Boek XVI.

Boek XVI.Bevattende den tijd van vijf dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Over voorredenen.Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.[169]Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen[170]aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.[Inhoud]Hoofdstuk II.Een dwaas avontuur van den landjonker,—en de treurige toestand der arme Sophia.Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western, in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij vond, betrok.Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het[171]huis van Lady Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde, en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde, binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven, volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis geboekt te worden.Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer, dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd zelf aanwezig was.Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne opwachting bij hem wenschte te maken.[172]„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn? Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is. Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben moet.”De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens, ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen spreken, aldus begon:„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem voorgevallen is.”„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet gehoord.”„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want, daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert, zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt,[173]mijnheer,” hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter, vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar, met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens afgewezen zou worden.”„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil er niets van weten.”„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in huis, en ga niet uit om wien ook.”„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben; maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult zijn, hem aangedaan te hebben.”„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen! Ik heb hem niets aangedaan!”Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon zeer vlug door de kamer[174]te springen, te gelijk zoo hard hij kon brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen om getuigen te wezen van zijne vlugheid.De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver uit de buurt, en verscheenonmiddellijkop het geschreeuw van den landjonker, terwijl hij riep:„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik hem eenige aanleiding daartoe gaf!”„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen had?”„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar sta ik je voor in!”De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil gemaakt heb!”Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te verlangend scheen om daarin te slagen.Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker[175]eene rist van vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet, en vertraagde in geen geval zijn vertrek.De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf, hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende, vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat is er? Wat is u overkomen?”„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij, als ik hem niet in regten vervolg!”„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u beleedigd?”„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den twist?”[176]„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging. Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken; ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan zijne kleine Sophia!”Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een vloed van tranen stortte, antwoordde:„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot te onderwerpen,[177]alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen doen.”Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te hooren en hervatte toen in de volgende woorden:„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt om mij diep ongelukkig te maken?”„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou willen doen om u gelukkig te maken!”„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam hij.„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen, zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen, en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat[178]me op die wijze niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit, van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe. Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt had, in zwijm zou zijn gevallen.Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij, de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie, hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.” Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader, wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na[179]eene zeer gemeene uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.[Inhoud]Hoofdstuk III.Hetgeen Sophia beleefde in hare gevangenschap.De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld om haar het een of ander genot te verschaffen.Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George[180]een kip naar boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen beschouwd kunnen worden.Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat het hoen gevuld was.Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de deur verscheen.George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets gebruikt.Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen daartegen zeggen.Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip[181]te snijden, die ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik? Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd, en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die een brief had in zijn krop.Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alleAcadémies des sciencesin Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde, rukte hem open en las als volgt:„Mejufvrouw,Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt.[182]Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wenschisnog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,Mejufvrouw,in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,uw getrouweThomas Jones.”[183]Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden. Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook, onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond, dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid onze opwachting maken bij hare tante.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Sophia wordt uit de gevangenschap verlost.De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden), rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd. Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden, om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een stoel en hield de volgende aanspraak:„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik[184]geloof dat de straatwegen sedert de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel! broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten hoe mij onder hen te bergen.”„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog niet gemaakt bij Lady Bellaston?”„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is boven op hare kamer.”„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens dat ik aangekomen ben?”„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten, dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de tweede maal een dergelijken stap te doen?”„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt voor al wat ik gedaan heb!”„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven om te gelooven dat ik u roemen zou,[185]omdat gij uwe dochter achter slot houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land, zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid gesteld worde!”Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel, en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan heb!”„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western; „maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in acht nemen.”„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij, door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en geeft u gezonden raad, en ik[186]geloof, dat de geheele wereld het met hem eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ikonmiddellijkantwoord verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochteronmiddellijktot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me u smeeken toe te geven!”„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden door u aangenomen en bekrachtigd worden.”„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik haar in al dien tijd te zien kreeg.”„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd van al wat nu voorgevallen is.”„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan mij!”„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu[187]van mij hebben? Ge zoudt den Satan zelven helsch maken!”„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo koppig—”„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken, mijnheer niet boos te maken—”„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij! Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand, na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende, en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben, zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen christenziel in dit huis ontvangen.”[188]„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld waart.”„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar, als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die beter bij zijn verstand was.”„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat uwe tante u beveelt.”„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen, welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen! Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid[189]leidt! Gij hebt er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin Jones een brief ontvangt van Sophia en met jufvrouw Miller en Partridge naar de komedie gaat.De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten, welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare bevrijding schreef.„Mijnheer,Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap[190]met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,„Mijnheer,uwe verpligte en dienstvaardigeSophia Western.”[191]„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.”1Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd, en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig licht beschouwt.Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond, bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden. Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden; want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke volstrekt niets vleeschelijks[192]heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is, blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een voorbeeld van te hebben gezien.Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit bezocht had.Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen. En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme familie een geheel jaar te voorzien.”Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon,[193]was Partridge geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel eens op eene schilderij gezien heb?”„Dat is de geest,” hernam Jones.Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor den dag!”Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar sloegen.Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op het tooneel?„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor was, zou ik niet de eenige zijn!”„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij zijt?”„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid! Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou zijn om het heele koningrijk te krijgen!”Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch, mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?”[194]En zoolang de geest sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren, wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk achtte.”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar zelf zoo verschrikt zag.”„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang was?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe, toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat helpt een degen tegen de magt van den Satan?”Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een gezigt vergissen? Ja!Nulla fides fronti!dat is zeker een waar woord! Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij een moordenaar is?”Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan „dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”[195]Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is, en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf, al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar! Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin, begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een onschuldig gezigt!”Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die veel verbazing toonde over het groote[196]aantal schedels, welke op het tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest beroemde begraafplaatsen in de stad was.”„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij meer houdt van zingen dan van werken!”Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest verscheen.—Nu:nemo omnibus horis sapit!”Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best bevallen was?”Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor het publiek optrad.”„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had, zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien spelen,—en de Koning is mijn man![197]Hij spreekt alle woorden duidelijk uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dathijeen tooneelspeler is!”Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar, zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op het bepaalde uur bij haar te komen.Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons genadig! Daar is hij!”1Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling.Noot van den Schr.↑

Boek XVI.Bevattende den tijd van vijf dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Over voorredenen.Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.[169]Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen[170]aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.[Inhoud]Hoofdstuk II.Een dwaas avontuur van den landjonker,—en de treurige toestand der arme Sophia.Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western, in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij vond, betrok.Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het[171]huis van Lady Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde, en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde, binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven, volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis geboekt te worden.Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer, dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd zelf aanwezig was.Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne opwachting bij hem wenschte te maken.[172]„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn? Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is. Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben moet.”De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens, ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen spreken, aldus begon:„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem voorgevallen is.”„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet gehoord.”„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want, daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert, zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt,[173]mijnheer,” hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter, vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar, met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens afgewezen zou worden.”„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil er niets van weten.”„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in huis, en ga niet uit om wien ook.”„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben; maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult zijn, hem aangedaan te hebben.”„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen! Ik heb hem niets aangedaan!”Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon zeer vlug door de kamer[174]te springen, te gelijk zoo hard hij kon brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen om getuigen te wezen van zijne vlugheid.De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver uit de buurt, en verscheenonmiddellijkop het geschreeuw van den landjonker, terwijl hij riep:„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik hem eenige aanleiding daartoe gaf!”„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen had?”„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar sta ik je voor in!”De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil gemaakt heb!”Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te verlangend scheen om daarin te slagen.Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker[175]eene rist van vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet, en vertraagde in geen geval zijn vertrek.De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf, hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende, vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat is er? Wat is u overkomen?”„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij, als ik hem niet in regten vervolg!”„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u beleedigd?”„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den twist?”[176]„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging. Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken; ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan zijne kleine Sophia!”Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een vloed van tranen stortte, antwoordde:„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot te onderwerpen,[177]alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen doen.”Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te hooren en hervatte toen in de volgende woorden:„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt om mij diep ongelukkig te maken?”„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou willen doen om u gelukkig te maken!”„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam hij.„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen, zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen, en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat[178]me op die wijze niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit, van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe. Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt had, in zwijm zou zijn gevallen.Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij, de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie, hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.” Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader, wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na[179]eene zeer gemeene uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.[Inhoud]Hoofdstuk III.Hetgeen Sophia beleefde in hare gevangenschap.De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld om haar het een of ander genot te verschaffen.Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George[180]een kip naar boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen beschouwd kunnen worden.Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat het hoen gevuld was.Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de deur verscheen.George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets gebruikt.Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen daartegen zeggen.Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip[181]te snijden, die ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik? Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd, en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die een brief had in zijn krop.Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alleAcadémies des sciencesin Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde, rukte hem open en las als volgt:„Mejufvrouw,Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt.[182]Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wenschisnog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,Mejufvrouw,in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,uw getrouweThomas Jones.”[183]Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden. Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook, onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond, dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid onze opwachting maken bij hare tante.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Sophia wordt uit de gevangenschap verlost.De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden), rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd. Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden, om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een stoel en hield de volgende aanspraak:„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik[184]geloof dat de straatwegen sedert de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel! broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten hoe mij onder hen te bergen.”„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog niet gemaakt bij Lady Bellaston?”„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is boven op hare kamer.”„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens dat ik aangekomen ben?”„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten, dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de tweede maal een dergelijken stap te doen?”„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt voor al wat ik gedaan heb!”„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven om te gelooven dat ik u roemen zou,[185]omdat gij uwe dochter achter slot houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land, zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid gesteld worde!”Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel, en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan heb!”„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western; „maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in acht nemen.”„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij, door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en geeft u gezonden raad, en ik[186]geloof, dat de geheele wereld het met hem eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ikonmiddellijkantwoord verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochteronmiddellijktot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me u smeeken toe te geven!”„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden door u aangenomen en bekrachtigd worden.”„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik haar in al dien tijd te zien kreeg.”„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd van al wat nu voorgevallen is.”„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan mij!”„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu[187]van mij hebben? Ge zoudt den Satan zelven helsch maken!”„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo koppig—”„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken, mijnheer niet boos te maken—”„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij! Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand, na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende, en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben, zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen christenziel in dit huis ontvangen.”[188]„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld waart.”„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar, als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die beter bij zijn verstand was.”„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat uwe tante u beveelt.”„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen, welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen! Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid[189]leidt! Gij hebt er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin Jones een brief ontvangt van Sophia en met jufvrouw Miller en Partridge naar de komedie gaat.De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten, welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare bevrijding schreef.„Mijnheer,Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap[190]met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,„Mijnheer,uwe verpligte en dienstvaardigeSophia Western.”[191]„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.”1Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd, en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig licht beschouwt.Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond, bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden. Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden; want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke volstrekt niets vleeschelijks[192]heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is, blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een voorbeeld van te hebben gezien.Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit bezocht had.Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen. En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme familie een geheel jaar te voorzien.”Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon,[193]was Partridge geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel eens op eene schilderij gezien heb?”„Dat is de geest,” hernam Jones.Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor den dag!”Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar sloegen.Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op het tooneel?„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor was, zou ik niet de eenige zijn!”„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij zijt?”„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid! Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou zijn om het heele koningrijk te krijgen!”Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch, mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?”[194]En zoolang de geest sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren, wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk achtte.”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar zelf zoo verschrikt zag.”„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang was?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe, toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat helpt een degen tegen de magt van den Satan?”Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een gezigt vergissen? Ja!Nulla fides fronti!dat is zeker een waar woord! Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij een moordenaar is?”Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan „dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”[195]Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is, en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf, al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar! Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin, begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een onschuldig gezigt!”Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die veel verbazing toonde over het groote[196]aantal schedels, welke op het tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest beroemde begraafplaatsen in de stad was.”„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij meer houdt van zingen dan van werken!”Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest verscheen.—Nu:nemo omnibus horis sapit!”Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best bevallen was?”Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor het publiek optrad.”„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had, zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien spelen,—en de Koning is mijn man![197]Hij spreekt alle woorden duidelijk uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dathijeen tooneelspeler is!”Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar, zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op het bepaalde uur bij haar te komen.Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons genadig! Daar is hij!”1Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling.Noot van den Schr.↑

Boek XVI.Bevattende den tijd van vijf dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Over voorredenen.Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.[169]Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen[170]aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.[Inhoud]Hoofdstuk II.Een dwaas avontuur van den landjonker,—en de treurige toestand der arme Sophia.Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western, in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij vond, betrok.Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het[171]huis van Lady Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde, en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde, binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven, volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis geboekt te worden.Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer, dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd zelf aanwezig was.Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne opwachting bij hem wenschte te maken.[172]„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn? Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is. Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben moet.”De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens, ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen spreken, aldus begon:„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem voorgevallen is.”„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet gehoord.”„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want, daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert, zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt,[173]mijnheer,” hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter, vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar, met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens afgewezen zou worden.”„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil er niets van weten.”„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in huis, en ga niet uit om wien ook.”„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben; maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult zijn, hem aangedaan te hebben.”„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen! Ik heb hem niets aangedaan!”Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon zeer vlug door de kamer[174]te springen, te gelijk zoo hard hij kon brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen om getuigen te wezen van zijne vlugheid.De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver uit de buurt, en verscheenonmiddellijkop het geschreeuw van den landjonker, terwijl hij riep:„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik hem eenige aanleiding daartoe gaf!”„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen had?”„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar sta ik je voor in!”De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil gemaakt heb!”Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te verlangend scheen om daarin te slagen.Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker[175]eene rist van vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet, en vertraagde in geen geval zijn vertrek.De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf, hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende, vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat is er? Wat is u overkomen?”„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij, als ik hem niet in regten vervolg!”„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u beleedigd?”„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den twist?”[176]„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging. Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken; ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan zijne kleine Sophia!”Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een vloed van tranen stortte, antwoordde:„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot te onderwerpen,[177]alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen doen.”Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te hooren en hervatte toen in de volgende woorden:„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt om mij diep ongelukkig te maken?”„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou willen doen om u gelukkig te maken!”„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam hij.„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen, zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen, en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat[178]me op die wijze niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit, van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe. Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt had, in zwijm zou zijn gevallen.Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij, de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie, hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.” Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader, wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na[179]eene zeer gemeene uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.[Inhoud]Hoofdstuk III.Hetgeen Sophia beleefde in hare gevangenschap.De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld om haar het een of ander genot te verschaffen.Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George[180]een kip naar boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen beschouwd kunnen worden.Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat het hoen gevuld was.Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de deur verscheen.George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets gebruikt.Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen daartegen zeggen.Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip[181]te snijden, die ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik? Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd, en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die een brief had in zijn krop.Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alleAcadémies des sciencesin Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde, rukte hem open en las als volgt:„Mejufvrouw,Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt.[182]Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wenschisnog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,Mejufvrouw,in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,uw getrouweThomas Jones.”[183]Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden. Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook, onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond, dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid onze opwachting maken bij hare tante.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Sophia wordt uit de gevangenschap verlost.De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden), rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd. Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden, om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een stoel en hield de volgende aanspraak:„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik[184]geloof dat de straatwegen sedert de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel! broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten hoe mij onder hen te bergen.”„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog niet gemaakt bij Lady Bellaston?”„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is boven op hare kamer.”„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens dat ik aangekomen ben?”„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten, dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de tweede maal een dergelijken stap te doen?”„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt voor al wat ik gedaan heb!”„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven om te gelooven dat ik u roemen zou,[185]omdat gij uwe dochter achter slot houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land, zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid gesteld worde!”Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel, en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan heb!”„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western; „maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in acht nemen.”„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij, door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en geeft u gezonden raad, en ik[186]geloof, dat de geheele wereld het met hem eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ikonmiddellijkantwoord verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochteronmiddellijktot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me u smeeken toe te geven!”„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden door u aangenomen en bekrachtigd worden.”„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik haar in al dien tijd te zien kreeg.”„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd van al wat nu voorgevallen is.”„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan mij!”„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu[187]van mij hebben? Ge zoudt den Satan zelven helsch maken!”„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo koppig—”„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken, mijnheer niet boos te maken—”„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij! Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand, na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende, en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben, zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen christenziel in dit huis ontvangen.”[188]„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld waart.”„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar, als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die beter bij zijn verstand was.”„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat uwe tante u beveelt.”„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen, welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen! Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid[189]leidt! Gij hebt er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin Jones een brief ontvangt van Sophia en met jufvrouw Miller en Partridge naar de komedie gaat.De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten, welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare bevrijding schreef.„Mijnheer,Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap[190]met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,„Mijnheer,uwe verpligte en dienstvaardigeSophia Western.”[191]„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.”1Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd, en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig licht beschouwt.Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond, bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden. Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden; want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke volstrekt niets vleeschelijks[192]heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is, blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een voorbeeld van te hebben gezien.Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit bezocht had.Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen. En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme familie een geheel jaar te voorzien.”Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon,[193]was Partridge geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel eens op eene schilderij gezien heb?”„Dat is de geest,” hernam Jones.Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor den dag!”Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar sloegen.Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op het tooneel?„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor was, zou ik niet de eenige zijn!”„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij zijt?”„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid! Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou zijn om het heele koningrijk te krijgen!”Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch, mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?”[194]En zoolang de geest sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren, wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk achtte.”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar zelf zoo verschrikt zag.”„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang was?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe, toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat helpt een degen tegen de magt van den Satan?”Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een gezigt vergissen? Ja!Nulla fides fronti!dat is zeker een waar woord! Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij een moordenaar is?”Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan „dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”[195]Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is, en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf, al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar! Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin, begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een onschuldig gezigt!”Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die veel verbazing toonde over het groote[196]aantal schedels, welke op het tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest beroemde begraafplaatsen in de stad was.”„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij meer houdt van zingen dan van werken!”Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest verscheen.—Nu:nemo omnibus horis sapit!”Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best bevallen was?”Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor het publiek optrad.”„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had, zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien spelen,—en de Koning is mijn man![197]Hij spreekt alle woorden duidelijk uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dathijeen tooneelspeler is!”Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar, zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op het bepaalde uur bij haar te komen.Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons genadig! Daar is hij!”1Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling.Noot van den Schr.↑

Boek XVI.Bevattende den tijd van vijf dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Over voorredenen.Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.[169]Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen[170]aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.[Inhoud]Hoofdstuk II.Een dwaas avontuur van den landjonker,—en de treurige toestand der arme Sophia.Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western, in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij vond, betrok.Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het[171]huis van Lady Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde, en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde, binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven, volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis geboekt te worden.Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer, dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd zelf aanwezig was.Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne opwachting bij hem wenschte te maken.[172]„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn? Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is. Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben moet.”De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens, ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen spreken, aldus begon:„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem voorgevallen is.”„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet gehoord.”„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want, daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert, zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt,[173]mijnheer,” hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter, vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar, met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens afgewezen zou worden.”„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil er niets van weten.”„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in huis, en ga niet uit om wien ook.”„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben; maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult zijn, hem aangedaan te hebben.”„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen! Ik heb hem niets aangedaan!”Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon zeer vlug door de kamer[174]te springen, te gelijk zoo hard hij kon brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen om getuigen te wezen van zijne vlugheid.De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver uit de buurt, en verscheenonmiddellijkop het geschreeuw van den landjonker, terwijl hij riep:„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik hem eenige aanleiding daartoe gaf!”„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen had?”„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar sta ik je voor in!”De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil gemaakt heb!”Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te verlangend scheen om daarin te slagen.Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker[175]eene rist van vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet, en vertraagde in geen geval zijn vertrek.De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf, hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende, vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat is er? Wat is u overkomen?”„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij, als ik hem niet in regten vervolg!”„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u beleedigd?”„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den twist?”[176]„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging. Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken; ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan zijne kleine Sophia!”Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een vloed van tranen stortte, antwoordde:„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot te onderwerpen,[177]alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen doen.”Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te hooren en hervatte toen in de volgende woorden:„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt om mij diep ongelukkig te maken?”„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou willen doen om u gelukkig te maken!”„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam hij.„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen, zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen, en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat[178]me op die wijze niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit, van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe. Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt had, in zwijm zou zijn gevallen.Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij, de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie, hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.” Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader, wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na[179]eene zeer gemeene uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.[Inhoud]Hoofdstuk III.Hetgeen Sophia beleefde in hare gevangenschap.De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld om haar het een of ander genot te verschaffen.Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George[180]een kip naar boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen beschouwd kunnen worden.Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat het hoen gevuld was.Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de deur verscheen.George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets gebruikt.Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen daartegen zeggen.Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip[181]te snijden, die ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik? Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd, en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die een brief had in zijn krop.Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alleAcadémies des sciencesin Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde, rukte hem open en las als volgt:„Mejufvrouw,Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt.[182]Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wenschisnog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,Mejufvrouw,in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,uw getrouweThomas Jones.”[183]Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden. Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook, onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond, dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid onze opwachting maken bij hare tante.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Sophia wordt uit de gevangenschap verlost.De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden), rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd. Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden, om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een stoel en hield de volgende aanspraak:„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik[184]geloof dat de straatwegen sedert de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel! broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten hoe mij onder hen te bergen.”„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog niet gemaakt bij Lady Bellaston?”„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is boven op hare kamer.”„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens dat ik aangekomen ben?”„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten, dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de tweede maal een dergelijken stap te doen?”„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt voor al wat ik gedaan heb!”„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven om te gelooven dat ik u roemen zou,[185]omdat gij uwe dochter achter slot houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land, zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid gesteld worde!”Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel, en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan heb!”„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western; „maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in acht nemen.”„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij, door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en geeft u gezonden raad, en ik[186]geloof, dat de geheele wereld het met hem eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ikonmiddellijkantwoord verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochteronmiddellijktot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me u smeeken toe te geven!”„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden door u aangenomen en bekrachtigd worden.”„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik haar in al dien tijd te zien kreeg.”„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd van al wat nu voorgevallen is.”„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan mij!”„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu[187]van mij hebben? Ge zoudt den Satan zelven helsch maken!”„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo koppig—”„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken, mijnheer niet boos te maken—”„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij! Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand, na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende, en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben, zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen christenziel in dit huis ontvangen.”[188]„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld waart.”„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar, als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die beter bij zijn verstand was.”„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat uwe tante u beveelt.”„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen, welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen! Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid[189]leidt! Gij hebt er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin Jones een brief ontvangt van Sophia en met jufvrouw Miller en Partridge naar de komedie gaat.De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten, welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare bevrijding schreef.„Mijnheer,Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap[190]met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,„Mijnheer,uwe verpligte en dienstvaardigeSophia Western.”[191]„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.”1Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd, en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig licht beschouwt.Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond, bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden. Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden; want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke volstrekt niets vleeschelijks[192]heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is, blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een voorbeeld van te hebben gezien.Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit bezocht had.Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen. En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme familie een geheel jaar te voorzien.”Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon,[193]was Partridge geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel eens op eene schilderij gezien heb?”„Dat is de geest,” hernam Jones.Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor den dag!”Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar sloegen.Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op het tooneel?„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor was, zou ik niet de eenige zijn!”„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij zijt?”„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid! Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou zijn om het heele koningrijk te krijgen!”Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch, mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?”[194]En zoolang de geest sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren, wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk achtte.”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar zelf zoo verschrikt zag.”„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang was?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe, toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat helpt een degen tegen de magt van den Satan?”Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een gezigt vergissen? Ja!Nulla fides fronti!dat is zeker een waar woord! Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij een moordenaar is?”Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan „dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”[195]Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is, en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf, al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar! Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin, begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een onschuldig gezigt!”Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die veel verbazing toonde over het groote[196]aantal schedels, welke op het tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest beroemde begraafplaatsen in de stad was.”„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij meer houdt van zingen dan van werken!”Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest verscheen.—Nu:nemo omnibus horis sapit!”Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best bevallen was?”Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor het publiek optrad.”„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had, zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien spelen,—en de Koning is mijn man![197]Hij spreekt alle woorden duidelijk uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dathijeen tooneelspeler is!”Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar, zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op het bepaalde uur bij haar te komen.Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons genadig! Daar is hij!”1Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling.Noot van den Schr.↑

Bevattende den tijd van vijf dagen.

[Inhoud]Hoofdstuk I.Over voorredenen.Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.[169]Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen[170]aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.

Hoofdstuk I.Over voorredenen.

Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.[169]Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen[170]aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.

Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.[169]

Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.

Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.

Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.

Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.

Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen[170]aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.

Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.

Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.

[Inhoud]Hoofdstuk II.Een dwaas avontuur van den landjonker,—en de treurige toestand der arme Sophia.Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western, in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij vond, betrok.Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het[171]huis van Lady Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde, en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde, binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven, volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis geboekt te worden.Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer, dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd zelf aanwezig was.Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne opwachting bij hem wenschte te maken.[172]„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn? Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is. Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben moet.”De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens, ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen spreken, aldus begon:„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem voorgevallen is.”„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet gehoord.”„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want, daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert, zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt,[173]mijnheer,” hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter, vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar, met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens afgewezen zou worden.”„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil er niets van weten.”„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in huis, en ga niet uit om wien ook.”„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben; maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult zijn, hem aangedaan te hebben.”„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen! Ik heb hem niets aangedaan!”Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon zeer vlug door de kamer[174]te springen, te gelijk zoo hard hij kon brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen om getuigen te wezen van zijne vlugheid.De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver uit de buurt, en verscheenonmiddellijkop het geschreeuw van den landjonker, terwijl hij riep:„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik hem eenige aanleiding daartoe gaf!”„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen had?”„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar sta ik je voor in!”De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil gemaakt heb!”Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te verlangend scheen om daarin te slagen.Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker[175]eene rist van vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet, en vertraagde in geen geval zijn vertrek.De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf, hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende, vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat is er? Wat is u overkomen?”„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij, als ik hem niet in regten vervolg!”„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u beleedigd?”„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den twist?”[176]„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging. Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken; ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan zijne kleine Sophia!”Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een vloed van tranen stortte, antwoordde:„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot te onderwerpen,[177]alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen doen.”Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te hooren en hervatte toen in de volgende woorden:„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt om mij diep ongelukkig te maken?”„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou willen doen om u gelukkig te maken!”„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam hij.„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen, zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen, en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat[178]me op die wijze niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit, van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe. Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt had, in zwijm zou zijn gevallen.Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij, de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie, hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.” Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader, wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na[179]eene zeer gemeene uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.

Hoofdstuk II.Een dwaas avontuur van den landjonker,—en de treurige toestand der arme Sophia.

Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western, in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij vond, betrok.Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het[171]huis van Lady Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde, en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde, binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven, volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis geboekt te worden.Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer, dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd zelf aanwezig was.Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne opwachting bij hem wenschte te maken.[172]„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn? Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is. Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben moet.”De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens, ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen spreken, aldus begon:„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem voorgevallen is.”„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet gehoord.”„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want, daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert, zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt,[173]mijnheer,” hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter, vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar, met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens afgewezen zou worden.”„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil er niets van weten.”„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in huis, en ga niet uit om wien ook.”„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben; maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult zijn, hem aangedaan te hebben.”„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen! Ik heb hem niets aangedaan!”Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon zeer vlug door de kamer[174]te springen, te gelijk zoo hard hij kon brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen om getuigen te wezen van zijne vlugheid.De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver uit de buurt, en verscheenonmiddellijkop het geschreeuw van den landjonker, terwijl hij riep:„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik hem eenige aanleiding daartoe gaf!”„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen had?”„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar sta ik je voor in!”De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil gemaakt heb!”Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te verlangend scheen om daarin te slagen.Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker[175]eene rist van vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet, en vertraagde in geen geval zijn vertrek.De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf, hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende, vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat is er? Wat is u overkomen?”„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij, als ik hem niet in regten vervolg!”„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u beleedigd?”„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den twist?”[176]„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging. Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken; ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan zijne kleine Sophia!”Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een vloed van tranen stortte, antwoordde:„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot te onderwerpen,[177]alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen doen.”Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te hooren en hervatte toen in de volgende woorden:„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt om mij diep ongelukkig te maken?”„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou willen doen om u gelukkig te maken!”„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam hij.„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen, zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen, en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat[178]me op die wijze niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit, van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe. Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt had, in zwijm zou zijn gevallen.Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij, de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie, hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.” Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader, wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na[179]eene zeer gemeene uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.

Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western, in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij vond, betrok.

Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het[171]huis van Lady Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde, en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.

Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde, binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven, volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.

Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”

In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis geboekt te worden.

Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer, dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd zelf aanwezig was.

Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne opwachting bij hem wenschte te maken.[172]

„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn? Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is. Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben moet.”

De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.

„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens, ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”

Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen spreken, aldus begon:

„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem voorgevallen is.”

„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet gehoord.”

„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want, daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert, zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”

„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt,[173]mijnheer,” hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter, vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar, met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”

„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens afgewezen zou worden.”

„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil er niets van weten.”

„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”

„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in huis, en ga niet uit om wien ook.”

„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben; maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult zijn, hem aangedaan te hebben.”

„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen! Ik heb hem niets aangedaan!”

Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon zeer vlug door de kamer[174]te springen, te gelijk zoo hard hij kon brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen om getuigen te wezen van zijne vlugheid.

De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver uit de buurt, en verscheenonmiddellijkop het geschreeuw van den landjonker, terwijl hij riep:

„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”

„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik hem eenige aanleiding daartoe gaf!”

„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen had?”

„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar sta ik je voor in!”

De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:

„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil gemaakt heb!”

Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te verlangend scheen om daarin te slagen.

Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker[175]eene rist van vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet, en vertraagde in geen geval zijn vertrek.

De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf, hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.

Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende, vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:

„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat is er? Wat is u overkomen?”

„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij, als ik hem niet in regten vervolg!”

„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u beleedigd?”

„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”

„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den twist?”[176]

„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging. Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken; ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”

„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”

„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan zijne kleine Sophia!”

Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een vloed van tranen stortte, antwoordde:

„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot te onderwerpen,[177]alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen doen.”

Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te hooren en hervatte toen in de volgende woorden:

„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”

„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”

„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt om mij diep ongelukkig te maken?”

„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou willen doen om u gelukkig te maken!”

„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”

„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam hij.

„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen, zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen, en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”

„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat[178]me op die wijze niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”

„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit, van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”

„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe. Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”

Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt had, in zwijm zou zijn gevallen.

Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij, de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie, hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.” Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader, wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.

In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na[179]eene zeer gemeene uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.

[Inhoud]Hoofdstuk III.Hetgeen Sophia beleefde in hare gevangenschap.De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld om haar het een of ander genot te verschaffen.Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George[180]een kip naar boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen beschouwd kunnen worden.Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat het hoen gevuld was.Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de deur verscheen.George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets gebruikt.Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen daartegen zeggen.Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip[181]te snijden, die ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik? Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd, en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die een brief had in zijn krop.Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alleAcadémies des sciencesin Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde, rukte hem open en las als volgt:„Mejufvrouw,Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt.[182]Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wenschisnog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,Mejufvrouw,in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,uw getrouweThomas Jones.”[183]Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden. Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook, onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond, dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid onze opwachting maken bij hare tante.

Hoofdstuk III.Hetgeen Sophia beleefde in hare gevangenschap.

De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld om haar het een of ander genot te verschaffen.Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George[180]een kip naar boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen beschouwd kunnen worden.Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat het hoen gevuld was.Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de deur verscheen.George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets gebruikt.Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen daartegen zeggen.Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip[181]te snijden, die ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik? Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd, en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die een brief had in zijn krop.Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alleAcadémies des sciencesin Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde, rukte hem open en las als volgt:„Mejufvrouw,Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt.[182]Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wenschisnog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,Mejufvrouw,in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,uw getrouweThomas Jones.”[183]Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden. Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook, onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond, dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid onze opwachting maken bij hare tante.

De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.

Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld om haar het een of ander genot te verschaffen.

Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George[180]een kip naar boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen beschouwd kunnen worden.

Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat het hoen gevuld was.

Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de deur verscheen.

George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets gebruikt.

Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen daartegen zeggen.

Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip[181]te snijden, die ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.

Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik? Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd, en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die een brief had in zijn krop.

Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alleAcadémies des sciencesin Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.

Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde, rukte hem open en las als volgt:

„Mejufvrouw,Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt.[182]Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wenschisnog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,Mejufvrouw,in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,uw getrouweThomas Jones.”

„Mejufvrouw,

Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt.[182]Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.

„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.

„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wenschisnog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,

Mejufvrouw,

in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,

uw getrouwe

Thomas Jones.”

[183]

Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden. Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook, onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.

’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond, dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid onze opwachting maken bij hare tante.

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Sophia wordt uit de gevangenschap verlost.De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden), rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd. Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden, om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een stoel en hield de volgende aanspraak:„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik[184]geloof dat de straatwegen sedert de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel! broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten hoe mij onder hen te bergen.”„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog niet gemaakt bij Lady Bellaston?”„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is boven op hare kamer.”„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens dat ik aangekomen ben?”„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten, dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de tweede maal een dergelijken stap te doen?”„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt voor al wat ik gedaan heb!”„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven om te gelooven dat ik u roemen zou,[185]omdat gij uwe dochter achter slot houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land, zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid gesteld worde!”Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel, en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan heb!”„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western; „maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in acht nemen.”„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij, door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en geeft u gezonden raad, en ik[186]geloof, dat de geheele wereld het met hem eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ikonmiddellijkantwoord verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochteronmiddellijktot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me u smeeken toe te geven!”„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden door u aangenomen en bekrachtigd worden.”„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik haar in al dien tijd te zien kreeg.”„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd van al wat nu voorgevallen is.”„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan mij!”„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu[187]van mij hebben? Ge zoudt den Satan zelven helsch maken!”„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo koppig—”„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken, mijnheer niet boos te maken—”„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij! Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand, na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende, en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben, zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen christenziel in dit huis ontvangen.”[188]„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld waart.”„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar, als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die beter bij zijn verstand was.”„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat uwe tante u beveelt.”„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen, welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen! Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid[189]leidt! Gij hebt er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.

Hoofdstuk IV.Sophia wordt uit de gevangenschap verlost.

De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden), rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd. Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden, om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een stoel en hield de volgende aanspraak:„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik[184]geloof dat de straatwegen sedert de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel! broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten hoe mij onder hen te bergen.”„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog niet gemaakt bij Lady Bellaston?”„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is boven op hare kamer.”„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens dat ik aangekomen ben?”„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten, dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de tweede maal een dergelijken stap te doen?”„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt voor al wat ik gedaan heb!”„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven om te gelooven dat ik u roemen zou,[185]omdat gij uwe dochter achter slot houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land, zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid gesteld worde!”Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel, en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan heb!”„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western; „maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in acht nemen.”„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij, door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en geeft u gezonden raad, en ik[186]geloof, dat de geheele wereld het met hem eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ikonmiddellijkantwoord verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochteronmiddellijktot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me u smeeken toe te geven!”„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden door u aangenomen en bekrachtigd worden.”„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik haar in al dien tijd te zien kreeg.”„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd van al wat nu voorgevallen is.”„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan mij!”„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu[187]van mij hebben? Ge zoudt den Satan zelven helsch maken!”„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo koppig—”„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken, mijnheer niet boos te maken—”„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij! Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand, na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende, en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben, zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen christenziel in dit huis ontvangen.”[188]„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld waart.”„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar, als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die beter bij zijn verstand was.”„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat uwe tante u beveelt.”„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen, welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen! Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid[189]leidt! Gij hebt er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.

De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden), rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd. Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden, om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.

Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een stoel en hield de volgende aanspraak:

„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik[184]geloof dat de straatwegen sedert de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel! broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”

„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten hoe mij onder hen te bergen.”

„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog niet gemaakt bij Lady Bellaston?”

„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is boven op hare kamer.”

„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens dat ik aangekomen ben?”

„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”

„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten, dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de tweede maal een dergelijken stap te doen?”

„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt voor al wat ik gedaan heb!”

„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven om te gelooven dat ik u roemen zou,[185]omdat gij uwe dochter achter slot houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land, zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid gesteld worde!”

Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.

„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel, en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan heb!”

„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western; „maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in acht nemen.”

„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij, door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”

„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”

„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en geeft u gezonden raad, en ik[186]geloof, dat de geheele wereld het met hem eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ikonmiddellijkantwoord verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochteronmiddellijktot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”

„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me u smeeken toe te geven!”

„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”

„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden door u aangenomen en bekrachtigd worden.”

„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik haar in al dien tijd te zien kreeg.”

„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd van al wat nu voorgevallen is.”

„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan mij!”

„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”

„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu[187]van mij hebben? Ge zoudt den Satan zelven helsch maken!”

„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo koppig—”

„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken, mijnheer niet boos te maken—”

„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij! Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”

En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand, na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.

Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende, en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben, zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”

De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen christenziel in dit huis ontvangen.”[188]

„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld waart.”

„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”

„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar, als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die beter bij zijn verstand was.”

„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat uwe tante u beveelt.”

„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen, welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”

„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen! Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid[189]leidt! Gij hebt er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”

„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”

„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.

En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.

[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin Jones een brief ontvangt van Sophia en met jufvrouw Miller en Partridge naar de komedie gaat.De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten, welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare bevrijding schreef.„Mijnheer,Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap[190]met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,„Mijnheer,uwe verpligte en dienstvaardigeSophia Western.”[191]„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.”1Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd, en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig licht beschouwt.Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond, bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden. Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden; want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke volstrekt niets vleeschelijks[192]heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is, blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een voorbeeld van te hebben gezien.Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit bezocht had.Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen. En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme familie een geheel jaar te voorzien.”Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon,[193]was Partridge geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel eens op eene schilderij gezien heb?”„Dat is de geest,” hernam Jones.Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor den dag!”Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar sloegen.Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op het tooneel?„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor was, zou ik niet de eenige zijn!”„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij zijt?”„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid! Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou zijn om het heele koningrijk te krijgen!”Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch, mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?”[194]En zoolang de geest sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren, wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk achtte.”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar zelf zoo verschrikt zag.”„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang was?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe, toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat helpt een degen tegen de magt van den Satan?”Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een gezigt vergissen? Ja!Nulla fides fronti!dat is zeker een waar woord! Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij een moordenaar is?”Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan „dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”[195]Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is, en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf, al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar! Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin, begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een onschuldig gezigt!”Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die veel verbazing toonde over het groote[196]aantal schedels, welke op het tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest beroemde begraafplaatsen in de stad was.”„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij meer houdt van zingen dan van werken!”Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest verscheen.—Nu:nemo omnibus horis sapit!”Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best bevallen was?”Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor het publiek optrad.”„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had, zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien spelen,—en de Koning is mijn man![197]Hij spreekt alle woorden duidelijk uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dathijeen tooneelspeler is!”Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar, zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op het bepaalde uur bij haar te komen.Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons genadig! Daar is hij!”1Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling.Noot van den Schr.↑

Hoofdstuk V.Waarin Jones een brief ontvangt van Sophia en met jufvrouw Miller en Partridge naar de komedie gaat.

De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten, welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare bevrijding schreef.„Mijnheer,Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap[190]met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,„Mijnheer,uwe verpligte en dienstvaardigeSophia Western.”[191]„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.”1Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd, en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig licht beschouwt.Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond, bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden. Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden; want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke volstrekt niets vleeschelijks[192]heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is, blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een voorbeeld van te hebben gezien.Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit bezocht had.Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen. En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme familie een geheel jaar te voorzien.”Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon,[193]was Partridge geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel eens op eene schilderij gezien heb?”„Dat is de geest,” hernam Jones.Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor den dag!”Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar sloegen.Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op het tooneel?„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor was, zou ik niet de eenige zijn!”„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij zijt?”„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid! Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou zijn om het heele koningrijk te krijgen!”Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch, mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?”[194]En zoolang de geest sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren, wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk achtte.”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar zelf zoo verschrikt zag.”„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang was?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe, toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat helpt een degen tegen de magt van den Satan?”Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een gezigt vergissen? Ja!Nulla fides fronti!dat is zeker een waar woord! Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij een moordenaar is?”Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan „dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”[195]Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is, en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf, al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar! Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin, begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een onschuldig gezigt!”Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die veel verbazing toonde over het groote[196]aantal schedels, welke op het tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest beroemde begraafplaatsen in de stad was.”„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij meer houdt van zingen dan van werken!”Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest verscheen.—Nu:nemo omnibus horis sapit!”Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best bevallen was?”Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor het publiek optrad.”„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had, zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien spelen,—en de Koning is mijn man![197]Hij spreekt alle woorden duidelijk uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dathijeen tooneelspeler is!”Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar, zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op het bepaalde uur bij haar te komen.Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons genadig! Daar is hij!”

De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten, welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.

Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare bevrijding schreef.

„Mijnheer,Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap[190]met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,„Mijnheer,uwe verpligte en dienstvaardigeSophia Western.”[191]„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.”1

„Mijnheer,

Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.

„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap[190]met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.

„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.

„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.

„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,

„Mijnheer,

uwe verpligte en dienstvaardige

Sophia Western.”[191]

„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.”1

Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd, en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig licht beschouwt.

Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond, bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden. Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden; want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke volstrekt niets vleeschelijks[192]heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is, blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een voorbeeld van te hebben gezien.

Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.

De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit bezocht had.

Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen. En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme familie een geheel jaar te voorzien.”

Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon,[193]was Partridge geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel eens op eene schilderij gezien heb?”

„Dat is de geest,” hernam Jones.

Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor den dag!”

Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar sloegen.

Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op het tooneel?

„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor was, zou ik niet de eenige zijn!”

„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij zijt?”

„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid! Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou zijn om het heele koningrijk te krijgen!”

Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch, mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?”[194]En zoolang de geest sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren, wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.

Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk achtte.”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar zelf zoo verschrikt zag.”

„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang was?”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe, toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat helpt een degen tegen de magt van den Satan?”

Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een gezigt vergissen? Ja!Nulla fides fronti!dat is zeker een waar woord! Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij een moordenaar is?”

Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan „dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”[195]

Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”

„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.

„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is, en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf, al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar! Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”

Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin, begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een onschuldig gezigt!”

Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die veel verbazing toonde over het groote[196]aantal schedels, welke op het tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest beroemde begraafplaatsen in de stad was.”

„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij meer houdt van zingen dan van werken!”

Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:

„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest verscheen.—Nu:nemo omnibus horis sapit!”

Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best bevallen was?”

Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”

„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor het publiek optrad.”

„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had, zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien spelen,—en de Koning is mijn man![197]Hij spreekt alle woorden duidelijk uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dathijeen tooneelspeler is!”

Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.

Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar, zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op het bepaalde uur bij haar te komen.

Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.

Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons genadig! Daar is hij!”

1Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling.Noot van den Schr.↑

1Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling.Noot van den Schr.↑

1Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling.Noot van den Schr.↑

1Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling.Noot van den Schr.↑


Back to IndexNext