Zestiende hoofdstuk.

Zestiende hoofdstuk.Huwelijk. Tolstoi’s werken in dezen tijd.Ondanks het zichtbare succes kon de uitslag zijner werkzaamheden op paedagogisch gebied Tolstoi niet bevredigen. Ondanks de grootschheid van het zoo kunstig opgetrokken gebouw was hij niet zeker van de hechtheid der fundamenten. Integendeel, hij wist dat zij niet vertrouwbaar of in ’t geheel niet aanwezig waren, en zijn steeds analyseerend verstand liet hem niet toe zich daarbij neer te leggen.De beschrijving van die ontevredenheid met zich zelf, voorkomende in zijneBiecht, heeft betrekking op dit tijdperk van zijn leven.”...Het scheen mij toe, dat ik dat alles in het buitenland geleerd had, en gewapend met al die wijsheid keerde ik in het jaar van de opheffing der lijfeigenschap naar Rusland terug. Ik aanvaardde het ambt van vrederechter en begon tevens te onderwijzen: het onontwikkelde volk in de scholen, het beschaafde publiek door middel van mijn tijdschrift, dat ik toen ging uitgeven.“Alles scheen goed te gaan, maar ik voelde dat ik niet geheel geestelijk gezond was en dat het zoo niet lang zou kunnen duren. Ik zou misschien reeds toen tot die wanhoop zijn vervallen, die mij vijftien jaren later aangreep, indien er nog niet ééne zijde van ’t leven was geweest, die ik nog niet kende en die mij redding beloofde: dat was het familieleven.“Gedurende een jaar sprak ik recht en hield ik mij bezig metde scholen en de journalistiek. Spoedig echter overwerkte ik mij. Zoo zwaar werd mij de strijd als vrederechter, zoo vaag scheen mij mijne werkzaamheid in de scholen, zoo heftig werd mijn afkeer van de journalistiek, waar ik steeds naar uitvluchten moest zoeken, omdat ik wenschte te onderwijzen en tegelijk te verbergen dat ik niet wist wàt,—zóó ondragelijk werd mij dat alles, dat ik ziek werd, meer zielsziek dan lichamelijk. Toen maakte ik mij van alles los en vertrok naar de steppen, naar de Baschkirs, om reine lucht in te ademen, koemies te drinken en te leven op dezelfde wijze als de dieren.“Na mijn’ terugkeer trad ik in het huwelijk.”De volgende gebeurtenis had ook in dit tijdperk van Tolstoi’s leven plaats.In ’t begin van 1862 verloor Tolstoi, die zich nog dikwijls door den hartstocht voor het spel liet meesleepen, bij het biljarten duizend roebel aan den bekenden publicist Katkoff, den uitgever van een te Moskou verschijnend blad.Niet in staat zijne schuld af te doen, gaf hij zijne vertellingDe Kozakkenin betaling.Het nog niet geheel voltooide verhaal zag in Januari 1863 het licht; tengevolge van ermee verbonden onaangename herinneringen heeft Tolstoi het nooit afgemaakt.Toerghenjeff gaf Fet eene beschrijving van de gebeurtenis in de volgende bewoordingen:“Tolstoi heeft aan Botkin geschreven, dat hij in Moskou veel geld verspeelde en duizend roebel van Katkoff leende, waarvoor hij zijn’ roman uit den Kaukasus in betaling gaf. God geve dat hij, al is het dan ook langs dien weg, tot zijne eigenlijke bezigheden terugkeert. Zijne vertellingenKinder-, Jongens- en Jongelingsjarenzijn in ’t Engelsch vertaald en vallen, naar ik hoor, zeer in den smaak. Ik heb een’ kennis van mij gevraagd een artikel daarover in deRevue des deux Mondeste plaatsen.”Tolstoi was in die dagen veel aan huis bij dokter Bers, in wiens familie hij binnen korten tijd zou worden opgenomen.“Wij waren nog heel jonge meisjes,” vertelde gravin Tolstoi aan Löwenfeld, “toen Tolstoi reeds bij ons aan huis kwam. Hij was reeds een bekend schrijver en leidde in Moskou een vroolijk, lustig leventje. Eens kwam hij opgewekt bij ons en vertelde verheugd, dat hij juist zijn verhaalDe Kozakkenvoor duizend roebel aan Katkoff had verkocht. Wij vonden het een’ lagen prijs. Toen bekende hij ons, dat hij tot den verkoop gedwongen was. Den vorigen avond had hij met biljarten juist die som verspeeld, en het was eene eerezaak die schuld dadelijk te vereffenen. Die mededeeling ontroerde ons meisjes zóó, dat wij in tranen uitbarstten. Tolstoi had zich voorgenomen een vervolg opDe Kozakkente schrijven, maar daar is nooit iets van gekomen.”In dien zelfden tijd kwamen Tolstoi en Fet, tusschen wie door den twist met Toerghenjeff eene verwijdering was ontstaan, elkaar ook weer nader. Over die toenadering schrijft Fet:“Hoewel mijn geheugen anders zoo nauwkeurig alle gewichtige gebeurtenissen uit mijn leven, ja zelfs een enkel woord, bewaart, kan ik mij toch de omstandigheden die er toe hebben bijgedragen om mijne vriendschappelijke verhouding met Tolstoi weer te herstellen, niet te binnen brengen, hetgeen voor mij het bewijs is dat zijne boosheid het best vergeleken kan worden met hagel in Juni, die van zelf smelt. Ik veronderstel echter dat de zaak niet zonder hulp van Borisoff in ’t reine is gekomen.“Hoe het ook zij, Tolstoi verscheen weer binnen onzen gezichtskring, en met de hem eigen geestdrift begon hij mij te vertellen van zijne bezoeken bij dokter Bers en diens familie.“Bij mijn bezoek aan de familie Bers, waar Tolstoi mij volgens zijne belofte geïntroduceerd had, maakte ik kennis met een beminnelijken, aristokratischen, hoffelijken oudenheer, en eene mooie, statige brunette, zijne vrouw, die blijkbaar het hoofd in huis was. Van eene beschrijving van de drie aantrekkelijke mooie meisjes, waarvan de jongste een schoone altstem bezat, zal ik mij onthouden. Alle drie bezaten, ondanks de nauwlettende zorg der moeder en hare onmiskenbare bescheidenheid, dat zekere iets dat de Franschen ‘du chien’ noemen.”In een aan ons gericht particulier schrijven van Tolstoi’s schoonzuster lezen wij over zijne verhouding tot de familie Bers en den geleidelijken overgang tot zijn huwelijk:“Tolstoi’s betrekking tot onze familie dateert reeds van vroeger. Grootvader Isljeneff en de vader van Leo Tolstoi waren buren en vrienden. De families kwamen veel bij elkaar, en mijne moeder en Tolstoi noemden elkaar, toen zij nog kinderen waren, jij en jou. Toen Tolstoi zijn ontslag uit den dienst had genomen, kwam hij dikwijls bij ons. Mijne moeder, destijds reeds getrouwd, was eene vriendin van Maria Nikolajewna, Tolstoi’s zuster, en bij deze Maria Nikolajewna ontmoette ik, toen nog een kind, hem heel dikwijls. Hij speelde allerlei spelletjes met zijne nichtjes en mij. Ik was toen tien jaar en kan er mij niet veel meer van herinneren. In het jaar van zijn huwelijk was hij van eene buitenlandsche reis teruggekeerd. Hij was gedurende eenige jaren niet bij ons geweest en zag bij zijn eerste bezoek, op ons buiten Pakrowskoje (in de nabijheid van Moskou), mijne twee oudere zusters als volwassen jonge dames terug. Uit het buitenland had Tolstoi een’ leeraar, een zekeren Keller, meegenomen en in Moskou engageerde hij nog andere onderwijzers voor zijne scholen, waaraan hij zich met hart en ziel wijdde. Wij maakten dikwijls groote wandelingen met hem. Hij leefde geheel met ons mee en onze verhouding werd zeer intiem.Gravin Sofie Andrejewna Tolstoi in 1860, vóór haar huwelijk.—Blz. 446.Gravin Sofie Andrejewna Tolstoi in 1860, vóór haar huwelijk.—Blz.446.“In Augustus vertrokken mijne moeder, mijne twee zusters en ik voor twee weken naar het landgoed van mijn’ grootvader,dat in het gouvernement Toela ligt. Tolstoi reisde met ons mee. Wij passeerden Jasnaja Paljana, waar hij met zijne tante Tatjana, zijn’ broer Sergius en zijne zuster Maria Nikolajewna woonde. Bij die gelegenheid bracht mijne moeder daar een bezoek. Den volgenden dag werd er een pic-nic gehouden met de families Auerbach en Markoff, in het boschje Zasjek. Men was daar bezig een’ hooiberg te maken, waar wij bovenop klommen. Tolstoi volgde ons ook naar het landgoed van mijn’ grootvader, en daar kwam het aan de ombertafel tot eene verklaring, op dezelfde wijze als dat in Anna Karjenina wordt beschreven, n.l. door middel van de beginletters van de woorden. In September keerden wij naar Moskou terug, waarheen Tolstoi ons volgde, en den 17denSeptember verscheen in Moskou de aankondiging van hun huwelijk. Gedurende zijn geheele verblijf te Moskou was hij opgewekt, vroolijk en tintelend van geest.“Hij bracht ons muziek mee, wij studeerden Cherubini en anderen, hij accompagneerde mij iederen dag, noemde mij MmeViardot en verzocht mij steeds voor hem te zingen.”Nu laten wij ’t verhaal van deze gebeurtenissen volgen, zooals gravin Tolstoi het aan Löwenfeld vertelde, hier en daar verbeterd en aangevuld met kleine opmerkingen, die wij van haar zelf mochten vernemen.“De graaf was in dien tijd een geregelde gast in ons huis. Wij dachten dat hij zich sterk interesseerde voor mijne oudste zuster, mijn vader vooral, tot aan het oogenblik dat hij om mijne hand kwam vragen. Dat gebeurde in 1862. In Augustus gingen wij over Jasnaja voor eenige weken naar onzen grootvader. Moeder wilde de zuster van den graaf een bezoek brengen, en daarom bleven wij, mijne moeder, wij, drie zusters, en mijn jongste broer, eenige dagen te Jasnaja Paljana logeeren. Het wekte niemands verwondering, dat de graaf bijzonder vriendelijk voor ons was; wij kenden elkaar immers,zooals ik u reeds vroeger verteld heb, al heel lang en hij stond altijd op een zeer vriendschappelijken voet met ons. Het landgoed van mijn’ grootvader, of juister gezegd, van mijne grootmoeder (want zijn eigen vermogen heeft hij verspeeld) lag op 50 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Eenige dagen na onze aankomst verscheen ook Leo Tolstoi, en in ’t kort gezegd, daar werd eene dergelijke scène afgespeeld, als in Anna Karjenina is beschreven, n.l. waar Lewin eene liefdesverklaring met de beginletters van de woorden op eene tafel schrijft en Kitty hem dadelijk begrijpt. En sedert dien tijd,” vervolgde gravin Tolstoi met een lachje, waaruit bleek, dat zij zich deze gebeurtenis met genoegen herinnerde, “sedert dien tijd heb ik nooit begrepen, hoe ik toen toch de beteekenis van die letters heb geraden. Het moet wel waar zijn, dat gelijkgestemde zielen klinken in denzelfden toon, evenals gelijkgestemde snaren.”De zinnen, gewisseld tusschen Leo Tolstoi en Sophia Andrejewna, luidden:“I. u. f. h. e. m. t. o. v. m. e. u. z. L. H. g. e. T. h. o.“In uwe familie heerscht een misverstand ten opzichte van mij en uwe zuster Lisa. Helder gij en Tanischka het op.”Sophia Andrejewna verstond dien zin en gaf een teeken van begrijpen.Toen schreef hij nog eens:“U. j. e. u. r. o. g. h. m. h. a. t. d. a. m. o. e. d. v. m. g. g. b. i.“Uwe jeugd en uw recht op geluk herinneren mij heden al te duidelijk aan mijn’ ouderdom en dat voor mij geen geluk bestaanbaar is.”Meer woorden werden er tusschen hen niet gewisseld, maar het was voldoende, zij begrepen elkaar.De familie Bers was dus weer naar haar buitengoed teruggekeerd, en Tolstoi was hen gevolgd. Hij woonde in Moskou, zij op hun buiten, waar zij reeds twintig jaren lang iederenzomer gingen doorbrengen. Tolstoi was er nu een dagelijksche gast; allen waren er van overtuigd, dat hij wenschte binnen korten tijd met de oudste dochter te trouwen, en daar gaf hij den 17denSeptember Sophia Andrejewna op haren verjaardag een’ brief, waarin hij haar ten huwelijk vroeg. Natuurlijk ontmoette hij bij haar slechts blijde instemming, maar de oude vader was er niet mee ingenomen. Hij wilde niet breken met de traditie, en de jongste dochter vóor de oudste laten gaan. Eerst weigerde hij zijne toestemming, maar ten slotte moest hij zwichten voor de standvastigheid van zijne dochter zoowel als van Tolstoi. In Tolstoi’s dagboek vinden wij de volgende aanteekeningen over die gebeurtenissen.Den 2 Augustus schreef hij, na een bezoek te hebben gebracht bij de familie Bers:“Ik vrees voor mij zelf. Als dit ook eens weer het verlangen naar liefde is en niet de ware liefde! Ik tracht alleen op de zwakke zijde van haar karakter te letten en toch heb ik haar lief.”In dienzelfden tijd besefte hij ten volle hoe eenzaam hij in ’t leven stond.“Ik voelde mij geheel gezond toen ik opstond, mijn hoofd was bijzonder helder, het schrijven ging goed, maar de inhoud was arm. Daarna bekroop mij zoo’n weemoedige stemming, als ik in lang niet gevoeld had. Ik heb geen vrienden, niemand. Ik ben geheel alleen. Ik had vrienden toen ik den Mammon diende, niemand nu ik de waarheid dien.”Daarna schreef hij:“Ik ging te voet naar Pakrowskoje, naar de familie Bers. Rustig, aangenaam. Sonja gaf mij eene vertelling te lezen. Welk eene energie van waarheid en van eenvoud. Haar peinigt de onzekerheid. Ik las alles zonder hevige gemoedsaandoeningen, zonder teekenen van afgunst of ijverzucht. Het bijzonder onaantrekkelijke uiterlijk en het onbestendigeoordeel waren goed geteekend. Ik werd rustig; dat alles heeft op mij geen betrekking.”De vertelling is helaas niet tot ons gekomen, maar door de schrijfster zelve vernietigd.Den 28stenAugustus, toen hij dus 34 jaar werd, voelde Tolstoi, zooals uit zijne aanteekeningen blijkt, weer twijfel, zelfverwijt en strijd. Hij schreef:“In de gewone treurige stemming stond ik op. Heerlijke rust-brengende nacht. Jij met je leelijk gezicht, denk niet aan trouwen. Gij zijt voor iets anders bestemd, al wildet gij er veel voor geven indien dat niet zoo ware.”Maar de drang naar huiselijk geluk werd bij hem steeds sterker, en zijn verlangen naar liefde ging ten slotte over in eene ware hartstochtelijke liefde, die geen hinderpalen kende. En ondanks dien grooten hartstocht toonde Tolstoi ook hier weer zijne eerlijkheid en liefde voor de waarheid. Nadat hij reeds het jawoord had ontvangen, gaf hij zijne bruid zijn dagboek, waarin hij zijn leven bloot legt en waarin geheel naar waarheid al de misstappen, in zijne jeugd begaan, zijn vallen en zijn zielestrijd, zijn beschreven.Het lezen van het dagboek was een zware slag voor het jonge meisje, dat in haren held het ideaal van deugd had gezien. Haar lijden was groot en haar strijd zóó zwaar, dat er oogenblikken van twijfel kwamen en zij er toe overhelde om alle banden met hem te verbreken. Maar de liefde overwon den twijfel, en toen zij in lange, slapelooze nachten haar lijden had uitgeweend, gaf zij hem het boek terug, met een’ blik waaruit hare vergiffenis en hare sterke, reeds gestaalde liefde spraken.Het huwelijk werd den 13denSeptember voltrokken, eene week dus na de officiëele aankondiging van hunne verloving. De huwelijksplechtigheid had plaats in het Kremlin, in de hofkerk. Daarna vertrokken zij per rijtuig naar JasnajaPaljana, waar zij door hun’ broeder Sergius en tante Tatjana werden opgewacht.De broer van gravin Tolstoi, S. A. Bers, geeft de volgende karakterschets van zijne zuster:“Mijn overleden vader was tegen alle inrichtingen van onderwijs voor vrouwen; daarom ontving Tolstoi’s vrouw hare opvoeding thuis, maar zij deed toch een examen en verwierf een diploma, dat haar het recht gaf tot het geven van huisonderwijs. Als jong meisje hield zij haar dagboek bij, trachtte verhalen te schrijven en vertoonde eenigen aanleg voor schilderen.”Tolstoi schreef korten tijd na zijn huwelijk aan Fet:“Fetoeschka, oompje, lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!“Ik ben twee weken getrouwd en zoo gelukkig; ik ben een ander, een geheel nieuw mensch. Wanneer zal ik je zien? Bedenk, dat ik je zeer, zeer waardeer, en tusschen ons is zooveel onvergetelijks, Nikoljenka en nog zooveel meer. Kom eens hier heen om kennis met mij te maken. Ik kus Maria Petrowna de hand. Vaarwel, lieve vriend, in gedachten omhels ik je hartelijk.”Na zijn huwelijk ging Tolstoi’s leven in geheel nieuwe onbekende banen, die hem redding beloofden, zooals hij in zijneBiechtzegt. Wij zullen zien in hoeverre Tolstoi’s verwachtingen zijn bewaarheid. De zucht tot analyseeren verliet hem ook nu, in deze veilige haven, niet en verwoestte ook dezeillusie. Maar zijn verhevenverstandverhief hem tot de hoogste hoogten. Wij hopen, voor zoover het mogelijk is, een’ blik te slaan op dat geheimzinnig proces van zijn zieleleven, om daarvan in een volgend deel eene beschrijving te geven.In dit tijdperk van zijn leven schreef Tolstoi, behalve de reeds genoemde, nog de volgende werken:De Sneeuwstorm, Aanteekeningen van een’ Marqueur, Twee huzaren, PolikoeschkaenFamiliegeluk.InDe Sneeuwstormgeeft hij eene beschrijving van een winterlandschap. Bij de lezing ziet men niet slechts den sneeuwstorm, den onder de sneeuw bedolven weg, den verdwaalden vrachtrijder met zijne troika, maar men hoort zelfs ieder geluid en men voelt langzaam het leven in zich verstijven.In deAanteekeningen van een’ Marqueurschildert Tolstoi ons hoe eene reine, teere ziel ten onder gaat te midden van het zedenbederf eener groote stad.InDe twee Huzarenworden twee geslachten tegenover elkaar gesteld; het oude, vol levenslust, te veel misschien zich overgevend aan genot, maar een geslacht uit één stuk, oprecht en daarom vol levenskracht en harmonie; en daarnaast het jonge geslacht, gedemoraliseerd in zijne ingetogenheid, berekening en huichelarij. De natuurlijke harmonie is verbroken, maar de bewuste harmonie nog niet gevonden, en in de ziel, bedorven door de zonde, weerklinkt een vreemde dissonant.Familiegelukis een kalm, gracieus verhaal van liefde, eene weerspiegeling van den door den schrijver beleefden roman.Polikoeschkais eene tragedie uit de lijfeigenschap. In deze vertelling leeren wij het zieleleven kennen van een’ boer, die onder een grof omhulsel het meest teere karakter verbergt, dat echter te niet gaat bij de aanraking van het ontaarde, leugenachtige “barstwo.”1De kritiek van die jaren bemoeide zich heel weinig met deze merkwaardige werken. De kritici zochten een algemeenen vorm, passende in hun milieu, en waren niet toegankelijk voor de hoog moreele schoonheid, die uit iedere bladzijde van deze werken sprak.Het zwijgen der kritici bracht één hunner er toe eenartikel te schrijven met het opschrift:Graaf Leo Tolstoi en zijne werken; eene verschijning in de hedendaagsche litteratuur, over ’t hoofd gezien door onze kritici.Wij achten het hier de plaats niet, om ons te verdiepen in eene kritiek over genoemde werken, die wij slechts hebben aangehaald als overtuigende bewijzen van de onvermoeide werkkracht en het scheppende talent van Leo Tolstoi.1Barstwo—overheersching van den barin (heer).Besluit.In deze vluchtige beschrijving is het halve leven van Leo Tolstoi aan uw oog voorbijgetrokken.Opdat eene onbekwame hand de origineele gedachten en getuigenissen niet zou verminken, hebben wij getracht, overal waar het slechts mogelijk was, het woord te geven aan Tolstoi, aan zijne bloedverwanten, vrienden en bekenden, terwijl wij ons bepaald hebben tot de taak die interessante beelden aan te wijzen.Ondanks het onafgewerkte materiaal gelooven wij toch dat de lezer zich een duidelijk beeld kan vormen van Leo Tolstoi’s karakter gedurende deze helft van zijn leven. Ten slotte wenschen wij nog de aandacht te vestigen op eenige van zijne in het oog loopende karaktertrekken, die, naar onze meening, de aanleiding waren voor zijne verdere ontwikkeling.Wij noemen in de eerste plaats de ongewone hartstochtelijkheid, waarmee Tolstoi zich wijdde aan iedere zaak die zijne opmerkzaamheid trok. Wat het ook was, jacht, kaartspel, muziek, lektuur, paedagogie of landhuishoudkunde, hij drong geheel door in het wezen der dingen, en de indrukken die zij in zijne kunstenaarsziel achterlieten verwerkte hij en legde hij neer in zijne boeiende geschriften, die als ’t ware gedrenkt zijn met moreele en philosophische gedachten.Met denzelfden hartstocht wijdde hij zich aan het zoeken naar waarheid, het doel van ’t menschelijk leven, en met dezelfde kracht van zijn genie verwerkte hij ook die denkbeeldenen schonk daarna der wereld het verkregen resultaat, gegoten in een schoonen vorm.Een bijzondere trek van zijn karakter is de liefde tot oprechtheid, die hem vaak in moeielijkheden heeft gebracht, maar die hem ten slotte leidde tot dien God van waarheid, Dien hij steeds diende, hoewel hij soms, onbewust voor zich zelf, Zijn beeld verduisterde onder den invloed van zijne wisselende gemoedsstemmingen en levensomstandigheden.En dan treft ons nog een andere kenmerkende karaktertrek: de liefde voor het goede, de voortdurende drang tot volmaking, met het doel het goede te verbreiden, zijn ijver om ook anderen het goede te leeren en hun de schoonheid ervan aan te toonen.Die drie karaktertrekken, gevoegd bij zijne aangeboren talenten, geven ons eene afdoende verklaring voor den door Tolstoi verkregen wereldinvloed.Wanneer wij een’ blik slaan op de eerste helft van Tolstoi’s leven, dan bemerken wij nóg eene sterk sprekende eigenschap, n.l. de voortdurende ontevredenheid met zich zelf, zijn’ litterairen arbeid en zijne overige werkzaamheden. Die ontevredenheid werd nog aangewakkerd door eene voortdurende zelfontleding, die steeds zijne schoonste illusies verwoestte, en niet voortsproot uit een ziekelijk verdriet zonder reden, maar waaraan diepe, reëele oorzaken ten grondslag lagen. Ondanks Tolstoi’s groote gaven en bijzonder ontwikkelden geest gelukte het hem niet een vasten grondslag, eene synthese, te vinden voor al de ideeën, die hem bestormden. Dikwijls kwam hij de oplossing van de groote vraag zeer nabij, zonder haar echter te kunnen grijpen, hetgeen hem dan telkens ontzettend deed lijden.Die twijfel, dat vruchteloos zoeken naar eene (zooals de mathematikus zegt) absoluut afdoende oplossing, geeft ons de verklaring van alle tegenstrijdigheden in zijn oordeel en zijne zelfbeoordeeling.In het volgende deel hopen wij eene beschrijving te geven van de gebeurtenissen, die hem naar dat tijdperk van zijn leven voerden, waarin de dorst naar waarheid en de wanhoop haar niet te kunnen vinden het toppunt hadden bereikt; gebeurtenissen, die hem onvermijdelijk moesten brengen tot de eenig-mogelijke oplossing, tot het eenige richtsnoer in ’t leven en bij zijn’ arbeid, tot:de religie.

Zestiende hoofdstuk.Huwelijk. Tolstoi’s werken in dezen tijd.Ondanks het zichtbare succes kon de uitslag zijner werkzaamheden op paedagogisch gebied Tolstoi niet bevredigen. Ondanks de grootschheid van het zoo kunstig opgetrokken gebouw was hij niet zeker van de hechtheid der fundamenten. Integendeel, hij wist dat zij niet vertrouwbaar of in ’t geheel niet aanwezig waren, en zijn steeds analyseerend verstand liet hem niet toe zich daarbij neer te leggen.De beschrijving van die ontevredenheid met zich zelf, voorkomende in zijneBiecht, heeft betrekking op dit tijdperk van zijn leven.”...Het scheen mij toe, dat ik dat alles in het buitenland geleerd had, en gewapend met al die wijsheid keerde ik in het jaar van de opheffing der lijfeigenschap naar Rusland terug. Ik aanvaardde het ambt van vrederechter en begon tevens te onderwijzen: het onontwikkelde volk in de scholen, het beschaafde publiek door middel van mijn tijdschrift, dat ik toen ging uitgeven.“Alles scheen goed te gaan, maar ik voelde dat ik niet geheel geestelijk gezond was en dat het zoo niet lang zou kunnen duren. Ik zou misschien reeds toen tot die wanhoop zijn vervallen, die mij vijftien jaren later aangreep, indien er nog niet ééne zijde van ’t leven was geweest, die ik nog niet kende en die mij redding beloofde: dat was het familieleven.“Gedurende een jaar sprak ik recht en hield ik mij bezig metde scholen en de journalistiek. Spoedig echter overwerkte ik mij. Zoo zwaar werd mij de strijd als vrederechter, zoo vaag scheen mij mijne werkzaamheid in de scholen, zoo heftig werd mijn afkeer van de journalistiek, waar ik steeds naar uitvluchten moest zoeken, omdat ik wenschte te onderwijzen en tegelijk te verbergen dat ik niet wist wàt,—zóó ondragelijk werd mij dat alles, dat ik ziek werd, meer zielsziek dan lichamelijk. Toen maakte ik mij van alles los en vertrok naar de steppen, naar de Baschkirs, om reine lucht in te ademen, koemies te drinken en te leven op dezelfde wijze als de dieren.“Na mijn’ terugkeer trad ik in het huwelijk.”De volgende gebeurtenis had ook in dit tijdperk van Tolstoi’s leven plaats.In ’t begin van 1862 verloor Tolstoi, die zich nog dikwijls door den hartstocht voor het spel liet meesleepen, bij het biljarten duizend roebel aan den bekenden publicist Katkoff, den uitgever van een te Moskou verschijnend blad.Niet in staat zijne schuld af te doen, gaf hij zijne vertellingDe Kozakkenin betaling.Het nog niet geheel voltooide verhaal zag in Januari 1863 het licht; tengevolge van ermee verbonden onaangename herinneringen heeft Tolstoi het nooit afgemaakt.Toerghenjeff gaf Fet eene beschrijving van de gebeurtenis in de volgende bewoordingen:“Tolstoi heeft aan Botkin geschreven, dat hij in Moskou veel geld verspeelde en duizend roebel van Katkoff leende, waarvoor hij zijn’ roman uit den Kaukasus in betaling gaf. God geve dat hij, al is het dan ook langs dien weg, tot zijne eigenlijke bezigheden terugkeert. Zijne vertellingenKinder-, Jongens- en Jongelingsjarenzijn in ’t Engelsch vertaald en vallen, naar ik hoor, zeer in den smaak. Ik heb een’ kennis van mij gevraagd een artikel daarover in deRevue des deux Mondeste plaatsen.”Tolstoi was in die dagen veel aan huis bij dokter Bers, in wiens familie hij binnen korten tijd zou worden opgenomen.“Wij waren nog heel jonge meisjes,” vertelde gravin Tolstoi aan Löwenfeld, “toen Tolstoi reeds bij ons aan huis kwam. Hij was reeds een bekend schrijver en leidde in Moskou een vroolijk, lustig leventje. Eens kwam hij opgewekt bij ons en vertelde verheugd, dat hij juist zijn verhaalDe Kozakkenvoor duizend roebel aan Katkoff had verkocht. Wij vonden het een’ lagen prijs. Toen bekende hij ons, dat hij tot den verkoop gedwongen was. Den vorigen avond had hij met biljarten juist die som verspeeld, en het was eene eerezaak die schuld dadelijk te vereffenen. Die mededeeling ontroerde ons meisjes zóó, dat wij in tranen uitbarstten. Tolstoi had zich voorgenomen een vervolg opDe Kozakkente schrijven, maar daar is nooit iets van gekomen.”In dien zelfden tijd kwamen Tolstoi en Fet, tusschen wie door den twist met Toerghenjeff eene verwijdering was ontstaan, elkaar ook weer nader. Over die toenadering schrijft Fet:“Hoewel mijn geheugen anders zoo nauwkeurig alle gewichtige gebeurtenissen uit mijn leven, ja zelfs een enkel woord, bewaart, kan ik mij toch de omstandigheden die er toe hebben bijgedragen om mijne vriendschappelijke verhouding met Tolstoi weer te herstellen, niet te binnen brengen, hetgeen voor mij het bewijs is dat zijne boosheid het best vergeleken kan worden met hagel in Juni, die van zelf smelt. Ik veronderstel echter dat de zaak niet zonder hulp van Borisoff in ’t reine is gekomen.“Hoe het ook zij, Tolstoi verscheen weer binnen onzen gezichtskring, en met de hem eigen geestdrift begon hij mij te vertellen van zijne bezoeken bij dokter Bers en diens familie.“Bij mijn bezoek aan de familie Bers, waar Tolstoi mij volgens zijne belofte geïntroduceerd had, maakte ik kennis met een beminnelijken, aristokratischen, hoffelijken oudenheer, en eene mooie, statige brunette, zijne vrouw, die blijkbaar het hoofd in huis was. Van eene beschrijving van de drie aantrekkelijke mooie meisjes, waarvan de jongste een schoone altstem bezat, zal ik mij onthouden. Alle drie bezaten, ondanks de nauwlettende zorg der moeder en hare onmiskenbare bescheidenheid, dat zekere iets dat de Franschen ‘du chien’ noemen.”In een aan ons gericht particulier schrijven van Tolstoi’s schoonzuster lezen wij over zijne verhouding tot de familie Bers en den geleidelijken overgang tot zijn huwelijk:“Tolstoi’s betrekking tot onze familie dateert reeds van vroeger. Grootvader Isljeneff en de vader van Leo Tolstoi waren buren en vrienden. De families kwamen veel bij elkaar, en mijne moeder en Tolstoi noemden elkaar, toen zij nog kinderen waren, jij en jou. Toen Tolstoi zijn ontslag uit den dienst had genomen, kwam hij dikwijls bij ons. Mijne moeder, destijds reeds getrouwd, was eene vriendin van Maria Nikolajewna, Tolstoi’s zuster, en bij deze Maria Nikolajewna ontmoette ik, toen nog een kind, hem heel dikwijls. Hij speelde allerlei spelletjes met zijne nichtjes en mij. Ik was toen tien jaar en kan er mij niet veel meer van herinneren. In het jaar van zijn huwelijk was hij van eene buitenlandsche reis teruggekeerd. Hij was gedurende eenige jaren niet bij ons geweest en zag bij zijn eerste bezoek, op ons buiten Pakrowskoje (in de nabijheid van Moskou), mijne twee oudere zusters als volwassen jonge dames terug. Uit het buitenland had Tolstoi een’ leeraar, een zekeren Keller, meegenomen en in Moskou engageerde hij nog andere onderwijzers voor zijne scholen, waaraan hij zich met hart en ziel wijdde. Wij maakten dikwijls groote wandelingen met hem. Hij leefde geheel met ons mee en onze verhouding werd zeer intiem.Gravin Sofie Andrejewna Tolstoi in 1860, vóór haar huwelijk.—Blz. 446.Gravin Sofie Andrejewna Tolstoi in 1860, vóór haar huwelijk.—Blz.446.“In Augustus vertrokken mijne moeder, mijne twee zusters en ik voor twee weken naar het landgoed van mijn’ grootvader,dat in het gouvernement Toela ligt. Tolstoi reisde met ons mee. Wij passeerden Jasnaja Paljana, waar hij met zijne tante Tatjana, zijn’ broer Sergius en zijne zuster Maria Nikolajewna woonde. Bij die gelegenheid bracht mijne moeder daar een bezoek. Den volgenden dag werd er een pic-nic gehouden met de families Auerbach en Markoff, in het boschje Zasjek. Men was daar bezig een’ hooiberg te maken, waar wij bovenop klommen. Tolstoi volgde ons ook naar het landgoed van mijn’ grootvader, en daar kwam het aan de ombertafel tot eene verklaring, op dezelfde wijze als dat in Anna Karjenina wordt beschreven, n.l. door middel van de beginletters van de woorden. In September keerden wij naar Moskou terug, waarheen Tolstoi ons volgde, en den 17denSeptember verscheen in Moskou de aankondiging van hun huwelijk. Gedurende zijn geheele verblijf te Moskou was hij opgewekt, vroolijk en tintelend van geest.“Hij bracht ons muziek mee, wij studeerden Cherubini en anderen, hij accompagneerde mij iederen dag, noemde mij MmeViardot en verzocht mij steeds voor hem te zingen.”Nu laten wij ’t verhaal van deze gebeurtenissen volgen, zooals gravin Tolstoi het aan Löwenfeld vertelde, hier en daar verbeterd en aangevuld met kleine opmerkingen, die wij van haar zelf mochten vernemen.“De graaf was in dien tijd een geregelde gast in ons huis. Wij dachten dat hij zich sterk interesseerde voor mijne oudste zuster, mijn vader vooral, tot aan het oogenblik dat hij om mijne hand kwam vragen. Dat gebeurde in 1862. In Augustus gingen wij over Jasnaja voor eenige weken naar onzen grootvader. Moeder wilde de zuster van den graaf een bezoek brengen, en daarom bleven wij, mijne moeder, wij, drie zusters, en mijn jongste broer, eenige dagen te Jasnaja Paljana logeeren. Het wekte niemands verwondering, dat de graaf bijzonder vriendelijk voor ons was; wij kenden elkaar immers,zooals ik u reeds vroeger verteld heb, al heel lang en hij stond altijd op een zeer vriendschappelijken voet met ons. Het landgoed van mijn’ grootvader, of juister gezegd, van mijne grootmoeder (want zijn eigen vermogen heeft hij verspeeld) lag op 50 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Eenige dagen na onze aankomst verscheen ook Leo Tolstoi, en in ’t kort gezegd, daar werd eene dergelijke scène afgespeeld, als in Anna Karjenina is beschreven, n.l. waar Lewin eene liefdesverklaring met de beginletters van de woorden op eene tafel schrijft en Kitty hem dadelijk begrijpt. En sedert dien tijd,” vervolgde gravin Tolstoi met een lachje, waaruit bleek, dat zij zich deze gebeurtenis met genoegen herinnerde, “sedert dien tijd heb ik nooit begrepen, hoe ik toen toch de beteekenis van die letters heb geraden. Het moet wel waar zijn, dat gelijkgestemde zielen klinken in denzelfden toon, evenals gelijkgestemde snaren.”De zinnen, gewisseld tusschen Leo Tolstoi en Sophia Andrejewna, luidden:“I. u. f. h. e. m. t. o. v. m. e. u. z. L. H. g. e. T. h. o.“In uwe familie heerscht een misverstand ten opzichte van mij en uwe zuster Lisa. Helder gij en Tanischka het op.”Sophia Andrejewna verstond dien zin en gaf een teeken van begrijpen.Toen schreef hij nog eens:“U. j. e. u. r. o. g. h. m. h. a. t. d. a. m. o. e. d. v. m. g. g. b. i.“Uwe jeugd en uw recht op geluk herinneren mij heden al te duidelijk aan mijn’ ouderdom en dat voor mij geen geluk bestaanbaar is.”Meer woorden werden er tusschen hen niet gewisseld, maar het was voldoende, zij begrepen elkaar.De familie Bers was dus weer naar haar buitengoed teruggekeerd, en Tolstoi was hen gevolgd. Hij woonde in Moskou, zij op hun buiten, waar zij reeds twintig jaren lang iederenzomer gingen doorbrengen. Tolstoi was er nu een dagelijksche gast; allen waren er van overtuigd, dat hij wenschte binnen korten tijd met de oudste dochter te trouwen, en daar gaf hij den 17denSeptember Sophia Andrejewna op haren verjaardag een’ brief, waarin hij haar ten huwelijk vroeg. Natuurlijk ontmoette hij bij haar slechts blijde instemming, maar de oude vader was er niet mee ingenomen. Hij wilde niet breken met de traditie, en de jongste dochter vóor de oudste laten gaan. Eerst weigerde hij zijne toestemming, maar ten slotte moest hij zwichten voor de standvastigheid van zijne dochter zoowel als van Tolstoi. In Tolstoi’s dagboek vinden wij de volgende aanteekeningen over die gebeurtenissen.Den 2 Augustus schreef hij, na een bezoek te hebben gebracht bij de familie Bers:“Ik vrees voor mij zelf. Als dit ook eens weer het verlangen naar liefde is en niet de ware liefde! Ik tracht alleen op de zwakke zijde van haar karakter te letten en toch heb ik haar lief.”In dienzelfden tijd besefte hij ten volle hoe eenzaam hij in ’t leven stond.“Ik voelde mij geheel gezond toen ik opstond, mijn hoofd was bijzonder helder, het schrijven ging goed, maar de inhoud was arm. Daarna bekroop mij zoo’n weemoedige stemming, als ik in lang niet gevoeld had. Ik heb geen vrienden, niemand. Ik ben geheel alleen. Ik had vrienden toen ik den Mammon diende, niemand nu ik de waarheid dien.”Daarna schreef hij:“Ik ging te voet naar Pakrowskoje, naar de familie Bers. Rustig, aangenaam. Sonja gaf mij eene vertelling te lezen. Welk eene energie van waarheid en van eenvoud. Haar peinigt de onzekerheid. Ik las alles zonder hevige gemoedsaandoeningen, zonder teekenen van afgunst of ijverzucht. Het bijzonder onaantrekkelijke uiterlijk en het onbestendigeoordeel waren goed geteekend. Ik werd rustig; dat alles heeft op mij geen betrekking.”De vertelling is helaas niet tot ons gekomen, maar door de schrijfster zelve vernietigd.Den 28stenAugustus, toen hij dus 34 jaar werd, voelde Tolstoi, zooals uit zijne aanteekeningen blijkt, weer twijfel, zelfverwijt en strijd. Hij schreef:“In de gewone treurige stemming stond ik op. Heerlijke rust-brengende nacht. Jij met je leelijk gezicht, denk niet aan trouwen. Gij zijt voor iets anders bestemd, al wildet gij er veel voor geven indien dat niet zoo ware.”Maar de drang naar huiselijk geluk werd bij hem steeds sterker, en zijn verlangen naar liefde ging ten slotte over in eene ware hartstochtelijke liefde, die geen hinderpalen kende. En ondanks dien grooten hartstocht toonde Tolstoi ook hier weer zijne eerlijkheid en liefde voor de waarheid. Nadat hij reeds het jawoord had ontvangen, gaf hij zijne bruid zijn dagboek, waarin hij zijn leven bloot legt en waarin geheel naar waarheid al de misstappen, in zijne jeugd begaan, zijn vallen en zijn zielestrijd, zijn beschreven.Het lezen van het dagboek was een zware slag voor het jonge meisje, dat in haren held het ideaal van deugd had gezien. Haar lijden was groot en haar strijd zóó zwaar, dat er oogenblikken van twijfel kwamen en zij er toe overhelde om alle banden met hem te verbreken. Maar de liefde overwon den twijfel, en toen zij in lange, slapelooze nachten haar lijden had uitgeweend, gaf zij hem het boek terug, met een’ blik waaruit hare vergiffenis en hare sterke, reeds gestaalde liefde spraken.Het huwelijk werd den 13denSeptember voltrokken, eene week dus na de officiëele aankondiging van hunne verloving. De huwelijksplechtigheid had plaats in het Kremlin, in de hofkerk. Daarna vertrokken zij per rijtuig naar JasnajaPaljana, waar zij door hun’ broeder Sergius en tante Tatjana werden opgewacht.De broer van gravin Tolstoi, S. A. Bers, geeft de volgende karakterschets van zijne zuster:“Mijn overleden vader was tegen alle inrichtingen van onderwijs voor vrouwen; daarom ontving Tolstoi’s vrouw hare opvoeding thuis, maar zij deed toch een examen en verwierf een diploma, dat haar het recht gaf tot het geven van huisonderwijs. Als jong meisje hield zij haar dagboek bij, trachtte verhalen te schrijven en vertoonde eenigen aanleg voor schilderen.”Tolstoi schreef korten tijd na zijn huwelijk aan Fet:“Fetoeschka, oompje, lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!“Ik ben twee weken getrouwd en zoo gelukkig; ik ben een ander, een geheel nieuw mensch. Wanneer zal ik je zien? Bedenk, dat ik je zeer, zeer waardeer, en tusschen ons is zooveel onvergetelijks, Nikoljenka en nog zooveel meer. Kom eens hier heen om kennis met mij te maken. Ik kus Maria Petrowna de hand. Vaarwel, lieve vriend, in gedachten omhels ik je hartelijk.”Na zijn huwelijk ging Tolstoi’s leven in geheel nieuwe onbekende banen, die hem redding beloofden, zooals hij in zijneBiechtzegt. Wij zullen zien in hoeverre Tolstoi’s verwachtingen zijn bewaarheid. De zucht tot analyseeren verliet hem ook nu, in deze veilige haven, niet en verwoestte ook dezeillusie. Maar zijn verhevenverstandverhief hem tot de hoogste hoogten. Wij hopen, voor zoover het mogelijk is, een’ blik te slaan op dat geheimzinnig proces van zijn zieleleven, om daarvan in een volgend deel eene beschrijving te geven.In dit tijdperk van zijn leven schreef Tolstoi, behalve de reeds genoemde, nog de volgende werken:De Sneeuwstorm, Aanteekeningen van een’ Marqueur, Twee huzaren, PolikoeschkaenFamiliegeluk.InDe Sneeuwstormgeeft hij eene beschrijving van een winterlandschap. Bij de lezing ziet men niet slechts den sneeuwstorm, den onder de sneeuw bedolven weg, den verdwaalden vrachtrijder met zijne troika, maar men hoort zelfs ieder geluid en men voelt langzaam het leven in zich verstijven.In deAanteekeningen van een’ Marqueurschildert Tolstoi ons hoe eene reine, teere ziel ten onder gaat te midden van het zedenbederf eener groote stad.InDe twee Huzarenworden twee geslachten tegenover elkaar gesteld; het oude, vol levenslust, te veel misschien zich overgevend aan genot, maar een geslacht uit één stuk, oprecht en daarom vol levenskracht en harmonie; en daarnaast het jonge geslacht, gedemoraliseerd in zijne ingetogenheid, berekening en huichelarij. De natuurlijke harmonie is verbroken, maar de bewuste harmonie nog niet gevonden, en in de ziel, bedorven door de zonde, weerklinkt een vreemde dissonant.Familiegelukis een kalm, gracieus verhaal van liefde, eene weerspiegeling van den door den schrijver beleefden roman.Polikoeschkais eene tragedie uit de lijfeigenschap. In deze vertelling leeren wij het zieleleven kennen van een’ boer, die onder een grof omhulsel het meest teere karakter verbergt, dat echter te niet gaat bij de aanraking van het ontaarde, leugenachtige “barstwo.”1De kritiek van die jaren bemoeide zich heel weinig met deze merkwaardige werken. De kritici zochten een algemeenen vorm, passende in hun milieu, en waren niet toegankelijk voor de hoog moreele schoonheid, die uit iedere bladzijde van deze werken sprak.Het zwijgen der kritici bracht één hunner er toe eenartikel te schrijven met het opschrift:Graaf Leo Tolstoi en zijne werken; eene verschijning in de hedendaagsche litteratuur, over ’t hoofd gezien door onze kritici.Wij achten het hier de plaats niet, om ons te verdiepen in eene kritiek over genoemde werken, die wij slechts hebben aangehaald als overtuigende bewijzen van de onvermoeide werkkracht en het scheppende talent van Leo Tolstoi.1Barstwo—overheersching van den barin (heer).Besluit.In deze vluchtige beschrijving is het halve leven van Leo Tolstoi aan uw oog voorbijgetrokken.Opdat eene onbekwame hand de origineele gedachten en getuigenissen niet zou verminken, hebben wij getracht, overal waar het slechts mogelijk was, het woord te geven aan Tolstoi, aan zijne bloedverwanten, vrienden en bekenden, terwijl wij ons bepaald hebben tot de taak die interessante beelden aan te wijzen.Ondanks het onafgewerkte materiaal gelooven wij toch dat de lezer zich een duidelijk beeld kan vormen van Leo Tolstoi’s karakter gedurende deze helft van zijn leven. Ten slotte wenschen wij nog de aandacht te vestigen op eenige van zijne in het oog loopende karaktertrekken, die, naar onze meening, de aanleiding waren voor zijne verdere ontwikkeling.Wij noemen in de eerste plaats de ongewone hartstochtelijkheid, waarmee Tolstoi zich wijdde aan iedere zaak die zijne opmerkzaamheid trok. Wat het ook was, jacht, kaartspel, muziek, lektuur, paedagogie of landhuishoudkunde, hij drong geheel door in het wezen der dingen, en de indrukken die zij in zijne kunstenaarsziel achterlieten verwerkte hij en legde hij neer in zijne boeiende geschriften, die als ’t ware gedrenkt zijn met moreele en philosophische gedachten.Met denzelfden hartstocht wijdde hij zich aan het zoeken naar waarheid, het doel van ’t menschelijk leven, en met dezelfde kracht van zijn genie verwerkte hij ook die denkbeeldenen schonk daarna der wereld het verkregen resultaat, gegoten in een schoonen vorm.Een bijzondere trek van zijn karakter is de liefde tot oprechtheid, die hem vaak in moeielijkheden heeft gebracht, maar die hem ten slotte leidde tot dien God van waarheid, Dien hij steeds diende, hoewel hij soms, onbewust voor zich zelf, Zijn beeld verduisterde onder den invloed van zijne wisselende gemoedsstemmingen en levensomstandigheden.En dan treft ons nog een andere kenmerkende karaktertrek: de liefde voor het goede, de voortdurende drang tot volmaking, met het doel het goede te verbreiden, zijn ijver om ook anderen het goede te leeren en hun de schoonheid ervan aan te toonen.Die drie karaktertrekken, gevoegd bij zijne aangeboren talenten, geven ons eene afdoende verklaring voor den door Tolstoi verkregen wereldinvloed.Wanneer wij een’ blik slaan op de eerste helft van Tolstoi’s leven, dan bemerken wij nóg eene sterk sprekende eigenschap, n.l. de voortdurende ontevredenheid met zich zelf, zijn’ litterairen arbeid en zijne overige werkzaamheden. Die ontevredenheid werd nog aangewakkerd door eene voortdurende zelfontleding, die steeds zijne schoonste illusies verwoestte, en niet voortsproot uit een ziekelijk verdriet zonder reden, maar waaraan diepe, reëele oorzaken ten grondslag lagen. Ondanks Tolstoi’s groote gaven en bijzonder ontwikkelden geest gelukte het hem niet een vasten grondslag, eene synthese, te vinden voor al de ideeën, die hem bestormden. Dikwijls kwam hij de oplossing van de groote vraag zeer nabij, zonder haar echter te kunnen grijpen, hetgeen hem dan telkens ontzettend deed lijden.Die twijfel, dat vruchteloos zoeken naar eene (zooals de mathematikus zegt) absoluut afdoende oplossing, geeft ons de verklaring van alle tegenstrijdigheden in zijn oordeel en zijne zelfbeoordeeling.In het volgende deel hopen wij eene beschrijving te geven van de gebeurtenissen, die hem naar dat tijdperk van zijn leven voerden, waarin de dorst naar waarheid en de wanhoop haar niet te kunnen vinden het toppunt hadden bereikt; gebeurtenissen, die hem onvermijdelijk moesten brengen tot de eenig-mogelijke oplossing, tot het eenige richtsnoer in ’t leven en bij zijn’ arbeid, tot:de religie.

Zestiende hoofdstuk.Huwelijk. Tolstoi’s werken in dezen tijd.Ondanks het zichtbare succes kon de uitslag zijner werkzaamheden op paedagogisch gebied Tolstoi niet bevredigen. Ondanks de grootschheid van het zoo kunstig opgetrokken gebouw was hij niet zeker van de hechtheid der fundamenten. Integendeel, hij wist dat zij niet vertrouwbaar of in ’t geheel niet aanwezig waren, en zijn steeds analyseerend verstand liet hem niet toe zich daarbij neer te leggen.De beschrijving van die ontevredenheid met zich zelf, voorkomende in zijneBiecht, heeft betrekking op dit tijdperk van zijn leven.”...Het scheen mij toe, dat ik dat alles in het buitenland geleerd had, en gewapend met al die wijsheid keerde ik in het jaar van de opheffing der lijfeigenschap naar Rusland terug. Ik aanvaardde het ambt van vrederechter en begon tevens te onderwijzen: het onontwikkelde volk in de scholen, het beschaafde publiek door middel van mijn tijdschrift, dat ik toen ging uitgeven.“Alles scheen goed te gaan, maar ik voelde dat ik niet geheel geestelijk gezond was en dat het zoo niet lang zou kunnen duren. Ik zou misschien reeds toen tot die wanhoop zijn vervallen, die mij vijftien jaren later aangreep, indien er nog niet ééne zijde van ’t leven was geweest, die ik nog niet kende en die mij redding beloofde: dat was het familieleven.“Gedurende een jaar sprak ik recht en hield ik mij bezig metde scholen en de journalistiek. Spoedig echter overwerkte ik mij. Zoo zwaar werd mij de strijd als vrederechter, zoo vaag scheen mij mijne werkzaamheid in de scholen, zoo heftig werd mijn afkeer van de journalistiek, waar ik steeds naar uitvluchten moest zoeken, omdat ik wenschte te onderwijzen en tegelijk te verbergen dat ik niet wist wàt,—zóó ondragelijk werd mij dat alles, dat ik ziek werd, meer zielsziek dan lichamelijk. Toen maakte ik mij van alles los en vertrok naar de steppen, naar de Baschkirs, om reine lucht in te ademen, koemies te drinken en te leven op dezelfde wijze als de dieren.“Na mijn’ terugkeer trad ik in het huwelijk.”De volgende gebeurtenis had ook in dit tijdperk van Tolstoi’s leven plaats.In ’t begin van 1862 verloor Tolstoi, die zich nog dikwijls door den hartstocht voor het spel liet meesleepen, bij het biljarten duizend roebel aan den bekenden publicist Katkoff, den uitgever van een te Moskou verschijnend blad.Niet in staat zijne schuld af te doen, gaf hij zijne vertellingDe Kozakkenin betaling.Het nog niet geheel voltooide verhaal zag in Januari 1863 het licht; tengevolge van ermee verbonden onaangename herinneringen heeft Tolstoi het nooit afgemaakt.Toerghenjeff gaf Fet eene beschrijving van de gebeurtenis in de volgende bewoordingen:“Tolstoi heeft aan Botkin geschreven, dat hij in Moskou veel geld verspeelde en duizend roebel van Katkoff leende, waarvoor hij zijn’ roman uit den Kaukasus in betaling gaf. God geve dat hij, al is het dan ook langs dien weg, tot zijne eigenlijke bezigheden terugkeert. Zijne vertellingenKinder-, Jongens- en Jongelingsjarenzijn in ’t Engelsch vertaald en vallen, naar ik hoor, zeer in den smaak. Ik heb een’ kennis van mij gevraagd een artikel daarover in deRevue des deux Mondeste plaatsen.”Tolstoi was in die dagen veel aan huis bij dokter Bers, in wiens familie hij binnen korten tijd zou worden opgenomen.“Wij waren nog heel jonge meisjes,” vertelde gravin Tolstoi aan Löwenfeld, “toen Tolstoi reeds bij ons aan huis kwam. Hij was reeds een bekend schrijver en leidde in Moskou een vroolijk, lustig leventje. Eens kwam hij opgewekt bij ons en vertelde verheugd, dat hij juist zijn verhaalDe Kozakkenvoor duizend roebel aan Katkoff had verkocht. Wij vonden het een’ lagen prijs. Toen bekende hij ons, dat hij tot den verkoop gedwongen was. Den vorigen avond had hij met biljarten juist die som verspeeld, en het was eene eerezaak die schuld dadelijk te vereffenen. Die mededeeling ontroerde ons meisjes zóó, dat wij in tranen uitbarstten. Tolstoi had zich voorgenomen een vervolg opDe Kozakkente schrijven, maar daar is nooit iets van gekomen.”In dien zelfden tijd kwamen Tolstoi en Fet, tusschen wie door den twist met Toerghenjeff eene verwijdering was ontstaan, elkaar ook weer nader. Over die toenadering schrijft Fet:“Hoewel mijn geheugen anders zoo nauwkeurig alle gewichtige gebeurtenissen uit mijn leven, ja zelfs een enkel woord, bewaart, kan ik mij toch de omstandigheden die er toe hebben bijgedragen om mijne vriendschappelijke verhouding met Tolstoi weer te herstellen, niet te binnen brengen, hetgeen voor mij het bewijs is dat zijne boosheid het best vergeleken kan worden met hagel in Juni, die van zelf smelt. Ik veronderstel echter dat de zaak niet zonder hulp van Borisoff in ’t reine is gekomen.“Hoe het ook zij, Tolstoi verscheen weer binnen onzen gezichtskring, en met de hem eigen geestdrift begon hij mij te vertellen van zijne bezoeken bij dokter Bers en diens familie.“Bij mijn bezoek aan de familie Bers, waar Tolstoi mij volgens zijne belofte geïntroduceerd had, maakte ik kennis met een beminnelijken, aristokratischen, hoffelijken oudenheer, en eene mooie, statige brunette, zijne vrouw, die blijkbaar het hoofd in huis was. Van eene beschrijving van de drie aantrekkelijke mooie meisjes, waarvan de jongste een schoone altstem bezat, zal ik mij onthouden. Alle drie bezaten, ondanks de nauwlettende zorg der moeder en hare onmiskenbare bescheidenheid, dat zekere iets dat de Franschen ‘du chien’ noemen.”In een aan ons gericht particulier schrijven van Tolstoi’s schoonzuster lezen wij over zijne verhouding tot de familie Bers en den geleidelijken overgang tot zijn huwelijk:“Tolstoi’s betrekking tot onze familie dateert reeds van vroeger. Grootvader Isljeneff en de vader van Leo Tolstoi waren buren en vrienden. De families kwamen veel bij elkaar, en mijne moeder en Tolstoi noemden elkaar, toen zij nog kinderen waren, jij en jou. Toen Tolstoi zijn ontslag uit den dienst had genomen, kwam hij dikwijls bij ons. Mijne moeder, destijds reeds getrouwd, was eene vriendin van Maria Nikolajewna, Tolstoi’s zuster, en bij deze Maria Nikolajewna ontmoette ik, toen nog een kind, hem heel dikwijls. Hij speelde allerlei spelletjes met zijne nichtjes en mij. Ik was toen tien jaar en kan er mij niet veel meer van herinneren. In het jaar van zijn huwelijk was hij van eene buitenlandsche reis teruggekeerd. Hij was gedurende eenige jaren niet bij ons geweest en zag bij zijn eerste bezoek, op ons buiten Pakrowskoje (in de nabijheid van Moskou), mijne twee oudere zusters als volwassen jonge dames terug. Uit het buitenland had Tolstoi een’ leeraar, een zekeren Keller, meegenomen en in Moskou engageerde hij nog andere onderwijzers voor zijne scholen, waaraan hij zich met hart en ziel wijdde. Wij maakten dikwijls groote wandelingen met hem. Hij leefde geheel met ons mee en onze verhouding werd zeer intiem.Gravin Sofie Andrejewna Tolstoi in 1860, vóór haar huwelijk.—Blz. 446.Gravin Sofie Andrejewna Tolstoi in 1860, vóór haar huwelijk.—Blz.446.“In Augustus vertrokken mijne moeder, mijne twee zusters en ik voor twee weken naar het landgoed van mijn’ grootvader,dat in het gouvernement Toela ligt. Tolstoi reisde met ons mee. Wij passeerden Jasnaja Paljana, waar hij met zijne tante Tatjana, zijn’ broer Sergius en zijne zuster Maria Nikolajewna woonde. Bij die gelegenheid bracht mijne moeder daar een bezoek. Den volgenden dag werd er een pic-nic gehouden met de families Auerbach en Markoff, in het boschje Zasjek. Men was daar bezig een’ hooiberg te maken, waar wij bovenop klommen. Tolstoi volgde ons ook naar het landgoed van mijn’ grootvader, en daar kwam het aan de ombertafel tot eene verklaring, op dezelfde wijze als dat in Anna Karjenina wordt beschreven, n.l. door middel van de beginletters van de woorden. In September keerden wij naar Moskou terug, waarheen Tolstoi ons volgde, en den 17denSeptember verscheen in Moskou de aankondiging van hun huwelijk. Gedurende zijn geheele verblijf te Moskou was hij opgewekt, vroolijk en tintelend van geest.“Hij bracht ons muziek mee, wij studeerden Cherubini en anderen, hij accompagneerde mij iederen dag, noemde mij MmeViardot en verzocht mij steeds voor hem te zingen.”Nu laten wij ’t verhaal van deze gebeurtenissen volgen, zooals gravin Tolstoi het aan Löwenfeld vertelde, hier en daar verbeterd en aangevuld met kleine opmerkingen, die wij van haar zelf mochten vernemen.“De graaf was in dien tijd een geregelde gast in ons huis. Wij dachten dat hij zich sterk interesseerde voor mijne oudste zuster, mijn vader vooral, tot aan het oogenblik dat hij om mijne hand kwam vragen. Dat gebeurde in 1862. In Augustus gingen wij over Jasnaja voor eenige weken naar onzen grootvader. Moeder wilde de zuster van den graaf een bezoek brengen, en daarom bleven wij, mijne moeder, wij, drie zusters, en mijn jongste broer, eenige dagen te Jasnaja Paljana logeeren. Het wekte niemands verwondering, dat de graaf bijzonder vriendelijk voor ons was; wij kenden elkaar immers,zooals ik u reeds vroeger verteld heb, al heel lang en hij stond altijd op een zeer vriendschappelijken voet met ons. Het landgoed van mijn’ grootvader, of juister gezegd, van mijne grootmoeder (want zijn eigen vermogen heeft hij verspeeld) lag op 50 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Eenige dagen na onze aankomst verscheen ook Leo Tolstoi, en in ’t kort gezegd, daar werd eene dergelijke scène afgespeeld, als in Anna Karjenina is beschreven, n.l. waar Lewin eene liefdesverklaring met de beginletters van de woorden op eene tafel schrijft en Kitty hem dadelijk begrijpt. En sedert dien tijd,” vervolgde gravin Tolstoi met een lachje, waaruit bleek, dat zij zich deze gebeurtenis met genoegen herinnerde, “sedert dien tijd heb ik nooit begrepen, hoe ik toen toch de beteekenis van die letters heb geraden. Het moet wel waar zijn, dat gelijkgestemde zielen klinken in denzelfden toon, evenals gelijkgestemde snaren.”De zinnen, gewisseld tusschen Leo Tolstoi en Sophia Andrejewna, luidden:“I. u. f. h. e. m. t. o. v. m. e. u. z. L. H. g. e. T. h. o.“In uwe familie heerscht een misverstand ten opzichte van mij en uwe zuster Lisa. Helder gij en Tanischka het op.”Sophia Andrejewna verstond dien zin en gaf een teeken van begrijpen.Toen schreef hij nog eens:“U. j. e. u. r. o. g. h. m. h. a. t. d. a. m. o. e. d. v. m. g. g. b. i.“Uwe jeugd en uw recht op geluk herinneren mij heden al te duidelijk aan mijn’ ouderdom en dat voor mij geen geluk bestaanbaar is.”Meer woorden werden er tusschen hen niet gewisseld, maar het was voldoende, zij begrepen elkaar.De familie Bers was dus weer naar haar buitengoed teruggekeerd, en Tolstoi was hen gevolgd. Hij woonde in Moskou, zij op hun buiten, waar zij reeds twintig jaren lang iederenzomer gingen doorbrengen. Tolstoi was er nu een dagelijksche gast; allen waren er van overtuigd, dat hij wenschte binnen korten tijd met de oudste dochter te trouwen, en daar gaf hij den 17denSeptember Sophia Andrejewna op haren verjaardag een’ brief, waarin hij haar ten huwelijk vroeg. Natuurlijk ontmoette hij bij haar slechts blijde instemming, maar de oude vader was er niet mee ingenomen. Hij wilde niet breken met de traditie, en de jongste dochter vóor de oudste laten gaan. Eerst weigerde hij zijne toestemming, maar ten slotte moest hij zwichten voor de standvastigheid van zijne dochter zoowel als van Tolstoi. In Tolstoi’s dagboek vinden wij de volgende aanteekeningen over die gebeurtenissen.Den 2 Augustus schreef hij, na een bezoek te hebben gebracht bij de familie Bers:“Ik vrees voor mij zelf. Als dit ook eens weer het verlangen naar liefde is en niet de ware liefde! Ik tracht alleen op de zwakke zijde van haar karakter te letten en toch heb ik haar lief.”In dienzelfden tijd besefte hij ten volle hoe eenzaam hij in ’t leven stond.“Ik voelde mij geheel gezond toen ik opstond, mijn hoofd was bijzonder helder, het schrijven ging goed, maar de inhoud was arm. Daarna bekroop mij zoo’n weemoedige stemming, als ik in lang niet gevoeld had. Ik heb geen vrienden, niemand. Ik ben geheel alleen. Ik had vrienden toen ik den Mammon diende, niemand nu ik de waarheid dien.”Daarna schreef hij:“Ik ging te voet naar Pakrowskoje, naar de familie Bers. Rustig, aangenaam. Sonja gaf mij eene vertelling te lezen. Welk eene energie van waarheid en van eenvoud. Haar peinigt de onzekerheid. Ik las alles zonder hevige gemoedsaandoeningen, zonder teekenen van afgunst of ijverzucht. Het bijzonder onaantrekkelijke uiterlijk en het onbestendigeoordeel waren goed geteekend. Ik werd rustig; dat alles heeft op mij geen betrekking.”De vertelling is helaas niet tot ons gekomen, maar door de schrijfster zelve vernietigd.Den 28stenAugustus, toen hij dus 34 jaar werd, voelde Tolstoi, zooals uit zijne aanteekeningen blijkt, weer twijfel, zelfverwijt en strijd. Hij schreef:“In de gewone treurige stemming stond ik op. Heerlijke rust-brengende nacht. Jij met je leelijk gezicht, denk niet aan trouwen. Gij zijt voor iets anders bestemd, al wildet gij er veel voor geven indien dat niet zoo ware.”Maar de drang naar huiselijk geluk werd bij hem steeds sterker, en zijn verlangen naar liefde ging ten slotte over in eene ware hartstochtelijke liefde, die geen hinderpalen kende. En ondanks dien grooten hartstocht toonde Tolstoi ook hier weer zijne eerlijkheid en liefde voor de waarheid. Nadat hij reeds het jawoord had ontvangen, gaf hij zijne bruid zijn dagboek, waarin hij zijn leven bloot legt en waarin geheel naar waarheid al de misstappen, in zijne jeugd begaan, zijn vallen en zijn zielestrijd, zijn beschreven.Het lezen van het dagboek was een zware slag voor het jonge meisje, dat in haren held het ideaal van deugd had gezien. Haar lijden was groot en haar strijd zóó zwaar, dat er oogenblikken van twijfel kwamen en zij er toe overhelde om alle banden met hem te verbreken. Maar de liefde overwon den twijfel, en toen zij in lange, slapelooze nachten haar lijden had uitgeweend, gaf zij hem het boek terug, met een’ blik waaruit hare vergiffenis en hare sterke, reeds gestaalde liefde spraken.Het huwelijk werd den 13denSeptember voltrokken, eene week dus na de officiëele aankondiging van hunne verloving. De huwelijksplechtigheid had plaats in het Kremlin, in de hofkerk. Daarna vertrokken zij per rijtuig naar JasnajaPaljana, waar zij door hun’ broeder Sergius en tante Tatjana werden opgewacht.De broer van gravin Tolstoi, S. A. Bers, geeft de volgende karakterschets van zijne zuster:“Mijn overleden vader was tegen alle inrichtingen van onderwijs voor vrouwen; daarom ontving Tolstoi’s vrouw hare opvoeding thuis, maar zij deed toch een examen en verwierf een diploma, dat haar het recht gaf tot het geven van huisonderwijs. Als jong meisje hield zij haar dagboek bij, trachtte verhalen te schrijven en vertoonde eenigen aanleg voor schilderen.”Tolstoi schreef korten tijd na zijn huwelijk aan Fet:“Fetoeschka, oompje, lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!“Ik ben twee weken getrouwd en zoo gelukkig; ik ben een ander, een geheel nieuw mensch. Wanneer zal ik je zien? Bedenk, dat ik je zeer, zeer waardeer, en tusschen ons is zooveel onvergetelijks, Nikoljenka en nog zooveel meer. Kom eens hier heen om kennis met mij te maken. Ik kus Maria Petrowna de hand. Vaarwel, lieve vriend, in gedachten omhels ik je hartelijk.”Na zijn huwelijk ging Tolstoi’s leven in geheel nieuwe onbekende banen, die hem redding beloofden, zooals hij in zijneBiechtzegt. Wij zullen zien in hoeverre Tolstoi’s verwachtingen zijn bewaarheid. De zucht tot analyseeren verliet hem ook nu, in deze veilige haven, niet en verwoestte ook dezeillusie. Maar zijn verhevenverstandverhief hem tot de hoogste hoogten. Wij hopen, voor zoover het mogelijk is, een’ blik te slaan op dat geheimzinnig proces van zijn zieleleven, om daarvan in een volgend deel eene beschrijving te geven.In dit tijdperk van zijn leven schreef Tolstoi, behalve de reeds genoemde, nog de volgende werken:De Sneeuwstorm, Aanteekeningen van een’ Marqueur, Twee huzaren, PolikoeschkaenFamiliegeluk.InDe Sneeuwstormgeeft hij eene beschrijving van een winterlandschap. Bij de lezing ziet men niet slechts den sneeuwstorm, den onder de sneeuw bedolven weg, den verdwaalden vrachtrijder met zijne troika, maar men hoort zelfs ieder geluid en men voelt langzaam het leven in zich verstijven.In deAanteekeningen van een’ Marqueurschildert Tolstoi ons hoe eene reine, teere ziel ten onder gaat te midden van het zedenbederf eener groote stad.InDe twee Huzarenworden twee geslachten tegenover elkaar gesteld; het oude, vol levenslust, te veel misschien zich overgevend aan genot, maar een geslacht uit één stuk, oprecht en daarom vol levenskracht en harmonie; en daarnaast het jonge geslacht, gedemoraliseerd in zijne ingetogenheid, berekening en huichelarij. De natuurlijke harmonie is verbroken, maar de bewuste harmonie nog niet gevonden, en in de ziel, bedorven door de zonde, weerklinkt een vreemde dissonant.Familiegelukis een kalm, gracieus verhaal van liefde, eene weerspiegeling van den door den schrijver beleefden roman.Polikoeschkais eene tragedie uit de lijfeigenschap. In deze vertelling leeren wij het zieleleven kennen van een’ boer, die onder een grof omhulsel het meest teere karakter verbergt, dat echter te niet gaat bij de aanraking van het ontaarde, leugenachtige “barstwo.”1De kritiek van die jaren bemoeide zich heel weinig met deze merkwaardige werken. De kritici zochten een algemeenen vorm, passende in hun milieu, en waren niet toegankelijk voor de hoog moreele schoonheid, die uit iedere bladzijde van deze werken sprak.Het zwijgen der kritici bracht één hunner er toe eenartikel te schrijven met het opschrift:Graaf Leo Tolstoi en zijne werken; eene verschijning in de hedendaagsche litteratuur, over ’t hoofd gezien door onze kritici.Wij achten het hier de plaats niet, om ons te verdiepen in eene kritiek over genoemde werken, die wij slechts hebben aangehaald als overtuigende bewijzen van de onvermoeide werkkracht en het scheppende talent van Leo Tolstoi.1Barstwo—overheersching van den barin (heer).

Ondanks het zichtbare succes kon de uitslag zijner werkzaamheden op paedagogisch gebied Tolstoi niet bevredigen. Ondanks de grootschheid van het zoo kunstig opgetrokken gebouw was hij niet zeker van de hechtheid der fundamenten. Integendeel, hij wist dat zij niet vertrouwbaar of in ’t geheel niet aanwezig waren, en zijn steeds analyseerend verstand liet hem niet toe zich daarbij neer te leggen.

De beschrijving van die ontevredenheid met zich zelf, voorkomende in zijneBiecht, heeft betrekking op dit tijdperk van zijn leven.

”...Het scheen mij toe, dat ik dat alles in het buitenland geleerd had, en gewapend met al die wijsheid keerde ik in het jaar van de opheffing der lijfeigenschap naar Rusland terug. Ik aanvaardde het ambt van vrederechter en begon tevens te onderwijzen: het onontwikkelde volk in de scholen, het beschaafde publiek door middel van mijn tijdschrift, dat ik toen ging uitgeven.

“Alles scheen goed te gaan, maar ik voelde dat ik niet geheel geestelijk gezond was en dat het zoo niet lang zou kunnen duren. Ik zou misschien reeds toen tot die wanhoop zijn vervallen, die mij vijftien jaren later aangreep, indien er nog niet ééne zijde van ’t leven was geweest, die ik nog niet kende en die mij redding beloofde: dat was het familieleven.

“Gedurende een jaar sprak ik recht en hield ik mij bezig metde scholen en de journalistiek. Spoedig echter overwerkte ik mij. Zoo zwaar werd mij de strijd als vrederechter, zoo vaag scheen mij mijne werkzaamheid in de scholen, zoo heftig werd mijn afkeer van de journalistiek, waar ik steeds naar uitvluchten moest zoeken, omdat ik wenschte te onderwijzen en tegelijk te verbergen dat ik niet wist wàt,—zóó ondragelijk werd mij dat alles, dat ik ziek werd, meer zielsziek dan lichamelijk. Toen maakte ik mij van alles los en vertrok naar de steppen, naar de Baschkirs, om reine lucht in te ademen, koemies te drinken en te leven op dezelfde wijze als de dieren.

“Na mijn’ terugkeer trad ik in het huwelijk.”

De volgende gebeurtenis had ook in dit tijdperk van Tolstoi’s leven plaats.

In ’t begin van 1862 verloor Tolstoi, die zich nog dikwijls door den hartstocht voor het spel liet meesleepen, bij het biljarten duizend roebel aan den bekenden publicist Katkoff, den uitgever van een te Moskou verschijnend blad.

Niet in staat zijne schuld af te doen, gaf hij zijne vertellingDe Kozakkenin betaling.

Het nog niet geheel voltooide verhaal zag in Januari 1863 het licht; tengevolge van ermee verbonden onaangename herinneringen heeft Tolstoi het nooit afgemaakt.

Toerghenjeff gaf Fet eene beschrijving van de gebeurtenis in de volgende bewoordingen:

“Tolstoi heeft aan Botkin geschreven, dat hij in Moskou veel geld verspeelde en duizend roebel van Katkoff leende, waarvoor hij zijn’ roman uit den Kaukasus in betaling gaf. God geve dat hij, al is het dan ook langs dien weg, tot zijne eigenlijke bezigheden terugkeert. Zijne vertellingenKinder-, Jongens- en Jongelingsjarenzijn in ’t Engelsch vertaald en vallen, naar ik hoor, zeer in den smaak. Ik heb een’ kennis van mij gevraagd een artikel daarover in deRevue des deux Mondeste plaatsen.”

Tolstoi was in die dagen veel aan huis bij dokter Bers, in wiens familie hij binnen korten tijd zou worden opgenomen.

“Wij waren nog heel jonge meisjes,” vertelde gravin Tolstoi aan Löwenfeld, “toen Tolstoi reeds bij ons aan huis kwam. Hij was reeds een bekend schrijver en leidde in Moskou een vroolijk, lustig leventje. Eens kwam hij opgewekt bij ons en vertelde verheugd, dat hij juist zijn verhaalDe Kozakkenvoor duizend roebel aan Katkoff had verkocht. Wij vonden het een’ lagen prijs. Toen bekende hij ons, dat hij tot den verkoop gedwongen was. Den vorigen avond had hij met biljarten juist die som verspeeld, en het was eene eerezaak die schuld dadelijk te vereffenen. Die mededeeling ontroerde ons meisjes zóó, dat wij in tranen uitbarstten. Tolstoi had zich voorgenomen een vervolg opDe Kozakkente schrijven, maar daar is nooit iets van gekomen.”

In dien zelfden tijd kwamen Tolstoi en Fet, tusschen wie door den twist met Toerghenjeff eene verwijdering was ontstaan, elkaar ook weer nader. Over die toenadering schrijft Fet:

“Hoewel mijn geheugen anders zoo nauwkeurig alle gewichtige gebeurtenissen uit mijn leven, ja zelfs een enkel woord, bewaart, kan ik mij toch de omstandigheden die er toe hebben bijgedragen om mijne vriendschappelijke verhouding met Tolstoi weer te herstellen, niet te binnen brengen, hetgeen voor mij het bewijs is dat zijne boosheid het best vergeleken kan worden met hagel in Juni, die van zelf smelt. Ik veronderstel echter dat de zaak niet zonder hulp van Borisoff in ’t reine is gekomen.

“Hoe het ook zij, Tolstoi verscheen weer binnen onzen gezichtskring, en met de hem eigen geestdrift begon hij mij te vertellen van zijne bezoeken bij dokter Bers en diens familie.

“Bij mijn bezoek aan de familie Bers, waar Tolstoi mij volgens zijne belofte geïntroduceerd had, maakte ik kennis met een beminnelijken, aristokratischen, hoffelijken oudenheer, en eene mooie, statige brunette, zijne vrouw, die blijkbaar het hoofd in huis was. Van eene beschrijving van de drie aantrekkelijke mooie meisjes, waarvan de jongste een schoone altstem bezat, zal ik mij onthouden. Alle drie bezaten, ondanks de nauwlettende zorg der moeder en hare onmiskenbare bescheidenheid, dat zekere iets dat de Franschen ‘du chien’ noemen.”

In een aan ons gericht particulier schrijven van Tolstoi’s schoonzuster lezen wij over zijne verhouding tot de familie Bers en den geleidelijken overgang tot zijn huwelijk:

“Tolstoi’s betrekking tot onze familie dateert reeds van vroeger. Grootvader Isljeneff en de vader van Leo Tolstoi waren buren en vrienden. De families kwamen veel bij elkaar, en mijne moeder en Tolstoi noemden elkaar, toen zij nog kinderen waren, jij en jou. Toen Tolstoi zijn ontslag uit den dienst had genomen, kwam hij dikwijls bij ons. Mijne moeder, destijds reeds getrouwd, was eene vriendin van Maria Nikolajewna, Tolstoi’s zuster, en bij deze Maria Nikolajewna ontmoette ik, toen nog een kind, hem heel dikwijls. Hij speelde allerlei spelletjes met zijne nichtjes en mij. Ik was toen tien jaar en kan er mij niet veel meer van herinneren. In het jaar van zijn huwelijk was hij van eene buitenlandsche reis teruggekeerd. Hij was gedurende eenige jaren niet bij ons geweest en zag bij zijn eerste bezoek, op ons buiten Pakrowskoje (in de nabijheid van Moskou), mijne twee oudere zusters als volwassen jonge dames terug. Uit het buitenland had Tolstoi een’ leeraar, een zekeren Keller, meegenomen en in Moskou engageerde hij nog andere onderwijzers voor zijne scholen, waaraan hij zich met hart en ziel wijdde. Wij maakten dikwijls groote wandelingen met hem. Hij leefde geheel met ons mee en onze verhouding werd zeer intiem.

Gravin Sofie Andrejewna Tolstoi in 1860, vóór haar huwelijk.—Blz. 446.Gravin Sofie Andrejewna Tolstoi in 1860, vóór haar huwelijk.—Blz.446.

Gravin Sofie Andrejewna Tolstoi in 1860, vóór haar huwelijk.—Blz.446.

“In Augustus vertrokken mijne moeder, mijne twee zusters en ik voor twee weken naar het landgoed van mijn’ grootvader,dat in het gouvernement Toela ligt. Tolstoi reisde met ons mee. Wij passeerden Jasnaja Paljana, waar hij met zijne tante Tatjana, zijn’ broer Sergius en zijne zuster Maria Nikolajewna woonde. Bij die gelegenheid bracht mijne moeder daar een bezoek. Den volgenden dag werd er een pic-nic gehouden met de families Auerbach en Markoff, in het boschje Zasjek. Men was daar bezig een’ hooiberg te maken, waar wij bovenop klommen. Tolstoi volgde ons ook naar het landgoed van mijn’ grootvader, en daar kwam het aan de ombertafel tot eene verklaring, op dezelfde wijze als dat in Anna Karjenina wordt beschreven, n.l. door middel van de beginletters van de woorden. In September keerden wij naar Moskou terug, waarheen Tolstoi ons volgde, en den 17denSeptember verscheen in Moskou de aankondiging van hun huwelijk. Gedurende zijn geheele verblijf te Moskou was hij opgewekt, vroolijk en tintelend van geest.

“Hij bracht ons muziek mee, wij studeerden Cherubini en anderen, hij accompagneerde mij iederen dag, noemde mij MmeViardot en verzocht mij steeds voor hem te zingen.”

Nu laten wij ’t verhaal van deze gebeurtenissen volgen, zooals gravin Tolstoi het aan Löwenfeld vertelde, hier en daar verbeterd en aangevuld met kleine opmerkingen, die wij van haar zelf mochten vernemen.

“De graaf was in dien tijd een geregelde gast in ons huis. Wij dachten dat hij zich sterk interesseerde voor mijne oudste zuster, mijn vader vooral, tot aan het oogenblik dat hij om mijne hand kwam vragen. Dat gebeurde in 1862. In Augustus gingen wij over Jasnaja voor eenige weken naar onzen grootvader. Moeder wilde de zuster van den graaf een bezoek brengen, en daarom bleven wij, mijne moeder, wij, drie zusters, en mijn jongste broer, eenige dagen te Jasnaja Paljana logeeren. Het wekte niemands verwondering, dat de graaf bijzonder vriendelijk voor ons was; wij kenden elkaar immers,zooals ik u reeds vroeger verteld heb, al heel lang en hij stond altijd op een zeer vriendschappelijken voet met ons. Het landgoed van mijn’ grootvader, of juister gezegd, van mijne grootmoeder (want zijn eigen vermogen heeft hij verspeeld) lag op 50 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Eenige dagen na onze aankomst verscheen ook Leo Tolstoi, en in ’t kort gezegd, daar werd eene dergelijke scène afgespeeld, als in Anna Karjenina is beschreven, n.l. waar Lewin eene liefdesverklaring met de beginletters van de woorden op eene tafel schrijft en Kitty hem dadelijk begrijpt. En sedert dien tijd,” vervolgde gravin Tolstoi met een lachje, waaruit bleek, dat zij zich deze gebeurtenis met genoegen herinnerde, “sedert dien tijd heb ik nooit begrepen, hoe ik toen toch de beteekenis van die letters heb geraden. Het moet wel waar zijn, dat gelijkgestemde zielen klinken in denzelfden toon, evenals gelijkgestemde snaren.”

De zinnen, gewisseld tusschen Leo Tolstoi en Sophia Andrejewna, luidden:

“I. u. f. h. e. m. t. o. v. m. e. u. z. L. H. g. e. T. h. o.

“In uwe familie heerscht een misverstand ten opzichte van mij en uwe zuster Lisa. Helder gij en Tanischka het op.”

Sophia Andrejewna verstond dien zin en gaf een teeken van begrijpen.

Toen schreef hij nog eens:

“U. j. e. u. r. o. g. h. m. h. a. t. d. a. m. o. e. d. v. m. g. g. b. i.

“Uwe jeugd en uw recht op geluk herinneren mij heden al te duidelijk aan mijn’ ouderdom en dat voor mij geen geluk bestaanbaar is.”

Meer woorden werden er tusschen hen niet gewisseld, maar het was voldoende, zij begrepen elkaar.

De familie Bers was dus weer naar haar buitengoed teruggekeerd, en Tolstoi was hen gevolgd. Hij woonde in Moskou, zij op hun buiten, waar zij reeds twintig jaren lang iederenzomer gingen doorbrengen. Tolstoi was er nu een dagelijksche gast; allen waren er van overtuigd, dat hij wenschte binnen korten tijd met de oudste dochter te trouwen, en daar gaf hij den 17denSeptember Sophia Andrejewna op haren verjaardag een’ brief, waarin hij haar ten huwelijk vroeg. Natuurlijk ontmoette hij bij haar slechts blijde instemming, maar de oude vader was er niet mee ingenomen. Hij wilde niet breken met de traditie, en de jongste dochter vóor de oudste laten gaan. Eerst weigerde hij zijne toestemming, maar ten slotte moest hij zwichten voor de standvastigheid van zijne dochter zoowel als van Tolstoi. In Tolstoi’s dagboek vinden wij de volgende aanteekeningen over die gebeurtenissen.

Den 2 Augustus schreef hij, na een bezoek te hebben gebracht bij de familie Bers:

“Ik vrees voor mij zelf. Als dit ook eens weer het verlangen naar liefde is en niet de ware liefde! Ik tracht alleen op de zwakke zijde van haar karakter te letten en toch heb ik haar lief.”

In dienzelfden tijd besefte hij ten volle hoe eenzaam hij in ’t leven stond.

“Ik voelde mij geheel gezond toen ik opstond, mijn hoofd was bijzonder helder, het schrijven ging goed, maar de inhoud was arm. Daarna bekroop mij zoo’n weemoedige stemming, als ik in lang niet gevoeld had. Ik heb geen vrienden, niemand. Ik ben geheel alleen. Ik had vrienden toen ik den Mammon diende, niemand nu ik de waarheid dien.”

Daarna schreef hij:

“Ik ging te voet naar Pakrowskoje, naar de familie Bers. Rustig, aangenaam. Sonja gaf mij eene vertelling te lezen. Welk eene energie van waarheid en van eenvoud. Haar peinigt de onzekerheid. Ik las alles zonder hevige gemoedsaandoeningen, zonder teekenen van afgunst of ijverzucht. Het bijzonder onaantrekkelijke uiterlijk en het onbestendigeoordeel waren goed geteekend. Ik werd rustig; dat alles heeft op mij geen betrekking.”

De vertelling is helaas niet tot ons gekomen, maar door de schrijfster zelve vernietigd.

Den 28stenAugustus, toen hij dus 34 jaar werd, voelde Tolstoi, zooals uit zijne aanteekeningen blijkt, weer twijfel, zelfverwijt en strijd. Hij schreef:

“In de gewone treurige stemming stond ik op. Heerlijke rust-brengende nacht. Jij met je leelijk gezicht, denk niet aan trouwen. Gij zijt voor iets anders bestemd, al wildet gij er veel voor geven indien dat niet zoo ware.”

Maar de drang naar huiselijk geluk werd bij hem steeds sterker, en zijn verlangen naar liefde ging ten slotte over in eene ware hartstochtelijke liefde, die geen hinderpalen kende. En ondanks dien grooten hartstocht toonde Tolstoi ook hier weer zijne eerlijkheid en liefde voor de waarheid. Nadat hij reeds het jawoord had ontvangen, gaf hij zijne bruid zijn dagboek, waarin hij zijn leven bloot legt en waarin geheel naar waarheid al de misstappen, in zijne jeugd begaan, zijn vallen en zijn zielestrijd, zijn beschreven.

Het lezen van het dagboek was een zware slag voor het jonge meisje, dat in haren held het ideaal van deugd had gezien. Haar lijden was groot en haar strijd zóó zwaar, dat er oogenblikken van twijfel kwamen en zij er toe overhelde om alle banden met hem te verbreken. Maar de liefde overwon den twijfel, en toen zij in lange, slapelooze nachten haar lijden had uitgeweend, gaf zij hem het boek terug, met een’ blik waaruit hare vergiffenis en hare sterke, reeds gestaalde liefde spraken.

Het huwelijk werd den 13denSeptember voltrokken, eene week dus na de officiëele aankondiging van hunne verloving. De huwelijksplechtigheid had plaats in het Kremlin, in de hofkerk. Daarna vertrokken zij per rijtuig naar JasnajaPaljana, waar zij door hun’ broeder Sergius en tante Tatjana werden opgewacht.

De broer van gravin Tolstoi, S. A. Bers, geeft de volgende karakterschets van zijne zuster:

“Mijn overleden vader was tegen alle inrichtingen van onderwijs voor vrouwen; daarom ontving Tolstoi’s vrouw hare opvoeding thuis, maar zij deed toch een examen en verwierf een diploma, dat haar het recht gaf tot het geven van huisonderwijs. Als jong meisje hield zij haar dagboek bij, trachtte verhalen te schrijven en vertoonde eenigen aanleg voor schilderen.”

Tolstoi schreef korten tijd na zijn huwelijk aan Fet:

“Fetoeschka, oompje, lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!

“Ik ben twee weken getrouwd en zoo gelukkig; ik ben een ander, een geheel nieuw mensch. Wanneer zal ik je zien? Bedenk, dat ik je zeer, zeer waardeer, en tusschen ons is zooveel onvergetelijks, Nikoljenka en nog zooveel meer. Kom eens hier heen om kennis met mij te maken. Ik kus Maria Petrowna de hand. Vaarwel, lieve vriend, in gedachten omhels ik je hartelijk.”

Na zijn huwelijk ging Tolstoi’s leven in geheel nieuwe onbekende banen, die hem redding beloofden, zooals hij in zijneBiechtzegt. Wij zullen zien in hoeverre Tolstoi’s verwachtingen zijn bewaarheid. De zucht tot analyseeren verliet hem ook nu, in deze veilige haven, niet en verwoestte ook dezeillusie. Maar zijn verhevenverstandverhief hem tot de hoogste hoogten. Wij hopen, voor zoover het mogelijk is, een’ blik te slaan op dat geheimzinnig proces van zijn zieleleven, om daarvan in een volgend deel eene beschrijving te geven.

In dit tijdperk van zijn leven schreef Tolstoi, behalve de reeds genoemde, nog de volgende werken:

De Sneeuwstorm, Aanteekeningen van een’ Marqueur, Twee huzaren, PolikoeschkaenFamiliegeluk.

InDe Sneeuwstormgeeft hij eene beschrijving van een winterlandschap. Bij de lezing ziet men niet slechts den sneeuwstorm, den onder de sneeuw bedolven weg, den verdwaalden vrachtrijder met zijne troika, maar men hoort zelfs ieder geluid en men voelt langzaam het leven in zich verstijven.

In deAanteekeningen van een’ Marqueurschildert Tolstoi ons hoe eene reine, teere ziel ten onder gaat te midden van het zedenbederf eener groote stad.

InDe twee Huzarenworden twee geslachten tegenover elkaar gesteld; het oude, vol levenslust, te veel misschien zich overgevend aan genot, maar een geslacht uit één stuk, oprecht en daarom vol levenskracht en harmonie; en daarnaast het jonge geslacht, gedemoraliseerd in zijne ingetogenheid, berekening en huichelarij. De natuurlijke harmonie is verbroken, maar de bewuste harmonie nog niet gevonden, en in de ziel, bedorven door de zonde, weerklinkt een vreemde dissonant.

Familiegelukis een kalm, gracieus verhaal van liefde, eene weerspiegeling van den door den schrijver beleefden roman.

Polikoeschkais eene tragedie uit de lijfeigenschap. In deze vertelling leeren wij het zieleleven kennen van een’ boer, die onder een grof omhulsel het meest teere karakter verbergt, dat echter te niet gaat bij de aanraking van het ontaarde, leugenachtige “barstwo.”1

De kritiek van die jaren bemoeide zich heel weinig met deze merkwaardige werken. De kritici zochten een algemeenen vorm, passende in hun milieu, en waren niet toegankelijk voor de hoog moreele schoonheid, die uit iedere bladzijde van deze werken sprak.

Het zwijgen der kritici bracht één hunner er toe eenartikel te schrijven met het opschrift:Graaf Leo Tolstoi en zijne werken; eene verschijning in de hedendaagsche litteratuur, over ’t hoofd gezien door onze kritici.

Wij achten het hier de plaats niet, om ons te verdiepen in eene kritiek over genoemde werken, die wij slechts hebben aangehaald als overtuigende bewijzen van de onvermoeide werkkracht en het scheppende talent van Leo Tolstoi.

1Barstwo—overheersching van den barin (heer).

1Barstwo—overheersching van den barin (heer).

Besluit.In deze vluchtige beschrijving is het halve leven van Leo Tolstoi aan uw oog voorbijgetrokken.Opdat eene onbekwame hand de origineele gedachten en getuigenissen niet zou verminken, hebben wij getracht, overal waar het slechts mogelijk was, het woord te geven aan Tolstoi, aan zijne bloedverwanten, vrienden en bekenden, terwijl wij ons bepaald hebben tot de taak die interessante beelden aan te wijzen.Ondanks het onafgewerkte materiaal gelooven wij toch dat de lezer zich een duidelijk beeld kan vormen van Leo Tolstoi’s karakter gedurende deze helft van zijn leven. Ten slotte wenschen wij nog de aandacht te vestigen op eenige van zijne in het oog loopende karaktertrekken, die, naar onze meening, de aanleiding waren voor zijne verdere ontwikkeling.Wij noemen in de eerste plaats de ongewone hartstochtelijkheid, waarmee Tolstoi zich wijdde aan iedere zaak die zijne opmerkzaamheid trok. Wat het ook was, jacht, kaartspel, muziek, lektuur, paedagogie of landhuishoudkunde, hij drong geheel door in het wezen der dingen, en de indrukken die zij in zijne kunstenaarsziel achterlieten verwerkte hij en legde hij neer in zijne boeiende geschriften, die als ’t ware gedrenkt zijn met moreele en philosophische gedachten.Met denzelfden hartstocht wijdde hij zich aan het zoeken naar waarheid, het doel van ’t menschelijk leven, en met dezelfde kracht van zijn genie verwerkte hij ook die denkbeeldenen schonk daarna der wereld het verkregen resultaat, gegoten in een schoonen vorm.Een bijzondere trek van zijn karakter is de liefde tot oprechtheid, die hem vaak in moeielijkheden heeft gebracht, maar die hem ten slotte leidde tot dien God van waarheid, Dien hij steeds diende, hoewel hij soms, onbewust voor zich zelf, Zijn beeld verduisterde onder den invloed van zijne wisselende gemoedsstemmingen en levensomstandigheden.En dan treft ons nog een andere kenmerkende karaktertrek: de liefde voor het goede, de voortdurende drang tot volmaking, met het doel het goede te verbreiden, zijn ijver om ook anderen het goede te leeren en hun de schoonheid ervan aan te toonen.Die drie karaktertrekken, gevoegd bij zijne aangeboren talenten, geven ons eene afdoende verklaring voor den door Tolstoi verkregen wereldinvloed.Wanneer wij een’ blik slaan op de eerste helft van Tolstoi’s leven, dan bemerken wij nóg eene sterk sprekende eigenschap, n.l. de voortdurende ontevredenheid met zich zelf, zijn’ litterairen arbeid en zijne overige werkzaamheden. Die ontevredenheid werd nog aangewakkerd door eene voortdurende zelfontleding, die steeds zijne schoonste illusies verwoestte, en niet voortsproot uit een ziekelijk verdriet zonder reden, maar waaraan diepe, reëele oorzaken ten grondslag lagen. Ondanks Tolstoi’s groote gaven en bijzonder ontwikkelden geest gelukte het hem niet een vasten grondslag, eene synthese, te vinden voor al de ideeën, die hem bestormden. Dikwijls kwam hij de oplossing van de groote vraag zeer nabij, zonder haar echter te kunnen grijpen, hetgeen hem dan telkens ontzettend deed lijden.Die twijfel, dat vruchteloos zoeken naar eene (zooals de mathematikus zegt) absoluut afdoende oplossing, geeft ons de verklaring van alle tegenstrijdigheden in zijn oordeel en zijne zelfbeoordeeling.In het volgende deel hopen wij eene beschrijving te geven van de gebeurtenissen, die hem naar dat tijdperk van zijn leven voerden, waarin de dorst naar waarheid en de wanhoop haar niet te kunnen vinden het toppunt hadden bereikt; gebeurtenissen, die hem onvermijdelijk moesten brengen tot de eenig-mogelijke oplossing, tot het eenige richtsnoer in ’t leven en bij zijn’ arbeid, tot:de religie.

In deze vluchtige beschrijving is het halve leven van Leo Tolstoi aan uw oog voorbijgetrokken.

Opdat eene onbekwame hand de origineele gedachten en getuigenissen niet zou verminken, hebben wij getracht, overal waar het slechts mogelijk was, het woord te geven aan Tolstoi, aan zijne bloedverwanten, vrienden en bekenden, terwijl wij ons bepaald hebben tot de taak die interessante beelden aan te wijzen.

Ondanks het onafgewerkte materiaal gelooven wij toch dat de lezer zich een duidelijk beeld kan vormen van Leo Tolstoi’s karakter gedurende deze helft van zijn leven. Ten slotte wenschen wij nog de aandacht te vestigen op eenige van zijne in het oog loopende karaktertrekken, die, naar onze meening, de aanleiding waren voor zijne verdere ontwikkeling.

Wij noemen in de eerste plaats de ongewone hartstochtelijkheid, waarmee Tolstoi zich wijdde aan iedere zaak die zijne opmerkzaamheid trok. Wat het ook was, jacht, kaartspel, muziek, lektuur, paedagogie of landhuishoudkunde, hij drong geheel door in het wezen der dingen, en de indrukken die zij in zijne kunstenaarsziel achterlieten verwerkte hij en legde hij neer in zijne boeiende geschriften, die als ’t ware gedrenkt zijn met moreele en philosophische gedachten.

Met denzelfden hartstocht wijdde hij zich aan het zoeken naar waarheid, het doel van ’t menschelijk leven, en met dezelfde kracht van zijn genie verwerkte hij ook die denkbeeldenen schonk daarna der wereld het verkregen resultaat, gegoten in een schoonen vorm.

Een bijzondere trek van zijn karakter is de liefde tot oprechtheid, die hem vaak in moeielijkheden heeft gebracht, maar die hem ten slotte leidde tot dien God van waarheid, Dien hij steeds diende, hoewel hij soms, onbewust voor zich zelf, Zijn beeld verduisterde onder den invloed van zijne wisselende gemoedsstemmingen en levensomstandigheden.

En dan treft ons nog een andere kenmerkende karaktertrek: de liefde voor het goede, de voortdurende drang tot volmaking, met het doel het goede te verbreiden, zijn ijver om ook anderen het goede te leeren en hun de schoonheid ervan aan te toonen.

Die drie karaktertrekken, gevoegd bij zijne aangeboren talenten, geven ons eene afdoende verklaring voor den door Tolstoi verkregen wereldinvloed.

Wanneer wij een’ blik slaan op de eerste helft van Tolstoi’s leven, dan bemerken wij nóg eene sterk sprekende eigenschap, n.l. de voortdurende ontevredenheid met zich zelf, zijn’ litterairen arbeid en zijne overige werkzaamheden. Die ontevredenheid werd nog aangewakkerd door eene voortdurende zelfontleding, die steeds zijne schoonste illusies verwoestte, en niet voortsproot uit een ziekelijk verdriet zonder reden, maar waaraan diepe, reëele oorzaken ten grondslag lagen. Ondanks Tolstoi’s groote gaven en bijzonder ontwikkelden geest gelukte het hem niet een vasten grondslag, eene synthese, te vinden voor al de ideeën, die hem bestormden. Dikwijls kwam hij de oplossing van de groote vraag zeer nabij, zonder haar echter te kunnen grijpen, hetgeen hem dan telkens ontzettend deed lijden.

Die twijfel, dat vruchteloos zoeken naar eene (zooals de mathematikus zegt) absoluut afdoende oplossing, geeft ons de verklaring van alle tegenstrijdigheden in zijn oordeel en zijne zelfbeoordeeling.

In het volgende deel hopen wij eene beschrijving te geven van de gebeurtenissen, die hem naar dat tijdperk van zijn leven voerden, waarin de dorst naar waarheid en de wanhoop haar niet te kunnen vinden het toppunt hadden bereikt; gebeurtenissen, die hem onvermijdelijk moesten brengen tot de eenig-mogelijke oplossing, tot het eenige richtsnoer in ’t leven en bij zijn’ arbeid, tot:de religie.


Back to IndexNext