, laten wij nog een uittreksel volgen van een artikel, getiteld:Ontwerp voor een algemeen plan tot stichting van volksscholen, waarin Tolstoi eene geestige kritiek levert op een in 1862 van regeeringswege uitgekomen reglement op schoolzaken.Deze kritische beschouwing kan men samenvatten in de volgende uitspraken.“In de grondgedachte van het reglement ligt het Amerikaansche systeem, het volk te verplichten schoolbelasting te betalen, terwijl de regeering de zorg voor de instandhouding der school op zich neemt. Dezelfde regeling evenwel kan goed zijn in eene demokratische republiek en slecht in een despotisch bestuurd keizerrijk, waar de wet, die ‘den wil van het volk’ uitdrukt, veranderd is in eene uitoefening van ruwen dwang.“De onuitvoerbaarheid van dit reglement ligt hierin, dat de ontwerpers bij eene volkomen afwezigheid van kennis van het Russische volksleven, het plan niet in overeenstemming hebben gebracht met de behoeften van het volk.“De reglementeering van de volksontwikkeling, neergelegd in deze verordening, is eene rem voor de reeds bestaande, zich uitbreidende vrijheid der volksontwikkeling.”Aan het slot van dit vluchtig overzicht van Tolstoi’s paedagogische theorieën geven wij als onze meening, dielijnrecht staat tegenover Markoff’s uitspraak, dat de praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana niet in tegenspraak is met deze theorieën, maar zich integendeel onmiddellijk daarbij aansluit.De beschrijving, die Tolstoi geeft van zijne scholen te Jasnaja Paljana, laten wij hier als auto-biografisch materiaal volgen.1L. N. Tolstoi,Volksontwikkeling.2L. Tolstoi.Verzamelde werken, deel IV.

Dertiende hoofdstuk.Tolstoi en Toerghenjeff.—Vrederechter.Zooals reeds in het vorige hoofdstuk is gezegd, reisde Tolstoi van Berlijn naar St.-Petersburg. Begin Mei vertrok hij naar Moskou en spoedig daarna kwam hij terug in Jasnaja Paljana.Rusland vierde feest bij den aanvang van het nieuwe tijdperk, de afschaffing van de lijfeigenschap.Alles wat het bezat aan intellectueele en vooruitstrevende personen nam deel aan de ingrijpende gebeurtenissen, en een van de eersten was natuurlijk Leo Tolstoi.Door het werkzaam aandeel, dat hij nam in alle takken van het maatschappelijk leven, werd zijn bestaan zoo veelzijdig, dat wij gedwongen zijn de door ons aangenomen chronologische volgorde te verlaten en over te gaan tot een overzicht van zijne werkzaamheden, die, hoe verschillend ook van aard, in zekeren zin toch steeds voeling hielden met zijn particulier en familieleven.Zijne bezigheden in de maatschappij, waarop wij later zullen terugkomen, waren tweeërlei: de administratieve werkkring van scheids- en vrederechter en zijne bemoeiingen met de volksschool, benevens het schrijven zijner paedagogische opstellen.Voor wij tot de behandeling van bovengenoemde werkzaamheden overgaan, moeten wij ons nog eenige oogenblikken met den particulier Tolstoi bezighouden.Tolstoi had zich voorgenomen op de terugreis zijne beide buren Fet en Toerghenjeff op te zoeken. Naar aanleiding daarvan ontspon zich de volgende correspondentie tusschen de beide laatsten:“Fetticarissime!“Hierbij ingesloten zend ik u een briefje van Tolstoi, dien ik juist heb geschreven, dat hij beslist in ’t begin van de volgende week moet komen. Gezamenlijk doen wij dan een’ inval in uw Stjepanowska, nu de nachtegalen nog zingen en de lente lacht met haren liefsten glimlach. Ik hoop dat hij mijne roepstem zal volgen en spoedig hier zal zijn. In ieder geval kunt gij mij in ’t eind van de volgende week verwachten. Houd u verder goed, wind u niet op, denk aan de woorden van Goethe: ‘Ohne Hast, ohne Rast’, en werp onderwijl nog eens een’ enkelen blik naar uwe verlaten muze.”Ingesloten was het volgende briefje van Tolstoi:“Lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!“In gedachten omhels ik u hartelijk voor uwen brief, voor uwe vriendschap, en daarvoor dat gij ‘Fet’ zijt. Toerghenjeff te ontmoeten vind ik aangenaam, maar u weer te zien verheugt mij tienmaal meer. Hoe lang is ’t niet geleden dat wij elkaar gesproken hebben, en wat is er in dien tijd al niet gebeurd! Het doet mij toch zoo veel genoegen, dat gij u aan ’t landleven hebt gewijd, en ik ben er trotsch op, dat ik daar ook een weinig toe heb meegewerkt. Maar ben ik eigenlijk de persoon om u raad te geven? Een vriend is goed, maar hij kan sterven, weggaan; men kan hem uit het oog verliezen. De natuur echter, waarmee wij ons voor immer hebben verbonden, hetzij dan door eene koopacte, of wel door geboorte en erfenis, is beter. Zij is koud, ongevoelig, veeleischend, maar daarbij blijft zij ons trouw tot aan dendood, en als wij sterven gaan wij in haar over. Ik daarentegen heb mij van haar afgekeerd, mij wachten andere bezigheden; maar indien ik niet wist dat zij om mij heen is, dat ik mij maar behoef om te wenden om haar te grijpen, dan zou mijn leven treurig zijn. God schenke u zijn’ zegen, opdat gij vreugde moogt beleven van uw Stjepanowka! Dat gij schrijft en zult schrijven, daaraan twijfel ik niet. Ik druk uwe vrouw de hand; zeg haar dat zij mij niet moet vergeten. Het zou al heel ongelukkig moeten loopen, zoo ik dezen zomer niet bij u kwam; wanneer echter, dat weet ik niet.”“Ondanks de vriendelijke belofte,” schrijft Fet, “was de verschijning van een rijtuig, dat vlug nader kwam en weldra voor het huis stilhield, eene groote verrassing voor ons en met vreugde begroetten wij Toerghenjeff en Tolstoi. Het is niet te verwonderen dat de aanblik van het landgoed, armoedig als het er toen nog uitzag, Toerghenjeff de woorden ontlokte: ‘Wij keken en keken en konden uw huis maar niet ontdekken. Eindelijk zagen wij een’ vetten pannekoek om een’ wijsvinger, en ziedaar Stjepanowska!’“Terwijl de gasten uitrustten en de gastvrouw de twee uren, die haar nog restten vóór het middagmaal, gebruikte om alles een feestelijk aanzien te geven, onderhielden wij ons zóó levendig als dat slechts mogelijk is tusschen menschen, die nog niet levensmoe zijn....”Een betreurenswaardig feit maakte aan dit samenzijn een ontijdig einde; er brak n.l. een twist uit tusschen Toerghenjeff en Tolstoi. Deze gebeurtenis is tamelijk juist door Fet in zijneHerinneringenweergegeven; wij laten de beschrijving hier volgen, aangevuld en zoo noodig verbeterd, met gebruikmaking van ander vertrouwbaar materiaal.”’s-Morgens, op onzen gewonen tijd,” zoo vertelt Fet, “d.w.z. om acht uur, kwamen onze gasten in de eetkamer, waar mijne vrouw, gezeten aan ’t eene eind van de tafel, achter densamowar, en ik aan ’t andere, hen reeds opwachtten. Toerghenjeff zat rechts, Tolstoi links van mijne vrouw, die, wetende, dat haar rechterbuurman groote waarde hechtte aan de opvoeding zijner dochter, dezen vroeg of hij met de nieuwe Engelsche gouvernante tevreden was. Hij putte zich uit in lofredenen en vertelde o.a., dat zij met echt Engelsche nauwgezetheid hem eene som gelds had gevraagd, die zijne dochter uitsluitend moest aanwenden voor liefdadige doeleinden.“‘En nu,” vervolgde Toerghenjeff, “verlangt de gouvernante dat mijne dochter de oude kleedingstukken van arme menschen eigenhandig verstelt en zelf aan de eigenaars terug brengt.’“‘En vindt gij dat goed?’ vroeg Tolstoi.“‘Zeker, dat leert haar weldadig zijn en brengt haar in aanraking met de behoeftigen.’“‘En ik vind, dat een jong, mooi-aangekleed meisje, dat daar met een vuil, slecht-riekend kleedingstuk op haar schoot zit, comedie speelt.’“‘Ik verzoek u, dat niet te herhalen,’ stoof Toerghenjeff op, trillend van woede.“‘Waarom zou ik mijne meening niet zeggen?’ antwoordde Tolstoi.“‘Gij wilt dus zeggen, dat ik mijne dochter eene slechte opvoeding geef?’“Tolstoi antwoordde hierop, dat hij eenvoudig uitte wat hij dacht en geen persoonlijkheden bedoelde.”Voordat Fet den tijd had tusschen beiden te komen, zeide Toerghenjeff, wit van drift: “En als je dat wilt zeggen, dan zal ik je een slag in je gezicht geven.” Bij die woorden vloog hij met de handen aan zijn hoofd de kamer uit. Een oogenblik daarna keerde hij terug, en, zich tot mevrouw Fet wendende, zeide hij: “Vergeef mij om Gods wil mijn onbehoorlijkgedrag, waarvan ik diep berouw heb.” Daarop verliet hij de kamer weer.Kort daarna vertrokken de gasten.Tolstoi schreef van het station Nowosjelok een’ brief aan Toerghenjeff die een eisch tot genoegdoening behelsde; daarop reisde hij verder naar Bogoeslaff, een station dat halfweg het landgoed van Fet en Nikolski, eene bezitting van de Tolstoi’s, ligt. Vandaar liet hij pistolen halen, en daar er nog geen antwoord op zijn schrijven was gekomen stuurde hij Toerghenjeff een’ tweeden brief die eene formeele uitdaging bevatte. Tevens gaf hij den wensch te kennen, niet te duelleeren zooals schrijvers dat gewoonlijk doen, d.w.z. dat twee schrijvers een’ derden en ook pistolen meenemen, en dat alles eindigt met champagne, maar dat hij een ernstig duel verlangde. Daarom verzocht hij Toerghenjeff gewapend in het bosch van Bogoeslaff te komen.Tolstoi ging niet slapen, maar bleef den geheelen nacht wachten. Eindelijk kwam er antwoord op den eersten brief. Toerghenjeff schreef:“Geachte Heer Leo Nikolajewitsch!“In antwoord op uwen brief kan ik slechts herhalen, wat ik mij reeds bij Fet verplicht achtte te zeggen. Meegesleept door een onwillekeurig vijandig gevoel (’t is hier niet de plaats dit nader te omschrijven), beleedigde ik u zonder eenige aanleiding uwerzijds, en vroeg u daarna om verschooning. Hetgeen vanmorgen gebeurd is toont duidelijk aan, dat iedere toenadering tusschen twee zulke tegenstrijdige naturen als de onze tot niets kan lijden. Ik doe des te liever de schuld af, die ik mij tegenover u bewust ben, omdat deze brief waarschijnlijk het laatste levensteeken zal zijn, dat tusschen ons gewisseld wordt. Van ganscher harte hoop ik dat dit schrijven u moge bevredigen, en ik verklaar u van te vorenmijne instemming met het gebruik dat gij er van wilt maken.“Met de meeste hoogachting heb ik, geachte heer, de eer te zijn“27 Mei 1861, Spasskoje.“Uw dw. dn.Iwan Toerghenjeff.”Hierbij was het volgend bijschrift:“10½ uur ’s-nachts.“Iwan Petrowitsch brengt mij daar juist mijn’ brief terug die, door de domheid van mijn’ bediende, te Nowosjelok in plaats van te Bogoeslaff is bezorgd. Wil deze nalatigheid verontschuldigen. Ik hoop dat nu mijn bode u nog te Bogoeslaff zal treffen.”Waarschijnlijk dienzelfden dag nog schreef Tolstoi aan Fet:“Ik kon mij niet weerhouden den brief van den heer Toerghenjeff (een antwoord op mijn’ brief) te lezen. Ik wensch u in uwe verhouding tot dien heer het allerbeste, maar ik veracht hem en heb hem dat ook geschreven; daarmee is alles tusschen ons uit, behalve natuurlijk indien hij genoegdoening vordert. Hoewel ik uiterlijk kalm was stormde het in mij en verlangde ik eene betere verontschuldiging van dien heer, hetgeen ik hem in mijn’ brief van Nowosjelok heb geschreven. Hier is zijn antwoord, waarmee ik genoegen neem, hetgeen ik hem ook te kennen heb gegeven, onder bijvoeging, dat de reden waarom ik zijne verontschuldiging aanneem niet ligt in onze tegenstrijdige naturen, maar in eene oorzaak die hij zelf begrijpen kan. Bovendien zond ik tengevolge van het oponthoud een tweeden scherpen brief, waarin ik hem uitdaagde, maar waarop ik geen antwoord ontving. Indien het nog komt, zal ik den brief ongeopend terugzenden. En dit is nu het einde van deze treurige geschiedenis, waaraan gij, zoo zij over uwen drempel mocht gaan, het bovenstaande moet toevoegen.“L. Tolstoi.”Op de uitdaging antwoordde Toerghenjeff het volgende:“Uw bediende zegt, dat hij op antwoord moet wachten, maar ik zou niet weten wat ik aan mijn eerste schrijven nog zou kunnen toevoegen. Misschien dit, dat ik u het volste recht toeken mij uit te dagen. Gij hebt er de voorkeur aan gegeven mijne uitgesproken en herhaalde verontschuldigingen aan te nemen. Gij hebt het zoo gewild. Ik geef u de oprechte verzekering, dat ik mij gaarne aan uw schot zou hebben blootgesteld, om daardoor mijne inderdaad zinnelooze woorden uit te wisschen. Hetgeen ik tegen u gezegd heb wijkt zoo af van mijne gewone wijze van doen, dat ik het slechts kan toeschrijven aan een gevoel van verbittering, dat ontstaan is door onze geheel tegenstrijdige inzichten. Dit is geene verontschuldiging; ik wil mij niet rechtvaardigen; het is slechts eene verklaring. En daarom moeten onze wegen zich scheiden. Dergelijke gebeurtenissen laten zich niet uitwisschen, maar ik acht het mijn plicht, nogmaals te herhalen, dat gij in deze zaak gelijk en ik schuld heb. Ik voeg hier nog bij dat in dit geval het zwaartepunt niet ligt in den moed dien ik u al of niet wil toonen, maar in de bekentenis dat gij zoowel het recht hebt mij uit te dagen (natuurlijk in den aangenomen vorm, met secondanten) als om mij te vergeven. Gij hebt gekozen wat gij goed vondt, en mij past het mij naar uw besluit te voegen.“Wederom verzoek ik u de betuiging mijner oprechte hoogachting te aanvaarden.“Iw. Toerghenjeff.”Waarschijnlijk stelde Fet pogingen in het werk, zijne beide vrienden te verzoenen, want in zijneHerinneringenschrijft hij:“Tolstoi zond mij het volgende briefje:“‘Toerghenjeff...., hetgeen ik u verzoek hem even nauwkeurig over te brengen als gij mij zijne welwillende meeningmededeeldet, hoewel ik u uitdrukkelijk verzocht had niet meer over hem te spreken.“‘GraafL. Tolstoi.’“‘Ik verzoek u mij niet meer te schrijven, daar ik uwe zoomin als zijne brieven zal openen.’”“Ik behoef wel niet te zeggen,” vervolgt Fet, “dat ik mijn uiterste best deed om deze kwestie, die helaas in mijn huis begonnen was, tot een goed einde te brengen.“Ik herinner mij nog in welk een onbeschrijflijk ironische woede Nikolaas Nikolajewitsch Toerghenjeff geraakte, toen hij van ’t geval hoorde. ‘Welk eene dwaasheid,’ riep hij uit, ‘te verlangen, dat iedereen zal denken zooals wij zelf! Maar zijt gij eenmaal begonnen, zet dan de zaak ook door tot aan het einde, met het pistool in de hand.’ Zoo sprak hij tot mij; wat hij tegen Iwan Toerghenjeff heeft gezegd, is mij niet bekend.“Het slot van de zaak was, dat het tot een formeele breuk kwam tusschen Tolstoi en mij, en tot op dit oogenblik weet ik nog niet, of onze verhouding weer vriendschappelijk is geworden.”“Eenigen tijd later,” vertelt gravin Tolstoi, “gebeurde het, dat Tolstoi in eene van die verheven gemoedsstemmingen geraakte, die men nu en dan bij hem kon waarnemen. Hij was dan verdraagzaam, liefdevol en vervuld van de begeerte om naar het goede en het allerhoogste te streven. Als hij in dien toestand verkeerde, kon hij het niet verdragen een’ vijand te hebben. En daarom zond hij den 25stenSeptember aan Toerghenjeff een’ brief, waarin hij zijne spijt uitdrukte dat hunne verhouding vijandig was. Hij schreef:“‘Zoo ik u beleedigd heb, vergeef het mij dan, het is mij eene oneindig treurige gedachte te weten dat ik een vijand heb.’”Dit schrijven werd naar den boekhandel van Dawidoff gestuurd, waarmee Toerghenjeff in relatie stond. Om de eene of andere reden werd de brief niet dadelijk doorgestuurd en nu gebeurde het, dat juist in dien tijd Toerghenjeff een onaangenaam gerucht ter oore kwam, waarvan hij Fet in den volgenden brief mededeeling deed.“Parijs, 8 November.“....En nu nog een woord over die ongelukkige historie met Tolstoi. Ik reisde over Petersburg en hoorde van ‘vertrouwbare personen’ (o, die vertrouwbare personen!) dat eene copie van mijn laatsten brief (waarin hij mij zijne verachting te kennen geeft) in Moskou door hem zelf zou zijn verspreid. Het maakte mij razend, en ik heb hem eene uitdaging gezonden om, zoodra ik weer in Rusland zal zijn, met hem te duelleeren. Tolstoi antwoordde dat het verspreiden van dien brief een praatje is en voegde er bij dat, hoewel ik hem had beleedigd, hij mij om verontschuldiging verzocht, en dat hij van het duel afzag. Natuurlijk moet ik er nu ook genoegen mee nemen, maar nu vraag ik u hem te willen mededeelen (hij schreef mij immers vroeger dat hij ieder bericht van mij aan hem als eene beleediging zou opnemen), dat ik zelf afstand doe van het recht om met hem te duelleeren, en dat ik hoop dat deze gebeurtenis nu voor goed begraven is. Zijn’ brief met verontschuldigingen heb ik vernietigd en den anderen, dien hij mij door Dawidoff had gestuurd, heb ik niet ontvangen. En daarmee basta.”In Tolstoi’s dagboek vinden wij over deze zaak:“October. Gisteren ontving ik een’ brief van Toerghenjeff, waarin hij mij beschuldigt hem voor een’ lafaard te hebben uitgemaakt en copieën van zijne brieven te hebben verspreid. Ik heb hem geschreven dat dit praatjes zijn en zond hem bovendien den volgenden brief: ‘Gij hebt mijn optredeneerloos genoemd; vroeger hebt gij mij in het gezicht willen slaan, en ik erken dat ik schuld heb, vraag u om verschooning en wensch niet meer te duelleeren.’”Gravin Tolstoi schrijft in hare aanteekeningen, dat deze brief werd geschreven met de gedachte, dat zoo Toerghenjeff zich niet persoonlijk kon wreken, en toch tegenover het publiek in zijne eer hersteld moest worden, hij dezen brief kon gebruiken. Tolstoi stond boven dergelijke zaken, en het oordeel der menschen verachtte hij. Toerghenjeff toonde zich nu klein, en antwoordde dat hij zich voldaan achtte.Den 7denJanuari schreef Toerghenjeff nogmaals aan Fet:“....En nu ter zake. Hebt gij Tolstoi gezien? Eerst heden ontving ik den brief, dien gij mij in September door bemiddeling van Dawidoff stuurdet. (Wat zijn die Russische zakenmenschen accuraat!) Hierin schrijft hij dat hij mij heeft willen beleedigen en biedt hij mij zijne verontschuldiging aan. En in dien zelfden tijd stuurde ik hem, opgewonden door ’t gepraat van anderen, eene uitdaging voor een duel.“Uit een en ander maak ik de gevolgtrekking dat onze gesternten zich in tegengestelde richtingen bewegen, en daarom is het beter, zooals hij zelf ook inziet, eene ontmoeting te vermijden. Maar gij kunt hem schrijven, of zeggen, dat ik hem, wanneer wij ver van elkaar zijn, acht en liefheb, en met belangstelling zijne loopbaan volg, maar dat dit alles verandert zoodra wij bij elkaar zijn. Wat kan men daaraan doen! Wij moeten maar denken dat wij ieder op een verschillende planeet of in eene andere eeuw leven.”Leo Tolstoi in 1860, toen hij in het buitenland vertoefde.—Blz. 343.Leo Tolstoi in 1860, toen hij in het buitenland vertoefde.—Blz.343.Waarschijnlijk heeft Fet er met Tolstoi over gesproken en daardoor opnieuw diens misnoegen opgewekt, hetgeen hij aan Toerghenjeff heeft geschreven, waarop deze den volgenden brief zond.“Januari 1862.“Waarde Afanasie Afanasjewitsch!“Allereerst vraag ik u excuus voor al de onaangenaamheden, die mijn brief u bezorgd heeft. Mijne eenige verontschuldiging is, dat ik niet had voorzien dat Tolstoi de zaak zoo op zou nemen, maar dat ik integendeel had gedacht haar tot een goed einde te brengen. Het schijnt echter beter het geval geheel te laten rusten. Nogmaals, vergeef mij wat ik onwillekeurig misdeed.”En hiermede eindigen wij de beschrijving van deze ongelukkige gebeurtenis, die plotseling eene scheiding veroorzaakte tusschen twee groote mannen, doch waaruit misschien later eene zuiverder verhouding zou ontstaan.Wij kunnen hier nog bij voegen dat de wijze, waarop Garschin dezen twist in het Januari-nummer van den Historischen Bode beschreven heeft, niet juist is. Waarschijnlijk heeft hij niet uit zuivere bronnen geput.In de jaren 1861 en ’62 bekleedde Tolstoi het ambt van vrede- en scheidsrechter in een deel van het district Krapiwenski.De roep, die van hem uitging, dat hij zijne boeren niet uitzoog en uitmergelde, was bijna een hinderpaal geworden voor zijne bevestiging in bovengenoemd ambt. Hierover ontspon zich eene uitvoerige correspondentie, waarvan wij slechts de belangrijkste stukken laten volgen.De gouvernements-adelmaarschalk beklaagde zich o.a. bij den minister van binnenlandsche zaken over den gouverneur van Toela, die Tolstoi tot vrede- en scheidsrechter had benoemd. Hij wees er op, dat de geringe overeenstemming tusschen Tolstoi en den overigen adel van Toela, in zake landhuishoudkunde, aanleiding kon geven tot ongewenschte botsingen tusschen de leden van het lichaam waar Tolstoinu deel van uitmaakte. Daarbij zou de benoeming zijn geschied met verwaarloozing van eenige daaraan verbonden formaliteiten.De minister antwoordde daarop, dat de zaak waarschijnlijk op een misverstand berustte en onderzocht zou worden.Op eene aan hem gerichte vraag antwoordde luitenant-generaal Daragan, de gouverneur van Toela, in een confidentiëel schrijven, o.a. het volgende:“Ik ken graaf Tolstoi persoonlijk als een beschaafd, ontwikkeld mensch, die zeer veel voor de bewuste zaak voelt. Daarbij hebben verschillende landeigenaren uit dit district mij hun’ wensch te kennen gegeven, graaf Tolstoi als scheidsrechter benoemd te zien, zoodat er voor mij geen reden bestaat hem door een ander, mij onbekend, persoon te vervangen. Ook heeft de voorganger van Uwe Excellentie, onder vele andere invloedrijke personen, mijne aandacht op hem gevestigd.”Zoo bleef Tolstoi dus in zijn ambt gehandhaafd en uit de stukken, die ons zijn geworden, blijkt, dat hij met al de kracht die in hem was trachtte het volk te vrijwaren voor de groote willekeur der landeigenaren en politie-ambtenaren, zoodat de vrees van den adel voor zijne benoeming niet ongegrond bleek te zijn.Wij zullen hier eenige voorbeelden van zijne werkzaamheid laten volgen.Eene landeigenares, eene zekere Artjoechowa, beklaagde zich dat een gewezen stalknecht van haar was weggegaan, omdat hij volgens zijne verklaring “een volkomen vrij man” was.Tolstoi antwoordde hierop:“Mark kan volgens mijne uitspraak met zijne vrouw gaan waarheen hij wil. Beleefd verzoek ik u nog het volgende: hem schadevergoeding te geven voor de diensten, die gij gedurende drie maanden wederrechtelijk van hem genoten hebt,alsook voor de slagen zijne vrouw toegebracht, hetgeen nog meer tegen de wet is. Indien gij geen genoegen neemt met mijn besluit, dan hebt gij het recht in beroep te gaan bij het vrede- en bij het gouvernements-gerecht. Ik zal in deze zaak geen verdere verklaringen meer geven.“Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn“Uw onderdanige dienaarGraafL. Tolstoi.”De eischeres teekende protest aan en de overige leden van het vredegerecht, die tegenstanders van Tolstoi waren, stelden hem, zooals in vele andere gevallen, in het ongelijk. Daarop ging de zaak naar de tweede instantie, die zich nu—en dit geschiedde meermalen—met Tolstoi’s uitspraak vereenigde.Zoo werd Mark dus vrij verklaard en zijne vrouw kreeg eene schadeloosstelling voor de haar toegebrachte slagen.Zijne volgende uitspraak gold een’ strijd over het afgrazen van eene weide.Eenige boeren, die bij een’ landeigenaar aan ’t ploegen waren, hadden in het schaftuur hunne paarden op diens weide laten grazen. Hij ging zich daarover bij Tolstoi beklagen. Deze ried hem aan de boeren niet te vervolgen, waarschijnlijk in de hoop dat eene betere verhouding tusschen dien landeigenaar en de boeren daarvan het gevolg zou zijn. De aanklager wilde hier niets van hooren, maar eischte eene schadevergoeding van tachtig roebel.De wijze waarop Tolstoi deze zaak behandelde bevredigde den landeigenaar niet, en hij beklaagde zich bij het gerecht.“...Graaf Tolstoi,” schreef hij, “verscheen met drie boeren, die als deskundigen moesten optreden, in de bewuste weide.De boeren gaven als hun oordeel te kennen, dat er drie desjatin waren afgeweid, vertegenwoordigende eene waarde van dertig roebel. Graaf Tolstoi was het met deze uitspraak niet eens en schatte de schade op vijftien roebel. De deskundigen spraken den graaf niet tegen, en zoo werden de boeren dus tot eene schadeloosstelling van vijftien roebel veroordeeld.”De landeigenaar, die deze uitspraak niet in overeenstemming met de wet vond, voegde hier nog aan toe:“Ik ben overtuigd dat het vredegerecht, steeds geneigd het lot van de boeren te verbeteren, niet zal dulden dat deze verbeteringen zullen geschieden langs den weg, door den vrederechter graaf Tolstoi aangewezen.”Derhalve ter verantwoording geroepen, antwoordde Tolstoi, dat hij op grond van artikel 29, 31 en 32 van de wet tot regeling van de zaken der boeren, het niet noodig oordeelde eenige opheldering te geven. De zaak ging verder naar het gouvernements-gerecht en werd teruggezonden zonder eenige schriftelijke verklaring, met de kantteekening “accoord”, zoodat de beslissing wederom ten gunste van Tolstoi uitviel.Het volgende voorval toont, hoe weinig eerzuchtig Tolstoi in zijne betrekking was. Steeds streefde hij er naar zoo rechtvaardig mogelijk te handelen, en mocht hij zich al eens vergissen, dan erkende hij dit volmondig.Een grondeigenares had zich beklaagd dat Tolstoi aan een van hare knechts wederrechtelijk een’ pas had uitgereikt. Toen bij het onderzoek bleek dat hare aanklacht gegrond was, erkende hij eene fout te hebben begaan en bood aan haar schadevergoeding te geven.Hoewel Tolstoi altijd opkwam voor hunne rechten had hij dikwijls zeer veel last met de boeren, die, na de opheffing van de lijfeigenschap, hardnekkig hunne vroegere voorrechten trachtten te behouden.Tusschen den landeigenaar Osipowitsch en zijne gewezen lijfeigenen was het volgende geschil ontstaan. Een gedeelte van het dorp was door brand vernield en nu wilde de landheer den boeren niet toestaan hunne hutten weer op dezelfde plaats op te bouwen; bovendien onthield hij hun het noodige materiaal en den vereischten vrijen tijd.Tolstoi vond eenerzijds de eischen der boeren wettig, maar aan den anderen kant zag hij dat de omstandigheden van den kleinen grondeigenaar zóó waren, dat hij er onmogelijk aan kon voldoen. Hij wendde zich nu tot den adel met een verzoek om hulp voor den collega-landheer, wiens zaken zoo achteruit waren gegaan, of voor diens boeren. Maar zijn verzoek werd afgewezen en men begon de boeren te dwingen de eischen van den landheer in te willigen.De zaak werd van de eene instantie naar de andere verwezen en kwam maar niet tot een eind. Tolstoi zag in, dat het niet gunstig voor de boeren zou afloopen, en teekende daarom nogmaals protest aan. Maar dit bracht geen verandering in de behandeling der zaak, en toen hij begreep dat door de leden van het gerecht met opzet een verkeerde weg werd ingeslagen en dat hij niet krachtig genoeg was dit tegen te gaan, verliet hij bij wijze van protest de vergadering, zonder de behandelde stukken te onderteekenen. Wegens deze handelwijze werd eene aanklacht ingediend bij het gouvernementsgerecht, waarop echter geen acht werd geslagen.Over ’t algemeen trachtten de landeigenaren hun’ boeren zoo weinig mogelijk grond te geven en hen met de slechtste stukken af te schepen. Wanneer Tolstoi een dergelijk streven opmerkte, kwam hij tusschen beiden en zorgde dat er verandering in kwam.Het spreekt van zelf dat de sympathie, die Tolstoi den boeren toedroeg, den landeigenaren een doorn in het oog was. Zij beschuldigden hem dat hij tweedracht zaaide; dat hijde patriarchale verhouding, die er steeds tusschen den landheer en de boeren had bestaan, verstoorde, waardoor de boeren tot onwettige handelingen kwamen; zij beklaagden zich dat zelfs de leden van het boeren-bestuur, om Tolstoi te gerieven, hunne plichten verzaakten, zoodat er anarchie in het dorp heerschte en onregelmatigheden, als diefstal, willekeur en verregaande onafhankelijkheid, welig tierden.Hoe beter de verhouding met de boeren werd, des te onaangenamer werd die met den adel en de overige landeigenaren, zoodat Tolstoi’s positie steeds moeilijker en ten slotte onhoudbaar werd. In Juni 1861 schreef hij in zijn dagboek:“Mijn ambt van vrederechter heeft mij weinig materiaal geleverd, mij in onmin gebracht met alle landeigenaren en mijne gezondheid verwoest.”Nog eenige maanden bleef Tolstoi op zijn post, maar in Februari 1862 besloot hij zijn ontslag te nemen.De aanvraag hiertoe omkleedde hij met alle redenen die hem tot deze daad noopten, wijzende op de systematische tegenwerking die hij steeds had ondervonden, en zelfs revisie vragende van enkele tegen zijn advies in genomen besluiten. Tevens verzocht hij verlof zijn ambt voorloopig aan den oudsten kandidaat te mogen overdragen.Een’ tijd lang bleef Tolstoi nog in functie, maar den 30stenApril droeg hij, wegens zijne geschokte gezondheid, zijn ambt tijdelijk aan een’ ander over. Eindelijk, 26 Mei, kwam bericht bij den gouverneur van Toela, dat het verzoek werd ingewilligd en hij om gezondheidsredenen was ontslagen.De volgende schets, ontleend aan Löwenfeld, toont ons duidelijk hoe onrechtvaardig Tolstoi werd beschuldigd de boeren te bevoordeelen ten koste van de landeigenaren.“Een jonge Duitscher, in betrekking bij een’ landeigenaar in Toela, moest voor zaken van zijn’ patroon Tolstoi opJasnaja Paljana bezoeken. Er was een verschil gerezen over een stuk grond tusschen den landheer en zijne boeren, en in zijne kwaliteit van scheidsrechter moest Tolstoi uitspraak doen in deze zaak.“Om een oordeel te kunnen vellen moest hij den grond zelf in oogenschouw nemen, en daarom begaf hij zich, vergezeld van een’ twaalfjarigen boerenjongen, dien hij zijn kleinen landmeter noemde, naar de aangeduide plaats. Hier ontving hij de boerendeputatie, bestaande uit drie personen, die hunne belangen kwamen bepleiten.“‘Nu kinderen, wat wenscht ge?’ vroeg graaf Tolstoi. De afgevaardigden legden hem uit, dat zij een ander stuk grond wenschten te ontvangen dan hun was toegewezen.“‘Het spijt mij zeer, dat ik uw verzoek niet kan inwilligen,’ zeide graaf Tolstoi, ‘want als ik het toestond dan zou ik uwen landheer zeer benadeelen,’ en daarop begon hij hun de redenen zijner weigering duidelijk uiteen te zetten.“‘Och, doe maar iets voor ons,’ vroegen de boeren.“‘Neen, ik kan niets voor u doen,’ herhaalde graaf Tolstoi.“Alsof zij niets gehoord hadden, herhaalden de boeren, die met eerbiedig gebogen hoofd voor hem stonden: ‘och, doe iets voor ons, vadertje, doe iets voor ons.’“‘Wanneer gij wilt, vadertje,’ begon opnieuw de woordvoerder, ‘dan kunt gij wel iets voor ons doen,’ en de overige leden van de deputatie knikten bij wijze van instemming met hun hoofd.“Graaf Tolstoi bekruiste zich en zeide: ‘Bij Gods rechtvaardigheid zweer ik u, dat ik u niet kan helpen.’ En toen de boeren maar door zeurden: ‘Och vadertje, doe iets voor ons, doe iets voor ons, vadertje’, wendde hij zich driftig tot den jongen Duitscher, die ook aanwezig was en zeide: ‘Misschien kon Amfion nog vlugger bergen en bosschen verzetten dan wij dezen boeren iets aan het verstand kunnen brengen.’“Bij de voortzetting van het gesprek, dat nog wel een uur duurde, verloor graaf Tolstoi geen oogenblik zijn geduld en bleef hij steeds welwillend. De halsstarrigheid van de boeren ontlokte hem niet één ruw woord.”Vorst Dmitri Dmitrijewitsch Obolenski vertelt ons nog eene herinnering van een feestdiner, waarbij Tolstoi zijn buurman was.“Bij gelegenheid van eene verkiezing werd den leden van het scheidsgerecht een feestdiner aangeboden.“Dat diner zal ik niet licht vergeten. Na afloop bleven eenige landeigenaren, waaronder natuurlijk ook ik, nog een oogenblikje napraten. Toevallig kwam ik naast Tolstoi te zitten, met wien ik toen al heel goed bekend was. Er werden eenige toasten uitgebracht; de eerste, die met groot enthousiasme werd ontvangen, gold den ‘Tsaar, den Bevrijder’.“‘Ik drink dien toast met zeer veel genoegen,’ zeide Tolstoi, ‘want alleen aan hem hebben wij de emancipatie te danken...’“In het jaar van de afschaffing der lijfeigenschap (vervolgt Obolenski) stichtte Leo Tolstoi eenige scholen in Jasnaja Paljana, waarvoor ik mij zeer interesseerde. Ik bezocht hem dikwijls en in den herfst gingen wij veel samen jagen. Wie zou nu in den vluggen jager, voor wien geen sloot te breed was, met wien ik dagen achtereen op jacht ging, den diepzinnigen filosoof herkennen! Aangenamer gezelschap kan men zich moeielijk denken. Een goed vrederechter vind ik hem echter niet, daarvoor was hij veel te verstrooid. Als den dag van gisteren herinner ik mij nog het eerste protocol dat hij indiende. Het onderschrift luidde letterlijk:“‘Dit protocol zal op verzoek van een’ zekeren die-en-die, niet kunnende schrijven, door een’ zekeren stalknecht zoo-en-zoo worden onderteekend.’ Alle namen waren vergeten. Zooals graaf Tolstoi het gedicteerd had, had de knecht het opgeschrevenzonder één naam in te vullen, en zoo werd het, zonder te zijn doorgelezen, door Tolstoi onderteekend en doorgezonden naar het gouvernements-gerecht.“Ik hoorde deze geschiedenis van mijn’ oom, die als lid van bovengenoemd lichaam het protocol had ontvangen.”Tolstoi onderscheidde zich niet door kanselarijarbeid, maar hij was, wat zijn hart en verstand betreft, uitstekend berekend voor het ambt van scheidsrechter, en als zoodanig heeft hij ook goede herinneringen achtergelaten. In zijne paedagogische loopbaan, waarop wij in het volgende hoofdstuk zullen terugkomen, was hij, ondanks eenige tegenspoeden, zeer gelukkig.Veertiende hoofdstuk.Tolstoi’s paedagogische werkzaamheden.—De oprichting van scholen.—Theorieën.Reeds eenige malen had Tolstoi zich met paedagogischen arbeid bezig gehouden. In het jaar 1849, teruggekeerd uit St.-Petersburg, stichtte hij eene volkschool te Jasnaja Paljana en voerde eenige verbeteringen in, in de hoop daardoor het volk nader te komen. Wij weten dat deze eerste proefneming met eene mislukking eindigde. Bij zijn vertrek naar den Kaukasus werd de school natuurlijk gesloten, doch zij werd weer geopend na zijn eerste buitenlandsche reis.Tolstoi was zich zijn gebrek aan theoretische kennis volkomen bewust, en haastte zich dit tekort aan te vullen op de door ons in het vorige hoofdstuk beschreven wijze. Na zijn’ terugkeer uit het buitenland voelde hij zich krachtig genoeg om eene nieuwe proef te wagen. Wederom ging hij zich wijden aan het volksonderwijs en bracht dat tot eene nog ongekende hoogte.In een van zijne artikelen over paedagogie heeft hij over zijne proefnemingen en voorbereidingen in zake schoolarbeid het volgende gezegd.“Toen ik, nu ongeveer vijftien jaar geleden, zonder eenige voorbereiding, zoo min practisch als theoretisch, alleen bezield met den innigen wensch een goed onderwijzer in mijne school te zijn, mij voor het eerst ging wijden aan het volksonderwijs, stootte ik dadelijk op de twee vragen: ‘wat moetik onderwijzen?’ en ‘hoe moet ik onderwijzen?’ De meeningen van de verschillende personen die belang stellen in volksontwikkeling, loopen hierover, thans zoowel als vroeger, zeer uiteen. Sommigen antwoorden op de vraag ‘wat moet ik onderwijzen?’ dat, behalve het lezen en schrijven, de natuurwetenschappen voor eerstbeginnenden zeer nuttig zijn; anderen weer oordeelen deze geheel overbodig, ja zelfs schadelijk. De een geeft de voorkeur aan aardrijkskunde en geschiedenis, de ander ontkent de noodzakelijkheid daarvan, een derde pleit voor de oude Slavische taal, spraakkunst en godsdienstonderwijs, en nummer vier acht ook dit niet goed, maar is voor algemeene ontwikkeling.“Over de vraag: ‘hoe moet ik onderwijzen?’ liepen vroeger, en loopen ook nu nog, de meeningen nog meer uiteen, en de verschillende wijzen waarop schrijven, lezen en rekenen worden onderwezen zijn ook nu, evenals vroeger, in tegenspraak met elkaar.“Toen ik in de Russische litteratuur geen bevredigend antwoord op deze vragen vond, wendde ik mij tot de Europeesche. Ik las alles wat er over paedagogie geschreven was, richtte mij tot de beroemdste vertegenwoordigers van deze wetenschap in Europa en vond niet alleen geen antwoord op mijne vraag, maar kwam tot de overtuiging, dat in de paedagogie als wetenschap eene dergelijke vraag niet eens bestond; dat iedere paedagoog, voorstander van eene zekere school, onvoorwaardelijk geloofde in de juistheid van zijne methode. Kritiek daarop uit te oefenen zou een nuttelooze arbeid zijn geweest. En daarbij, waarschijnlijk omdat ik mij aan de opvoeding van ’t volk ging wijden zonder eenige voorbereidende studie, zonder er in de verste verte begrip van te hebben hoe ik moest onderwijzen, maar zelf in de dompige dorpsschool begon te schoolmeesteren, vestigde zich bij mij de overtuiging dat er een kriterium moest zijn volgens hetwelk de vraag konworden opgelost: ‘hoe en wat moet men onderwijzen: het psalmboek van buiten leeren of de grondbeginselen der natuurkunde? Het alfabet onderwijzen volgens de Duitsche- of volgens de oud-Slavische methode?’“Ik werd bij de oplossing van deze vraag geholpen door een weinig paedagogisch talent en doordat de zaak mij zoo zeer ter harte ging. Toen ik in onmiddellijke aanraking kwam met de veertig kleine boertjes, die mijn school bezochten (ik noem hen kleine boeren omdat zij alle karaktertrekken, zooals vlug begrip, praktischen zin, vroolijkheid, eenvoud en afwezigheid van alle valschheid aan den dag legden, die den Russischen boer eigen zijn), en zag hoe ontvankelijk zij waren voor de wetenschappen die zij noodig hadden, begreep ik tevens dat de oude kerkelijke methode van onderwijzen een verouderd standpunt was, dat niet meer voor hen deugde. Ik beproefde het op eene andere manier, en daar ik afkeerig ben van allen dwang, zette ik nooit door zoodra ik bemerkte dat de leerstof niet goed werd verwerkt. Deze proefnemingen bewezen mij, en ook den onderwijzers die volgens mijne vrije methode op de andere scholen te Jasnaja Paljana les gaven, dat bijna alles wat men in de paedagogische wereld over schoolzaken schrijft, geheel in strijd is met de werkelijkheid; dat er onder de aangenomen leervakken veel is, b.v. natuurkundige wetenschappen, aanschouwelijk onderwijs en andere, dat den leerlingen afkeer en spot inboezemt en dat zij niet kunnen verwerken. Toen begonnen wij naar leerstof te zoeken die gemakkelijk door de kinderen werd begrepen, en zoo vormde ik dus mijne eigene methode, die echter nog op één lijn stond met alle andere, terwijl de vraag waarom zij beter was ook nog onopgelost bleef.“....In dien tijd werden mijne paedagogische geschriften nog met de grootste onverschilligheid ontvangen. Men viel hier en daar over eene kleinigheid, maar voor het vraagstukzelf interesseerde men zich blijkbaar niet. Ik was toen nog jong en die koelheid deed mij veel verdriet. Ik begreep niet dat ik met mijne vraag ‘hoe en wat moeten wij onderwijzen?’ gelijk was aan den man, die in eene vergadering van Turksche pasha’s, beraadslagende over het vraagstuk: ‘hoe kunnen wij de meeste belasting innen?’ ten antwoord gaf: ‘mijne heeren, om te weten van wien en hoeveel belasting gij kunt eischen, moet gij eerst eene oplossing vinden voor de vraag: “waarop berust het recht, dat wij belasting eischen?”’“Waarschijnlijk hebben de pasha’s met een minachtend voorbijgaan van deze ongepaste vraag hunne beraadslagingen voortgezet.”1Uit Tolstoi’s brieven hebben wij gezien, hoe hij ook gedurende zijn verblijf in het buitenland vervuld was van zijne scholen.Met groote regelmatigheid wijdde Tolstoi zich, na zijne terugkomst in het voorjaar van 1861, aan de taak, die hij zich zelf had opgelegd, en in 1862 kon hij met tevredenheid constateeren, dat er op eene bevolking van 10,000 zielen, behalve de kerkelijke, reeds 14 nieuwe scholen verrezen waren. Ook in de omliggende districten nam het aantal scholen snel toe.....“De betaling voor deze scholen geschiedde eenvoudig volgens eene mondelinge afspraak met de ouders of met het bestuur van de boerenvereeniging. Iedereen zal moeten toestemmen, dat een dergelijke betrekking wel de meest gewenschte kan zijn die er tusschen onderwijzer eenerzijds en ouders of boeren anderzijds kan bestaan.”In een van Tolstoi’s paedagogische artikelen geeft hij eene zeer uitvoerige beschrijving van de oprichting zijner scholen.“De school wordt gehouden in een steenen huis van tweeverdiepingen. Er zijn twee schoolvertrekken, eene werkkamer en twee kamers voor de onderwijzers. Boven de stoep hangt onder een afdakje eene bel, en in de gang bevinden zich gymnastiek-toestellen. In de gang, die men het, even als de trappen, steeds kan aanzien dat zij veel beloopen wordt, hangt ook eene werklijst. Om acht uur stuurt de onderwijzer een’ jongen, die gewoonlijk bij hem overnacht, naar beneden om te luiden.“In het dorp is men reeds lang wakker, en een half uur nadat de bel weerklonken heeft doemen uit nevel en mist kleine figuurtjes op, die gezamenlijk, in clubjes van twee of drie, maar ook alleen, zich schoolwaarts spoeden. De leerlingen hebben sedert lang niet meer de behoefte om steeds als een kudde te zamen te loopen. Ook is het niet meer noodig hen op te wachten en hun toe te roepen: ‘kom kinderen,naschool’! Zij weten reeds dat men zegtnaarschool; zij weten reeds veel meer en, vreemd, als gevolg daarvan schuwen zij de eenzaamheid niet meer.“Niet slechts in zijne handen draagt de knaap niets mee, ook zijn hoofd is niet bezwaard. Het is voor hem geen verplichting, de lessen die hij gisteren gehad heeft, vandaag van buiten te kennen. Hij heeft geen angst voor de les die hem wacht. Hij komt, zoo als hij is, met zijn ontvankelijk gemoed, overtuigd dat het heden even prettig in school zal zijn als gisteren. Hij denkt niet aan zijne klasse voordat de school begonnen is. Nooit wordt het den kinderen verweten, zoo zij verzuimen, en als gevolg daarvan mist er nooit iemand, behalve misschien de grootste jongens, die in den drukken tijd vader moeten helpen, maar die ook dan nog dikwijls, hijgend van vermoeidheid, naar school komen. Is de onderwijzer nog niet aanwezig, dan wachten zij op de stoep, spelen of maken een glijbaantje. Als het te koud is gaan zij naar binnen en lezen of praten wat totdat de les begint. Dejongens en de meisjes bemoeien zich niet met elkaar, en zoo het al geschiedt, dan nooit met één afzonderlijk.“‘Hei meiskes, waarom maken jelui geen glijbaantje?’ ‘Zie eens hoe bevroren de meisjes er uitzien,’ of ‘meisjes, durf jelui met je allen mij alleen wel aan?’ Slecht één tienjarig meisje, met een bijzonder helder verstand, wordt door de jongens hunne opmerkzaamheid waardig gekeurd. Met deze ééne gaan zij om als met een’ jongen, alleen misschien een weinig beleefder en ingetogener.”In 1862 richtte Tolstoi het tijdschriftJasnaja Paljanaop, waarin verschillende opstellen voorkwamen over de theorieën, die op zijne eigenaardige scholen in praktijk werden gebracht.Wij zullen trachten een beknopt overzicht te geven van deze theorieën, door Tolstoi in de vier volgende rubrieken ingedeeld:1. Over de volksbeschaving. 2. Over de methodes om lezen en schrijven te leeren. 3. Opvoeding en beschaving. 4. Verdere ontwikkeling der beschaving.“De volksbeschaving,” zoo begint Tolstoi één van zijne eerste artikelen, “was en is voor mij altijd een onbegrijpelijk iets geweest. Het volk wil leeren en ieder afzonderlijk streeft onbewust naar ontwikkeling. De meer ontwikkelde klasse, de hoogere standen, evenals de regeering, streven er naar den minder bedeelden hunne kennis mede te deelen. Beide partijen zouden door die overeenstemming gebaat moeten zijn, maar het tegendeel is waar. Het volk verzet zich met alle kracht tegen de hulp, die de regeering en de hoogere standen, de vertegenwoordigers dus der meer ontwikkelde klasse, hun bieden, zoodat de inspanning der laatsten vruchteloos is.“Een van de redenen van dezen afkeer ligt in de wet op het lager onderwijs, dat in Europa grootendeels verplicht is geworden, d.w.z. dat men het volk dwingt lezen enschrijven te leeren, eene wet die men helaas bij ons in Rusland ook tracht in te voeren.Huis in het park Jasnaja Paljana, door Tolstoi als school gebruikt, 1860–’62.—Blz. 398.Huis in het park Jasnaja Paljana, door Tolstoi als school gebruikt, 1860–’62.—Blz.398.“Waar dwang wordt uitgeoefend ontwikkelt zich ook verzet.“Waarom bestaat er bij het volk verzet, terwijl het om beschaving vraagt, zelf zich tracht te ontwikkelen en de opvoeding voor heilzaam houdt?“Men moet zich bij eene dergelijke botsing afvragen: ‘wat is meer gewettigd, verzet of medewerking?’“De oplossing van dit vraagstuk is altijd ten gunste van den dwang uitgevallen, maar om te dwingen moet men toch goede gronden kunnen aanvoeren. En waar zijn die?” Hierop geeft Tolstoi het volgende antwoord:“Die gronden kunnen gevonden worden in: religie, filosofie, ervaring en historie,” hetgeen hij op de volgende wijze toelicht:“In den tegenwoordigen tijd, nu degodsdienstslechts zoo’n gering deel uitmaakt van onze beschaving, kan hij voor het jonge geslacht niet als dwangmiddel worden gebruikt.“Filosofischeargumenten kunnen ook niet als zoodanig worden aangemerkt. Alle filosofen, van Plato tot Kant, richten hun streven op één punt: de school te bevrijden van haar hinderlijken, historischen teugel, en in plaats daarvan datgene te vinden wat de mensch noodig heeft. De meer of minder goede resultaten van dit streven vormen den grondslag van hunne leer. Luther bracht den mensch er toe de Heilige Schrift in hare oorspronkelijke gedaante, zonder commentaar, te lezen. Bacon raadt aan, de natuur in de natuur te bestudeeren en de wijsheid niet uit de boeken van Aristoteles te halen. Rousseau wil het leven, zooals hij het begrijpt, door het leven leeren kennen en niet afgaan op verouderde proefnemingen. Iedere schrede die de filosofie voorwaarts doet, heeft ten doel op paedagogisch gebied de school te bevrijden van die theorieën over het onderwijs, die men vroeger voorde jeugd in toepassing bracht, en de aandacht op datgene te vestigen wat het opkomende geslacht noodig heeft.“Deze algemeene, doch zich zelf tegensprekende gedachte loopt door de geheele filosofie; algemeen, omdat allen meer vrijheid voor de school verlangen; zich zelf tegensprekend, omdat ieder paedagoog de wet stelt die op zijne eigen theorie is gegrond, en daarmee een hinderpaal is voor de vrijheid.“Deervaringop opvoedkundig gebied kan ons nog minder doen gelooven in de noodzakelijkheid van den paedagogischen dwang. Behalve dat het op zich zelf eene jammerlijke proefneming is, dat de school het kind verwart, zijne geestesgaven verminkt, het in den besten tijd zijner ontwikkeling aan zijn’ familiekring ontrukt, het zijn levenslust ontneemt en het maakt tot een gekweld, verschrompeld wezen, met eene uitdrukking van vermoeidheid, angst en verveling, werktuigelijk vreemde woorden uit een hem vreemde taal nazeggende,—behalve dat alles verkrijgt men geen resultaat, omdat het gebrek aan vrijheid elke mogelijkheid aan een’ goeden uitslag te niet moet doen.“De school moest het middel zijn voor de ontwikkeling en tevens de toetssteen voor het jonge geslacht om steeds beteren uitslag te verkrijgen. Slechts dan, als proefneming den grondslag der school vormt, als deze beschouwd wordt als een paedagogisch laboratorium, slechts in dat geval blijft de school niet ten achter bij den algemeenen vooruitgang en dan kan alleen die proefneming een hechten grondslag leggen voor wetenschappelijke ontwikkeling.“Dehistorischegronden zijn niet minder wankel. De vooruitgang in het leven, de techniek, de wetenschap gaan vlugger dan de vooruitgang op school; deze blijft dus meer en meer terug en wordt daarom slechter en slechter.”Op de bewering, dat de scholen goed zijn omdat zij bestaan en altijd bestaan hebben, antwoordde Tolstoi metde beschrijving zijner persoonlijke ervaring, opgedaan in Marseille, Parijs en andere West-Europeesche steden, die hem de overtuiging schonk, dat het grootste deel der volksontwikkeling niet in de scholen wordt verkregen maar in het leven, dat de kennis op straat, in vergaderingen, tentoonstellingen en uit de boeken opgedaan de schoolgeleerdheid verre te boven gaat.Ten slotte wendt Tolstoi zich met de volgende opmerking speciaal tot de Russische paedagogen. “Aangenomen, dat de Duitsche school, ondanks de fouten die haar aankleven, als historische proefneming is aan te bevelen, welke reden hebben wij, Russen, dan nog om eene volksschool te verdedigen, die wij niet hebben. Op welken historischen grond kunnen wij verdedigen dat onze scholen op dezelfde leest geschoeid moeten zijn als de West-Europeesche?“Wat moeten wij, Russen, in de naaste toekomst doen? Zullen wij overeenkomen als grondslag de meening der Fransche, Engelsche, Duitsche of Noord-Amerikaansche paedagogen over te nemen? Of zullen wij ons verdiepen in filosofie en psychologie om uit te vinden wat noodig is voor de ontwikkeling van den menschelijken geest en voor het opkomende geslacht, om dit naar ons begrip tot goede menschen te vormen? Of wel, moeten wij van de historische ondervinding gebruik maken, niet in den zin van het navolgen der oude gebruiken, maar zooals de geschiedenis van het menschelijk lijden ons dat geleerd heeft, en moeten wij eerlijk en oprecht erkennen, dat wij niet weten en niet kunnen weten wat de toekomstige geslachten noodig hebben, maar dat wij verplicht zijn deze behoeften te leeren kennen? Wij moeten niet het onontwikkelde volk verwijten, dat het onze ontwikkeling niet aan wil nemen, maar ons gebrek aan kennis en onzen trots, dat wij het naar ons beeld willen vervormen.“Laten wij toch het verzet van het volk tegen onze ontwikkelingniet beschouwen als een der paedagogie vijandig element, maar integendeel als eene uiting van goeden wil, die onzen arbeid moet leiden. Erkennen wij ten slotte die wet, die zoo duidelijk spreekt uit de historie der paedagogie en der ontwikkeling, dat, opdat de onderwijzer wete wat goed en wat slecht is, de leerling de volle vrijheid moet hebben zijne ontevredenheid te uiten, of minstens zich af te kunnen wenden van de ontwikkeling, die hem instinctief niet bevredigt; erkennen wij dat het kriterium enkel en alleen is—de vrijheid.”Het slot van dit artikel luidt:“Wij weten dat slechts enkelen zich door onze bewijzen zullen laten overtuigen. Wij weten dat onze overtuiging hierop berust, dat de eenige methode voor beschaving in proefnemingen bestaat, dat het eenige kriterium de vrijheid is. Voor den een is deze bewering doodalledaagsch, voor den ander eene onduidelijke, abstracte redeneering, voor een’ derde eene fantasie en eene onmogelijkheid. Wij zouden ons niet veroorloofd hebben de rust der paedagogen-theoretici te verstoren, en eene overtuiging te uiten die in tegenspraak is met de geheele wereld, indien wij ons wilden bepalen tot de uitgave dezer artikelen. Wij gevoelen echter dat wij in staat zijn om schrede voor schrede en feit voor feit de uitvoerbaarheid en de wettigheid van onze stoute overtuigingen te bewijzen, en aan dat doel alleen wijden wij het tijdschriftJasnaja Paljana.”In het eerste nummer van dit orgaan richt Tolstoi zich op de volgende wijze tot het publiek:“Aan het publiek.“Bij de betreding van dit voor mij nieuwe gebied word ik angstig voor mij zelf, zoowel als voor de denkbeelden aan welker voltooiing ik jarenlang gewerkt heb en die ik voor juisthoud. Ik ben reeds van te voren overtuigd dat vele van deze denkbeelden later zullen blijken dwalingen te zijn. Hoeveel moeite ik mij ook gaf, het onderwerp in zijn geheel te bestudeeren, zoo beschouwde ik het toch onwillekeurig van één zijde. Ik hoop dat mijne ideeën tegenspraak zullen uitlokken. Alle meeningen geef ik met genoegen eene plaats in mijn blad. Één ding slechts zou ik vreezen, n.l. dat het meeningsverschil ons verbitterde en de beschouwingen over het ons zoo dierbare onderwerp, de volksbeschaving, in spot, personenstrijd of journalistieke polemiek zouden kunnen ontaarden. Ik zeg niet dat spot en persoonlijkheden mij niet kunnen deren, dat ik meen daar boven te staan. Integendeel, ik erken dat ik bevreesd ben voor mij zelf, zoowel als voor de zaak; ik vrees dat ik mij dan ook zou laten meesleepen door persoonlijke polemiek, in plaats van mij rustig en onvermoeid aan mijn werk te wijden.“En daarom verzoek ik al mijne toekomstige tegenstanders, hunne meening op eene zoodanige wijze te uiten, dat ik eene verklaring kan geven en mijne bewijzen kan overleggen wanneer het meeningsverschil voortkomt uit een misverstand, en mijne instemming kan betuigen dáár waar mij bewezen wordt dat mijn inzicht niet juist is.“GraafL. Tolstoi.”In ieder nummer van het tijdschriftJasnaja Paljanawerden opgenomen: een of twee opstellen over de theorie der paedagogie; een overzicht van de werkzaamheden der scholen, die onder Tolstoi’s leiding stonden; bibliografie; eene beschrijving van de schoolbibliotheek, en—eene berekening van de uitgaven. Het bijblad bevatte grootendeels bellettristische lectuur. De spreuk: “Glaubst zu schieben und wirst geschoben,” stond als motto aan het hoofd van het blad.Het tijdschrift is eene bibliografische zeldzaamheid geworden. Behalve Tolstoi’s hoofdartikelen (opgenomen in deel IV van zijne verzamelde werken), bevatte het blad verschillende losse op- en aanmerkingen, beschrijvingen enz., die zeer belangrijk zijn voor den onderwijzer, voor den theoretikus zoowel als voor den praktikus.In een opstel over de methode om lezen en schrijven te leeren, zet hij als zijne meening voorop, dat het lezen en schrijven niet de eerste trap der beschaving is maar slechts een der hulpmiddelen. En iets dat niet de eerste plaats inneemt is ook niet de hoofdzaak.“Wanneer wij den eersten trap der beschaving willen vinden, waarom zoeken wij dien dan in het lezen en schrijven en waarom niet veel dieper? Waarom stil blijven staan bij één van detalrijkehulpbronnen dezer beschaving en daarin de alfa en de omega zien, terwijl het slechts een toevallig, weinig beteekenend middel is om haar te verkrijgen?“Het begrip ‘beschaving’ valt niet samen met het begrip ‘lezen en schrijven’.“Wij zien menschen die zeer goed op de hoogte zijn van de hoofdzaken der astronomie en wat daarop betrekking heeft, terwijl zij niet kunnen lezen of schrijven. Men ziet eenvoudig door het leven gevormde lieden bekwaam voor hun vak, met groote kennis en degelijk oordeel, die niet kunnen lezen en schrijven, en daarentegen personen die dit wel kunnen en ten gevolge hiervan geen nieuwe kundigheden hebben verworven.”Om te bewijzen dat de kennis van lezen en schrijven niet behoort tot de dagelijksche behoeften van het volk, verwijst Tolstoi ons naar den historischen gang van de ontwikkeling der inrichtingen van onderwijs.“Eerst ontstonden niet de lagere, maar de hoogere scholen: eerst de kloosterscholen, toen de middelbare, daarna de volksscholen.Het lezen en schrijven is de laagste trap van ontwikkeling in deze georganiseerde hiërarchie van de opleiding, of de eerste trap als men begint bij het einde. En daarom beantwoordt de laagste school slechts aan de eischen die de hoogste aangeeft. Er is echter nog een ander standpunt van waaruit gezien de volkschool eene zelfstandige inrichting is, niet verplicht de gebreken der hoogere scholen te dragen, een onafhankelijk doel hebbende, een doel genaamd: ‘de volksbeschaving.’“De school voor lezen en schrijven is voor het volk als een werkplaats en voldoet aan zijn begrensde behoeften; daarom is lezen en schrijven voor dat volk een zeker soort van handwerk of kunst.”Nadat Tolstoi ons de beteekenis van het lezen en schrijven, en de plaats die het in het volksleven inneemt, heeft aangewezen, gaat hij over tot de beschouwing van de verschillende methodes van dit onderwijs.De deugden en de gebreken van verschillende andere methodes ontledende, alleen even stilstaande bij de pedante Duitsche Lautier-Anschauungs-Unterrichtsmethode, komt Tolstoi tot het besluit, dat alle methodes goed en slecht zijn; dat de kunstvaardigheid en het talent van den onderwijzer den grondslag vormen van iedere methode, en ten slotte wendt hij zich met de volgende raadgevingen tot den onderwijzer:“Iedere onderwijzer in het lezen en schrijven moet één methode, die voor het volk begrijpelijk is, goed kennen en daarmee proeven nemen; hij moet verschillende methodes kennen, en die beschouwen als hulpmiddel; het niet begrijpen van den leerling moet hij niet aan dezen wijten, maar aan een gebrek in de methode, en hij moet dan trachten eene andere manier van onderwijzen uit te vinden. Iedere onderwijzer moet weten, dat iedere gekozen methode slechts eene trede is, die men moet gebruiken om hooger te komen; moet weten, dat, zoo hij dit verzuimt, een ander het doen zal; hijmoet weten, dat het geven van onderwijs eene kunst is die steeds hooger opgevoerd kan worden en waarvan het einde en de volmaking niet zijn te bereiken.”Nog vollediger en duidelijker ontwikkelde Tolstoi zijne denkbeelden over paedagogie in zijn geschrift:Opvoeding en Beschaving.In de eerste plaats constateert hij het feit, dat deze twee begrippen door het grootste deel der Russische en Europeesche paedagogen niet van elkaar worden onderscheiden. Daarop tracht hij het verschil aan te toonen en laat eene definitie volgen van de drie volgende hoofdbegrippen: beschaving, opvoeding en onderricht.“Beschavingin den ruimen zin van ’t woord is, volgens onze overtuiging, eene samenvoeging van de invloeden die den mensch ontwikkelen, hem eene ruimere wereldbeschouwing geven en hem nieuwe kennis schenken. De kinderspelen, het verdriet, de ouderlijke bestraffingen, boeken, het leeren (gedwongen of vrij), de kunst, de wetenschap, het leven, alles geeft beschaving.“Opvoedingis de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met het doel hem de algemeen aangenomen zeden en gebruiken te doen kennen.“Onderrichtis eene overgave van kennis van den eenen mensch aan den anderen (men kan onderwijs geven in het schaakspel, in geschiedenis, in het laarzenmaken). Het leeren is eene schaduw van het onderricht, is de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met het doel den leerling zekere physieke gewoonten te doen aannemen: het leeren zingen, timmeren, dansen, roeien en uit het hoofd iets opzeggen. Het onderricht en het leeren zijn middelen om te beschaven, zoo zij vrij zijn, en middelen om op te voeden, zoo het leeren gedwongen en het onderricht exclusief is, d.w.z. als de opvoeder slechts die vakken onderwijst, die hij noodig acht.“Opvoeding is gedwongen, beschaving is vrij. En van waar komt het recht tot dien dwang?“Dwang bij de opvoeding kan niet bestaan. Ik erken dien niet en hij wordt, werd en zal niet erkend worden door het geheele jonge geslacht, dat steeds en overal zich tegen gedwongen opvoeding zal verzetten.”Welke zijn de oorzaken van dezen dwang, dien het menschdom niet wil erkennen? Op deze vraag geeft Tolstoi het volgende antwoord:“Daar reeds sedert eeuwen abnormale verschijnselen, als dwang in de opvoeding en de beschaving, bestaan, moeten de oorzaken in de menschelijke natuur zijn vastgeworteld. Ik zie die oorzaken: 1. in het familieleven, 2. in de religie, 3. in den staat, 4. in de hoogere standen en bij ons in Rusland in de bekrompenheid van onze ambtenaren en onzen adel.”Zonder den drie eersten oorzaken recht van bestaan toe te kennen, zegt Tolstoi, dat hij ze toch begrijpen kan. “Het is moeielijk de ouders te verhinderen, dat zij trachten hunne kinderen op te voeden zooals zij zelf zijn opgevoed; het is moeielijk voor den geloovigen mensch zijn streven niet daarop te richten, dat het kind in datzelfde geloof opgroeit, en ten slotte is het moeielijk van de regeering te verlangen dat zij niet zou zorgen voor de vorming van de noodige ambtenaren.”Maar welk recht heeft de bevoorrechte liberale klasse het volk, dat haar vreemd is, op te voeden volgens eigen model? Dat kan slechts verklaard worden door het bestaan van een grof-egoïstisch misverstand.Waardoor ontstaat dit misverstand?“Ik denk,” zegt Tolstoi, “doordat wij de stem niet hooren die ons roept, en wij hooren die niet omdat zij niet spreekt uit boeken, noch van den katheder. Het is de machtige stem van het volk, waarnaar wij moeten luisteren.”Facsimile van een brief van Tolstoi, in 1860 geschreven.Facsimile van een brief van Tolstoi, in 1860 geschreven.En dan treedt hij in beschouwingen over het uitgangspuntvan dezen opvoedingsdwang, d.w.z. van de inrichtingen voor onderwijs, van de hoogste tot de laagste, en hij vindt bij haar geen troost voor de toekomst. Onze universiteiten onderwerpt hij aan eene bijzondere kritiek.Hoewel Tolstoi den beschavenden invloed van de universiteit niet geheel versmaadt, zegt hij toch:“Ik erken het recht van eene universiteit, als deze beantwoordt aan haar naam en aan haar grondbeginsel, n.l. lieden tot elkaar te brengen om elkaar wederzijds te beschaven. Zulke universiteiten, die wij officiëel niet kennen, bestaan en ontstaan in verschillende hoekjes van Rusland: in de universiteiten zelf, in de kringen der studenten. Hier komen menschen bij elkaar, men leest, spreekt met elkaar, en ten slotte regelt men de samenkomsten en de onderwerpen van gesprek. Dat is de ware universiteit. Onze hoogescholen zijn, ondanks den ijdelen klank harer liberale inrichting, instellingen die zich nergens door onderscheiden van de inrichtingen van onderwijs voor vrouwen en van de cadettenscholen.“Behalve alle afwezigheid van vrijheid en zelfstandigheid is hare grootste fout dat zij buiten het leven staan.“Zie, hoe de zoon van den landman leert landman, de zoon van den kerkdienaar, kerkdienaar, de zoon van den herder, herder te worden. Reeds van zijne jeugd af aan stelt hij zich op het juiste standpunt tegenover de menschen, de natuur en het leven. Reeds in zijne jeugd leert hij werkende, leert hij aldus te zorgen voor de materiëele zijde van het leven, d.w.z. zich zijn dagelijksch brood, kleeding en huisvesting te verschaffen.“Zie nu naar den student, ontrukt aan zijne familie, heengeworpen in eene vreemde stad, waar van alle kanten de verleiding lokt, zonder middel van bestaan (want hetgeen hij van zijne ouders krijgt reikt slechts voor het allernoodigste en wordt nog voor zijn genoegen uitgegeven), in een’ vriendenkring, die hem versterkt in zijne fouten, zonder leiding,zonder doel, ontrukt aan het oude leven en niet geschikt voor het nieuwe; ziedaar, op eene kleine uitzondering na, de omstandigheden van den student. Zij wordenonvermijdelijkòf ambtenaren, alleen ten gerieve van de regeering, òf ambtenaar-professoren, ambtenaar-letterkundigen, alleen ten gerieve van de hoogere standen; òf menschen zonder levensdoel, ontrukt aan hunne vroegere omgeving, met eene bedorven jeugd, geen plaats vindende in het leven, de zoogenaamde jongelui met eene akademische opleiding, de meer ontwikkelden, doch met een anderen naam, de opgewonden, ziekelijke liberalen.“De universiteit is de voornaamste van onze opvoedingsinrichtingen. Zij meent de grootste rechten te hebben in zake opvoeding, en de verkregen resultaten leveren ons het bewijs van de onwettigheid en het onbestaanbare van haaropvoedingssysteem. Slechts van het gezichtspunt der hoogere standen kan men genoegen nemen met de vruchten die zij oplevert. De universiteit vormt geen lieden die noodig zijn voor het geheele menschdom, doch alleen personen die onontbeerlijk zijn voor de bedorven hoogere kringen der maatschappij.”Tolstoi heeft op deze radikale stellingen eenige tegenspraak verwacht van menschen die het nieuwe schuwen, en sluit daarom zijn artikel met het volgende antwoord:“Maar wat moeten wij doen? Moeten wij dan werkelijk geene lagere scholen, geen gymnasium, geen colleges over het Romeinsche recht hebben? ‘Wat moet er dan van het menschdom worden?’ hoor ik vragen; ‘dat alles zal er dus niet zijn, indien de leerling het zelf niet verlangt en gij zult hen niet tot goede menschen kunnen vormen. Maar kinderen, weten toch niet altijd, wat zij noodig hebben; kinderen vergissen zich enz.’ Ik laat mij niet in met een dergelijken strijd; die zou ons leiden tot de vraag: staat in dezen demenschelijke natuur boven het menschelijk oordeel? Dat weet ik niet en op dat standpunt plaats ik mij niet. Ik beweer slechts, dat, als wij inderdaad kunnen weten wat wij moeten onderwijzen, niemand mij kan verhinderen onzen Russischen kinderen de Fransche taal te leeren, de middeleeuwsche genealogie en zelfs de kunst om te stelen. En ik zal dit alles bewijzen, precies zooals gij het hebt bewezen. ‘Dus moet er geen gymnasium en geen Latijnsche taal zijn? Wat moeten wij dan wel doen?’ hoor ik weder.“Maak u niet bezorgd. Latijn en rhetorica zullen blijven, nog honderden van jaren, en zij zullen er zijn slechts daarom, omdat het geneesmiddel gekocht is en men het moet innemen, zooals een zieke zegt. Over nauwelijks honderd jaren zal mijne gedachte, die ik misschien onklaar en onduidelijk weergeef, algemeen eigendom zijn geworden. Na nauwelijks honderd jaren zullen zij zijn verdwenen, al deze inrichtingen: de lagere scholen, de gymnasia en de universiteiten, en zullen er vrije instellingen verrijzen, gegrond op de vrijheid van het leerende geslacht.”Natuurlijk werden deze vermetele gedachten niet aangenomen door de paedagogen, die omstreeks 1860 de opvoeders waren van de hoogere, zoowel als van de lagere standen. De beleedigde wetenschap heeft deze denkbeelden zelfs geen tegenspraak waardig gekeurd. In deVerzamelde Kritieken over Tolstoivan Zelinski, die met zorg zijn samengesteld, vinden wij slechts twee ernstige opstellen gewijd aan het tijdschriftJasnaja Paljanaen aan Tolstoi’s school. Deze kritieken werden in 1862 opgenomen in denSawremjennik. Op een van deze kritieken, geschreven door Markoff, heeft Tolstoi in zijn blad geantwoord onder het opschrift: “Vooruitgang en verdere ontwikkeling der beschaving.”Markoff zegt o.a. in zijne kritiek, dat een paedagogischedwang gerechtvaardigd is, dat hij dus de vrije ontwikkeling een recht van bestaan toekent en dat hij de tegenwoordige systemen van opvoeding bevredigend acht. De praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana, welke door den schrijver ten zeerste worden bewonderd, is volgens zijne meening in tegenspraak met de theorieën van hunnen stichter en leider.Tolstoi herhaalt in zijn antwoord aan Markoff wat hij reeds vroeger heeft gezegd en komt tot de gevolgtrekking, dat zij in hoofdzaak daarom niet overeenstemmen, omdat Markoff aan den vooruitgang gelooft en hij niet.Zijn ongeloof aan den vooruitgang verklaart Tolstoi op de volgende wijze:“Door de geheele menschheid (zegt een historikus die aan vooruitgaan gelooft) gaat sedert onheugelijke tijden een proces van vooruitgang, en hij voert als bewijsgrond hiervoor aan: Engeland in 1685 vergeleken bij het Engeland van den tegenwoordigen tijd. Doch, zelfs indien men kan bewijzen dat de gesteldheid van Rusland, Frankrijk en Italië in den tegenwoordigen tijd gunstiger is dan die van het vroegere Rome, Griekenland en Karthago, dan verbaast mij toch steeds de volgende onbegrijpelijke omstandigheid. Men neemt een wet aan voor de geheele menschheid, terwijl men slechts eene vergelijking maakt tusschen kleine onderdeelen. Men zegt: ‘vooruitgang is eene algemeene wet voor de geheele menschheid’, maar slaat daarbij geen acht op Azië, Amerika, Afrika, en Australië, op millioenen menschen. Wij bemerken de wet van vooruitgang in het hertogdom Hohenzollern-Sigmaringen, met eene bevolking van 2000 zielen; wij weten dat China met zijn 200 millioen inwoners onze geheele theorie van den vooruitgang verwerpt, en toch twijfelen wij er geen oogenblik aan, dat de vooruitgang eene algemeene wet is voor de menschheid; dat wij, die daaraan gelooven, gelijk, en zij die het ontkennen, ongelijk hebben, en wij gaanmet geweren en kanonnen naar de Chineezen om hun het begrip van den vooruitgang te brengen. Het gezonde verstand zegt mij, dat, zoo het grootste gedeelte van het menschdom, het zoogenaamde Oosten, de wet van den vooruitgang niet erkent, maar haar integendeel verwerpt, die wet niet bestaat voor de geheele menschheid, maar dat er slechts een geloof in den vooruitgang bestaat bij een zeker gedeelte der menschen. Ik, evenals alle menschen, die vrij zijn van het bijgeloof in den vooruitgang, zie slechts dat het menschdom bestaat en dat de herinneringen aan het verleden evenveel worden vergroot, als zij verloren zijn gegaan, dat het werk van vorige geslachten dikwijls den grondslag vormt van nieuwen arbeid maar ook dikwijls een hinderpaal daarvoor is, dat de welstand der menschen hier in een enkel opzicht grooter, daar in een ander opzicht kleiner wordt. Hoe gaarne ik het ook zou wenschen, ik kan geen wet vinden voor het menschdom in het algemeen en ik ben van oordeel, dat men de geschiedenis even gemakkelijk aan het begrip van den voor- als van den achteruitgang kan onderwerpen, of aan iedere andere historische fantasie. Ik ga verder. Ik zie de noodzakelijkheid niet in, afgezien van de onuitvoerbaarheid van het plan, algemeene wetten in de geschiedenis te gaan zoeken. De algemeene, eeuwige wet is neergeschreven in de ziel van iederen mensch. De wet van den vooruitgang of der volmaking is ook neergelegd in de ziel van den mensch, en slechts als gevolg van eene begripsverwarring zoekt men haar in de geschiedenis. Wanneer die wet individueel gedacht wordt, wordt zij vruchtdragend; in de geschiedenis overgebracht wordt zij een leeg begrip, een ijdele klank, leidende totabstracteredeneering, ieder fatalisme rechtvaardigend.“De vooruitgang van de menschheid in ’t algemeen is een niet bewezen en niet bestaand feit voor alle Oostersche volken; daarom is de bewering dat de vooruitgang eene wet is voorde geheele menschheid even ongegrond, als de verzekering dat alle menschen blond zijn, behalve degenen die donker zijn.”2De theorieën, neergeschreven in dit hoofdstuk, zijn ontleend aan een uitvoerig opstel over dit onderwerp, dat wij niet in zijn geheel hebben aangehaald, omdat het ons hier te ver zou voeren. Vóor wij echter van dit onderwerp afstappen, laten wij nog een uittreksel volgen van een artikel, getiteld:Ontwerp voor een algemeen plan tot stichting van volksscholen, waarin Tolstoi eene geestige kritiek levert op een in 1862 van regeeringswege uitgekomen reglement op schoolzaken.Deze kritische beschouwing kan men samenvatten in de volgende uitspraken.“In de grondgedachte van het reglement ligt het Amerikaansche systeem, het volk te verplichten schoolbelasting te betalen, terwijl de regeering de zorg voor de instandhouding der school op zich neemt. Dezelfde regeling evenwel kan goed zijn in eene demokratische republiek en slecht in een despotisch bestuurd keizerrijk, waar de wet, die ‘den wil van het volk’ uitdrukt, veranderd is in eene uitoefening van ruwen dwang.“De onuitvoerbaarheid van dit reglement ligt hierin, dat de ontwerpers bij eene volkomen afwezigheid van kennis van het Russische volksleven, het plan niet in overeenstemming hebben gebracht met de behoeften van het volk.“De reglementeering van de volksontwikkeling, neergelegd in deze verordening, is eene rem voor de reeds bestaande, zich uitbreidende vrijheid der volksontwikkeling.”Aan het slot van dit vluchtig overzicht van Tolstoi’s paedagogische theorieën geven wij als onze meening, dielijnrecht staat tegenover Markoff’s uitspraak, dat de praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana niet in tegenspraak is met deze theorieën, maar zich integendeel onmiddellijk daarbij aansluit.De beschrijving, die Tolstoi geeft van zijne scholen te Jasnaja Paljana, laten wij hier als auto-biografisch materiaal volgen.1L. N. Tolstoi,Volksontwikkeling.2L. Tolstoi.Verzamelde werken, deel IV.

Dertiende hoofdstuk.Tolstoi en Toerghenjeff.—Vrederechter.Zooals reeds in het vorige hoofdstuk is gezegd, reisde Tolstoi van Berlijn naar St.-Petersburg. Begin Mei vertrok hij naar Moskou en spoedig daarna kwam hij terug in Jasnaja Paljana.Rusland vierde feest bij den aanvang van het nieuwe tijdperk, de afschaffing van de lijfeigenschap.Alles wat het bezat aan intellectueele en vooruitstrevende personen nam deel aan de ingrijpende gebeurtenissen, en een van de eersten was natuurlijk Leo Tolstoi.Door het werkzaam aandeel, dat hij nam in alle takken van het maatschappelijk leven, werd zijn bestaan zoo veelzijdig, dat wij gedwongen zijn de door ons aangenomen chronologische volgorde te verlaten en over te gaan tot een overzicht van zijne werkzaamheden, die, hoe verschillend ook van aard, in zekeren zin toch steeds voeling hielden met zijn particulier en familieleven.Zijne bezigheden in de maatschappij, waarop wij later zullen terugkomen, waren tweeërlei: de administratieve werkkring van scheids- en vrederechter en zijne bemoeiingen met de volksschool, benevens het schrijven zijner paedagogische opstellen.Voor wij tot de behandeling van bovengenoemde werkzaamheden overgaan, moeten wij ons nog eenige oogenblikken met den particulier Tolstoi bezighouden.Tolstoi had zich voorgenomen op de terugreis zijne beide buren Fet en Toerghenjeff op te zoeken. Naar aanleiding daarvan ontspon zich de volgende correspondentie tusschen de beide laatsten:“Fetticarissime!“Hierbij ingesloten zend ik u een briefje van Tolstoi, dien ik juist heb geschreven, dat hij beslist in ’t begin van de volgende week moet komen. Gezamenlijk doen wij dan een’ inval in uw Stjepanowska, nu de nachtegalen nog zingen en de lente lacht met haren liefsten glimlach. Ik hoop dat hij mijne roepstem zal volgen en spoedig hier zal zijn. In ieder geval kunt gij mij in ’t eind van de volgende week verwachten. Houd u verder goed, wind u niet op, denk aan de woorden van Goethe: ‘Ohne Hast, ohne Rast’, en werp onderwijl nog eens een’ enkelen blik naar uwe verlaten muze.”Ingesloten was het volgende briefje van Tolstoi:“Lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!“In gedachten omhels ik u hartelijk voor uwen brief, voor uwe vriendschap, en daarvoor dat gij ‘Fet’ zijt. Toerghenjeff te ontmoeten vind ik aangenaam, maar u weer te zien verheugt mij tienmaal meer. Hoe lang is ’t niet geleden dat wij elkaar gesproken hebben, en wat is er in dien tijd al niet gebeurd! Het doet mij toch zoo veel genoegen, dat gij u aan ’t landleven hebt gewijd, en ik ben er trotsch op, dat ik daar ook een weinig toe heb meegewerkt. Maar ben ik eigenlijk de persoon om u raad te geven? Een vriend is goed, maar hij kan sterven, weggaan; men kan hem uit het oog verliezen. De natuur echter, waarmee wij ons voor immer hebben verbonden, hetzij dan door eene koopacte, of wel door geboorte en erfenis, is beter. Zij is koud, ongevoelig, veeleischend, maar daarbij blijft zij ons trouw tot aan dendood, en als wij sterven gaan wij in haar over. Ik daarentegen heb mij van haar afgekeerd, mij wachten andere bezigheden; maar indien ik niet wist dat zij om mij heen is, dat ik mij maar behoef om te wenden om haar te grijpen, dan zou mijn leven treurig zijn. God schenke u zijn’ zegen, opdat gij vreugde moogt beleven van uw Stjepanowka! Dat gij schrijft en zult schrijven, daaraan twijfel ik niet. Ik druk uwe vrouw de hand; zeg haar dat zij mij niet moet vergeten. Het zou al heel ongelukkig moeten loopen, zoo ik dezen zomer niet bij u kwam; wanneer echter, dat weet ik niet.”“Ondanks de vriendelijke belofte,” schrijft Fet, “was de verschijning van een rijtuig, dat vlug nader kwam en weldra voor het huis stilhield, eene groote verrassing voor ons en met vreugde begroetten wij Toerghenjeff en Tolstoi. Het is niet te verwonderen dat de aanblik van het landgoed, armoedig als het er toen nog uitzag, Toerghenjeff de woorden ontlokte: ‘Wij keken en keken en konden uw huis maar niet ontdekken. Eindelijk zagen wij een’ vetten pannekoek om een’ wijsvinger, en ziedaar Stjepanowska!’“Terwijl de gasten uitrustten en de gastvrouw de twee uren, die haar nog restten vóór het middagmaal, gebruikte om alles een feestelijk aanzien te geven, onderhielden wij ons zóó levendig als dat slechts mogelijk is tusschen menschen, die nog niet levensmoe zijn....”Een betreurenswaardig feit maakte aan dit samenzijn een ontijdig einde; er brak n.l. een twist uit tusschen Toerghenjeff en Tolstoi. Deze gebeurtenis is tamelijk juist door Fet in zijneHerinneringenweergegeven; wij laten de beschrijving hier volgen, aangevuld en zoo noodig verbeterd, met gebruikmaking van ander vertrouwbaar materiaal.”’s-Morgens, op onzen gewonen tijd,” zoo vertelt Fet, “d.w.z. om acht uur, kwamen onze gasten in de eetkamer, waar mijne vrouw, gezeten aan ’t eene eind van de tafel, achter densamowar, en ik aan ’t andere, hen reeds opwachtten. Toerghenjeff zat rechts, Tolstoi links van mijne vrouw, die, wetende, dat haar rechterbuurman groote waarde hechtte aan de opvoeding zijner dochter, dezen vroeg of hij met de nieuwe Engelsche gouvernante tevreden was. Hij putte zich uit in lofredenen en vertelde o.a., dat zij met echt Engelsche nauwgezetheid hem eene som gelds had gevraagd, die zijne dochter uitsluitend moest aanwenden voor liefdadige doeleinden.“‘En nu,” vervolgde Toerghenjeff, “verlangt de gouvernante dat mijne dochter de oude kleedingstukken van arme menschen eigenhandig verstelt en zelf aan de eigenaars terug brengt.’“‘En vindt gij dat goed?’ vroeg Tolstoi.“‘Zeker, dat leert haar weldadig zijn en brengt haar in aanraking met de behoeftigen.’“‘En ik vind, dat een jong, mooi-aangekleed meisje, dat daar met een vuil, slecht-riekend kleedingstuk op haar schoot zit, comedie speelt.’“‘Ik verzoek u, dat niet te herhalen,’ stoof Toerghenjeff op, trillend van woede.“‘Waarom zou ik mijne meening niet zeggen?’ antwoordde Tolstoi.“‘Gij wilt dus zeggen, dat ik mijne dochter eene slechte opvoeding geef?’“Tolstoi antwoordde hierop, dat hij eenvoudig uitte wat hij dacht en geen persoonlijkheden bedoelde.”Voordat Fet den tijd had tusschen beiden te komen, zeide Toerghenjeff, wit van drift: “En als je dat wilt zeggen, dan zal ik je een slag in je gezicht geven.” Bij die woorden vloog hij met de handen aan zijn hoofd de kamer uit. Een oogenblik daarna keerde hij terug, en, zich tot mevrouw Fet wendende, zeide hij: “Vergeef mij om Gods wil mijn onbehoorlijkgedrag, waarvan ik diep berouw heb.” Daarop verliet hij de kamer weer.Kort daarna vertrokken de gasten.Tolstoi schreef van het station Nowosjelok een’ brief aan Toerghenjeff die een eisch tot genoegdoening behelsde; daarop reisde hij verder naar Bogoeslaff, een station dat halfweg het landgoed van Fet en Nikolski, eene bezitting van de Tolstoi’s, ligt. Vandaar liet hij pistolen halen, en daar er nog geen antwoord op zijn schrijven was gekomen stuurde hij Toerghenjeff een’ tweeden brief die eene formeele uitdaging bevatte. Tevens gaf hij den wensch te kennen, niet te duelleeren zooals schrijvers dat gewoonlijk doen, d.w.z. dat twee schrijvers een’ derden en ook pistolen meenemen, en dat alles eindigt met champagne, maar dat hij een ernstig duel verlangde. Daarom verzocht hij Toerghenjeff gewapend in het bosch van Bogoeslaff te komen.Tolstoi ging niet slapen, maar bleef den geheelen nacht wachten. Eindelijk kwam er antwoord op den eersten brief. Toerghenjeff schreef:“Geachte Heer Leo Nikolajewitsch!“In antwoord op uwen brief kan ik slechts herhalen, wat ik mij reeds bij Fet verplicht achtte te zeggen. Meegesleept door een onwillekeurig vijandig gevoel (’t is hier niet de plaats dit nader te omschrijven), beleedigde ik u zonder eenige aanleiding uwerzijds, en vroeg u daarna om verschooning. Hetgeen vanmorgen gebeurd is toont duidelijk aan, dat iedere toenadering tusschen twee zulke tegenstrijdige naturen als de onze tot niets kan lijden. Ik doe des te liever de schuld af, die ik mij tegenover u bewust ben, omdat deze brief waarschijnlijk het laatste levensteeken zal zijn, dat tusschen ons gewisseld wordt. Van ganscher harte hoop ik dat dit schrijven u moge bevredigen, en ik verklaar u van te vorenmijne instemming met het gebruik dat gij er van wilt maken.“Met de meeste hoogachting heb ik, geachte heer, de eer te zijn“27 Mei 1861, Spasskoje.“Uw dw. dn.Iwan Toerghenjeff.”Hierbij was het volgend bijschrift:“10½ uur ’s-nachts.“Iwan Petrowitsch brengt mij daar juist mijn’ brief terug die, door de domheid van mijn’ bediende, te Nowosjelok in plaats van te Bogoeslaff is bezorgd. Wil deze nalatigheid verontschuldigen. Ik hoop dat nu mijn bode u nog te Bogoeslaff zal treffen.”Waarschijnlijk dienzelfden dag nog schreef Tolstoi aan Fet:“Ik kon mij niet weerhouden den brief van den heer Toerghenjeff (een antwoord op mijn’ brief) te lezen. Ik wensch u in uwe verhouding tot dien heer het allerbeste, maar ik veracht hem en heb hem dat ook geschreven; daarmee is alles tusschen ons uit, behalve natuurlijk indien hij genoegdoening vordert. Hoewel ik uiterlijk kalm was stormde het in mij en verlangde ik eene betere verontschuldiging van dien heer, hetgeen ik hem in mijn’ brief van Nowosjelok heb geschreven. Hier is zijn antwoord, waarmee ik genoegen neem, hetgeen ik hem ook te kennen heb gegeven, onder bijvoeging, dat de reden waarom ik zijne verontschuldiging aanneem niet ligt in onze tegenstrijdige naturen, maar in eene oorzaak die hij zelf begrijpen kan. Bovendien zond ik tengevolge van het oponthoud een tweeden scherpen brief, waarin ik hem uitdaagde, maar waarop ik geen antwoord ontving. Indien het nog komt, zal ik den brief ongeopend terugzenden. En dit is nu het einde van deze treurige geschiedenis, waaraan gij, zoo zij over uwen drempel mocht gaan, het bovenstaande moet toevoegen.“L. Tolstoi.”Op de uitdaging antwoordde Toerghenjeff het volgende:“Uw bediende zegt, dat hij op antwoord moet wachten, maar ik zou niet weten wat ik aan mijn eerste schrijven nog zou kunnen toevoegen. Misschien dit, dat ik u het volste recht toeken mij uit te dagen. Gij hebt er de voorkeur aan gegeven mijne uitgesproken en herhaalde verontschuldigingen aan te nemen. Gij hebt het zoo gewild. Ik geef u de oprechte verzekering, dat ik mij gaarne aan uw schot zou hebben blootgesteld, om daardoor mijne inderdaad zinnelooze woorden uit te wisschen. Hetgeen ik tegen u gezegd heb wijkt zoo af van mijne gewone wijze van doen, dat ik het slechts kan toeschrijven aan een gevoel van verbittering, dat ontstaan is door onze geheel tegenstrijdige inzichten. Dit is geene verontschuldiging; ik wil mij niet rechtvaardigen; het is slechts eene verklaring. En daarom moeten onze wegen zich scheiden. Dergelijke gebeurtenissen laten zich niet uitwisschen, maar ik acht het mijn plicht, nogmaals te herhalen, dat gij in deze zaak gelijk en ik schuld heb. Ik voeg hier nog bij dat in dit geval het zwaartepunt niet ligt in den moed dien ik u al of niet wil toonen, maar in de bekentenis dat gij zoowel het recht hebt mij uit te dagen (natuurlijk in den aangenomen vorm, met secondanten) als om mij te vergeven. Gij hebt gekozen wat gij goed vondt, en mij past het mij naar uw besluit te voegen.“Wederom verzoek ik u de betuiging mijner oprechte hoogachting te aanvaarden.“Iw. Toerghenjeff.”Waarschijnlijk stelde Fet pogingen in het werk, zijne beide vrienden te verzoenen, want in zijneHerinneringenschrijft hij:“Tolstoi zond mij het volgende briefje:“‘Toerghenjeff...., hetgeen ik u verzoek hem even nauwkeurig over te brengen als gij mij zijne welwillende meeningmededeeldet, hoewel ik u uitdrukkelijk verzocht had niet meer over hem te spreken.“‘GraafL. Tolstoi.’“‘Ik verzoek u mij niet meer te schrijven, daar ik uwe zoomin als zijne brieven zal openen.’”“Ik behoef wel niet te zeggen,” vervolgt Fet, “dat ik mijn uiterste best deed om deze kwestie, die helaas in mijn huis begonnen was, tot een goed einde te brengen.“Ik herinner mij nog in welk een onbeschrijflijk ironische woede Nikolaas Nikolajewitsch Toerghenjeff geraakte, toen hij van ’t geval hoorde. ‘Welk eene dwaasheid,’ riep hij uit, ‘te verlangen, dat iedereen zal denken zooals wij zelf! Maar zijt gij eenmaal begonnen, zet dan de zaak ook door tot aan het einde, met het pistool in de hand.’ Zoo sprak hij tot mij; wat hij tegen Iwan Toerghenjeff heeft gezegd, is mij niet bekend.“Het slot van de zaak was, dat het tot een formeele breuk kwam tusschen Tolstoi en mij, en tot op dit oogenblik weet ik nog niet, of onze verhouding weer vriendschappelijk is geworden.”“Eenigen tijd later,” vertelt gravin Tolstoi, “gebeurde het, dat Tolstoi in eene van die verheven gemoedsstemmingen geraakte, die men nu en dan bij hem kon waarnemen. Hij was dan verdraagzaam, liefdevol en vervuld van de begeerte om naar het goede en het allerhoogste te streven. Als hij in dien toestand verkeerde, kon hij het niet verdragen een’ vijand te hebben. En daarom zond hij den 25stenSeptember aan Toerghenjeff een’ brief, waarin hij zijne spijt uitdrukte dat hunne verhouding vijandig was. Hij schreef:“‘Zoo ik u beleedigd heb, vergeef het mij dan, het is mij eene oneindig treurige gedachte te weten dat ik een vijand heb.’”Dit schrijven werd naar den boekhandel van Dawidoff gestuurd, waarmee Toerghenjeff in relatie stond. Om de eene of andere reden werd de brief niet dadelijk doorgestuurd en nu gebeurde het, dat juist in dien tijd Toerghenjeff een onaangenaam gerucht ter oore kwam, waarvan hij Fet in den volgenden brief mededeeling deed.“Parijs, 8 November.“....En nu nog een woord over die ongelukkige historie met Tolstoi. Ik reisde over Petersburg en hoorde van ‘vertrouwbare personen’ (o, die vertrouwbare personen!) dat eene copie van mijn laatsten brief (waarin hij mij zijne verachting te kennen geeft) in Moskou door hem zelf zou zijn verspreid. Het maakte mij razend, en ik heb hem eene uitdaging gezonden om, zoodra ik weer in Rusland zal zijn, met hem te duelleeren. Tolstoi antwoordde dat het verspreiden van dien brief een praatje is en voegde er bij dat, hoewel ik hem had beleedigd, hij mij om verontschuldiging verzocht, en dat hij van het duel afzag. Natuurlijk moet ik er nu ook genoegen mee nemen, maar nu vraag ik u hem te willen mededeelen (hij schreef mij immers vroeger dat hij ieder bericht van mij aan hem als eene beleediging zou opnemen), dat ik zelf afstand doe van het recht om met hem te duelleeren, en dat ik hoop dat deze gebeurtenis nu voor goed begraven is. Zijn’ brief met verontschuldigingen heb ik vernietigd en den anderen, dien hij mij door Dawidoff had gestuurd, heb ik niet ontvangen. En daarmee basta.”In Tolstoi’s dagboek vinden wij over deze zaak:“October. Gisteren ontving ik een’ brief van Toerghenjeff, waarin hij mij beschuldigt hem voor een’ lafaard te hebben uitgemaakt en copieën van zijne brieven te hebben verspreid. Ik heb hem geschreven dat dit praatjes zijn en zond hem bovendien den volgenden brief: ‘Gij hebt mijn optredeneerloos genoemd; vroeger hebt gij mij in het gezicht willen slaan, en ik erken dat ik schuld heb, vraag u om verschooning en wensch niet meer te duelleeren.’”Gravin Tolstoi schrijft in hare aanteekeningen, dat deze brief werd geschreven met de gedachte, dat zoo Toerghenjeff zich niet persoonlijk kon wreken, en toch tegenover het publiek in zijne eer hersteld moest worden, hij dezen brief kon gebruiken. Tolstoi stond boven dergelijke zaken, en het oordeel der menschen verachtte hij. Toerghenjeff toonde zich nu klein, en antwoordde dat hij zich voldaan achtte.Den 7denJanuari schreef Toerghenjeff nogmaals aan Fet:“....En nu ter zake. Hebt gij Tolstoi gezien? Eerst heden ontving ik den brief, dien gij mij in September door bemiddeling van Dawidoff stuurdet. (Wat zijn die Russische zakenmenschen accuraat!) Hierin schrijft hij dat hij mij heeft willen beleedigen en biedt hij mij zijne verontschuldiging aan. En in dien zelfden tijd stuurde ik hem, opgewonden door ’t gepraat van anderen, eene uitdaging voor een duel.“Uit een en ander maak ik de gevolgtrekking dat onze gesternten zich in tegengestelde richtingen bewegen, en daarom is het beter, zooals hij zelf ook inziet, eene ontmoeting te vermijden. Maar gij kunt hem schrijven, of zeggen, dat ik hem, wanneer wij ver van elkaar zijn, acht en liefheb, en met belangstelling zijne loopbaan volg, maar dat dit alles verandert zoodra wij bij elkaar zijn. Wat kan men daaraan doen! Wij moeten maar denken dat wij ieder op een verschillende planeet of in eene andere eeuw leven.”Leo Tolstoi in 1860, toen hij in het buitenland vertoefde.—Blz. 343.Leo Tolstoi in 1860, toen hij in het buitenland vertoefde.—Blz.343.Waarschijnlijk heeft Fet er met Tolstoi over gesproken en daardoor opnieuw diens misnoegen opgewekt, hetgeen hij aan Toerghenjeff heeft geschreven, waarop deze den volgenden brief zond.“Januari 1862.“Waarde Afanasie Afanasjewitsch!“Allereerst vraag ik u excuus voor al de onaangenaamheden, die mijn brief u bezorgd heeft. Mijne eenige verontschuldiging is, dat ik niet had voorzien dat Tolstoi de zaak zoo op zou nemen, maar dat ik integendeel had gedacht haar tot een goed einde te brengen. Het schijnt echter beter het geval geheel te laten rusten. Nogmaals, vergeef mij wat ik onwillekeurig misdeed.”En hiermede eindigen wij de beschrijving van deze ongelukkige gebeurtenis, die plotseling eene scheiding veroorzaakte tusschen twee groote mannen, doch waaruit misschien later eene zuiverder verhouding zou ontstaan.Wij kunnen hier nog bij voegen dat de wijze, waarop Garschin dezen twist in het Januari-nummer van den Historischen Bode beschreven heeft, niet juist is. Waarschijnlijk heeft hij niet uit zuivere bronnen geput.In de jaren 1861 en ’62 bekleedde Tolstoi het ambt van vrede- en scheidsrechter in een deel van het district Krapiwenski.De roep, die van hem uitging, dat hij zijne boeren niet uitzoog en uitmergelde, was bijna een hinderpaal geworden voor zijne bevestiging in bovengenoemd ambt. Hierover ontspon zich eene uitvoerige correspondentie, waarvan wij slechts de belangrijkste stukken laten volgen.De gouvernements-adelmaarschalk beklaagde zich o.a. bij den minister van binnenlandsche zaken over den gouverneur van Toela, die Tolstoi tot vrede- en scheidsrechter had benoemd. Hij wees er op, dat de geringe overeenstemming tusschen Tolstoi en den overigen adel van Toela, in zake landhuishoudkunde, aanleiding kon geven tot ongewenschte botsingen tusschen de leden van het lichaam waar Tolstoinu deel van uitmaakte. Daarbij zou de benoeming zijn geschied met verwaarloozing van eenige daaraan verbonden formaliteiten.De minister antwoordde daarop, dat de zaak waarschijnlijk op een misverstand berustte en onderzocht zou worden.Op eene aan hem gerichte vraag antwoordde luitenant-generaal Daragan, de gouverneur van Toela, in een confidentiëel schrijven, o.a. het volgende:“Ik ken graaf Tolstoi persoonlijk als een beschaafd, ontwikkeld mensch, die zeer veel voor de bewuste zaak voelt. Daarbij hebben verschillende landeigenaren uit dit district mij hun’ wensch te kennen gegeven, graaf Tolstoi als scheidsrechter benoemd te zien, zoodat er voor mij geen reden bestaat hem door een ander, mij onbekend, persoon te vervangen. Ook heeft de voorganger van Uwe Excellentie, onder vele andere invloedrijke personen, mijne aandacht op hem gevestigd.”Zoo bleef Tolstoi dus in zijn ambt gehandhaafd en uit de stukken, die ons zijn geworden, blijkt, dat hij met al de kracht die in hem was trachtte het volk te vrijwaren voor de groote willekeur der landeigenaren en politie-ambtenaren, zoodat de vrees van den adel voor zijne benoeming niet ongegrond bleek te zijn.Wij zullen hier eenige voorbeelden van zijne werkzaamheid laten volgen.Eene landeigenares, eene zekere Artjoechowa, beklaagde zich dat een gewezen stalknecht van haar was weggegaan, omdat hij volgens zijne verklaring “een volkomen vrij man” was.Tolstoi antwoordde hierop:“Mark kan volgens mijne uitspraak met zijne vrouw gaan waarheen hij wil. Beleefd verzoek ik u nog het volgende: hem schadevergoeding te geven voor de diensten, die gij gedurende drie maanden wederrechtelijk van hem genoten hebt,alsook voor de slagen zijne vrouw toegebracht, hetgeen nog meer tegen de wet is. Indien gij geen genoegen neemt met mijn besluit, dan hebt gij het recht in beroep te gaan bij het vrede- en bij het gouvernements-gerecht. Ik zal in deze zaak geen verdere verklaringen meer geven.“Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn“Uw onderdanige dienaarGraafL. Tolstoi.”De eischeres teekende protest aan en de overige leden van het vredegerecht, die tegenstanders van Tolstoi waren, stelden hem, zooals in vele andere gevallen, in het ongelijk. Daarop ging de zaak naar de tweede instantie, die zich nu—en dit geschiedde meermalen—met Tolstoi’s uitspraak vereenigde.Zoo werd Mark dus vrij verklaard en zijne vrouw kreeg eene schadeloosstelling voor de haar toegebrachte slagen.Zijne volgende uitspraak gold een’ strijd over het afgrazen van eene weide.Eenige boeren, die bij een’ landeigenaar aan ’t ploegen waren, hadden in het schaftuur hunne paarden op diens weide laten grazen. Hij ging zich daarover bij Tolstoi beklagen. Deze ried hem aan de boeren niet te vervolgen, waarschijnlijk in de hoop dat eene betere verhouding tusschen dien landeigenaar en de boeren daarvan het gevolg zou zijn. De aanklager wilde hier niets van hooren, maar eischte eene schadevergoeding van tachtig roebel.De wijze waarop Tolstoi deze zaak behandelde bevredigde den landeigenaar niet, en hij beklaagde zich bij het gerecht.“...Graaf Tolstoi,” schreef hij, “verscheen met drie boeren, die als deskundigen moesten optreden, in de bewuste weide.De boeren gaven als hun oordeel te kennen, dat er drie desjatin waren afgeweid, vertegenwoordigende eene waarde van dertig roebel. Graaf Tolstoi was het met deze uitspraak niet eens en schatte de schade op vijftien roebel. De deskundigen spraken den graaf niet tegen, en zoo werden de boeren dus tot eene schadeloosstelling van vijftien roebel veroordeeld.”De landeigenaar, die deze uitspraak niet in overeenstemming met de wet vond, voegde hier nog aan toe:“Ik ben overtuigd dat het vredegerecht, steeds geneigd het lot van de boeren te verbeteren, niet zal dulden dat deze verbeteringen zullen geschieden langs den weg, door den vrederechter graaf Tolstoi aangewezen.”Derhalve ter verantwoording geroepen, antwoordde Tolstoi, dat hij op grond van artikel 29, 31 en 32 van de wet tot regeling van de zaken der boeren, het niet noodig oordeelde eenige opheldering te geven. De zaak ging verder naar het gouvernements-gerecht en werd teruggezonden zonder eenige schriftelijke verklaring, met de kantteekening “accoord”, zoodat de beslissing wederom ten gunste van Tolstoi uitviel.Het volgende voorval toont, hoe weinig eerzuchtig Tolstoi in zijne betrekking was. Steeds streefde hij er naar zoo rechtvaardig mogelijk te handelen, en mocht hij zich al eens vergissen, dan erkende hij dit volmondig.Een grondeigenares had zich beklaagd dat Tolstoi aan een van hare knechts wederrechtelijk een’ pas had uitgereikt. Toen bij het onderzoek bleek dat hare aanklacht gegrond was, erkende hij eene fout te hebben begaan en bood aan haar schadevergoeding te geven.Hoewel Tolstoi altijd opkwam voor hunne rechten had hij dikwijls zeer veel last met de boeren, die, na de opheffing van de lijfeigenschap, hardnekkig hunne vroegere voorrechten trachtten te behouden.Tusschen den landeigenaar Osipowitsch en zijne gewezen lijfeigenen was het volgende geschil ontstaan. Een gedeelte van het dorp was door brand vernield en nu wilde de landheer den boeren niet toestaan hunne hutten weer op dezelfde plaats op te bouwen; bovendien onthield hij hun het noodige materiaal en den vereischten vrijen tijd.Tolstoi vond eenerzijds de eischen der boeren wettig, maar aan den anderen kant zag hij dat de omstandigheden van den kleinen grondeigenaar zóó waren, dat hij er onmogelijk aan kon voldoen. Hij wendde zich nu tot den adel met een verzoek om hulp voor den collega-landheer, wiens zaken zoo achteruit waren gegaan, of voor diens boeren. Maar zijn verzoek werd afgewezen en men begon de boeren te dwingen de eischen van den landheer in te willigen.De zaak werd van de eene instantie naar de andere verwezen en kwam maar niet tot een eind. Tolstoi zag in, dat het niet gunstig voor de boeren zou afloopen, en teekende daarom nogmaals protest aan. Maar dit bracht geen verandering in de behandeling der zaak, en toen hij begreep dat door de leden van het gerecht met opzet een verkeerde weg werd ingeslagen en dat hij niet krachtig genoeg was dit tegen te gaan, verliet hij bij wijze van protest de vergadering, zonder de behandelde stukken te onderteekenen. Wegens deze handelwijze werd eene aanklacht ingediend bij het gouvernementsgerecht, waarop echter geen acht werd geslagen.Over ’t algemeen trachtten de landeigenaren hun’ boeren zoo weinig mogelijk grond te geven en hen met de slechtste stukken af te schepen. Wanneer Tolstoi een dergelijk streven opmerkte, kwam hij tusschen beiden en zorgde dat er verandering in kwam.Het spreekt van zelf dat de sympathie, die Tolstoi den boeren toedroeg, den landeigenaren een doorn in het oog was. Zij beschuldigden hem dat hij tweedracht zaaide; dat hijde patriarchale verhouding, die er steeds tusschen den landheer en de boeren had bestaan, verstoorde, waardoor de boeren tot onwettige handelingen kwamen; zij beklaagden zich dat zelfs de leden van het boeren-bestuur, om Tolstoi te gerieven, hunne plichten verzaakten, zoodat er anarchie in het dorp heerschte en onregelmatigheden, als diefstal, willekeur en verregaande onafhankelijkheid, welig tierden.Hoe beter de verhouding met de boeren werd, des te onaangenamer werd die met den adel en de overige landeigenaren, zoodat Tolstoi’s positie steeds moeilijker en ten slotte onhoudbaar werd. In Juni 1861 schreef hij in zijn dagboek:“Mijn ambt van vrederechter heeft mij weinig materiaal geleverd, mij in onmin gebracht met alle landeigenaren en mijne gezondheid verwoest.”Nog eenige maanden bleef Tolstoi op zijn post, maar in Februari 1862 besloot hij zijn ontslag te nemen.De aanvraag hiertoe omkleedde hij met alle redenen die hem tot deze daad noopten, wijzende op de systematische tegenwerking die hij steeds had ondervonden, en zelfs revisie vragende van enkele tegen zijn advies in genomen besluiten. Tevens verzocht hij verlof zijn ambt voorloopig aan den oudsten kandidaat te mogen overdragen.Een’ tijd lang bleef Tolstoi nog in functie, maar den 30stenApril droeg hij, wegens zijne geschokte gezondheid, zijn ambt tijdelijk aan een’ ander over. Eindelijk, 26 Mei, kwam bericht bij den gouverneur van Toela, dat het verzoek werd ingewilligd en hij om gezondheidsredenen was ontslagen.De volgende schets, ontleend aan Löwenfeld, toont ons duidelijk hoe onrechtvaardig Tolstoi werd beschuldigd de boeren te bevoordeelen ten koste van de landeigenaren.“Een jonge Duitscher, in betrekking bij een’ landeigenaar in Toela, moest voor zaken van zijn’ patroon Tolstoi opJasnaja Paljana bezoeken. Er was een verschil gerezen over een stuk grond tusschen den landheer en zijne boeren, en in zijne kwaliteit van scheidsrechter moest Tolstoi uitspraak doen in deze zaak.“Om een oordeel te kunnen vellen moest hij den grond zelf in oogenschouw nemen, en daarom begaf hij zich, vergezeld van een’ twaalfjarigen boerenjongen, dien hij zijn kleinen landmeter noemde, naar de aangeduide plaats. Hier ontving hij de boerendeputatie, bestaande uit drie personen, die hunne belangen kwamen bepleiten.“‘Nu kinderen, wat wenscht ge?’ vroeg graaf Tolstoi. De afgevaardigden legden hem uit, dat zij een ander stuk grond wenschten te ontvangen dan hun was toegewezen.“‘Het spijt mij zeer, dat ik uw verzoek niet kan inwilligen,’ zeide graaf Tolstoi, ‘want als ik het toestond dan zou ik uwen landheer zeer benadeelen,’ en daarop begon hij hun de redenen zijner weigering duidelijk uiteen te zetten.“‘Och, doe maar iets voor ons,’ vroegen de boeren.“‘Neen, ik kan niets voor u doen,’ herhaalde graaf Tolstoi.“Alsof zij niets gehoord hadden, herhaalden de boeren, die met eerbiedig gebogen hoofd voor hem stonden: ‘och, doe iets voor ons, vadertje, doe iets voor ons.’“‘Wanneer gij wilt, vadertje,’ begon opnieuw de woordvoerder, ‘dan kunt gij wel iets voor ons doen,’ en de overige leden van de deputatie knikten bij wijze van instemming met hun hoofd.“Graaf Tolstoi bekruiste zich en zeide: ‘Bij Gods rechtvaardigheid zweer ik u, dat ik u niet kan helpen.’ En toen de boeren maar door zeurden: ‘Och vadertje, doe iets voor ons, doe iets voor ons, vadertje’, wendde hij zich driftig tot den jongen Duitscher, die ook aanwezig was en zeide: ‘Misschien kon Amfion nog vlugger bergen en bosschen verzetten dan wij dezen boeren iets aan het verstand kunnen brengen.’“Bij de voortzetting van het gesprek, dat nog wel een uur duurde, verloor graaf Tolstoi geen oogenblik zijn geduld en bleef hij steeds welwillend. De halsstarrigheid van de boeren ontlokte hem niet één ruw woord.”Vorst Dmitri Dmitrijewitsch Obolenski vertelt ons nog eene herinnering van een feestdiner, waarbij Tolstoi zijn buurman was.“Bij gelegenheid van eene verkiezing werd den leden van het scheidsgerecht een feestdiner aangeboden.“Dat diner zal ik niet licht vergeten. Na afloop bleven eenige landeigenaren, waaronder natuurlijk ook ik, nog een oogenblikje napraten. Toevallig kwam ik naast Tolstoi te zitten, met wien ik toen al heel goed bekend was. Er werden eenige toasten uitgebracht; de eerste, die met groot enthousiasme werd ontvangen, gold den ‘Tsaar, den Bevrijder’.“‘Ik drink dien toast met zeer veel genoegen,’ zeide Tolstoi, ‘want alleen aan hem hebben wij de emancipatie te danken...’“In het jaar van de afschaffing der lijfeigenschap (vervolgt Obolenski) stichtte Leo Tolstoi eenige scholen in Jasnaja Paljana, waarvoor ik mij zeer interesseerde. Ik bezocht hem dikwijls en in den herfst gingen wij veel samen jagen. Wie zou nu in den vluggen jager, voor wien geen sloot te breed was, met wien ik dagen achtereen op jacht ging, den diepzinnigen filosoof herkennen! Aangenamer gezelschap kan men zich moeielijk denken. Een goed vrederechter vind ik hem echter niet, daarvoor was hij veel te verstrooid. Als den dag van gisteren herinner ik mij nog het eerste protocol dat hij indiende. Het onderschrift luidde letterlijk:“‘Dit protocol zal op verzoek van een’ zekeren die-en-die, niet kunnende schrijven, door een’ zekeren stalknecht zoo-en-zoo worden onderteekend.’ Alle namen waren vergeten. Zooals graaf Tolstoi het gedicteerd had, had de knecht het opgeschrevenzonder één naam in te vullen, en zoo werd het, zonder te zijn doorgelezen, door Tolstoi onderteekend en doorgezonden naar het gouvernements-gerecht.“Ik hoorde deze geschiedenis van mijn’ oom, die als lid van bovengenoemd lichaam het protocol had ontvangen.”Tolstoi onderscheidde zich niet door kanselarijarbeid, maar hij was, wat zijn hart en verstand betreft, uitstekend berekend voor het ambt van scheidsrechter, en als zoodanig heeft hij ook goede herinneringen achtergelaten. In zijne paedagogische loopbaan, waarop wij in het volgende hoofdstuk zullen terugkomen, was hij, ondanks eenige tegenspoeden, zeer gelukkig.

Zooals reeds in het vorige hoofdstuk is gezegd, reisde Tolstoi van Berlijn naar St.-Petersburg. Begin Mei vertrok hij naar Moskou en spoedig daarna kwam hij terug in Jasnaja Paljana.

Rusland vierde feest bij den aanvang van het nieuwe tijdperk, de afschaffing van de lijfeigenschap.

Alles wat het bezat aan intellectueele en vooruitstrevende personen nam deel aan de ingrijpende gebeurtenissen, en een van de eersten was natuurlijk Leo Tolstoi.

Door het werkzaam aandeel, dat hij nam in alle takken van het maatschappelijk leven, werd zijn bestaan zoo veelzijdig, dat wij gedwongen zijn de door ons aangenomen chronologische volgorde te verlaten en over te gaan tot een overzicht van zijne werkzaamheden, die, hoe verschillend ook van aard, in zekeren zin toch steeds voeling hielden met zijn particulier en familieleven.

Zijne bezigheden in de maatschappij, waarop wij later zullen terugkomen, waren tweeërlei: de administratieve werkkring van scheids- en vrederechter en zijne bemoeiingen met de volksschool, benevens het schrijven zijner paedagogische opstellen.

Voor wij tot de behandeling van bovengenoemde werkzaamheden overgaan, moeten wij ons nog eenige oogenblikken met den particulier Tolstoi bezighouden.

Tolstoi had zich voorgenomen op de terugreis zijne beide buren Fet en Toerghenjeff op te zoeken. Naar aanleiding daarvan ontspon zich de volgende correspondentie tusschen de beide laatsten:

“Fetticarissime!“Hierbij ingesloten zend ik u een briefje van Tolstoi, dien ik juist heb geschreven, dat hij beslist in ’t begin van de volgende week moet komen. Gezamenlijk doen wij dan een’ inval in uw Stjepanowska, nu de nachtegalen nog zingen en de lente lacht met haren liefsten glimlach. Ik hoop dat hij mijne roepstem zal volgen en spoedig hier zal zijn. In ieder geval kunt gij mij in ’t eind van de volgende week verwachten. Houd u verder goed, wind u niet op, denk aan de woorden van Goethe: ‘Ohne Hast, ohne Rast’, en werp onderwijl nog eens een’ enkelen blik naar uwe verlaten muze.”

“Fetticarissime!“Hierbij ingesloten zend ik u een briefje van Tolstoi, dien ik juist heb geschreven, dat hij beslist in ’t begin van de volgende week moet komen. Gezamenlijk doen wij dan een’ inval in uw Stjepanowska, nu de nachtegalen nog zingen en de lente lacht met haren liefsten glimlach. Ik hoop dat hij mijne roepstem zal volgen en spoedig hier zal zijn. In ieder geval kunt gij mij in ’t eind van de volgende week verwachten. Houd u verder goed, wind u niet op, denk aan de woorden van Goethe: ‘Ohne Hast, ohne Rast’, en werp onderwijl nog eens een’ enkelen blik naar uwe verlaten muze.”

“Fetticarissime!

“Hierbij ingesloten zend ik u een briefje van Tolstoi, dien ik juist heb geschreven, dat hij beslist in ’t begin van de volgende week moet komen. Gezamenlijk doen wij dan een’ inval in uw Stjepanowska, nu de nachtegalen nog zingen en de lente lacht met haren liefsten glimlach. Ik hoop dat hij mijne roepstem zal volgen en spoedig hier zal zijn. In ieder geval kunt gij mij in ’t eind van de volgende week verwachten. Houd u verder goed, wind u niet op, denk aan de woorden van Goethe: ‘Ohne Hast, ohne Rast’, en werp onderwijl nog eens een’ enkelen blik naar uwe verlaten muze.”

Ingesloten was het volgende briefje van Tolstoi:

“Lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!

“In gedachten omhels ik u hartelijk voor uwen brief, voor uwe vriendschap, en daarvoor dat gij ‘Fet’ zijt. Toerghenjeff te ontmoeten vind ik aangenaam, maar u weer te zien verheugt mij tienmaal meer. Hoe lang is ’t niet geleden dat wij elkaar gesproken hebben, en wat is er in dien tijd al niet gebeurd! Het doet mij toch zoo veel genoegen, dat gij u aan ’t landleven hebt gewijd, en ik ben er trotsch op, dat ik daar ook een weinig toe heb meegewerkt. Maar ben ik eigenlijk de persoon om u raad te geven? Een vriend is goed, maar hij kan sterven, weggaan; men kan hem uit het oog verliezen. De natuur echter, waarmee wij ons voor immer hebben verbonden, hetzij dan door eene koopacte, of wel door geboorte en erfenis, is beter. Zij is koud, ongevoelig, veeleischend, maar daarbij blijft zij ons trouw tot aan dendood, en als wij sterven gaan wij in haar over. Ik daarentegen heb mij van haar afgekeerd, mij wachten andere bezigheden; maar indien ik niet wist dat zij om mij heen is, dat ik mij maar behoef om te wenden om haar te grijpen, dan zou mijn leven treurig zijn. God schenke u zijn’ zegen, opdat gij vreugde moogt beleven van uw Stjepanowka! Dat gij schrijft en zult schrijven, daaraan twijfel ik niet. Ik druk uwe vrouw de hand; zeg haar dat zij mij niet moet vergeten. Het zou al heel ongelukkig moeten loopen, zoo ik dezen zomer niet bij u kwam; wanneer echter, dat weet ik niet.”

“Ondanks de vriendelijke belofte,” schrijft Fet, “was de verschijning van een rijtuig, dat vlug nader kwam en weldra voor het huis stilhield, eene groote verrassing voor ons en met vreugde begroetten wij Toerghenjeff en Tolstoi. Het is niet te verwonderen dat de aanblik van het landgoed, armoedig als het er toen nog uitzag, Toerghenjeff de woorden ontlokte: ‘Wij keken en keken en konden uw huis maar niet ontdekken. Eindelijk zagen wij een’ vetten pannekoek om een’ wijsvinger, en ziedaar Stjepanowska!’

“Terwijl de gasten uitrustten en de gastvrouw de twee uren, die haar nog restten vóór het middagmaal, gebruikte om alles een feestelijk aanzien te geven, onderhielden wij ons zóó levendig als dat slechts mogelijk is tusschen menschen, die nog niet levensmoe zijn....”

Een betreurenswaardig feit maakte aan dit samenzijn een ontijdig einde; er brak n.l. een twist uit tusschen Toerghenjeff en Tolstoi. Deze gebeurtenis is tamelijk juist door Fet in zijneHerinneringenweergegeven; wij laten de beschrijving hier volgen, aangevuld en zoo noodig verbeterd, met gebruikmaking van ander vertrouwbaar materiaal.

”’s-Morgens, op onzen gewonen tijd,” zoo vertelt Fet, “d.w.z. om acht uur, kwamen onze gasten in de eetkamer, waar mijne vrouw, gezeten aan ’t eene eind van de tafel, achter densamowar, en ik aan ’t andere, hen reeds opwachtten. Toerghenjeff zat rechts, Tolstoi links van mijne vrouw, die, wetende, dat haar rechterbuurman groote waarde hechtte aan de opvoeding zijner dochter, dezen vroeg of hij met de nieuwe Engelsche gouvernante tevreden was. Hij putte zich uit in lofredenen en vertelde o.a., dat zij met echt Engelsche nauwgezetheid hem eene som gelds had gevraagd, die zijne dochter uitsluitend moest aanwenden voor liefdadige doeleinden.

“‘En nu,” vervolgde Toerghenjeff, “verlangt de gouvernante dat mijne dochter de oude kleedingstukken van arme menschen eigenhandig verstelt en zelf aan de eigenaars terug brengt.’

“‘En vindt gij dat goed?’ vroeg Tolstoi.

“‘Zeker, dat leert haar weldadig zijn en brengt haar in aanraking met de behoeftigen.’

“‘En ik vind, dat een jong, mooi-aangekleed meisje, dat daar met een vuil, slecht-riekend kleedingstuk op haar schoot zit, comedie speelt.’

“‘Ik verzoek u, dat niet te herhalen,’ stoof Toerghenjeff op, trillend van woede.

“‘Waarom zou ik mijne meening niet zeggen?’ antwoordde Tolstoi.

“‘Gij wilt dus zeggen, dat ik mijne dochter eene slechte opvoeding geef?’

“Tolstoi antwoordde hierop, dat hij eenvoudig uitte wat hij dacht en geen persoonlijkheden bedoelde.”

Voordat Fet den tijd had tusschen beiden te komen, zeide Toerghenjeff, wit van drift: “En als je dat wilt zeggen, dan zal ik je een slag in je gezicht geven.” Bij die woorden vloog hij met de handen aan zijn hoofd de kamer uit. Een oogenblik daarna keerde hij terug, en, zich tot mevrouw Fet wendende, zeide hij: “Vergeef mij om Gods wil mijn onbehoorlijkgedrag, waarvan ik diep berouw heb.” Daarop verliet hij de kamer weer.

Kort daarna vertrokken de gasten.

Tolstoi schreef van het station Nowosjelok een’ brief aan Toerghenjeff die een eisch tot genoegdoening behelsde; daarop reisde hij verder naar Bogoeslaff, een station dat halfweg het landgoed van Fet en Nikolski, eene bezitting van de Tolstoi’s, ligt. Vandaar liet hij pistolen halen, en daar er nog geen antwoord op zijn schrijven was gekomen stuurde hij Toerghenjeff een’ tweeden brief die eene formeele uitdaging bevatte. Tevens gaf hij den wensch te kennen, niet te duelleeren zooals schrijvers dat gewoonlijk doen, d.w.z. dat twee schrijvers een’ derden en ook pistolen meenemen, en dat alles eindigt met champagne, maar dat hij een ernstig duel verlangde. Daarom verzocht hij Toerghenjeff gewapend in het bosch van Bogoeslaff te komen.

Tolstoi ging niet slapen, maar bleef den geheelen nacht wachten. Eindelijk kwam er antwoord op den eersten brief. Toerghenjeff schreef:

“Geachte Heer Leo Nikolajewitsch!

“In antwoord op uwen brief kan ik slechts herhalen, wat ik mij reeds bij Fet verplicht achtte te zeggen. Meegesleept door een onwillekeurig vijandig gevoel (’t is hier niet de plaats dit nader te omschrijven), beleedigde ik u zonder eenige aanleiding uwerzijds, en vroeg u daarna om verschooning. Hetgeen vanmorgen gebeurd is toont duidelijk aan, dat iedere toenadering tusschen twee zulke tegenstrijdige naturen als de onze tot niets kan lijden. Ik doe des te liever de schuld af, die ik mij tegenover u bewust ben, omdat deze brief waarschijnlijk het laatste levensteeken zal zijn, dat tusschen ons gewisseld wordt. Van ganscher harte hoop ik dat dit schrijven u moge bevredigen, en ik verklaar u van te vorenmijne instemming met het gebruik dat gij er van wilt maken.

“Met de meeste hoogachting heb ik, geachte heer, de eer te zijn

“27 Mei 1861, Spasskoje.

“Uw dw. dn.Iwan Toerghenjeff.”

Hierbij was het volgend bijschrift:

“10½ uur ’s-nachts.

“Iwan Petrowitsch brengt mij daar juist mijn’ brief terug die, door de domheid van mijn’ bediende, te Nowosjelok in plaats van te Bogoeslaff is bezorgd. Wil deze nalatigheid verontschuldigen. Ik hoop dat nu mijn bode u nog te Bogoeslaff zal treffen.”

Waarschijnlijk dienzelfden dag nog schreef Tolstoi aan Fet:

“Ik kon mij niet weerhouden den brief van den heer Toerghenjeff (een antwoord op mijn’ brief) te lezen. Ik wensch u in uwe verhouding tot dien heer het allerbeste, maar ik veracht hem en heb hem dat ook geschreven; daarmee is alles tusschen ons uit, behalve natuurlijk indien hij genoegdoening vordert. Hoewel ik uiterlijk kalm was stormde het in mij en verlangde ik eene betere verontschuldiging van dien heer, hetgeen ik hem in mijn’ brief van Nowosjelok heb geschreven. Hier is zijn antwoord, waarmee ik genoegen neem, hetgeen ik hem ook te kennen heb gegeven, onder bijvoeging, dat de reden waarom ik zijne verontschuldiging aanneem niet ligt in onze tegenstrijdige naturen, maar in eene oorzaak die hij zelf begrijpen kan. Bovendien zond ik tengevolge van het oponthoud een tweeden scherpen brief, waarin ik hem uitdaagde, maar waarop ik geen antwoord ontving. Indien het nog komt, zal ik den brief ongeopend terugzenden. En dit is nu het einde van deze treurige geschiedenis, waaraan gij, zoo zij over uwen drempel mocht gaan, het bovenstaande moet toevoegen.

“L. Tolstoi.”

Op de uitdaging antwoordde Toerghenjeff het volgende:

“Uw bediende zegt, dat hij op antwoord moet wachten, maar ik zou niet weten wat ik aan mijn eerste schrijven nog zou kunnen toevoegen. Misschien dit, dat ik u het volste recht toeken mij uit te dagen. Gij hebt er de voorkeur aan gegeven mijne uitgesproken en herhaalde verontschuldigingen aan te nemen. Gij hebt het zoo gewild. Ik geef u de oprechte verzekering, dat ik mij gaarne aan uw schot zou hebben blootgesteld, om daardoor mijne inderdaad zinnelooze woorden uit te wisschen. Hetgeen ik tegen u gezegd heb wijkt zoo af van mijne gewone wijze van doen, dat ik het slechts kan toeschrijven aan een gevoel van verbittering, dat ontstaan is door onze geheel tegenstrijdige inzichten. Dit is geene verontschuldiging; ik wil mij niet rechtvaardigen; het is slechts eene verklaring. En daarom moeten onze wegen zich scheiden. Dergelijke gebeurtenissen laten zich niet uitwisschen, maar ik acht het mijn plicht, nogmaals te herhalen, dat gij in deze zaak gelijk en ik schuld heb. Ik voeg hier nog bij dat in dit geval het zwaartepunt niet ligt in den moed dien ik u al of niet wil toonen, maar in de bekentenis dat gij zoowel het recht hebt mij uit te dagen (natuurlijk in den aangenomen vorm, met secondanten) als om mij te vergeven. Gij hebt gekozen wat gij goed vondt, en mij past het mij naar uw besluit te voegen.

“Wederom verzoek ik u de betuiging mijner oprechte hoogachting te aanvaarden.

“Iw. Toerghenjeff.”

Waarschijnlijk stelde Fet pogingen in het werk, zijne beide vrienden te verzoenen, want in zijneHerinneringenschrijft hij:

“Tolstoi zond mij het volgende briefje:

“‘Toerghenjeff...., hetgeen ik u verzoek hem even nauwkeurig over te brengen als gij mij zijne welwillende meeningmededeeldet, hoewel ik u uitdrukkelijk verzocht had niet meer over hem te spreken.

“‘GraafL. Tolstoi.’

“‘Ik verzoek u mij niet meer te schrijven, daar ik uwe zoomin als zijne brieven zal openen.’”

“Ik behoef wel niet te zeggen,” vervolgt Fet, “dat ik mijn uiterste best deed om deze kwestie, die helaas in mijn huis begonnen was, tot een goed einde te brengen.

“Ik herinner mij nog in welk een onbeschrijflijk ironische woede Nikolaas Nikolajewitsch Toerghenjeff geraakte, toen hij van ’t geval hoorde. ‘Welk eene dwaasheid,’ riep hij uit, ‘te verlangen, dat iedereen zal denken zooals wij zelf! Maar zijt gij eenmaal begonnen, zet dan de zaak ook door tot aan het einde, met het pistool in de hand.’ Zoo sprak hij tot mij; wat hij tegen Iwan Toerghenjeff heeft gezegd, is mij niet bekend.

“Het slot van de zaak was, dat het tot een formeele breuk kwam tusschen Tolstoi en mij, en tot op dit oogenblik weet ik nog niet, of onze verhouding weer vriendschappelijk is geworden.”

“Eenigen tijd later,” vertelt gravin Tolstoi, “gebeurde het, dat Tolstoi in eene van die verheven gemoedsstemmingen geraakte, die men nu en dan bij hem kon waarnemen. Hij was dan verdraagzaam, liefdevol en vervuld van de begeerte om naar het goede en het allerhoogste te streven. Als hij in dien toestand verkeerde, kon hij het niet verdragen een’ vijand te hebben. En daarom zond hij den 25stenSeptember aan Toerghenjeff een’ brief, waarin hij zijne spijt uitdrukte dat hunne verhouding vijandig was. Hij schreef:

“‘Zoo ik u beleedigd heb, vergeef het mij dan, het is mij eene oneindig treurige gedachte te weten dat ik een vijand heb.’”

Dit schrijven werd naar den boekhandel van Dawidoff gestuurd, waarmee Toerghenjeff in relatie stond. Om de eene of andere reden werd de brief niet dadelijk doorgestuurd en nu gebeurde het, dat juist in dien tijd Toerghenjeff een onaangenaam gerucht ter oore kwam, waarvan hij Fet in den volgenden brief mededeeling deed.

“Parijs, 8 November.

“....En nu nog een woord over die ongelukkige historie met Tolstoi. Ik reisde over Petersburg en hoorde van ‘vertrouwbare personen’ (o, die vertrouwbare personen!) dat eene copie van mijn laatsten brief (waarin hij mij zijne verachting te kennen geeft) in Moskou door hem zelf zou zijn verspreid. Het maakte mij razend, en ik heb hem eene uitdaging gezonden om, zoodra ik weer in Rusland zal zijn, met hem te duelleeren. Tolstoi antwoordde dat het verspreiden van dien brief een praatje is en voegde er bij dat, hoewel ik hem had beleedigd, hij mij om verontschuldiging verzocht, en dat hij van het duel afzag. Natuurlijk moet ik er nu ook genoegen mee nemen, maar nu vraag ik u hem te willen mededeelen (hij schreef mij immers vroeger dat hij ieder bericht van mij aan hem als eene beleediging zou opnemen), dat ik zelf afstand doe van het recht om met hem te duelleeren, en dat ik hoop dat deze gebeurtenis nu voor goed begraven is. Zijn’ brief met verontschuldigingen heb ik vernietigd en den anderen, dien hij mij door Dawidoff had gestuurd, heb ik niet ontvangen. En daarmee basta.”

In Tolstoi’s dagboek vinden wij over deze zaak:

“October. Gisteren ontving ik een’ brief van Toerghenjeff, waarin hij mij beschuldigt hem voor een’ lafaard te hebben uitgemaakt en copieën van zijne brieven te hebben verspreid. Ik heb hem geschreven dat dit praatjes zijn en zond hem bovendien den volgenden brief: ‘Gij hebt mijn optredeneerloos genoemd; vroeger hebt gij mij in het gezicht willen slaan, en ik erken dat ik schuld heb, vraag u om verschooning en wensch niet meer te duelleeren.’”

Gravin Tolstoi schrijft in hare aanteekeningen, dat deze brief werd geschreven met de gedachte, dat zoo Toerghenjeff zich niet persoonlijk kon wreken, en toch tegenover het publiek in zijne eer hersteld moest worden, hij dezen brief kon gebruiken. Tolstoi stond boven dergelijke zaken, en het oordeel der menschen verachtte hij. Toerghenjeff toonde zich nu klein, en antwoordde dat hij zich voldaan achtte.

Den 7denJanuari schreef Toerghenjeff nogmaals aan Fet:

“....En nu ter zake. Hebt gij Tolstoi gezien? Eerst heden ontving ik den brief, dien gij mij in September door bemiddeling van Dawidoff stuurdet. (Wat zijn die Russische zakenmenschen accuraat!) Hierin schrijft hij dat hij mij heeft willen beleedigen en biedt hij mij zijne verontschuldiging aan. En in dien zelfden tijd stuurde ik hem, opgewonden door ’t gepraat van anderen, eene uitdaging voor een duel.

“Uit een en ander maak ik de gevolgtrekking dat onze gesternten zich in tegengestelde richtingen bewegen, en daarom is het beter, zooals hij zelf ook inziet, eene ontmoeting te vermijden. Maar gij kunt hem schrijven, of zeggen, dat ik hem, wanneer wij ver van elkaar zijn, acht en liefheb, en met belangstelling zijne loopbaan volg, maar dat dit alles verandert zoodra wij bij elkaar zijn. Wat kan men daaraan doen! Wij moeten maar denken dat wij ieder op een verschillende planeet of in eene andere eeuw leven.”

Leo Tolstoi in 1860, toen hij in het buitenland vertoefde.—Blz. 343.Leo Tolstoi in 1860, toen hij in het buitenland vertoefde.—Blz.343.

Leo Tolstoi in 1860, toen hij in het buitenland vertoefde.—Blz.343.

Waarschijnlijk heeft Fet er met Tolstoi over gesproken en daardoor opnieuw diens misnoegen opgewekt, hetgeen hij aan Toerghenjeff heeft geschreven, waarop deze den volgenden brief zond.

“Januari 1862.

“Waarde Afanasie Afanasjewitsch!

“Allereerst vraag ik u excuus voor al de onaangenaamheden, die mijn brief u bezorgd heeft. Mijne eenige verontschuldiging is, dat ik niet had voorzien dat Tolstoi de zaak zoo op zou nemen, maar dat ik integendeel had gedacht haar tot een goed einde te brengen. Het schijnt echter beter het geval geheel te laten rusten. Nogmaals, vergeef mij wat ik onwillekeurig misdeed.”

En hiermede eindigen wij de beschrijving van deze ongelukkige gebeurtenis, die plotseling eene scheiding veroorzaakte tusschen twee groote mannen, doch waaruit misschien later eene zuiverder verhouding zou ontstaan.

Wij kunnen hier nog bij voegen dat de wijze, waarop Garschin dezen twist in het Januari-nummer van den Historischen Bode beschreven heeft, niet juist is. Waarschijnlijk heeft hij niet uit zuivere bronnen geput.

In de jaren 1861 en ’62 bekleedde Tolstoi het ambt van vrede- en scheidsrechter in een deel van het district Krapiwenski.

De roep, die van hem uitging, dat hij zijne boeren niet uitzoog en uitmergelde, was bijna een hinderpaal geworden voor zijne bevestiging in bovengenoemd ambt. Hierover ontspon zich eene uitvoerige correspondentie, waarvan wij slechts de belangrijkste stukken laten volgen.

De gouvernements-adelmaarschalk beklaagde zich o.a. bij den minister van binnenlandsche zaken over den gouverneur van Toela, die Tolstoi tot vrede- en scheidsrechter had benoemd. Hij wees er op, dat de geringe overeenstemming tusschen Tolstoi en den overigen adel van Toela, in zake landhuishoudkunde, aanleiding kon geven tot ongewenschte botsingen tusschen de leden van het lichaam waar Tolstoinu deel van uitmaakte. Daarbij zou de benoeming zijn geschied met verwaarloozing van eenige daaraan verbonden formaliteiten.

De minister antwoordde daarop, dat de zaak waarschijnlijk op een misverstand berustte en onderzocht zou worden.

Op eene aan hem gerichte vraag antwoordde luitenant-generaal Daragan, de gouverneur van Toela, in een confidentiëel schrijven, o.a. het volgende:

“Ik ken graaf Tolstoi persoonlijk als een beschaafd, ontwikkeld mensch, die zeer veel voor de bewuste zaak voelt. Daarbij hebben verschillende landeigenaren uit dit district mij hun’ wensch te kennen gegeven, graaf Tolstoi als scheidsrechter benoemd te zien, zoodat er voor mij geen reden bestaat hem door een ander, mij onbekend, persoon te vervangen. Ook heeft de voorganger van Uwe Excellentie, onder vele andere invloedrijke personen, mijne aandacht op hem gevestigd.”

Zoo bleef Tolstoi dus in zijn ambt gehandhaafd en uit de stukken, die ons zijn geworden, blijkt, dat hij met al de kracht die in hem was trachtte het volk te vrijwaren voor de groote willekeur der landeigenaren en politie-ambtenaren, zoodat de vrees van den adel voor zijne benoeming niet ongegrond bleek te zijn.

Wij zullen hier eenige voorbeelden van zijne werkzaamheid laten volgen.

Eene landeigenares, eene zekere Artjoechowa, beklaagde zich dat een gewezen stalknecht van haar was weggegaan, omdat hij volgens zijne verklaring “een volkomen vrij man” was.

Tolstoi antwoordde hierop:

“Mark kan volgens mijne uitspraak met zijne vrouw gaan waarheen hij wil. Beleefd verzoek ik u nog het volgende: hem schadevergoeding te geven voor de diensten, die gij gedurende drie maanden wederrechtelijk van hem genoten hebt,alsook voor de slagen zijne vrouw toegebracht, hetgeen nog meer tegen de wet is. Indien gij geen genoegen neemt met mijn besluit, dan hebt gij het recht in beroep te gaan bij het vrede- en bij het gouvernements-gerecht. Ik zal in deze zaak geen verdere verklaringen meer geven.

“Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn

“Uw onderdanige dienaarGraafL. Tolstoi.”

De eischeres teekende protest aan en de overige leden van het vredegerecht, die tegenstanders van Tolstoi waren, stelden hem, zooals in vele andere gevallen, in het ongelijk. Daarop ging de zaak naar de tweede instantie, die zich nu—en dit geschiedde meermalen—met Tolstoi’s uitspraak vereenigde.

Zoo werd Mark dus vrij verklaard en zijne vrouw kreeg eene schadeloosstelling voor de haar toegebrachte slagen.

Zijne volgende uitspraak gold een’ strijd over het afgrazen van eene weide.

Eenige boeren, die bij een’ landeigenaar aan ’t ploegen waren, hadden in het schaftuur hunne paarden op diens weide laten grazen. Hij ging zich daarover bij Tolstoi beklagen. Deze ried hem aan de boeren niet te vervolgen, waarschijnlijk in de hoop dat eene betere verhouding tusschen dien landeigenaar en de boeren daarvan het gevolg zou zijn. De aanklager wilde hier niets van hooren, maar eischte eene schadevergoeding van tachtig roebel.

De wijze waarop Tolstoi deze zaak behandelde bevredigde den landeigenaar niet, en hij beklaagde zich bij het gerecht.

“...Graaf Tolstoi,” schreef hij, “verscheen met drie boeren, die als deskundigen moesten optreden, in de bewuste weide.De boeren gaven als hun oordeel te kennen, dat er drie desjatin waren afgeweid, vertegenwoordigende eene waarde van dertig roebel. Graaf Tolstoi was het met deze uitspraak niet eens en schatte de schade op vijftien roebel. De deskundigen spraken den graaf niet tegen, en zoo werden de boeren dus tot eene schadeloosstelling van vijftien roebel veroordeeld.”

De landeigenaar, die deze uitspraak niet in overeenstemming met de wet vond, voegde hier nog aan toe:

“Ik ben overtuigd dat het vredegerecht, steeds geneigd het lot van de boeren te verbeteren, niet zal dulden dat deze verbeteringen zullen geschieden langs den weg, door den vrederechter graaf Tolstoi aangewezen.”

Derhalve ter verantwoording geroepen, antwoordde Tolstoi, dat hij op grond van artikel 29, 31 en 32 van de wet tot regeling van de zaken der boeren, het niet noodig oordeelde eenige opheldering te geven. De zaak ging verder naar het gouvernements-gerecht en werd teruggezonden zonder eenige schriftelijke verklaring, met de kantteekening “accoord”, zoodat de beslissing wederom ten gunste van Tolstoi uitviel.

Het volgende voorval toont, hoe weinig eerzuchtig Tolstoi in zijne betrekking was. Steeds streefde hij er naar zoo rechtvaardig mogelijk te handelen, en mocht hij zich al eens vergissen, dan erkende hij dit volmondig.

Een grondeigenares had zich beklaagd dat Tolstoi aan een van hare knechts wederrechtelijk een’ pas had uitgereikt. Toen bij het onderzoek bleek dat hare aanklacht gegrond was, erkende hij eene fout te hebben begaan en bood aan haar schadevergoeding te geven.

Hoewel Tolstoi altijd opkwam voor hunne rechten had hij dikwijls zeer veel last met de boeren, die, na de opheffing van de lijfeigenschap, hardnekkig hunne vroegere voorrechten trachtten te behouden.

Tusschen den landeigenaar Osipowitsch en zijne gewezen lijfeigenen was het volgende geschil ontstaan. Een gedeelte van het dorp was door brand vernield en nu wilde de landheer den boeren niet toestaan hunne hutten weer op dezelfde plaats op te bouwen; bovendien onthield hij hun het noodige materiaal en den vereischten vrijen tijd.

Tolstoi vond eenerzijds de eischen der boeren wettig, maar aan den anderen kant zag hij dat de omstandigheden van den kleinen grondeigenaar zóó waren, dat hij er onmogelijk aan kon voldoen. Hij wendde zich nu tot den adel met een verzoek om hulp voor den collega-landheer, wiens zaken zoo achteruit waren gegaan, of voor diens boeren. Maar zijn verzoek werd afgewezen en men begon de boeren te dwingen de eischen van den landheer in te willigen.

De zaak werd van de eene instantie naar de andere verwezen en kwam maar niet tot een eind. Tolstoi zag in, dat het niet gunstig voor de boeren zou afloopen, en teekende daarom nogmaals protest aan. Maar dit bracht geen verandering in de behandeling der zaak, en toen hij begreep dat door de leden van het gerecht met opzet een verkeerde weg werd ingeslagen en dat hij niet krachtig genoeg was dit tegen te gaan, verliet hij bij wijze van protest de vergadering, zonder de behandelde stukken te onderteekenen. Wegens deze handelwijze werd eene aanklacht ingediend bij het gouvernementsgerecht, waarop echter geen acht werd geslagen.

Over ’t algemeen trachtten de landeigenaren hun’ boeren zoo weinig mogelijk grond te geven en hen met de slechtste stukken af te schepen. Wanneer Tolstoi een dergelijk streven opmerkte, kwam hij tusschen beiden en zorgde dat er verandering in kwam.

Het spreekt van zelf dat de sympathie, die Tolstoi den boeren toedroeg, den landeigenaren een doorn in het oog was. Zij beschuldigden hem dat hij tweedracht zaaide; dat hijde patriarchale verhouding, die er steeds tusschen den landheer en de boeren had bestaan, verstoorde, waardoor de boeren tot onwettige handelingen kwamen; zij beklaagden zich dat zelfs de leden van het boeren-bestuur, om Tolstoi te gerieven, hunne plichten verzaakten, zoodat er anarchie in het dorp heerschte en onregelmatigheden, als diefstal, willekeur en verregaande onafhankelijkheid, welig tierden.

Hoe beter de verhouding met de boeren werd, des te onaangenamer werd die met den adel en de overige landeigenaren, zoodat Tolstoi’s positie steeds moeilijker en ten slotte onhoudbaar werd. In Juni 1861 schreef hij in zijn dagboek:

“Mijn ambt van vrederechter heeft mij weinig materiaal geleverd, mij in onmin gebracht met alle landeigenaren en mijne gezondheid verwoest.”

Nog eenige maanden bleef Tolstoi op zijn post, maar in Februari 1862 besloot hij zijn ontslag te nemen.

De aanvraag hiertoe omkleedde hij met alle redenen die hem tot deze daad noopten, wijzende op de systematische tegenwerking die hij steeds had ondervonden, en zelfs revisie vragende van enkele tegen zijn advies in genomen besluiten. Tevens verzocht hij verlof zijn ambt voorloopig aan den oudsten kandidaat te mogen overdragen.

Een’ tijd lang bleef Tolstoi nog in functie, maar den 30stenApril droeg hij, wegens zijne geschokte gezondheid, zijn ambt tijdelijk aan een’ ander over. Eindelijk, 26 Mei, kwam bericht bij den gouverneur van Toela, dat het verzoek werd ingewilligd en hij om gezondheidsredenen was ontslagen.

De volgende schets, ontleend aan Löwenfeld, toont ons duidelijk hoe onrechtvaardig Tolstoi werd beschuldigd de boeren te bevoordeelen ten koste van de landeigenaren.

“Een jonge Duitscher, in betrekking bij een’ landeigenaar in Toela, moest voor zaken van zijn’ patroon Tolstoi opJasnaja Paljana bezoeken. Er was een verschil gerezen over een stuk grond tusschen den landheer en zijne boeren, en in zijne kwaliteit van scheidsrechter moest Tolstoi uitspraak doen in deze zaak.

“Om een oordeel te kunnen vellen moest hij den grond zelf in oogenschouw nemen, en daarom begaf hij zich, vergezeld van een’ twaalfjarigen boerenjongen, dien hij zijn kleinen landmeter noemde, naar de aangeduide plaats. Hier ontving hij de boerendeputatie, bestaande uit drie personen, die hunne belangen kwamen bepleiten.

“‘Nu kinderen, wat wenscht ge?’ vroeg graaf Tolstoi. De afgevaardigden legden hem uit, dat zij een ander stuk grond wenschten te ontvangen dan hun was toegewezen.

“‘Het spijt mij zeer, dat ik uw verzoek niet kan inwilligen,’ zeide graaf Tolstoi, ‘want als ik het toestond dan zou ik uwen landheer zeer benadeelen,’ en daarop begon hij hun de redenen zijner weigering duidelijk uiteen te zetten.

“‘Och, doe maar iets voor ons,’ vroegen de boeren.

“‘Neen, ik kan niets voor u doen,’ herhaalde graaf Tolstoi.

“Alsof zij niets gehoord hadden, herhaalden de boeren, die met eerbiedig gebogen hoofd voor hem stonden: ‘och, doe iets voor ons, vadertje, doe iets voor ons.’

“‘Wanneer gij wilt, vadertje,’ begon opnieuw de woordvoerder, ‘dan kunt gij wel iets voor ons doen,’ en de overige leden van de deputatie knikten bij wijze van instemming met hun hoofd.

“Graaf Tolstoi bekruiste zich en zeide: ‘Bij Gods rechtvaardigheid zweer ik u, dat ik u niet kan helpen.’ En toen de boeren maar door zeurden: ‘Och vadertje, doe iets voor ons, doe iets voor ons, vadertje’, wendde hij zich driftig tot den jongen Duitscher, die ook aanwezig was en zeide: ‘Misschien kon Amfion nog vlugger bergen en bosschen verzetten dan wij dezen boeren iets aan het verstand kunnen brengen.’

“Bij de voortzetting van het gesprek, dat nog wel een uur duurde, verloor graaf Tolstoi geen oogenblik zijn geduld en bleef hij steeds welwillend. De halsstarrigheid van de boeren ontlokte hem niet één ruw woord.”

Vorst Dmitri Dmitrijewitsch Obolenski vertelt ons nog eene herinnering van een feestdiner, waarbij Tolstoi zijn buurman was.

“Bij gelegenheid van eene verkiezing werd den leden van het scheidsgerecht een feestdiner aangeboden.

“Dat diner zal ik niet licht vergeten. Na afloop bleven eenige landeigenaren, waaronder natuurlijk ook ik, nog een oogenblikje napraten. Toevallig kwam ik naast Tolstoi te zitten, met wien ik toen al heel goed bekend was. Er werden eenige toasten uitgebracht; de eerste, die met groot enthousiasme werd ontvangen, gold den ‘Tsaar, den Bevrijder’.

“‘Ik drink dien toast met zeer veel genoegen,’ zeide Tolstoi, ‘want alleen aan hem hebben wij de emancipatie te danken...’

“In het jaar van de afschaffing der lijfeigenschap (vervolgt Obolenski) stichtte Leo Tolstoi eenige scholen in Jasnaja Paljana, waarvoor ik mij zeer interesseerde. Ik bezocht hem dikwijls en in den herfst gingen wij veel samen jagen. Wie zou nu in den vluggen jager, voor wien geen sloot te breed was, met wien ik dagen achtereen op jacht ging, den diepzinnigen filosoof herkennen! Aangenamer gezelschap kan men zich moeielijk denken. Een goed vrederechter vind ik hem echter niet, daarvoor was hij veel te verstrooid. Als den dag van gisteren herinner ik mij nog het eerste protocol dat hij indiende. Het onderschrift luidde letterlijk:

“‘Dit protocol zal op verzoek van een’ zekeren die-en-die, niet kunnende schrijven, door een’ zekeren stalknecht zoo-en-zoo worden onderteekend.’ Alle namen waren vergeten. Zooals graaf Tolstoi het gedicteerd had, had de knecht het opgeschrevenzonder één naam in te vullen, en zoo werd het, zonder te zijn doorgelezen, door Tolstoi onderteekend en doorgezonden naar het gouvernements-gerecht.

“Ik hoorde deze geschiedenis van mijn’ oom, die als lid van bovengenoemd lichaam het protocol had ontvangen.”

Tolstoi onderscheidde zich niet door kanselarijarbeid, maar hij was, wat zijn hart en verstand betreft, uitstekend berekend voor het ambt van scheidsrechter, en als zoodanig heeft hij ook goede herinneringen achtergelaten. In zijne paedagogische loopbaan, waarop wij in het volgende hoofdstuk zullen terugkomen, was hij, ondanks eenige tegenspoeden, zeer gelukkig.

Veertiende hoofdstuk.Tolstoi’s paedagogische werkzaamheden.—De oprichting van scholen.—Theorieën.Reeds eenige malen had Tolstoi zich met paedagogischen arbeid bezig gehouden. In het jaar 1849, teruggekeerd uit St.-Petersburg, stichtte hij eene volkschool te Jasnaja Paljana en voerde eenige verbeteringen in, in de hoop daardoor het volk nader te komen. Wij weten dat deze eerste proefneming met eene mislukking eindigde. Bij zijn vertrek naar den Kaukasus werd de school natuurlijk gesloten, doch zij werd weer geopend na zijn eerste buitenlandsche reis.Tolstoi was zich zijn gebrek aan theoretische kennis volkomen bewust, en haastte zich dit tekort aan te vullen op de door ons in het vorige hoofdstuk beschreven wijze. Na zijn’ terugkeer uit het buitenland voelde hij zich krachtig genoeg om eene nieuwe proef te wagen. Wederom ging hij zich wijden aan het volksonderwijs en bracht dat tot eene nog ongekende hoogte.In een van zijne artikelen over paedagogie heeft hij over zijne proefnemingen en voorbereidingen in zake schoolarbeid het volgende gezegd.“Toen ik, nu ongeveer vijftien jaar geleden, zonder eenige voorbereiding, zoo min practisch als theoretisch, alleen bezield met den innigen wensch een goed onderwijzer in mijne school te zijn, mij voor het eerst ging wijden aan het volksonderwijs, stootte ik dadelijk op de twee vragen: ‘wat moetik onderwijzen?’ en ‘hoe moet ik onderwijzen?’ De meeningen van de verschillende personen die belang stellen in volksontwikkeling, loopen hierover, thans zoowel als vroeger, zeer uiteen. Sommigen antwoorden op de vraag ‘wat moet ik onderwijzen?’ dat, behalve het lezen en schrijven, de natuurwetenschappen voor eerstbeginnenden zeer nuttig zijn; anderen weer oordeelen deze geheel overbodig, ja zelfs schadelijk. De een geeft de voorkeur aan aardrijkskunde en geschiedenis, de ander ontkent de noodzakelijkheid daarvan, een derde pleit voor de oude Slavische taal, spraakkunst en godsdienstonderwijs, en nummer vier acht ook dit niet goed, maar is voor algemeene ontwikkeling.“Over de vraag: ‘hoe moet ik onderwijzen?’ liepen vroeger, en loopen ook nu nog, de meeningen nog meer uiteen, en de verschillende wijzen waarop schrijven, lezen en rekenen worden onderwezen zijn ook nu, evenals vroeger, in tegenspraak met elkaar.“Toen ik in de Russische litteratuur geen bevredigend antwoord op deze vragen vond, wendde ik mij tot de Europeesche. Ik las alles wat er over paedagogie geschreven was, richtte mij tot de beroemdste vertegenwoordigers van deze wetenschap in Europa en vond niet alleen geen antwoord op mijne vraag, maar kwam tot de overtuiging, dat in de paedagogie als wetenschap eene dergelijke vraag niet eens bestond; dat iedere paedagoog, voorstander van eene zekere school, onvoorwaardelijk geloofde in de juistheid van zijne methode. Kritiek daarop uit te oefenen zou een nuttelooze arbeid zijn geweest. En daarbij, waarschijnlijk omdat ik mij aan de opvoeding van ’t volk ging wijden zonder eenige voorbereidende studie, zonder er in de verste verte begrip van te hebben hoe ik moest onderwijzen, maar zelf in de dompige dorpsschool begon te schoolmeesteren, vestigde zich bij mij de overtuiging dat er een kriterium moest zijn volgens hetwelk de vraag konworden opgelost: ‘hoe en wat moet men onderwijzen: het psalmboek van buiten leeren of de grondbeginselen der natuurkunde? Het alfabet onderwijzen volgens de Duitsche- of volgens de oud-Slavische methode?’“Ik werd bij de oplossing van deze vraag geholpen door een weinig paedagogisch talent en doordat de zaak mij zoo zeer ter harte ging. Toen ik in onmiddellijke aanraking kwam met de veertig kleine boertjes, die mijn school bezochten (ik noem hen kleine boeren omdat zij alle karaktertrekken, zooals vlug begrip, praktischen zin, vroolijkheid, eenvoud en afwezigheid van alle valschheid aan den dag legden, die den Russischen boer eigen zijn), en zag hoe ontvankelijk zij waren voor de wetenschappen die zij noodig hadden, begreep ik tevens dat de oude kerkelijke methode van onderwijzen een verouderd standpunt was, dat niet meer voor hen deugde. Ik beproefde het op eene andere manier, en daar ik afkeerig ben van allen dwang, zette ik nooit door zoodra ik bemerkte dat de leerstof niet goed werd verwerkt. Deze proefnemingen bewezen mij, en ook den onderwijzers die volgens mijne vrije methode op de andere scholen te Jasnaja Paljana les gaven, dat bijna alles wat men in de paedagogische wereld over schoolzaken schrijft, geheel in strijd is met de werkelijkheid; dat er onder de aangenomen leervakken veel is, b.v. natuurkundige wetenschappen, aanschouwelijk onderwijs en andere, dat den leerlingen afkeer en spot inboezemt en dat zij niet kunnen verwerken. Toen begonnen wij naar leerstof te zoeken die gemakkelijk door de kinderen werd begrepen, en zoo vormde ik dus mijne eigene methode, die echter nog op één lijn stond met alle andere, terwijl de vraag waarom zij beter was ook nog onopgelost bleef.“....In dien tijd werden mijne paedagogische geschriften nog met de grootste onverschilligheid ontvangen. Men viel hier en daar over eene kleinigheid, maar voor het vraagstukzelf interesseerde men zich blijkbaar niet. Ik was toen nog jong en die koelheid deed mij veel verdriet. Ik begreep niet dat ik met mijne vraag ‘hoe en wat moeten wij onderwijzen?’ gelijk was aan den man, die in eene vergadering van Turksche pasha’s, beraadslagende over het vraagstuk: ‘hoe kunnen wij de meeste belasting innen?’ ten antwoord gaf: ‘mijne heeren, om te weten van wien en hoeveel belasting gij kunt eischen, moet gij eerst eene oplossing vinden voor de vraag: “waarop berust het recht, dat wij belasting eischen?”’“Waarschijnlijk hebben de pasha’s met een minachtend voorbijgaan van deze ongepaste vraag hunne beraadslagingen voortgezet.”1Uit Tolstoi’s brieven hebben wij gezien, hoe hij ook gedurende zijn verblijf in het buitenland vervuld was van zijne scholen.Met groote regelmatigheid wijdde Tolstoi zich, na zijne terugkomst in het voorjaar van 1861, aan de taak, die hij zich zelf had opgelegd, en in 1862 kon hij met tevredenheid constateeren, dat er op eene bevolking van 10,000 zielen, behalve de kerkelijke, reeds 14 nieuwe scholen verrezen waren. Ook in de omliggende districten nam het aantal scholen snel toe.....“De betaling voor deze scholen geschiedde eenvoudig volgens eene mondelinge afspraak met de ouders of met het bestuur van de boerenvereeniging. Iedereen zal moeten toestemmen, dat een dergelijke betrekking wel de meest gewenschte kan zijn die er tusschen onderwijzer eenerzijds en ouders of boeren anderzijds kan bestaan.”In een van Tolstoi’s paedagogische artikelen geeft hij eene zeer uitvoerige beschrijving van de oprichting zijner scholen.“De school wordt gehouden in een steenen huis van tweeverdiepingen. Er zijn twee schoolvertrekken, eene werkkamer en twee kamers voor de onderwijzers. Boven de stoep hangt onder een afdakje eene bel, en in de gang bevinden zich gymnastiek-toestellen. In de gang, die men het, even als de trappen, steeds kan aanzien dat zij veel beloopen wordt, hangt ook eene werklijst. Om acht uur stuurt de onderwijzer een’ jongen, die gewoonlijk bij hem overnacht, naar beneden om te luiden.“In het dorp is men reeds lang wakker, en een half uur nadat de bel weerklonken heeft doemen uit nevel en mist kleine figuurtjes op, die gezamenlijk, in clubjes van twee of drie, maar ook alleen, zich schoolwaarts spoeden. De leerlingen hebben sedert lang niet meer de behoefte om steeds als een kudde te zamen te loopen. Ook is het niet meer noodig hen op te wachten en hun toe te roepen: ‘kom kinderen,naschool’! Zij weten reeds dat men zegtnaarschool; zij weten reeds veel meer en, vreemd, als gevolg daarvan schuwen zij de eenzaamheid niet meer.“Niet slechts in zijne handen draagt de knaap niets mee, ook zijn hoofd is niet bezwaard. Het is voor hem geen verplichting, de lessen die hij gisteren gehad heeft, vandaag van buiten te kennen. Hij heeft geen angst voor de les die hem wacht. Hij komt, zoo als hij is, met zijn ontvankelijk gemoed, overtuigd dat het heden even prettig in school zal zijn als gisteren. Hij denkt niet aan zijne klasse voordat de school begonnen is. Nooit wordt het den kinderen verweten, zoo zij verzuimen, en als gevolg daarvan mist er nooit iemand, behalve misschien de grootste jongens, die in den drukken tijd vader moeten helpen, maar die ook dan nog dikwijls, hijgend van vermoeidheid, naar school komen. Is de onderwijzer nog niet aanwezig, dan wachten zij op de stoep, spelen of maken een glijbaantje. Als het te koud is gaan zij naar binnen en lezen of praten wat totdat de les begint. Dejongens en de meisjes bemoeien zich niet met elkaar, en zoo het al geschiedt, dan nooit met één afzonderlijk.“‘Hei meiskes, waarom maken jelui geen glijbaantje?’ ‘Zie eens hoe bevroren de meisjes er uitzien,’ of ‘meisjes, durf jelui met je allen mij alleen wel aan?’ Slecht één tienjarig meisje, met een bijzonder helder verstand, wordt door de jongens hunne opmerkzaamheid waardig gekeurd. Met deze ééne gaan zij om als met een’ jongen, alleen misschien een weinig beleefder en ingetogener.”In 1862 richtte Tolstoi het tijdschriftJasnaja Paljanaop, waarin verschillende opstellen voorkwamen over de theorieën, die op zijne eigenaardige scholen in praktijk werden gebracht.Wij zullen trachten een beknopt overzicht te geven van deze theorieën, door Tolstoi in de vier volgende rubrieken ingedeeld:1. Over de volksbeschaving. 2. Over de methodes om lezen en schrijven te leeren. 3. Opvoeding en beschaving. 4. Verdere ontwikkeling der beschaving.“De volksbeschaving,” zoo begint Tolstoi één van zijne eerste artikelen, “was en is voor mij altijd een onbegrijpelijk iets geweest. Het volk wil leeren en ieder afzonderlijk streeft onbewust naar ontwikkeling. De meer ontwikkelde klasse, de hoogere standen, evenals de regeering, streven er naar den minder bedeelden hunne kennis mede te deelen. Beide partijen zouden door die overeenstemming gebaat moeten zijn, maar het tegendeel is waar. Het volk verzet zich met alle kracht tegen de hulp, die de regeering en de hoogere standen, de vertegenwoordigers dus der meer ontwikkelde klasse, hun bieden, zoodat de inspanning der laatsten vruchteloos is.“Een van de redenen van dezen afkeer ligt in de wet op het lager onderwijs, dat in Europa grootendeels verplicht is geworden, d.w.z. dat men het volk dwingt lezen enschrijven te leeren, eene wet die men helaas bij ons in Rusland ook tracht in te voeren.Huis in het park Jasnaja Paljana, door Tolstoi als school gebruikt, 1860–’62.—Blz. 398.Huis in het park Jasnaja Paljana, door Tolstoi als school gebruikt, 1860–’62.—Blz.398.“Waar dwang wordt uitgeoefend ontwikkelt zich ook verzet.“Waarom bestaat er bij het volk verzet, terwijl het om beschaving vraagt, zelf zich tracht te ontwikkelen en de opvoeding voor heilzaam houdt?“Men moet zich bij eene dergelijke botsing afvragen: ‘wat is meer gewettigd, verzet of medewerking?’“De oplossing van dit vraagstuk is altijd ten gunste van den dwang uitgevallen, maar om te dwingen moet men toch goede gronden kunnen aanvoeren. En waar zijn die?” Hierop geeft Tolstoi het volgende antwoord:“Die gronden kunnen gevonden worden in: religie, filosofie, ervaring en historie,” hetgeen hij op de volgende wijze toelicht:“In den tegenwoordigen tijd, nu degodsdienstslechts zoo’n gering deel uitmaakt van onze beschaving, kan hij voor het jonge geslacht niet als dwangmiddel worden gebruikt.“Filosofischeargumenten kunnen ook niet als zoodanig worden aangemerkt. Alle filosofen, van Plato tot Kant, richten hun streven op één punt: de school te bevrijden van haar hinderlijken, historischen teugel, en in plaats daarvan datgene te vinden wat de mensch noodig heeft. De meer of minder goede resultaten van dit streven vormen den grondslag van hunne leer. Luther bracht den mensch er toe de Heilige Schrift in hare oorspronkelijke gedaante, zonder commentaar, te lezen. Bacon raadt aan, de natuur in de natuur te bestudeeren en de wijsheid niet uit de boeken van Aristoteles te halen. Rousseau wil het leven, zooals hij het begrijpt, door het leven leeren kennen en niet afgaan op verouderde proefnemingen. Iedere schrede die de filosofie voorwaarts doet, heeft ten doel op paedagogisch gebied de school te bevrijden van die theorieën over het onderwijs, die men vroeger voorde jeugd in toepassing bracht, en de aandacht op datgene te vestigen wat het opkomende geslacht noodig heeft.“Deze algemeene, doch zich zelf tegensprekende gedachte loopt door de geheele filosofie; algemeen, omdat allen meer vrijheid voor de school verlangen; zich zelf tegensprekend, omdat ieder paedagoog de wet stelt die op zijne eigen theorie is gegrond, en daarmee een hinderpaal is voor de vrijheid.“Deervaringop opvoedkundig gebied kan ons nog minder doen gelooven in de noodzakelijkheid van den paedagogischen dwang. Behalve dat het op zich zelf eene jammerlijke proefneming is, dat de school het kind verwart, zijne geestesgaven verminkt, het in den besten tijd zijner ontwikkeling aan zijn’ familiekring ontrukt, het zijn levenslust ontneemt en het maakt tot een gekweld, verschrompeld wezen, met eene uitdrukking van vermoeidheid, angst en verveling, werktuigelijk vreemde woorden uit een hem vreemde taal nazeggende,—behalve dat alles verkrijgt men geen resultaat, omdat het gebrek aan vrijheid elke mogelijkheid aan een’ goeden uitslag te niet moet doen.“De school moest het middel zijn voor de ontwikkeling en tevens de toetssteen voor het jonge geslacht om steeds beteren uitslag te verkrijgen. Slechts dan, als proefneming den grondslag der school vormt, als deze beschouwd wordt als een paedagogisch laboratorium, slechts in dat geval blijft de school niet ten achter bij den algemeenen vooruitgang en dan kan alleen die proefneming een hechten grondslag leggen voor wetenschappelijke ontwikkeling.“Dehistorischegronden zijn niet minder wankel. De vooruitgang in het leven, de techniek, de wetenschap gaan vlugger dan de vooruitgang op school; deze blijft dus meer en meer terug en wordt daarom slechter en slechter.”Op de bewering, dat de scholen goed zijn omdat zij bestaan en altijd bestaan hebben, antwoordde Tolstoi metde beschrijving zijner persoonlijke ervaring, opgedaan in Marseille, Parijs en andere West-Europeesche steden, die hem de overtuiging schonk, dat het grootste deel der volksontwikkeling niet in de scholen wordt verkregen maar in het leven, dat de kennis op straat, in vergaderingen, tentoonstellingen en uit de boeken opgedaan de schoolgeleerdheid verre te boven gaat.Ten slotte wendt Tolstoi zich met de volgende opmerking speciaal tot de Russische paedagogen. “Aangenomen, dat de Duitsche school, ondanks de fouten die haar aankleven, als historische proefneming is aan te bevelen, welke reden hebben wij, Russen, dan nog om eene volksschool te verdedigen, die wij niet hebben. Op welken historischen grond kunnen wij verdedigen dat onze scholen op dezelfde leest geschoeid moeten zijn als de West-Europeesche?“Wat moeten wij, Russen, in de naaste toekomst doen? Zullen wij overeenkomen als grondslag de meening der Fransche, Engelsche, Duitsche of Noord-Amerikaansche paedagogen over te nemen? Of zullen wij ons verdiepen in filosofie en psychologie om uit te vinden wat noodig is voor de ontwikkeling van den menschelijken geest en voor het opkomende geslacht, om dit naar ons begrip tot goede menschen te vormen? Of wel, moeten wij van de historische ondervinding gebruik maken, niet in den zin van het navolgen der oude gebruiken, maar zooals de geschiedenis van het menschelijk lijden ons dat geleerd heeft, en moeten wij eerlijk en oprecht erkennen, dat wij niet weten en niet kunnen weten wat de toekomstige geslachten noodig hebben, maar dat wij verplicht zijn deze behoeften te leeren kennen? Wij moeten niet het onontwikkelde volk verwijten, dat het onze ontwikkeling niet aan wil nemen, maar ons gebrek aan kennis en onzen trots, dat wij het naar ons beeld willen vervormen.“Laten wij toch het verzet van het volk tegen onze ontwikkelingniet beschouwen als een der paedagogie vijandig element, maar integendeel als eene uiting van goeden wil, die onzen arbeid moet leiden. Erkennen wij ten slotte die wet, die zoo duidelijk spreekt uit de historie der paedagogie en der ontwikkeling, dat, opdat de onderwijzer wete wat goed en wat slecht is, de leerling de volle vrijheid moet hebben zijne ontevredenheid te uiten, of minstens zich af te kunnen wenden van de ontwikkeling, die hem instinctief niet bevredigt; erkennen wij dat het kriterium enkel en alleen is—de vrijheid.”Het slot van dit artikel luidt:“Wij weten dat slechts enkelen zich door onze bewijzen zullen laten overtuigen. Wij weten dat onze overtuiging hierop berust, dat de eenige methode voor beschaving in proefnemingen bestaat, dat het eenige kriterium de vrijheid is. Voor den een is deze bewering doodalledaagsch, voor den ander eene onduidelijke, abstracte redeneering, voor een’ derde eene fantasie en eene onmogelijkheid. Wij zouden ons niet veroorloofd hebben de rust der paedagogen-theoretici te verstoren, en eene overtuiging te uiten die in tegenspraak is met de geheele wereld, indien wij ons wilden bepalen tot de uitgave dezer artikelen. Wij gevoelen echter dat wij in staat zijn om schrede voor schrede en feit voor feit de uitvoerbaarheid en de wettigheid van onze stoute overtuigingen te bewijzen, en aan dat doel alleen wijden wij het tijdschriftJasnaja Paljana.”In het eerste nummer van dit orgaan richt Tolstoi zich op de volgende wijze tot het publiek:“Aan het publiek.“Bij de betreding van dit voor mij nieuwe gebied word ik angstig voor mij zelf, zoowel als voor de denkbeelden aan welker voltooiing ik jarenlang gewerkt heb en die ik voor juisthoud. Ik ben reeds van te voren overtuigd dat vele van deze denkbeelden later zullen blijken dwalingen te zijn. Hoeveel moeite ik mij ook gaf, het onderwerp in zijn geheel te bestudeeren, zoo beschouwde ik het toch onwillekeurig van één zijde. Ik hoop dat mijne ideeën tegenspraak zullen uitlokken. Alle meeningen geef ik met genoegen eene plaats in mijn blad. Één ding slechts zou ik vreezen, n.l. dat het meeningsverschil ons verbitterde en de beschouwingen over het ons zoo dierbare onderwerp, de volksbeschaving, in spot, personenstrijd of journalistieke polemiek zouden kunnen ontaarden. Ik zeg niet dat spot en persoonlijkheden mij niet kunnen deren, dat ik meen daar boven te staan. Integendeel, ik erken dat ik bevreesd ben voor mij zelf, zoowel als voor de zaak; ik vrees dat ik mij dan ook zou laten meesleepen door persoonlijke polemiek, in plaats van mij rustig en onvermoeid aan mijn werk te wijden.“En daarom verzoek ik al mijne toekomstige tegenstanders, hunne meening op eene zoodanige wijze te uiten, dat ik eene verklaring kan geven en mijne bewijzen kan overleggen wanneer het meeningsverschil voortkomt uit een misverstand, en mijne instemming kan betuigen dáár waar mij bewezen wordt dat mijn inzicht niet juist is.“GraafL. Tolstoi.”In ieder nummer van het tijdschriftJasnaja Paljanawerden opgenomen: een of twee opstellen over de theorie der paedagogie; een overzicht van de werkzaamheden der scholen, die onder Tolstoi’s leiding stonden; bibliografie; eene beschrijving van de schoolbibliotheek, en—eene berekening van de uitgaven. Het bijblad bevatte grootendeels bellettristische lectuur. De spreuk: “Glaubst zu schieben und wirst geschoben,” stond als motto aan het hoofd van het blad.Het tijdschrift is eene bibliografische zeldzaamheid geworden. Behalve Tolstoi’s hoofdartikelen (opgenomen in deel IV van zijne verzamelde werken), bevatte het blad verschillende losse op- en aanmerkingen, beschrijvingen enz., die zeer belangrijk zijn voor den onderwijzer, voor den theoretikus zoowel als voor den praktikus.In een opstel over de methode om lezen en schrijven te leeren, zet hij als zijne meening voorop, dat het lezen en schrijven niet de eerste trap der beschaving is maar slechts een der hulpmiddelen. En iets dat niet de eerste plaats inneemt is ook niet de hoofdzaak.“Wanneer wij den eersten trap der beschaving willen vinden, waarom zoeken wij dien dan in het lezen en schrijven en waarom niet veel dieper? Waarom stil blijven staan bij één van detalrijkehulpbronnen dezer beschaving en daarin de alfa en de omega zien, terwijl het slechts een toevallig, weinig beteekenend middel is om haar te verkrijgen?“Het begrip ‘beschaving’ valt niet samen met het begrip ‘lezen en schrijven’.“Wij zien menschen die zeer goed op de hoogte zijn van de hoofdzaken der astronomie en wat daarop betrekking heeft, terwijl zij niet kunnen lezen of schrijven. Men ziet eenvoudig door het leven gevormde lieden bekwaam voor hun vak, met groote kennis en degelijk oordeel, die niet kunnen lezen en schrijven, en daarentegen personen die dit wel kunnen en ten gevolge hiervan geen nieuwe kundigheden hebben verworven.”Om te bewijzen dat de kennis van lezen en schrijven niet behoort tot de dagelijksche behoeften van het volk, verwijst Tolstoi ons naar den historischen gang van de ontwikkeling der inrichtingen van onderwijs.“Eerst ontstonden niet de lagere, maar de hoogere scholen: eerst de kloosterscholen, toen de middelbare, daarna de volksscholen.Het lezen en schrijven is de laagste trap van ontwikkeling in deze georganiseerde hiërarchie van de opleiding, of de eerste trap als men begint bij het einde. En daarom beantwoordt de laagste school slechts aan de eischen die de hoogste aangeeft. Er is echter nog een ander standpunt van waaruit gezien de volkschool eene zelfstandige inrichting is, niet verplicht de gebreken der hoogere scholen te dragen, een onafhankelijk doel hebbende, een doel genaamd: ‘de volksbeschaving.’“De school voor lezen en schrijven is voor het volk als een werkplaats en voldoet aan zijn begrensde behoeften; daarom is lezen en schrijven voor dat volk een zeker soort van handwerk of kunst.”Nadat Tolstoi ons de beteekenis van het lezen en schrijven, en de plaats die het in het volksleven inneemt, heeft aangewezen, gaat hij over tot de beschouwing van de verschillende methodes van dit onderwijs.De deugden en de gebreken van verschillende andere methodes ontledende, alleen even stilstaande bij de pedante Duitsche Lautier-Anschauungs-Unterrichtsmethode, komt Tolstoi tot het besluit, dat alle methodes goed en slecht zijn; dat de kunstvaardigheid en het talent van den onderwijzer den grondslag vormen van iedere methode, en ten slotte wendt hij zich met de volgende raadgevingen tot den onderwijzer:“Iedere onderwijzer in het lezen en schrijven moet één methode, die voor het volk begrijpelijk is, goed kennen en daarmee proeven nemen; hij moet verschillende methodes kennen, en die beschouwen als hulpmiddel; het niet begrijpen van den leerling moet hij niet aan dezen wijten, maar aan een gebrek in de methode, en hij moet dan trachten eene andere manier van onderwijzen uit te vinden. Iedere onderwijzer moet weten, dat iedere gekozen methode slechts eene trede is, die men moet gebruiken om hooger te komen; moet weten, dat, zoo hij dit verzuimt, een ander het doen zal; hijmoet weten, dat het geven van onderwijs eene kunst is die steeds hooger opgevoerd kan worden en waarvan het einde en de volmaking niet zijn te bereiken.”Nog vollediger en duidelijker ontwikkelde Tolstoi zijne denkbeelden over paedagogie in zijn geschrift:Opvoeding en Beschaving.In de eerste plaats constateert hij het feit, dat deze twee begrippen door het grootste deel der Russische en Europeesche paedagogen niet van elkaar worden onderscheiden. Daarop tracht hij het verschil aan te toonen en laat eene definitie volgen van de drie volgende hoofdbegrippen: beschaving, opvoeding en onderricht.“Beschavingin den ruimen zin van ’t woord is, volgens onze overtuiging, eene samenvoeging van de invloeden die den mensch ontwikkelen, hem eene ruimere wereldbeschouwing geven en hem nieuwe kennis schenken. De kinderspelen, het verdriet, de ouderlijke bestraffingen, boeken, het leeren (gedwongen of vrij), de kunst, de wetenschap, het leven, alles geeft beschaving.“Opvoedingis de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met het doel hem de algemeen aangenomen zeden en gebruiken te doen kennen.“Onderrichtis eene overgave van kennis van den eenen mensch aan den anderen (men kan onderwijs geven in het schaakspel, in geschiedenis, in het laarzenmaken). Het leeren is eene schaduw van het onderricht, is de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met het doel den leerling zekere physieke gewoonten te doen aannemen: het leeren zingen, timmeren, dansen, roeien en uit het hoofd iets opzeggen. Het onderricht en het leeren zijn middelen om te beschaven, zoo zij vrij zijn, en middelen om op te voeden, zoo het leeren gedwongen en het onderricht exclusief is, d.w.z. als de opvoeder slechts die vakken onderwijst, die hij noodig acht.“Opvoeding is gedwongen, beschaving is vrij. En van waar komt het recht tot dien dwang?“Dwang bij de opvoeding kan niet bestaan. Ik erken dien niet en hij wordt, werd en zal niet erkend worden door het geheele jonge geslacht, dat steeds en overal zich tegen gedwongen opvoeding zal verzetten.”Welke zijn de oorzaken van dezen dwang, dien het menschdom niet wil erkennen? Op deze vraag geeft Tolstoi het volgende antwoord:“Daar reeds sedert eeuwen abnormale verschijnselen, als dwang in de opvoeding en de beschaving, bestaan, moeten de oorzaken in de menschelijke natuur zijn vastgeworteld. Ik zie die oorzaken: 1. in het familieleven, 2. in de religie, 3. in den staat, 4. in de hoogere standen en bij ons in Rusland in de bekrompenheid van onze ambtenaren en onzen adel.”Zonder den drie eersten oorzaken recht van bestaan toe te kennen, zegt Tolstoi, dat hij ze toch begrijpen kan. “Het is moeielijk de ouders te verhinderen, dat zij trachten hunne kinderen op te voeden zooals zij zelf zijn opgevoed; het is moeielijk voor den geloovigen mensch zijn streven niet daarop te richten, dat het kind in datzelfde geloof opgroeit, en ten slotte is het moeielijk van de regeering te verlangen dat zij niet zou zorgen voor de vorming van de noodige ambtenaren.”Maar welk recht heeft de bevoorrechte liberale klasse het volk, dat haar vreemd is, op te voeden volgens eigen model? Dat kan slechts verklaard worden door het bestaan van een grof-egoïstisch misverstand.Waardoor ontstaat dit misverstand?“Ik denk,” zegt Tolstoi, “doordat wij de stem niet hooren die ons roept, en wij hooren die niet omdat zij niet spreekt uit boeken, noch van den katheder. Het is de machtige stem van het volk, waarnaar wij moeten luisteren.”Facsimile van een brief van Tolstoi, in 1860 geschreven.Facsimile van een brief van Tolstoi, in 1860 geschreven.En dan treedt hij in beschouwingen over het uitgangspuntvan dezen opvoedingsdwang, d.w.z. van de inrichtingen voor onderwijs, van de hoogste tot de laagste, en hij vindt bij haar geen troost voor de toekomst. Onze universiteiten onderwerpt hij aan eene bijzondere kritiek.Hoewel Tolstoi den beschavenden invloed van de universiteit niet geheel versmaadt, zegt hij toch:“Ik erken het recht van eene universiteit, als deze beantwoordt aan haar naam en aan haar grondbeginsel, n.l. lieden tot elkaar te brengen om elkaar wederzijds te beschaven. Zulke universiteiten, die wij officiëel niet kennen, bestaan en ontstaan in verschillende hoekjes van Rusland: in de universiteiten zelf, in de kringen der studenten. Hier komen menschen bij elkaar, men leest, spreekt met elkaar, en ten slotte regelt men de samenkomsten en de onderwerpen van gesprek. Dat is de ware universiteit. Onze hoogescholen zijn, ondanks den ijdelen klank harer liberale inrichting, instellingen die zich nergens door onderscheiden van de inrichtingen van onderwijs voor vrouwen en van de cadettenscholen.“Behalve alle afwezigheid van vrijheid en zelfstandigheid is hare grootste fout dat zij buiten het leven staan.“Zie, hoe de zoon van den landman leert landman, de zoon van den kerkdienaar, kerkdienaar, de zoon van den herder, herder te worden. Reeds van zijne jeugd af aan stelt hij zich op het juiste standpunt tegenover de menschen, de natuur en het leven. Reeds in zijne jeugd leert hij werkende, leert hij aldus te zorgen voor de materiëele zijde van het leven, d.w.z. zich zijn dagelijksch brood, kleeding en huisvesting te verschaffen.“Zie nu naar den student, ontrukt aan zijne familie, heengeworpen in eene vreemde stad, waar van alle kanten de verleiding lokt, zonder middel van bestaan (want hetgeen hij van zijne ouders krijgt reikt slechts voor het allernoodigste en wordt nog voor zijn genoegen uitgegeven), in een’ vriendenkring, die hem versterkt in zijne fouten, zonder leiding,zonder doel, ontrukt aan het oude leven en niet geschikt voor het nieuwe; ziedaar, op eene kleine uitzondering na, de omstandigheden van den student. Zij wordenonvermijdelijkòf ambtenaren, alleen ten gerieve van de regeering, òf ambtenaar-professoren, ambtenaar-letterkundigen, alleen ten gerieve van de hoogere standen; òf menschen zonder levensdoel, ontrukt aan hunne vroegere omgeving, met eene bedorven jeugd, geen plaats vindende in het leven, de zoogenaamde jongelui met eene akademische opleiding, de meer ontwikkelden, doch met een anderen naam, de opgewonden, ziekelijke liberalen.“De universiteit is de voornaamste van onze opvoedingsinrichtingen. Zij meent de grootste rechten te hebben in zake opvoeding, en de verkregen resultaten leveren ons het bewijs van de onwettigheid en het onbestaanbare van haaropvoedingssysteem. Slechts van het gezichtspunt der hoogere standen kan men genoegen nemen met de vruchten die zij oplevert. De universiteit vormt geen lieden die noodig zijn voor het geheele menschdom, doch alleen personen die onontbeerlijk zijn voor de bedorven hoogere kringen der maatschappij.”Tolstoi heeft op deze radikale stellingen eenige tegenspraak verwacht van menschen die het nieuwe schuwen, en sluit daarom zijn artikel met het volgende antwoord:“Maar wat moeten wij doen? Moeten wij dan werkelijk geene lagere scholen, geen gymnasium, geen colleges over het Romeinsche recht hebben? ‘Wat moet er dan van het menschdom worden?’ hoor ik vragen; ‘dat alles zal er dus niet zijn, indien de leerling het zelf niet verlangt en gij zult hen niet tot goede menschen kunnen vormen. Maar kinderen, weten toch niet altijd, wat zij noodig hebben; kinderen vergissen zich enz.’ Ik laat mij niet in met een dergelijken strijd; die zou ons leiden tot de vraag: staat in dezen demenschelijke natuur boven het menschelijk oordeel? Dat weet ik niet en op dat standpunt plaats ik mij niet. Ik beweer slechts, dat, als wij inderdaad kunnen weten wat wij moeten onderwijzen, niemand mij kan verhinderen onzen Russischen kinderen de Fransche taal te leeren, de middeleeuwsche genealogie en zelfs de kunst om te stelen. En ik zal dit alles bewijzen, precies zooals gij het hebt bewezen. ‘Dus moet er geen gymnasium en geen Latijnsche taal zijn? Wat moeten wij dan wel doen?’ hoor ik weder.“Maak u niet bezorgd. Latijn en rhetorica zullen blijven, nog honderden van jaren, en zij zullen er zijn slechts daarom, omdat het geneesmiddel gekocht is en men het moet innemen, zooals een zieke zegt. Over nauwelijks honderd jaren zal mijne gedachte, die ik misschien onklaar en onduidelijk weergeef, algemeen eigendom zijn geworden. Na nauwelijks honderd jaren zullen zij zijn verdwenen, al deze inrichtingen: de lagere scholen, de gymnasia en de universiteiten, en zullen er vrije instellingen verrijzen, gegrond op de vrijheid van het leerende geslacht.”Natuurlijk werden deze vermetele gedachten niet aangenomen door de paedagogen, die omstreeks 1860 de opvoeders waren van de hoogere, zoowel als van de lagere standen. De beleedigde wetenschap heeft deze denkbeelden zelfs geen tegenspraak waardig gekeurd. In deVerzamelde Kritieken over Tolstoivan Zelinski, die met zorg zijn samengesteld, vinden wij slechts twee ernstige opstellen gewijd aan het tijdschriftJasnaja Paljanaen aan Tolstoi’s school. Deze kritieken werden in 1862 opgenomen in denSawremjennik. Op een van deze kritieken, geschreven door Markoff, heeft Tolstoi in zijn blad geantwoord onder het opschrift: “Vooruitgang en verdere ontwikkeling der beschaving.”Markoff zegt o.a. in zijne kritiek, dat een paedagogischedwang gerechtvaardigd is, dat hij dus de vrije ontwikkeling een recht van bestaan toekent en dat hij de tegenwoordige systemen van opvoeding bevredigend acht. De praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana, welke door den schrijver ten zeerste worden bewonderd, is volgens zijne meening in tegenspraak met de theorieën van hunnen stichter en leider.Tolstoi herhaalt in zijn antwoord aan Markoff wat hij reeds vroeger heeft gezegd en komt tot de gevolgtrekking, dat zij in hoofdzaak daarom niet overeenstemmen, omdat Markoff aan den vooruitgang gelooft en hij niet.Zijn ongeloof aan den vooruitgang verklaart Tolstoi op de volgende wijze:“Door de geheele menschheid (zegt een historikus die aan vooruitgaan gelooft) gaat sedert onheugelijke tijden een proces van vooruitgang, en hij voert als bewijsgrond hiervoor aan: Engeland in 1685 vergeleken bij het Engeland van den tegenwoordigen tijd. Doch, zelfs indien men kan bewijzen dat de gesteldheid van Rusland, Frankrijk en Italië in den tegenwoordigen tijd gunstiger is dan die van het vroegere Rome, Griekenland en Karthago, dan verbaast mij toch steeds de volgende onbegrijpelijke omstandigheid. Men neemt een wet aan voor de geheele menschheid, terwijl men slechts eene vergelijking maakt tusschen kleine onderdeelen. Men zegt: ‘vooruitgang is eene algemeene wet voor de geheele menschheid’, maar slaat daarbij geen acht op Azië, Amerika, Afrika, en Australië, op millioenen menschen. Wij bemerken de wet van vooruitgang in het hertogdom Hohenzollern-Sigmaringen, met eene bevolking van 2000 zielen; wij weten dat China met zijn 200 millioen inwoners onze geheele theorie van den vooruitgang verwerpt, en toch twijfelen wij er geen oogenblik aan, dat de vooruitgang eene algemeene wet is voor de menschheid; dat wij, die daaraan gelooven, gelijk, en zij die het ontkennen, ongelijk hebben, en wij gaanmet geweren en kanonnen naar de Chineezen om hun het begrip van den vooruitgang te brengen. Het gezonde verstand zegt mij, dat, zoo het grootste gedeelte van het menschdom, het zoogenaamde Oosten, de wet van den vooruitgang niet erkent, maar haar integendeel verwerpt, die wet niet bestaat voor de geheele menschheid, maar dat er slechts een geloof in den vooruitgang bestaat bij een zeker gedeelte der menschen. Ik, evenals alle menschen, die vrij zijn van het bijgeloof in den vooruitgang, zie slechts dat het menschdom bestaat en dat de herinneringen aan het verleden evenveel worden vergroot, als zij verloren zijn gegaan, dat het werk van vorige geslachten dikwijls den grondslag vormt van nieuwen arbeid maar ook dikwijls een hinderpaal daarvoor is, dat de welstand der menschen hier in een enkel opzicht grooter, daar in een ander opzicht kleiner wordt. Hoe gaarne ik het ook zou wenschen, ik kan geen wet vinden voor het menschdom in het algemeen en ik ben van oordeel, dat men de geschiedenis even gemakkelijk aan het begrip van den voor- als van den achteruitgang kan onderwerpen, of aan iedere andere historische fantasie. Ik ga verder. Ik zie de noodzakelijkheid niet in, afgezien van de onuitvoerbaarheid van het plan, algemeene wetten in de geschiedenis te gaan zoeken. De algemeene, eeuwige wet is neergeschreven in de ziel van iederen mensch. De wet van den vooruitgang of der volmaking is ook neergelegd in de ziel van den mensch, en slechts als gevolg van eene begripsverwarring zoekt men haar in de geschiedenis. Wanneer die wet individueel gedacht wordt, wordt zij vruchtdragend; in de geschiedenis overgebracht wordt zij een leeg begrip, een ijdele klank, leidende totabstracteredeneering, ieder fatalisme rechtvaardigend.“De vooruitgang van de menschheid in ’t algemeen is een niet bewezen en niet bestaand feit voor alle Oostersche volken; daarom is de bewering dat de vooruitgang eene wet is voorde geheele menschheid even ongegrond, als de verzekering dat alle menschen blond zijn, behalve degenen die donker zijn.”2De theorieën, neergeschreven in dit hoofdstuk, zijn ontleend aan een uitvoerig opstel over dit onderwerp, dat wij niet in zijn geheel hebben aangehaald, omdat het ons hier te ver zou voeren. Vóor wij echter van dit onderwerp afstappen, laten wij nog een uittreksel volgen van een artikel, getiteld:Ontwerp voor een algemeen plan tot stichting van volksscholen, waarin Tolstoi eene geestige kritiek levert op een in 1862 van regeeringswege uitgekomen reglement op schoolzaken.Deze kritische beschouwing kan men samenvatten in de volgende uitspraken.“In de grondgedachte van het reglement ligt het Amerikaansche systeem, het volk te verplichten schoolbelasting te betalen, terwijl de regeering de zorg voor de instandhouding der school op zich neemt. Dezelfde regeling evenwel kan goed zijn in eene demokratische republiek en slecht in een despotisch bestuurd keizerrijk, waar de wet, die ‘den wil van het volk’ uitdrukt, veranderd is in eene uitoefening van ruwen dwang.“De onuitvoerbaarheid van dit reglement ligt hierin, dat de ontwerpers bij eene volkomen afwezigheid van kennis van het Russische volksleven, het plan niet in overeenstemming hebben gebracht met de behoeften van het volk.“De reglementeering van de volksontwikkeling, neergelegd in deze verordening, is eene rem voor de reeds bestaande, zich uitbreidende vrijheid der volksontwikkeling.”Aan het slot van dit vluchtig overzicht van Tolstoi’s paedagogische theorieën geven wij als onze meening, dielijnrecht staat tegenover Markoff’s uitspraak, dat de praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana niet in tegenspraak is met deze theorieën, maar zich integendeel onmiddellijk daarbij aansluit.De beschrijving, die Tolstoi geeft van zijne scholen te Jasnaja Paljana, laten wij hier als auto-biografisch materiaal volgen.1L. N. Tolstoi,Volksontwikkeling.2L. Tolstoi.Verzamelde werken, deel IV.

Reeds eenige malen had Tolstoi zich met paedagogischen arbeid bezig gehouden. In het jaar 1849, teruggekeerd uit St.-Petersburg, stichtte hij eene volkschool te Jasnaja Paljana en voerde eenige verbeteringen in, in de hoop daardoor het volk nader te komen. Wij weten dat deze eerste proefneming met eene mislukking eindigde. Bij zijn vertrek naar den Kaukasus werd de school natuurlijk gesloten, doch zij werd weer geopend na zijn eerste buitenlandsche reis.

Tolstoi was zich zijn gebrek aan theoretische kennis volkomen bewust, en haastte zich dit tekort aan te vullen op de door ons in het vorige hoofdstuk beschreven wijze. Na zijn’ terugkeer uit het buitenland voelde hij zich krachtig genoeg om eene nieuwe proef te wagen. Wederom ging hij zich wijden aan het volksonderwijs en bracht dat tot eene nog ongekende hoogte.

In een van zijne artikelen over paedagogie heeft hij over zijne proefnemingen en voorbereidingen in zake schoolarbeid het volgende gezegd.

“Toen ik, nu ongeveer vijftien jaar geleden, zonder eenige voorbereiding, zoo min practisch als theoretisch, alleen bezield met den innigen wensch een goed onderwijzer in mijne school te zijn, mij voor het eerst ging wijden aan het volksonderwijs, stootte ik dadelijk op de twee vragen: ‘wat moetik onderwijzen?’ en ‘hoe moet ik onderwijzen?’ De meeningen van de verschillende personen die belang stellen in volksontwikkeling, loopen hierover, thans zoowel als vroeger, zeer uiteen. Sommigen antwoorden op de vraag ‘wat moet ik onderwijzen?’ dat, behalve het lezen en schrijven, de natuurwetenschappen voor eerstbeginnenden zeer nuttig zijn; anderen weer oordeelen deze geheel overbodig, ja zelfs schadelijk. De een geeft de voorkeur aan aardrijkskunde en geschiedenis, de ander ontkent de noodzakelijkheid daarvan, een derde pleit voor de oude Slavische taal, spraakkunst en godsdienstonderwijs, en nummer vier acht ook dit niet goed, maar is voor algemeene ontwikkeling.

“Over de vraag: ‘hoe moet ik onderwijzen?’ liepen vroeger, en loopen ook nu nog, de meeningen nog meer uiteen, en de verschillende wijzen waarop schrijven, lezen en rekenen worden onderwezen zijn ook nu, evenals vroeger, in tegenspraak met elkaar.

“Toen ik in de Russische litteratuur geen bevredigend antwoord op deze vragen vond, wendde ik mij tot de Europeesche. Ik las alles wat er over paedagogie geschreven was, richtte mij tot de beroemdste vertegenwoordigers van deze wetenschap in Europa en vond niet alleen geen antwoord op mijne vraag, maar kwam tot de overtuiging, dat in de paedagogie als wetenschap eene dergelijke vraag niet eens bestond; dat iedere paedagoog, voorstander van eene zekere school, onvoorwaardelijk geloofde in de juistheid van zijne methode. Kritiek daarop uit te oefenen zou een nuttelooze arbeid zijn geweest. En daarbij, waarschijnlijk omdat ik mij aan de opvoeding van ’t volk ging wijden zonder eenige voorbereidende studie, zonder er in de verste verte begrip van te hebben hoe ik moest onderwijzen, maar zelf in de dompige dorpsschool begon te schoolmeesteren, vestigde zich bij mij de overtuiging dat er een kriterium moest zijn volgens hetwelk de vraag konworden opgelost: ‘hoe en wat moet men onderwijzen: het psalmboek van buiten leeren of de grondbeginselen der natuurkunde? Het alfabet onderwijzen volgens de Duitsche- of volgens de oud-Slavische methode?’

“Ik werd bij de oplossing van deze vraag geholpen door een weinig paedagogisch talent en doordat de zaak mij zoo zeer ter harte ging. Toen ik in onmiddellijke aanraking kwam met de veertig kleine boertjes, die mijn school bezochten (ik noem hen kleine boeren omdat zij alle karaktertrekken, zooals vlug begrip, praktischen zin, vroolijkheid, eenvoud en afwezigheid van alle valschheid aan den dag legden, die den Russischen boer eigen zijn), en zag hoe ontvankelijk zij waren voor de wetenschappen die zij noodig hadden, begreep ik tevens dat de oude kerkelijke methode van onderwijzen een verouderd standpunt was, dat niet meer voor hen deugde. Ik beproefde het op eene andere manier, en daar ik afkeerig ben van allen dwang, zette ik nooit door zoodra ik bemerkte dat de leerstof niet goed werd verwerkt. Deze proefnemingen bewezen mij, en ook den onderwijzers die volgens mijne vrije methode op de andere scholen te Jasnaja Paljana les gaven, dat bijna alles wat men in de paedagogische wereld over schoolzaken schrijft, geheel in strijd is met de werkelijkheid; dat er onder de aangenomen leervakken veel is, b.v. natuurkundige wetenschappen, aanschouwelijk onderwijs en andere, dat den leerlingen afkeer en spot inboezemt en dat zij niet kunnen verwerken. Toen begonnen wij naar leerstof te zoeken die gemakkelijk door de kinderen werd begrepen, en zoo vormde ik dus mijne eigene methode, die echter nog op één lijn stond met alle andere, terwijl de vraag waarom zij beter was ook nog onopgelost bleef.

“....In dien tijd werden mijne paedagogische geschriften nog met de grootste onverschilligheid ontvangen. Men viel hier en daar over eene kleinigheid, maar voor het vraagstukzelf interesseerde men zich blijkbaar niet. Ik was toen nog jong en die koelheid deed mij veel verdriet. Ik begreep niet dat ik met mijne vraag ‘hoe en wat moeten wij onderwijzen?’ gelijk was aan den man, die in eene vergadering van Turksche pasha’s, beraadslagende over het vraagstuk: ‘hoe kunnen wij de meeste belasting innen?’ ten antwoord gaf: ‘mijne heeren, om te weten van wien en hoeveel belasting gij kunt eischen, moet gij eerst eene oplossing vinden voor de vraag: “waarop berust het recht, dat wij belasting eischen?”’

“Waarschijnlijk hebben de pasha’s met een minachtend voorbijgaan van deze ongepaste vraag hunne beraadslagingen voortgezet.”1

Uit Tolstoi’s brieven hebben wij gezien, hoe hij ook gedurende zijn verblijf in het buitenland vervuld was van zijne scholen.

Met groote regelmatigheid wijdde Tolstoi zich, na zijne terugkomst in het voorjaar van 1861, aan de taak, die hij zich zelf had opgelegd, en in 1862 kon hij met tevredenheid constateeren, dat er op eene bevolking van 10,000 zielen, behalve de kerkelijke, reeds 14 nieuwe scholen verrezen waren. Ook in de omliggende districten nam het aantal scholen snel toe.

....“De betaling voor deze scholen geschiedde eenvoudig volgens eene mondelinge afspraak met de ouders of met het bestuur van de boerenvereeniging. Iedereen zal moeten toestemmen, dat een dergelijke betrekking wel de meest gewenschte kan zijn die er tusschen onderwijzer eenerzijds en ouders of boeren anderzijds kan bestaan.”

In een van Tolstoi’s paedagogische artikelen geeft hij eene zeer uitvoerige beschrijving van de oprichting zijner scholen.

“De school wordt gehouden in een steenen huis van tweeverdiepingen. Er zijn twee schoolvertrekken, eene werkkamer en twee kamers voor de onderwijzers. Boven de stoep hangt onder een afdakje eene bel, en in de gang bevinden zich gymnastiek-toestellen. In de gang, die men het, even als de trappen, steeds kan aanzien dat zij veel beloopen wordt, hangt ook eene werklijst. Om acht uur stuurt de onderwijzer een’ jongen, die gewoonlijk bij hem overnacht, naar beneden om te luiden.

“In het dorp is men reeds lang wakker, en een half uur nadat de bel weerklonken heeft doemen uit nevel en mist kleine figuurtjes op, die gezamenlijk, in clubjes van twee of drie, maar ook alleen, zich schoolwaarts spoeden. De leerlingen hebben sedert lang niet meer de behoefte om steeds als een kudde te zamen te loopen. Ook is het niet meer noodig hen op te wachten en hun toe te roepen: ‘kom kinderen,naschool’! Zij weten reeds dat men zegtnaarschool; zij weten reeds veel meer en, vreemd, als gevolg daarvan schuwen zij de eenzaamheid niet meer.

“Niet slechts in zijne handen draagt de knaap niets mee, ook zijn hoofd is niet bezwaard. Het is voor hem geen verplichting, de lessen die hij gisteren gehad heeft, vandaag van buiten te kennen. Hij heeft geen angst voor de les die hem wacht. Hij komt, zoo als hij is, met zijn ontvankelijk gemoed, overtuigd dat het heden even prettig in school zal zijn als gisteren. Hij denkt niet aan zijne klasse voordat de school begonnen is. Nooit wordt het den kinderen verweten, zoo zij verzuimen, en als gevolg daarvan mist er nooit iemand, behalve misschien de grootste jongens, die in den drukken tijd vader moeten helpen, maar die ook dan nog dikwijls, hijgend van vermoeidheid, naar school komen. Is de onderwijzer nog niet aanwezig, dan wachten zij op de stoep, spelen of maken een glijbaantje. Als het te koud is gaan zij naar binnen en lezen of praten wat totdat de les begint. Dejongens en de meisjes bemoeien zich niet met elkaar, en zoo het al geschiedt, dan nooit met één afzonderlijk.

“‘Hei meiskes, waarom maken jelui geen glijbaantje?’ ‘Zie eens hoe bevroren de meisjes er uitzien,’ of ‘meisjes, durf jelui met je allen mij alleen wel aan?’ Slecht één tienjarig meisje, met een bijzonder helder verstand, wordt door de jongens hunne opmerkzaamheid waardig gekeurd. Met deze ééne gaan zij om als met een’ jongen, alleen misschien een weinig beleefder en ingetogener.”

In 1862 richtte Tolstoi het tijdschriftJasnaja Paljanaop, waarin verschillende opstellen voorkwamen over de theorieën, die op zijne eigenaardige scholen in praktijk werden gebracht.

Wij zullen trachten een beknopt overzicht te geven van deze theorieën, door Tolstoi in de vier volgende rubrieken ingedeeld:

1. Over de volksbeschaving. 2. Over de methodes om lezen en schrijven te leeren. 3. Opvoeding en beschaving. 4. Verdere ontwikkeling der beschaving.

“De volksbeschaving,” zoo begint Tolstoi één van zijne eerste artikelen, “was en is voor mij altijd een onbegrijpelijk iets geweest. Het volk wil leeren en ieder afzonderlijk streeft onbewust naar ontwikkeling. De meer ontwikkelde klasse, de hoogere standen, evenals de regeering, streven er naar den minder bedeelden hunne kennis mede te deelen. Beide partijen zouden door die overeenstemming gebaat moeten zijn, maar het tegendeel is waar. Het volk verzet zich met alle kracht tegen de hulp, die de regeering en de hoogere standen, de vertegenwoordigers dus der meer ontwikkelde klasse, hun bieden, zoodat de inspanning der laatsten vruchteloos is.

“Een van de redenen van dezen afkeer ligt in de wet op het lager onderwijs, dat in Europa grootendeels verplicht is geworden, d.w.z. dat men het volk dwingt lezen enschrijven te leeren, eene wet die men helaas bij ons in Rusland ook tracht in te voeren.

Huis in het park Jasnaja Paljana, door Tolstoi als school gebruikt, 1860–’62.—Blz. 398.Huis in het park Jasnaja Paljana, door Tolstoi als school gebruikt, 1860–’62.—Blz.398.

Huis in het park Jasnaja Paljana, door Tolstoi als school gebruikt, 1860–’62.—Blz.398.

“Waar dwang wordt uitgeoefend ontwikkelt zich ook verzet.

“Waarom bestaat er bij het volk verzet, terwijl het om beschaving vraagt, zelf zich tracht te ontwikkelen en de opvoeding voor heilzaam houdt?

“Men moet zich bij eene dergelijke botsing afvragen: ‘wat is meer gewettigd, verzet of medewerking?’

“De oplossing van dit vraagstuk is altijd ten gunste van den dwang uitgevallen, maar om te dwingen moet men toch goede gronden kunnen aanvoeren. En waar zijn die?” Hierop geeft Tolstoi het volgende antwoord:

“Die gronden kunnen gevonden worden in: religie, filosofie, ervaring en historie,” hetgeen hij op de volgende wijze toelicht:

“In den tegenwoordigen tijd, nu degodsdienstslechts zoo’n gering deel uitmaakt van onze beschaving, kan hij voor het jonge geslacht niet als dwangmiddel worden gebruikt.

“Filosofischeargumenten kunnen ook niet als zoodanig worden aangemerkt. Alle filosofen, van Plato tot Kant, richten hun streven op één punt: de school te bevrijden van haar hinderlijken, historischen teugel, en in plaats daarvan datgene te vinden wat de mensch noodig heeft. De meer of minder goede resultaten van dit streven vormen den grondslag van hunne leer. Luther bracht den mensch er toe de Heilige Schrift in hare oorspronkelijke gedaante, zonder commentaar, te lezen. Bacon raadt aan, de natuur in de natuur te bestudeeren en de wijsheid niet uit de boeken van Aristoteles te halen. Rousseau wil het leven, zooals hij het begrijpt, door het leven leeren kennen en niet afgaan op verouderde proefnemingen. Iedere schrede die de filosofie voorwaarts doet, heeft ten doel op paedagogisch gebied de school te bevrijden van die theorieën over het onderwijs, die men vroeger voorde jeugd in toepassing bracht, en de aandacht op datgene te vestigen wat het opkomende geslacht noodig heeft.

“Deze algemeene, doch zich zelf tegensprekende gedachte loopt door de geheele filosofie; algemeen, omdat allen meer vrijheid voor de school verlangen; zich zelf tegensprekend, omdat ieder paedagoog de wet stelt die op zijne eigen theorie is gegrond, en daarmee een hinderpaal is voor de vrijheid.

“Deervaringop opvoedkundig gebied kan ons nog minder doen gelooven in de noodzakelijkheid van den paedagogischen dwang. Behalve dat het op zich zelf eene jammerlijke proefneming is, dat de school het kind verwart, zijne geestesgaven verminkt, het in den besten tijd zijner ontwikkeling aan zijn’ familiekring ontrukt, het zijn levenslust ontneemt en het maakt tot een gekweld, verschrompeld wezen, met eene uitdrukking van vermoeidheid, angst en verveling, werktuigelijk vreemde woorden uit een hem vreemde taal nazeggende,—behalve dat alles verkrijgt men geen resultaat, omdat het gebrek aan vrijheid elke mogelijkheid aan een’ goeden uitslag te niet moet doen.

“De school moest het middel zijn voor de ontwikkeling en tevens de toetssteen voor het jonge geslacht om steeds beteren uitslag te verkrijgen. Slechts dan, als proefneming den grondslag der school vormt, als deze beschouwd wordt als een paedagogisch laboratorium, slechts in dat geval blijft de school niet ten achter bij den algemeenen vooruitgang en dan kan alleen die proefneming een hechten grondslag leggen voor wetenschappelijke ontwikkeling.

“Dehistorischegronden zijn niet minder wankel. De vooruitgang in het leven, de techniek, de wetenschap gaan vlugger dan de vooruitgang op school; deze blijft dus meer en meer terug en wordt daarom slechter en slechter.”

Op de bewering, dat de scholen goed zijn omdat zij bestaan en altijd bestaan hebben, antwoordde Tolstoi metde beschrijving zijner persoonlijke ervaring, opgedaan in Marseille, Parijs en andere West-Europeesche steden, die hem de overtuiging schonk, dat het grootste deel der volksontwikkeling niet in de scholen wordt verkregen maar in het leven, dat de kennis op straat, in vergaderingen, tentoonstellingen en uit de boeken opgedaan de schoolgeleerdheid verre te boven gaat.

Ten slotte wendt Tolstoi zich met de volgende opmerking speciaal tot de Russische paedagogen. “Aangenomen, dat de Duitsche school, ondanks de fouten die haar aankleven, als historische proefneming is aan te bevelen, welke reden hebben wij, Russen, dan nog om eene volksschool te verdedigen, die wij niet hebben. Op welken historischen grond kunnen wij verdedigen dat onze scholen op dezelfde leest geschoeid moeten zijn als de West-Europeesche?

“Wat moeten wij, Russen, in de naaste toekomst doen? Zullen wij overeenkomen als grondslag de meening der Fransche, Engelsche, Duitsche of Noord-Amerikaansche paedagogen over te nemen? Of zullen wij ons verdiepen in filosofie en psychologie om uit te vinden wat noodig is voor de ontwikkeling van den menschelijken geest en voor het opkomende geslacht, om dit naar ons begrip tot goede menschen te vormen? Of wel, moeten wij van de historische ondervinding gebruik maken, niet in den zin van het navolgen der oude gebruiken, maar zooals de geschiedenis van het menschelijk lijden ons dat geleerd heeft, en moeten wij eerlijk en oprecht erkennen, dat wij niet weten en niet kunnen weten wat de toekomstige geslachten noodig hebben, maar dat wij verplicht zijn deze behoeften te leeren kennen? Wij moeten niet het onontwikkelde volk verwijten, dat het onze ontwikkeling niet aan wil nemen, maar ons gebrek aan kennis en onzen trots, dat wij het naar ons beeld willen vervormen.

“Laten wij toch het verzet van het volk tegen onze ontwikkelingniet beschouwen als een der paedagogie vijandig element, maar integendeel als eene uiting van goeden wil, die onzen arbeid moet leiden. Erkennen wij ten slotte die wet, die zoo duidelijk spreekt uit de historie der paedagogie en der ontwikkeling, dat, opdat de onderwijzer wete wat goed en wat slecht is, de leerling de volle vrijheid moet hebben zijne ontevredenheid te uiten, of minstens zich af te kunnen wenden van de ontwikkeling, die hem instinctief niet bevredigt; erkennen wij dat het kriterium enkel en alleen is—de vrijheid.”

Het slot van dit artikel luidt:

“Wij weten dat slechts enkelen zich door onze bewijzen zullen laten overtuigen. Wij weten dat onze overtuiging hierop berust, dat de eenige methode voor beschaving in proefnemingen bestaat, dat het eenige kriterium de vrijheid is. Voor den een is deze bewering doodalledaagsch, voor den ander eene onduidelijke, abstracte redeneering, voor een’ derde eene fantasie en eene onmogelijkheid. Wij zouden ons niet veroorloofd hebben de rust der paedagogen-theoretici te verstoren, en eene overtuiging te uiten die in tegenspraak is met de geheele wereld, indien wij ons wilden bepalen tot de uitgave dezer artikelen. Wij gevoelen echter dat wij in staat zijn om schrede voor schrede en feit voor feit de uitvoerbaarheid en de wettigheid van onze stoute overtuigingen te bewijzen, en aan dat doel alleen wijden wij het tijdschriftJasnaja Paljana.”

In het eerste nummer van dit orgaan richt Tolstoi zich op de volgende wijze tot het publiek:

“Aan het publiek.

“Bij de betreding van dit voor mij nieuwe gebied word ik angstig voor mij zelf, zoowel als voor de denkbeelden aan welker voltooiing ik jarenlang gewerkt heb en die ik voor juisthoud. Ik ben reeds van te voren overtuigd dat vele van deze denkbeelden later zullen blijken dwalingen te zijn. Hoeveel moeite ik mij ook gaf, het onderwerp in zijn geheel te bestudeeren, zoo beschouwde ik het toch onwillekeurig van één zijde. Ik hoop dat mijne ideeën tegenspraak zullen uitlokken. Alle meeningen geef ik met genoegen eene plaats in mijn blad. Één ding slechts zou ik vreezen, n.l. dat het meeningsverschil ons verbitterde en de beschouwingen over het ons zoo dierbare onderwerp, de volksbeschaving, in spot, personenstrijd of journalistieke polemiek zouden kunnen ontaarden. Ik zeg niet dat spot en persoonlijkheden mij niet kunnen deren, dat ik meen daar boven te staan. Integendeel, ik erken dat ik bevreesd ben voor mij zelf, zoowel als voor de zaak; ik vrees dat ik mij dan ook zou laten meesleepen door persoonlijke polemiek, in plaats van mij rustig en onvermoeid aan mijn werk te wijden.

“En daarom verzoek ik al mijne toekomstige tegenstanders, hunne meening op eene zoodanige wijze te uiten, dat ik eene verklaring kan geven en mijne bewijzen kan overleggen wanneer het meeningsverschil voortkomt uit een misverstand, en mijne instemming kan betuigen dáár waar mij bewezen wordt dat mijn inzicht niet juist is.

“GraafL. Tolstoi.”

In ieder nummer van het tijdschriftJasnaja Paljanawerden opgenomen: een of twee opstellen over de theorie der paedagogie; een overzicht van de werkzaamheden der scholen, die onder Tolstoi’s leiding stonden; bibliografie; eene beschrijving van de schoolbibliotheek, en—eene berekening van de uitgaven. Het bijblad bevatte grootendeels bellettristische lectuur. De spreuk: “Glaubst zu schieben und wirst geschoben,” stond als motto aan het hoofd van het blad.

Het tijdschrift is eene bibliografische zeldzaamheid geworden. Behalve Tolstoi’s hoofdartikelen (opgenomen in deel IV van zijne verzamelde werken), bevatte het blad verschillende losse op- en aanmerkingen, beschrijvingen enz., die zeer belangrijk zijn voor den onderwijzer, voor den theoretikus zoowel als voor den praktikus.

In een opstel over de methode om lezen en schrijven te leeren, zet hij als zijne meening voorop, dat het lezen en schrijven niet de eerste trap der beschaving is maar slechts een der hulpmiddelen. En iets dat niet de eerste plaats inneemt is ook niet de hoofdzaak.

“Wanneer wij den eersten trap der beschaving willen vinden, waarom zoeken wij dien dan in het lezen en schrijven en waarom niet veel dieper? Waarom stil blijven staan bij één van detalrijkehulpbronnen dezer beschaving en daarin de alfa en de omega zien, terwijl het slechts een toevallig, weinig beteekenend middel is om haar te verkrijgen?

“Het begrip ‘beschaving’ valt niet samen met het begrip ‘lezen en schrijven’.

“Wij zien menschen die zeer goed op de hoogte zijn van de hoofdzaken der astronomie en wat daarop betrekking heeft, terwijl zij niet kunnen lezen of schrijven. Men ziet eenvoudig door het leven gevormde lieden bekwaam voor hun vak, met groote kennis en degelijk oordeel, die niet kunnen lezen en schrijven, en daarentegen personen die dit wel kunnen en ten gevolge hiervan geen nieuwe kundigheden hebben verworven.”

Om te bewijzen dat de kennis van lezen en schrijven niet behoort tot de dagelijksche behoeften van het volk, verwijst Tolstoi ons naar den historischen gang van de ontwikkeling der inrichtingen van onderwijs.

“Eerst ontstonden niet de lagere, maar de hoogere scholen: eerst de kloosterscholen, toen de middelbare, daarna de volksscholen.Het lezen en schrijven is de laagste trap van ontwikkeling in deze georganiseerde hiërarchie van de opleiding, of de eerste trap als men begint bij het einde. En daarom beantwoordt de laagste school slechts aan de eischen die de hoogste aangeeft. Er is echter nog een ander standpunt van waaruit gezien de volkschool eene zelfstandige inrichting is, niet verplicht de gebreken der hoogere scholen te dragen, een onafhankelijk doel hebbende, een doel genaamd: ‘de volksbeschaving.’

“De school voor lezen en schrijven is voor het volk als een werkplaats en voldoet aan zijn begrensde behoeften; daarom is lezen en schrijven voor dat volk een zeker soort van handwerk of kunst.”

Nadat Tolstoi ons de beteekenis van het lezen en schrijven, en de plaats die het in het volksleven inneemt, heeft aangewezen, gaat hij over tot de beschouwing van de verschillende methodes van dit onderwijs.

De deugden en de gebreken van verschillende andere methodes ontledende, alleen even stilstaande bij de pedante Duitsche Lautier-Anschauungs-Unterrichtsmethode, komt Tolstoi tot het besluit, dat alle methodes goed en slecht zijn; dat de kunstvaardigheid en het talent van den onderwijzer den grondslag vormen van iedere methode, en ten slotte wendt hij zich met de volgende raadgevingen tot den onderwijzer:

“Iedere onderwijzer in het lezen en schrijven moet één methode, die voor het volk begrijpelijk is, goed kennen en daarmee proeven nemen; hij moet verschillende methodes kennen, en die beschouwen als hulpmiddel; het niet begrijpen van den leerling moet hij niet aan dezen wijten, maar aan een gebrek in de methode, en hij moet dan trachten eene andere manier van onderwijzen uit te vinden. Iedere onderwijzer moet weten, dat iedere gekozen methode slechts eene trede is, die men moet gebruiken om hooger te komen; moet weten, dat, zoo hij dit verzuimt, een ander het doen zal; hijmoet weten, dat het geven van onderwijs eene kunst is die steeds hooger opgevoerd kan worden en waarvan het einde en de volmaking niet zijn te bereiken.”

Nog vollediger en duidelijker ontwikkelde Tolstoi zijne denkbeelden over paedagogie in zijn geschrift:Opvoeding en Beschaving.

In de eerste plaats constateert hij het feit, dat deze twee begrippen door het grootste deel der Russische en Europeesche paedagogen niet van elkaar worden onderscheiden. Daarop tracht hij het verschil aan te toonen en laat eene definitie volgen van de drie volgende hoofdbegrippen: beschaving, opvoeding en onderricht.

“Beschavingin den ruimen zin van ’t woord is, volgens onze overtuiging, eene samenvoeging van de invloeden die den mensch ontwikkelen, hem eene ruimere wereldbeschouwing geven en hem nieuwe kennis schenken. De kinderspelen, het verdriet, de ouderlijke bestraffingen, boeken, het leeren (gedwongen of vrij), de kunst, de wetenschap, het leven, alles geeft beschaving.

“Opvoedingis de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met het doel hem de algemeen aangenomen zeden en gebruiken te doen kennen.

“Onderrichtis eene overgave van kennis van den eenen mensch aan den anderen (men kan onderwijs geven in het schaakspel, in geschiedenis, in het laarzenmaken). Het leeren is eene schaduw van het onderricht, is de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met het doel den leerling zekere physieke gewoonten te doen aannemen: het leeren zingen, timmeren, dansen, roeien en uit het hoofd iets opzeggen. Het onderricht en het leeren zijn middelen om te beschaven, zoo zij vrij zijn, en middelen om op te voeden, zoo het leeren gedwongen en het onderricht exclusief is, d.w.z. als de opvoeder slechts die vakken onderwijst, die hij noodig acht.

“Opvoeding is gedwongen, beschaving is vrij. En van waar komt het recht tot dien dwang?

“Dwang bij de opvoeding kan niet bestaan. Ik erken dien niet en hij wordt, werd en zal niet erkend worden door het geheele jonge geslacht, dat steeds en overal zich tegen gedwongen opvoeding zal verzetten.”

Welke zijn de oorzaken van dezen dwang, dien het menschdom niet wil erkennen? Op deze vraag geeft Tolstoi het volgende antwoord:

“Daar reeds sedert eeuwen abnormale verschijnselen, als dwang in de opvoeding en de beschaving, bestaan, moeten de oorzaken in de menschelijke natuur zijn vastgeworteld. Ik zie die oorzaken: 1. in het familieleven, 2. in de religie, 3. in den staat, 4. in de hoogere standen en bij ons in Rusland in de bekrompenheid van onze ambtenaren en onzen adel.”

Zonder den drie eersten oorzaken recht van bestaan toe te kennen, zegt Tolstoi, dat hij ze toch begrijpen kan. “Het is moeielijk de ouders te verhinderen, dat zij trachten hunne kinderen op te voeden zooals zij zelf zijn opgevoed; het is moeielijk voor den geloovigen mensch zijn streven niet daarop te richten, dat het kind in datzelfde geloof opgroeit, en ten slotte is het moeielijk van de regeering te verlangen dat zij niet zou zorgen voor de vorming van de noodige ambtenaren.”

Maar welk recht heeft de bevoorrechte liberale klasse het volk, dat haar vreemd is, op te voeden volgens eigen model? Dat kan slechts verklaard worden door het bestaan van een grof-egoïstisch misverstand.

Waardoor ontstaat dit misverstand?

“Ik denk,” zegt Tolstoi, “doordat wij de stem niet hooren die ons roept, en wij hooren die niet omdat zij niet spreekt uit boeken, noch van den katheder. Het is de machtige stem van het volk, waarnaar wij moeten luisteren.”

Facsimile van een brief van Tolstoi, in 1860 geschreven.Facsimile van een brief van Tolstoi, in 1860 geschreven.

Facsimile van een brief van Tolstoi, in 1860 geschreven.

En dan treedt hij in beschouwingen over het uitgangspuntvan dezen opvoedingsdwang, d.w.z. van de inrichtingen voor onderwijs, van de hoogste tot de laagste, en hij vindt bij haar geen troost voor de toekomst. Onze universiteiten onderwerpt hij aan eene bijzondere kritiek.

Hoewel Tolstoi den beschavenden invloed van de universiteit niet geheel versmaadt, zegt hij toch:

“Ik erken het recht van eene universiteit, als deze beantwoordt aan haar naam en aan haar grondbeginsel, n.l. lieden tot elkaar te brengen om elkaar wederzijds te beschaven. Zulke universiteiten, die wij officiëel niet kennen, bestaan en ontstaan in verschillende hoekjes van Rusland: in de universiteiten zelf, in de kringen der studenten. Hier komen menschen bij elkaar, men leest, spreekt met elkaar, en ten slotte regelt men de samenkomsten en de onderwerpen van gesprek. Dat is de ware universiteit. Onze hoogescholen zijn, ondanks den ijdelen klank harer liberale inrichting, instellingen die zich nergens door onderscheiden van de inrichtingen van onderwijs voor vrouwen en van de cadettenscholen.

“Behalve alle afwezigheid van vrijheid en zelfstandigheid is hare grootste fout dat zij buiten het leven staan.

“Zie, hoe de zoon van den landman leert landman, de zoon van den kerkdienaar, kerkdienaar, de zoon van den herder, herder te worden. Reeds van zijne jeugd af aan stelt hij zich op het juiste standpunt tegenover de menschen, de natuur en het leven. Reeds in zijne jeugd leert hij werkende, leert hij aldus te zorgen voor de materiëele zijde van het leven, d.w.z. zich zijn dagelijksch brood, kleeding en huisvesting te verschaffen.

“Zie nu naar den student, ontrukt aan zijne familie, heengeworpen in eene vreemde stad, waar van alle kanten de verleiding lokt, zonder middel van bestaan (want hetgeen hij van zijne ouders krijgt reikt slechts voor het allernoodigste en wordt nog voor zijn genoegen uitgegeven), in een’ vriendenkring, die hem versterkt in zijne fouten, zonder leiding,zonder doel, ontrukt aan het oude leven en niet geschikt voor het nieuwe; ziedaar, op eene kleine uitzondering na, de omstandigheden van den student. Zij wordenonvermijdelijkòf ambtenaren, alleen ten gerieve van de regeering, òf ambtenaar-professoren, ambtenaar-letterkundigen, alleen ten gerieve van de hoogere standen; òf menschen zonder levensdoel, ontrukt aan hunne vroegere omgeving, met eene bedorven jeugd, geen plaats vindende in het leven, de zoogenaamde jongelui met eene akademische opleiding, de meer ontwikkelden, doch met een anderen naam, de opgewonden, ziekelijke liberalen.

“De universiteit is de voornaamste van onze opvoedingsinrichtingen. Zij meent de grootste rechten te hebben in zake opvoeding, en de verkregen resultaten leveren ons het bewijs van de onwettigheid en het onbestaanbare van haaropvoedingssysteem. Slechts van het gezichtspunt der hoogere standen kan men genoegen nemen met de vruchten die zij oplevert. De universiteit vormt geen lieden die noodig zijn voor het geheele menschdom, doch alleen personen die onontbeerlijk zijn voor de bedorven hoogere kringen der maatschappij.”

Tolstoi heeft op deze radikale stellingen eenige tegenspraak verwacht van menschen die het nieuwe schuwen, en sluit daarom zijn artikel met het volgende antwoord:

“Maar wat moeten wij doen? Moeten wij dan werkelijk geene lagere scholen, geen gymnasium, geen colleges over het Romeinsche recht hebben? ‘Wat moet er dan van het menschdom worden?’ hoor ik vragen; ‘dat alles zal er dus niet zijn, indien de leerling het zelf niet verlangt en gij zult hen niet tot goede menschen kunnen vormen. Maar kinderen, weten toch niet altijd, wat zij noodig hebben; kinderen vergissen zich enz.’ Ik laat mij niet in met een dergelijken strijd; die zou ons leiden tot de vraag: staat in dezen demenschelijke natuur boven het menschelijk oordeel? Dat weet ik niet en op dat standpunt plaats ik mij niet. Ik beweer slechts, dat, als wij inderdaad kunnen weten wat wij moeten onderwijzen, niemand mij kan verhinderen onzen Russischen kinderen de Fransche taal te leeren, de middeleeuwsche genealogie en zelfs de kunst om te stelen. En ik zal dit alles bewijzen, precies zooals gij het hebt bewezen. ‘Dus moet er geen gymnasium en geen Latijnsche taal zijn? Wat moeten wij dan wel doen?’ hoor ik weder.

“Maak u niet bezorgd. Latijn en rhetorica zullen blijven, nog honderden van jaren, en zij zullen er zijn slechts daarom, omdat het geneesmiddel gekocht is en men het moet innemen, zooals een zieke zegt. Over nauwelijks honderd jaren zal mijne gedachte, die ik misschien onklaar en onduidelijk weergeef, algemeen eigendom zijn geworden. Na nauwelijks honderd jaren zullen zij zijn verdwenen, al deze inrichtingen: de lagere scholen, de gymnasia en de universiteiten, en zullen er vrije instellingen verrijzen, gegrond op de vrijheid van het leerende geslacht.”

Natuurlijk werden deze vermetele gedachten niet aangenomen door de paedagogen, die omstreeks 1860 de opvoeders waren van de hoogere, zoowel als van de lagere standen. De beleedigde wetenschap heeft deze denkbeelden zelfs geen tegenspraak waardig gekeurd. In deVerzamelde Kritieken over Tolstoivan Zelinski, die met zorg zijn samengesteld, vinden wij slechts twee ernstige opstellen gewijd aan het tijdschriftJasnaja Paljanaen aan Tolstoi’s school. Deze kritieken werden in 1862 opgenomen in denSawremjennik. Op een van deze kritieken, geschreven door Markoff, heeft Tolstoi in zijn blad geantwoord onder het opschrift: “Vooruitgang en verdere ontwikkeling der beschaving.”

Markoff zegt o.a. in zijne kritiek, dat een paedagogischedwang gerechtvaardigd is, dat hij dus de vrije ontwikkeling een recht van bestaan toekent en dat hij de tegenwoordige systemen van opvoeding bevredigend acht. De praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana, welke door den schrijver ten zeerste worden bewonderd, is volgens zijne meening in tegenspraak met de theorieën van hunnen stichter en leider.

Tolstoi herhaalt in zijn antwoord aan Markoff wat hij reeds vroeger heeft gezegd en komt tot de gevolgtrekking, dat zij in hoofdzaak daarom niet overeenstemmen, omdat Markoff aan den vooruitgang gelooft en hij niet.

Zijn ongeloof aan den vooruitgang verklaart Tolstoi op de volgende wijze:

“Door de geheele menschheid (zegt een historikus die aan vooruitgaan gelooft) gaat sedert onheugelijke tijden een proces van vooruitgang, en hij voert als bewijsgrond hiervoor aan: Engeland in 1685 vergeleken bij het Engeland van den tegenwoordigen tijd. Doch, zelfs indien men kan bewijzen dat de gesteldheid van Rusland, Frankrijk en Italië in den tegenwoordigen tijd gunstiger is dan die van het vroegere Rome, Griekenland en Karthago, dan verbaast mij toch steeds de volgende onbegrijpelijke omstandigheid. Men neemt een wet aan voor de geheele menschheid, terwijl men slechts eene vergelijking maakt tusschen kleine onderdeelen. Men zegt: ‘vooruitgang is eene algemeene wet voor de geheele menschheid’, maar slaat daarbij geen acht op Azië, Amerika, Afrika, en Australië, op millioenen menschen. Wij bemerken de wet van vooruitgang in het hertogdom Hohenzollern-Sigmaringen, met eene bevolking van 2000 zielen; wij weten dat China met zijn 200 millioen inwoners onze geheele theorie van den vooruitgang verwerpt, en toch twijfelen wij er geen oogenblik aan, dat de vooruitgang eene algemeene wet is voor de menschheid; dat wij, die daaraan gelooven, gelijk, en zij die het ontkennen, ongelijk hebben, en wij gaanmet geweren en kanonnen naar de Chineezen om hun het begrip van den vooruitgang te brengen. Het gezonde verstand zegt mij, dat, zoo het grootste gedeelte van het menschdom, het zoogenaamde Oosten, de wet van den vooruitgang niet erkent, maar haar integendeel verwerpt, die wet niet bestaat voor de geheele menschheid, maar dat er slechts een geloof in den vooruitgang bestaat bij een zeker gedeelte der menschen. Ik, evenals alle menschen, die vrij zijn van het bijgeloof in den vooruitgang, zie slechts dat het menschdom bestaat en dat de herinneringen aan het verleden evenveel worden vergroot, als zij verloren zijn gegaan, dat het werk van vorige geslachten dikwijls den grondslag vormt van nieuwen arbeid maar ook dikwijls een hinderpaal daarvoor is, dat de welstand der menschen hier in een enkel opzicht grooter, daar in een ander opzicht kleiner wordt. Hoe gaarne ik het ook zou wenschen, ik kan geen wet vinden voor het menschdom in het algemeen en ik ben van oordeel, dat men de geschiedenis even gemakkelijk aan het begrip van den voor- als van den achteruitgang kan onderwerpen, of aan iedere andere historische fantasie. Ik ga verder. Ik zie de noodzakelijkheid niet in, afgezien van de onuitvoerbaarheid van het plan, algemeene wetten in de geschiedenis te gaan zoeken. De algemeene, eeuwige wet is neergeschreven in de ziel van iederen mensch. De wet van den vooruitgang of der volmaking is ook neergelegd in de ziel van den mensch, en slechts als gevolg van eene begripsverwarring zoekt men haar in de geschiedenis. Wanneer die wet individueel gedacht wordt, wordt zij vruchtdragend; in de geschiedenis overgebracht wordt zij een leeg begrip, een ijdele klank, leidende totabstracteredeneering, ieder fatalisme rechtvaardigend.

“De vooruitgang van de menschheid in ’t algemeen is een niet bewezen en niet bestaand feit voor alle Oostersche volken; daarom is de bewering dat de vooruitgang eene wet is voorde geheele menschheid even ongegrond, als de verzekering dat alle menschen blond zijn, behalve degenen die donker zijn.”2

De theorieën, neergeschreven in dit hoofdstuk, zijn ontleend aan een uitvoerig opstel over dit onderwerp, dat wij niet in zijn geheel hebben aangehaald, omdat het ons hier te ver zou voeren. Vóor wij echter van dit onderwerp afstappen, laten wij nog een uittreksel volgen van een artikel, getiteld:Ontwerp voor een algemeen plan tot stichting van volksscholen, waarin Tolstoi eene geestige kritiek levert op een in 1862 van regeeringswege uitgekomen reglement op schoolzaken.

Deze kritische beschouwing kan men samenvatten in de volgende uitspraken.

“In de grondgedachte van het reglement ligt het Amerikaansche systeem, het volk te verplichten schoolbelasting te betalen, terwijl de regeering de zorg voor de instandhouding der school op zich neemt. Dezelfde regeling evenwel kan goed zijn in eene demokratische republiek en slecht in een despotisch bestuurd keizerrijk, waar de wet, die ‘den wil van het volk’ uitdrukt, veranderd is in eene uitoefening van ruwen dwang.

“De onuitvoerbaarheid van dit reglement ligt hierin, dat de ontwerpers bij eene volkomen afwezigheid van kennis van het Russische volksleven, het plan niet in overeenstemming hebben gebracht met de behoeften van het volk.

“De reglementeering van de volksontwikkeling, neergelegd in deze verordening, is eene rem voor de reeds bestaande, zich uitbreidende vrijheid der volksontwikkeling.”

Aan het slot van dit vluchtig overzicht van Tolstoi’s paedagogische theorieën geven wij als onze meening, dielijnrecht staat tegenover Markoff’s uitspraak, dat de praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana niet in tegenspraak is met deze theorieën, maar zich integendeel onmiddellijk daarbij aansluit.

De beschrijving, die Tolstoi geeft van zijne scholen te Jasnaja Paljana, laten wij hier als auto-biografisch materiaal volgen.

1L. N. Tolstoi,Volksontwikkeling.2L. Tolstoi.Verzamelde werken, deel IV.

1L. N. Tolstoi,Volksontwikkeling.

2L. Tolstoi.Verzamelde werken, deel IV.


Back to IndexNext