Zesde hoofdstuk.Jongelingsjaren.Vijf jaren woonde de familie Tolstoi te Kazan. Iederen zomer trokken zij, vergezeld van Pelageja Ilinitschna, naar Jasnaja Paljana, om iederen herfst weer naar Kazan terug te keeren.Tolstoi bracht de grootste helft van zijne jongelingsjaren door bij de familie Joeschkoff.Zijne oudere broers kwamen in 1841 te Kazan. De oudste, Nikolaas, ging over van de Moskousche naar de Kazansche universiteit, volgde daar den tweeden cursus van de tweede afdeeling der filosofische faculteit en besloot zijne academische loopbaan in 1884. De beide andere broers volgden den cursus van wat men tegenwoordig de mathematische faculteit noemt. Deze kwamen aan in 1843 en eindigden hunne studie in 1847.Leo Tolstoi koos de Oostersche talen, in de meening dat hij later in de diplomatie zou gaan. De voorbereiding voor deze studie duurde van 1842–’44 en was niet gemakkelijk, daar voor het toelatingsexamen reeds de Arabische en Turksch-Tartaarsche talen werden geëischt, die in dien tijd aan het eerste gymnasium werden onderwezen.Deze moeilijkheden werden door Tolstoi glansrijk overwonnen.In het archief te Kazan worden alle stukken, die betrekking hebben op Tolstoi’s komst, verblijf en vertrek aan en van de universiteit, bewaard.Deze documenten komen voor inGraaf L. N. Tolstoi en zijn studietijdvan N. P. Zagoskin. Een van de belangrijkste is een verzoekschrift, door Tolstoi zelf geschreven, waarin hij toelating vraagt tot de universiteit. Als gevolg daarvan mocht hij het toelatingsexamen doen, dat niet gunstig voor hem afliep, zooals blijkt uit het onderstaand getuigschrift, dat hij na afloop ontving:Godsdienst4Algemeene en Russische geschiedenis1(“Hier wist ik niets van”)1.Statistiek en Aardrijkskunde1(“Nog minder. Ik herinner mij nog, dat mij iets gevraagd werd van Frankrijk. De voorzitter, Poeschkin, die veel bij ons aan huis kwam, wilde mij blijkbaar helpen: ‘Nu, zeg eens, welke zeesteden heeft Frankrijk?’ Ik kon er niet één noemen”2).Meetkunde4Russische spraakkunst4Logica4Latijnsche taal2Fransche taal5Duitsche taal5Arabisch5Turksch-Tartaarsch5Engelsche taal4In zake de opname als student, vinden wij, dat graaf Leo Tolstoi is geëxamineerd voor de afdeeling Oostersche talen, maar niet is toegelaten. Aan dit document was toegevoegd: “Papieren teruggeven”.Dit gebeurde in het voorjaar van 1844. Tolstoi nam zich voor in den herfst een herexamen aan te vragen in de vakken die onvoldoende waren gebleken.Zoo richtte hij dan in ’t begin van Augustus het volgende verzoekschrift aan den rector der universiteit:Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Universiteit te Kazan, benoemd professor, werkelijke stadsraad Nikolaas Iwanowitsch Lobatschewski van Leo Nikolajewitsch graaf Tolstoi.Verzoekschrift.In de maand Mei van dit jaar onderwierp ik mij, met nog andere leerlingen van het eerste en tweede gymnasium, aan het examen voor toelating tot de Universiteit te Kazan in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.Daar het bij dit onderzoek bleek, dat mijne kennis van de geschiedenis en statistiek niet voldoende was, zoo vraag ik Uwe Excellentie eerbiedig heden opnieuw te worden toegelaten tot het examen in die vakken. Hierbij heb ik de eer de volgende stukken te voegen: 1eGeboorteakte, gegeven door het Consistorium te Toela; 2eCopieën van bevestiging van de adellijke afgevaardigden-vergadering, 3 Augustus 1844. Hetwelk onderteekent de bovengenoemdeGraaf Leo N. Tolstoi.In margine, onder dagteekening van 4 Augustus 1844: Toegelaten tot het aanvullingsexamen. De rector Lobatschewski.Hoe en wanneer Tolstoi examen deed is niet bekend, maar het is zeker dat het ditmaal beter ging, want wij lezen aan den voet van het verzoekschrift:Tolstoi toelaten tot de universiteit, als student voor eigen kosten, in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.Zoo kwam Leo Tolstoi dus aan de universiteit. Zijnvrijen tijd bracht hij door ten huize van zijne tante Joeschkoff en in den kring van hare bekenden. Welken invloed deze omgeving op hem had zullen we nader aantoonen.In Zagoskins werkLeo Tolstoi en zijn studietijdwordt gezegd, dat de kring waarin Tolstoi verkeerde eene verderfelijke was, die hem ongetwijfeld instinctief moest afstooten. Eene opmerking van Tolstoi zelf, bij de lezing van dit handschrift, leert ons het tegendeel:“Ik voelde in ’t geheel geen afkeer,” zegt hij, “en hield veel van het vroolijke Kazan, waar toen een uitgelezen kring bijeen was.”3Verder drukt Zagoski nog zijne bewondering uit, dat Tolstoi de kracht bezat weerstand te bieden aan deze verleidingen. Hierbij merkt hij het volgende op:“Integendeel, ik ben heel blij dat ik het begin mijner jongelingsjaren heb doorgebracht in een kring, waar ik jong kon zijn met de jeugdigen, mij niet bekommerende om de groote levensvragen, genietende van mijn niets-doend, weelderig maar niet slecht bestaan.”4Zagoskin geeft deze beschrijving van het eerste studiejaar:“De winter van het jaar 1844–’45, toen Tolstoi in zijne kwaliteit van ‘jongmensch’ zijne intrede in de wereld deed, kenmerkte zich door een opgewekt gezelschapsleven. Bals, zoowel bij den gouverneur en bij de eersten der stad, als in het Rodionowskische vrouwen-instituut (die met groote liefde door E. D. Zagoskin werden voorbereid), dansavondjes, maskerades in de adellijke club, tooneeluitvoeringen, levende beelden, concerten enz., eindeloos in aantal, wisselden elkaar af. Als zoon van goede familie, een’ titel voerend, met uitstekende plaatselijke connecties, kleinzoon van den gewezen gouverneur en een eventueel echtgenoot in de naastetoekomst, was Leo Tolstoi overal een zeer gewenschte gast.”Ouden van dagen kunnen zich zijner nog herinneren op alle bals, op alle avondjes, bij ieder vroolijk gezelschap, overal dansend, maar geen dames-dienaar zooals velen van de hem omringende studenten-aristokratie. Altijd kon men bij hem nog eene zekere schuchterheid en stijfheid van manieren waarnemen. Hij dwong zich klaarblijkelijk tot de rol, die hij nu eenmaal moest spelen, en waartoe de omstandigheden van zijn leven te Kazan hem nolens-volens brachten.Natuurlijk had dat vele uitgaan een zeer slechten invloed op zijne studie, zooals blijkt uit een aan Zagoskin ontleend getuigschrift van zijn eerste halfjaarlijksch examen, waar hij niet doorkwam:Vorderingen.Vlijt.Bijbelsche historie32Algemeene literatuurgeschiedenisNiet verschenen.Arabische taal22Fransche taal53Dit niet-slagen bracht geen verandering in Tolstoi’s vroolijk leventje. Hij nam deel aan de feesten die in de vastendagen werden gegeven, en met zijn’ broeder Sergius aan twee liefhebberij-comedies voor een liefdadig doel.Het resultaat van dat alles was, dat Tolstoi niet slaagde voor zijn overgangs-examen, en nog een jaar aan denzelfden cursus zou moeten deelnemen. Over dit toch niet ongelukkige examen spreekt Tolstoi op de volgende wijze:“Het eerste jaar werd ik afgewezen voor de bevordering naar het tweede jaar door den professor in de Russische geschiedenis Iwanoff, die onaangenaamheden met mijne familie had gehad, hoewel ik niet één college had gemist en de Russische geschiedenis kende; bovendien kreeg ik 1 voor hetDuitsch, hoewel ik meer van die taal wist dan een van de studenten van onzen cursus.”5Tolstoi wilde evenwel niet twee jaar denzelfden cursus volgen en diende een verzoekschrift in om in de rechten over te mogen gaan, hetgeen hem werd toegestaan.Het winterseizoen van 1845 begon weer met de tweedaagsche feesten ter eere van het verblijf van hertog Maximiliaan Leichtenberg te Kazan, wien een schitterende ontvangst werd bereid.“Ondanks dit vele uitgaan,” vertelt Tolstoi, “begon ik mij ernstig op de studie toe te leggen en dat verschafte mij waarlijk reeds eenig genoegen. Behalve voor rechtsencyclopaedie en het strafrecht (ik volgde met zeer veel belangstelling een college van den Duitschen professor Vogel over de doodstraf), interesseerde ik mij zeer voor het burgerlijk recht. Ook trok een arbeid, dien professor Meer mij had opgedragen,n.l.: het vergelijken van Montesquieu’sEsprit des loismet deInstructies voor een nieuwen code, van Catharina, mij bijzonder aan”6.In Mei 1846 slaagde Tolstoi bij het overgangs-examen. Hij kreeg een 5 voor logica en psychologie; drie 4-en voor rechtsencyclopaedie, voor het Romeinsche recht en voor het Latijn; vier 3-en voor algemeene en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsche taal en drie 5-en voor gedrag. ’t Gemiddelde cijfer bedroeg 3, en Tolstoi ging dus over van den eersten naar den tweeden cursus.In dat jaar gebeurde het, dat Tolstoi straf kreeg en in den carcer werd gezet. Deze episode wordt door zijn’ vriend Nazarjeff beschreven, hoewel niet geheel naar waarheid. De gesprekken evenwel zijn geheel juist weergegeven. Wij zullen de aanteekeningen gebruiken, die Tolstoi daarbij heeft gemaakt,waardoor natuurlijk alles in het ware licht komt te staan.Leo Tolstoi werd met een vriend opgesloten, niet in het auditorium, zooals Nazarjeff schrijft, maar werkelijk in den carcer met getraliede ramen. Hij had een’ kandelaar en kaarsen in zijne laarzen verborgen en zij brachten er één of twee aardige dagen door.Wat betreft den koetsier, het paard, den knecht enz., dat is alles in de verbeelding van Nazarjeff ontstaan. Het gesprek evenwel, door hem beschreven, is geheel waar. Wij laten het hier volgen.“Ik herinner me,” zoo begint Nazarjeff, “dat ikDemonvan Lermontoff las. Tolstoi zag een geschiedenisboek van Karamzin naast mij liggen en begon naar aanleiding daarvan op de geschiedenis af te geven als het vervelendste en minst nuttige vak dat er bestond.“‘Historie,’ zei hij, en zijne woorden kwamen kort en scherp over zijne lippen, ‘historie is niet anders dan eene verzameling van sprookjes, waar cijfers en eigennamen kunstig zijn doorheen gewerkt. De dood van Igor, de slang die Oleg heeft gebeten, wat zijn het anders dan sprookjes? En voor wie is het noodig te weten dat het tweede huwelijk van Johan op 21 Augustus 1562 werd voltrokken, en het vierde, met Anna Alexejewna, in 1517. Van mij echter wordt verlangd dat ik die dingen weet, en blijf ik in gebreke dan krijg ik een 1. En hoe wordt de historie geschreven! Alles wordt in een bepaalden vorm gegoten, door den historicus uitgedacht. De “verschrikkelijke” Tsaar, waarover professor Iwanoff juist college houdt, wordt na 1560 plotseling van een deugdzamen, wijzen man, een ontoerekenbare, woedende tyran. Hoe en waarom, daar moet men niet naar vragen....’ Op deze wijze liet mijn vriend zich uit. Het was mij of ik een stortbad had gekregen, te meer daar geschiedenis mijn liefste vak is. Daarna gafTolstoi zijne meening over de universiteit en de academische studie te kennen. ‘Tempel der wijsheid!’ klonk het telkens smalend van zijne lippen, en daarbij beschreef hij onze professoren op zulk eene wijze, dat ik, hoeveel moeite ik ook deed om mij in te houden, het uit moest schateren van het lachen. ‘Wij verwachten,’ vervolgde Tolstoi, ‘dezen tempel als nuttige, bruikbare menschen te zullen verlaten. En wat nemen wij mee van de universiteit? Denk daar eens over na en antwoord me dan oprecht. Wat nemen we mee, als we ieder onzen eigen weg gaan en naar ons dorp terugkeeren? Waarvoor kunnen wij gebruikt worden en wie heeft eenig nut van ons?’“Onder zulke gesprekken verliep de nacht. Tegen het aanbreken van den morgen ging de deur open en verscheen de bewaarder, die ons verklaarde, dat wij vrij waren en naar huis konden gaan.“Tolstoi drukte zijne muts diep in de oogen, wikkelde zich in zijn studentenjas, knikte bij wijze van groet even met zijn hoofd, schimpte nog eens op den tempel en verdween, vergezeld door zijn’ bediende en den bewaarder. Ik haastte mij ook naar buiten, waar ik nu, zonder mijn’ celgenoot, met volle teugen de frissche morgenlucht inademde.“Mijn hoofd was vol gedachten, die voor mij nog geheel onbegrijpelijk waren, en vol van twijfelingen die ik nooit gevoeld had, maar die bij mij waren opgewekt door mijn’ vriend uit de gevangenis.”De drie broers Tolstoi, die tot nu toe bij hunne tante Pelageja hadden gewoond, gingen in 1847 verhuizen, en betrokken kamers in eene woning die tegenwoordig voor armenhuis dienst doet. Zij hadden vijf kamers op de bovenste verdieping.In Januari 1847 nam Tolstoi nog eens deel aan het halfjaarlijksch examen, maar trok zich voor een gedeelte terug. Blijkbaar beschouwde hij het als eene onnoodige formaliteit en liep hijreeds met het plan rond om de universiteit te verlaten. Spoedig na de Paaschvacantie zond hij met dat doel een verzoekschrift in, dat wij in zijn geheel van Zagoskin hebben overgenomen en hier laten volgen.Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Kazansche Universiteit, den werkelijken stadsraad Iwan Michaïlowitsch Simonoff.Van den voor eigen rekening levenden student van den 2dencursus der rechtsgeleerde faculteit, graaf Leo Nikolajewitsch Tolstoi.Verzoekschrift.Wegens geschokte gezondheid en huiselijke omstandigheden niet langer wenschende den cursus aan de universiteit bij te wonen, verzoek ik Uwe Excellentie eerbiedig mij af te schrijven als student en mij mijne papieren mede te doen toekomen. Hetwelk onderteekent de bovengenoemde12 April 1847.Graaf Leo Tolstoi.Ingevolge dit verzoekschrift gaf het bestuur het antwoord: “Tolstoi ontslaan van de universiteit en hem een getuigschrift uitreiken.”In het archief van de universiteit bevindt zich nog een duplicaat van dit getuigschrift, dat voor ons van eenig belang is om de eigenaardige wijze waarop datgene wat men niet wilde zeggen is omschreven. Hier volgt de inhoud.“Brenger dezes, graaf Leo Nikolajewitsch, zoon van Tolstoi, na het eerste elementaire onderricht genoten en na het geheele gymnasium afgeloopen te hebben, werd ingeschreven als student aan de Universiteit te Kazan voor den cursus van de Arabisch-Turksche talen. Welke vorderingen hij gemaakt heeft is niet bekend, daar hij niet verscheen opde jaarlijksche examens, reden waarom hij denzelfden cursus nog een jaar moest volgen. Met toestemming van het college ging hij over naar de juridische faculteit, waar hij groote vorderingen maakte: logica en psychologie—zeer goed;—rechtsencyclopaedie, de geschiedenis van het Romeinsche recht en Latijn—goed; algemeene en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsch—voldoende; hij ging over naar den tweeden cursus, doch de vorderingen kunnen niet geconstateerd worden, daar de examens nog niet zijn afgenomen. Het gedrag van Tolstoi was gedurende zijn verblijf aan de universiteit uitstekend. Ingevolge zijn verzoekschrift is hem om gezondheidsredenen verlof gegeven de akademie te verlaten; reden waarom de bovengenoemde graaf Tolstoi, zijne studie niet hebbende voleindigd, geen gebruik mag maken van de rechten van een werkelijken student; volgens artikel 590 van het Wetboek zal dit getuigschrift bij aanvaarding van een burgerlijk ambt de vergelijking moeten doorstaan met de papieren van personen die middelbaar onderwijs genoten hebben, en kan hij in aanmerking komen voor civiel-ambtenaar 2eklasse. Dit getuigschrift, voorzien van de vereischte handteekeningen en stempel der Kazansche Universiteit, gegeven aan graaf Leo Tolstoi.“Gedaan op allerhoogst bevel. Op ongezegeld papier.”“Tolstoi,” zoo vertelt Zagoskin, “haastte zich uit Kazan weg te komen en wachtte niet eens het examen van zijne broers Sergius en Dmitri af. Hij reisde over Moskou naar Jasnaja Paljana. Den dag van zijn vertrek verzamelde een kleine kring studenten zich ten huize van de Tolstoi’s. Een van dezen, die tot nu toe nog te Kazan woonde, vertelde mij dat zij zijn afscheid feestelijk vierden en hem een eindweegs vergezelden, n.l. tot over het riviertje Kazanka, waar zij hem den laatsten groet brachten.”Tolstoi liet aan de Kazansche universiteit nog een klein spoor na. Vorst Dmitri Dm. Obolenski deelde mij onlangs mede, dat op de bank waar Tolstoi gewoonlijk zat, de naam “graaf L. N. Tolstoi” gevonden was, die er waarschijnlijk door hem zelf met een mesje of met den nagel was ingekrast.De Duitscher R. Löwenfeld, die eene biographie van Tolstoi heeft geschreven, vroeg hem eens, toen hij op Jasnaja Paljana vertoefde, hoe het mogelijk was, dat hij, bij zijn grooten dorst naar wetenschap, toch de universiteit had verlaten.“Juist in mijn’ dorst naar wetenschap ligt waarschijnlijk de oorzaak,” antwoordde Tolstoi. “Wat de professoren ons leeraarden boezemde mij weinig belang in. In den aanvang studeerde ik in de Oostersche talen, maar maakte weinig vorderingen. Ik studeerde ijverig en las een oneindig aantal boeken, maar alle in één richting. Wanneer een vraagstuk mij belang inboezemt, dan bekijk ik het niet van links of van rechts, maar van alle kanten en tracht het geheel te overzien, om er een klaar begrip van te krijgen. Zoo was ik ook reeds te Kazan.”7“Er bestonden twee redenen waarom ik de universiteit verliet: Ten eerste dat mijn broers hadden afgestudeerd en weggingen, en ten tweede, hoe vreemd het ook moge klinken, mijne studie over deInstructiesenl’ Esprit des Lois, die mij een nieuw veld voor zelfstandigen gedachtenarbeid opende en waarbij de universiteit met hare vele eischen mij hinderde.”8De herinneringen van Tolstoi aan zijn’ broeder Dmitri zijn verbonden met eenige belangrijke bijzonderheden van het leven te Kazan.“Mitjenka (Dmitri) is een jaar ouder dan ik. Hij heeft groote, strenge, zwarte oogen. Als knaap kan ik hem mij bijna niet herinneren. Ik weet slechts uit de verhalen, dat hij als jongen heel grillig was. Men vertelde mij b.v. dat hij boos werd als de njanja naar hem keek en ook begon te schreeuwen als zij hem niet aanzag. Mijne moeder had er veel verdriet van. Wij stonden het dichtst bij elkaar in leeftijd en ik speelde veel met hem, maar toch hield ik meer van Sergius en van Nikolaas. Wij gingen goed met elkaar om, en ik kan mij niet herinneren, dat wij met elkaar vochten. Het zal wel eens zijn voorgekomen, maar werd dan spoedig weer vergeten. Ik hield van hem met eene eenvoudige, gelijkmatige, natuurlijke liefde, die om haar eenvoud geen indruk heeft nagelaten. Ik geloof, of liever, ik ben er van overtuigd, want ik heb het in mijne jeugd zelf ondervonden, dat de liefde tot de menschen een natuurlijke toestand van de ziel is, of meer nog eene natuurlijke betrekking tot alle menschen, en waar dit zoo is daar bemerkt men haar niet.“De herinnering blijft behouden wanneer men niet van iemand houdt of als men iemand vreest. Zoo was ik bang voor bedelaars, bang voor een zekeren Wolkonski, die mij altijd kneep; ik geloof niet dat er nog andere menschen waren, voor wie ik vrees koesterde. Ook blijft de herinnering als men zeer veel van iemand houdt, zooals ik b.v. hield van Tatjana Alexandrjewna, van mijne broers Sergius en Nikolaas, van een zekeren Wassiliï, van de njanja Isajewna en van Paschenka. Van Mitjenka’s eerste jeugd herinner ik mij alleen maar dat hij vroolijk was. Eerst in Kazan, waar wij heen gingen toen hij 13 jaar oud was, begon ik zijne eigenaardigheden op te merken. Ik herinner mij, dat hij, toen wij nog in Moskou waren, niet zoo gauw verliefd was als Sergius en ik; hij hield niet van dansen, ook niet van militair vertoon (waar ik later nog van zal spreken) en leerde goed en vlijtig.Ik weet nog, dat onze leeraar, de student Palonski, eens van ons drieën zeide: ‘Sergius wil en kan, Dmitri wil maar kan niet (dat was niet waar), en Leo wil niet en kan niet.’ Ik geloof dat dit laatste geheel waar was.“Ik had steeds Sergius als voorbeeld genomen en begon reeds mijne reinheid te verliezen (dat zal ik ook later vertellen). Met mijn uiterlijk hield ik mij reeds lang bezig en ik deed mijn best er geheelcomme il fautuit te zien.“Mitjenka was heel anders; ik geloof dat hij niet een van die gebreken had, die jongens op dien leeftijd eigen zijn. Hij was ernstig, oplettend, rein, vlug besloten en wat hij deed, dat deed hij met hart en ziel, maar hij was driftig. Toen het eens gebeurde dat hij dat kettinkje inslikte, maakte hij zich, voor zoover ik het mij herinneren kan, niet ongerust, terwijl ik nu nog weet hoe angstig ik was, toen ik een pit van eene Fransche pruim had doorgeslikt, die mijne tante mij had gegeven, en met hoeveel gewicht ik haar dat ongeluk ging vertellen. Ik herinner mij nog, dat wij eens als kleine jongens aan het sleeën waren op een afgelegen steilen heuvel (en wat was het vroolijk!), toen iemand in plaats van den grooten weg te volgen, met zijne troika9den berg opreed. Sergius en een boerenjongen, die juist aan ’t glijden waren, konden het sleetje niet meer tegenhouden en geraakten onder de paarden. De kinderen kregen geen letsel en de troika reed verder. Wij hadden het er druk over, hoe Sergius onder het bijdehandsche paard was door gekropen en hoe het andere schrikte, maar Mitjenka (hij was toen negen jaar) ging naar het rijtuig en schold den voerman uit. Ik herinner mij, dat ik hem bewonderde, maar dat de woorden die hij zei mij niet zeer bevielen, n.l. dat het niet veroorloofd was daar te rijden, dat het geen rijweg was en dat de koetsier verdiende daarvoorin den stal te worden geworpen, hetgeen met andere woorden wil zeggen: te worden afgeranseld.“In Kazan, zooals reeds gezegd is, kwamen zijne bijzondere eigenschappen meer aan het licht. Hij leerde altijd even goed, maakte heel gemakkelijk gedichten en heel goede vertalingen van de werken van Schiller, hoewel hij er niet veel aan deed. Hij dacht steeds bij zijn werk, en was altijd rustig en ernstig. Eén maal herinner ik mij echter dat hij de dolste dingen uithaalde; de meisjes vonden het prachtig en ik werd jaloersch en dacht: ‘dat komt zeker omdat hij anders altijd zoo ernstig is,’ en ik nam mij voor ook zoo te worden.“Het was een domme inval geweest van tante Pelageja, toen zij ons ieder een’ bediende van onzen eigen leeftijd gaf, Mitjenka kreeg Wanjoescha (hij leeft nog), dien hij dikwijls slecht behandelde; ik geloof zelfs dat hij hem wel eens sloeg. Ik zeg ‘ik geloof,’ omdat ik het niet zeker weet, maar wèl herinner ik mij nog zijn berouw en zijn nederig smeeken om vergiffenis.“Zoo werd Dmitri ongemerkt grooter, bemoeide zich weinig met de menschen, en met uitzondering van zijne driftbuien was hij steeds rustig en ernstig en keek met denkende, strenge, groote, zwarte oogen de wereld in. Hij was lang, tamelijk mager, niet heel sterk, had lange armen en een gebogen rug. Hij was een jaar jonger dan Sergius, studeerde echter tegelijk met hem op en had als vak de meetkunde gekozen omdat zijn oudere broeder dat ook had gedaan. Hoe hij er zoo jong toe kwam weet ik niet, maar reeds in ’t begin van zijn’ studententijd werd en leefde hij zeer godsdienstig. Dit leven bracht hem natuurlijk met de kerk in aanraking en, ernstig als hij was, volgde hij in alles hare voorschriften. Op vastendagen at hij geen vleeschspijzen, woonde alle diensten bij en stelde zich zelf steeds de hoogste eischen.“Mitjenka bezat ook dien mooien karaktertrek, dien ik bijmijne moeder vermoedde, bij mijn broer Nikolaas had opgemerkt en dien ik zelf volkomen miste, n.l. die groote onverschilligheid voor het oordeel der menschen. Nu zelfs kan ik mij nog niet vrij maken van de gedachte, wat de menschen wel van mij zullen zeggen. Mitjenka kende dat gevoel niet. Ik zag op zijn gelaat nooit dat half teruggegehouden lachje, dat onwillekeurig verschijnt wanneer de menschen ons prijzen. Ik zie hem nog steeds met zijne ernstige, rustige, treurige, soms booze, groote, amandelvormige, zwarte oogen. Eerst in Kazan begonnen wij hem eenige aandacht te schenken, en wel omdat juist in dien tijd, toen Sergius en ik zooveel waarde aan ons uiterlijk en aan het begrip vancomme il fauthechtten, hij er altijd even slordig uitzag, waarover wij hem dikwijls onderhielden. Hij kon niet dansen en wilde het ook niet leeren. Als student kwam hij niet in gezelschappen, droeg altijd zijn studentenjas met een smal dasje, en van zijne jeugd af had hij het dwaze aanwensel steeds met zijn hals te draaien alsof hij te nauwe dassen droeg.“Op godsdienstig gebied begonnen zijne eigenaardigheden daarmee, dat hij voor het heilige avondmaal niet naar de moderne universiteitskerk ging, maar naar de kazemat-kerk. Wij woonden tegenover het tuchthuis. Daar was een zeer strenge en godsdienstige priester aan verbonden, die in den tijd der vasten alle evangelies voorlas alsof men die nog nooit had gehoord, zoodat de diensten natuurlijk ontzettend lang duurden. Mitjenka hield het uit en maakte kennis met dezen pope. De kerk in het tuchthuis was zóó ingericht dat de gevangenen achter een glaswand stonden, waarin deuren waren aangebracht. Eens wilde een van de gevangenen den kerkdienaar eene kaars of geld voor eene kaars geven. Niemand van de in de kerk aanwezigen wilde zich met deze boodschap belasten, maar Mitjenka met zijn ernstig gezicht nam het op zich. Het bleek naderhand, datdit verboden was en men onderhield hem er over, maar hij vond het goed en deed het bij voorkomende gelegenheden weer. Wij, hoofdzakelijk Sergius, hadden aristokratische kennissen, Mitjenka daarentegen koos uit allen den beklagenswaardigen armen student Poloebojarinoff, dien een vriend van ons Poloebjezabjedoff (‘half zonder middageten’) noemde. Wij domme jongens vonden dat heel grappig en lachten Mitjenka uit. Deze Poloebojarinoff was zijn eenige vriend en met hem werkte hij voor het examen. Wij woonden toen op den hoek van het plein Arskoje, in het huis van Kisiljeff, op de bovenste verdieping. Vóór had Mitjenka zijne kamer, daarachter Sergius en ik. Wij beiden hielden er van onze kamer mooi te maken en wij kregen daarvoor allerlei kleinigheden. Mitjenka hield er niet van en vroeg van de voorwerpen uit ons ouderlijk huis alleen maar de mineralen. Hij verdeelde ze in groepen, schreef er de namen bij en bewaarde ze in eene doos met glazen deksel.Vroegere ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 56.Vroegere ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz.56.“Onze vrienden, die zagen dat wij, broers, en ook onze tante met eene zekere minachting op Mitjenka en zijne eenvoudige neigingen neerzagen, namen dat natuurlijk van ons over. Een van hen, de ingenieur Es., zag eens, door Mitjenka’s kamer gaande om bij ons te komen, diens mineralen en vroeg hem iets; Mitjenka gaf nauwelijks antwoord. Es., een onsympathiek, aanstellerig jongmensch, schoof en schudde de doos, waarop Mitjenka hem verzocht dat te laten. Hij liet het niet, bespotte hem en lachte hem uit, en noemde hem, waarom weet ik niet, Noach. Mitjenka werd driftig en sloeg hem met zijne groote hand in ’t gezicht. Es. liep naar onze kamer, achtervolgd door Mitjenka, die, toen wij hem buitensloten, woedend dreigde Es. te zullen afranselen, als hij de deur uitkwam. Ik weet niet hoe het zou zijn afgeloopen als wij hem niet, op zijn verzoek, heimelijk, half kruipend over den stoffigen zolder, hadden laten ontsnappen.“Zoo was Mitjenka als hij driftig was, maar als men hem niet plaagde was hij geheel anders.“Onze familie had om de eene of andere reden een meisje aangenomen. Zij was een vreemd, beklagenswaardig schepsel en heette Ljoebow Serghejewna. Zij was eene onwettige dochter van Protasoff. Hoe zij bij ons kwam weet ik niet. Ik hoorde dat het uit medelijden was en dat men haar zelfs aan Feodor Iwanowitsch had willen uithuwelijken, maar daar is niets van gekomen. Zij moet steeds bij ons gewoond hebben, doch daar weet ik niets meer van, wèl dat tante Pelageja haar mee nam naar Kazan, waar ik haar leerde kennen. Het was een ongelukkig meisje. Zij had haar eigen kamer, waar zij ook werd bediend. Toen ik haar voor ’t eerst zag, was zij niet slechts beklagenswaardig maar afkeerwekkend. Ik weet niet welke ziekte zij had, maar haar gezicht was altijd opgezet, als door bijen gestoken; de oogen keken uit een paar dikke, gladde kussens zonder wenkbrauwen; geel, opgezet en glimmend waren ook wangen, neus, lippen en mond. Zij sprak moeielijk, waarschijnlijk omdat haar mond inwendig ook was opgezwollen. In den zomer zaten er altijd vliegen op haar gezicht, hetgeen zij niet scheen te voelen; vreeselijk om aan te zien! Haar haar was zwart, maar zoo dun, dat het haren schedel niet bedekte. Joeschkoff, de man van mijne tante, die niet altijd even kiesch was, kon zijn’ afschuw voor haar niet verbergen. Altijd had zij eene benauwde lucht bij zich, die ook op haar kamer hing, waar nooit een raam openstond. En deze Ljoebow Serghejewna koos Mitjenka zich tot vriendin. Hij ging naar haar toe, sprak met haar, luisterde naar haar, wandelde met haar en las haar voor, en wij, stompzinnig als wij waren, lachten om die vriendschap. Mitjenka echter stond zóó hoog, bekommerde zich zóó weinig om het oordeel der menschen, dat het hem niet eens de moeite waard was om met een enkelwoord uit te leggen, dat hij het deed omdat hij het goed vond. Hij dééd het eenvoudig, en niet voor een paar dagen, bij wijze van gril, maar al den tijd dien wij in Kazan doorbrachten.“Hoe duidelijk is het mij thans, dat de dood Mitjenka niet kon vernietigen, dat hij reeds was voor ik hem leerde kennen, vroeger dan hij werd geboren, en dat hij voortleeft na zijn’ dood.”Voor zoover het ons mogelijk is, zullen wij nu een’ blik slaan op het innerlijk leven van Tolstoi, zooals hij was in zijne jongelingsjaren.Het kritieke punt in het leven van den man zijn zijne jongelingsjaren, het tijdperk waarin van alle kanten de onbekende hartstochten hem bestormen. Reeds voor den alledaagschen mensch is dit de tijd van heftig voelen, van het zoeken naar idealen, de periode van droomen en verwachtingen, van wenschen die nooit vervuld zullen worden. Dus kunnen wij ons voorstellen hoe zwaar de inwendige strijd moest zijn voor een’ man als Tolstoi, met zijn zoo voor alle indrukken vatbare natuur. Hoe hoog die geest, gedragen door zijne fantasieën, zich kon verheffen boven deze aarde, maar ook hoe diep zij zinken kon, omlaag getrokken door zijne dierlijke instincten.Eene beschrijving van dezen inwendigen strijd geeft Tolstoi ons in zijne werkenBiechtenJongelingsjaren.De gedachten, in het eerste werk uitgesproken door Nikoljenka Irtjenjeff, hebben zonder twijfel auto-biografische waarde. InJongelingsjarenzijn deze uitingen min of meer geïdealiseerd. Eenige van de belangrijkste ideeën laten wij hier volgen.“Ik zeide reeds, dat mijne vriendschap voor Dmitri mij een nieuwen blik op het leven gaf en mij leerde dat de taak der menschen hierin moet bestaan: steeds te streven naarhet goede, naar het volmaakte. Eene taak die ons niet moeielijk en zeer goed uitvoerbaar scheen.“Er kwam een tijd, waarin die gedachten zóó heftig op mij instormden, dat ik plotseling begreep hoe lang ik reeds tevergeefs had geleefd. Van dat oogenblik af aan nam ik mij heilig voor die goede voornemens nooit meer te laten varen. Dat was, reken ik, het begin van mijn’ jongelingstijd.“Ik was toen ongeveer zestien jaar. Nog steeds moest ik les nemen en gedwongen, tegen mijn’ zin, werd ik klaar gemaakt voor de universiteit.“In dezen tijd van mijn leven namen mijne droomen de volgende vier gestalten aan: ten eerste, de liefde tot ‘haar’, de vrouw mijner fantasieën, van wie ik droomde en die ik ieder oogenblik verwachtte te zullen ontmoeten.“Ten tweede, de liefde tot de liefde. Ik wenschte dat iedereen mij kende, dat allen mij liefhadden, dat ik slechts mijn naam behoefde te noemen, opdat iedereen zou zijn getroffen, en dat allen mij omringden en mij ergens dankbaar voor waren.“Ten derde, de hoop op een groot, eervol geluk; en dat gevoel was zóó heftig, dat het bijna tot waanzin overging.“Ten vierde, en dat was wel de sterkste aandoening, de groote afkeer van mijzelf en diep berouw, maar een berouw dat zich paarde aan de hoop op geluk en mij niet droevig stemde. Ik genoot zelfs van den terugblik en trachtte hetgeen achter mij lag nog slechter te zien dan het geweest was. Hoe donkerder toch de herinnering aan het verleden, des te reiner en lichter deed zich het heden voor, in des te schitterender kleuren bloeide de toekomst voor mij op. Die stem van het berouw en die hartstochtelijke wensch naar volmaking waren de overheerschende gevoelens in dat tijdperk mijner ontwikkeling en deden mij mij zelf, de menschen en Gods aarde in een geheel nieuw licht aanschouwen. Gezegende, vertroostende stem, diezooveel malen in dien bangen, treurigen tijd, toen mijne ziel werd overwonnen door ’s levens leugen en ontucht, zich plotseling moedig keerde tegen iedere onwaarheid, waarschuwend tegen het verleden, wijzend op het lichte heden, mij belovend het schoone, het geluk in de toekomst! Gezegende, vertroostende stem, kan het zijn dat gij ooit zult verstommen?”Wij weten, dat die stem, gelukkig voor hem en gelukkig voor ons, nog nooit heeft gezwegen; nog steeds roept zij ook ons naar het oneindig, lichtend ideaal.Deze fantasieën wijzen ons op dat idealistisch naturalisme, dat den grondslag vormt van het grootste gedeelte zijner werken.“Hooger en hooger, lichter en lichter stond de maan aan den hemel, glanzend glinsterde de vijver, helderder en helderder werd het, zwarter en zwarter de schaduw, waziger en waziger de lucht. Luisterende en starende voelde ik, dat ‘zij’, met hare blanke armen en vurige omhelzingen, nog zoo ver bleef, nog zoo ver van ’t geluk, en mijn liefde tot haar nog zoo ver van de gelukzaligheid; en hoe langer ik staarde naar de klimmende, glanzende maan, des te hooger en hooger, reiner en reiner, dichter en dichter bij Hem, bij de bron van alle schoonheid en geluk, scheen mij de ware schoonheid, en de tranen van onbewust verlangen en tevens van blijde ontroering welden op in mijne oogen.“En ik was geheel alleen, en het scheen dat de geheimzinnig grootsche natuur de maan geheel in zich opnam, die, ergens hoog aan den bleek-blauwen hemel staande, met haar licht het gansche heelal overstroomde; en mij, nietigen worm, reeds bezoedeld door de kleinste en laagste menschelijke hartstochten, maar doordrongen van de onmetelijke kracht der liefde,—mij kwam het voor, alsof ik één werd met de maan en het licht in de natuur.”Het is niet onbelangrijk voor ons, de namen te zien derschrijvers, die invloed hebben uitgeoefend op Leo Tolstoi in zijne jongelingsjaren:Namen der werken:Graad van invloed:Het Evangelie van Mattheüs,De BergredeBuitengewoon groot.Sterne,Sentimental JourneyZeer groot.Rousseau,Confessions,EmileBuitengewoon groot.Rousseau,La nouvelle HéloïseZeer groot.Poeschkin,Jewgheniï,AnjekinZeer groot.Schiller,Die RäuberZeer groot.Gogol,Schinel,Iw. Iw.enIw. Nik.Groot.Gogol,Njewski Prospekt,Wi,Doode ZielenZeer groot.Toerghenjeff,Aanteekeningen van een JagerZeer groot.Droezjinin,Paulina SaksZeer groot.Grigorowitsch,Anton GorjemikaZeer groot.Dickens,David CopperfieldBuitengewoon groot.Ljermontoff,Helden van onzen tijd,TamanZeer groot.Prescott,History of the conquest of MexicoGroot.Naast de werken van deze schrijvers oefenden Tolstoi’s levensomstandigheden een grooten invloed op hem uit en wel voornamelijk het begrip vancomme il faut.In zijnJongelingsjarenwijdt hij daaraan een geheel hoofdstuk. Wij laten het voornaamste volgen.“Ik voel mij verplicht,” zegt Tolstoi, “een geheel hoofdstuk te wijden aan dit meest leugenachtige en schadelijke van alle begrippen, mij bijgebracht door opvoeding en omgeving.“In den tijd, waarvan ik schrijf, verdeelde ik de menschen bij voorkeur in lieden, die ikcomme il fautof nietcomme il fautnoemde. Deze tweede soort onderscheidde ik nog eens in menschencomme il fautop hunne wijze en in plebs. De liedencomme il fautachtte ik en keurde ik waardig om mee om te gaan; de tweede soort haatte ik, maar ik deed alsof ik op hen neerzag; de derde soort bestond niet voor mij, die verachtte ik volkomen. Iemand, dien ikcomme il fautnoemde, moest in de eerste plaats het Fransch volkomen machtig zijnen met zuiver accent spreken. Eene slechte uitspraak wekte dadelijk een gevoel van tegenzin in mij op. ‘Waarom wilt ge spreken zooals wij, als ge het toch niet kunt?’ dacht ik dan, inwendig spottend.“Een tweede voorwaarde omcomme il fautte zijn waren lange, goed verzorgde, schoone nagels; de derde, goed te kunnen buigen, dansen en converseeren, en de vierde, dat was de gewichtigste, het ten toon spreiden van eene groote onverschilligheid voor alle dingen en eene voortdurende betuiging van geringschattende verveling.“’t Is vreeselijk wanneer ik bedenk, hoeveel kostbaren tijd ik op zestienjarigen leeftijd, moeite doende om mij die eigenschappen te verwerven, verbeuzelde.“Maar niet die gouden tijd, dien ik verloor om geheel te kunnen voldoen aan de eischen, die hetcomme il fautmij stelde en waardoor ik geen tijd meer overhield voor ernstige studie, ook niet de minachting waarmee ik neerzag op negen tienden der menschen, evenmin mijne blindheid voor het schoone dat buiten den kring van hetcomme il fautstond, dat alles was nog niet het ergste kwaad, waartoe deze opvatting mij bracht. Veel erger was het, dat ik mij verbeeldde, datcomme il fauteene positie aanduidde in de maatschappij; dat een menschcomme il fautzich geen moeite behoefde te geven om ambtenaar, wagenmaker, soldaat of geleerde te worden, dat hij, zoo hij aan dien eisch kon voldoen, volkomen aan zijne bestemming beantwoordde, ja zelfs ver boven het grootste gedeelte van het menschdom stond.“Op een zekeren tijd van ons leven, na ’t begaan van menige onbezonnenheid, komt toch bijna voor ieder mensch het oogenblik dat hij zich gedrongen voelt zich te wijden aan een’ werkkring in de maatschappij, maar bij den mancomme il fautziet men dat zelden. Ik ken en kende heel veel reeds bejaarde, trotsche, zelfbewuste menschen, die op de vraag (gesteld datons die in de wereld hiernamaals gedaan werd): ‘wat zijt gij? en wat deedt gij?’, niet anders zouden kunnen antwoorden dan: ‘Je fus un homme très comme il faut.’“Dat lot wachtte ook mij.”10Zooals reeds gezegd is in het gesprek met den Duitscher Löwenfeld, boezemde de akademische studie Tolstoi heel weinig belang in, maar voelde hij den lust in zich opkomen tot zelfstandigen arbeid, hiertoe opgewekt door de vergelijking van de beide werken:l’Esprit des Loisvan Montesquieu en deInstructiesvan Catharina.Tolstoi’s dagboek, dateerende uit dien tijd, staat vol aanteekeningen en opmerkingen over dien arbeid en daarnaast schreef hij een zee van gedachten neer, alsof zijn verstand tot nu toe had geslapen en, plotseling wakker geworden, zich met alles ging bezighouden.In Maart van het jaar 1847 lag Tolstoi wegens de een of andere ziekte in de kliniek te Kazan. Zijne gedwongen ledigheid en afzondering brachten hem tot nadenken en hij stelde zich de vraag, wat de eigenlijke beteekenis was van het verstand. Onze kring maakt slechts een deel uit van de wereld. Het verstand moet zich dus toetsen aan degeheelewereld, moet de algemeene wetten erkennen en dan kan het onafhankelijk worden van dat onderdeel, van dien kring.Deze opmerking bewijst ons, dat de 18-jarige jonge man reeds de kiem bij zich droeg van het latere anarchisme.Toen Tolstoi in zich dien drang naar wetenschap bemerkte, legde hij zich, angstig dat hij zich in de theorie zou verliezen, dadelijk de vraag voor, hoe hij de theorie in dienst kon stellen van de praktijk, doch was zich tevens bewust dat hij in hoofdzaak moest trachten zich zelf in overeenstemming te brengen met het zedelijk ideaal.Zoo schrijft hijo.a.in Maart 1847 in zijn dagboek: “Ik ben veel veranderd, maar heb dien graad van volmaking nog niet bereikt, dien ik hoop te verkrijgen. Ik vervul niet wat ik mij heb voorgeschreven en wat ik ten uitvoer breng, dat doe ik niet goed; ik span mij niet genoeg in. Daarom schrijf ik mij nu eenige levensregels voor, die mij, zoo ik ze ga naleven, heel veel kunnen helpen.I. Voleindig wat gij begint, hoeveel moeite het u ook kost.II. Wat gij doet, doe dat goed.III. Zoo gij iets hebt vergeten, haal het dan niet uit de boeken, maar tracht het zelf uit te vinden.IV. Laat uw verstand steeds werkzaam zijn zoo veel het kan.V. Lees en denk steeds hardop.VI. Durf den menschen, zoo zij u hinderen, te zeggen dat zij u hinderen; geef eerst een’ wenk, en zoo zij het niet begrijpen, verontschuldig u dan, maar zeg het.”Door de bestudeering der werken van Montesquieu en Catharina kwam hij tot de gevolgtrekking, dat in het laatste twee hoofdideeën op den voorgrond treden,d.w.z.de revolutionaire ideeën van het toenmalige Europa en het despotisme en de eerzucht van haar zelf; de laatste treedt het meest naar voren. De republikeinsche ideeën heeft zij ontleend aan Montesquieu. Resumeerende kwam hij tot het resultaat, dat deInstructiesCatharina meer roem dan Rusland nut hebben gebracht.Nadat hij besloten had de universiteit te verlaten en op het land te gaan leven, deed hij zich zelf de belofte zich verder te bekwamen in de Engelsche en Latijnsche taal en in het Romeinsche recht, waarschijnlijk voelende dat hij het daarin nog niet ver had gebracht.Hoe meer de tijd van zijn vertrek naderde, des te meer breidden zijn plannen en fantasieën zich uit en zoo schreef hij ten slotte 17 April 1847 in zijn dagboek: “Er moet eene verandering in mijn leven komen, maar dat moet niet eene uitwendige maar eene inwendige, eene zielsverandering zijn”, en verder:“Het geheele leven is een bewust streven naar eene algeheele ontwikkeling van het bestaande.“Het doel van mijn tweejarig dorpsleven is: 1. de studie van de rechtswetenschappen voor zoover noodig, voor het eindexamen van de universiteit; 2. de studie van de praktische en gedeeltelijk van de theoretische geneeskunde; 3. de studie der talen: Fransch, Russisch, Engelsch, Italiaansch, Duitsch en Latijn; 4. de studie der landhuishoudkunde, zoowel praktisch als theoretisch; 5. de studie der geschiedenis, aardrijkskunde en statistiek; 6. de studie der mathesis voor zoover die op het gymnasium verlangd wordt; 7. het schrijven van eene dissertatie; 8. trachten naar den hoogsten graad van volmaking in muziek en schilderkunst; 9. levensregels schrijven; 10. het verkrijgen van eenige bedrevenheid in de natuurwetenschappen; 11. geschriften samenstellen betreffende alles wat ik zal leeren.”De twee jaren, die Tolstoi dus in zijn dorpje doorbracht, waren gevuld met het najagen dezer idealen en een voortdurenden strijd met zich zelf om de volmaking te bereiken.Met eene onnavolgbare oprechtheid wijst hij zich zelf op iedere afwijking van deze levensregels, op iederen terugval, en van voren af aan begint dan weer de strijd. De verhouding tot de vrouw verontrustte hem toen reeds en hij geeft zich zelf den volgenden raad:“Beschouw de aanwezigheid der vrouw in de samenleving als een noodzakelijk kwaad en vermijd haar zoo mogelijk.“Immers, hoe komen wij aan den wellust, de weekelijkheid,de lichtzinnigheid en die vele andere gebreken, zoo niet door haar. Aan wie de schuld dat wij de aangeboren neigingen verliezen, zooals onze vastberadenheid, onze kracht, onze bedachtzaamheid, onze waarheidsliefde en andere deugden, zoo niet aan haar. De vrouw is gevoeliger voor indrukken dan de man en daarom was zij in de tijden toen de deugd nog bestond beter dan wij, maar nu, in onze verdorven eeuw, is zij slechter.”Ook hier zien wij in beginsel zijne latere begrippen.In dezen tijd deed Tolstoi de eerste schrede op ’t gebied der filosofie, beginnende met een kommentaar te geven bij hetDiscoursvan Rousseau.Verder bestaat nog van hemHet doel der Filosofie, geschreven in 1846–47, dus toen hij 18 jaar was.Deze filosofie zegt het volgende:“De mensch streeft, dus de mensch is werkzaam. Waarheen voert deze arbeid en hoe maken wij hem zelfstandig? Dit is het doel der filosofie in hare ware beteekenis, dus met andere woorden: filosofie is levenskunst”.Behalve deze bestaan er nog losse gedachten als:Bespiegelingen over het leven hiernamaals;Definitie van tijd, ruimte en getal;Methodes;Indeeling der filosofie, enz.De volgende gebeurtenis, verteld door Gravin Tolstoi, heeft ook betrekking op dezen tijd.“In zijn’ studententijd stelde Tolstoi zich eens de vraag: ‘Wat is eigenlijk symmetrie?’ en schreef daarover een filosofisch artikel. Dit lag toevallig op een stoel in zijne kamer toen een zekere Schoewaloff, een vriend der beide broers Tolstoi, met wijnflesschen in zijn zakken binnenkwam, om die gezamenlijk te ledigen. Toevallig zag hij het opstel en las het door. Het interesseerde hem en hij vroeg Tolstoi, waaruit hij het had overgeschreven. Schuchter antwoordde deze, dat het zijn eigen werk was. Schoewaloff begon telachen en zeide dat het niet waar was en niet waar kon zijn. Het ging veel te diep en was te veel doordacht voor iemand van zijn’ leeftijd. Hij ging weg zonder te willen gelooven dat Tolstoi de schrijver was.”Ook dit kleine voorval wijst ons op Tolstoi’s buitengewone ontwikkeling, die hem ver boven zijn’ kring verhief.Biechtvan Tolstoi leert ons hoe hij dacht over geloof en godsdienst.“Ik herinner mij,” zegt hij, “dat, toen bij mijn ouderen broer Dmitri plotseling de behoefte aan een godsdienstig leven ontwaakte en hij geregeld naar de kerk ging, de vasten hield, en een rein zedelijk leven ging leiden, zelfs de volwassenen hem daarom uitlachten, hem plaagden en hem Noach noemden. Ik weet nog dat Moesin Poeschkin, de toenmalige rector der universiteit, ons op een dansavondje verzocht en Dmitri, die bedankt had, lachend toevoegde dat David wel gedanst had voor de arke des verbonds. Ik begreep die scherts en maakte de gevolgtrekking, dat het noodig was zijn cathechismus te leeren, eveneens naar de kerk te gaan, maar tevens dat men die zaken niet al te ernstig behoefde op te nemen. Ik was nog heel jong toen ik Voltaire reeds las, en ik herinner mij nog dat diens bijtende spot mij niet alleen niet hinderde maar mij zelfs vermaakte.“Mijn afval van het geloof ging op dezelfde wijze in zijn werk als dat gebeurde, en ook thans nog gebeurt, bij alle menschen van onze ontwikkeling. Het gaat, dunkt mij, in de meeste gevallen zoo: de menschen leven, zooals allen leven, naar een vast grondbeginsel, dat niets gemeen heeft met hetgeen het geloof ons leert, maar zich in de meeste gevallen daar juist tegenover stelt. Deze leer van het geloof grijpt niet in in ons leven; in onze betrekkingen met andere menschen komt het niet voor dat wij met haar in botsingkomen en wat ons eigen leven aangaat, behoeven we in ’t geheel geen rekening met haar te houden. De geloofsleer slaat op iets, daar ergens ver van het werkelijke leven en los daarvan. Komen wij met haar in aanraking dan is dat oppervlakkig en beroert het niet ons innerlijk leven.“Men kon vroeger, evenmin als nu, uit het doen en laten der menschen opmaken of zij geloovig zijn of niet. Zoo er onderscheid bestaat tusschen hen die beweren rechtgeloovig te zijn en degenen, die dit ontkennen, dan pleit dat nog niet ten gunste van de eersten.“Want zoowel nu als vroeger ontmoet men onder degenen die zoo openlijk verklaren dat zij rechtgeloovig zijn, zeer vele stompzinnige, harde, met zich zelf ingenomen menschen, terwijl men verstand, eerlijkheid, goedhartigheid, waarheidsliefde en zedelijkheid grootendeels bij hen vindt, die zich zelf ongeloovigen noemen.“Op school wordt de cathechismus onderwezen en stuurt men de leerlingen naar de kerk; van den ambtenaar verlangt men een bewijs dat hij gecommuniceerd heeft. De mensch echter uit onzen kring, die niet meer studeert en niet in keizerlijken dienst is, kan thans, en vroeger was dit nog sterker, tien jaren en nog langer leven zonder dat hij er zich rekenschap van geeft dat hij in eene Christelijke maatschappij verkeert, en toch noemt hij zich een belijder van de Christelijke leer der rechtgeloovigen.“Het geloof, gegrond op uiterlijkheden en slechts op gezag door ons aangenomen, verdwijnt onder den invloed van de wetenschap en van het leven, die zich er tegenover stellen, en het gebeurt dat de mensch zich verbeeldt nog zeer geloovig te zijn, terwijl in hem geen spoor van dat geloof meer is achtergebleven, dat hem in zijn jeugd werd geleerd.“De godsdienst, mij in mijn jeugd onderwezen, verdween bij mij op dezelfde wijze als bij anderen, alleen met dit onderscheiddat ik reeds op mijn 15dejaar begon filosofische werken te lezen, zoodat mijn afval van het geloof reeds heel vroeg en bewust geschiedde. Op mijn 16dejaar ging ik uit eigen beweging niet meer naar de kerk, bad ik niet meer en hield ik mij niet aan de vasten.“Ik geloofde niet hetgeen men mij in mijn jeugd geleerd had, maar ik geloofde wel ergens in; waarin echter, dat had ik niet kunnen zeggen. Ik geloofde in God of liever ik verloochende Hem niet, maar welken God, dat had ik ook niet kunnen zeggen. Den Christus en zijne leer verloochende ik evenmin, maar waarin die leer bestond had ik ook niet kunnen verklaren.“Nu, dien tijd in mijn geheugen terugroepende, zie ik klaar, dat mijn geloof die kracht was die, behalve mijne dierlijke instincten, mijn leven heeft bestuurd.“Mijn eenig, mijn oprecht geloof in dien tijd was mijn vertrouwen in de volmaking. Maar waarin die bestond en welk doel zij had, ook dat had ik niet kunnen zeggen. Ik trachtte een vasten wil te verkrijgen, ik schreef mij levensregels voor, die ik wilde volgen; ook lichamelijk deed ik mijn best mij te volmaken door allerlei gymnastische oefeningen, en ik legde mij ontberingen op om te leeren dulden en lijden.“Dat alles noemde ik volmaking. Bovenaan stond natuurlijk de zedelijke volmaking, die weldra in eene algeheele overging. Ik wilde beter zijn, niet alleen voor mij zelf en voor God, maar ook voor ’t oog der menschen. En al heel spoedig ging dit streven over in den wensch om sterker, krachtiger te zijn dan anderen, d.w.z. beroemder, machtiger, rijker.”Dan volgt Tolstoi’s diep berouw, dat ons al zijne zonden aantoont, maar ons tevens wijst op de verdorvenheid in eigen ziel, die misschien niet zoo’n groote afmeting aannam, maar die ook niet zoo oprecht werd beleden.“Eens zal ik de treffende en leerzame geschiedenis van detien jaren van mijn jongelingschap vertellen. Ik denk dat velen, velen hetzelfde hebben ondervonden.“Met hart en ziel wenschte ik goed te zijn; maar ik was jong, hartstochtelijk, en ik stond alleen, geheel alleen, toen ik het goede zocht.“Telkens als ik trachtte te spreken over mijn’ zielewensch om moreel goed te zijn, ontmoette ik spot en verachting, maar nauwlijks gaf ik mij over aan lage hartstochten, of men prees mij en dreef mij verder in die richting.“Eerzucht, machtsbegeerte, baatzucht, wellust, trots, toorn en wraakzucht, alles werd geprezen.“Toen ik mij overgaf aan die hartstochten, voelde ik, dat ik werd als de volwassenen, dat men over mij tevreden was. Mijne goede tante, het reinste wezen dat er bestond, met wie ik toen samenwoonde, zeide dikwijls tegen mij, dat zij niets liever zou wenschen, dan dat ik eene liaison aanknoopte met eene getrouwde vrouw, ‘want,’ zeide zij, ‘rien ne forme un jeune homme comme une liaison avec une femme comme il faut’. Zij wenschte mij nog meer toe, n.l. dat ik adjudant zou worden en dan liefst van den Keizer; verder dat ik een rijke vrouw zou trouwen en, als gevolg van dat huwelijk, zooveel mogelijk lijfeigenen zou houden.“Ik kan niet zonder schrik, afschuw en hartzeer aan die jaren terugdenken. Ik doodde menschen in den oorlog, ik duelleerde om te dooden, ik verspeelde veel geld, ik verbruikte hetgeen de boeren zwoegend voortbrachten, terwijl ik hen zwaar liet straffen; ik bedroog en gaf mij over aan ontucht, leugen, diefstal, echtbreuk van allerlei aard, dronkenschap, gewelddadigheid, moord... er was geen ondeugd, waaraan ik mij niet overgaf, en daarvoor prees men mij en noemde mij, zooals men nu ook nog zou doen, een betrekkelijk zedelijk mensch.“Zoo leefde ik tien jaren.”11Gezicht in het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Gezicht in het park te Jasnaja Paljana.—Blz.57.In ’t begin van die stormachtige tienjarige periode woonde Tolstoi op het land.Hij trachtte in die jaren eene nieuwe richting in te slaan in de landhuishoudkunde, en dat wel in hoofdzaak, door de verhouding tot de lijfeigenen beter te regelen en hun lot te verlichten. Deze proef mislukte totaal, hetgeen wij vinden beschreven in zijn werkÉén morgen landheer, dat een sterk autobiografisch karakter draagt. Wij laten daaruit een’ brief volgen van vorst Njechljoedoff aan zijne tante:“Lieve Tante!“Ik heb een besluit genomen, dat over heel mijn verder leven zal beslissen. Ik heb de universiteit verlaten om mij aan het landleven te gaan wijden, daar ik voel daarvoor te zijn geboren. In ’s hemels naam, lieve tante, lach mij niet uit! Gij zult zeggen, dat ik nog zoo jong ben, en misschien hebt gij gelijk en ben ik nog een knaap, hetgeen evenwel niet verhindert, dat ik den drang in mij voel goed te willen doen en van het goede te houden. Zooals ik u reeds schreef vond ik alles in de grootste wanorde. Bij de regeling der zaken kwam ik tot de ontdekking, dat het grootste kwaad schuilt in den beklagenswaardigen, armzaligen toestand, waarin de boeren verkeeren, een toestand die slechts met de grootste moeite en het grootste geduld is te verbeteren. Zoo gij maar eens twee van mijne boeren kondt zien en het leven dat zij met hunne familie leiden, dan zou dat u een betere verklaring van mijn voornemen geven, dan alles wat ik u kan vertellen. Is het niet mijn dure en heilige plicht zóó voor deze zevenhonderd menschen te zorgen, dat ik mij eens voor God zal kunnen verantwoorden? Is het geen schande hen over te laten aan de willekeur van den ruwen starost12en zijne handlangers?“Waarom zou ik in eene andere sfeer de gelegenheid zoeken nuttig te zijn en goed te doen, terwijl een edele, hooge plicht mij roept? Ik ben mij bewust een goede landheer te kunnen worden, daar men, om dat te zijn, zooals ik dat opvat, geen candidaatsdiploma of ambt noodig heeft dat gij zoo wenschelijk voor mij vindt. Lieve tante, maak voor mij geen eerzuchtige plannen, berust bij de gedachte, dat ik mijn eigen, maar een goeden weg volg, die mij, dat voel ik, naar het geluk zal voeren. Ik heb veel nagedacht over mijne toekomstige plichten, mij zelf levensregels voorgeschreven en, zoo God mij leven en kracht schenkt, dan zal ik mijne voornemens ten uitvoer brengen.”13Al heeft Tolstoi in werkelijkheid dezen brief niet geschreven, dan zijn het toch dergelijke gedachten, die zijne jonge ziel bestormden en richting gaven aan zijn leven.Zooals wij weten, leden zijne plannen schipbreuk. En dat kon niet anders. Zijne oprechtheid kon het niet dulden, dat hij daar stond als de weldoener van zijne lijfeigenen, d.w.z. van deze tot aan het uiterste verwaarloosde lieden. Deze tegenstelling kon hij niet verdragen, en een hard en streng mensch worden (zooals zijne tante hem in den brief, waarmee zij hem antwoordde, ried) was hem ook onmogelijk, zoodat hij de eerste gelegenheid de beste aangreep om verandering in zijn leven te brengen.Tolstoi bracht den zomer door op Jasnaja Paljana. In den herfst ging hij naar Petersburg en deed daar in ’t begin van ’t jaar 1848 zijn candidaats-examen. “In ’48,” zoo vertelt hij in een opstel over opvoeding, “deed ik candidaats-examen aan de akademie te St.-Petersburg. Ik wist niets in den letterlijken zin van ’t woord en was eerst eenige weken van te voren met de voorbereiding begonnen. Ik sliep ’s nachts niet en werd candidaat in het crimineel en burgerlijk recht, na eene voorbereiding van hoogstens een paar weken.”14Löwenfeld laat Tolstoi het volgende van deze gebeurtenis vertellen:“Ik vond het heel prettig op het land met tante Tatjana. maar een onbestemde dorst naar wetenschap maakte zich weer van mij meester. Het was in 1848; ik was nog in ’t geheel niet besloten wat ik zou doen. In St.-Petersburg stonden twee wegen voor mij open, n.l. bij ’t leger gaan en den Hongaarschen veldtocht mee maken, of mijne studiën voltooien om naderhand ambtenaar te worden. De drang naar wetenschap was echter sterker dan mijne eerzucht en zoo nam ik de studie dan weer op. Ik deed zelfs twee examens, in de rechten, maar toen vervlogen al mijne voornemens weer. De lente kwam, en met haar de lokstem van het landleven, die mij naar ons landgoed terugriep.”15Tolstoi’s leven te St.-Petersburg kunnen wij het best beoordeelen uit de brieven aan zijn’ broer Sergius, waarvan wij hier de belangrijkste laten volgen.13 Februari 1848 schreef hij:“Ik schrijf je dezen brief uit St. Petersburg, waar ik van plan ben eeuwig te blijven. Ik ben voornemens hier mijn examen te doen en dan ambtenaar te worden; als ik niet slaag (en alles kan gebeuren), dan zal ik eene lagere betrekking aannemen. Ik ken heel veel ambtenaren tweede klasse, die niet slechter zijn dan gij, die tot de eerste behoort. Het leven te St.-Petersburg heeft een grooten en goeden invloed op mij; ik raak hier gewend aan den arbeid en zonder dat ik het zelf heb gewild, is mijne dagverdeeling veranderd. Men kan hier niet niets doen, iedereen heeft zijne bezigheden. Allen werken, men vindt hier niemand die een leven van ledigheid leidt, en alleen kunt ge dat ook niet.“Ik weet wel, dat je het toch niet gelooft, dat ik veranderdben, en dat je zegt: ‘dat is nu al wel de twintigste maal, dat jij van plan verandert, van jou komt nooit wat terecht, jij bent een praatjesmaker’; maar neen, ik ben nu heel anders veranderd dan vroeger. Toen zei ik: ‘kom, laat ik eens veranderen’. Maar nu zie ik, dat ik veranderd ben en ik zeg: ‘ikbenveranderd’.“’t Voornaamste is, dat ik nu ten volle overtuigd ben, dat theorie en filosofie niets zijn voor het leven; men moet positief leven, d.w.z. een praktisch mensch zijn. Het is eene groote stap, en eene verandering zooals er bij mij nog niet heeft plaats gegrepen.“Wanneer men jong is en wil leven, dan is St.-Petersburg de eenige plaats. Hoeveel richtingen kan men niet uit, en iedereen kan hier bevredigd worden; alles kan zich hier ontwikkelen en gemakkelijk, zonder eenige moeite. Wat het leven aangaat, dat is voor een ongetrouwd man niet duur; zelfs goedkooper dan in Moskou, behalve de woning. Groet al de onzen van mij en zeg hun, dat ik misschien, misschien ook niet, van den zomer bij hen kom; ik ben van plan dan vrij te nemen en de omstreken van Petersburg eens te gaan bekijken, en ook Helsingfors en Reval.“Schrijf mij toch eens, in ’s hemelsnaam; ik zou graag willen weten, hoe gij en de anderen dit nieuws opnemen, en vraag hun mij ook eens te schrijven. Ik durf het zelf niet te doen, omdat ik zoo lang niets van mij heb laten hooren en ik nu vrees, dat ze boos op mij zijn. Ik voel me vooral bezwaard tegenover tante Tatjana; vraag haar voor mij om vergiffenis.”Maar och, deze heilige voornemens zouden niet verwezenlijkt worden. Het moet Tolstoi vreemd hebben aangedaan neer te schrijven dat zijn broeder hem een praatjesmaker noemde, hetgeen hij bovendien zelf moest toegeven, zooals blijkt uit den brief van 1 Mei 1848 aan zijn’ broeder:“Sergius, het is mij alsof ik je hoor zeggen, dat ik een praatjesmaker ben, en dan spreek je de waarheid. Ziehier wat ik tot stand heb gebracht. Ik reisde zonder eenige aanleiding naar Petersburg en deed daar niets anders dan leven, geld uitgeven en schulden maken. Dom! Onbeschrijflijk dom! Je kunt niet begrijpen hoe het mij kwelt. Vooral deschulden, die ik moet betalen enliefst zoo spoedig mogelijk, want doe ik het niet, dan verlies ik met het geld ook nog mijne goede reputatie. Tegen den eersten betaaldag heb ik 3500 roebel noodig: 1200 voor den voogdijraad, 1600 om mijne schulden te betalen en 700 voor levensonderhoud. Ik vrees, dat gij ach en wee zult roepen, maar wat moet ik doen? Iedereen kan een domheid begaan. Nu moet ik voor mijne vrijheid en mijne filosofie boeten. Wees barmhartig en help mij uit mijne valsche en ellendige positie; ik zit zonder een kopjéke en vol schulden.“Je weet waarschijnlijk, dat ons heele leger op marsch gaat en dat een gedeelte (twee corpsen) al over de grenzen is, men zegt reedsinWeenen.“Eerst wilde ik mijn examen doen; ik heb er reeds twee afgelegd; maar nu ben ik van plan veranderd en ik zal als Junker16dienst nemen bij de garde-cavallerie. Het valt mij moeilijk je dit alles te schrijven, omdat ik weet, dat je van mij houdt en mijne domheid en mijne onstandvastigheid je verdriet doen. Onder ’t schrijven van dezen brief stond ik eenige malen op en werd rood van schaamte. Jij zult het zelfde doen onder ’t lezen, maar wat is er aan te doen! Het gebeurde kan men niet ongedaan maken en de toekomst zal van mij afhangen. God geve dat ik nog eens een ordentelijk mensch zal worden; ik zal er mijn best voor doen; het meest verwacht ik van den dienst, hij zal me aan een praktisch leven gewennen en ik moet, of ik wil ofniet, dienen tot ik officier ben. Als het geluk wil dat het garde-regiment mee optrekt, dan kan de bevordering sneller gaan, en behoeft het geen twee jaren te duren. Het vertrek zal dan zijn einde Mei. Op ’t oogenblik kan ik niets doen, ten eerste omdat ik geen geld heb, dat ik op ’t oogenblik best kan gebruiken (zelfs veel), en ten tweede ontbreken mij eenige papieren, die te Jasnaja zijn; geef even order, ze mij te sturen en liefst zoo spoedig mogelijk. Wees niet boos op mij, bid ik je,—ik voel zelf maar al te goed, hoe weinig ik waard ben,—en doe zoo spoedig mogelijk wat ik je gevraagd heb.“Vaarwel. Laat tante dezen brief niet lezen, ik wil haar geen verdriet doen.”Ook deze plannen werden spoedig weer opgegeven. In een van de volgende brieven aan zijn’ broer schrijft Tolstoi:“In mijn laatsten brief schreef ik je veel domheden, waarvan wel de voornaamste is, dat ik van plan was dienst te nemen bij het garde-regiment. Ik heb dat plan laten varen, behalve voor het geval ik niet voor mijn examen mocht slagen, of de oorlog ernstig wordt.”Waarschijnlijk vond hij den oorlog niet ernstig genoeg, want onder dienst ging hij niet.Met het voorjaar keerde hij weer naar Jasnaja Paljana terug, vergezeld van een zekeren Rudolf, een aan den drank verslaafden, talentvollen Duitschen musicus, met wien hij bij zijn vrienden Pjerfiljeff kennis had gemaakt. Hartstochtelijk wierp hij zich nu op de muziek.Tot aan zijn vertrek naar den Kaukasus in 1851 verdeelde Tolstoi zijn tijd tusschen Moskou en Jasnaja Paljana.Dit is het tijdperk van ascetisme, gevolgd door eene avontuurlijke periode van jacht, spel en uitgaan.In deze drie jaren heeft hij alles doorgemaakt wat een krachtige, begaafde, hartstochtelijke jonge man doorleven kan.Tolstoi hield in deze jaren zijn dagboek niet bij. Hij hader geen tijd voor. In de laatste helft van 1850 komt hij weer tot inkeer, en vol berouw en zelfverwijt neemt hij zich voor zijne herinneringen neer te schrijven van deze drie doelloos doorgebrachte jaren van zijn leven. Daar hij den lust in zich voelde opkomen om een geregeld leven te gaan leiden, schreef hij zichzelf eene dagverdeeling voor: zijn landgoed besturen, baden, dagboek, muziek, eten, uitrusten, lezen, baden, landgoed besturen.Het spreekt van zelf dat deze regels ook weer niet werden nageleefd en uit zijn dagboek blijkt, dat hij niet over zich zelf tevreden was.Deze strijd om zich zelf te overwinnen duurde maanden lang; herhaaldelijk maakten de booze hartstochten zich weder meester van hem.Zooals de verdrinkende naar een’ stroohalm grijpt, zoo zocht hij steun bij verschillende gevoelens, die hem van den ondergang konden redden. Daar is b.v. zijne eigenliefde. “De menschen, die volgens mijne meening moreel lager staan dan ik, doen slechte dingen nog beter dan ik,” schreef hij eens in zijn dagboek. Hierdoor begonnen die slechte dingen hem tegen te staan en hij deed ze niet meer.Ook het rustige landleven hielp hem dikwijls zijne hartstochten te overwinnen.’t Is opmerkelijk, dat de edele trekken van Tolstoi’s karakter zelfs uitkwamen bij zulke lage dingen als b.v. het kaartspel. Dit was waarschijnlijk één van zijn heftigste hartstochten, doch hij hield zich stipt aan den regel: “alleen met rijke menschen te spelen”, opdat het verlies den speler geene materieele schade zou doen lijden.Tolstoi verloor dikwijls de heerschappij over zich zelf, wat hem tot vertwijfeling bracht, maar telkens vatte hij weer moed en zoo lezen wij in zijn dagboek:“Ik leef, misschien met eene kleine uitzondering, geheel als het vee. Bijna al mijn bezigheden heb ik laten varen en mijn geestelijk peil daalt.”Hij heeft er zelfs over gedacht, omdat hij in geldverlegenheid zat, zich met eene handelsonderneming, n.l. met een poststation te Toela, in te laten. Tot zijn geluk is er niets van gekomen, hetgeen hem veel onaangenaams heeft bespaard, wat onvermijdelijk zou geweest zijn bij zijne ongeschiktheid voor die bezigheid. Eens schreef hij, onder den indruk van zijn mislukt leven, in zijn dagboek:“De oorzaken van mijne mislukking zijn: 1 besluiteloosheid, d.w.z. gebrek aan energie, 2 zelfbedrog, 3 overijling, 4 valsche schaamte, 5 slechte neigingen, 6 verwardheid, 7 zucht tot navolging, 8 onstandvastigheid, 9 onnadenkendheid.”Den winter van ’50/51 bracht Tolstoi grootendeels te Moskou door, van waar hij zijne tante Tatjana dikwijls schreef over de bijzonderheden van zijn leven, de inrichting van zijne kamer, in één woord, over de uiterlijkheden van zijn bestaan.“Mijne woning bestaat uit vier kamers: eene eetkamer, waar reeds een piano staat die ik heb gehuurd; een salon, gemeubileerd met een paar divans, notenhouten tafel en stoelen, met rood laken bekleed, en verder vier groote spiegels; een werkkamer, waar mijn schrijfbureau staat, een divan (die mij de dagen in ’t geheugen roept, toen wij over dit meubelstuk disputeerden); eene slaapkamer, groot genoeg om tevens voor kleedkamer te dienen, en dan nog een kleine anti-chambre.“Ik dineer thuis met ‘kool en brij,’17waarmee ik uitstekend tevreden ben. Wanneer ik nu nog onze confituren en naliwka18had, dan zou ik mij kunnen verbeelden thuis te zijn.“Ik heb eene slede gekocht voor 40 roebel, een zoogenaamdenkonschewni, die op ’t oogenblik zeer en vogue is; Sergius zal wel weten wat het is. Met het tuig, dat ik ook gekocht heb, ziet alles er zeer elegant uit.”19Uit den volgenden brief blijkt, dat zijne tante zeer bezorgd is over zijne vrienden en tracht hem van slecht gezelschap verwijderd te houden.“Waarom zijt ge toch zoo bevooroordeeld tegenover Isljenjeff? Is het om mij tegen hem in te nemen? Dat is overbodig, want hij is niet in Moskou.“Al het slechte, dat gij van het spel zegt, is volkomen waar. Ik denk er dikwijls aan en ik geloof dat ik het zal nalaten. Ik zeg ‘ik geloof,’ maar hoop spoedig zeker te kunnen zeggen dat ik het niet meer doe.“Uw oordeel over de samenleving is zeer juist, evenals alles wat gij in uwe brieven zegt; primo, omdat gij schrijft als Mme de Sévigné, secundo, omdat ik, zooals altijd, niet kan disputeeren. Gij zegt ook veel goeds van mij. Ik ben overtuigd, dat die loftuitingen evenveel goed als kwaad doen. Goed, omdat ik mijn best zal doen die goede hoedanigheden te behouden, die gij in mij prijst, en kwaad omdat het mijne eigenliefde bevordert. Ik ben echter zeker, dat uw lof mij slechts beter zal maken—natuurlijk voor zoover ik hem verdien—omdat hij in de pen wordt gegeven door eene oprechte vriendschap. Gedurende mijn verblijf in Moskou meen ik dien reeds te hebben verdiend; ik ben over mijzelf tevreden.”Tolstoi keerde terug naar Jasnaja Paljana, om daarna in 1851 weer naar Moskou te reizen. In zijn dagboek schrijft hij, dat het doel van die reis drieledig was: het spel, een huwelijk en een sollicitatie naar eene betrekking. Alles mislukte. Hij speelde niet, omdat hij er een’ tegenzin in kreeg.Van het huwelijk kwam niets, omdat de drie factoren, die hij daarvoor noodig achtte, liefde, praktisch overleg of toeval, ontbraken. De betrekking kreeg hij niet omdat hij niet in ’t bezit was van eenige noodige papieren.Tijdens dit oponthoud in Moskou schreef hij zijne tante den volgenden brief:“De auteur van een boek, dat ik onlangs las, beweert daarin, dat de nadering van de lente van invloed is op het moreel der menschen. Tegelijk met de natuur is het ons of wij opnieuw geboren worden. Men betreurt het verleden, den slecht gebruikten tijd, men heeft berouw over zijne zwakheid en de toekomst doemt helder op. Men wordt beter, moreel beter. Wat mij betreft is dat volkomen waar. Sedert ik een onafhankelijk bestaan begon te leiden, vond de lente mij altijd in de beste conditie. Zoo bleef ik dan langer of korter tijd; dan kwam de winter, die altijd een steen des aanstoots voor mij is geweest. Wanneer ik de verschillende winters herdenk, dan is de laatste zeker wel de aangenaamste en de verstandigste, dien ik beleefd heb. Ik heb me geamuseerd, kwam in gezelschap, heb aardige herinneringen behouden en met dat al mijne financiën niet in wanorde, weliswaar ook niet in orde gebracht.”De volgende brief, naar aanleiding van de terugkomst van zijn’ broer Nikolaas uit den Kaukasus, luidt:“De aankomst van Nikolaas was eene aangename verrassing voor mij, omdat ik reeds bijna de hoop had opgegeven hem nog bij mij te zien. Ik was zoo blij hem te zien, dat ik mijne plichten, of liever gezegd, mijne gewoonten er bijna om had verwaarloosd.“Nu ben ik weer alleen, en alleen in den waren zin van ’t woord; ik ga nergens heen en ontvang niemand. Ik maak plannen voor de lente en den zomer; keurt gij ze goed? Einde Mei kom ik naar Jasnaja, blijf daar een maand of wat,zal mijn best doen Nikolaas daar zoo lang mogelijk vast te houden, en dan eene reis met hem maken door den Kaukasus.”20Plotseling, te midden van zijne stormachtige wereldsche genietingen, als spel, wellust, enz., kwam het tijdperk van boete en godsdienstzin. IJverig vervulde hij zijne kerkelijke plichten, hield de vasten en maakte zelfs preeken, die natuurlijk ongelezen bleven. In dezen tijd begon de kunstenaar-auteur zich te openbaren.Reeds in 1850 dacht hij er over een werk over zijn “vie de Bohême” te schrijven. Eene andere gedachte was bij hem wakker geroepen door het lezen van Sterne’sSentimental Journey, n.l. iets dergelijks te schrijven.Eens zat hij voor het venster en keek naar alles wat op straat voorbij ging: “daar loopt een wachter, wat zou hij voor iemand zijn, en wat voor een leven zou hij leiden? Daar gaat een wagen, wie zou er in zitten, waar zou hij heenrijden, waar denkt hij aan? Wie zouden er in dat huis wonen en hoe zou hun innerlijk leven zijn?...“Wat zou het interessant zijn, dit alles neer te schrijven en welk een belangwekkend boek zou het niet worden!”Tolstoi’s plotselinge afreis naar den Kaukasus maakte wederom een einde aan deze aan afwisseling rijke, gevaarlijke periode van zijn leven.1Noot van L. Tolstoi. Ingelascht bij de lezing van dit handschrift.2Idem.34Noot van Tolstoi, ingelascht bij de lezing van dit handschrift.5Uit de volledige verzameling van de werken van Tolstoi, dl. IV.6Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.7R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.8Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.9Een driespan.10Volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. I.11Biecht(door Biroekoff fragmentarisch overgenomen).12De machtigste in het dorp.13Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.14Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. IV.15R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.16Ongeveer cadet.17Woorden uit het Russische soldatenliedje: “Kool en brij is ons voedsel.”18Eene soort limonade.19In het handschrift is deze brief in ’t Fransch aangehaald.20In het handschrift in ’t Fransch.
Zesde hoofdstuk.Jongelingsjaren.Vijf jaren woonde de familie Tolstoi te Kazan. Iederen zomer trokken zij, vergezeld van Pelageja Ilinitschna, naar Jasnaja Paljana, om iederen herfst weer naar Kazan terug te keeren.Tolstoi bracht de grootste helft van zijne jongelingsjaren door bij de familie Joeschkoff.Zijne oudere broers kwamen in 1841 te Kazan. De oudste, Nikolaas, ging over van de Moskousche naar de Kazansche universiteit, volgde daar den tweeden cursus van de tweede afdeeling der filosofische faculteit en besloot zijne academische loopbaan in 1884. De beide andere broers volgden den cursus van wat men tegenwoordig de mathematische faculteit noemt. Deze kwamen aan in 1843 en eindigden hunne studie in 1847.Leo Tolstoi koos de Oostersche talen, in de meening dat hij later in de diplomatie zou gaan. De voorbereiding voor deze studie duurde van 1842–’44 en was niet gemakkelijk, daar voor het toelatingsexamen reeds de Arabische en Turksch-Tartaarsche talen werden geëischt, die in dien tijd aan het eerste gymnasium werden onderwezen.Deze moeilijkheden werden door Tolstoi glansrijk overwonnen.In het archief te Kazan worden alle stukken, die betrekking hebben op Tolstoi’s komst, verblijf en vertrek aan en van de universiteit, bewaard.Deze documenten komen voor inGraaf L. N. Tolstoi en zijn studietijdvan N. P. Zagoskin. Een van de belangrijkste is een verzoekschrift, door Tolstoi zelf geschreven, waarin hij toelating vraagt tot de universiteit. Als gevolg daarvan mocht hij het toelatingsexamen doen, dat niet gunstig voor hem afliep, zooals blijkt uit het onderstaand getuigschrift, dat hij na afloop ontving:Godsdienst4Algemeene en Russische geschiedenis1(“Hier wist ik niets van”)1.Statistiek en Aardrijkskunde1(“Nog minder. Ik herinner mij nog, dat mij iets gevraagd werd van Frankrijk. De voorzitter, Poeschkin, die veel bij ons aan huis kwam, wilde mij blijkbaar helpen: ‘Nu, zeg eens, welke zeesteden heeft Frankrijk?’ Ik kon er niet één noemen”2).Meetkunde4Russische spraakkunst4Logica4Latijnsche taal2Fransche taal5Duitsche taal5Arabisch5Turksch-Tartaarsch5Engelsche taal4In zake de opname als student, vinden wij, dat graaf Leo Tolstoi is geëxamineerd voor de afdeeling Oostersche talen, maar niet is toegelaten. Aan dit document was toegevoegd: “Papieren teruggeven”.Dit gebeurde in het voorjaar van 1844. Tolstoi nam zich voor in den herfst een herexamen aan te vragen in de vakken die onvoldoende waren gebleken.Zoo richtte hij dan in ’t begin van Augustus het volgende verzoekschrift aan den rector der universiteit:Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Universiteit te Kazan, benoemd professor, werkelijke stadsraad Nikolaas Iwanowitsch Lobatschewski van Leo Nikolajewitsch graaf Tolstoi.Verzoekschrift.In de maand Mei van dit jaar onderwierp ik mij, met nog andere leerlingen van het eerste en tweede gymnasium, aan het examen voor toelating tot de Universiteit te Kazan in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.Daar het bij dit onderzoek bleek, dat mijne kennis van de geschiedenis en statistiek niet voldoende was, zoo vraag ik Uwe Excellentie eerbiedig heden opnieuw te worden toegelaten tot het examen in die vakken. Hierbij heb ik de eer de volgende stukken te voegen: 1eGeboorteakte, gegeven door het Consistorium te Toela; 2eCopieën van bevestiging van de adellijke afgevaardigden-vergadering, 3 Augustus 1844. Hetwelk onderteekent de bovengenoemdeGraaf Leo N. Tolstoi.In margine, onder dagteekening van 4 Augustus 1844: Toegelaten tot het aanvullingsexamen. De rector Lobatschewski.Hoe en wanneer Tolstoi examen deed is niet bekend, maar het is zeker dat het ditmaal beter ging, want wij lezen aan den voet van het verzoekschrift:Tolstoi toelaten tot de universiteit, als student voor eigen kosten, in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.Zoo kwam Leo Tolstoi dus aan de universiteit. Zijnvrijen tijd bracht hij door ten huize van zijne tante Joeschkoff en in den kring van hare bekenden. Welken invloed deze omgeving op hem had zullen we nader aantoonen.In Zagoskins werkLeo Tolstoi en zijn studietijdwordt gezegd, dat de kring waarin Tolstoi verkeerde eene verderfelijke was, die hem ongetwijfeld instinctief moest afstooten. Eene opmerking van Tolstoi zelf, bij de lezing van dit handschrift, leert ons het tegendeel:“Ik voelde in ’t geheel geen afkeer,” zegt hij, “en hield veel van het vroolijke Kazan, waar toen een uitgelezen kring bijeen was.”3Verder drukt Zagoski nog zijne bewondering uit, dat Tolstoi de kracht bezat weerstand te bieden aan deze verleidingen. Hierbij merkt hij het volgende op:“Integendeel, ik ben heel blij dat ik het begin mijner jongelingsjaren heb doorgebracht in een kring, waar ik jong kon zijn met de jeugdigen, mij niet bekommerende om de groote levensvragen, genietende van mijn niets-doend, weelderig maar niet slecht bestaan.”4Zagoskin geeft deze beschrijving van het eerste studiejaar:“De winter van het jaar 1844–’45, toen Tolstoi in zijne kwaliteit van ‘jongmensch’ zijne intrede in de wereld deed, kenmerkte zich door een opgewekt gezelschapsleven. Bals, zoowel bij den gouverneur en bij de eersten der stad, als in het Rodionowskische vrouwen-instituut (die met groote liefde door E. D. Zagoskin werden voorbereid), dansavondjes, maskerades in de adellijke club, tooneeluitvoeringen, levende beelden, concerten enz., eindeloos in aantal, wisselden elkaar af. Als zoon van goede familie, een’ titel voerend, met uitstekende plaatselijke connecties, kleinzoon van den gewezen gouverneur en een eventueel echtgenoot in de naastetoekomst, was Leo Tolstoi overal een zeer gewenschte gast.”Ouden van dagen kunnen zich zijner nog herinneren op alle bals, op alle avondjes, bij ieder vroolijk gezelschap, overal dansend, maar geen dames-dienaar zooals velen van de hem omringende studenten-aristokratie. Altijd kon men bij hem nog eene zekere schuchterheid en stijfheid van manieren waarnemen. Hij dwong zich klaarblijkelijk tot de rol, die hij nu eenmaal moest spelen, en waartoe de omstandigheden van zijn leven te Kazan hem nolens-volens brachten.Natuurlijk had dat vele uitgaan een zeer slechten invloed op zijne studie, zooals blijkt uit een aan Zagoskin ontleend getuigschrift van zijn eerste halfjaarlijksch examen, waar hij niet doorkwam:Vorderingen.Vlijt.Bijbelsche historie32Algemeene literatuurgeschiedenisNiet verschenen.Arabische taal22Fransche taal53Dit niet-slagen bracht geen verandering in Tolstoi’s vroolijk leventje. Hij nam deel aan de feesten die in de vastendagen werden gegeven, en met zijn’ broeder Sergius aan twee liefhebberij-comedies voor een liefdadig doel.Het resultaat van dat alles was, dat Tolstoi niet slaagde voor zijn overgangs-examen, en nog een jaar aan denzelfden cursus zou moeten deelnemen. Over dit toch niet ongelukkige examen spreekt Tolstoi op de volgende wijze:“Het eerste jaar werd ik afgewezen voor de bevordering naar het tweede jaar door den professor in de Russische geschiedenis Iwanoff, die onaangenaamheden met mijne familie had gehad, hoewel ik niet één college had gemist en de Russische geschiedenis kende; bovendien kreeg ik 1 voor hetDuitsch, hoewel ik meer van die taal wist dan een van de studenten van onzen cursus.”5Tolstoi wilde evenwel niet twee jaar denzelfden cursus volgen en diende een verzoekschrift in om in de rechten over te mogen gaan, hetgeen hem werd toegestaan.Het winterseizoen van 1845 begon weer met de tweedaagsche feesten ter eere van het verblijf van hertog Maximiliaan Leichtenberg te Kazan, wien een schitterende ontvangst werd bereid.“Ondanks dit vele uitgaan,” vertelt Tolstoi, “begon ik mij ernstig op de studie toe te leggen en dat verschafte mij waarlijk reeds eenig genoegen. Behalve voor rechtsencyclopaedie en het strafrecht (ik volgde met zeer veel belangstelling een college van den Duitschen professor Vogel over de doodstraf), interesseerde ik mij zeer voor het burgerlijk recht. Ook trok een arbeid, dien professor Meer mij had opgedragen,n.l.: het vergelijken van Montesquieu’sEsprit des loismet deInstructies voor een nieuwen code, van Catharina, mij bijzonder aan”6.In Mei 1846 slaagde Tolstoi bij het overgangs-examen. Hij kreeg een 5 voor logica en psychologie; drie 4-en voor rechtsencyclopaedie, voor het Romeinsche recht en voor het Latijn; vier 3-en voor algemeene en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsche taal en drie 5-en voor gedrag. ’t Gemiddelde cijfer bedroeg 3, en Tolstoi ging dus over van den eersten naar den tweeden cursus.In dat jaar gebeurde het, dat Tolstoi straf kreeg en in den carcer werd gezet. Deze episode wordt door zijn’ vriend Nazarjeff beschreven, hoewel niet geheel naar waarheid. De gesprekken evenwel zijn geheel juist weergegeven. Wij zullen de aanteekeningen gebruiken, die Tolstoi daarbij heeft gemaakt,waardoor natuurlijk alles in het ware licht komt te staan.Leo Tolstoi werd met een vriend opgesloten, niet in het auditorium, zooals Nazarjeff schrijft, maar werkelijk in den carcer met getraliede ramen. Hij had een’ kandelaar en kaarsen in zijne laarzen verborgen en zij brachten er één of twee aardige dagen door.Wat betreft den koetsier, het paard, den knecht enz., dat is alles in de verbeelding van Nazarjeff ontstaan. Het gesprek evenwel, door hem beschreven, is geheel waar. Wij laten het hier volgen.“Ik herinner me,” zoo begint Nazarjeff, “dat ikDemonvan Lermontoff las. Tolstoi zag een geschiedenisboek van Karamzin naast mij liggen en begon naar aanleiding daarvan op de geschiedenis af te geven als het vervelendste en minst nuttige vak dat er bestond.“‘Historie,’ zei hij, en zijne woorden kwamen kort en scherp over zijne lippen, ‘historie is niet anders dan eene verzameling van sprookjes, waar cijfers en eigennamen kunstig zijn doorheen gewerkt. De dood van Igor, de slang die Oleg heeft gebeten, wat zijn het anders dan sprookjes? En voor wie is het noodig te weten dat het tweede huwelijk van Johan op 21 Augustus 1562 werd voltrokken, en het vierde, met Anna Alexejewna, in 1517. Van mij echter wordt verlangd dat ik die dingen weet, en blijf ik in gebreke dan krijg ik een 1. En hoe wordt de historie geschreven! Alles wordt in een bepaalden vorm gegoten, door den historicus uitgedacht. De “verschrikkelijke” Tsaar, waarover professor Iwanoff juist college houdt, wordt na 1560 plotseling van een deugdzamen, wijzen man, een ontoerekenbare, woedende tyran. Hoe en waarom, daar moet men niet naar vragen....’ Op deze wijze liet mijn vriend zich uit. Het was mij of ik een stortbad had gekregen, te meer daar geschiedenis mijn liefste vak is. Daarna gafTolstoi zijne meening over de universiteit en de academische studie te kennen. ‘Tempel der wijsheid!’ klonk het telkens smalend van zijne lippen, en daarbij beschreef hij onze professoren op zulk eene wijze, dat ik, hoeveel moeite ik ook deed om mij in te houden, het uit moest schateren van het lachen. ‘Wij verwachten,’ vervolgde Tolstoi, ‘dezen tempel als nuttige, bruikbare menschen te zullen verlaten. En wat nemen wij mee van de universiteit? Denk daar eens over na en antwoord me dan oprecht. Wat nemen we mee, als we ieder onzen eigen weg gaan en naar ons dorp terugkeeren? Waarvoor kunnen wij gebruikt worden en wie heeft eenig nut van ons?’“Onder zulke gesprekken verliep de nacht. Tegen het aanbreken van den morgen ging de deur open en verscheen de bewaarder, die ons verklaarde, dat wij vrij waren en naar huis konden gaan.“Tolstoi drukte zijne muts diep in de oogen, wikkelde zich in zijn studentenjas, knikte bij wijze van groet even met zijn hoofd, schimpte nog eens op den tempel en verdween, vergezeld door zijn’ bediende en den bewaarder. Ik haastte mij ook naar buiten, waar ik nu, zonder mijn’ celgenoot, met volle teugen de frissche morgenlucht inademde.“Mijn hoofd was vol gedachten, die voor mij nog geheel onbegrijpelijk waren, en vol van twijfelingen die ik nooit gevoeld had, maar die bij mij waren opgewekt door mijn’ vriend uit de gevangenis.”De drie broers Tolstoi, die tot nu toe bij hunne tante Pelageja hadden gewoond, gingen in 1847 verhuizen, en betrokken kamers in eene woning die tegenwoordig voor armenhuis dienst doet. Zij hadden vijf kamers op de bovenste verdieping.In Januari 1847 nam Tolstoi nog eens deel aan het halfjaarlijksch examen, maar trok zich voor een gedeelte terug. Blijkbaar beschouwde hij het als eene onnoodige formaliteit en liep hijreeds met het plan rond om de universiteit te verlaten. Spoedig na de Paaschvacantie zond hij met dat doel een verzoekschrift in, dat wij in zijn geheel van Zagoskin hebben overgenomen en hier laten volgen.Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Kazansche Universiteit, den werkelijken stadsraad Iwan Michaïlowitsch Simonoff.Van den voor eigen rekening levenden student van den 2dencursus der rechtsgeleerde faculteit, graaf Leo Nikolajewitsch Tolstoi.Verzoekschrift.Wegens geschokte gezondheid en huiselijke omstandigheden niet langer wenschende den cursus aan de universiteit bij te wonen, verzoek ik Uwe Excellentie eerbiedig mij af te schrijven als student en mij mijne papieren mede te doen toekomen. Hetwelk onderteekent de bovengenoemde12 April 1847.Graaf Leo Tolstoi.Ingevolge dit verzoekschrift gaf het bestuur het antwoord: “Tolstoi ontslaan van de universiteit en hem een getuigschrift uitreiken.”In het archief van de universiteit bevindt zich nog een duplicaat van dit getuigschrift, dat voor ons van eenig belang is om de eigenaardige wijze waarop datgene wat men niet wilde zeggen is omschreven. Hier volgt de inhoud.“Brenger dezes, graaf Leo Nikolajewitsch, zoon van Tolstoi, na het eerste elementaire onderricht genoten en na het geheele gymnasium afgeloopen te hebben, werd ingeschreven als student aan de Universiteit te Kazan voor den cursus van de Arabisch-Turksche talen. Welke vorderingen hij gemaakt heeft is niet bekend, daar hij niet verscheen opde jaarlijksche examens, reden waarom hij denzelfden cursus nog een jaar moest volgen. Met toestemming van het college ging hij over naar de juridische faculteit, waar hij groote vorderingen maakte: logica en psychologie—zeer goed;—rechtsencyclopaedie, de geschiedenis van het Romeinsche recht en Latijn—goed; algemeene en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsch—voldoende; hij ging over naar den tweeden cursus, doch de vorderingen kunnen niet geconstateerd worden, daar de examens nog niet zijn afgenomen. Het gedrag van Tolstoi was gedurende zijn verblijf aan de universiteit uitstekend. Ingevolge zijn verzoekschrift is hem om gezondheidsredenen verlof gegeven de akademie te verlaten; reden waarom de bovengenoemde graaf Tolstoi, zijne studie niet hebbende voleindigd, geen gebruik mag maken van de rechten van een werkelijken student; volgens artikel 590 van het Wetboek zal dit getuigschrift bij aanvaarding van een burgerlijk ambt de vergelijking moeten doorstaan met de papieren van personen die middelbaar onderwijs genoten hebben, en kan hij in aanmerking komen voor civiel-ambtenaar 2eklasse. Dit getuigschrift, voorzien van de vereischte handteekeningen en stempel der Kazansche Universiteit, gegeven aan graaf Leo Tolstoi.“Gedaan op allerhoogst bevel. Op ongezegeld papier.”“Tolstoi,” zoo vertelt Zagoskin, “haastte zich uit Kazan weg te komen en wachtte niet eens het examen van zijne broers Sergius en Dmitri af. Hij reisde over Moskou naar Jasnaja Paljana. Den dag van zijn vertrek verzamelde een kleine kring studenten zich ten huize van de Tolstoi’s. Een van dezen, die tot nu toe nog te Kazan woonde, vertelde mij dat zij zijn afscheid feestelijk vierden en hem een eindweegs vergezelden, n.l. tot over het riviertje Kazanka, waar zij hem den laatsten groet brachten.”Tolstoi liet aan de Kazansche universiteit nog een klein spoor na. Vorst Dmitri Dm. Obolenski deelde mij onlangs mede, dat op de bank waar Tolstoi gewoonlijk zat, de naam “graaf L. N. Tolstoi” gevonden was, die er waarschijnlijk door hem zelf met een mesje of met den nagel was ingekrast.De Duitscher R. Löwenfeld, die eene biographie van Tolstoi heeft geschreven, vroeg hem eens, toen hij op Jasnaja Paljana vertoefde, hoe het mogelijk was, dat hij, bij zijn grooten dorst naar wetenschap, toch de universiteit had verlaten.“Juist in mijn’ dorst naar wetenschap ligt waarschijnlijk de oorzaak,” antwoordde Tolstoi. “Wat de professoren ons leeraarden boezemde mij weinig belang in. In den aanvang studeerde ik in de Oostersche talen, maar maakte weinig vorderingen. Ik studeerde ijverig en las een oneindig aantal boeken, maar alle in één richting. Wanneer een vraagstuk mij belang inboezemt, dan bekijk ik het niet van links of van rechts, maar van alle kanten en tracht het geheel te overzien, om er een klaar begrip van te krijgen. Zoo was ik ook reeds te Kazan.”7“Er bestonden twee redenen waarom ik de universiteit verliet: Ten eerste dat mijn broers hadden afgestudeerd en weggingen, en ten tweede, hoe vreemd het ook moge klinken, mijne studie over deInstructiesenl’ Esprit des Lois, die mij een nieuw veld voor zelfstandigen gedachtenarbeid opende en waarbij de universiteit met hare vele eischen mij hinderde.”8De herinneringen van Tolstoi aan zijn’ broeder Dmitri zijn verbonden met eenige belangrijke bijzonderheden van het leven te Kazan.“Mitjenka (Dmitri) is een jaar ouder dan ik. Hij heeft groote, strenge, zwarte oogen. Als knaap kan ik hem mij bijna niet herinneren. Ik weet slechts uit de verhalen, dat hij als jongen heel grillig was. Men vertelde mij b.v. dat hij boos werd als de njanja naar hem keek en ook begon te schreeuwen als zij hem niet aanzag. Mijne moeder had er veel verdriet van. Wij stonden het dichtst bij elkaar in leeftijd en ik speelde veel met hem, maar toch hield ik meer van Sergius en van Nikolaas. Wij gingen goed met elkaar om, en ik kan mij niet herinneren, dat wij met elkaar vochten. Het zal wel eens zijn voorgekomen, maar werd dan spoedig weer vergeten. Ik hield van hem met eene eenvoudige, gelijkmatige, natuurlijke liefde, die om haar eenvoud geen indruk heeft nagelaten. Ik geloof, of liever, ik ben er van overtuigd, want ik heb het in mijne jeugd zelf ondervonden, dat de liefde tot de menschen een natuurlijke toestand van de ziel is, of meer nog eene natuurlijke betrekking tot alle menschen, en waar dit zoo is daar bemerkt men haar niet.“De herinnering blijft behouden wanneer men niet van iemand houdt of als men iemand vreest. Zoo was ik bang voor bedelaars, bang voor een zekeren Wolkonski, die mij altijd kneep; ik geloof niet dat er nog andere menschen waren, voor wie ik vrees koesterde. Ook blijft de herinnering als men zeer veel van iemand houdt, zooals ik b.v. hield van Tatjana Alexandrjewna, van mijne broers Sergius en Nikolaas, van een zekeren Wassiliï, van de njanja Isajewna en van Paschenka. Van Mitjenka’s eerste jeugd herinner ik mij alleen maar dat hij vroolijk was. Eerst in Kazan, waar wij heen gingen toen hij 13 jaar oud was, begon ik zijne eigenaardigheden op te merken. Ik herinner mij, dat hij, toen wij nog in Moskou waren, niet zoo gauw verliefd was als Sergius en ik; hij hield niet van dansen, ook niet van militair vertoon (waar ik later nog van zal spreken) en leerde goed en vlijtig.Ik weet nog, dat onze leeraar, de student Palonski, eens van ons drieën zeide: ‘Sergius wil en kan, Dmitri wil maar kan niet (dat was niet waar), en Leo wil niet en kan niet.’ Ik geloof dat dit laatste geheel waar was.“Ik had steeds Sergius als voorbeeld genomen en begon reeds mijne reinheid te verliezen (dat zal ik ook later vertellen). Met mijn uiterlijk hield ik mij reeds lang bezig en ik deed mijn best er geheelcomme il fautuit te zien.“Mitjenka was heel anders; ik geloof dat hij niet een van die gebreken had, die jongens op dien leeftijd eigen zijn. Hij was ernstig, oplettend, rein, vlug besloten en wat hij deed, dat deed hij met hart en ziel, maar hij was driftig. Toen het eens gebeurde dat hij dat kettinkje inslikte, maakte hij zich, voor zoover ik het mij herinneren kan, niet ongerust, terwijl ik nu nog weet hoe angstig ik was, toen ik een pit van eene Fransche pruim had doorgeslikt, die mijne tante mij had gegeven, en met hoeveel gewicht ik haar dat ongeluk ging vertellen. Ik herinner mij nog, dat wij eens als kleine jongens aan het sleeën waren op een afgelegen steilen heuvel (en wat was het vroolijk!), toen iemand in plaats van den grooten weg te volgen, met zijne troika9den berg opreed. Sergius en een boerenjongen, die juist aan ’t glijden waren, konden het sleetje niet meer tegenhouden en geraakten onder de paarden. De kinderen kregen geen letsel en de troika reed verder. Wij hadden het er druk over, hoe Sergius onder het bijdehandsche paard was door gekropen en hoe het andere schrikte, maar Mitjenka (hij was toen negen jaar) ging naar het rijtuig en schold den voerman uit. Ik herinner mij, dat ik hem bewonderde, maar dat de woorden die hij zei mij niet zeer bevielen, n.l. dat het niet veroorloofd was daar te rijden, dat het geen rijweg was en dat de koetsier verdiende daarvoorin den stal te worden geworpen, hetgeen met andere woorden wil zeggen: te worden afgeranseld.“In Kazan, zooals reeds gezegd is, kwamen zijne bijzondere eigenschappen meer aan het licht. Hij leerde altijd even goed, maakte heel gemakkelijk gedichten en heel goede vertalingen van de werken van Schiller, hoewel hij er niet veel aan deed. Hij dacht steeds bij zijn werk, en was altijd rustig en ernstig. Eén maal herinner ik mij echter dat hij de dolste dingen uithaalde; de meisjes vonden het prachtig en ik werd jaloersch en dacht: ‘dat komt zeker omdat hij anders altijd zoo ernstig is,’ en ik nam mij voor ook zoo te worden.“Het was een domme inval geweest van tante Pelageja, toen zij ons ieder een’ bediende van onzen eigen leeftijd gaf, Mitjenka kreeg Wanjoescha (hij leeft nog), dien hij dikwijls slecht behandelde; ik geloof zelfs dat hij hem wel eens sloeg. Ik zeg ‘ik geloof,’ omdat ik het niet zeker weet, maar wèl herinner ik mij nog zijn berouw en zijn nederig smeeken om vergiffenis.“Zoo werd Dmitri ongemerkt grooter, bemoeide zich weinig met de menschen, en met uitzondering van zijne driftbuien was hij steeds rustig en ernstig en keek met denkende, strenge, groote, zwarte oogen de wereld in. Hij was lang, tamelijk mager, niet heel sterk, had lange armen en een gebogen rug. Hij was een jaar jonger dan Sergius, studeerde echter tegelijk met hem op en had als vak de meetkunde gekozen omdat zijn oudere broeder dat ook had gedaan. Hoe hij er zoo jong toe kwam weet ik niet, maar reeds in ’t begin van zijn’ studententijd werd en leefde hij zeer godsdienstig. Dit leven bracht hem natuurlijk met de kerk in aanraking en, ernstig als hij was, volgde hij in alles hare voorschriften. Op vastendagen at hij geen vleeschspijzen, woonde alle diensten bij en stelde zich zelf steeds de hoogste eischen.“Mitjenka bezat ook dien mooien karaktertrek, dien ik bijmijne moeder vermoedde, bij mijn broer Nikolaas had opgemerkt en dien ik zelf volkomen miste, n.l. die groote onverschilligheid voor het oordeel der menschen. Nu zelfs kan ik mij nog niet vrij maken van de gedachte, wat de menschen wel van mij zullen zeggen. Mitjenka kende dat gevoel niet. Ik zag op zijn gelaat nooit dat half teruggegehouden lachje, dat onwillekeurig verschijnt wanneer de menschen ons prijzen. Ik zie hem nog steeds met zijne ernstige, rustige, treurige, soms booze, groote, amandelvormige, zwarte oogen. Eerst in Kazan begonnen wij hem eenige aandacht te schenken, en wel omdat juist in dien tijd, toen Sergius en ik zooveel waarde aan ons uiterlijk en aan het begrip vancomme il fauthechtten, hij er altijd even slordig uitzag, waarover wij hem dikwijls onderhielden. Hij kon niet dansen en wilde het ook niet leeren. Als student kwam hij niet in gezelschappen, droeg altijd zijn studentenjas met een smal dasje, en van zijne jeugd af had hij het dwaze aanwensel steeds met zijn hals te draaien alsof hij te nauwe dassen droeg.“Op godsdienstig gebied begonnen zijne eigenaardigheden daarmee, dat hij voor het heilige avondmaal niet naar de moderne universiteitskerk ging, maar naar de kazemat-kerk. Wij woonden tegenover het tuchthuis. Daar was een zeer strenge en godsdienstige priester aan verbonden, die in den tijd der vasten alle evangelies voorlas alsof men die nog nooit had gehoord, zoodat de diensten natuurlijk ontzettend lang duurden. Mitjenka hield het uit en maakte kennis met dezen pope. De kerk in het tuchthuis was zóó ingericht dat de gevangenen achter een glaswand stonden, waarin deuren waren aangebracht. Eens wilde een van de gevangenen den kerkdienaar eene kaars of geld voor eene kaars geven. Niemand van de in de kerk aanwezigen wilde zich met deze boodschap belasten, maar Mitjenka met zijn ernstig gezicht nam het op zich. Het bleek naderhand, datdit verboden was en men onderhield hem er over, maar hij vond het goed en deed het bij voorkomende gelegenheden weer. Wij, hoofdzakelijk Sergius, hadden aristokratische kennissen, Mitjenka daarentegen koos uit allen den beklagenswaardigen armen student Poloebojarinoff, dien een vriend van ons Poloebjezabjedoff (‘half zonder middageten’) noemde. Wij domme jongens vonden dat heel grappig en lachten Mitjenka uit. Deze Poloebojarinoff was zijn eenige vriend en met hem werkte hij voor het examen. Wij woonden toen op den hoek van het plein Arskoje, in het huis van Kisiljeff, op de bovenste verdieping. Vóór had Mitjenka zijne kamer, daarachter Sergius en ik. Wij beiden hielden er van onze kamer mooi te maken en wij kregen daarvoor allerlei kleinigheden. Mitjenka hield er niet van en vroeg van de voorwerpen uit ons ouderlijk huis alleen maar de mineralen. Hij verdeelde ze in groepen, schreef er de namen bij en bewaarde ze in eene doos met glazen deksel.Vroegere ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 56.Vroegere ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz.56.“Onze vrienden, die zagen dat wij, broers, en ook onze tante met eene zekere minachting op Mitjenka en zijne eenvoudige neigingen neerzagen, namen dat natuurlijk van ons over. Een van hen, de ingenieur Es., zag eens, door Mitjenka’s kamer gaande om bij ons te komen, diens mineralen en vroeg hem iets; Mitjenka gaf nauwelijks antwoord. Es., een onsympathiek, aanstellerig jongmensch, schoof en schudde de doos, waarop Mitjenka hem verzocht dat te laten. Hij liet het niet, bespotte hem en lachte hem uit, en noemde hem, waarom weet ik niet, Noach. Mitjenka werd driftig en sloeg hem met zijne groote hand in ’t gezicht. Es. liep naar onze kamer, achtervolgd door Mitjenka, die, toen wij hem buitensloten, woedend dreigde Es. te zullen afranselen, als hij de deur uitkwam. Ik weet niet hoe het zou zijn afgeloopen als wij hem niet, op zijn verzoek, heimelijk, half kruipend over den stoffigen zolder, hadden laten ontsnappen.“Zoo was Mitjenka als hij driftig was, maar als men hem niet plaagde was hij geheel anders.“Onze familie had om de eene of andere reden een meisje aangenomen. Zij was een vreemd, beklagenswaardig schepsel en heette Ljoebow Serghejewna. Zij was eene onwettige dochter van Protasoff. Hoe zij bij ons kwam weet ik niet. Ik hoorde dat het uit medelijden was en dat men haar zelfs aan Feodor Iwanowitsch had willen uithuwelijken, maar daar is niets van gekomen. Zij moet steeds bij ons gewoond hebben, doch daar weet ik niets meer van, wèl dat tante Pelageja haar mee nam naar Kazan, waar ik haar leerde kennen. Het was een ongelukkig meisje. Zij had haar eigen kamer, waar zij ook werd bediend. Toen ik haar voor ’t eerst zag, was zij niet slechts beklagenswaardig maar afkeerwekkend. Ik weet niet welke ziekte zij had, maar haar gezicht was altijd opgezet, als door bijen gestoken; de oogen keken uit een paar dikke, gladde kussens zonder wenkbrauwen; geel, opgezet en glimmend waren ook wangen, neus, lippen en mond. Zij sprak moeielijk, waarschijnlijk omdat haar mond inwendig ook was opgezwollen. In den zomer zaten er altijd vliegen op haar gezicht, hetgeen zij niet scheen te voelen; vreeselijk om aan te zien! Haar haar was zwart, maar zoo dun, dat het haren schedel niet bedekte. Joeschkoff, de man van mijne tante, die niet altijd even kiesch was, kon zijn’ afschuw voor haar niet verbergen. Altijd had zij eene benauwde lucht bij zich, die ook op haar kamer hing, waar nooit een raam openstond. En deze Ljoebow Serghejewna koos Mitjenka zich tot vriendin. Hij ging naar haar toe, sprak met haar, luisterde naar haar, wandelde met haar en las haar voor, en wij, stompzinnig als wij waren, lachten om die vriendschap. Mitjenka echter stond zóó hoog, bekommerde zich zóó weinig om het oordeel der menschen, dat het hem niet eens de moeite waard was om met een enkelwoord uit te leggen, dat hij het deed omdat hij het goed vond. Hij dééd het eenvoudig, en niet voor een paar dagen, bij wijze van gril, maar al den tijd dien wij in Kazan doorbrachten.“Hoe duidelijk is het mij thans, dat de dood Mitjenka niet kon vernietigen, dat hij reeds was voor ik hem leerde kennen, vroeger dan hij werd geboren, en dat hij voortleeft na zijn’ dood.”Voor zoover het ons mogelijk is, zullen wij nu een’ blik slaan op het innerlijk leven van Tolstoi, zooals hij was in zijne jongelingsjaren.Het kritieke punt in het leven van den man zijn zijne jongelingsjaren, het tijdperk waarin van alle kanten de onbekende hartstochten hem bestormen. Reeds voor den alledaagschen mensch is dit de tijd van heftig voelen, van het zoeken naar idealen, de periode van droomen en verwachtingen, van wenschen die nooit vervuld zullen worden. Dus kunnen wij ons voorstellen hoe zwaar de inwendige strijd moest zijn voor een’ man als Tolstoi, met zijn zoo voor alle indrukken vatbare natuur. Hoe hoog die geest, gedragen door zijne fantasieën, zich kon verheffen boven deze aarde, maar ook hoe diep zij zinken kon, omlaag getrokken door zijne dierlijke instincten.Eene beschrijving van dezen inwendigen strijd geeft Tolstoi ons in zijne werkenBiechtenJongelingsjaren.De gedachten, in het eerste werk uitgesproken door Nikoljenka Irtjenjeff, hebben zonder twijfel auto-biografische waarde. InJongelingsjarenzijn deze uitingen min of meer geïdealiseerd. Eenige van de belangrijkste ideeën laten wij hier volgen.“Ik zeide reeds, dat mijne vriendschap voor Dmitri mij een nieuwen blik op het leven gaf en mij leerde dat de taak der menschen hierin moet bestaan: steeds te streven naarhet goede, naar het volmaakte. Eene taak die ons niet moeielijk en zeer goed uitvoerbaar scheen.“Er kwam een tijd, waarin die gedachten zóó heftig op mij instormden, dat ik plotseling begreep hoe lang ik reeds tevergeefs had geleefd. Van dat oogenblik af aan nam ik mij heilig voor die goede voornemens nooit meer te laten varen. Dat was, reken ik, het begin van mijn’ jongelingstijd.“Ik was toen ongeveer zestien jaar. Nog steeds moest ik les nemen en gedwongen, tegen mijn’ zin, werd ik klaar gemaakt voor de universiteit.“In dezen tijd van mijn leven namen mijne droomen de volgende vier gestalten aan: ten eerste, de liefde tot ‘haar’, de vrouw mijner fantasieën, van wie ik droomde en die ik ieder oogenblik verwachtte te zullen ontmoeten.“Ten tweede, de liefde tot de liefde. Ik wenschte dat iedereen mij kende, dat allen mij liefhadden, dat ik slechts mijn naam behoefde te noemen, opdat iedereen zou zijn getroffen, en dat allen mij omringden en mij ergens dankbaar voor waren.“Ten derde, de hoop op een groot, eervol geluk; en dat gevoel was zóó heftig, dat het bijna tot waanzin overging.“Ten vierde, en dat was wel de sterkste aandoening, de groote afkeer van mijzelf en diep berouw, maar een berouw dat zich paarde aan de hoop op geluk en mij niet droevig stemde. Ik genoot zelfs van den terugblik en trachtte hetgeen achter mij lag nog slechter te zien dan het geweest was. Hoe donkerder toch de herinnering aan het verleden, des te reiner en lichter deed zich het heden voor, in des te schitterender kleuren bloeide de toekomst voor mij op. Die stem van het berouw en die hartstochtelijke wensch naar volmaking waren de overheerschende gevoelens in dat tijdperk mijner ontwikkeling en deden mij mij zelf, de menschen en Gods aarde in een geheel nieuw licht aanschouwen. Gezegende, vertroostende stem, diezooveel malen in dien bangen, treurigen tijd, toen mijne ziel werd overwonnen door ’s levens leugen en ontucht, zich plotseling moedig keerde tegen iedere onwaarheid, waarschuwend tegen het verleden, wijzend op het lichte heden, mij belovend het schoone, het geluk in de toekomst! Gezegende, vertroostende stem, kan het zijn dat gij ooit zult verstommen?”Wij weten, dat die stem, gelukkig voor hem en gelukkig voor ons, nog nooit heeft gezwegen; nog steeds roept zij ook ons naar het oneindig, lichtend ideaal.Deze fantasieën wijzen ons op dat idealistisch naturalisme, dat den grondslag vormt van het grootste gedeelte zijner werken.“Hooger en hooger, lichter en lichter stond de maan aan den hemel, glanzend glinsterde de vijver, helderder en helderder werd het, zwarter en zwarter de schaduw, waziger en waziger de lucht. Luisterende en starende voelde ik, dat ‘zij’, met hare blanke armen en vurige omhelzingen, nog zoo ver bleef, nog zoo ver van ’t geluk, en mijn liefde tot haar nog zoo ver van de gelukzaligheid; en hoe langer ik staarde naar de klimmende, glanzende maan, des te hooger en hooger, reiner en reiner, dichter en dichter bij Hem, bij de bron van alle schoonheid en geluk, scheen mij de ware schoonheid, en de tranen van onbewust verlangen en tevens van blijde ontroering welden op in mijne oogen.“En ik was geheel alleen, en het scheen dat de geheimzinnig grootsche natuur de maan geheel in zich opnam, die, ergens hoog aan den bleek-blauwen hemel staande, met haar licht het gansche heelal overstroomde; en mij, nietigen worm, reeds bezoedeld door de kleinste en laagste menschelijke hartstochten, maar doordrongen van de onmetelijke kracht der liefde,—mij kwam het voor, alsof ik één werd met de maan en het licht in de natuur.”Het is niet onbelangrijk voor ons, de namen te zien derschrijvers, die invloed hebben uitgeoefend op Leo Tolstoi in zijne jongelingsjaren:Namen der werken:Graad van invloed:Het Evangelie van Mattheüs,De BergredeBuitengewoon groot.Sterne,Sentimental JourneyZeer groot.Rousseau,Confessions,EmileBuitengewoon groot.Rousseau,La nouvelle HéloïseZeer groot.Poeschkin,Jewgheniï,AnjekinZeer groot.Schiller,Die RäuberZeer groot.Gogol,Schinel,Iw. Iw.enIw. Nik.Groot.Gogol,Njewski Prospekt,Wi,Doode ZielenZeer groot.Toerghenjeff,Aanteekeningen van een JagerZeer groot.Droezjinin,Paulina SaksZeer groot.Grigorowitsch,Anton GorjemikaZeer groot.Dickens,David CopperfieldBuitengewoon groot.Ljermontoff,Helden van onzen tijd,TamanZeer groot.Prescott,History of the conquest of MexicoGroot.Naast de werken van deze schrijvers oefenden Tolstoi’s levensomstandigheden een grooten invloed op hem uit en wel voornamelijk het begrip vancomme il faut.In zijnJongelingsjarenwijdt hij daaraan een geheel hoofdstuk. Wij laten het voornaamste volgen.“Ik voel mij verplicht,” zegt Tolstoi, “een geheel hoofdstuk te wijden aan dit meest leugenachtige en schadelijke van alle begrippen, mij bijgebracht door opvoeding en omgeving.“In den tijd, waarvan ik schrijf, verdeelde ik de menschen bij voorkeur in lieden, die ikcomme il fautof nietcomme il fautnoemde. Deze tweede soort onderscheidde ik nog eens in menschencomme il fautop hunne wijze en in plebs. De liedencomme il fautachtte ik en keurde ik waardig om mee om te gaan; de tweede soort haatte ik, maar ik deed alsof ik op hen neerzag; de derde soort bestond niet voor mij, die verachtte ik volkomen. Iemand, dien ikcomme il fautnoemde, moest in de eerste plaats het Fransch volkomen machtig zijnen met zuiver accent spreken. Eene slechte uitspraak wekte dadelijk een gevoel van tegenzin in mij op. ‘Waarom wilt ge spreken zooals wij, als ge het toch niet kunt?’ dacht ik dan, inwendig spottend.“Een tweede voorwaarde omcomme il fautte zijn waren lange, goed verzorgde, schoone nagels; de derde, goed te kunnen buigen, dansen en converseeren, en de vierde, dat was de gewichtigste, het ten toon spreiden van eene groote onverschilligheid voor alle dingen en eene voortdurende betuiging van geringschattende verveling.“’t Is vreeselijk wanneer ik bedenk, hoeveel kostbaren tijd ik op zestienjarigen leeftijd, moeite doende om mij die eigenschappen te verwerven, verbeuzelde.“Maar niet die gouden tijd, dien ik verloor om geheel te kunnen voldoen aan de eischen, die hetcomme il fautmij stelde en waardoor ik geen tijd meer overhield voor ernstige studie, ook niet de minachting waarmee ik neerzag op negen tienden der menschen, evenmin mijne blindheid voor het schoone dat buiten den kring van hetcomme il fautstond, dat alles was nog niet het ergste kwaad, waartoe deze opvatting mij bracht. Veel erger was het, dat ik mij verbeeldde, datcomme il fauteene positie aanduidde in de maatschappij; dat een menschcomme il fautzich geen moeite behoefde te geven om ambtenaar, wagenmaker, soldaat of geleerde te worden, dat hij, zoo hij aan dien eisch kon voldoen, volkomen aan zijne bestemming beantwoordde, ja zelfs ver boven het grootste gedeelte van het menschdom stond.“Op een zekeren tijd van ons leven, na ’t begaan van menige onbezonnenheid, komt toch bijna voor ieder mensch het oogenblik dat hij zich gedrongen voelt zich te wijden aan een’ werkkring in de maatschappij, maar bij den mancomme il fautziet men dat zelden. Ik ken en kende heel veel reeds bejaarde, trotsche, zelfbewuste menschen, die op de vraag (gesteld datons die in de wereld hiernamaals gedaan werd): ‘wat zijt gij? en wat deedt gij?’, niet anders zouden kunnen antwoorden dan: ‘Je fus un homme très comme il faut.’“Dat lot wachtte ook mij.”10Zooals reeds gezegd is in het gesprek met den Duitscher Löwenfeld, boezemde de akademische studie Tolstoi heel weinig belang in, maar voelde hij den lust in zich opkomen tot zelfstandigen arbeid, hiertoe opgewekt door de vergelijking van de beide werken:l’Esprit des Loisvan Montesquieu en deInstructiesvan Catharina.Tolstoi’s dagboek, dateerende uit dien tijd, staat vol aanteekeningen en opmerkingen over dien arbeid en daarnaast schreef hij een zee van gedachten neer, alsof zijn verstand tot nu toe had geslapen en, plotseling wakker geworden, zich met alles ging bezighouden.In Maart van het jaar 1847 lag Tolstoi wegens de een of andere ziekte in de kliniek te Kazan. Zijne gedwongen ledigheid en afzondering brachten hem tot nadenken en hij stelde zich de vraag, wat de eigenlijke beteekenis was van het verstand. Onze kring maakt slechts een deel uit van de wereld. Het verstand moet zich dus toetsen aan degeheelewereld, moet de algemeene wetten erkennen en dan kan het onafhankelijk worden van dat onderdeel, van dien kring.Deze opmerking bewijst ons, dat de 18-jarige jonge man reeds de kiem bij zich droeg van het latere anarchisme.Toen Tolstoi in zich dien drang naar wetenschap bemerkte, legde hij zich, angstig dat hij zich in de theorie zou verliezen, dadelijk de vraag voor, hoe hij de theorie in dienst kon stellen van de praktijk, doch was zich tevens bewust dat hij in hoofdzaak moest trachten zich zelf in overeenstemming te brengen met het zedelijk ideaal.Zoo schrijft hijo.a.in Maart 1847 in zijn dagboek: “Ik ben veel veranderd, maar heb dien graad van volmaking nog niet bereikt, dien ik hoop te verkrijgen. Ik vervul niet wat ik mij heb voorgeschreven en wat ik ten uitvoer breng, dat doe ik niet goed; ik span mij niet genoeg in. Daarom schrijf ik mij nu eenige levensregels voor, die mij, zoo ik ze ga naleven, heel veel kunnen helpen.I. Voleindig wat gij begint, hoeveel moeite het u ook kost.II. Wat gij doet, doe dat goed.III. Zoo gij iets hebt vergeten, haal het dan niet uit de boeken, maar tracht het zelf uit te vinden.IV. Laat uw verstand steeds werkzaam zijn zoo veel het kan.V. Lees en denk steeds hardop.VI. Durf den menschen, zoo zij u hinderen, te zeggen dat zij u hinderen; geef eerst een’ wenk, en zoo zij het niet begrijpen, verontschuldig u dan, maar zeg het.”Door de bestudeering der werken van Montesquieu en Catharina kwam hij tot de gevolgtrekking, dat in het laatste twee hoofdideeën op den voorgrond treden,d.w.z.de revolutionaire ideeën van het toenmalige Europa en het despotisme en de eerzucht van haar zelf; de laatste treedt het meest naar voren. De republikeinsche ideeën heeft zij ontleend aan Montesquieu. Resumeerende kwam hij tot het resultaat, dat deInstructiesCatharina meer roem dan Rusland nut hebben gebracht.Nadat hij besloten had de universiteit te verlaten en op het land te gaan leven, deed hij zich zelf de belofte zich verder te bekwamen in de Engelsche en Latijnsche taal en in het Romeinsche recht, waarschijnlijk voelende dat hij het daarin nog niet ver had gebracht.Hoe meer de tijd van zijn vertrek naderde, des te meer breidden zijn plannen en fantasieën zich uit en zoo schreef hij ten slotte 17 April 1847 in zijn dagboek: “Er moet eene verandering in mijn leven komen, maar dat moet niet eene uitwendige maar eene inwendige, eene zielsverandering zijn”, en verder:“Het geheele leven is een bewust streven naar eene algeheele ontwikkeling van het bestaande.“Het doel van mijn tweejarig dorpsleven is: 1. de studie van de rechtswetenschappen voor zoover noodig, voor het eindexamen van de universiteit; 2. de studie van de praktische en gedeeltelijk van de theoretische geneeskunde; 3. de studie der talen: Fransch, Russisch, Engelsch, Italiaansch, Duitsch en Latijn; 4. de studie der landhuishoudkunde, zoowel praktisch als theoretisch; 5. de studie der geschiedenis, aardrijkskunde en statistiek; 6. de studie der mathesis voor zoover die op het gymnasium verlangd wordt; 7. het schrijven van eene dissertatie; 8. trachten naar den hoogsten graad van volmaking in muziek en schilderkunst; 9. levensregels schrijven; 10. het verkrijgen van eenige bedrevenheid in de natuurwetenschappen; 11. geschriften samenstellen betreffende alles wat ik zal leeren.”De twee jaren, die Tolstoi dus in zijn dorpje doorbracht, waren gevuld met het najagen dezer idealen en een voortdurenden strijd met zich zelf om de volmaking te bereiken.Met eene onnavolgbare oprechtheid wijst hij zich zelf op iedere afwijking van deze levensregels, op iederen terugval, en van voren af aan begint dan weer de strijd. De verhouding tot de vrouw verontrustte hem toen reeds en hij geeft zich zelf den volgenden raad:“Beschouw de aanwezigheid der vrouw in de samenleving als een noodzakelijk kwaad en vermijd haar zoo mogelijk.“Immers, hoe komen wij aan den wellust, de weekelijkheid,de lichtzinnigheid en die vele andere gebreken, zoo niet door haar. Aan wie de schuld dat wij de aangeboren neigingen verliezen, zooals onze vastberadenheid, onze kracht, onze bedachtzaamheid, onze waarheidsliefde en andere deugden, zoo niet aan haar. De vrouw is gevoeliger voor indrukken dan de man en daarom was zij in de tijden toen de deugd nog bestond beter dan wij, maar nu, in onze verdorven eeuw, is zij slechter.”Ook hier zien wij in beginsel zijne latere begrippen.In dezen tijd deed Tolstoi de eerste schrede op ’t gebied der filosofie, beginnende met een kommentaar te geven bij hetDiscoursvan Rousseau.Verder bestaat nog van hemHet doel der Filosofie, geschreven in 1846–47, dus toen hij 18 jaar was.Deze filosofie zegt het volgende:“De mensch streeft, dus de mensch is werkzaam. Waarheen voert deze arbeid en hoe maken wij hem zelfstandig? Dit is het doel der filosofie in hare ware beteekenis, dus met andere woorden: filosofie is levenskunst”.Behalve deze bestaan er nog losse gedachten als:Bespiegelingen over het leven hiernamaals;Definitie van tijd, ruimte en getal;Methodes;Indeeling der filosofie, enz.De volgende gebeurtenis, verteld door Gravin Tolstoi, heeft ook betrekking op dezen tijd.“In zijn’ studententijd stelde Tolstoi zich eens de vraag: ‘Wat is eigenlijk symmetrie?’ en schreef daarover een filosofisch artikel. Dit lag toevallig op een stoel in zijne kamer toen een zekere Schoewaloff, een vriend der beide broers Tolstoi, met wijnflesschen in zijn zakken binnenkwam, om die gezamenlijk te ledigen. Toevallig zag hij het opstel en las het door. Het interesseerde hem en hij vroeg Tolstoi, waaruit hij het had overgeschreven. Schuchter antwoordde deze, dat het zijn eigen werk was. Schoewaloff begon telachen en zeide dat het niet waar was en niet waar kon zijn. Het ging veel te diep en was te veel doordacht voor iemand van zijn’ leeftijd. Hij ging weg zonder te willen gelooven dat Tolstoi de schrijver was.”Ook dit kleine voorval wijst ons op Tolstoi’s buitengewone ontwikkeling, die hem ver boven zijn’ kring verhief.Biechtvan Tolstoi leert ons hoe hij dacht over geloof en godsdienst.“Ik herinner mij,” zegt hij, “dat, toen bij mijn ouderen broer Dmitri plotseling de behoefte aan een godsdienstig leven ontwaakte en hij geregeld naar de kerk ging, de vasten hield, en een rein zedelijk leven ging leiden, zelfs de volwassenen hem daarom uitlachten, hem plaagden en hem Noach noemden. Ik weet nog dat Moesin Poeschkin, de toenmalige rector der universiteit, ons op een dansavondje verzocht en Dmitri, die bedankt had, lachend toevoegde dat David wel gedanst had voor de arke des verbonds. Ik begreep die scherts en maakte de gevolgtrekking, dat het noodig was zijn cathechismus te leeren, eveneens naar de kerk te gaan, maar tevens dat men die zaken niet al te ernstig behoefde op te nemen. Ik was nog heel jong toen ik Voltaire reeds las, en ik herinner mij nog dat diens bijtende spot mij niet alleen niet hinderde maar mij zelfs vermaakte.“Mijn afval van het geloof ging op dezelfde wijze in zijn werk als dat gebeurde, en ook thans nog gebeurt, bij alle menschen van onze ontwikkeling. Het gaat, dunkt mij, in de meeste gevallen zoo: de menschen leven, zooals allen leven, naar een vast grondbeginsel, dat niets gemeen heeft met hetgeen het geloof ons leert, maar zich in de meeste gevallen daar juist tegenover stelt. Deze leer van het geloof grijpt niet in in ons leven; in onze betrekkingen met andere menschen komt het niet voor dat wij met haar in botsingkomen en wat ons eigen leven aangaat, behoeven we in ’t geheel geen rekening met haar te houden. De geloofsleer slaat op iets, daar ergens ver van het werkelijke leven en los daarvan. Komen wij met haar in aanraking dan is dat oppervlakkig en beroert het niet ons innerlijk leven.“Men kon vroeger, evenmin als nu, uit het doen en laten der menschen opmaken of zij geloovig zijn of niet. Zoo er onderscheid bestaat tusschen hen die beweren rechtgeloovig te zijn en degenen, die dit ontkennen, dan pleit dat nog niet ten gunste van de eersten.“Want zoowel nu als vroeger ontmoet men onder degenen die zoo openlijk verklaren dat zij rechtgeloovig zijn, zeer vele stompzinnige, harde, met zich zelf ingenomen menschen, terwijl men verstand, eerlijkheid, goedhartigheid, waarheidsliefde en zedelijkheid grootendeels bij hen vindt, die zich zelf ongeloovigen noemen.“Op school wordt de cathechismus onderwezen en stuurt men de leerlingen naar de kerk; van den ambtenaar verlangt men een bewijs dat hij gecommuniceerd heeft. De mensch echter uit onzen kring, die niet meer studeert en niet in keizerlijken dienst is, kan thans, en vroeger was dit nog sterker, tien jaren en nog langer leven zonder dat hij er zich rekenschap van geeft dat hij in eene Christelijke maatschappij verkeert, en toch noemt hij zich een belijder van de Christelijke leer der rechtgeloovigen.“Het geloof, gegrond op uiterlijkheden en slechts op gezag door ons aangenomen, verdwijnt onder den invloed van de wetenschap en van het leven, die zich er tegenover stellen, en het gebeurt dat de mensch zich verbeeldt nog zeer geloovig te zijn, terwijl in hem geen spoor van dat geloof meer is achtergebleven, dat hem in zijn jeugd werd geleerd.“De godsdienst, mij in mijn jeugd onderwezen, verdween bij mij op dezelfde wijze als bij anderen, alleen met dit onderscheiddat ik reeds op mijn 15dejaar begon filosofische werken te lezen, zoodat mijn afval van het geloof reeds heel vroeg en bewust geschiedde. Op mijn 16dejaar ging ik uit eigen beweging niet meer naar de kerk, bad ik niet meer en hield ik mij niet aan de vasten.“Ik geloofde niet hetgeen men mij in mijn jeugd geleerd had, maar ik geloofde wel ergens in; waarin echter, dat had ik niet kunnen zeggen. Ik geloofde in God of liever ik verloochende Hem niet, maar welken God, dat had ik ook niet kunnen zeggen. Den Christus en zijne leer verloochende ik evenmin, maar waarin die leer bestond had ik ook niet kunnen verklaren.“Nu, dien tijd in mijn geheugen terugroepende, zie ik klaar, dat mijn geloof die kracht was die, behalve mijne dierlijke instincten, mijn leven heeft bestuurd.“Mijn eenig, mijn oprecht geloof in dien tijd was mijn vertrouwen in de volmaking. Maar waarin die bestond en welk doel zij had, ook dat had ik niet kunnen zeggen. Ik trachtte een vasten wil te verkrijgen, ik schreef mij levensregels voor, die ik wilde volgen; ook lichamelijk deed ik mijn best mij te volmaken door allerlei gymnastische oefeningen, en ik legde mij ontberingen op om te leeren dulden en lijden.“Dat alles noemde ik volmaking. Bovenaan stond natuurlijk de zedelijke volmaking, die weldra in eene algeheele overging. Ik wilde beter zijn, niet alleen voor mij zelf en voor God, maar ook voor ’t oog der menschen. En al heel spoedig ging dit streven over in den wensch om sterker, krachtiger te zijn dan anderen, d.w.z. beroemder, machtiger, rijker.”Dan volgt Tolstoi’s diep berouw, dat ons al zijne zonden aantoont, maar ons tevens wijst op de verdorvenheid in eigen ziel, die misschien niet zoo’n groote afmeting aannam, maar die ook niet zoo oprecht werd beleden.“Eens zal ik de treffende en leerzame geschiedenis van detien jaren van mijn jongelingschap vertellen. Ik denk dat velen, velen hetzelfde hebben ondervonden.“Met hart en ziel wenschte ik goed te zijn; maar ik was jong, hartstochtelijk, en ik stond alleen, geheel alleen, toen ik het goede zocht.“Telkens als ik trachtte te spreken over mijn’ zielewensch om moreel goed te zijn, ontmoette ik spot en verachting, maar nauwlijks gaf ik mij over aan lage hartstochten, of men prees mij en dreef mij verder in die richting.“Eerzucht, machtsbegeerte, baatzucht, wellust, trots, toorn en wraakzucht, alles werd geprezen.“Toen ik mij overgaf aan die hartstochten, voelde ik, dat ik werd als de volwassenen, dat men over mij tevreden was. Mijne goede tante, het reinste wezen dat er bestond, met wie ik toen samenwoonde, zeide dikwijls tegen mij, dat zij niets liever zou wenschen, dan dat ik eene liaison aanknoopte met eene getrouwde vrouw, ‘want,’ zeide zij, ‘rien ne forme un jeune homme comme une liaison avec une femme comme il faut’. Zij wenschte mij nog meer toe, n.l. dat ik adjudant zou worden en dan liefst van den Keizer; verder dat ik een rijke vrouw zou trouwen en, als gevolg van dat huwelijk, zooveel mogelijk lijfeigenen zou houden.“Ik kan niet zonder schrik, afschuw en hartzeer aan die jaren terugdenken. Ik doodde menschen in den oorlog, ik duelleerde om te dooden, ik verspeelde veel geld, ik verbruikte hetgeen de boeren zwoegend voortbrachten, terwijl ik hen zwaar liet straffen; ik bedroog en gaf mij over aan ontucht, leugen, diefstal, echtbreuk van allerlei aard, dronkenschap, gewelddadigheid, moord... er was geen ondeugd, waaraan ik mij niet overgaf, en daarvoor prees men mij en noemde mij, zooals men nu ook nog zou doen, een betrekkelijk zedelijk mensch.“Zoo leefde ik tien jaren.”11Gezicht in het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Gezicht in het park te Jasnaja Paljana.—Blz.57.In ’t begin van die stormachtige tienjarige periode woonde Tolstoi op het land.Hij trachtte in die jaren eene nieuwe richting in te slaan in de landhuishoudkunde, en dat wel in hoofdzaak, door de verhouding tot de lijfeigenen beter te regelen en hun lot te verlichten. Deze proef mislukte totaal, hetgeen wij vinden beschreven in zijn werkÉén morgen landheer, dat een sterk autobiografisch karakter draagt. Wij laten daaruit een’ brief volgen van vorst Njechljoedoff aan zijne tante:“Lieve Tante!“Ik heb een besluit genomen, dat over heel mijn verder leven zal beslissen. Ik heb de universiteit verlaten om mij aan het landleven te gaan wijden, daar ik voel daarvoor te zijn geboren. In ’s hemels naam, lieve tante, lach mij niet uit! Gij zult zeggen, dat ik nog zoo jong ben, en misschien hebt gij gelijk en ben ik nog een knaap, hetgeen evenwel niet verhindert, dat ik den drang in mij voel goed te willen doen en van het goede te houden. Zooals ik u reeds schreef vond ik alles in de grootste wanorde. Bij de regeling der zaken kwam ik tot de ontdekking, dat het grootste kwaad schuilt in den beklagenswaardigen, armzaligen toestand, waarin de boeren verkeeren, een toestand die slechts met de grootste moeite en het grootste geduld is te verbeteren. Zoo gij maar eens twee van mijne boeren kondt zien en het leven dat zij met hunne familie leiden, dan zou dat u een betere verklaring van mijn voornemen geven, dan alles wat ik u kan vertellen. Is het niet mijn dure en heilige plicht zóó voor deze zevenhonderd menschen te zorgen, dat ik mij eens voor God zal kunnen verantwoorden? Is het geen schande hen over te laten aan de willekeur van den ruwen starost12en zijne handlangers?“Waarom zou ik in eene andere sfeer de gelegenheid zoeken nuttig te zijn en goed te doen, terwijl een edele, hooge plicht mij roept? Ik ben mij bewust een goede landheer te kunnen worden, daar men, om dat te zijn, zooals ik dat opvat, geen candidaatsdiploma of ambt noodig heeft dat gij zoo wenschelijk voor mij vindt. Lieve tante, maak voor mij geen eerzuchtige plannen, berust bij de gedachte, dat ik mijn eigen, maar een goeden weg volg, die mij, dat voel ik, naar het geluk zal voeren. Ik heb veel nagedacht over mijne toekomstige plichten, mij zelf levensregels voorgeschreven en, zoo God mij leven en kracht schenkt, dan zal ik mijne voornemens ten uitvoer brengen.”13Al heeft Tolstoi in werkelijkheid dezen brief niet geschreven, dan zijn het toch dergelijke gedachten, die zijne jonge ziel bestormden en richting gaven aan zijn leven.Zooals wij weten, leden zijne plannen schipbreuk. En dat kon niet anders. Zijne oprechtheid kon het niet dulden, dat hij daar stond als de weldoener van zijne lijfeigenen, d.w.z. van deze tot aan het uiterste verwaarloosde lieden. Deze tegenstelling kon hij niet verdragen, en een hard en streng mensch worden (zooals zijne tante hem in den brief, waarmee zij hem antwoordde, ried) was hem ook onmogelijk, zoodat hij de eerste gelegenheid de beste aangreep om verandering in zijn leven te brengen.Tolstoi bracht den zomer door op Jasnaja Paljana. In den herfst ging hij naar Petersburg en deed daar in ’t begin van ’t jaar 1848 zijn candidaats-examen. “In ’48,” zoo vertelt hij in een opstel over opvoeding, “deed ik candidaats-examen aan de akademie te St.-Petersburg. Ik wist niets in den letterlijken zin van ’t woord en was eerst eenige weken van te voren met de voorbereiding begonnen. Ik sliep ’s nachts niet en werd candidaat in het crimineel en burgerlijk recht, na eene voorbereiding van hoogstens een paar weken.”14Löwenfeld laat Tolstoi het volgende van deze gebeurtenis vertellen:“Ik vond het heel prettig op het land met tante Tatjana. maar een onbestemde dorst naar wetenschap maakte zich weer van mij meester. Het was in 1848; ik was nog in ’t geheel niet besloten wat ik zou doen. In St.-Petersburg stonden twee wegen voor mij open, n.l. bij ’t leger gaan en den Hongaarschen veldtocht mee maken, of mijne studiën voltooien om naderhand ambtenaar te worden. De drang naar wetenschap was echter sterker dan mijne eerzucht en zoo nam ik de studie dan weer op. Ik deed zelfs twee examens, in de rechten, maar toen vervlogen al mijne voornemens weer. De lente kwam, en met haar de lokstem van het landleven, die mij naar ons landgoed terugriep.”15Tolstoi’s leven te St.-Petersburg kunnen wij het best beoordeelen uit de brieven aan zijn’ broer Sergius, waarvan wij hier de belangrijkste laten volgen.13 Februari 1848 schreef hij:“Ik schrijf je dezen brief uit St. Petersburg, waar ik van plan ben eeuwig te blijven. Ik ben voornemens hier mijn examen te doen en dan ambtenaar te worden; als ik niet slaag (en alles kan gebeuren), dan zal ik eene lagere betrekking aannemen. Ik ken heel veel ambtenaren tweede klasse, die niet slechter zijn dan gij, die tot de eerste behoort. Het leven te St.-Petersburg heeft een grooten en goeden invloed op mij; ik raak hier gewend aan den arbeid en zonder dat ik het zelf heb gewild, is mijne dagverdeeling veranderd. Men kan hier niet niets doen, iedereen heeft zijne bezigheden. Allen werken, men vindt hier niemand die een leven van ledigheid leidt, en alleen kunt ge dat ook niet.“Ik weet wel, dat je het toch niet gelooft, dat ik veranderdben, en dat je zegt: ‘dat is nu al wel de twintigste maal, dat jij van plan verandert, van jou komt nooit wat terecht, jij bent een praatjesmaker’; maar neen, ik ben nu heel anders veranderd dan vroeger. Toen zei ik: ‘kom, laat ik eens veranderen’. Maar nu zie ik, dat ik veranderd ben en ik zeg: ‘ikbenveranderd’.“’t Voornaamste is, dat ik nu ten volle overtuigd ben, dat theorie en filosofie niets zijn voor het leven; men moet positief leven, d.w.z. een praktisch mensch zijn. Het is eene groote stap, en eene verandering zooals er bij mij nog niet heeft plaats gegrepen.“Wanneer men jong is en wil leven, dan is St.-Petersburg de eenige plaats. Hoeveel richtingen kan men niet uit, en iedereen kan hier bevredigd worden; alles kan zich hier ontwikkelen en gemakkelijk, zonder eenige moeite. Wat het leven aangaat, dat is voor een ongetrouwd man niet duur; zelfs goedkooper dan in Moskou, behalve de woning. Groet al de onzen van mij en zeg hun, dat ik misschien, misschien ook niet, van den zomer bij hen kom; ik ben van plan dan vrij te nemen en de omstreken van Petersburg eens te gaan bekijken, en ook Helsingfors en Reval.“Schrijf mij toch eens, in ’s hemelsnaam; ik zou graag willen weten, hoe gij en de anderen dit nieuws opnemen, en vraag hun mij ook eens te schrijven. Ik durf het zelf niet te doen, omdat ik zoo lang niets van mij heb laten hooren en ik nu vrees, dat ze boos op mij zijn. Ik voel me vooral bezwaard tegenover tante Tatjana; vraag haar voor mij om vergiffenis.”Maar och, deze heilige voornemens zouden niet verwezenlijkt worden. Het moet Tolstoi vreemd hebben aangedaan neer te schrijven dat zijn broeder hem een praatjesmaker noemde, hetgeen hij bovendien zelf moest toegeven, zooals blijkt uit den brief van 1 Mei 1848 aan zijn’ broeder:“Sergius, het is mij alsof ik je hoor zeggen, dat ik een praatjesmaker ben, en dan spreek je de waarheid. Ziehier wat ik tot stand heb gebracht. Ik reisde zonder eenige aanleiding naar Petersburg en deed daar niets anders dan leven, geld uitgeven en schulden maken. Dom! Onbeschrijflijk dom! Je kunt niet begrijpen hoe het mij kwelt. Vooral deschulden, die ik moet betalen enliefst zoo spoedig mogelijk, want doe ik het niet, dan verlies ik met het geld ook nog mijne goede reputatie. Tegen den eersten betaaldag heb ik 3500 roebel noodig: 1200 voor den voogdijraad, 1600 om mijne schulden te betalen en 700 voor levensonderhoud. Ik vrees, dat gij ach en wee zult roepen, maar wat moet ik doen? Iedereen kan een domheid begaan. Nu moet ik voor mijne vrijheid en mijne filosofie boeten. Wees barmhartig en help mij uit mijne valsche en ellendige positie; ik zit zonder een kopjéke en vol schulden.“Je weet waarschijnlijk, dat ons heele leger op marsch gaat en dat een gedeelte (twee corpsen) al over de grenzen is, men zegt reedsinWeenen.“Eerst wilde ik mijn examen doen; ik heb er reeds twee afgelegd; maar nu ben ik van plan veranderd en ik zal als Junker16dienst nemen bij de garde-cavallerie. Het valt mij moeilijk je dit alles te schrijven, omdat ik weet, dat je van mij houdt en mijne domheid en mijne onstandvastigheid je verdriet doen. Onder ’t schrijven van dezen brief stond ik eenige malen op en werd rood van schaamte. Jij zult het zelfde doen onder ’t lezen, maar wat is er aan te doen! Het gebeurde kan men niet ongedaan maken en de toekomst zal van mij afhangen. God geve dat ik nog eens een ordentelijk mensch zal worden; ik zal er mijn best voor doen; het meest verwacht ik van den dienst, hij zal me aan een praktisch leven gewennen en ik moet, of ik wil ofniet, dienen tot ik officier ben. Als het geluk wil dat het garde-regiment mee optrekt, dan kan de bevordering sneller gaan, en behoeft het geen twee jaren te duren. Het vertrek zal dan zijn einde Mei. Op ’t oogenblik kan ik niets doen, ten eerste omdat ik geen geld heb, dat ik op ’t oogenblik best kan gebruiken (zelfs veel), en ten tweede ontbreken mij eenige papieren, die te Jasnaja zijn; geef even order, ze mij te sturen en liefst zoo spoedig mogelijk. Wees niet boos op mij, bid ik je,—ik voel zelf maar al te goed, hoe weinig ik waard ben,—en doe zoo spoedig mogelijk wat ik je gevraagd heb.“Vaarwel. Laat tante dezen brief niet lezen, ik wil haar geen verdriet doen.”Ook deze plannen werden spoedig weer opgegeven. In een van de volgende brieven aan zijn’ broer schrijft Tolstoi:“In mijn laatsten brief schreef ik je veel domheden, waarvan wel de voornaamste is, dat ik van plan was dienst te nemen bij het garde-regiment. Ik heb dat plan laten varen, behalve voor het geval ik niet voor mijn examen mocht slagen, of de oorlog ernstig wordt.”Waarschijnlijk vond hij den oorlog niet ernstig genoeg, want onder dienst ging hij niet.Met het voorjaar keerde hij weer naar Jasnaja Paljana terug, vergezeld van een zekeren Rudolf, een aan den drank verslaafden, talentvollen Duitschen musicus, met wien hij bij zijn vrienden Pjerfiljeff kennis had gemaakt. Hartstochtelijk wierp hij zich nu op de muziek.Tot aan zijn vertrek naar den Kaukasus in 1851 verdeelde Tolstoi zijn tijd tusschen Moskou en Jasnaja Paljana.Dit is het tijdperk van ascetisme, gevolgd door eene avontuurlijke periode van jacht, spel en uitgaan.In deze drie jaren heeft hij alles doorgemaakt wat een krachtige, begaafde, hartstochtelijke jonge man doorleven kan.Tolstoi hield in deze jaren zijn dagboek niet bij. Hij hader geen tijd voor. In de laatste helft van 1850 komt hij weer tot inkeer, en vol berouw en zelfverwijt neemt hij zich voor zijne herinneringen neer te schrijven van deze drie doelloos doorgebrachte jaren van zijn leven. Daar hij den lust in zich voelde opkomen om een geregeld leven te gaan leiden, schreef hij zichzelf eene dagverdeeling voor: zijn landgoed besturen, baden, dagboek, muziek, eten, uitrusten, lezen, baden, landgoed besturen.Het spreekt van zelf dat deze regels ook weer niet werden nageleefd en uit zijn dagboek blijkt, dat hij niet over zich zelf tevreden was.Deze strijd om zich zelf te overwinnen duurde maanden lang; herhaaldelijk maakten de booze hartstochten zich weder meester van hem.Zooals de verdrinkende naar een’ stroohalm grijpt, zoo zocht hij steun bij verschillende gevoelens, die hem van den ondergang konden redden. Daar is b.v. zijne eigenliefde. “De menschen, die volgens mijne meening moreel lager staan dan ik, doen slechte dingen nog beter dan ik,” schreef hij eens in zijn dagboek. Hierdoor begonnen die slechte dingen hem tegen te staan en hij deed ze niet meer.Ook het rustige landleven hielp hem dikwijls zijne hartstochten te overwinnen.’t Is opmerkelijk, dat de edele trekken van Tolstoi’s karakter zelfs uitkwamen bij zulke lage dingen als b.v. het kaartspel. Dit was waarschijnlijk één van zijn heftigste hartstochten, doch hij hield zich stipt aan den regel: “alleen met rijke menschen te spelen”, opdat het verlies den speler geene materieele schade zou doen lijden.Tolstoi verloor dikwijls de heerschappij over zich zelf, wat hem tot vertwijfeling bracht, maar telkens vatte hij weer moed en zoo lezen wij in zijn dagboek:“Ik leef, misschien met eene kleine uitzondering, geheel als het vee. Bijna al mijn bezigheden heb ik laten varen en mijn geestelijk peil daalt.”Hij heeft er zelfs over gedacht, omdat hij in geldverlegenheid zat, zich met eene handelsonderneming, n.l. met een poststation te Toela, in te laten. Tot zijn geluk is er niets van gekomen, hetgeen hem veel onaangenaams heeft bespaard, wat onvermijdelijk zou geweest zijn bij zijne ongeschiktheid voor die bezigheid. Eens schreef hij, onder den indruk van zijn mislukt leven, in zijn dagboek:“De oorzaken van mijne mislukking zijn: 1 besluiteloosheid, d.w.z. gebrek aan energie, 2 zelfbedrog, 3 overijling, 4 valsche schaamte, 5 slechte neigingen, 6 verwardheid, 7 zucht tot navolging, 8 onstandvastigheid, 9 onnadenkendheid.”Den winter van ’50/51 bracht Tolstoi grootendeels te Moskou door, van waar hij zijne tante Tatjana dikwijls schreef over de bijzonderheden van zijn leven, de inrichting van zijne kamer, in één woord, over de uiterlijkheden van zijn bestaan.“Mijne woning bestaat uit vier kamers: eene eetkamer, waar reeds een piano staat die ik heb gehuurd; een salon, gemeubileerd met een paar divans, notenhouten tafel en stoelen, met rood laken bekleed, en verder vier groote spiegels; een werkkamer, waar mijn schrijfbureau staat, een divan (die mij de dagen in ’t geheugen roept, toen wij over dit meubelstuk disputeerden); eene slaapkamer, groot genoeg om tevens voor kleedkamer te dienen, en dan nog een kleine anti-chambre.“Ik dineer thuis met ‘kool en brij,’17waarmee ik uitstekend tevreden ben. Wanneer ik nu nog onze confituren en naliwka18had, dan zou ik mij kunnen verbeelden thuis te zijn.“Ik heb eene slede gekocht voor 40 roebel, een zoogenaamdenkonschewni, die op ’t oogenblik zeer en vogue is; Sergius zal wel weten wat het is. Met het tuig, dat ik ook gekocht heb, ziet alles er zeer elegant uit.”19Uit den volgenden brief blijkt, dat zijne tante zeer bezorgd is over zijne vrienden en tracht hem van slecht gezelschap verwijderd te houden.“Waarom zijt ge toch zoo bevooroordeeld tegenover Isljenjeff? Is het om mij tegen hem in te nemen? Dat is overbodig, want hij is niet in Moskou.“Al het slechte, dat gij van het spel zegt, is volkomen waar. Ik denk er dikwijls aan en ik geloof dat ik het zal nalaten. Ik zeg ‘ik geloof,’ maar hoop spoedig zeker te kunnen zeggen dat ik het niet meer doe.“Uw oordeel over de samenleving is zeer juist, evenals alles wat gij in uwe brieven zegt; primo, omdat gij schrijft als Mme de Sévigné, secundo, omdat ik, zooals altijd, niet kan disputeeren. Gij zegt ook veel goeds van mij. Ik ben overtuigd, dat die loftuitingen evenveel goed als kwaad doen. Goed, omdat ik mijn best zal doen die goede hoedanigheden te behouden, die gij in mij prijst, en kwaad omdat het mijne eigenliefde bevordert. Ik ben echter zeker, dat uw lof mij slechts beter zal maken—natuurlijk voor zoover ik hem verdien—omdat hij in de pen wordt gegeven door eene oprechte vriendschap. Gedurende mijn verblijf in Moskou meen ik dien reeds te hebben verdiend; ik ben over mijzelf tevreden.”Tolstoi keerde terug naar Jasnaja Paljana, om daarna in 1851 weer naar Moskou te reizen. In zijn dagboek schrijft hij, dat het doel van die reis drieledig was: het spel, een huwelijk en een sollicitatie naar eene betrekking. Alles mislukte. Hij speelde niet, omdat hij er een’ tegenzin in kreeg.Van het huwelijk kwam niets, omdat de drie factoren, die hij daarvoor noodig achtte, liefde, praktisch overleg of toeval, ontbraken. De betrekking kreeg hij niet omdat hij niet in ’t bezit was van eenige noodige papieren.Tijdens dit oponthoud in Moskou schreef hij zijne tante den volgenden brief:“De auteur van een boek, dat ik onlangs las, beweert daarin, dat de nadering van de lente van invloed is op het moreel der menschen. Tegelijk met de natuur is het ons of wij opnieuw geboren worden. Men betreurt het verleden, den slecht gebruikten tijd, men heeft berouw over zijne zwakheid en de toekomst doemt helder op. Men wordt beter, moreel beter. Wat mij betreft is dat volkomen waar. Sedert ik een onafhankelijk bestaan begon te leiden, vond de lente mij altijd in de beste conditie. Zoo bleef ik dan langer of korter tijd; dan kwam de winter, die altijd een steen des aanstoots voor mij is geweest. Wanneer ik de verschillende winters herdenk, dan is de laatste zeker wel de aangenaamste en de verstandigste, dien ik beleefd heb. Ik heb me geamuseerd, kwam in gezelschap, heb aardige herinneringen behouden en met dat al mijne financiën niet in wanorde, weliswaar ook niet in orde gebracht.”De volgende brief, naar aanleiding van de terugkomst van zijn’ broer Nikolaas uit den Kaukasus, luidt:“De aankomst van Nikolaas was eene aangename verrassing voor mij, omdat ik reeds bijna de hoop had opgegeven hem nog bij mij te zien. Ik was zoo blij hem te zien, dat ik mijne plichten, of liever gezegd, mijne gewoonten er bijna om had verwaarloosd.“Nu ben ik weer alleen, en alleen in den waren zin van ’t woord; ik ga nergens heen en ontvang niemand. Ik maak plannen voor de lente en den zomer; keurt gij ze goed? Einde Mei kom ik naar Jasnaja, blijf daar een maand of wat,zal mijn best doen Nikolaas daar zoo lang mogelijk vast te houden, en dan eene reis met hem maken door den Kaukasus.”20Plotseling, te midden van zijne stormachtige wereldsche genietingen, als spel, wellust, enz., kwam het tijdperk van boete en godsdienstzin. IJverig vervulde hij zijne kerkelijke plichten, hield de vasten en maakte zelfs preeken, die natuurlijk ongelezen bleven. In dezen tijd begon de kunstenaar-auteur zich te openbaren.Reeds in 1850 dacht hij er over een werk over zijn “vie de Bohême” te schrijven. Eene andere gedachte was bij hem wakker geroepen door het lezen van Sterne’sSentimental Journey, n.l. iets dergelijks te schrijven.Eens zat hij voor het venster en keek naar alles wat op straat voorbij ging: “daar loopt een wachter, wat zou hij voor iemand zijn, en wat voor een leven zou hij leiden? Daar gaat een wagen, wie zou er in zitten, waar zou hij heenrijden, waar denkt hij aan? Wie zouden er in dat huis wonen en hoe zou hun innerlijk leven zijn?...“Wat zou het interessant zijn, dit alles neer te schrijven en welk een belangwekkend boek zou het niet worden!”Tolstoi’s plotselinge afreis naar den Kaukasus maakte wederom een einde aan deze aan afwisseling rijke, gevaarlijke periode van zijn leven.1Noot van L. Tolstoi. Ingelascht bij de lezing van dit handschrift.2Idem.34Noot van Tolstoi, ingelascht bij de lezing van dit handschrift.5Uit de volledige verzameling van de werken van Tolstoi, dl. IV.6Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.7R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.8Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.9Een driespan.10Volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. I.11Biecht(door Biroekoff fragmentarisch overgenomen).12De machtigste in het dorp.13Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.14Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. IV.15R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.16Ongeveer cadet.17Woorden uit het Russische soldatenliedje: “Kool en brij is ons voedsel.”18Eene soort limonade.19In het handschrift is deze brief in ’t Fransch aangehaald.20In het handschrift in ’t Fransch.
Zesde hoofdstuk.Jongelingsjaren.Vijf jaren woonde de familie Tolstoi te Kazan. Iederen zomer trokken zij, vergezeld van Pelageja Ilinitschna, naar Jasnaja Paljana, om iederen herfst weer naar Kazan terug te keeren.Tolstoi bracht de grootste helft van zijne jongelingsjaren door bij de familie Joeschkoff.Zijne oudere broers kwamen in 1841 te Kazan. De oudste, Nikolaas, ging over van de Moskousche naar de Kazansche universiteit, volgde daar den tweeden cursus van de tweede afdeeling der filosofische faculteit en besloot zijne academische loopbaan in 1884. De beide andere broers volgden den cursus van wat men tegenwoordig de mathematische faculteit noemt. Deze kwamen aan in 1843 en eindigden hunne studie in 1847.Leo Tolstoi koos de Oostersche talen, in de meening dat hij later in de diplomatie zou gaan. De voorbereiding voor deze studie duurde van 1842–’44 en was niet gemakkelijk, daar voor het toelatingsexamen reeds de Arabische en Turksch-Tartaarsche talen werden geëischt, die in dien tijd aan het eerste gymnasium werden onderwezen.Deze moeilijkheden werden door Tolstoi glansrijk overwonnen.In het archief te Kazan worden alle stukken, die betrekking hebben op Tolstoi’s komst, verblijf en vertrek aan en van de universiteit, bewaard.Deze documenten komen voor inGraaf L. N. Tolstoi en zijn studietijdvan N. P. Zagoskin. Een van de belangrijkste is een verzoekschrift, door Tolstoi zelf geschreven, waarin hij toelating vraagt tot de universiteit. Als gevolg daarvan mocht hij het toelatingsexamen doen, dat niet gunstig voor hem afliep, zooals blijkt uit het onderstaand getuigschrift, dat hij na afloop ontving:Godsdienst4Algemeene en Russische geschiedenis1(“Hier wist ik niets van”)1.Statistiek en Aardrijkskunde1(“Nog minder. Ik herinner mij nog, dat mij iets gevraagd werd van Frankrijk. De voorzitter, Poeschkin, die veel bij ons aan huis kwam, wilde mij blijkbaar helpen: ‘Nu, zeg eens, welke zeesteden heeft Frankrijk?’ Ik kon er niet één noemen”2).Meetkunde4Russische spraakkunst4Logica4Latijnsche taal2Fransche taal5Duitsche taal5Arabisch5Turksch-Tartaarsch5Engelsche taal4In zake de opname als student, vinden wij, dat graaf Leo Tolstoi is geëxamineerd voor de afdeeling Oostersche talen, maar niet is toegelaten. Aan dit document was toegevoegd: “Papieren teruggeven”.Dit gebeurde in het voorjaar van 1844. Tolstoi nam zich voor in den herfst een herexamen aan te vragen in de vakken die onvoldoende waren gebleken.Zoo richtte hij dan in ’t begin van Augustus het volgende verzoekschrift aan den rector der universiteit:Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Universiteit te Kazan, benoemd professor, werkelijke stadsraad Nikolaas Iwanowitsch Lobatschewski van Leo Nikolajewitsch graaf Tolstoi.Verzoekschrift.In de maand Mei van dit jaar onderwierp ik mij, met nog andere leerlingen van het eerste en tweede gymnasium, aan het examen voor toelating tot de Universiteit te Kazan in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.Daar het bij dit onderzoek bleek, dat mijne kennis van de geschiedenis en statistiek niet voldoende was, zoo vraag ik Uwe Excellentie eerbiedig heden opnieuw te worden toegelaten tot het examen in die vakken. Hierbij heb ik de eer de volgende stukken te voegen: 1eGeboorteakte, gegeven door het Consistorium te Toela; 2eCopieën van bevestiging van de adellijke afgevaardigden-vergadering, 3 Augustus 1844. Hetwelk onderteekent de bovengenoemdeGraaf Leo N. Tolstoi.In margine, onder dagteekening van 4 Augustus 1844: Toegelaten tot het aanvullingsexamen. De rector Lobatschewski.Hoe en wanneer Tolstoi examen deed is niet bekend, maar het is zeker dat het ditmaal beter ging, want wij lezen aan den voet van het verzoekschrift:Tolstoi toelaten tot de universiteit, als student voor eigen kosten, in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.Zoo kwam Leo Tolstoi dus aan de universiteit. Zijnvrijen tijd bracht hij door ten huize van zijne tante Joeschkoff en in den kring van hare bekenden. Welken invloed deze omgeving op hem had zullen we nader aantoonen.In Zagoskins werkLeo Tolstoi en zijn studietijdwordt gezegd, dat de kring waarin Tolstoi verkeerde eene verderfelijke was, die hem ongetwijfeld instinctief moest afstooten. Eene opmerking van Tolstoi zelf, bij de lezing van dit handschrift, leert ons het tegendeel:“Ik voelde in ’t geheel geen afkeer,” zegt hij, “en hield veel van het vroolijke Kazan, waar toen een uitgelezen kring bijeen was.”3Verder drukt Zagoski nog zijne bewondering uit, dat Tolstoi de kracht bezat weerstand te bieden aan deze verleidingen. Hierbij merkt hij het volgende op:“Integendeel, ik ben heel blij dat ik het begin mijner jongelingsjaren heb doorgebracht in een kring, waar ik jong kon zijn met de jeugdigen, mij niet bekommerende om de groote levensvragen, genietende van mijn niets-doend, weelderig maar niet slecht bestaan.”4Zagoskin geeft deze beschrijving van het eerste studiejaar:“De winter van het jaar 1844–’45, toen Tolstoi in zijne kwaliteit van ‘jongmensch’ zijne intrede in de wereld deed, kenmerkte zich door een opgewekt gezelschapsleven. Bals, zoowel bij den gouverneur en bij de eersten der stad, als in het Rodionowskische vrouwen-instituut (die met groote liefde door E. D. Zagoskin werden voorbereid), dansavondjes, maskerades in de adellijke club, tooneeluitvoeringen, levende beelden, concerten enz., eindeloos in aantal, wisselden elkaar af. Als zoon van goede familie, een’ titel voerend, met uitstekende plaatselijke connecties, kleinzoon van den gewezen gouverneur en een eventueel echtgenoot in de naastetoekomst, was Leo Tolstoi overal een zeer gewenschte gast.”Ouden van dagen kunnen zich zijner nog herinneren op alle bals, op alle avondjes, bij ieder vroolijk gezelschap, overal dansend, maar geen dames-dienaar zooals velen van de hem omringende studenten-aristokratie. Altijd kon men bij hem nog eene zekere schuchterheid en stijfheid van manieren waarnemen. Hij dwong zich klaarblijkelijk tot de rol, die hij nu eenmaal moest spelen, en waartoe de omstandigheden van zijn leven te Kazan hem nolens-volens brachten.Natuurlijk had dat vele uitgaan een zeer slechten invloed op zijne studie, zooals blijkt uit een aan Zagoskin ontleend getuigschrift van zijn eerste halfjaarlijksch examen, waar hij niet doorkwam:Vorderingen.Vlijt.Bijbelsche historie32Algemeene literatuurgeschiedenisNiet verschenen.Arabische taal22Fransche taal53Dit niet-slagen bracht geen verandering in Tolstoi’s vroolijk leventje. Hij nam deel aan de feesten die in de vastendagen werden gegeven, en met zijn’ broeder Sergius aan twee liefhebberij-comedies voor een liefdadig doel.Het resultaat van dat alles was, dat Tolstoi niet slaagde voor zijn overgangs-examen, en nog een jaar aan denzelfden cursus zou moeten deelnemen. Over dit toch niet ongelukkige examen spreekt Tolstoi op de volgende wijze:“Het eerste jaar werd ik afgewezen voor de bevordering naar het tweede jaar door den professor in de Russische geschiedenis Iwanoff, die onaangenaamheden met mijne familie had gehad, hoewel ik niet één college had gemist en de Russische geschiedenis kende; bovendien kreeg ik 1 voor hetDuitsch, hoewel ik meer van die taal wist dan een van de studenten van onzen cursus.”5Tolstoi wilde evenwel niet twee jaar denzelfden cursus volgen en diende een verzoekschrift in om in de rechten over te mogen gaan, hetgeen hem werd toegestaan.Het winterseizoen van 1845 begon weer met de tweedaagsche feesten ter eere van het verblijf van hertog Maximiliaan Leichtenberg te Kazan, wien een schitterende ontvangst werd bereid.“Ondanks dit vele uitgaan,” vertelt Tolstoi, “begon ik mij ernstig op de studie toe te leggen en dat verschafte mij waarlijk reeds eenig genoegen. Behalve voor rechtsencyclopaedie en het strafrecht (ik volgde met zeer veel belangstelling een college van den Duitschen professor Vogel over de doodstraf), interesseerde ik mij zeer voor het burgerlijk recht. Ook trok een arbeid, dien professor Meer mij had opgedragen,n.l.: het vergelijken van Montesquieu’sEsprit des loismet deInstructies voor een nieuwen code, van Catharina, mij bijzonder aan”6.In Mei 1846 slaagde Tolstoi bij het overgangs-examen. Hij kreeg een 5 voor logica en psychologie; drie 4-en voor rechtsencyclopaedie, voor het Romeinsche recht en voor het Latijn; vier 3-en voor algemeene en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsche taal en drie 5-en voor gedrag. ’t Gemiddelde cijfer bedroeg 3, en Tolstoi ging dus over van den eersten naar den tweeden cursus.In dat jaar gebeurde het, dat Tolstoi straf kreeg en in den carcer werd gezet. Deze episode wordt door zijn’ vriend Nazarjeff beschreven, hoewel niet geheel naar waarheid. De gesprekken evenwel zijn geheel juist weergegeven. Wij zullen de aanteekeningen gebruiken, die Tolstoi daarbij heeft gemaakt,waardoor natuurlijk alles in het ware licht komt te staan.Leo Tolstoi werd met een vriend opgesloten, niet in het auditorium, zooals Nazarjeff schrijft, maar werkelijk in den carcer met getraliede ramen. Hij had een’ kandelaar en kaarsen in zijne laarzen verborgen en zij brachten er één of twee aardige dagen door.Wat betreft den koetsier, het paard, den knecht enz., dat is alles in de verbeelding van Nazarjeff ontstaan. Het gesprek evenwel, door hem beschreven, is geheel waar. Wij laten het hier volgen.“Ik herinner me,” zoo begint Nazarjeff, “dat ikDemonvan Lermontoff las. Tolstoi zag een geschiedenisboek van Karamzin naast mij liggen en begon naar aanleiding daarvan op de geschiedenis af te geven als het vervelendste en minst nuttige vak dat er bestond.“‘Historie,’ zei hij, en zijne woorden kwamen kort en scherp over zijne lippen, ‘historie is niet anders dan eene verzameling van sprookjes, waar cijfers en eigennamen kunstig zijn doorheen gewerkt. De dood van Igor, de slang die Oleg heeft gebeten, wat zijn het anders dan sprookjes? En voor wie is het noodig te weten dat het tweede huwelijk van Johan op 21 Augustus 1562 werd voltrokken, en het vierde, met Anna Alexejewna, in 1517. Van mij echter wordt verlangd dat ik die dingen weet, en blijf ik in gebreke dan krijg ik een 1. En hoe wordt de historie geschreven! Alles wordt in een bepaalden vorm gegoten, door den historicus uitgedacht. De “verschrikkelijke” Tsaar, waarover professor Iwanoff juist college houdt, wordt na 1560 plotseling van een deugdzamen, wijzen man, een ontoerekenbare, woedende tyran. Hoe en waarom, daar moet men niet naar vragen....’ Op deze wijze liet mijn vriend zich uit. Het was mij of ik een stortbad had gekregen, te meer daar geschiedenis mijn liefste vak is. Daarna gafTolstoi zijne meening over de universiteit en de academische studie te kennen. ‘Tempel der wijsheid!’ klonk het telkens smalend van zijne lippen, en daarbij beschreef hij onze professoren op zulk eene wijze, dat ik, hoeveel moeite ik ook deed om mij in te houden, het uit moest schateren van het lachen. ‘Wij verwachten,’ vervolgde Tolstoi, ‘dezen tempel als nuttige, bruikbare menschen te zullen verlaten. En wat nemen wij mee van de universiteit? Denk daar eens over na en antwoord me dan oprecht. Wat nemen we mee, als we ieder onzen eigen weg gaan en naar ons dorp terugkeeren? Waarvoor kunnen wij gebruikt worden en wie heeft eenig nut van ons?’“Onder zulke gesprekken verliep de nacht. Tegen het aanbreken van den morgen ging de deur open en verscheen de bewaarder, die ons verklaarde, dat wij vrij waren en naar huis konden gaan.“Tolstoi drukte zijne muts diep in de oogen, wikkelde zich in zijn studentenjas, knikte bij wijze van groet even met zijn hoofd, schimpte nog eens op den tempel en verdween, vergezeld door zijn’ bediende en den bewaarder. Ik haastte mij ook naar buiten, waar ik nu, zonder mijn’ celgenoot, met volle teugen de frissche morgenlucht inademde.“Mijn hoofd was vol gedachten, die voor mij nog geheel onbegrijpelijk waren, en vol van twijfelingen die ik nooit gevoeld had, maar die bij mij waren opgewekt door mijn’ vriend uit de gevangenis.”De drie broers Tolstoi, die tot nu toe bij hunne tante Pelageja hadden gewoond, gingen in 1847 verhuizen, en betrokken kamers in eene woning die tegenwoordig voor armenhuis dienst doet. Zij hadden vijf kamers op de bovenste verdieping.In Januari 1847 nam Tolstoi nog eens deel aan het halfjaarlijksch examen, maar trok zich voor een gedeelte terug. Blijkbaar beschouwde hij het als eene onnoodige formaliteit en liep hijreeds met het plan rond om de universiteit te verlaten. Spoedig na de Paaschvacantie zond hij met dat doel een verzoekschrift in, dat wij in zijn geheel van Zagoskin hebben overgenomen en hier laten volgen.Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Kazansche Universiteit, den werkelijken stadsraad Iwan Michaïlowitsch Simonoff.Van den voor eigen rekening levenden student van den 2dencursus der rechtsgeleerde faculteit, graaf Leo Nikolajewitsch Tolstoi.Verzoekschrift.Wegens geschokte gezondheid en huiselijke omstandigheden niet langer wenschende den cursus aan de universiteit bij te wonen, verzoek ik Uwe Excellentie eerbiedig mij af te schrijven als student en mij mijne papieren mede te doen toekomen. Hetwelk onderteekent de bovengenoemde12 April 1847.Graaf Leo Tolstoi.Ingevolge dit verzoekschrift gaf het bestuur het antwoord: “Tolstoi ontslaan van de universiteit en hem een getuigschrift uitreiken.”In het archief van de universiteit bevindt zich nog een duplicaat van dit getuigschrift, dat voor ons van eenig belang is om de eigenaardige wijze waarop datgene wat men niet wilde zeggen is omschreven. Hier volgt de inhoud.“Brenger dezes, graaf Leo Nikolajewitsch, zoon van Tolstoi, na het eerste elementaire onderricht genoten en na het geheele gymnasium afgeloopen te hebben, werd ingeschreven als student aan de Universiteit te Kazan voor den cursus van de Arabisch-Turksche talen. Welke vorderingen hij gemaakt heeft is niet bekend, daar hij niet verscheen opde jaarlijksche examens, reden waarom hij denzelfden cursus nog een jaar moest volgen. Met toestemming van het college ging hij over naar de juridische faculteit, waar hij groote vorderingen maakte: logica en psychologie—zeer goed;—rechtsencyclopaedie, de geschiedenis van het Romeinsche recht en Latijn—goed; algemeene en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsch—voldoende; hij ging over naar den tweeden cursus, doch de vorderingen kunnen niet geconstateerd worden, daar de examens nog niet zijn afgenomen. Het gedrag van Tolstoi was gedurende zijn verblijf aan de universiteit uitstekend. Ingevolge zijn verzoekschrift is hem om gezondheidsredenen verlof gegeven de akademie te verlaten; reden waarom de bovengenoemde graaf Tolstoi, zijne studie niet hebbende voleindigd, geen gebruik mag maken van de rechten van een werkelijken student; volgens artikel 590 van het Wetboek zal dit getuigschrift bij aanvaarding van een burgerlijk ambt de vergelijking moeten doorstaan met de papieren van personen die middelbaar onderwijs genoten hebben, en kan hij in aanmerking komen voor civiel-ambtenaar 2eklasse. Dit getuigschrift, voorzien van de vereischte handteekeningen en stempel der Kazansche Universiteit, gegeven aan graaf Leo Tolstoi.“Gedaan op allerhoogst bevel. Op ongezegeld papier.”“Tolstoi,” zoo vertelt Zagoskin, “haastte zich uit Kazan weg te komen en wachtte niet eens het examen van zijne broers Sergius en Dmitri af. Hij reisde over Moskou naar Jasnaja Paljana. Den dag van zijn vertrek verzamelde een kleine kring studenten zich ten huize van de Tolstoi’s. Een van dezen, die tot nu toe nog te Kazan woonde, vertelde mij dat zij zijn afscheid feestelijk vierden en hem een eindweegs vergezelden, n.l. tot over het riviertje Kazanka, waar zij hem den laatsten groet brachten.”Tolstoi liet aan de Kazansche universiteit nog een klein spoor na. Vorst Dmitri Dm. Obolenski deelde mij onlangs mede, dat op de bank waar Tolstoi gewoonlijk zat, de naam “graaf L. N. Tolstoi” gevonden was, die er waarschijnlijk door hem zelf met een mesje of met den nagel was ingekrast.De Duitscher R. Löwenfeld, die eene biographie van Tolstoi heeft geschreven, vroeg hem eens, toen hij op Jasnaja Paljana vertoefde, hoe het mogelijk was, dat hij, bij zijn grooten dorst naar wetenschap, toch de universiteit had verlaten.“Juist in mijn’ dorst naar wetenschap ligt waarschijnlijk de oorzaak,” antwoordde Tolstoi. “Wat de professoren ons leeraarden boezemde mij weinig belang in. In den aanvang studeerde ik in de Oostersche talen, maar maakte weinig vorderingen. Ik studeerde ijverig en las een oneindig aantal boeken, maar alle in één richting. Wanneer een vraagstuk mij belang inboezemt, dan bekijk ik het niet van links of van rechts, maar van alle kanten en tracht het geheel te overzien, om er een klaar begrip van te krijgen. Zoo was ik ook reeds te Kazan.”7“Er bestonden twee redenen waarom ik de universiteit verliet: Ten eerste dat mijn broers hadden afgestudeerd en weggingen, en ten tweede, hoe vreemd het ook moge klinken, mijne studie over deInstructiesenl’ Esprit des Lois, die mij een nieuw veld voor zelfstandigen gedachtenarbeid opende en waarbij de universiteit met hare vele eischen mij hinderde.”8De herinneringen van Tolstoi aan zijn’ broeder Dmitri zijn verbonden met eenige belangrijke bijzonderheden van het leven te Kazan.“Mitjenka (Dmitri) is een jaar ouder dan ik. Hij heeft groote, strenge, zwarte oogen. Als knaap kan ik hem mij bijna niet herinneren. Ik weet slechts uit de verhalen, dat hij als jongen heel grillig was. Men vertelde mij b.v. dat hij boos werd als de njanja naar hem keek en ook begon te schreeuwen als zij hem niet aanzag. Mijne moeder had er veel verdriet van. Wij stonden het dichtst bij elkaar in leeftijd en ik speelde veel met hem, maar toch hield ik meer van Sergius en van Nikolaas. Wij gingen goed met elkaar om, en ik kan mij niet herinneren, dat wij met elkaar vochten. Het zal wel eens zijn voorgekomen, maar werd dan spoedig weer vergeten. Ik hield van hem met eene eenvoudige, gelijkmatige, natuurlijke liefde, die om haar eenvoud geen indruk heeft nagelaten. Ik geloof, of liever, ik ben er van overtuigd, want ik heb het in mijne jeugd zelf ondervonden, dat de liefde tot de menschen een natuurlijke toestand van de ziel is, of meer nog eene natuurlijke betrekking tot alle menschen, en waar dit zoo is daar bemerkt men haar niet.“De herinnering blijft behouden wanneer men niet van iemand houdt of als men iemand vreest. Zoo was ik bang voor bedelaars, bang voor een zekeren Wolkonski, die mij altijd kneep; ik geloof niet dat er nog andere menschen waren, voor wie ik vrees koesterde. Ook blijft de herinnering als men zeer veel van iemand houdt, zooals ik b.v. hield van Tatjana Alexandrjewna, van mijne broers Sergius en Nikolaas, van een zekeren Wassiliï, van de njanja Isajewna en van Paschenka. Van Mitjenka’s eerste jeugd herinner ik mij alleen maar dat hij vroolijk was. Eerst in Kazan, waar wij heen gingen toen hij 13 jaar oud was, begon ik zijne eigenaardigheden op te merken. Ik herinner mij, dat hij, toen wij nog in Moskou waren, niet zoo gauw verliefd was als Sergius en ik; hij hield niet van dansen, ook niet van militair vertoon (waar ik later nog van zal spreken) en leerde goed en vlijtig.Ik weet nog, dat onze leeraar, de student Palonski, eens van ons drieën zeide: ‘Sergius wil en kan, Dmitri wil maar kan niet (dat was niet waar), en Leo wil niet en kan niet.’ Ik geloof dat dit laatste geheel waar was.“Ik had steeds Sergius als voorbeeld genomen en begon reeds mijne reinheid te verliezen (dat zal ik ook later vertellen). Met mijn uiterlijk hield ik mij reeds lang bezig en ik deed mijn best er geheelcomme il fautuit te zien.“Mitjenka was heel anders; ik geloof dat hij niet een van die gebreken had, die jongens op dien leeftijd eigen zijn. Hij was ernstig, oplettend, rein, vlug besloten en wat hij deed, dat deed hij met hart en ziel, maar hij was driftig. Toen het eens gebeurde dat hij dat kettinkje inslikte, maakte hij zich, voor zoover ik het mij herinneren kan, niet ongerust, terwijl ik nu nog weet hoe angstig ik was, toen ik een pit van eene Fransche pruim had doorgeslikt, die mijne tante mij had gegeven, en met hoeveel gewicht ik haar dat ongeluk ging vertellen. Ik herinner mij nog, dat wij eens als kleine jongens aan het sleeën waren op een afgelegen steilen heuvel (en wat was het vroolijk!), toen iemand in plaats van den grooten weg te volgen, met zijne troika9den berg opreed. Sergius en een boerenjongen, die juist aan ’t glijden waren, konden het sleetje niet meer tegenhouden en geraakten onder de paarden. De kinderen kregen geen letsel en de troika reed verder. Wij hadden het er druk over, hoe Sergius onder het bijdehandsche paard was door gekropen en hoe het andere schrikte, maar Mitjenka (hij was toen negen jaar) ging naar het rijtuig en schold den voerman uit. Ik herinner mij, dat ik hem bewonderde, maar dat de woorden die hij zei mij niet zeer bevielen, n.l. dat het niet veroorloofd was daar te rijden, dat het geen rijweg was en dat de koetsier verdiende daarvoorin den stal te worden geworpen, hetgeen met andere woorden wil zeggen: te worden afgeranseld.“In Kazan, zooals reeds gezegd is, kwamen zijne bijzondere eigenschappen meer aan het licht. Hij leerde altijd even goed, maakte heel gemakkelijk gedichten en heel goede vertalingen van de werken van Schiller, hoewel hij er niet veel aan deed. Hij dacht steeds bij zijn werk, en was altijd rustig en ernstig. Eén maal herinner ik mij echter dat hij de dolste dingen uithaalde; de meisjes vonden het prachtig en ik werd jaloersch en dacht: ‘dat komt zeker omdat hij anders altijd zoo ernstig is,’ en ik nam mij voor ook zoo te worden.“Het was een domme inval geweest van tante Pelageja, toen zij ons ieder een’ bediende van onzen eigen leeftijd gaf, Mitjenka kreeg Wanjoescha (hij leeft nog), dien hij dikwijls slecht behandelde; ik geloof zelfs dat hij hem wel eens sloeg. Ik zeg ‘ik geloof,’ omdat ik het niet zeker weet, maar wèl herinner ik mij nog zijn berouw en zijn nederig smeeken om vergiffenis.“Zoo werd Dmitri ongemerkt grooter, bemoeide zich weinig met de menschen, en met uitzondering van zijne driftbuien was hij steeds rustig en ernstig en keek met denkende, strenge, groote, zwarte oogen de wereld in. Hij was lang, tamelijk mager, niet heel sterk, had lange armen en een gebogen rug. Hij was een jaar jonger dan Sergius, studeerde echter tegelijk met hem op en had als vak de meetkunde gekozen omdat zijn oudere broeder dat ook had gedaan. Hoe hij er zoo jong toe kwam weet ik niet, maar reeds in ’t begin van zijn’ studententijd werd en leefde hij zeer godsdienstig. Dit leven bracht hem natuurlijk met de kerk in aanraking en, ernstig als hij was, volgde hij in alles hare voorschriften. Op vastendagen at hij geen vleeschspijzen, woonde alle diensten bij en stelde zich zelf steeds de hoogste eischen.“Mitjenka bezat ook dien mooien karaktertrek, dien ik bijmijne moeder vermoedde, bij mijn broer Nikolaas had opgemerkt en dien ik zelf volkomen miste, n.l. die groote onverschilligheid voor het oordeel der menschen. Nu zelfs kan ik mij nog niet vrij maken van de gedachte, wat de menschen wel van mij zullen zeggen. Mitjenka kende dat gevoel niet. Ik zag op zijn gelaat nooit dat half teruggegehouden lachje, dat onwillekeurig verschijnt wanneer de menschen ons prijzen. Ik zie hem nog steeds met zijne ernstige, rustige, treurige, soms booze, groote, amandelvormige, zwarte oogen. Eerst in Kazan begonnen wij hem eenige aandacht te schenken, en wel omdat juist in dien tijd, toen Sergius en ik zooveel waarde aan ons uiterlijk en aan het begrip vancomme il fauthechtten, hij er altijd even slordig uitzag, waarover wij hem dikwijls onderhielden. Hij kon niet dansen en wilde het ook niet leeren. Als student kwam hij niet in gezelschappen, droeg altijd zijn studentenjas met een smal dasje, en van zijne jeugd af had hij het dwaze aanwensel steeds met zijn hals te draaien alsof hij te nauwe dassen droeg.“Op godsdienstig gebied begonnen zijne eigenaardigheden daarmee, dat hij voor het heilige avondmaal niet naar de moderne universiteitskerk ging, maar naar de kazemat-kerk. Wij woonden tegenover het tuchthuis. Daar was een zeer strenge en godsdienstige priester aan verbonden, die in den tijd der vasten alle evangelies voorlas alsof men die nog nooit had gehoord, zoodat de diensten natuurlijk ontzettend lang duurden. Mitjenka hield het uit en maakte kennis met dezen pope. De kerk in het tuchthuis was zóó ingericht dat de gevangenen achter een glaswand stonden, waarin deuren waren aangebracht. Eens wilde een van de gevangenen den kerkdienaar eene kaars of geld voor eene kaars geven. Niemand van de in de kerk aanwezigen wilde zich met deze boodschap belasten, maar Mitjenka met zijn ernstig gezicht nam het op zich. Het bleek naderhand, datdit verboden was en men onderhield hem er over, maar hij vond het goed en deed het bij voorkomende gelegenheden weer. Wij, hoofdzakelijk Sergius, hadden aristokratische kennissen, Mitjenka daarentegen koos uit allen den beklagenswaardigen armen student Poloebojarinoff, dien een vriend van ons Poloebjezabjedoff (‘half zonder middageten’) noemde. Wij domme jongens vonden dat heel grappig en lachten Mitjenka uit. Deze Poloebojarinoff was zijn eenige vriend en met hem werkte hij voor het examen. Wij woonden toen op den hoek van het plein Arskoje, in het huis van Kisiljeff, op de bovenste verdieping. Vóór had Mitjenka zijne kamer, daarachter Sergius en ik. Wij beiden hielden er van onze kamer mooi te maken en wij kregen daarvoor allerlei kleinigheden. Mitjenka hield er niet van en vroeg van de voorwerpen uit ons ouderlijk huis alleen maar de mineralen. Hij verdeelde ze in groepen, schreef er de namen bij en bewaarde ze in eene doos met glazen deksel.Vroegere ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 56.Vroegere ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz.56.“Onze vrienden, die zagen dat wij, broers, en ook onze tante met eene zekere minachting op Mitjenka en zijne eenvoudige neigingen neerzagen, namen dat natuurlijk van ons over. Een van hen, de ingenieur Es., zag eens, door Mitjenka’s kamer gaande om bij ons te komen, diens mineralen en vroeg hem iets; Mitjenka gaf nauwelijks antwoord. Es., een onsympathiek, aanstellerig jongmensch, schoof en schudde de doos, waarop Mitjenka hem verzocht dat te laten. Hij liet het niet, bespotte hem en lachte hem uit, en noemde hem, waarom weet ik niet, Noach. Mitjenka werd driftig en sloeg hem met zijne groote hand in ’t gezicht. Es. liep naar onze kamer, achtervolgd door Mitjenka, die, toen wij hem buitensloten, woedend dreigde Es. te zullen afranselen, als hij de deur uitkwam. Ik weet niet hoe het zou zijn afgeloopen als wij hem niet, op zijn verzoek, heimelijk, half kruipend over den stoffigen zolder, hadden laten ontsnappen.“Zoo was Mitjenka als hij driftig was, maar als men hem niet plaagde was hij geheel anders.“Onze familie had om de eene of andere reden een meisje aangenomen. Zij was een vreemd, beklagenswaardig schepsel en heette Ljoebow Serghejewna. Zij was eene onwettige dochter van Protasoff. Hoe zij bij ons kwam weet ik niet. Ik hoorde dat het uit medelijden was en dat men haar zelfs aan Feodor Iwanowitsch had willen uithuwelijken, maar daar is niets van gekomen. Zij moet steeds bij ons gewoond hebben, doch daar weet ik niets meer van, wèl dat tante Pelageja haar mee nam naar Kazan, waar ik haar leerde kennen. Het was een ongelukkig meisje. Zij had haar eigen kamer, waar zij ook werd bediend. Toen ik haar voor ’t eerst zag, was zij niet slechts beklagenswaardig maar afkeerwekkend. Ik weet niet welke ziekte zij had, maar haar gezicht was altijd opgezet, als door bijen gestoken; de oogen keken uit een paar dikke, gladde kussens zonder wenkbrauwen; geel, opgezet en glimmend waren ook wangen, neus, lippen en mond. Zij sprak moeielijk, waarschijnlijk omdat haar mond inwendig ook was opgezwollen. In den zomer zaten er altijd vliegen op haar gezicht, hetgeen zij niet scheen te voelen; vreeselijk om aan te zien! Haar haar was zwart, maar zoo dun, dat het haren schedel niet bedekte. Joeschkoff, de man van mijne tante, die niet altijd even kiesch was, kon zijn’ afschuw voor haar niet verbergen. Altijd had zij eene benauwde lucht bij zich, die ook op haar kamer hing, waar nooit een raam openstond. En deze Ljoebow Serghejewna koos Mitjenka zich tot vriendin. Hij ging naar haar toe, sprak met haar, luisterde naar haar, wandelde met haar en las haar voor, en wij, stompzinnig als wij waren, lachten om die vriendschap. Mitjenka echter stond zóó hoog, bekommerde zich zóó weinig om het oordeel der menschen, dat het hem niet eens de moeite waard was om met een enkelwoord uit te leggen, dat hij het deed omdat hij het goed vond. Hij dééd het eenvoudig, en niet voor een paar dagen, bij wijze van gril, maar al den tijd dien wij in Kazan doorbrachten.“Hoe duidelijk is het mij thans, dat de dood Mitjenka niet kon vernietigen, dat hij reeds was voor ik hem leerde kennen, vroeger dan hij werd geboren, en dat hij voortleeft na zijn’ dood.”Voor zoover het ons mogelijk is, zullen wij nu een’ blik slaan op het innerlijk leven van Tolstoi, zooals hij was in zijne jongelingsjaren.Het kritieke punt in het leven van den man zijn zijne jongelingsjaren, het tijdperk waarin van alle kanten de onbekende hartstochten hem bestormen. Reeds voor den alledaagschen mensch is dit de tijd van heftig voelen, van het zoeken naar idealen, de periode van droomen en verwachtingen, van wenschen die nooit vervuld zullen worden. Dus kunnen wij ons voorstellen hoe zwaar de inwendige strijd moest zijn voor een’ man als Tolstoi, met zijn zoo voor alle indrukken vatbare natuur. Hoe hoog die geest, gedragen door zijne fantasieën, zich kon verheffen boven deze aarde, maar ook hoe diep zij zinken kon, omlaag getrokken door zijne dierlijke instincten.Eene beschrijving van dezen inwendigen strijd geeft Tolstoi ons in zijne werkenBiechtenJongelingsjaren.De gedachten, in het eerste werk uitgesproken door Nikoljenka Irtjenjeff, hebben zonder twijfel auto-biografische waarde. InJongelingsjarenzijn deze uitingen min of meer geïdealiseerd. Eenige van de belangrijkste ideeën laten wij hier volgen.“Ik zeide reeds, dat mijne vriendschap voor Dmitri mij een nieuwen blik op het leven gaf en mij leerde dat de taak der menschen hierin moet bestaan: steeds te streven naarhet goede, naar het volmaakte. Eene taak die ons niet moeielijk en zeer goed uitvoerbaar scheen.“Er kwam een tijd, waarin die gedachten zóó heftig op mij instormden, dat ik plotseling begreep hoe lang ik reeds tevergeefs had geleefd. Van dat oogenblik af aan nam ik mij heilig voor die goede voornemens nooit meer te laten varen. Dat was, reken ik, het begin van mijn’ jongelingstijd.“Ik was toen ongeveer zestien jaar. Nog steeds moest ik les nemen en gedwongen, tegen mijn’ zin, werd ik klaar gemaakt voor de universiteit.“In dezen tijd van mijn leven namen mijne droomen de volgende vier gestalten aan: ten eerste, de liefde tot ‘haar’, de vrouw mijner fantasieën, van wie ik droomde en die ik ieder oogenblik verwachtte te zullen ontmoeten.“Ten tweede, de liefde tot de liefde. Ik wenschte dat iedereen mij kende, dat allen mij liefhadden, dat ik slechts mijn naam behoefde te noemen, opdat iedereen zou zijn getroffen, en dat allen mij omringden en mij ergens dankbaar voor waren.“Ten derde, de hoop op een groot, eervol geluk; en dat gevoel was zóó heftig, dat het bijna tot waanzin overging.“Ten vierde, en dat was wel de sterkste aandoening, de groote afkeer van mijzelf en diep berouw, maar een berouw dat zich paarde aan de hoop op geluk en mij niet droevig stemde. Ik genoot zelfs van den terugblik en trachtte hetgeen achter mij lag nog slechter te zien dan het geweest was. Hoe donkerder toch de herinnering aan het verleden, des te reiner en lichter deed zich het heden voor, in des te schitterender kleuren bloeide de toekomst voor mij op. Die stem van het berouw en die hartstochtelijke wensch naar volmaking waren de overheerschende gevoelens in dat tijdperk mijner ontwikkeling en deden mij mij zelf, de menschen en Gods aarde in een geheel nieuw licht aanschouwen. Gezegende, vertroostende stem, diezooveel malen in dien bangen, treurigen tijd, toen mijne ziel werd overwonnen door ’s levens leugen en ontucht, zich plotseling moedig keerde tegen iedere onwaarheid, waarschuwend tegen het verleden, wijzend op het lichte heden, mij belovend het schoone, het geluk in de toekomst! Gezegende, vertroostende stem, kan het zijn dat gij ooit zult verstommen?”Wij weten, dat die stem, gelukkig voor hem en gelukkig voor ons, nog nooit heeft gezwegen; nog steeds roept zij ook ons naar het oneindig, lichtend ideaal.Deze fantasieën wijzen ons op dat idealistisch naturalisme, dat den grondslag vormt van het grootste gedeelte zijner werken.“Hooger en hooger, lichter en lichter stond de maan aan den hemel, glanzend glinsterde de vijver, helderder en helderder werd het, zwarter en zwarter de schaduw, waziger en waziger de lucht. Luisterende en starende voelde ik, dat ‘zij’, met hare blanke armen en vurige omhelzingen, nog zoo ver bleef, nog zoo ver van ’t geluk, en mijn liefde tot haar nog zoo ver van de gelukzaligheid; en hoe langer ik staarde naar de klimmende, glanzende maan, des te hooger en hooger, reiner en reiner, dichter en dichter bij Hem, bij de bron van alle schoonheid en geluk, scheen mij de ware schoonheid, en de tranen van onbewust verlangen en tevens van blijde ontroering welden op in mijne oogen.“En ik was geheel alleen, en het scheen dat de geheimzinnig grootsche natuur de maan geheel in zich opnam, die, ergens hoog aan den bleek-blauwen hemel staande, met haar licht het gansche heelal overstroomde; en mij, nietigen worm, reeds bezoedeld door de kleinste en laagste menschelijke hartstochten, maar doordrongen van de onmetelijke kracht der liefde,—mij kwam het voor, alsof ik één werd met de maan en het licht in de natuur.”Het is niet onbelangrijk voor ons, de namen te zien derschrijvers, die invloed hebben uitgeoefend op Leo Tolstoi in zijne jongelingsjaren:Namen der werken:Graad van invloed:Het Evangelie van Mattheüs,De BergredeBuitengewoon groot.Sterne,Sentimental JourneyZeer groot.Rousseau,Confessions,EmileBuitengewoon groot.Rousseau,La nouvelle HéloïseZeer groot.Poeschkin,Jewgheniï,AnjekinZeer groot.Schiller,Die RäuberZeer groot.Gogol,Schinel,Iw. Iw.enIw. Nik.Groot.Gogol,Njewski Prospekt,Wi,Doode ZielenZeer groot.Toerghenjeff,Aanteekeningen van een JagerZeer groot.Droezjinin,Paulina SaksZeer groot.Grigorowitsch,Anton GorjemikaZeer groot.Dickens,David CopperfieldBuitengewoon groot.Ljermontoff,Helden van onzen tijd,TamanZeer groot.Prescott,History of the conquest of MexicoGroot.Naast de werken van deze schrijvers oefenden Tolstoi’s levensomstandigheden een grooten invloed op hem uit en wel voornamelijk het begrip vancomme il faut.In zijnJongelingsjarenwijdt hij daaraan een geheel hoofdstuk. Wij laten het voornaamste volgen.“Ik voel mij verplicht,” zegt Tolstoi, “een geheel hoofdstuk te wijden aan dit meest leugenachtige en schadelijke van alle begrippen, mij bijgebracht door opvoeding en omgeving.“In den tijd, waarvan ik schrijf, verdeelde ik de menschen bij voorkeur in lieden, die ikcomme il fautof nietcomme il fautnoemde. Deze tweede soort onderscheidde ik nog eens in menschencomme il fautop hunne wijze en in plebs. De liedencomme il fautachtte ik en keurde ik waardig om mee om te gaan; de tweede soort haatte ik, maar ik deed alsof ik op hen neerzag; de derde soort bestond niet voor mij, die verachtte ik volkomen. Iemand, dien ikcomme il fautnoemde, moest in de eerste plaats het Fransch volkomen machtig zijnen met zuiver accent spreken. Eene slechte uitspraak wekte dadelijk een gevoel van tegenzin in mij op. ‘Waarom wilt ge spreken zooals wij, als ge het toch niet kunt?’ dacht ik dan, inwendig spottend.“Een tweede voorwaarde omcomme il fautte zijn waren lange, goed verzorgde, schoone nagels; de derde, goed te kunnen buigen, dansen en converseeren, en de vierde, dat was de gewichtigste, het ten toon spreiden van eene groote onverschilligheid voor alle dingen en eene voortdurende betuiging van geringschattende verveling.“’t Is vreeselijk wanneer ik bedenk, hoeveel kostbaren tijd ik op zestienjarigen leeftijd, moeite doende om mij die eigenschappen te verwerven, verbeuzelde.“Maar niet die gouden tijd, dien ik verloor om geheel te kunnen voldoen aan de eischen, die hetcomme il fautmij stelde en waardoor ik geen tijd meer overhield voor ernstige studie, ook niet de minachting waarmee ik neerzag op negen tienden der menschen, evenmin mijne blindheid voor het schoone dat buiten den kring van hetcomme il fautstond, dat alles was nog niet het ergste kwaad, waartoe deze opvatting mij bracht. Veel erger was het, dat ik mij verbeeldde, datcomme il fauteene positie aanduidde in de maatschappij; dat een menschcomme il fautzich geen moeite behoefde te geven om ambtenaar, wagenmaker, soldaat of geleerde te worden, dat hij, zoo hij aan dien eisch kon voldoen, volkomen aan zijne bestemming beantwoordde, ja zelfs ver boven het grootste gedeelte van het menschdom stond.“Op een zekeren tijd van ons leven, na ’t begaan van menige onbezonnenheid, komt toch bijna voor ieder mensch het oogenblik dat hij zich gedrongen voelt zich te wijden aan een’ werkkring in de maatschappij, maar bij den mancomme il fautziet men dat zelden. Ik ken en kende heel veel reeds bejaarde, trotsche, zelfbewuste menschen, die op de vraag (gesteld datons die in de wereld hiernamaals gedaan werd): ‘wat zijt gij? en wat deedt gij?’, niet anders zouden kunnen antwoorden dan: ‘Je fus un homme très comme il faut.’“Dat lot wachtte ook mij.”10Zooals reeds gezegd is in het gesprek met den Duitscher Löwenfeld, boezemde de akademische studie Tolstoi heel weinig belang in, maar voelde hij den lust in zich opkomen tot zelfstandigen arbeid, hiertoe opgewekt door de vergelijking van de beide werken:l’Esprit des Loisvan Montesquieu en deInstructiesvan Catharina.Tolstoi’s dagboek, dateerende uit dien tijd, staat vol aanteekeningen en opmerkingen over dien arbeid en daarnaast schreef hij een zee van gedachten neer, alsof zijn verstand tot nu toe had geslapen en, plotseling wakker geworden, zich met alles ging bezighouden.In Maart van het jaar 1847 lag Tolstoi wegens de een of andere ziekte in de kliniek te Kazan. Zijne gedwongen ledigheid en afzondering brachten hem tot nadenken en hij stelde zich de vraag, wat de eigenlijke beteekenis was van het verstand. Onze kring maakt slechts een deel uit van de wereld. Het verstand moet zich dus toetsen aan degeheelewereld, moet de algemeene wetten erkennen en dan kan het onafhankelijk worden van dat onderdeel, van dien kring.Deze opmerking bewijst ons, dat de 18-jarige jonge man reeds de kiem bij zich droeg van het latere anarchisme.Toen Tolstoi in zich dien drang naar wetenschap bemerkte, legde hij zich, angstig dat hij zich in de theorie zou verliezen, dadelijk de vraag voor, hoe hij de theorie in dienst kon stellen van de praktijk, doch was zich tevens bewust dat hij in hoofdzaak moest trachten zich zelf in overeenstemming te brengen met het zedelijk ideaal.Zoo schrijft hijo.a.in Maart 1847 in zijn dagboek: “Ik ben veel veranderd, maar heb dien graad van volmaking nog niet bereikt, dien ik hoop te verkrijgen. Ik vervul niet wat ik mij heb voorgeschreven en wat ik ten uitvoer breng, dat doe ik niet goed; ik span mij niet genoeg in. Daarom schrijf ik mij nu eenige levensregels voor, die mij, zoo ik ze ga naleven, heel veel kunnen helpen.I. Voleindig wat gij begint, hoeveel moeite het u ook kost.II. Wat gij doet, doe dat goed.III. Zoo gij iets hebt vergeten, haal het dan niet uit de boeken, maar tracht het zelf uit te vinden.IV. Laat uw verstand steeds werkzaam zijn zoo veel het kan.V. Lees en denk steeds hardop.VI. Durf den menschen, zoo zij u hinderen, te zeggen dat zij u hinderen; geef eerst een’ wenk, en zoo zij het niet begrijpen, verontschuldig u dan, maar zeg het.”Door de bestudeering der werken van Montesquieu en Catharina kwam hij tot de gevolgtrekking, dat in het laatste twee hoofdideeën op den voorgrond treden,d.w.z.de revolutionaire ideeën van het toenmalige Europa en het despotisme en de eerzucht van haar zelf; de laatste treedt het meest naar voren. De republikeinsche ideeën heeft zij ontleend aan Montesquieu. Resumeerende kwam hij tot het resultaat, dat deInstructiesCatharina meer roem dan Rusland nut hebben gebracht.Nadat hij besloten had de universiteit te verlaten en op het land te gaan leven, deed hij zich zelf de belofte zich verder te bekwamen in de Engelsche en Latijnsche taal en in het Romeinsche recht, waarschijnlijk voelende dat hij het daarin nog niet ver had gebracht.Hoe meer de tijd van zijn vertrek naderde, des te meer breidden zijn plannen en fantasieën zich uit en zoo schreef hij ten slotte 17 April 1847 in zijn dagboek: “Er moet eene verandering in mijn leven komen, maar dat moet niet eene uitwendige maar eene inwendige, eene zielsverandering zijn”, en verder:“Het geheele leven is een bewust streven naar eene algeheele ontwikkeling van het bestaande.“Het doel van mijn tweejarig dorpsleven is: 1. de studie van de rechtswetenschappen voor zoover noodig, voor het eindexamen van de universiteit; 2. de studie van de praktische en gedeeltelijk van de theoretische geneeskunde; 3. de studie der talen: Fransch, Russisch, Engelsch, Italiaansch, Duitsch en Latijn; 4. de studie der landhuishoudkunde, zoowel praktisch als theoretisch; 5. de studie der geschiedenis, aardrijkskunde en statistiek; 6. de studie der mathesis voor zoover die op het gymnasium verlangd wordt; 7. het schrijven van eene dissertatie; 8. trachten naar den hoogsten graad van volmaking in muziek en schilderkunst; 9. levensregels schrijven; 10. het verkrijgen van eenige bedrevenheid in de natuurwetenschappen; 11. geschriften samenstellen betreffende alles wat ik zal leeren.”De twee jaren, die Tolstoi dus in zijn dorpje doorbracht, waren gevuld met het najagen dezer idealen en een voortdurenden strijd met zich zelf om de volmaking te bereiken.Met eene onnavolgbare oprechtheid wijst hij zich zelf op iedere afwijking van deze levensregels, op iederen terugval, en van voren af aan begint dan weer de strijd. De verhouding tot de vrouw verontrustte hem toen reeds en hij geeft zich zelf den volgenden raad:“Beschouw de aanwezigheid der vrouw in de samenleving als een noodzakelijk kwaad en vermijd haar zoo mogelijk.“Immers, hoe komen wij aan den wellust, de weekelijkheid,de lichtzinnigheid en die vele andere gebreken, zoo niet door haar. Aan wie de schuld dat wij de aangeboren neigingen verliezen, zooals onze vastberadenheid, onze kracht, onze bedachtzaamheid, onze waarheidsliefde en andere deugden, zoo niet aan haar. De vrouw is gevoeliger voor indrukken dan de man en daarom was zij in de tijden toen de deugd nog bestond beter dan wij, maar nu, in onze verdorven eeuw, is zij slechter.”Ook hier zien wij in beginsel zijne latere begrippen.In dezen tijd deed Tolstoi de eerste schrede op ’t gebied der filosofie, beginnende met een kommentaar te geven bij hetDiscoursvan Rousseau.Verder bestaat nog van hemHet doel der Filosofie, geschreven in 1846–47, dus toen hij 18 jaar was.Deze filosofie zegt het volgende:“De mensch streeft, dus de mensch is werkzaam. Waarheen voert deze arbeid en hoe maken wij hem zelfstandig? Dit is het doel der filosofie in hare ware beteekenis, dus met andere woorden: filosofie is levenskunst”.Behalve deze bestaan er nog losse gedachten als:Bespiegelingen over het leven hiernamaals;Definitie van tijd, ruimte en getal;Methodes;Indeeling der filosofie, enz.De volgende gebeurtenis, verteld door Gravin Tolstoi, heeft ook betrekking op dezen tijd.“In zijn’ studententijd stelde Tolstoi zich eens de vraag: ‘Wat is eigenlijk symmetrie?’ en schreef daarover een filosofisch artikel. Dit lag toevallig op een stoel in zijne kamer toen een zekere Schoewaloff, een vriend der beide broers Tolstoi, met wijnflesschen in zijn zakken binnenkwam, om die gezamenlijk te ledigen. Toevallig zag hij het opstel en las het door. Het interesseerde hem en hij vroeg Tolstoi, waaruit hij het had overgeschreven. Schuchter antwoordde deze, dat het zijn eigen werk was. Schoewaloff begon telachen en zeide dat het niet waar was en niet waar kon zijn. Het ging veel te diep en was te veel doordacht voor iemand van zijn’ leeftijd. Hij ging weg zonder te willen gelooven dat Tolstoi de schrijver was.”Ook dit kleine voorval wijst ons op Tolstoi’s buitengewone ontwikkeling, die hem ver boven zijn’ kring verhief.Biechtvan Tolstoi leert ons hoe hij dacht over geloof en godsdienst.“Ik herinner mij,” zegt hij, “dat, toen bij mijn ouderen broer Dmitri plotseling de behoefte aan een godsdienstig leven ontwaakte en hij geregeld naar de kerk ging, de vasten hield, en een rein zedelijk leven ging leiden, zelfs de volwassenen hem daarom uitlachten, hem plaagden en hem Noach noemden. Ik weet nog dat Moesin Poeschkin, de toenmalige rector der universiteit, ons op een dansavondje verzocht en Dmitri, die bedankt had, lachend toevoegde dat David wel gedanst had voor de arke des verbonds. Ik begreep die scherts en maakte de gevolgtrekking, dat het noodig was zijn cathechismus te leeren, eveneens naar de kerk te gaan, maar tevens dat men die zaken niet al te ernstig behoefde op te nemen. Ik was nog heel jong toen ik Voltaire reeds las, en ik herinner mij nog dat diens bijtende spot mij niet alleen niet hinderde maar mij zelfs vermaakte.“Mijn afval van het geloof ging op dezelfde wijze in zijn werk als dat gebeurde, en ook thans nog gebeurt, bij alle menschen van onze ontwikkeling. Het gaat, dunkt mij, in de meeste gevallen zoo: de menschen leven, zooals allen leven, naar een vast grondbeginsel, dat niets gemeen heeft met hetgeen het geloof ons leert, maar zich in de meeste gevallen daar juist tegenover stelt. Deze leer van het geloof grijpt niet in in ons leven; in onze betrekkingen met andere menschen komt het niet voor dat wij met haar in botsingkomen en wat ons eigen leven aangaat, behoeven we in ’t geheel geen rekening met haar te houden. De geloofsleer slaat op iets, daar ergens ver van het werkelijke leven en los daarvan. Komen wij met haar in aanraking dan is dat oppervlakkig en beroert het niet ons innerlijk leven.“Men kon vroeger, evenmin als nu, uit het doen en laten der menschen opmaken of zij geloovig zijn of niet. Zoo er onderscheid bestaat tusschen hen die beweren rechtgeloovig te zijn en degenen, die dit ontkennen, dan pleit dat nog niet ten gunste van de eersten.“Want zoowel nu als vroeger ontmoet men onder degenen die zoo openlijk verklaren dat zij rechtgeloovig zijn, zeer vele stompzinnige, harde, met zich zelf ingenomen menschen, terwijl men verstand, eerlijkheid, goedhartigheid, waarheidsliefde en zedelijkheid grootendeels bij hen vindt, die zich zelf ongeloovigen noemen.“Op school wordt de cathechismus onderwezen en stuurt men de leerlingen naar de kerk; van den ambtenaar verlangt men een bewijs dat hij gecommuniceerd heeft. De mensch echter uit onzen kring, die niet meer studeert en niet in keizerlijken dienst is, kan thans, en vroeger was dit nog sterker, tien jaren en nog langer leven zonder dat hij er zich rekenschap van geeft dat hij in eene Christelijke maatschappij verkeert, en toch noemt hij zich een belijder van de Christelijke leer der rechtgeloovigen.“Het geloof, gegrond op uiterlijkheden en slechts op gezag door ons aangenomen, verdwijnt onder den invloed van de wetenschap en van het leven, die zich er tegenover stellen, en het gebeurt dat de mensch zich verbeeldt nog zeer geloovig te zijn, terwijl in hem geen spoor van dat geloof meer is achtergebleven, dat hem in zijn jeugd werd geleerd.“De godsdienst, mij in mijn jeugd onderwezen, verdween bij mij op dezelfde wijze als bij anderen, alleen met dit onderscheiddat ik reeds op mijn 15dejaar begon filosofische werken te lezen, zoodat mijn afval van het geloof reeds heel vroeg en bewust geschiedde. Op mijn 16dejaar ging ik uit eigen beweging niet meer naar de kerk, bad ik niet meer en hield ik mij niet aan de vasten.“Ik geloofde niet hetgeen men mij in mijn jeugd geleerd had, maar ik geloofde wel ergens in; waarin echter, dat had ik niet kunnen zeggen. Ik geloofde in God of liever ik verloochende Hem niet, maar welken God, dat had ik ook niet kunnen zeggen. Den Christus en zijne leer verloochende ik evenmin, maar waarin die leer bestond had ik ook niet kunnen verklaren.“Nu, dien tijd in mijn geheugen terugroepende, zie ik klaar, dat mijn geloof die kracht was die, behalve mijne dierlijke instincten, mijn leven heeft bestuurd.“Mijn eenig, mijn oprecht geloof in dien tijd was mijn vertrouwen in de volmaking. Maar waarin die bestond en welk doel zij had, ook dat had ik niet kunnen zeggen. Ik trachtte een vasten wil te verkrijgen, ik schreef mij levensregels voor, die ik wilde volgen; ook lichamelijk deed ik mijn best mij te volmaken door allerlei gymnastische oefeningen, en ik legde mij ontberingen op om te leeren dulden en lijden.“Dat alles noemde ik volmaking. Bovenaan stond natuurlijk de zedelijke volmaking, die weldra in eene algeheele overging. Ik wilde beter zijn, niet alleen voor mij zelf en voor God, maar ook voor ’t oog der menschen. En al heel spoedig ging dit streven over in den wensch om sterker, krachtiger te zijn dan anderen, d.w.z. beroemder, machtiger, rijker.”Dan volgt Tolstoi’s diep berouw, dat ons al zijne zonden aantoont, maar ons tevens wijst op de verdorvenheid in eigen ziel, die misschien niet zoo’n groote afmeting aannam, maar die ook niet zoo oprecht werd beleden.“Eens zal ik de treffende en leerzame geschiedenis van detien jaren van mijn jongelingschap vertellen. Ik denk dat velen, velen hetzelfde hebben ondervonden.“Met hart en ziel wenschte ik goed te zijn; maar ik was jong, hartstochtelijk, en ik stond alleen, geheel alleen, toen ik het goede zocht.“Telkens als ik trachtte te spreken over mijn’ zielewensch om moreel goed te zijn, ontmoette ik spot en verachting, maar nauwlijks gaf ik mij over aan lage hartstochten, of men prees mij en dreef mij verder in die richting.“Eerzucht, machtsbegeerte, baatzucht, wellust, trots, toorn en wraakzucht, alles werd geprezen.“Toen ik mij overgaf aan die hartstochten, voelde ik, dat ik werd als de volwassenen, dat men over mij tevreden was. Mijne goede tante, het reinste wezen dat er bestond, met wie ik toen samenwoonde, zeide dikwijls tegen mij, dat zij niets liever zou wenschen, dan dat ik eene liaison aanknoopte met eene getrouwde vrouw, ‘want,’ zeide zij, ‘rien ne forme un jeune homme comme une liaison avec une femme comme il faut’. Zij wenschte mij nog meer toe, n.l. dat ik adjudant zou worden en dan liefst van den Keizer; verder dat ik een rijke vrouw zou trouwen en, als gevolg van dat huwelijk, zooveel mogelijk lijfeigenen zou houden.“Ik kan niet zonder schrik, afschuw en hartzeer aan die jaren terugdenken. Ik doodde menschen in den oorlog, ik duelleerde om te dooden, ik verspeelde veel geld, ik verbruikte hetgeen de boeren zwoegend voortbrachten, terwijl ik hen zwaar liet straffen; ik bedroog en gaf mij over aan ontucht, leugen, diefstal, echtbreuk van allerlei aard, dronkenschap, gewelddadigheid, moord... er was geen ondeugd, waaraan ik mij niet overgaf, en daarvoor prees men mij en noemde mij, zooals men nu ook nog zou doen, een betrekkelijk zedelijk mensch.“Zoo leefde ik tien jaren.”11Gezicht in het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Gezicht in het park te Jasnaja Paljana.—Blz.57.In ’t begin van die stormachtige tienjarige periode woonde Tolstoi op het land.Hij trachtte in die jaren eene nieuwe richting in te slaan in de landhuishoudkunde, en dat wel in hoofdzaak, door de verhouding tot de lijfeigenen beter te regelen en hun lot te verlichten. Deze proef mislukte totaal, hetgeen wij vinden beschreven in zijn werkÉén morgen landheer, dat een sterk autobiografisch karakter draagt. Wij laten daaruit een’ brief volgen van vorst Njechljoedoff aan zijne tante:“Lieve Tante!“Ik heb een besluit genomen, dat over heel mijn verder leven zal beslissen. Ik heb de universiteit verlaten om mij aan het landleven te gaan wijden, daar ik voel daarvoor te zijn geboren. In ’s hemels naam, lieve tante, lach mij niet uit! Gij zult zeggen, dat ik nog zoo jong ben, en misschien hebt gij gelijk en ben ik nog een knaap, hetgeen evenwel niet verhindert, dat ik den drang in mij voel goed te willen doen en van het goede te houden. Zooals ik u reeds schreef vond ik alles in de grootste wanorde. Bij de regeling der zaken kwam ik tot de ontdekking, dat het grootste kwaad schuilt in den beklagenswaardigen, armzaligen toestand, waarin de boeren verkeeren, een toestand die slechts met de grootste moeite en het grootste geduld is te verbeteren. Zoo gij maar eens twee van mijne boeren kondt zien en het leven dat zij met hunne familie leiden, dan zou dat u een betere verklaring van mijn voornemen geven, dan alles wat ik u kan vertellen. Is het niet mijn dure en heilige plicht zóó voor deze zevenhonderd menschen te zorgen, dat ik mij eens voor God zal kunnen verantwoorden? Is het geen schande hen over te laten aan de willekeur van den ruwen starost12en zijne handlangers?“Waarom zou ik in eene andere sfeer de gelegenheid zoeken nuttig te zijn en goed te doen, terwijl een edele, hooge plicht mij roept? Ik ben mij bewust een goede landheer te kunnen worden, daar men, om dat te zijn, zooals ik dat opvat, geen candidaatsdiploma of ambt noodig heeft dat gij zoo wenschelijk voor mij vindt. Lieve tante, maak voor mij geen eerzuchtige plannen, berust bij de gedachte, dat ik mijn eigen, maar een goeden weg volg, die mij, dat voel ik, naar het geluk zal voeren. Ik heb veel nagedacht over mijne toekomstige plichten, mij zelf levensregels voorgeschreven en, zoo God mij leven en kracht schenkt, dan zal ik mijne voornemens ten uitvoer brengen.”13Al heeft Tolstoi in werkelijkheid dezen brief niet geschreven, dan zijn het toch dergelijke gedachten, die zijne jonge ziel bestormden en richting gaven aan zijn leven.Zooals wij weten, leden zijne plannen schipbreuk. En dat kon niet anders. Zijne oprechtheid kon het niet dulden, dat hij daar stond als de weldoener van zijne lijfeigenen, d.w.z. van deze tot aan het uiterste verwaarloosde lieden. Deze tegenstelling kon hij niet verdragen, en een hard en streng mensch worden (zooals zijne tante hem in den brief, waarmee zij hem antwoordde, ried) was hem ook onmogelijk, zoodat hij de eerste gelegenheid de beste aangreep om verandering in zijn leven te brengen.Tolstoi bracht den zomer door op Jasnaja Paljana. In den herfst ging hij naar Petersburg en deed daar in ’t begin van ’t jaar 1848 zijn candidaats-examen. “In ’48,” zoo vertelt hij in een opstel over opvoeding, “deed ik candidaats-examen aan de akademie te St.-Petersburg. Ik wist niets in den letterlijken zin van ’t woord en was eerst eenige weken van te voren met de voorbereiding begonnen. Ik sliep ’s nachts niet en werd candidaat in het crimineel en burgerlijk recht, na eene voorbereiding van hoogstens een paar weken.”14Löwenfeld laat Tolstoi het volgende van deze gebeurtenis vertellen:“Ik vond het heel prettig op het land met tante Tatjana. maar een onbestemde dorst naar wetenschap maakte zich weer van mij meester. Het was in 1848; ik was nog in ’t geheel niet besloten wat ik zou doen. In St.-Petersburg stonden twee wegen voor mij open, n.l. bij ’t leger gaan en den Hongaarschen veldtocht mee maken, of mijne studiën voltooien om naderhand ambtenaar te worden. De drang naar wetenschap was echter sterker dan mijne eerzucht en zoo nam ik de studie dan weer op. Ik deed zelfs twee examens, in de rechten, maar toen vervlogen al mijne voornemens weer. De lente kwam, en met haar de lokstem van het landleven, die mij naar ons landgoed terugriep.”15Tolstoi’s leven te St.-Petersburg kunnen wij het best beoordeelen uit de brieven aan zijn’ broer Sergius, waarvan wij hier de belangrijkste laten volgen.13 Februari 1848 schreef hij:“Ik schrijf je dezen brief uit St. Petersburg, waar ik van plan ben eeuwig te blijven. Ik ben voornemens hier mijn examen te doen en dan ambtenaar te worden; als ik niet slaag (en alles kan gebeuren), dan zal ik eene lagere betrekking aannemen. Ik ken heel veel ambtenaren tweede klasse, die niet slechter zijn dan gij, die tot de eerste behoort. Het leven te St.-Petersburg heeft een grooten en goeden invloed op mij; ik raak hier gewend aan den arbeid en zonder dat ik het zelf heb gewild, is mijne dagverdeeling veranderd. Men kan hier niet niets doen, iedereen heeft zijne bezigheden. Allen werken, men vindt hier niemand die een leven van ledigheid leidt, en alleen kunt ge dat ook niet.“Ik weet wel, dat je het toch niet gelooft, dat ik veranderdben, en dat je zegt: ‘dat is nu al wel de twintigste maal, dat jij van plan verandert, van jou komt nooit wat terecht, jij bent een praatjesmaker’; maar neen, ik ben nu heel anders veranderd dan vroeger. Toen zei ik: ‘kom, laat ik eens veranderen’. Maar nu zie ik, dat ik veranderd ben en ik zeg: ‘ikbenveranderd’.“’t Voornaamste is, dat ik nu ten volle overtuigd ben, dat theorie en filosofie niets zijn voor het leven; men moet positief leven, d.w.z. een praktisch mensch zijn. Het is eene groote stap, en eene verandering zooals er bij mij nog niet heeft plaats gegrepen.“Wanneer men jong is en wil leven, dan is St.-Petersburg de eenige plaats. Hoeveel richtingen kan men niet uit, en iedereen kan hier bevredigd worden; alles kan zich hier ontwikkelen en gemakkelijk, zonder eenige moeite. Wat het leven aangaat, dat is voor een ongetrouwd man niet duur; zelfs goedkooper dan in Moskou, behalve de woning. Groet al de onzen van mij en zeg hun, dat ik misschien, misschien ook niet, van den zomer bij hen kom; ik ben van plan dan vrij te nemen en de omstreken van Petersburg eens te gaan bekijken, en ook Helsingfors en Reval.“Schrijf mij toch eens, in ’s hemelsnaam; ik zou graag willen weten, hoe gij en de anderen dit nieuws opnemen, en vraag hun mij ook eens te schrijven. Ik durf het zelf niet te doen, omdat ik zoo lang niets van mij heb laten hooren en ik nu vrees, dat ze boos op mij zijn. Ik voel me vooral bezwaard tegenover tante Tatjana; vraag haar voor mij om vergiffenis.”Maar och, deze heilige voornemens zouden niet verwezenlijkt worden. Het moet Tolstoi vreemd hebben aangedaan neer te schrijven dat zijn broeder hem een praatjesmaker noemde, hetgeen hij bovendien zelf moest toegeven, zooals blijkt uit den brief van 1 Mei 1848 aan zijn’ broeder:“Sergius, het is mij alsof ik je hoor zeggen, dat ik een praatjesmaker ben, en dan spreek je de waarheid. Ziehier wat ik tot stand heb gebracht. Ik reisde zonder eenige aanleiding naar Petersburg en deed daar niets anders dan leven, geld uitgeven en schulden maken. Dom! Onbeschrijflijk dom! Je kunt niet begrijpen hoe het mij kwelt. Vooral deschulden, die ik moet betalen enliefst zoo spoedig mogelijk, want doe ik het niet, dan verlies ik met het geld ook nog mijne goede reputatie. Tegen den eersten betaaldag heb ik 3500 roebel noodig: 1200 voor den voogdijraad, 1600 om mijne schulden te betalen en 700 voor levensonderhoud. Ik vrees, dat gij ach en wee zult roepen, maar wat moet ik doen? Iedereen kan een domheid begaan. Nu moet ik voor mijne vrijheid en mijne filosofie boeten. Wees barmhartig en help mij uit mijne valsche en ellendige positie; ik zit zonder een kopjéke en vol schulden.“Je weet waarschijnlijk, dat ons heele leger op marsch gaat en dat een gedeelte (twee corpsen) al over de grenzen is, men zegt reedsinWeenen.“Eerst wilde ik mijn examen doen; ik heb er reeds twee afgelegd; maar nu ben ik van plan veranderd en ik zal als Junker16dienst nemen bij de garde-cavallerie. Het valt mij moeilijk je dit alles te schrijven, omdat ik weet, dat je van mij houdt en mijne domheid en mijne onstandvastigheid je verdriet doen. Onder ’t schrijven van dezen brief stond ik eenige malen op en werd rood van schaamte. Jij zult het zelfde doen onder ’t lezen, maar wat is er aan te doen! Het gebeurde kan men niet ongedaan maken en de toekomst zal van mij afhangen. God geve dat ik nog eens een ordentelijk mensch zal worden; ik zal er mijn best voor doen; het meest verwacht ik van den dienst, hij zal me aan een praktisch leven gewennen en ik moet, of ik wil ofniet, dienen tot ik officier ben. Als het geluk wil dat het garde-regiment mee optrekt, dan kan de bevordering sneller gaan, en behoeft het geen twee jaren te duren. Het vertrek zal dan zijn einde Mei. Op ’t oogenblik kan ik niets doen, ten eerste omdat ik geen geld heb, dat ik op ’t oogenblik best kan gebruiken (zelfs veel), en ten tweede ontbreken mij eenige papieren, die te Jasnaja zijn; geef even order, ze mij te sturen en liefst zoo spoedig mogelijk. Wees niet boos op mij, bid ik je,—ik voel zelf maar al te goed, hoe weinig ik waard ben,—en doe zoo spoedig mogelijk wat ik je gevraagd heb.“Vaarwel. Laat tante dezen brief niet lezen, ik wil haar geen verdriet doen.”Ook deze plannen werden spoedig weer opgegeven. In een van de volgende brieven aan zijn’ broer schrijft Tolstoi:“In mijn laatsten brief schreef ik je veel domheden, waarvan wel de voornaamste is, dat ik van plan was dienst te nemen bij het garde-regiment. Ik heb dat plan laten varen, behalve voor het geval ik niet voor mijn examen mocht slagen, of de oorlog ernstig wordt.”Waarschijnlijk vond hij den oorlog niet ernstig genoeg, want onder dienst ging hij niet.Met het voorjaar keerde hij weer naar Jasnaja Paljana terug, vergezeld van een zekeren Rudolf, een aan den drank verslaafden, talentvollen Duitschen musicus, met wien hij bij zijn vrienden Pjerfiljeff kennis had gemaakt. Hartstochtelijk wierp hij zich nu op de muziek.Tot aan zijn vertrek naar den Kaukasus in 1851 verdeelde Tolstoi zijn tijd tusschen Moskou en Jasnaja Paljana.Dit is het tijdperk van ascetisme, gevolgd door eene avontuurlijke periode van jacht, spel en uitgaan.In deze drie jaren heeft hij alles doorgemaakt wat een krachtige, begaafde, hartstochtelijke jonge man doorleven kan.Tolstoi hield in deze jaren zijn dagboek niet bij. Hij hader geen tijd voor. In de laatste helft van 1850 komt hij weer tot inkeer, en vol berouw en zelfverwijt neemt hij zich voor zijne herinneringen neer te schrijven van deze drie doelloos doorgebrachte jaren van zijn leven. Daar hij den lust in zich voelde opkomen om een geregeld leven te gaan leiden, schreef hij zichzelf eene dagverdeeling voor: zijn landgoed besturen, baden, dagboek, muziek, eten, uitrusten, lezen, baden, landgoed besturen.Het spreekt van zelf dat deze regels ook weer niet werden nageleefd en uit zijn dagboek blijkt, dat hij niet over zich zelf tevreden was.Deze strijd om zich zelf te overwinnen duurde maanden lang; herhaaldelijk maakten de booze hartstochten zich weder meester van hem.Zooals de verdrinkende naar een’ stroohalm grijpt, zoo zocht hij steun bij verschillende gevoelens, die hem van den ondergang konden redden. Daar is b.v. zijne eigenliefde. “De menschen, die volgens mijne meening moreel lager staan dan ik, doen slechte dingen nog beter dan ik,” schreef hij eens in zijn dagboek. Hierdoor begonnen die slechte dingen hem tegen te staan en hij deed ze niet meer.Ook het rustige landleven hielp hem dikwijls zijne hartstochten te overwinnen.’t Is opmerkelijk, dat de edele trekken van Tolstoi’s karakter zelfs uitkwamen bij zulke lage dingen als b.v. het kaartspel. Dit was waarschijnlijk één van zijn heftigste hartstochten, doch hij hield zich stipt aan den regel: “alleen met rijke menschen te spelen”, opdat het verlies den speler geene materieele schade zou doen lijden.Tolstoi verloor dikwijls de heerschappij over zich zelf, wat hem tot vertwijfeling bracht, maar telkens vatte hij weer moed en zoo lezen wij in zijn dagboek:“Ik leef, misschien met eene kleine uitzondering, geheel als het vee. Bijna al mijn bezigheden heb ik laten varen en mijn geestelijk peil daalt.”Hij heeft er zelfs over gedacht, omdat hij in geldverlegenheid zat, zich met eene handelsonderneming, n.l. met een poststation te Toela, in te laten. Tot zijn geluk is er niets van gekomen, hetgeen hem veel onaangenaams heeft bespaard, wat onvermijdelijk zou geweest zijn bij zijne ongeschiktheid voor die bezigheid. Eens schreef hij, onder den indruk van zijn mislukt leven, in zijn dagboek:“De oorzaken van mijne mislukking zijn: 1 besluiteloosheid, d.w.z. gebrek aan energie, 2 zelfbedrog, 3 overijling, 4 valsche schaamte, 5 slechte neigingen, 6 verwardheid, 7 zucht tot navolging, 8 onstandvastigheid, 9 onnadenkendheid.”Den winter van ’50/51 bracht Tolstoi grootendeels te Moskou door, van waar hij zijne tante Tatjana dikwijls schreef over de bijzonderheden van zijn leven, de inrichting van zijne kamer, in één woord, over de uiterlijkheden van zijn bestaan.“Mijne woning bestaat uit vier kamers: eene eetkamer, waar reeds een piano staat die ik heb gehuurd; een salon, gemeubileerd met een paar divans, notenhouten tafel en stoelen, met rood laken bekleed, en verder vier groote spiegels; een werkkamer, waar mijn schrijfbureau staat, een divan (die mij de dagen in ’t geheugen roept, toen wij over dit meubelstuk disputeerden); eene slaapkamer, groot genoeg om tevens voor kleedkamer te dienen, en dan nog een kleine anti-chambre.“Ik dineer thuis met ‘kool en brij,’17waarmee ik uitstekend tevreden ben. Wanneer ik nu nog onze confituren en naliwka18had, dan zou ik mij kunnen verbeelden thuis te zijn.“Ik heb eene slede gekocht voor 40 roebel, een zoogenaamdenkonschewni, die op ’t oogenblik zeer en vogue is; Sergius zal wel weten wat het is. Met het tuig, dat ik ook gekocht heb, ziet alles er zeer elegant uit.”19Uit den volgenden brief blijkt, dat zijne tante zeer bezorgd is over zijne vrienden en tracht hem van slecht gezelschap verwijderd te houden.“Waarom zijt ge toch zoo bevooroordeeld tegenover Isljenjeff? Is het om mij tegen hem in te nemen? Dat is overbodig, want hij is niet in Moskou.“Al het slechte, dat gij van het spel zegt, is volkomen waar. Ik denk er dikwijls aan en ik geloof dat ik het zal nalaten. Ik zeg ‘ik geloof,’ maar hoop spoedig zeker te kunnen zeggen dat ik het niet meer doe.“Uw oordeel over de samenleving is zeer juist, evenals alles wat gij in uwe brieven zegt; primo, omdat gij schrijft als Mme de Sévigné, secundo, omdat ik, zooals altijd, niet kan disputeeren. Gij zegt ook veel goeds van mij. Ik ben overtuigd, dat die loftuitingen evenveel goed als kwaad doen. Goed, omdat ik mijn best zal doen die goede hoedanigheden te behouden, die gij in mij prijst, en kwaad omdat het mijne eigenliefde bevordert. Ik ben echter zeker, dat uw lof mij slechts beter zal maken—natuurlijk voor zoover ik hem verdien—omdat hij in de pen wordt gegeven door eene oprechte vriendschap. Gedurende mijn verblijf in Moskou meen ik dien reeds te hebben verdiend; ik ben over mijzelf tevreden.”Tolstoi keerde terug naar Jasnaja Paljana, om daarna in 1851 weer naar Moskou te reizen. In zijn dagboek schrijft hij, dat het doel van die reis drieledig was: het spel, een huwelijk en een sollicitatie naar eene betrekking. Alles mislukte. Hij speelde niet, omdat hij er een’ tegenzin in kreeg.Van het huwelijk kwam niets, omdat de drie factoren, die hij daarvoor noodig achtte, liefde, praktisch overleg of toeval, ontbraken. De betrekking kreeg hij niet omdat hij niet in ’t bezit was van eenige noodige papieren.Tijdens dit oponthoud in Moskou schreef hij zijne tante den volgenden brief:“De auteur van een boek, dat ik onlangs las, beweert daarin, dat de nadering van de lente van invloed is op het moreel der menschen. Tegelijk met de natuur is het ons of wij opnieuw geboren worden. Men betreurt het verleden, den slecht gebruikten tijd, men heeft berouw over zijne zwakheid en de toekomst doemt helder op. Men wordt beter, moreel beter. Wat mij betreft is dat volkomen waar. Sedert ik een onafhankelijk bestaan begon te leiden, vond de lente mij altijd in de beste conditie. Zoo bleef ik dan langer of korter tijd; dan kwam de winter, die altijd een steen des aanstoots voor mij is geweest. Wanneer ik de verschillende winters herdenk, dan is de laatste zeker wel de aangenaamste en de verstandigste, dien ik beleefd heb. Ik heb me geamuseerd, kwam in gezelschap, heb aardige herinneringen behouden en met dat al mijne financiën niet in wanorde, weliswaar ook niet in orde gebracht.”De volgende brief, naar aanleiding van de terugkomst van zijn’ broer Nikolaas uit den Kaukasus, luidt:“De aankomst van Nikolaas was eene aangename verrassing voor mij, omdat ik reeds bijna de hoop had opgegeven hem nog bij mij te zien. Ik was zoo blij hem te zien, dat ik mijne plichten, of liever gezegd, mijne gewoonten er bijna om had verwaarloosd.“Nu ben ik weer alleen, en alleen in den waren zin van ’t woord; ik ga nergens heen en ontvang niemand. Ik maak plannen voor de lente en den zomer; keurt gij ze goed? Einde Mei kom ik naar Jasnaja, blijf daar een maand of wat,zal mijn best doen Nikolaas daar zoo lang mogelijk vast te houden, en dan eene reis met hem maken door den Kaukasus.”20Plotseling, te midden van zijne stormachtige wereldsche genietingen, als spel, wellust, enz., kwam het tijdperk van boete en godsdienstzin. IJverig vervulde hij zijne kerkelijke plichten, hield de vasten en maakte zelfs preeken, die natuurlijk ongelezen bleven. In dezen tijd begon de kunstenaar-auteur zich te openbaren.Reeds in 1850 dacht hij er over een werk over zijn “vie de Bohême” te schrijven. Eene andere gedachte was bij hem wakker geroepen door het lezen van Sterne’sSentimental Journey, n.l. iets dergelijks te schrijven.Eens zat hij voor het venster en keek naar alles wat op straat voorbij ging: “daar loopt een wachter, wat zou hij voor iemand zijn, en wat voor een leven zou hij leiden? Daar gaat een wagen, wie zou er in zitten, waar zou hij heenrijden, waar denkt hij aan? Wie zouden er in dat huis wonen en hoe zou hun innerlijk leven zijn?...“Wat zou het interessant zijn, dit alles neer te schrijven en welk een belangwekkend boek zou het niet worden!”Tolstoi’s plotselinge afreis naar den Kaukasus maakte wederom een einde aan deze aan afwisseling rijke, gevaarlijke periode van zijn leven.1Noot van L. Tolstoi. Ingelascht bij de lezing van dit handschrift.2Idem.34Noot van Tolstoi, ingelascht bij de lezing van dit handschrift.5Uit de volledige verzameling van de werken van Tolstoi, dl. IV.6Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.7R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.8Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.9Een driespan.10Volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. I.11Biecht(door Biroekoff fragmentarisch overgenomen).12De machtigste in het dorp.13Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.14Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. IV.15R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.16Ongeveer cadet.17Woorden uit het Russische soldatenliedje: “Kool en brij is ons voedsel.”18Eene soort limonade.19In het handschrift is deze brief in ’t Fransch aangehaald.20In het handschrift in ’t Fransch.
Vijf jaren woonde de familie Tolstoi te Kazan. Iederen zomer trokken zij, vergezeld van Pelageja Ilinitschna, naar Jasnaja Paljana, om iederen herfst weer naar Kazan terug te keeren.
Tolstoi bracht de grootste helft van zijne jongelingsjaren door bij de familie Joeschkoff.
Zijne oudere broers kwamen in 1841 te Kazan. De oudste, Nikolaas, ging over van de Moskousche naar de Kazansche universiteit, volgde daar den tweeden cursus van de tweede afdeeling der filosofische faculteit en besloot zijne academische loopbaan in 1884. De beide andere broers volgden den cursus van wat men tegenwoordig de mathematische faculteit noemt. Deze kwamen aan in 1843 en eindigden hunne studie in 1847.
Leo Tolstoi koos de Oostersche talen, in de meening dat hij later in de diplomatie zou gaan. De voorbereiding voor deze studie duurde van 1842–’44 en was niet gemakkelijk, daar voor het toelatingsexamen reeds de Arabische en Turksch-Tartaarsche talen werden geëischt, die in dien tijd aan het eerste gymnasium werden onderwezen.
Deze moeilijkheden werden door Tolstoi glansrijk overwonnen.
In het archief te Kazan worden alle stukken, die betrekking hebben op Tolstoi’s komst, verblijf en vertrek aan en van de universiteit, bewaard.
Deze documenten komen voor inGraaf L. N. Tolstoi en zijn studietijdvan N. P. Zagoskin. Een van de belangrijkste is een verzoekschrift, door Tolstoi zelf geschreven, waarin hij toelating vraagt tot de universiteit. Als gevolg daarvan mocht hij het toelatingsexamen doen, dat niet gunstig voor hem afliep, zooals blijkt uit het onderstaand getuigschrift, dat hij na afloop ontving:
Godsdienst4Algemeene en Russische geschiedenis1(“Hier wist ik niets van”)1.Statistiek en Aardrijkskunde1(“Nog minder. Ik herinner mij nog, dat mij iets gevraagd werd van Frankrijk. De voorzitter, Poeschkin, die veel bij ons aan huis kwam, wilde mij blijkbaar helpen: ‘Nu, zeg eens, welke zeesteden heeft Frankrijk?’ Ik kon er niet één noemen”2).Meetkunde4Russische spraakkunst4Logica4Latijnsche taal2Fransche taal5Duitsche taal5Arabisch5Turksch-Tartaarsch5Engelsche taal4
In zake de opname als student, vinden wij, dat graaf Leo Tolstoi is geëxamineerd voor de afdeeling Oostersche talen, maar niet is toegelaten. Aan dit document was toegevoegd: “Papieren teruggeven”.
Dit gebeurde in het voorjaar van 1844. Tolstoi nam zich voor in den herfst een herexamen aan te vragen in de vakken die onvoldoende waren gebleken.
Zoo richtte hij dan in ’t begin van Augustus het volgende verzoekschrift aan den rector der universiteit:
Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Universiteit te Kazan, benoemd professor, werkelijke stadsraad Nikolaas Iwanowitsch Lobatschewski van Leo Nikolajewitsch graaf Tolstoi.Verzoekschrift.In de maand Mei van dit jaar onderwierp ik mij, met nog andere leerlingen van het eerste en tweede gymnasium, aan het examen voor toelating tot de Universiteit te Kazan in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.Daar het bij dit onderzoek bleek, dat mijne kennis van de geschiedenis en statistiek niet voldoende was, zoo vraag ik Uwe Excellentie eerbiedig heden opnieuw te worden toegelaten tot het examen in die vakken. Hierbij heb ik de eer de volgende stukken te voegen: 1eGeboorteakte, gegeven door het Consistorium te Toela; 2eCopieën van bevestiging van de adellijke afgevaardigden-vergadering, 3 Augustus 1844. Hetwelk onderteekent de bovengenoemdeGraaf Leo N. Tolstoi.
Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Universiteit te Kazan, benoemd professor, werkelijke stadsraad Nikolaas Iwanowitsch Lobatschewski van Leo Nikolajewitsch graaf Tolstoi.Verzoekschrift.In de maand Mei van dit jaar onderwierp ik mij, met nog andere leerlingen van het eerste en tweede gymnasium, aan het examen voor toelating tot de Universiteit te Kazan in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.Daar het bij dit onderzoek bleek, dat mijne kennis van de geschiedenis en statistiek niet voldoende was, zoo vraag ik Uwe Excellentie eerbiedig heden opnieuw te worden toegelaten tot het examen in die vakken. Hierbij heb ik de eer de volgende stukken te voegen: 1eGeboorteakte, gegeven door het Consistorium te Toela; 2eCopieën van bevestiging van de adellijke afgevaardigden-vergadering, 3 Augustus 1844. Hetwelk onderteekent de bovengenoemdeGraaf Leo N. Tolstoi.
Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Universiteit te Kazan, benoemd professor, werkelijke stadsraad Nikolaas Iwanowitsch Lobatschewski van Leo Nikolajewitsch graaf Tolstoi.
Verzoekschrift.
In de maand Mei van dit jaar onderwierp ik mij, met nog andere leerlingen van het eerste en tweede gymnasium, aan het examen voor toelating tot de Universiteit te Kazan in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.
Daar het bij dit onderzoek bleek, dat mijne kennis van de geschiedenis en statistiek niet voldoende was, zoo vraag ik Uwe Excellentie eerbiedig heden opnieuw te worden toegelaten tot het examen in die vakken. Hierbij heb ik de eer de volgende stukken te voegen: 1eGeboorteakte, gegeven door het Consistorium te Toela; 2eCopieën van bevestiging van de adellijke afgevaardigden-vergadering, 3 Augustus 1844. Hetwelk onderteekent de bovengenoemde
Graaf Leo N. Tolstoi.
In margine, onder dagteekening van 4 Augustus 1844: Toegelaten tot het aanvullingsexamen. De rector Lobatschewski.
Hoe en wanneer Tolstoi examen deed is niet bekend, maar het is zeker dat het ditmaal beter ging, want wij lezen aan den voet van het verzoekschrift:
Tolstoi toelaten tot de universiteit, als student voor eigen kosten, in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.
Zoo kwam Leo Tolstoi dus aan de universiteit. Zijnvrijen tijd bracht hij door ten huize van zijne tante Joeschkoff en in den kring van hare bekenden. Welken invloed deze omgeving op hem had zullen we nader aantoonen.
In Zagoskins werkLeo Tolstoi en zijn studietijdwordt gezegd, dat de kring waarin Tolstoi verkeerde eene verderfelijke was, die hem ongetwijfeld instinctief moest afstooten. Eene opmerking van Tolstoi zelf, bij de lezing van dit handschrift, leert ons het tegendeel:
“Ik voelde in ’t geheel geen afkeer,” zegt hij, “en hield veel van het vroolijke Kazan, waar toen een uitgelezen kring bijeen was.”3
Verder drukt Zagoski nog zijne bewondering uit, dat Tolstoi de kracht bezat weerstand te bieden aan deze verleidingen. Hierbij merkt hij het volgende op:
“Integendeel, ik ben heel blij dat ik het begin mijner jongelingsjaren heb doorgebracht in een kring, waar ik jong kon zijn met de jeugdigen, mij niet bekommerende om de groote levensvragen, genietende van mijn niets-doend, weelderig maar niet slecht bestaan.”4
Zagoskin geeft deze beschrijving van het eerste studiejaar:
“De winter van het jaar 1844–’45, toen Tolstoi in zijne kwaliteit van ‘jongmensch’ zijne intrede in de wereld deed, kenmerkte zich door een opgewekt gezelschapsleven. Bals, zoowel bij den gouverneur en bij de eersten der stad, als in het Rodionowskische vrouwen-instituut (die met groote liefde door E. D. Zagoskin werden voorbereid), dansavondjes, maskerades in de adellijke club, tooneeluitvoeringen, levende beelden, concerten enz., eindeloos in aantal, wisselden elkaar af. Als zoon van goede familie, een’ titel voerend, met uitstekende plaatselijke connecties, kleinzoon van den gewezen gouverneur en een eventueel echtgenoot in de naastetoekomst, was Leo Tolstoi overal een zeer gewenschte gast.”
Ouden van dagen kunnen zich zijner nog herinneren op alle bals, op alle avondjes, bij ieder vroolijk gezelschap, overal dansend, maar geen dames-dienaar zooals velen van de hem omringende studenten-aristokratie. Altijd kon men bij hem nog eene zekere schuchterheid en stijfheid van manieren waarnemen. Hij dwong zich klaarblijkelijk tot de rol, die hij nu eenmaal moest spelen, en waartoe de omstandigheden van zijn leven te Kazan hem nolens-volens brachten.
Natuurlijk had dat vele uitgaan een zeer slechten invloed op zijne studie, zooals blijkt uit een aan Zagoskin ontleend getuigschrift van zijn eerste halfjaarlijksch examen, waar hij niet doorkwam:
Vorderingen.Vlijt.Bijbelsche historie32Algemeene literatuurgeschiedenisNiet verschenen.Arabische taal22Fransche taal53
Dit niet-slagen bracht geen verandering in Tolstoi’s vroolijk leventje. Hij nam deel aan de feesten die in de vastendagen werden gegeven, en met zijn’ broeder Sergius aan twee liefhebberij-comedies voor een liefdadig doel.
Het resultaat van dat alles was, dat Tolstoi niet slaagde voor zijn overgangs-examen, en nog een jaar aan denzelfden cursus zou moeten deelnemen. Over dit toch niet ongelukkige examen spreekt Tolstoi op de volgende wijze:
“Het eerste jaar werd ik afgewezen voor de bevordering naar het tweede jaar door den professor in de Russische geschiedenis Iwanoff, die onaangenaamheden met mijne familie had gehad, hoewel ik niet één college had gemist en de Russische geschiedenis kende; bovendien kreeg ik 1 voor hetDuitsch, hoewel ik meer van die taal wist dan een van de studenten van onzen cursus.”5
Tolstoi wilde evenwel niet twee jaar denzelfden cursus volgen en diende een verzoekschrift in om in de rechten over te mogen gaan, hetgeen hem werd toegestaan.
Het winterseizoen van 1845 begon weer met de tweedaagsche feesten ter eere van het verblijf van hertog Maximiliaan Leichtenberg te Kazan, wien een schitterende ontvangst werd bereid.
“Ondanks dit vele uitgaan,” vertelt Tolstoi, “begon ik mij ernstig op de studie toe te leggen en dat verschafte mij waarlijk reeds eenig genoegen. Behalve voor rechtsencyclopaedie en het strafrecht (ik volgde met zeer veel belangstelling een college van den Duitschen professor Vogel over de doodstraf), interesseerde ik mij zeer voor het burgerlijk recht. Ook trok een arbeid, dien professor Meer mij had opgedragen,n.l.: het vergelijken van Montesquieu’sEsprit des loismet deInstructies voor een nieuwen code, van Catharina, mij bijzonder aan”6.
In Mei 1846 slaagde Tolstoi bij het overgangs-examen. Hij kreeg een 5 voor logica en psychologie; drie 4-en voor rechtsencyclopaedie, voor het Romeinsche recht en voor het Latijn; vier 3-en voor algemeene en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsche taal en drie 5-en voor gedrag. ’t Gemiddelde cijfer bedroeg 3, en Tolstoi ging dus over van den eersten naar den tweeden cursus.
In dat jaar gebeurde het, dat Tolstoi straf kreeg en in den carcer werd gezet. Deze episode wordt door zijn’ vriend Nazarjeff beschreven, hoewel niet geheel naar waarheid. De gesprekken evenwel zijn geheel juist weergegeven. Wij zullen de aanteekeningen gebruiken, die Tolstoi daarbij heeft gemaakt,waardoor natuurlijk alles in het ware licht komt te staan.
Leo Tolstoi werd met een vriend opgesloten, niet in het auditorium, zooals Nazarjeff schrijft, maar werkelijk in den carcer met getraliede ramen. Hij had een’ kandelaar en kaarsen in zijne laarzen verborgen en zij brachten er één of twee aardige dagen door.
Wat betreft den koetsier, het paard, den knecht enz., dat is alles in de verbeelding van Nazarjeff ontstaan. Het gesprek evenwel, door hem beschreven, is geheel waar. Wij laten het hier volgen.
“Ik herinner me,” zoo begint Nazarjeff, “dat ikDemonvan Lermontoff las. Tolstoi zag een geschiedenisboek van Karamzin naast mij liggen en begon naar aanleiding daarvan op de geschiedenis af te geven als het vervelendste en minst nuttige vak dat er bestond.
“‘Historie,’ zei hij, en zijne woorden kwamen kort en scherp over zijne lippen, ‘historie is niet anders dan eene verzameling van sprookjes, waar cijfers en eigennamen kunstig zijn doorheen gewerkt. De dood van Igor, de slang die Oleg heeft gebeten, wat zijn het anders dan sprookjes? En voor wie is het noodig te weten dat het tweede huwelijk van Johan op 21 Augustus 1562 werd voltrokken, en het vierde, met Anna Alexejewna, in 1517. Van mij echter wordt verlangd dat ik die dingen weet, en blijf ik in gebreke dan krijg ik een 1. En hoe wordt de historie geschreven! Alles wordt in een bepaalden vorm gegoten, door den historicus uitgedacht. De “verschrikkelijke” Tsaar, waarover professor Iwanoff juist college houdt, wordt na 1560 plotseling van een deugdzamen, wijzen man, een ontoerekenbare, woedende tyran. Hoe en waarom, daar moet men niet naar vragen....’ Op deze wijze liet mijn vriend zich uit. Het was mij of ik een stortbad had gekregen, te meer daar geschiedenis mijn liefste vak is. Daarna gafTolstoi zijne meening over de universiteit en de academische studie te kennen. ‘Tempel der wijsheid!’ klonk het telkens smalend van zijne lippen, en daarbij beschreef hij onze professoren op zulk eene wijze, dat ik, hoeveel moeite ik ook deed om mij in te houden, het uit moest schateren van het lachen. ‘Wij verwachten,’ vervolgde Tolstoi, ‘dezen tempel als nuttige, bruikbare menschen te zullen verlaten. En wat nemen wij mee van de universiteit? Denk daar eens over na en antwoord me dan oprecht. Wat nemen we mee, als we ieder onzen eigen weg gaan en naar ons dorp terugkeeren? Waarvoor kunnen wij gebruikt worden en wie heeft eenig nut van ons?’
“Onder zulke gesprekken verliep de nacht. Tegen het aanbreken van den morgen ging de deur open en verscheen de bewaarder, die ons verklaarde, dat wij vrij waren en naar huis konden gaan.
“Tolstoi drukte zijne muts diep in de oogen, wikkelde zich in zijn studentenjas, knikte bij wijze van groet even met zijn hoofd, schimpte nog eens op den tempel en verdween, vergezeld door zijn’ bediende en den bewaarder. Ik haastte mij ook naar buiten, waar ik nu, zonder mijn’ celgenoot, met volle teugen de frissche morgenlucht inademde.
“Mijn hoofd was vol gedachten, die voor mij nog geheel onbegrijpelijk waren, en vol van twijfelingen die ik nooit gevoeld had, maar die bij mij waren opgewekt door mijn’ vriend uit de gevangenis.”
De drie broers Tolstoi, die tot nu toe bij hunne tante Pelageja hadden gewoond, gingen in 1847 verhuizen, en betrokken kamers in eene woning die tegenwoordig voor armenhuis dienst doet. Zij hadden vijf kamers op de bovenste verdieping.
In Januari 1847 nam Tolstoi nog eens deel aan het halfjaarlijksch examen, maar trok zich voor een gedeelte terug. Blijkbaar beschouwde hij het als eene onnoodige formaliteit en liep hijreeds met het plan rond om de universiteit te verlaten. Spoedig na de Paaschvacantie zond hij met dat doel een verzoekschrift in, dat wij in zijn geheel van Zagoskin hebben overgenomen en hier laten volgen.
Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Kazansche Universiteit, den werkelijken stadsraad Iwan Michaïlowitsch Simonoff.Van den voor eigen rekening levenden student van den 2dencursus der rechtsgeleerde faculteit, graaf Leo Nikolajewitsch Tolstoi.Verzoekschrift.Wegens geschokte gezondheid en huiselijke omstandigheden niet langer wenschende den cursus aan de universiteit bij te wonen, verzoek ik Uwe Excellentie eerbiedig mij af te schrijven als student en mij mijne papieren mede te doen toekomen. Hetwelk onderteekent de bovengenoemde12 April 1847.Graaf Leo Tolstoi.
Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Kazansche Universiteit, den werkelijken stadsraad Iwan Michaïlowitsch Simonoff.Van den voor eigen rekening levenden student van den 2dencursus der rechtsgeleerde faculteit, graaf Leo Nikolajewitsch Tolstoi.Verzoekschrift.Wegens geschokte gezondheid en huiselijke omstandigheden niet langer wenschende den cursus aan de universiteit bij te wonen, verzoek ik Uwe Excellentie eerbiedig mij af te schrijven als student en mij mijne papieren mede te doen toekomen. Hetwelk onderteekent de bovengenoemde12 April 1847.Graaf Leo Tolstoi.
Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Kazansche Universiteit, den werkelijken stadsraad Iwan Michaïlowitsch Simonoff.
Van den voor eigen rekening levenden student van den 2dencursus der rechtsgeleerde faculteit, graaf Leo Nikolajewitsch Tolstoi.
Verzoekschrift.
Wegens geschokte gezondheid en huiselijke omstandigheden niet langer wenschende den cursus aan de universiteit bij te wonen, verzoek ik Uwe Excellentie eerbiedig mij af te schrijven als student en mij mijne papieren mede te doen toekomen. Hetwelk onderteekent de bovengenoemde
12 April 1847.Graaf Leo Tolstoi.
Ingevolge dit verzoekschrift gaf het bestuur het antwoord: “Tolstoi ontslaan van de universiteit en hem een getuigschrift uitreiken.”
In het archief van de universiteit bevindt zich nog een duplicaat van dit getuigschrift, dat voor ons van eenig belang is om de eigenaardige wijze waarop datgene wat men niet wilde zeggen is omschreven. Hier volgt de inhoud.
“Brenger dezes, graaf Leo Nikolajewitsch, zoon van Tolstoi, na het eerste elementaire onderricht genoten en na het geheele gymnasium afgeloopen te hebben, werd ingeschreven als student aan de Universiteit te Kazan voor den cursus van de Arabisch-Turksche talen. Welke vorderingen hij gemaakt heeft is niet bekend, daar hij niet verscheen opde jaarlijksche examens, reden waarom hij denzelfden cursus nog een jaar moest volgen. Met toestemming van het college ging hij over naar de juridische faculteit, waar hij groote vorderingen maakte: logica en psychologie—zeer goed;—rechtsencyclopaedie, de geschiedenis van het Romeinsche recht en Latijn—goed; algemeene en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsch—voldoende; hij ging over naar den tweeden cursus, doch de vorderingen kunnen niet geconstateerd worden, daar de examens nog niet zijn afgenomen. Het gedrag van Tolstoi was gedurende zijn verblijf aan de universiteit uitstekend. Ingevolge zijn verzoekschrift is hem om gezondheidsredenen verlof gegeven de akademie te verlaten; reden waarom de bovengenoemde graaf Tolstoi, zijne studie niet hebbende voleindigd, geen gebruik mag maken van de rechten van een werkelijken student; volgens artikel 590 van het Wetboek zal dit getuigschrift bij aanvaarding van een burgerlijk ambt de vergelijking moeten doorstaan met de papieren van personen die middelbaar onderwijs genoten hebben, en kan hij in aanmerking komen voor civiel-ambtenaar 2eklasse. Dit getuigschrift, voorzien van de vereischte handteekeningen en stempel der Kazansche Universiteit, gegeven aan graaf Leo Tolstoi.
“Gedaan op allerhoogst bevel. Op ongezegeld papier.”
“Tolstoi,” zoo vertelt Zagoskin, “haastte zich uit Kazan weg te komen en wachtte niet eens het examen van zijne broers Sergius en Dmitri af. Hij reisde over Moskou naar Jasnaja Paljana. Den dag van zijn vertrek verzamelde een kleine kring studenten zich ten huize van de Tolstoi’s. Een van dezen, die tot nu toe nog te Kazan woonde, vertelde mij dat zij zijn afscheid feestelijk vierden en hem een eindweegs vergezelden, n.l. tot over het riviertje Kazanka, waar zij hem den laatsten groet brachten.”
Tolstoi liet aan de Kazansche universiteit nog een klein spoor na. Vorst Dmitri Dm. Obolenski deelde mij onlangs mede, dat op de bank waar Tolstoi gewoonlijk zat, de naam “graaf L. N. Tolstoi” gevonden was, die er waarschijnlijk door hem zelf met een mesje of met den nagel was ingekrast.
De Duitscher R. Löwenfeld, die eene biographie van Tolstoi heeft geschreven, vroeg hem eens, toen hij op Jasnaja Paljana vertoefde, hoe het mogelijk was, dat hij, bij zijn grooten dorst naar wetenschap, toch de universiteit had verlaten.
“Juist in mijn’ dorst naar wetenschap ligt waarschijnlijk de oorzaak,” antwoordde Tolstoi. “Wat de professoren ons leeraarden boezemde mij weinig belang in. In den aanvang studeerde ik in de Oostersche talen, maar maakte weinig vorderingen. Ik studeerde ijverig en las een oneindig aantal boeken, maar alle in één richting. Wanneer een vraagstuk mij belang inboezemt, dan bekijk ik het niet van links of van rechts, maar van alle kanten en tracht het geheel te overzien, om er een klaar begrip van te krijgen. Zoo was ik ook reeds te Kazan.”7
“Er bestonden twee redenen waarom ik de universiteit verliet: Ten eerste dat mijn broers hadden afgestudeerd en weggingen, en ten tweede, hoe vreemd het ook moge klinken, mijne studie over deInstructiesenl’ Esprit des Lois, die mij een nieuw veld voor zelfstandigen gedachtenarbeid opende en waarbij de universiteit met hare vele eischen mij hinderde.”8
De herinneringen van Tolstoi aan zijn’ broeder Dmitri zijn verbonden met eenige belangrijke bijzonderheden van het leven te Kazan.
“Mitjenka (Dmitri) is een jaar ouder dan ik. Hij heeft groote, strenge, zwarte oogen. Als knaap kan ik hem mij bijna niet herinneren. Ik weet slechts uit de verhalen, dat hij als jongen heel grillig was. Men vertelde mij b.v. dat hij boos werd als de njanja naar hem keek en ook begon te schreeuwen als zij hem niet aanzag. Mijne moeder had er veel verdriet van. Wij stonden het dichtst bij elkaar in leeftijd en ik speelde veel met hem, maar toch hield ik meer van Sergius en van Nikolaas. Wij gingen goed met elkaar om, en ik kan mij niet herinneren, dat wij met elkaar vochten. Het zal wel eens zijn voorgekomen, maar werd dan spoedig weer vergeten. Ik hield van hem met eene eenvoudige, gelijkmatige, natuurlijke liefde, die om haar eenvoud geen indruk heeft nagelaten. Ik geloof, of liever, ik ben er van overtuigd, want ik heb het in mijne jeugd zelf ondervonden, dat de liefde tot de menschen een natuurlijke toestand van de ziel is, of meer nog eene natuurlijke betrekking tot alle menschen, en waar dit zoo is daar bemerkt men haar niet.
“De herinnering blijft behouden wanneer men niet van iemand houdt of als men iemand vreest. Zoo was ik bang voor bedelaars, bang voor een zekeren Wolkonski, die mij altijd kneep; ik geloof niet dat er nog andere menschen waren, voor wie ik vrees koesterde. Ook blijft de herinnering als men zeer veel van iemand houdt, zooals ik b.v. hield van Tatjana Alexandrjewna, van mijne broers Sergius en Nikolaas, van een zekeren Wassiliï, van de njanja Isajewna en van Paschenka. Van Mitjenka’s eerste jeugd herinner ik mij alleen maar dat hij vroolijk was. Eerst in Kazan, waar wij heen gingen toen hij 13 jaar oud was, begon ik zijne eigenaardigheden op te merken. Ik herinner mij, dat hij, toen wij nog in Moskou waren, niet zoo gauw verliefd was als Sergius en ik; hij hield niet van dansen, ook niet van militair vertoon (waar ik later nog van zal spreken) en leerde goed en vlijtig.Ik weet nog, dat onze leeraar, de student Palonski, eens van ons drieën zeide: ‘Sergius wil en kan, Dmitri wil maar kan niet (dat was niet waar), en Leo wil niet en kan niet.’ Ik geloof dat dit laatste geheel waar was.
“Ik had steeds Sergius als voorbeeld genomen en begon reeds mijne reinheid te verliezen (dat zal ik ook later vertellen). Met mijn uiterlijk hield ik mij reeds lang bezig en ik deed mijn best er geheelcomme il fautuit te zien.
“Mitjenka was heel anders; ik geloof dat hij niet een van die gebreken had, die jongens op dien leeftijd eigen zijn. Hij was ernstig, oplettend, rein, vlug besloten en wat hij deed, dat deed hij met hart en ziel, maar hij was driftig. Toen het eens gebeurde dat hij dat kettinkje inslikte, maakte hij zich, voor zoover ik het mij herinneren kan, niet ongerust, terwijl ik nu nog weet hoe angstig ik was, toen ik een pit van eene Fransche pruim had doorgeslikt, die mijne tante mij had gegeven, en met hoeveel gewicht ik haar dat ongeluk ging vertellen. Ik herinner mij nog, dat wij eens als kleine jongens aan het sleeën waren op een afgelegen steilen heuvel (en wat was het vroolijk!), toen iemand in plaats van den grooten weg te volgen, met zijne troika9den berg opreed. Sergius en een boerenjongen, die juist aan ’t glijden waren, konden het sleetje niet meer tegenhouden en geraakten onder de paarden. De kinderen kregen geen letsel en de troika reed verder. Wij hadden het er druk over, hoe Sergius onder het bijdehandsche paard was door gekropen en hoe het andere schrikte, maar Mitjenka (hij was toen negen jaar) ging naar het rijtuig en schold den voerman uit. Ik herinner mij, dat ik hem bewonderde, maar dat de woorden die hij zei mij niet zeer bevielen, n.l. dat het niet veroorloofd was daar te rijden, dat het geen rijweg was en dat de koetsier verdiende daarvoorin den stal te worden geworpen, hetgeen met andere woorden wil zeggen: te worden afgeranseld.
“In Kazan, zooals reeds gezegd is, kwamen zijne bijzondere eigenschappen meer aan het licht. Hij leerde altijd even goed, maakte heel gemakkelijk gedichten en heel goede vertalingen van de werken van Schiller, hoewel hij er niet veel aan deed. Hij dacht steeds bij zijn werk, en was altijd rustig en ernstig. Eén maal herinner ik mij echter dat hij de dolste dingen uithaalde; de meisjes vonden het prachtig en ik werd jaloersch en dacht: ‘dat komt zeker omdat hij anders altijd zoo ernstig is,’ en ik nam mij voor ook zoo te worden.
“Het was een domme inval geweest van tante Pelageja, toen zij ons ieder een’ bediende van onzen eigen leeftijd gaf, Mitjenka kreeg Wanjoescha (hij leeft nog), dien hij dikwijls slecht behandelde; ik geloof zelfs dat hij hem wel eens sloeg. Ik zeg ‘ik geloof,’ omdat ik het niet zeker weet, maar wèl herinner ik mij nog zijn berouw en zijn nederig smeeken om vergiffenis.
“Zoo werd Dmitri ongemerkt grooter, bemoeide zich weinig met de menschen, en met uitzondering van zijne driftbuien was hij steeds rustig en ernstig en keek met denkende, strenge, groote, zwarte oogen de wereld in. Hij was lang, tamelijk mager, niet heel sterk, had lange armen en een gebogen rug. Hij was een jaar jonger dan Sergius, studeerde echter tegelijk met hem op en had als vak de meetkunde gekozen omdat zijn oudere broeder dat ook had gedaan. Hoe hij er zoo jong toe kwam weet ik niet, maar reeds in ’t begin van zijn’ studententijd werd en leefde hij zeer godsdienstig. Dit leven bracht hem natuurlijk met de kerk in aanraking en, ernstig als hij was, volgde hij in alles hare voorschriften. Op vastendagen at hij geen vleeschspijzen, woonde alle diensten bij en stelde zich zelf steeds de hoogste eischen.
“Mitjenka bezat ook dien mooien karaktertrek, dien ik bijmijne moeder vermoedde, bij mijn broer Nikolaas had opgemerkt en dien ik zelf volkomen miste, n.l. die groote onverschilligheid voor het oordeel der menschen. Nu zelfs kan ik mij nog niet vrij maken van de gedachte, wat de menschen wel van mij zullen zeggen. Mitjenka kende dat gevoel niet. Ik zag op zijn gelaat nooit dat half teruggegehouden lachje, dat onwillekeurig verschijnt wanneer de menschen ons prijzen. Ik zie hem nog steeds met zijne ernstige, rustige, treurige, soms booze, groote, amandelvormige, zwarte oogen. Eerst in Kazan begonnen wij hem eenige aandacht te schenken, en wel omdat juist in dien tijd, toen Sergius en ik zooveel waarde aan ons uiterlijk en aan het begrip vancomme il fauthechtten, hij er altijd even slordig uitzag, waarover wij hem dikwijls onderhielden. Hij kon niet dansen en wilde het ook niet leeren. Als student kwam hij niet in gezelschappen, droeg altijd zijn studentenjas met een smal dasje, en van zijne jeugd af had hij het dwaze aanwensel steeds met zijn hals te draaien alsof hij te nauwe dassen droeg.
“Op godsdienstig gebied begonnen zijne eigenaardigheden daarmee, dat hij voor het heilige avondmaal niet naar de moderne universiteitskerk ging, maar naar de kazemat-kerk. Wij woonden tegenover het tuchthuis. Daar was een zeer strenge en godsdienstige priester aan verbonden, die in den tijd der vasten alle evangelies voorlas alsof men die nog nooit had gehoord, zoodat de diensten natuurlijk ontzettend lang duurden. Mitjenka hield het uit en maakte kennis met dezen pope. De kerk in het tuchthuis was zóó ingericht dat de gevangenen achter een glaswand stonden, waarin deuren waren aangebracht. Eens wilde een van de gevangenen den kerkdienaar eene kaars of geld voor eene kaars geven. Niemand van de in de kerk aanwezigen wilde zich met deze boodschap belasten, maar Mitjenka met zijn ernstig gezicht nam het op zich. Het bleek naderhand, datdit verboden was en men onderhield hem er over, maar hij vond het goed en deed het bij voorkomende gelegenheden weer. Wij, hoofdzakelijk Sergius, hadden aristokratische kennissen, Mitjenka daarentegen koos uit allen den beklagenswaardigen armen student Poloebojarinoff, dien een vriend van ons Poloebjezabjedoff (‘half zonder middageten’) noemde. Wij domme jongens vonden dat heel grappig en lachten Mitjenka uit. Deze Poloebojarinoff was zijn eenige vriend en met hem werkte hij voor het examen. Wij woonden toen op den hoek van het plein Arskoje, in het huis van Kisiljeff, op de bovenste verdieping. Vóór had Mitjenka zijne kamer, daarachter Sergius en ik. Wij beiden hielden er van onze kamer mooi te maken en wij kregen daarvoor allerlei kleinigheden. Mitjenka hield er niet van en vroeg van de voorwerpen uit ons ouderlijk huis alleen maar de mineralen. Hij verdeelde ze in groepen, schreef er de namen bij en bewaarde ze in eene doos met glazen deksel.
Vroegere ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 56.Vroegere ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz.56.
Vroegere ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz.56.
“Onze vrienden, die zagen dat wij, broers, en ook onze tante met eene zekere minachting op Mitjenka en zijne eenvoudige neigingen neerzagen, namen dat natuurlijk van ons over. Een van hen, de ingenieur Es., zag eens, door Mitjenka’s kamer gaande om bij ons te komen, diens mineralen en vroeg hem iets; Mitjenka gaf nauwelijks antwoord. Es., een onsympathiek, aanstellerig jongmensch, schoof en schudde de doos, waarop Mitjenka hem verzocht dat te laten. Hij liet het niet, bespotte hem en lachte hem uit, en noemde hem, waarom weet ik niet, Noach. Mitjenka werd driftig en sloeg hem met zijne groote hand in ’t gezicht. Es. liep naar onze kamer, achtervolgd door Mitjenka, die, toen wij hem buitensloten, woedend dreigde Es. te zullen afranselen, als hij de deur uitkwam. Ik weet niet hoe het zou zijn afgeloopen als wij hem niet, op zijn verzoek, heimelijk, half kruipend over den stoffigen zolder, hadden laten ontsnappen.
“Zoo was Mitjenka als hij driftig was, maar als men hem niet plaagde was hij geheel anders.
“Onze familie had om de eene of andere reden een meisje aangenomen. Zij was een vreemd, beklagenswaardig schepsel en heette Ljoebow Serghejewna. Zij was eene onwettige dochter van Protasoff. Hoe zij bij ons kwam weet ik niet. Ik hoorde dat het uit medelijden was en dat men haar zelfs aan Feodor Iwanowitsch had willen uithuwelijken, maar daar is niets van gekomen. Zij moet steeds bij ons gewoond hebben, doch daar weet ik niets meer van, wèl dat tante Pelageja haar mee nam naar Kazan, waar ik haar leerde kennen. Het was een ongelukkig meisje. Zij had haar eigen kamer, waar zij ook werd bediend. Toen ik haar voor ’t eerst zag, was zij niet slechts beklagenswaardig maar afkeerwekkend. Ik weet niet welke ziekte zij had, maar haar gezicht was altijd opgezet, als door bijen gestoken; de oogen keken uit een paar dikke, gladde kussens zonder wenkbrauwen; geel, opgezet en glimmend waren ook wangen, neus, lippen en mond. Zij sprak moeielijk, waarschijnlijk omdat haar mond inwendig ook was opgezwollen. In den zomer zaten er altijd vliegen op haar gezicht, hetgeen zij niet scheen te voelen; vreeselijk om aan te zien! Haar haar was zwart, maar zoo dun, dat het haren schedel niet bedekte. Joeschkoff, de man van mijne tante, die niet altijd even kiesch was, kon zijn’ afschuw voor haar niet verbergen. Altijd had zij eene benauwde lucht bij zich, die ook op haar kamer hing, waar nooit een raam openstond. En deze Ljoebow Serghejewna koos Mitjenka zich tot vriendin. Hij ging naar haar toe, sprak met haar, luisterde naar haar, wandelde met haar en las haar voor, en wij, stompzinnig als wij waren, lachten om die vriendschap. Mitjenka echter stond zóó hoog, bekommerde zich zóó weinig om het oordeel der menschen, dat het hem niet eens de moeite waard was om met een enkelwoord uit te leggen, dat hij het deed omdat hij het goed vond. Hij dééd het eenvoudig, en niet voor een paar dagen, bij wijze van gril, maar al den tijd dien wij in Kazan doorbrachten.
“Hoe duidelijk is het mij thans, dat de dood Mitjenka niet kon vernietigen, dat hij reeds was voor ik hem leerde kennen, vroeger dan hij werd geboren, en dat hij voortleeft na zijn’ dood.”
Voor zoover het ons mogelijk is, zullen wij nu een’ blik slaan op het innerlijk leven van Tolstoi, zooals hij was in zijne jongelingsjaren.
Het kritieke punt in het leven van den man zijn zijne jongelingsjaren, het tijdperk waarin van alle kanten de onbekende hartstochten hem bestormen. Reeds voor den alledaagschen mensch is dit de tijd van heftig voelen, van het zoeken naar idealen, de periode van droomen en verwachtingen, van wenschen die nooit vervuld zullen worden. Dus kunnen wij ons voorstellen hoe zwaar de inwendige strijd moest zijn voor een’ man als Tolstoi, met zijn zoo voor alle indrukken vatbare natuur. Hoe hoog die geest, gedragen door zijne fantasieën, zich kon verheffen boven deze aarde, maar ook hoe diep zij zinken kon, omlaag getrokken door zijne dierlijke instincten.
Eene beschrijving van dezen inwendigen strijd geeft Tolstoi ons in zijne werkenBiechtenJongelingsjaren.
De gedachten, in het eerste werk uitgesproken door Nikoljenka Irtjenjeff, hebben zonder twijfel auto-biografische waarde. InJongelingsjarenzijn deze uitingen min of meer geïdealiseerd. Eenige van de belangrijkste ideeën laten wij hier volgen.
“Ik zeide reeds, dat mijne vriendschap voor Dmitri mij een nieuwen blik op het leven gaf en mij leerde dat de taak der menschen hierin moet bestaan: steeds te streven naarhet goede, naar het volmaakte. Eene taak die ons niet moeielijk en zeer goed uitvoerbaar scheen.
“Er kwam een tijd, waarin die gedachten zóó heftig op mij instormden, dat ik plotseling begreep hoe lang ik reeds tevergeefs had geleefd. Van dat oogenblik af aan nam ik mij heilig voor die goede voornemens nooit meer te laten varen. Dat was, reken ik, het begin van mijn’ jongelingstijd.
“Ik was toen ongeveer zestien jaar. Nog steeds moest ik les nemen en gedwongen, tegen mijn’ zin, werd ik klaar gemaakt voor de universiteit.
“In dezen tijd van mijn leven namen mijne droomen de volgende vier gestalten aan: ten eerste, de liefde tot ‘haar’, de vrouw mijner fantasieën, van wie ik droomde en die ik ieder oogenblik verwachtte te zullen ontmoeten.
“Ten tweede, de liefde tot de liefde. Ik wenschte dat iedereen mij kende, dat allen mij liefhadden, dat ik slechts mijn naam behoefde te noemen, opdat iedereen zou zijn getroffen, en dat allen mij omringden en mij ergens dankbaar voor waren.
“Ten derde, de hoop op een groot, eervol geluk; en dat gevoel was zóó heftig, dat het bijna tot waanzin overging.
“Ten vierde, en dat was wel de sterkste aandoening, de groote afkeer van mijzelf en diep berouw, maar een berouw dat zich paarde aan de hoop op geluk en mij niet droevig stemde. Ik genoot zelfs van den terugblik en trachtte hetgeen achter mij lag nog slechter te zien dan het geweest was. Hoe donkerder toch de herinnering aan het verleden, des te reiner en lichter deed zich het heden voor, in des te schitterender kleuren bloeide de toekomst voor mij op. Die stem van het berouw en die hartstochtelijke wensch naar volmaking waren de overheerschende gevoelens in dat tijdperk mijner ontwikkeling en deden mij mij zelf, de menschen en Gods aarde in een geheel nieuw licht aanschouwen. Gezegende, vertroostende stem, diezooveel malen in dien bangen, treurigen tijd, toen mijne ziel werd overwonnen door ’s levens leugen en ontucht, zich plotseling moedig keerde tegen iedere onwaarheid, waarschuwend tegen het verleden, wijzend op het lichte heden, mij belovend het schoone, het geluk in de toekomst! Gezegende, vertroostende stem, kan het zijn dat gij ooit zult verstommen?”
Wij weten, dat die stem, gelukkig voor hem en gelukkig voor ons, nog nooit heeft gezwegen; nog steeds roept zij ook ons naar het oneindig, lichtend ideaal.
Deze fantasieën wijzen ons op dat idealistisch naturalisme, dat den grondslag vormt van het grootste gedeelte zijner werken.
“Hooger en hooger, lichter en lichter stond de maan aan den hemel, glanzend glinsterde de vijver, helderder en helderder werd het, zwarter en zwarter de schaduw, waziger en waziger de lucht. Luisterende en starende voelde ik, dat ‘zij’, met hare blanke armen en vurige omhelzingen, nog zoo ver bleef, nog zoo ver van ’t geluk, en mijn liefde tot haar nog zoo ver van de gelukzaligheid; en hoe langer ik staarde naar de klimmende, glanzende maan, des te hooger en hooger, reiner en reiner, dichter en dichter bij Hem, bij de bron van alle schoonheid en geluk, scheen mij de ware schoonheid, en de tranen van onbewust verlangen en tevens van blijde ontroering welden op in mijne oogen.
“En ik was geheel alleen, en het scheen dat de geheimzinnig grootsche natuur de maan geheel in zich opnam, die, ergens hoog aan den bleek-blauwen hemel staande, met haar licht het gansche heelal overstroomde; en mij, nietigen worm, reeds bezoedeld door de kleinste en laagste menschelijke hartstochten, maar doordrongen van de onmetelijke kracht der liefde,—mij kwam het voor, alsof ik één werd met de maan en het licht in de natuur.”
Het is niet onbelangrijk voor ons, de namen te zien derschrijvers, die invloed hebben uitgeoefend op Leo Tolstoi in zijne jongelingsjaren:
Namen der werken:Graad van invloed:Het Evangelie van Mattheüs,De BergredeBuitengewoon groot.Sterne,Sentimental JourneyZeer groot.Rousseau,Confessions,EmileBuitengewoon groot.Rousseau,La nouvelle HéloïseZeer groot.Poeschkin,Jewgheniï,AnjekinZeer groot.Schiller,Die RäuberZeer groot.Gogol,Schinel,Iw. Iw.enIw. Nik.Groot.Gogol,Njewski Prospekt,Wi,Doode ZielenZeer groot.Toerghenjeff,Aanteekeningen van een JagerZeer groot.Droezjinin,Paulina SaksZeer groot.Grigorowitsch,Anton GorjemikaZeer groot.Dickens,David CopperfieldBuitengewoon groot.Ljermontoff,Helden van onzen tijd,TamanZeer groot.Prescott,History of the conquest of MexicoGroot.
Naast de werken van deze schrijvers oefenden Tolstoi’s levensomstandigheden een grooten invloed op hem uit en wel voornamelijk het begrip vancomme il faut.
In zijnJongelingsjarenwijdt hij daaraan een geheel hoofdstuk. Wij laten het voornaamste volgen.
“Ik voel mij verplicht,” zegt Tolstoi, “een geheel hoofdstuk te wijden aan dit meest leugenachtige en schadelijke van alle begrippen, mij bijgebracht door opvoeding en omgeving.
“In den tijd, waarvan ik schrijf, verdeelde ik de menschen bij voorkeur in lieden, die ikcomme il fautof nietcomme il fautnoemde. Deze tweede soort onderscheidde ik nog eens in menschencomme il fautop hunne wijze en in plebs. De liedencomme il fautachtte ik en keurde ik waardig om mee om te gaan; de tweede soort haatte ik, maar ik deed alsof ik op hen neerzag; de derde soort bestond niet voor mij, die verachtte ik volkomen. Iemand, dien ikcomme il fautnoemde, moest in de eerste plaats het Fransch volkomen machtig zijnen met zuiver accent spreken. Eene slechte uitspraak wekte dadelijk een gevoel van tegenzin in mij op. ‘Waarom wilt ge spreken zooals wij, als ge het toch niet kunt?’ dacht ik dan, inwendig spottend.
“Een tweede voorwaarde omcomme il fautte zijn waren lange, goed verzorgde, schoone nagels; de derde, goed te kunnen buigen, dansen en converseeren, en de vierde, dat was de gewichtigste, het ten toon spreiden van eene groote onverschilligheid voor alle dingen en eene voortdurende betuiging van geringschattende verveling.
“’t Is vreeselijk wanneer ik bedenk, hoeveel kostbaren tijd ik op zestienjarigen leeftijd, moeite doende om mij die eigenschappen te verwerven, verbeuzelde.
“Maar niet die gouden tijd, dien ik verloor om geheel te kunnen voldoen aan de eischen, die hetcomme il fautmij stelde en waardoor ik geen tijd meer overhield voor ernstige studie, ook niet de minachting waarmee ik neerzag op negen tienden der menschen, evenmin mijne blindheid voor het schoone dat buiten den kring van hetcomme il fautstond, dat alles was nog niet het ergste kwaad, waartoe deze opvatting mij bracht. Veel erger was het, dat ik mij verbeeldde, datcomme il fauteene positie aanduidde in de maatschappij; dat een menschcomme il fautzich geen moeite behoefde te geven om ambtenaar, wagenmaker, soldaat of geleerde te worden, dat hij, zoo hij aan dien eisch kon voldoen, volkomen aan zijne bestemming beantwoordde, ja zelfs ver boven het grootste gedeelte van het menschdom stond.
“Op een zekeren tijd van ons leven, na ’t begaan van menige onbezonnenheid, komt toch bijna voor ieder mensch het oogenblik dat hij zich gedrongen voelt zich te wijden aan een’ werkkring in de maatschappij, maar bij den mancomme il fautziet men dat zelden. Ik ken en kende heel veel reeds bejaarde, trotsche, zelfbewuste menschen, die op de vraag (gesteld datons die in de wereld hiernamaals gedaan werd): ‘wat zijt gij? en wat deedt gij?’, niet anders zouden kunnen antwoorden dan: ‘Je fus un homme très comme il faut.’
“Dat lot wachtte ook mij.”10
Zooals reeds gezegd is in het gesprek met den Duitscher Löwenfeld, boezemde de akademische studie Tolstoi heel weinig belang in, maar voelde hij den lust in zich opkomen tot zelfstandigen arbeid, hiertoe opgewekt door de vergelijking van de beide werken:l’Esprit des Loisvan Montesquieu en deInstructiesvan Catharina.
Tolstoi’s dagboek, dateerende uit dien tijd, staat vol aanteekeningen en opmerkingen over dien arbeid en daarnaast schreef hij een zee van gedachten neer, alsof zijn verstand tot nu toe had geslapen en, plotseling wakker geworden, zich met alles ging bezighouden.
In Maart van het jaar 1847 lag Tolstoi wegens de een of andere ziekte in de kliniek te Kazan. Zijne gedwongen ledigheid en afzondering brachten hem tot nadenken en hij stelde zich de vraag, wat de eigenlijke beteekenis was van het verstand. Onze kring maakt slechts een deel uit van de wereld. Het verstand moet zich dus toetsen aan degeheelewereld, moet de algemeene wetten erkennen en dan kan het onafhankelijk worden van dat onderdeel, van dien kring.
Deze opmerking bewijst ons, dat de 18-jarige jonge man reeds de kiem bij zich droeg van het latere anarchisme.
Toen Tolstoi in zich dien drang naar wetenschap bemerkte, legde hij zich, angstig dat hij zich in de theorie zou verliezen, dadelijk de vraag voor, hoe hij de theorie in dienst kon stellen van de praktijk, doch was zich tevens bewust dat hij in hoofdzaak moest trachten zich zelf in overeenstemming te brengen met het zedelijk ideaal.
Zoo schrijft hijo.a.in Maart 1847 in zijn dagboek: “Ik ben veel veranderd, maar heb dien graad van volmaking nog niet bereikt, dien ik hoop te verkrijgen. Ik vervul niet wat ik mij heb voorgeschreven en wat ik ten uitvoer breng, dat doe ik niet goed; ik span mij niet genoeg in. Daarom schrijf ik mij nu eenige levensregels voor, die mij, zoo ik ze ga naleven, heel veel kunnen helpen.
Door de bestudeering der werken van Montesquieu en Catharina kwam hij tot de gevolgtrekking, dat in het laatste twee hoofdideeën op den voorgrond treden,d.w.z.de revolutionaire ideeën van het toenmalige Europa en het despotisme en de eerzucht van haar zelf; de laatste treedt het meest naar voren. De republikeinsche ideeën heeft zij ontleend aan Montesquieu. Resumeerende kwam hij tot het resultaat, dat deInstructiesCatharina meer roem dan Rusland nut hebben gebracht.
Nadat hij besloten had de universiteit te verlaten en op het land te gaan leven, deed hij zich zelf de belofte zich verder te bekwamen in de Engelsche en Latijnsche taal en in het Romeinsche recht, waarschijnlijk voelende dat hij het daarin nog niet ver had gebracht.
Hoe meer de tijd van zijn vertrek naderde, des te meer breidden zijn plannen en fantasieën zich uit en zoo schreef hij ten slotte 17 April 1847 in zijn dagboek: “Er moet eene verandering in mijn leven komen, maar dat moet niet eene uitwendige maar eene inwendige, eene zielsverandering zijn”, en verder:
“Het geheele leven is een bewust streven naar eene algeheele ontwikkeling van het bestaande.
“Het doel van mijn tweejarig dorpsleven is: 1. de studie van de rechtswetenschappen voor zoover noodig, voor het eindexamen van de universiteit; 2. de studie van de praktische en gedeeltelijk van de theoretische geneeskunde; 3. de studie der talen: Fransch, Russisch, Engelsch, Italiaansch, Duitsch en Latijn; 4. de studie der landhuishoudkunde, zoowel praktisch als theoretisch; 5. de studie der geschiedenis, aardrijkskunde en statistiek; 6. de studie der mathesis voor zoover die op het gymnasium verlangd wordt; 7. het schrijven van eene dissertatie; 8. trachten naar den hoogsten graad van volmaking in muziek en schilderkunst; 9. levensregels schrijven; 10. het verkrijgen van eenige bedrevenheid in de natuurwetenschappen; 11. geschriften samenstellen betreffende alles wat ik zal leeren.”
De twee jaren, die Tolstoi dus in zijn dorpje doorbracht, waren gevuld met het najagen dezer idealen en een voortdurenden strijd met zich zelf om de volmaking te bereiken.
Met eene onnavolgbare oprechtheid wijst hij zich zelf op iedere afwijking van deze levensregels, op iederen terugval, en van voren af aan begint dan weer de strijd. De verhouding tot de vrouw verontrustte hem toen reeds en hij geeft zich zelf den volgenden raad:
“Beschouw de aanwezigheid der vrouw in de samenleving als een noodzakelijk kwaad en vermijd haar zoo mogelijk.
“Immers, hoe komen wij aan den wellust, de weekelijkheid,de lichtzinnigheid en die vele andere gebreken, zoo niet door haar. Aan wie de schuld dat wij de aangeboren neigingen verliezen, zooals onze vastberadenheid, onze kracht, onze bedachtzaamheid, onze waarheidsliefde en andere deugden, zoo niet aan haar. De vrouw is gevoeliger voor indrukken dan de man en daarom was zij in de tijden toen de deugd nog bestond beter dan wij, maar nu, in onze verdorven eeuw, is zij slechter.”
Ook hier zien wij in beginsel zijne latere begrippen.
In dezen tijd deed Tolstoi de eerste schrede op ’t gebied der filosofie, beginnende met een kommentaar te geven bij hetDiscoursvan Rousseau.
Verder bestaat nog van hemHet doel der Filosofie, geschreven in 1846–47, dus toen hij 18 jaar was.
Deze filosofie zegt het volgende:
“De mensch streeft, dus de mensch is werkzaam. Waarheen voert deze arbeid en hoe maken wij hem zelfstandig? Dit is het doel der filosofie in hare ware beteekenis, dus met andere woorden: filosofie is levenskunst”.
Behalve deze bestaan er nog losse gedachten als:Bespiegelingen over het leven hiernamaals;Definitie van tijd, ruimte en getal;Methodes;Indeeling der filosofie, enz.
De volgende gebeurtenis, verteld door Gravin Tolstoi, heeft ook betrekking op dezen tijd.
“In zijn’ studententijd stelde Tolstoi zich eens de vraag: ‘Wat is eigenlijk symmetrie?’ en schreef daarover een filosofisch artikel. Dit lag toevallig op een stoel in zijne kamer toen een zekere Schoewaloff, een vriend der beide broers Tolstoi, met wijnflesschen in zijn zakken binnenkwam, om die gezamenlijk te ledigen. Toevallig zag hij het opstel en las het door. Het interesseerde hem en hij vroeg Tolstoi, waaruit hij het had overgeschreven. Schuchter antwoordde deze, dat het zijn eigen werk was. Schoewaloff begon telachen en zeide dat het niet waar was en niet waar kon zijn. Het ging veel te diep en was te veel doordacht voor iemand van zijn’ leeftijd. Hij ging weg zonder te willen gelooven dat Tolstoi de schrijver was.”
Ook dit kleine voorval wijst ons op Tolstoi’s buitengewone ontwikkeling, die hem ver boven zijn’ kring verhief.
Biechtvan Tolstoi leert ons hoe hij dacht over geloof en godsdienst.
“Ik herinner mij,” zegt hij, “dat, toen bij mijn ouderen broer Dmitri plotseling de behoefte aan een godsdienstig leven ontwaakte en hij geregeld naar de kerk ging, de vasten hield, en een rein zedelijk leven ging leiden, zelfs de volwassenen hem daarom uitlachten, hem plaagden en hem Noach noemden. Ik weet nog dat Moesin Poeschkin, de toenmalige rector der universiteit, ons op een dansavondje verzocht en Dmitri, die bedankt had, lachend toevoegde dat David wel gedanst had voor de arke des verbonds. Ik begreep die scherts en maakte de gevolgtrekking, dat het noodig was zijn cathechismus te leeren, eveneens naar de kerk te gaan, maar tevens dat men die zaken niet al te ernstig behoefde op te nemen. Ik was nog heel jong toen ik Voltaire reeds las, en ik herinner mij nog dat diens bijtende spot mij niet alleen niet hinderde maar mij zelfs vermaakte.
“Mijn afval van het geloof ging op dezelfde wijze in zijn werk als dat gebeurde, en ook thans nog gebeurt, bij alle menschen van onze ontwikkeling. Het gaat, dunkt mij, in de meeste gevallen zoo: de menschen leven, zooals allen leven, naar een vast grondbeginsel, dat niets gemeen heeft met hetgeen het geloof ons leert, maar zich in de meeste gevallen daar juist tegenover stelt. Deze leer van het geloof grijpt niet in in ons leven; in onze betrekkingen met andere menschen komt het niet voor dat wij met haar in botsingkomen en wat ons eigen leven aangaat, behoeven we in ’t geheel geen rekening met haar te houden. De geloofsleer slaat op iets, daar ergens ver van het werkelijke leven en los daarvan. Komen wij met haar in aanraking dan is dat oppervlakkig en beroert het niet ons innerlijk leven.
“Men kon vroeger, evenmin als nu, uit het doen en laten der menschen opmaken of zij geloovig zijn of niet. Zoo er onderscheid bestaat tusschen hen die beweren rechtgeloovig te zijn en degenen, die dit ontkennen, dan pleit dat nog niet ten gunste van de eersten.
“Want zoowel nu als vroeger ontmoet men onder degenen die zoo openlijk verklaren dat zij rechtgeloovig zijn, zeer vele stompzinnige, harde, met zich zelf ingenomen menschen, terwijl men verstand, eerlijkheid, goedhartigheid, waarheidsliefde en zedelijkheid grootendeels bij hen vindt, die zich zelf ongeloovigen noemen.
“Op school wordt de cathechismus onderwezen en stuurt men de leerlingen naar de kerk; van den ambtenaar verlangt men een bewijs dat hij gecommuniceerd heeft. De mensch echter uit onzen kring, die niet meer studeert en niet in keizerlijken dienst is, kan thans, en vroeger was dit nog sterker, tien jaren en nog langer leven zonder dat hij er zich rekenschap van geeft dat hij in eene Christelijke maatschappij verkeert, en toch noemt hij zich een belijder van de Christelijke leer der rechtgeloovigen.
“Het geloof, gegrond op uiterlijkheden en slechts op gezag door ons aangenomen, verdwijnt onder den invloed van de wetenschap en van het leven, die zich er tegenover stellen, en het gebeurt dat de mensch zich verbeeldt nog zeer geloovig te zijn, terwijl in hem geen spoor van dat geloof meer is achtergebleven, dat hem in zijn jeugd werd geleerd.
“De godsdienst, mij in mijn jeugd onderwezen, verdween bij mij op dezelfde wijze als bij anderen, alleen met dit onderscheiddat ik reeds op mijn 15dejaar begon filosofische werken te lezen, zoodat mijn afval van het geloof reeds heel vroeg en bewust geschiedde. Op mijn 16dejaar ging ik uit eigen beweging niet meer naar de kerk, bad ik niet meer en hield ik mij niet aan de vasten.
“Ik geloofde niet hetgeen men mij in mijn jeugd geleerd had, maar ik geloofde wel ergens in; waarin echter, dat had ik niet kunnen zeggen. Ik geloofde in God of liever ik verloochende Hem niet, maar welken God, dat had ik ook niet kunnen zeggen. Den Christus en zijne leer verloochende ik evenmin, maar waarin die leer bestond had ik ook niet kunnen verklaren.
“Nu, dien tijd in mijn geheugen terugroepende, zie ik klaar, dat mijn geloof die kracht was die, behalve mijne dierlijke instincten, mijn leven heeft bestuurd.
“Mijn eenig, mijn oprecht geloof in dien tijd was mijn vertrouwen in de volmaking. Maar waarin die bestond en welk doel zij had, ook dat had ik niet kunnen zeggen. Ik trachtte een vasten wil te verkrijgen, ik schreef mij levensregels voor, die ik wilde volgen; ook lichamelijk deed ik mijn best mij te volmaken door allerlei gymnastische oefeningen, en ik legde mij ontberingen op om te leeren dulden en lijden.
“Dat alles noemde ik volmaking. Bovenaan stond natuurlijk de zedelijke volmaking, die weldra in eene algeheele overging. Ik wilde beter zijn, niet alleen voor mij zelf en voor God, maar ook voor ’t oog der menschen. En al heel spoedig ging dit streven over in den wensch om sterker, krachtiger te zijn dan anderen, d.w.z. beroemder, machtiger, rijker.”
Dan volgt Tolstoi’s diep berouw, dat ons al zijne zonden aantoont, maar ons tevens wijst op de verdorvenheid in eigen ziel, die misschien niet zoo’n groote afmeting aannam, maar die ook niet zoo oprecht werd beleden.
“Eens zal ik de treffende en leerzame geschiedenis van detien jaren van mijn jongelingschap vertellen. Ik denk dat velen, velen hetzelfde hebben ondervonden.
“Met hart en ziel wenschte ik goed te zijn; maar ik was jong, hartstochtelijk, en ik stond alleen, geheel alleen, toen ik het goede zocht.
“Telkens als ik trachtte te spreken over mijn’ zielewensch om moreel goed te zijn, ontmoette ik spot en verachting, maar nauwlijks gaf ik mij over aan lage hartstochten, of men prees mij en dreef mij verder in die richting.
“Eerzucht, machtsbegeerte, baatzucht, wellust, trots, toorn en wraakzucht, alles werd geprezen.
“Toen ik mij overgaf aan die hartstochten, voelde ik, dat ik werd als de volwassenen, dat men over mij tevreden was. Mijne goede tante, het reinste wezen dat er bestond, met wie ik toen samenwoonde, zeide dikwijls tegen mij, dat zij niets liever zou wenschen, dan dat ik eene liaison aanknoopte met eene getrouwde vrouw, ‘want,’ zeide zij, ‘rien ne forme un jeune homme comme une liaison avec une femme comme il faut’. Zij wenschte mij nog meer toe, n.l. dat ik adjudant zou worden en dan liefst van den Keizer; verder dat ik een rijke vrouw zou trouwen en, als gevolg van dat huwelijk, zooveel mogelijk lijfeigenen zou houden.
“Ik kan niet zonder schrik, afschuw en hartzeer aan die jaren terugdenken. Ik doodde menschen in den oorlog, ik duelleerde om te dooden, ik verspeelde veel geld, ik verbruikte hetgeen de boeren zwoegend voortbrachten, terwijl ik hen zwaar liet straffen; ik bedroog en gaf mij over aan ontucht, leugen, diefstal, echtbreuk van allerlei aard, dronkenschap, gewelddadigheid, moord... er was geen ondeugd, waaraan ik mij niet overgaf, en daarvoor prees men mij en noemde mij, zooals men nu ook nog zou doen, een betrekkelijk zedelijk mensch.
“Zoo leefde ik tien jaren.”11
Gezicht in het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Gezicht in het park te Jasnaja Paljana.—Blz.57.
Gezicht in het park te Jasnaja Paljana.—Blz.57.
In ’t begin van die stormachtige tienjarige periode woonde Tolstoi op het land.
Hij trachtte in die jaren eene nieuwe richting in te slaan in de landhuishoudkunde, en dat wel in hoofdzaak, door de verhouding tot de lijfeigenen beter te regelen en hun lot te verlichten. Deze proef mislukte totaal, hetgeen wij vinden beschreven in zijn werkÉén morgen landheer, dat een sterk autobiografisch karakter draagt. Wij laten daaruit een’ brief volgen van vorst Njechljoedoff aan zijne tante:
“Lieve Tante!“Ik heb een besluit genomen, dat over heel mijn verder leven zal beslissen. Ik heb de universiteit verlaten om mij aan het landleven te gaan wijden, daar ik voel daarvoor te zijn geboren. In ’s hemels naam, lieve tante, lach mij niet uit! Gij zult zeggen, dat ik nog zoo jong ben, en misschien hebt gij gelijk en ben ik nog een knaap, hetgeen evenwel niet verhindert, dat ik den drang in mij voel goed te willen doen en van het goede te houden. Zooals ik u reeds schreef vond ik alles in de grootste wanorde. Bij de regeling der zaken kwam ik tot de ontdekking, dat het grootste kwaad schuilt in den beklagenswaardigen, armzaligen toestand, waarin de boeren verkeeren, een toestand die slechts met de grootste moeite en het grootste geduld is te verbeteren. Zoo gij maar eens twee van mijne boeren kondt zien en het leven dat zij met hunne familie leiden, dan zou dat u een betere verklaring van mijn voornemen geven, dan alles wat ik u kan vertellen. Is het niet mijn dure en heilige plicht zóó voor deze zevenhonderd menschen te zorgen, dat ik mij eens voor God zal kunnen verantwoorden? Is het geen schande hen over te laten aan de willekeur van den ruwen starost12en zijne handlangers?“Waarom zou ik in eene andere sfeer de gelegenheid zoeken nuttig te zijn en goed te doen, terwijl een edele, hooge plicht mij roept? Ik ben mij bewust een goede landheer te kunnen worden, daar men, om dat te zijn, zooals ik dat opvat, geen candidaatsdiploma of ambt noodig heeft dat gij zoo wenschelijk voor mij vindt. Lieve tante, maak voor mij geen eerzuchtige plannen, berust bij de gedachte, dat ik mijn eigen, maar een goeden weg volg, die mij, dat voel ik, naar het geluk zal voeren. Ik heb veel nagedacht over mijne toekomstige plichten, mij zelf levensregels voorgeschreven en, zoo God mij leven en kracht schenkt, dan zal ik mijne voornemens ten uitvoer brengen.”13
“Lieve Tante!“Ik heb een besluit genomen, dat over heel mijn verder leven zal beslissen. Ik heb de universiteit verlaten om mij aan het landleven te gaan wijden, daar ik voel daarvoor te zijn geboren. In ’s hemels naam, lieve tante, lach mij niet uit! Gij zult zeggen, dat ik nog zoo jong ben, en misschien hebt gij gelijk en ben ik nog een knaap, hetgeen evenwel niet verhindert, dat ik den drang in mij voel goed te willen doen en van het goede te houden. Zooals ik u reeds schreef vond ik alles in de grootste wanorde. Bij de regeling der zaken kwam ik tot de ontdekking, dat het grootste kwaad schuilt in den beklagenswaardigen, armzaligen toestand, waarin de boeren verkeeren, een toestand die slechts met de grootste moeite en het grootste geduld is te verbeteren. Zoo gij maar eens twee van mijne boeren kondt zien en het leven dat zij met hunne familie leiden, dan zou dat u een betere verklaring van mijn voornemen geven, dan alles wat ik u kan vertellen. Is het niet mijn dure en heilige plicht zóó voor deze zevenhonderd menschen te zorgen, dat ik mij eens voor God zal kunnen verantwoorden? Is het geen schande hen over te laten aan de willekeur van den ruwen starost12en zijne handlangers?“Waarom zou ik in eene andere sfeer de gelegenheid zoeken nuttig te zijn en goed te doen, terwijl een edele, hooge plicht mij roept? Ik ben mij bewust een goede landheer te kunnen worden, daar men, om dat te zijn, zooals ik dat opvat, geen candidaatsdiploma of ambt noodig heeft dat gij zoo wenschelijk voor mij vindt. Lieve tante, maak voor mij geen eerzuchtige plannen, berust bij de gedachte, dat ik mijn eigen, maar een goeden weg volg, die mij, dat voel ik, naar het geluk zal voeren. Ik heb veel nagedacht over mijne toekomstige plichten, mij zelf levensregels voorgeschreven en, zoo God mij leven en kracht schenkt, dan zal ik mijne voornemens ten uitvoer brengen.”13
“Lieve Tante!
“Ik heb een besluit genomen, dat over heel mijn verder leven zal beslissen. Ik heb de universiteit verlaten om mij aan het landleven te gaan wijden, daar ik voel daarvoor te zijn geboren. In ’s hemels naam, lieve tante, lach mij niet uit! Gij zult zeggen, dat ik nog zoo jong ben, en misschien hebt gij gelijk en ben ik nog een knaap, hetgeen evenwel niet verhindert, dat ik den drang in mij voel goed te willen doen en van het goede te houden. Zooals ik u reeds schreef vond ik alles in de grootste wanorde. Bij de regeling der zaken kwam ik tot de ontdekking, dat het grootste kwaad schuilt in den beklagenswaardigen, armzaligen toestand, waarin de boeren verkeeren, een toestand die slechts met de grootste moeite en het grootste geduld is te verbeteren. Zoo gij maar eens twee van mijne boeren kondt zien en het leven dat zij met hunne familie leiden, dan zou dat u een betere verklaring van mijn voornemen geven, dan alles wat ik u kan vertellen. Is het niet mijn dure en heilige plicht zóó voor deze zevenhonderd menschen te zorgen, dat ik mij eens voor God zal kunnen verantwoorden? Is het geen schande hen over te laten aan de willekeur van den ruwen starost12en zijne handlangers?
“Waarom zou ik in eene andere sfeer de gelegenheid zoeken nuttig te zijn en goed te doen, terwijl een edele, hooge plicht mij roept? Ik ben mij bewust een goede landheer te kunnen worden, daar men, om dat te zijn, zooals ik dat opvat, geen candidaatsdiploma of ambt noodig heeft dat gij zoo wenschelijk voor mij vindt. Lieve tante, maak voor mij geen eerzuchtige plannen, berust bij de gedachte, dat ik mijn eigen, maar een goeden weg volg, die mij, dat voel ik, naar het geluk zal voeren. Ik heb veel nagedacht over mijne toekomstige plichten, mij zelf levensregels voorgeschreven en, zoo God mij leven en kracht schenkt, dan zal ik mijne voornemens ten uitvoer brengen.”13
Al heeft Tolstoi in werkelijkheid dezen brief niet geschreven, dan zijn het toch dergelijke gedachten, die zijne jonge ziel bestormden en richting gaven aan zijn leven.
Zooals wij weten, leden zijne plannen schipbreuk. En dat kon niet anders. Zijne oprechtheid kon het niet dulden, dat hij daar stond als de weldoener van zijne lijfeigenen, d.w.z. van deze tot aan het uiterste verwaarloosde lieden. Deze tegenstelling kon hij niet verdragen, en een hard en streng mensch worden (zooals zijne tante hem in den brief, waarmee zij hem antwoordde, ried) was hem ook onmogelijk, zoodat hij de eerste gelegenheid de beste aangreep om verandering in zijn leven te brengen.
Tolstoi bracht den zomer door op Jasnaja Paljana. In den herfst ging hij naar Petersburg en deed daar in ’t begin van ’t jaar 1848 zijn candidaats-examen. “In ’48,” zoo vertelt hij in een opstel over opvoeding, “deed ik candidaats-examen aan de akademie te St.-Petersburg. Ik wist niets in den letterlijken zin van ’t woord en was eerst eenige weken van te voren met de voorbereiding begonnen. Ik sliep ’s nachts niet en werd candidaat in het crimineel en burgerlijk recht, na eene voorbereiding van hoogstens een paar weken.”14
Löwenfeld laat Tolstoi het volgende van deze gebeurtenis vertellen:
“Ik vond het heel prettig op het land met tante Tatjana. maar een onbestemde dorst naar wetenschap maakte zich weer van mij meester. Het was in 1848; ik was nog in ’t geheel niet besloten wat ik zou doen. In St.-Petersburg stonden twee wegen voor mij open, n.l. bij ’t leger gaan en den Hongaarschen veldtocht mee maken, of mijne studiën voltooien om naderhand ambtenaar te worden. De drang naar wetenschap was echter sterker dan mijne eerzucht en zoo nam ik de studie dan weer op. Ik deed zelfs twee examens, in de rechten, maar toen vervlogen al mijne voornemens weer. De lente kwam, en met haar de lokstem van het landleven, die mij naar ons landgoed terugriep.”15
Tolstoi’s leven te St.-Petersburg kunnen wij het best beoordeelen uit de brieven aan zijn’ broer Sergius, waarvan wij hier de belangrijkste laten volgen.
13 Februari 1848 schreef hij:
“Ik schrijf je dezen brief uit St. Petersburg, waar ik van plan ben eeuwig te blijven. Ik ben voornemens hier mijn examen te doen en dan ambtenaar te worden; als ik niet slaag (en alles kan gebeuren), dan zal ik eene lagere betrekking aannemen. Ik ken heel veel ambtenaren tweede klasse, die niet slechter zijn dan gij, die tot de eerste behoort. Het leven te St.-Petersburg heeft een grooten en goeden invloed op mij; ik raak hier gewend aan den arbeid en zonder dat ik het zelf heb gewild, is mijne dagverdeeling veranderd. Men kan hier niet niets doen, iedereen heeft zijne bezigheden. Allen werken, men vindt hier niemand die een leven van ledigheid leidt, en alleen kunt ge dat ook niet.
“Ik weet wel, dat je het toch niet gelooft, dat ik veranderdben, en dat je zegt: ‘dat is nu al wel de twintigste maal, dat jij van plan verandert, van jou komt nooit wat terecht, jij bent een praatjesmaker’; maar neen, ik ben nu heel anders veranderd dan vroeger. Toen zei ik: ‘kom, laat ik eens veranderen’. Maar nu zie ik, dat ik veranderd ben en ik zeg: ‘ikbenveranderd’.
“’t Voornaamste is, dat ik nu ten volle overtuigd ben, dat theorie en filosofie niets zijn voor het leven; men moet positief leven, d.w.z. een praktisch mensch zijn. Het is eene groote stap, en eene verandering zooals er bij mij nog niet heeft plaats gegrepen.
“Wanneer men jong is en wil leven, dan is St.-Petersburg de eenige plaats. Hoeveel richtingen kan men niet uit, en iedereen kan hier bevredigd worden; alles kan zich hier ontwikkelen en gemakkelijk, zonder eenige moeite. Wat het leven aangaat, dat is voor een ongetrouwd man niet duur; zelfs goedkooper dan in Moskou, behalve de woning. Groet al de onzen van mij en zeg hun, dat ik misschien, misschien ook niet, van den zomer bij hen kom; ik ben van plan dan vrij te nemen en de omstreken van Petersburg eens te gaan bekijken, en ook Helsingfors en Reval.
“Schrijf mij toch eens, in ’s hemelsnaam; ik zou graag willen weten, hoe gij en de anderen dit nieuws opnemen, en vraag hun mij ook eens te schrijven. Ik durf het zelf niet te doen, omdat ik zoo lang niets van mij heb laten hooren en ik nu vrees, dat ze boos op mij zijn. Ik voel me vooral bezwaard tegenover tante Tatjana; vraag haar voor mij om vergiffenis.”
Maar och, deze heilige voornemens zouden niet verwezenlijkt worden. Het moet Tolstoi vreemd hebben aangedaan neer te schrijven dat zijn broeder hem een praatjesmaker noemde, hetgeen hij bovendien zelf moest toegeven, zooals blijkt uit den brief van 1 Mei 1848 aan zijn’ broeder:
“Sergius, het is mij alsof ik je hoor zeggen, dat ik een praatjesmaker ben, en dan spreek je de waarheid. Ziehier wat ik tot stand heb gebracht. Ik reisde zonder eenige aanleiding naar Petersburg en deed daar niets anders dan leven, geld uitgeven en schulden maken. Dom! Onbeschrijflijk dom! Je kunt niet begrijpen hoe het mij kwelt. Vooral deschulden, die ik moet betalen enliefst zoo spoedig mogelijk, want doe ik het niet, dan verlies ik met het geld ook nog mijne goede reputatie. Tegen den eersten betaaldag heb ik 3500 roebel noodig: 1200 voor den voogdijraad, 1600 om mijne schulden te betalen en 700 voor levensonderhoud. Ik vrees, dat gij ach en wee zult roepen, maar wat moet ik doen? Iedereen kan een domheid begaan. Nu moet ik voor mijne vrijheid en mijne filosofie boeten. Wees barmhartig en help mij uit mijne valsche en ellendige positie; ik zit zonder een kopjéke en vol schulden.
“Je weet waarschijnlijk, dat ons heele leger op marsch gaat en dat een gedeelte (twee corpsen) al over de grenzen is, men zegt reedsinWeenen.
“Eerst wilde ik mijn examen doen; ik heb er reeds twee afgelegd; maar nu ben ik van plan veranderd en ik zal als Junker16dienst nemen bij de garde-cavallerie. Het valt mij moeilijk je dit alles te schrijven, omdat ik weet, dat je van mij houdt en mijne domheid en mijne onstandvastigheid je verdriet doen. Onder ’t schrijven van dezen brief stond ik eenige malen op en werd rood van schaamte. Jij zult het zelfde doen onder ’t lezen, maar wat is er aan te doen! Het gebeurde kan men niet ongedaan maken en de toekomst zal van mij afhangen. God geve dat ik nog eens een ordentelijk mensch zal worden; ik zal er mijn best voor doen; het meest verwacht ik van den dienst, hij zal me aan een praktisch leven gewennen en ik moet, of ik wil ofniet, dienen tot ik officier ben. Als het geluk wil dat het garde-regiment mee optrekt, dan kan de bevordering sneller gaan, en behoeft het geen twee jaren te duren. Het vertrek zal dan zijn einde Mei. Op ’t oogenblik kan ik niets doen, ten eerste omdat ik geen geld heb, dat ik op ’t oogenblik best kan gebruiken (zelfs veel), en ten tweede ontbreken mij eenige papieren, die te Jasnaja zijn; geef even order, ze mij te sturen en liefst zoo spoedig mogelijk. Wees niet boos op mij, bid ik je,—ik voel zelf maar al te goed, hoe weinig ik waard ben,—en doe zoo spoedig mogelijk wat ik je gevraagd heb.
“Vaarwel. Laat tante dezen brief niet lezen, ik wil haar geen verdriet doen.”
Ook deze plannen werden spoedig weer opgegeven. In een van de volgende brieven aan zijn’ broer schrijft Tolstoi:
“In mijn laatsten brief schreef ik je veel domheden, waarvan wel de voornaamste is, dat ik van plan was dienst te nemen bij het garde-regiment. Ik heb dat plan laten varen, behalve voor het geval ik niet voor mijn examen mocht slagen, of de oorlog ernstig wordt.”
Waarschijnlijk vond hij den oorlog niet ernstig genoeg, want onder dienst ging hij niet.
Met het voorjaar keerde hij weer naar Jasnaja Paljana terug, vergezeld van een zekeren Rudolf, een aan den drank verslaafden, talentvollen Duitschen musicus, met wien hij bij zijn vrienden Pjerfiljeff kennis had gemaakt. Hartstochtelijk wierp hij zich nu op de muziek.
Tot aan zijn vertrek naar den Kaukasus in 1851 verdeelde Tolstoi zijn tijd tusschen Moskou en Jasnaja Paljana.
Dit is het tijdperk van ascetisme, gevolgd door eene avontuurlijke periode van jacht, spel en uitgaan.
In deze drie jaren heeft hij alles doorgemaakt wat een krachtige, begaafde, hartstochtelijke jonge man doorleven kan.
Tolstoi hield in deze jaren zijn dagboek niet bij. Hij hader geen tijd voor. In de laatste helft van 1850 komt hij weer tot inkeer, en vol berouw en zelfverwijt neemt hij zich voor zijne herinneringen neer te schrijven van deze drie doelloos doorgebrachte jaren van zijn leven. Daar hij den lust in zich voelde opkomen om een geregeld leven te gaan leiden, schreef hij zichzelf eene dagverdeeling voor: zijn landgoed besturen, baden, dagboek, muziek, eten, uitrusten, lezen, baden, landgoed besturen.
Het spreekt van zelf dat deze regels ook weer niet werden nageleefd en uit zijn dagboek blijkt, dat hij niet over zich zelf tevreden was.
Deze strijd om zich zelf te overwinnen duurde maanden lang; herhaaldelijk maakten de booze hartstochten zich weder meester van hem.
Zooals de verdrinkende naar een’ stroohalm grijpt, zoo zocht hij steun bij verschillende gevoelens, die hem van den ondergang konden redden. Daar is b.v. zijne eigenliefde. “De menschen, die volgens mijne meening moreel lager staan dan ik, doen slechte dingen nog beter dan ik,” schreef hij eens in zijn dagboek. Hierdoor begonnen die slechte dingen hem tegen te staan en hij deed ze niet meer.
Ook het rustige landleven hielp hem dikwijls zijne hartstochten te overwinnen.
’t Is opmerkelijk, dat de edele trekken van Tolstoi’s karakter zelfs uitkwamen bij zulke lage dingen als b.v. het kaartspel. Dit was waarschijnlijk één van zijn heftigste hartstochten, doch hij hield zich stipt aan den regel: “alleen met rijke menschen te spelen”, opdat het verlies den speler geene materieele schade zou doen lijden.
Tolstoi verloor dikwijls de heerschappij over zich zelf, wat hem tot vertwijfeling bracht, maar telkens vatte hij weer moed en zoo lezen wij in zijn dagboek:
“Ik leef, misschien met eene kleine uitzondering, geheel als het vee. Bijna al mijn bezigheden heb ik laten varen en mijn geestelijk peil daalt.”
Hij heeft er zelfs over gedacht, omdat hij in geldverlegenheid zat, zich met eene handelsonderneming, n.l. met een poststation te Toela, in te laten. Tot zijn geluk is er niets van gekomen, hetgeen hem veel onaangenaams heeft bespaard, wat onvermijdelijk zou geweest zijn bij zijne ongeschiktheid voor die bezigheid. Eens schreef hij, onder den indruk van zijn mislukt leven, in zijn dagboek:
“De oorzaken van mijne mislukking zijn: 1 besluiteloosheid, d.w.z. gebrek aan energie, 2 zelfbedrog, 3 overijling, 4 valsche schaamte, 5 slechte neigingen, 6 verwardheid, 7 zucht tot navolging, 8 onstandvastigheid, 9 onnadenkendheid.”
Den winter van ’50/51 bracht Tolstoi grootendeels te Moskou door, van waar hij zijne tante Tatjana dikwijls schreef over de bijzonderheden van zijn leven, de inrichting van zijne kamer, in één woord, over de uiterlijkheden van zijn bestaan.
“Mijne woning bestaat uit vier kamers: eene eetkamer, waar reeds een piano staat die ik heb gehuurd; een salon, gemeubileerd met een paar divans, notenhouten tafel en stoelen, met rood laken bekleed, en verder vier groote spiegels; een werkkamer, waar mijn schrijfbureau staat, een divan (die mij de dagen in ’t geheugen roept, toen wij over dit meubelstuk disputeerden); eene slaapkamer, groot genoeg om tevens voor kleedkamer te dienen, en dan nog een kleine anti-chambre.
“Ik dineer thuis met ‘kool en brij,’17waarmee ik uitstekend tevreden ben. Wanneer ik nu nog onze confituren en naliwka18had, dan zou ik mij kunnen verbeelden thuis te zijn.
“Ik heb eene slede gekocht voor 40 roebel, een zoogenaamdenkonschewni, die op ’t oogenblik zeer en vogue is; Sergius zal wel weten wat het is. Met het tuig, dat ik ook gekocht heb, ziet alles er zeer elegant uit.”19
Uit den volgenden brief blijkt, dat zijne tante zeer bezorgd is over zijne vrienden en tracht hem van slecht gezelschap verwijderd te houden.
“Waarom zijt ge toch zoo bevooroordeeld tegenover Isljenjeff? Is het om mij tegen hem in te nemen? Dat is overbodig, want hij is niet in Moskou.
“Al het slechte, dat gij van het spel zegt, is volkomen waar. Ik denk er dikwijls aan en ik geloof dat ik het zal nalaten. Ik zeg ‘ik geloof,’ maar hoop spoedig zeker te kunnen zeggen dat ik het niet meer doe.
“Uw oordeel over de samenleving is zeer juist, evenals alles wat gij in uwe brieven zegt; primo, omdat gij schrijft als Mme de Sévigné, secundo, omdat ik, zooals altijd, niet kan disputeeren. Gij zegt ook veel goeds van mij. Ik ben overtuigd, dat die loftuitingen evenveel goed als kwaad doen. Goed, omdat ik mijn best zal doen die goede hoedanigheden te behouden, die gij in mij prijst, en kwaad omdat het mijne eigenliefde bevordert. Ik ben echter zeker, dat uw lof mij slechts beter zal maken—natuurlijk voor zoover ik hem verdien—omdat hij in de pen wordt gegeven door eene oprechte vriendschap. Gedurende mijn verblijf in Moskou meen ik dien reeds te hebben verdiend; ik ben over mijzelf tevreden.”
Tolstoi keerde terug naar Jasnaja Paljana, om daarna in 1851 weer naar Moskou te reizen. In zijn dagboek schrijft hij, dat het doel van die reis drieledig was: het spel, een huwelijk en een sollicitatie naar eene betrekking. Alles mislukte. Hij speelde niet, omdat hij er een’ tegenzin in kreeg.Van het huwelijk kwam niets, omdat de drie factoren, die hij daarvoor noodig achtte, liefde, praktisch overleg of toeval, ontbraken. De betrekking kreeg hij niet omdat hij niet in ’t bezit was van eenige noodige papieren.
Tijdens dit oponthoud in Moskou schreef hij zijne tante den volgenden brief:
“De auteur van een boek, dat ik onlangs las, beweert daarin, dat de nadering van de lente van invloed is op het moreel der menschen. Tegelijk met de natuur is het ons of wij opnieuw geboren worden. Men betreurt het verleden, den slecht gebruikten tijd, men heeft berouw over zijne zwakheid en de toekomst doemt helder op. Men wordt beter, moreel beter. Wat mij betreft is dat volkomen waar. Sedert ik een onafhankelijk bestaan begon te leiden, vond de lente mij altijd in de beste conditie. Zoo bleef ik dan langer of korter tijd; dan kwam de winter, die altijd een steen des aanstoots voor mij is geweest. Wanneer ik de verschillende winters herdenk, dan is de laatste zeker wel de aangenaamste en de verstandigste, dien ik beleefd heb. Ik heb me geamuseerd, kwam in gezelschap, heb aardige herinneringen behouden en met dat al mijne financiën niet in wanorde, weliswaar ook niet in orde gebracht.”
De volgende brief, naar aanleiding van de terugkomst van zijn’ broer Nikolaas uit den Kaukasus, luidt:
“De aankomst van Nikolaas was eene aangename verrassing voor mij, omdat ik reeds bijna de hoop had opgegeven hem nog bij mij te zien. Ik was zoo blij hem te zien, dat ik mijne plichten, of liever gezegd, mijne gewoonten er bijna om had verwaarloosd.
“Nu ben ik weer alleen, en alleen in den waren zin van ’t woord; ik ga nergens heen en ontvang niemand. Ik maak plannen voor de lente en den zomer; keurt gij ze goed? Einde Mei kom ik naar Jasnaja, blijf daar een maand of wat,zal mijn best doen Nikolaas daar zoo lang mogelijk vast te houden, en dan eene reis met hem maken door den Kaukasus.”20
Plotseling, te midden van zijne stormachtige wereldsche genietingen, als spel, wellust, enz., kwam het tijdperk van boete en godsdienstzin. IJverig vervulde hij zijne kerkelijke plichten, hield de vasten en maakte zelfs preeken, die natuurlijk ongelezen bleven. In dezen tijd begon de kunstenaar-auteur zich te openbaren.
Reeds in 1850 dacht hij er over een werk over zijn “vie de Bohême” te schrijven. Eene andere gedachte was bij hem wakker geroepen door het lezen van Sterne’sSentimental Journey, n.l. iets dergelijks te schrijven.
Eens zat hij voor het venster en keek naar alles wat op straat voorbij ging: “daar loopt een wachter, wat zou hij voor iemand zijn, en wat voor een leven zou hij leiden? Daar gaat een wagen, wie zou er in zitten, waar zou hij heenrijden, waar denkt hij aan? Wie zouden er in dat huis wonen en hoe zou hun innerlijk leven zijn?...
“Wat zou het interessant zijn, dit alles neer te schrijven en welk een belangwekkend boek zou het niet worden!”
Tolstoi’s plotselinge afreis naar den Kaukasus maakte wederom een einde aan deze aan afwisseling rijke, gevaarlijke periode van zijn leven.
1Noot van L. Tolstoi. Ingelascht bij de lezing van dit handschrift.2Idem.34Noot van Tolstoi, ingelascht bij de lezing van dit handschrift.5Uit de volledige verzameling van de werken van Tolstoi, dl. IV.6Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.7R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.8Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.9Een driespan.10Volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. I.11Biecht(door Biroekoff fragmentarisch overgenomen).12De machtigste in het dorp.13Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.14Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. IV.15R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.16Ongeveer cadet.17Woorden uit het Russische soldatenliedje: “Kool en brij is ons voedsel.”18Eene soort limonade.19In het handschrift is deze brief in ’t Fransch aangehaald.20In het handschrift in ’t Fransch.
1Noot van L. Tolstoi. Ingelascht bij de lezing van dit handschrift.
2Idem.
3
4Noot van Tolstoi, ingelascht bij de lezing van dit handschrift.
5Uit de volledige verzameling van de werken van Tolstoi, dl. IV.
6Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.
7R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.
8Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.
9Een driespan.
10Volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. I.
11Biecht(door Biroekoff fragmentarisch overgenomen).
12De machtigste in het dorp.
13Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.
14Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. IV.
15R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.
16Ongeveer cadet.
17Woorden uit het Russische soldatenliedje: “Kool en brij is ons voedsel.”
18Eene soort limonade.
19In het handschrift is deze brief in ’t Fransch aangehaald.
20In het handschrift in ’t Fransch.