Boek XVII.

Boek XVII.Bevattende den tijd van drie dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende iets ter inleiding.Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden en eenige zedespreuken.Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van[220]vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder de galg te Tyburn.Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid opofferen, of het geloof van den lezer schokken.Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand, om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den ligtgeloovigen lezer.Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de gevangenis wil redden.De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is, dat mij in het oor fluistert, dat hij het[221]ergste wat hem wacht, nog niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek der toekomst.[Inhoud]Hoofdstuk II.Het edelmoedige en dankbare gedrag van jufvrouw Miller.De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde en zich bij hen voegde.Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is! Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden bewezen hebt!”„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven, dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter wereld te zijn.”„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had, zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil, zonder naar Allworthy te zien:„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter wereld niet willen beleedigen, mijnheer;[222]maar wezenlijk, ik kan het niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon, „dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende. O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden, die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij zulke vijanden heeft!”„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u bemint!”„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes, waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat zij niet de eenige van uwe[223]kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard heeft;—maar dat vergeef ik hem!”„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller. „Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen kunnen!”„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me, dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig, die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen ooit bezat!”„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan ik nu gedaan heb.”[224]„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen, groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst, jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen, zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder de heer Blifil:„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt, dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat heefthijnu bedreven?”„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen, en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en, om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en iedereen ook die den voet over den drempel zette.”[225]Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens uren lang zelf met haar speelde.Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen, voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit langdradig zijn.[Inhoud]Hoofdstuk III.Een bezoek van den heer Western,—met het een en ander over vaderlijk gezag.Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij „de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur, maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen,[226]dan me weder door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen jagtdag.”Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk weêr vuur op een ander onderwerp.„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen, en spreek wat duidelijker!”„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen. Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen verkoopen!”„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond, ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid, als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd! Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik! Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar van mijn leven nog niet gezien).[227]„Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk eene partij afslaat!””„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn? Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord, en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben, als ik het eens gegeven had!”„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om het te vervullen.”„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’ Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij leeft.”„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat doen!”„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke[228]omgang en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid, hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden, waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid, of wat men noemt de gave vanrepartie, zweemt.—Zij maakt geene aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid, welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen, waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch. Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied[229]getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk echt moet wezen.”Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja, verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,” herinnerde Allworthy.„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer zeggen.”„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig, om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij dezen last[230]eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame, ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen, ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad dankbaar daarvoor zal blijven.”„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken! Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaakgehoorzamen, welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—[231]en de andere helft bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand hadt!”Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou, al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste, meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit, in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk traden. Bovendien,[232]hoewel de overige dames der familie de aanspraken van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn leven—”„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!” En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen om uw geluk te verzekeren.”„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat ik zelf iets anders verlangen zou!”„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van dien aard, wil ik niets hooren!”„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld, met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en die ik om alles ter wereld[233]niet zou willen verliezen; want ik heb ze al meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke vent is, die u best bevallen zal!”De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van den armen Jones te beleven.Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon, en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het, niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen, wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek dus goed uw[234]hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg, slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt, dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Een merkwaardig tooneel tusschen Sophia en hare tante.De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde, veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op zijne eigene tafel te zien pronken.Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen sommigen bewaken, doen zij dat alleen om[235]haar aan iemand anders over te leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en ongedwongen overal in het rond dartelen.Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan vroeger haar vader, met zijne kwellingen.De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde, „dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had om hem met haar alleen te laten.”„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te laten.”„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd, juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk willen berokkenen, dat niet minder erg is?”„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de tante; „maar die bedenking zal mij niet[236]afschrikken. Ik handel uit meerverhevenegrondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel geven om een speldekussen boven het wapen.”„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante; „dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen! Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land, en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even zoo over dachten als ik.”„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt, dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik, met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”[237]Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt, tante;—ik ben het ongelukkigste,rampzaligstewezen ter wereld. En als mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij te beschermen?”„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert, omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden, dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd, zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk bezwaar bedenken tegen Milord?”„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar opgenoemd heb.”„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke behandeling?”„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de sporen van zien kunt.”„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid gedreven zou hebben!”„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld geweest, sedert ons geslacht bestaan[238]heeft. Ik zou iederen Lord de oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te wekken.”„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is alles volkomen waar!”„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien, bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman onder is geweest?”„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik door een edelman gevraagd.”„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal er een te weigeren?”„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil zeggen,—niet zoo heel, heel best!”„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek[239]gehad van heeren, die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen doen.”„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus zeker ook niet te wanhopen.”„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw Western.„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten. Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te doen in uw bijzijn.”„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet. Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten, zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook het geval met de menschelijke gestalte.”Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die, na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.[240]Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende verlieten.[Inhoud]Hoofdstuk V.Jufvrouw Miller en de heer Nightingale bezoeken den heer Jones in de gevangenis.Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten, liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als de heer Nightingale.De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer Nightingale vóór haar aangekomen was.De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken. De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb, inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de vriendschap ontdekt[241]heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden, bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing. Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben? Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te verdienen uwe plaats zou willen innemen.”„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij het steeds betreuren zou, als eene der[242]grootste rampen welke hem ooit overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller, ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed, zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de jonge dame te krijgen.”„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft. Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht mede te deelen.”„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten eeuwigen dage dankbaar blijven.”„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”[243]„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben. Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden. Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van den strijd waren geweest.Jufvrouw Miller begaf zich nuonmiddellijknaar Sophia, bij wie wij haar dadelijk zullen volgen.[244]

Boek XVII.Bevattende den tijd van drie dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende iets ter inleiding.Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden en eenige zedespreuken.Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van[220]vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder de galg te Tyburn.Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid opofferen, of het geloof van den lezer schokken.Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand, om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den ligtgeloovigen lezer.Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de gevangenis wil redden.De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is, dat mij in het oor fluistert, dat hij het[221]ergste wat hem wacht, nog niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek der toekomst.[Inhoud]Hoofdstuk II.Het edelmoedige en dankbare gedrag van jufvrouw Miller.De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde en zich bij hen voegde.Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is! Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden bewezen hebt!”„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven, dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter wereld te zijn.”„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had, zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil, zonder naar Allworthy te zien:„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter wereld niet willen beleedigen, mijnheer;[222]maar wezenlijk, ik kan het niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon, „dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende. O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden, die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij zulke vijanden heeft!”„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u bemint!”„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes, waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat zij niet de eenige van uwe[223]kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard heeft;—maar dat vergeef ik hem!”„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller. „Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen kunnen!”„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me, dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig, die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen ooit bezat!”„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan ik nu gedaan heb.”[224]„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen, groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst, jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen, zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder de heer Blifil:„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt, dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat heefthijnu bedreven?”„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen, en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en, om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en iedereen ook die den voet over den drempel zette.”[225]Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens uren lang zelf met haar speelde.Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen, voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit langdradig zijn.[Inhoud]Hoofdstuk III.Een bezoek van den heer Western,—met het een en ander over vaderlijk gezag.Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij „de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur, maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen,[226]dan me weder door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen jagtdag.”Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk weêr vuur op een ander onderwerp.„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen, en spreek wat duidelijker!”„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen. Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen verkoopen!”„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond, ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid, als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd! Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik! Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar van mijn leven nog niet gezien).[227]„Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk eene partij afslaat!””„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn? Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord, en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben, als ik het eens gegeven had!”„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om het te vervullen.”„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’ Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij leeft.”„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat doen!”„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke[228]omgang en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid, hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden, waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid, of wat men noemt de gave vanrepartie, zweemt.—Zij maakt geene aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid, welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen, waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch. Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied[229]getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk echt moet wezen.”Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja, verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,” herinnerde Allworthy.„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer zeggen.”„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig, om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij dezen last[230]eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame, ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen, ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad dankbaar daarvoor zal blijven.”„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken! Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaakgehoorzamen, welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—[231]en de andere helft bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand hadt!”Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou, al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste, meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit, in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk traden. Bovendien,[232]hoewel de overige dames der familie de aanspraken van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn leven—”„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!” En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen om uw geluk te verzekeren.”„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat ik zelf iets anders verlangen zou!”„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van dien aard, wil ik niets hooren!”„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld, met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en die ik om alles ter wereld[233]niet zou willen verliezen; want ik heb ze al meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke vent is, die u best bevallen zal!”De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van den armen Jones te beleven.Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon, en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het, niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen, wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek dus goed uw[234]hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg, slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt, dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Een merkwaardig tooneel tusschen Sophia en hare tante.De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde, veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op zijne eigene tafel te zien pronken.Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen sommigen bewaken, doen zij dat alleen om[235]haar aan iemand anders over te leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en ongedwongen overal in het rond dartelen.Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan vroeger haar vader, met zijne kwellingen.De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde, „dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had om hem met haar alleen te laten.”„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te laten.”„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd, juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk willen berokkenen, dat niet minder erg is?”„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de tante; „maar die bedenking zal mij niet[236]afschrikken. Ik handel uit meerverhevenegrondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel geven om een speldekussen boven het wapen.”„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante; „dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen! Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land, en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even zoo over dachten als ik.”„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt, dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik, met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”[237]Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt, tante;—ik ben het ongelukkigste,rampzaligstewezen ter wereld. En als mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij te beschermen?”„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert, omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden, dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd, zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk bezwaar bedenken tegen Milord?”„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar opgenoemd heb.”„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke behandeling?”„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de sporen van zien kunt.”„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid gedreven zou hebben!”„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld geweest, sedert ons geslacht bestaan[238]heeft. Ik zou iederen Lord de oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te wekken.”„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is alles volkomen waar!”„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien, bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman onder is geweest?”„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik door een edelman gevraagd.”„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal er een te weigeren?”„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil zeggen,—niet zoo heel, heel best!”„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek[239]gehad van heeren, die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen doen.”„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus zeker ook niet te wanhopen.”„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw Western.„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten. Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te doen in uw bijzijn.”„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet. Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten, zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook het geval met de menschelijke gestalte.”Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die, na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.[240]Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende verlieten.[Inhoud]Hoofdstuk V.Jufvrouw Miller en de heer Nightingale bezoeken den heer Jones in de gevangenis.Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten, liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als de heer Nightingale.De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer Nightingale vóór haar aangekomen was.De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken. De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb, inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de vriendschap ontdekt[241]heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden, bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing. Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben? Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te verdienen uwe plaats zou willen innemen.”„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij het steeds betreuren zou, als eene der[242]grootste rampen welke hem ooit overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller, ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed, zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de jonge dame te krijgen.”„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft. Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht mede te deelen.”„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten eeuwigen dage dankbaar blijven.”„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”[243]„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben. Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden. Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van den strijd waren geweest.Jufvrouw Miller begaf zich nuonmiddellijknaar Sophia, bij wie wij haar dadelijk zullen volgen.[244]

Boek XVII.Bevattende den tijd van drie dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende iets ter inleiding.Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden en eenige zedespreuken.Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van[220]vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder de galg te Tyburn.Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid opofferen, of het geloof van den lezer schokken.Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand, om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den ligtgeloovigen lezer.Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de gevangenis wil redden.De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is, dat mij in het oor fluistert, dat hij het[221]ergste wat hem wacht, nog niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek der toekomst.[Inhoud]Hoofdstuk II.Het edelmoedige en dankbare gedrag van jufvrouw Miller.De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde en zich bij hen voegde.Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is! Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden bewezen hebt!”„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven, dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter wereld te zijn.”„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had, zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil, zonder naar Allworthy te zien:„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter wereld niet willen beleedigen, mijnheer;[222]maar wezenlijk, ik kan het niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon, „dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende. O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden, die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij zulke vijanden heeft!”„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u bemint!”„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes, waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat zij niet de eenige van uwe[223]kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard heeft;—maar dat vergeef ik hem!”„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller. „Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen kunnen!”„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me, dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig, die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen ooit bezat!”„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan ik nu gedaan heb.”[224]„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen, groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst, jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen, zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder de heer Blifil:„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt, dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat heefthijnu bedreven?”„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen, en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en, om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en iedereen ook die den voet over den drempel zette.”[225]Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens uren lang zelf met haar speelde.Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen, voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit langdradig zijn.[Inhoud]Hoofdstuk III.Een bezoek van den heer Western,—met het een en ander over vaderlijk gezag.Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij „de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur, maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen,[226]dan me weder door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen jagtdag.”Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk weêr vuur op een ander onderwerp.„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen, en spreek wat duidelijker!”„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen. Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen verkoopen!”„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond, ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid, als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd! Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik! Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar van mijn leven nog niet gezien).[227]„Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk eene partij afslaat!””„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn? Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord, en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben, als ik het eens gegeven had!”„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om het te vervullen.”„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’ Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij leeft.”„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat doen!”„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke[228]omgang en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid, hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden, waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid, of wat men noemt de gave vanrepartie, zweemt.—Zij maakt geene aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid, welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen, waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch. Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied[229]getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk echt moet wezen.”Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja, verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,” herinnerde Allworthy.„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer zeggen.”„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig, om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij dezen last[230]eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame, ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen, ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad dankbaar daarvoor zal blijven.”„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken! Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaakgehoorzamen, welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—[231]en de andere helft bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand hadt!”Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou, al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste, meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit, in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk traden. Bovendien,[232]hoewel de overige dames der familie de aanspraken van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn leven—”„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!” En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen om uw geluk te verzekeren.”„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat ik zelf iets anders verlangen zou!”„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van dien aard, wil ik niets hooren!”„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld, met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en die ik om alles ter wereld[233]niet zou willen verliezen; want ik heb ze al meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke vent is, die u best bevallen zal!”De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van den armen Jones te beleven.Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon, en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het, niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen, wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek dus goed uw[234]hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg, slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt, dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Een merkwaardig tooneel tusschen Sophia en hare tante.De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde, veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op zijne eigene tafel te zien pronken.Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen sommigen bewaken, doen zij dat alleen om[235]haar aan iemand anders over te leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en ongedwongen overal in het rond dartelen.Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan vroeger haar vader, met zijne kwellingen.De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde, „dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had om hem met haar alleen te laten.”„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te laten.”„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd, juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk willen berokkenen, dat niet minder erg is?”„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de tante; „maar die bedenking zal mij niet[236]afschrikken. Ik handel uit meerverhevenegrondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel geven om een speldekussen boven het wapen.”„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante; „dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen! Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land, en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even zoo over dachten als ik.”„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt, dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik, met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”[237]Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt, tante;—ik ben het ongelukkigste,rampzaligstewezen ter wereld. En als mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij te beschermen?”„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert, omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden, dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd, zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk bezwaar bedenken tegen Milord?”„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar opgenoemd heb.”„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke behandeling?”„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de sporen van zien kunt.”„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid gedreven zou hebben!”„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld geweest, sedert ons geslacht bestaan[238]heeft. Ik zou iederen Lord de oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te wekken.”„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is alles volkomen waar!”„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien, bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman onder is geweest?”„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik door een edelman gevraagd.”„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal er een te weigeren?”„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil zeggen,—niet zoo heel, heel best!”„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek[239]gehad van heeren, die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen doen.”„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus zeker ook niet te wanhopen.”„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw Western.„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten. Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te doen in uw bijzijn.”„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet. Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten, zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook het geval met de menschelijke gestalte.”Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die, na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.[240]Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende verlieten.[Inhoud]Hoofdstuk V.Jufvrouw Miller en de heer Nightingale bezoeken den heer Jones in de gevangenis.Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten, liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als de heer Nightingale.De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer Nightingale vóór haar aangekomen was.De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken. De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb, inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de vriendschap ontdekt[241]heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden, bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing. Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben? Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te verdienen uwe plaats zou willen innemen.”„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij het steeds betreuren zou, als eene der[242]grootste rampen welke hem ooit overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller, ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed, zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de jonge dame te krijgen.”„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft. Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht mede te deelen.”„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten eeuwigen dage dankbaar blijven.”„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”[243]„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben. Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden. Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van den strijd waren geweest.Jufvrouw Miller begaf zich nuonmiddellijknaar Sophia, bij wie wij haar dadelijk zullen volgen.[244]

Boek XVII.Bevattende den tijd van drie dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende iets ter inleiding.Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden en eenige zedespreuken.Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van[220]vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder de galg te Tyburn.Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid opofferen, of het geloof van den lezer schokken.Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand, om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den ligtgeloovigen lezer.Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de gevangenis wil redden.De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is, dat mij in het oor fluistert, dat hij het[221]ergste wat hem wacht, nog niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek der toekomst.[Inhoud]Hoofdstuk II.Het edelmoedige en dankbare gedrag van jufvrouw Miller.De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde en zich bij hen voegde.Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is! Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden bewezen hebt!”„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven, dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter wereld te zijn.”„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had, zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil, zonder naar Allworthy te zien:„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter wereld niet willen beleedigen, mijnheer;[222]maar wezenlijk, ik kan het niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon, „dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende. O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden, die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij zulke vijanden heeft!”„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u bemint!”„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes, waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat zij niet de eenige van uwe[223]kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard heeft;—maar dat vergeef ik hem!”„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller. „Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen kunnen!”„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me, dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig, die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen ooit bezat!”„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan ik nu gedaan heb.”[224]„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen, groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst, jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen, zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder de heer Blifil:„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt, dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat heefthijnu bedreven?”„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen, en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en, om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en iedereen ook die den voet over den drempel zette.”[225]Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens uren lang zelf met haar speelde.Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen, voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit langdradig zijn.[Inhoud]Hoofdstuk III.Een bezoek van den heer Western,—met het een en ander over vaderlijk gezag.Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij „de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur, maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen,[226]dan me weder door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen jagtdag.”Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk weêr vuur op een ander onderwerp.„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen, en spreek wat duidelijker!”„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen. Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen verkoopen!”„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond, ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid, als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd! Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik! Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar van mijn leven nog niet gezien).[227]„Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk eene partij afslaat!””„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn? Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord, en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben, als ik het eens gegeven had!”„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om het te vervullen.”„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’ Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij leeft.”„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat doen!”„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke[228]omgang en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid, hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden, waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid, of wat men noemt de gave vanrepartie, zweemt.—Zij maakt geene aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid, welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen, waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch. Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied[229]getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk echt moet wezen.”Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja, verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,” herinnerde Allworthy.„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer zeggen.”„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig, om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij dezen last[230]eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame, ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen, ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad dankbaar daarvoor zal blijven.”„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken! Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaakgehoorzamen, welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—[231]en de andere helft bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand hadt!”Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou, al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste, meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit, in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk traden. Bovendien,[232]hoewel de overige dames der familie de aanspraken van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn leven—”„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!” En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen om uw geluk te verzekeren.”„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat ik zelf iets anders verlangen zou!”„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van dien aard, wil ik niets hooren!”„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld, met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en die ik om alles ter wereld[233]niet zou willen verliezen; want ik heb ze al meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke vent is, die u best bevallen zal!”De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van den armen Jones te beleven.Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon, en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het, niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen, wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek dus goed uw[234]hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg, slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt, dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Een merkwaardig tooneel tusschen Sophia en hare tante.De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde, veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op zijne eigene tafel te zien pronken.Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen sommigen bewaken, doen zij dat alleen om[235]haar aan iemand anders over te leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en ongedwongen overal in het rond dartelen.Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan vroeger haar vader, met zijne kwellingen.De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde, „dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had om hem met haar alleen te laten.”„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te laten.”„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd, juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk willen berokkenen, dat niet minder erg is?”„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de tante; „maar die bedenking zal mij niet[236]afschrikken. Ik handel uit meerverhevenegrondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel geven om een speldekussen boven het wapen.”„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante; „dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen! Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land, en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even zoo over dachten als ik.”„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt, dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik, met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”[237]Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt, tante;—ik ben het ongelukkigste,rampzaligstewezen ter wereld. En als mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij te beschermen?”„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert, omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden, dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd, zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk bezwaar bedenken tegen Milord?”„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar opgenoemd heb.”„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke behandeling?”„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de sporen van zien kunt.”„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid gedreven zou hebben!”„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld geweest, sedert ons geslacht bestaan[238]heeft. Ik zou iederen Lord de oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te wekken.”„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is alles volkomen waar!”„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien, bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman onder is geweest?”„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik door een edelman gevraagd.”„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal er een te weigeren?”„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil zeggen,—niet zoo heel, heel best!”„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek[239]gehad van heeren, die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen doen.”„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus zeker ook niet te wanhopen.”„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw Western.„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten. Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te doen in uw bijzijn.”„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet. Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten, zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook het geval met de menschelijke gestalte.”Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die, na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.[240]Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende verlieten.[Inhoud]Hoofdstuk V.Jufvrouw Miller en de heer Nightingale bezoeken den heer Jones in de gevangenis.Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten, liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als de heer Nightingale.De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer Nightingale vóór haar aangekomen was.De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken. De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb, inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de vriendschap ontdekt[241]heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden, bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing. Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben? Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te verdienen uwe plaats zou willen innemen.”„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij het steeds betreuren zou, als eene der[242]grootste rampen welke hem ooit overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller, ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed, zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de jonge dame te krijgen.”„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft. Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht mede te deelen.”„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten eeuwigen dage dankbaar blijven.”„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”[243]„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben. Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden. Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van den strijd waren geweest.Jufvrouw Miller begaf zich nuonmiddellijknaar Sophia, bij wie wij haar dadelijk zullen volgen.[244]

Bevattende den tijd van drie dagen.

[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende iets ter inleiding.Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden en eenige zedespreuken.Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van[220]vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder de galg te Tyburn.Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid opofferen, of het geloof van den lezer schokken.Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand, om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den ligtgeloovigen lezer.Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de gevangenis wil redden.De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is, dat mij in het oor fluistert, dat hij het[221]ergste wat hem wacht, nog niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek der toekomst.

Hoofdstuk I.Bevattende iets ter inleiding.

Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden en eenige zedespreuken.Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van[220]vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder de galg te Tyburn.Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid opofferen, of het geloof van den lezer schokken.Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand, om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den ligtgeloovigen lezer.Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de gevangenis wil redden.De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is, dat mij in het oor fluistert, dat hij het[221]ergste wat hem wacht, nog niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek der toekomst.

Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.

Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden en eenige zedespreuken.

Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.

Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van[220]vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder de galg te Tyburn.

Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid opofferen, of het geloof van den lezer schokken.

Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand, om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den ligtgeloovigen lezer.

Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de gevangenis wil redden.

De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is, dat mij in het oor fluistert, dat hij het[221]ergste wat hem wacht, nog niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek der toekomst.

[Inhoud]Hoofdstuk II.Het edelmoedige en dankbare gedrag van jufvrouw Miller.De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde en zich bij hen voegde.Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is! Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden bewezen hebt!”„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven, dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter wereld te zijn.”„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had, zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil, zonder naar Allworthy te zien:„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter wereld niet willen beleedigen, mijnheer;[222]maar wezenlijk, ik kan het niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon, „dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende. O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden, die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij zulke vijanden heeft!”„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u bemint!”„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes, waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat zij niet de eenige van uwe[223]kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard heeft;—maar dat vergeef ik hem!”„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller. „Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen kunnen!”„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me, dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig, die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen ooit bezat!”„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan ik nu gedaan heb.”[224]„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen, groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst, jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen, zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder de heer Blifil:„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt, dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat heefthijnu bedreven?”„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen, en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en, om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en iedereen ook die den voet over den drempel zette.”[225]Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens uren lang zelf met haar speelde.Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen, voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit langdradig zijn.

Hoofdstuk II.Het edelmoedige en dankbare gedrag van jufvrouw Miller.

De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde en zich bij hen voegde.Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is! Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden bewezen hebt!”„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven, dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter wereld te zijn.”„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had, zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil, zonder naar Allworthy te zien:„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter wereld niet willen beleedigen, mijnheer;[222]maar wezenlijk, ik kan het niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon, „dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende. O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden, die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij zulke vijanden heeft!”„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u bemint!”„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes, waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat zij niet de eenige van uwe[223]kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard heeft;—maar dat vergeef ik hem!”„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller. „Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen kunnen!”„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me, dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig, die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen ooit bezat!”„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan ik nu gedaan heb.”[224]„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen, groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst, jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen, zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder de heer Blifil:„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt, dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat heefthijnu bedreven?”„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen, en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en, om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en iedereen ook die den voet over den drempel zette.”[225]Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens uren lang zelf met haar speelde.Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen, voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit langdradig zijn.

De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde en zich bij hen voegde.

Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:

„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is! Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden bewezen hebt!”

„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven, dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”

„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter wereld te zijn.”

„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had, zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”

De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil, zonder naar Allworthy te zien:

„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter wereld niet willen beleedigen, mijnheer;[222]maar wezenlijk, ik kan het niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”

„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon, „dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”

„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende. O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden, die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij zulke vijanden heeft!”

„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”

„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u bemint!”

„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes, waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat zij niet de eenige van uwe[223]kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard heeft;—maar dat vergeef ik hem!”

„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller. „Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen kunnen!”

„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me, dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”

„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig, die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen ooit bezat!”

„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.

„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan ik nu gedaan heb.”[224]

„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen, groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst, jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen, zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”

Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder de heer Blifil:

„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt, dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”

„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat heefthijnu bedreven?”

„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen, en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en, om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”

Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:

„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”

„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en iedereen ook die den voet over den drempel zette.”[225]

Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens uren lang zelf met haar speelde.

Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen, voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit langdradig zijn.

[Inhoud]Hoofdstuk III.Een bezoek van den heer Western,—met het een en ander over vaderlijk gezag.Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij „de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur, maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen,[226]dan me weder door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen jagtdag.”Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk weêr vuur op een ander onderwerp.„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen, en spreek wat duidelijker!”„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen. Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen verkoopen!”„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond, ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid, als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd! Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik! Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar van mijn leven nog niet gezien).[227]„Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk eene partij afslaat!””„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn? Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord, en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben, als ik het eens gegeven had!”„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om het te vervullen.”„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’ Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij leeft.”„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat doen!”„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke[228]omgang en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid, hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden, waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid, of wat men noemt de gave vanrepartie, zweemt.—Zij maakt geene aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid, welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen, waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch. Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied[229]getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk echt moet wezen.”Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja, verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,” herinnerde Allworthy.„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer zeggen.”„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig, om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij dezen last[230]eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame, ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen, ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad dankbaar daarvoor zal blijven.”„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken! Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaakgehoorzamen, welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—[231]en de andere helft bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand hadt!”Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou, al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste, meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit, in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk traden. Bovendien,[232]hoewel de overige dames der familie de aanspraken van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn leven—”„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!” En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen om uw geluk te verzekeren.”„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat ik zelf iets anders verlangen zou!”„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van dien aard, wil ik niets hooren!”„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld, met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en die ik om alles ter wereld[233]niet zou willen verliezen; want ik heb ze al meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke vent is, die u best bevallen zal!”De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van den armen Jones te beleven.Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon, en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het, niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen, wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek dus goed uw[234]hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg, slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt, dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.

Hoofdstuk III.Een bezoek van den heer Western,—met het een en ander over vaderlijk gezag.

Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij „de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur, maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen,[226]dan me weder door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen jagtdag.”Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk weêr vuur op een ander onderwerp.„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen, en spreek wat duidelijker!”„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen. Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen verkoopen!”„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond, ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid, als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd! Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik! Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar van mijn leven nog niet gezien).[227]„Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk eene partij afslaat!””„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn? Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord, en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben, als ik het eens gegeven had!”„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om het te vervullen.”„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’ Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij leeft.”„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat doen!”„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke[228]omgang en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid, hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden, waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid, of wat men noemt de gave vanrepartie, zweemt.—Zij maakt geene aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid, welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen, waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch. Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied[229]getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk echt moet wezen.”Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja, verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,” herinnerde Allworthy.„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer zeggen.”„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig, om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij dezen last[230]eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame, ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen, ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad dankbaar daarvoor zal blijven.”„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken! Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaakgehoorzamen, welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—[231]en de andere helft bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand hadt!”Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou, al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste, meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit, in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk traden. Bovendien,[232]hoewel de overige dames der familie de aanspraken van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn leven—”„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!” En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen om uw geluk te verzekeren.”„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat ik zelf iets anders verlangen zou!”„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van dien aard, wil ik niets hooren!”„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld, met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en die ik om alles ter wereld[233]niet zou willen verliezen; want ik heb ze al meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke vent is, die u best bevallen zal!”De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van den armen Jones te beleven.Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon, en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het, niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen, wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek dus goed uw[234]hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg, slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt, dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.

Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij „de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur, maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.

„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen,[226]dan me weder door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen jagtdag.”

Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk weêr vuur op een ander onderwerp.

„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”

„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen, en spreek wat duidelijker!”

„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen. Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen verkoopen!”

„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.

„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond, ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid, als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd! Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik! Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar van mijn leven nog niet gezien).[227]„Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk eene partij afslaat!””

„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”

„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn? Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord, en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben, als ik het eens gegeven had!”

„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om het te vervullen.”

„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’ Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij leeft.”

„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.

„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat doen!”

„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke[228]omgang en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid, hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden, waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid, of wat men noemt de gave vanrepartie, zweemt.—Zij maakt geene aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid, welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen, waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch. Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied[229]getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk echt moet wezen.”

Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:

„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja, verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”

„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,” herinnerde Allworthy.

„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer zeggen.”

„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig, om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij dezen last[230]eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?

„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame, ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen, ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad dankbaar daarvoor zal blijven.”

„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken! Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaakgehoorzamen, welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—[231]en de andere helft bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand hadt!”

Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou, al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.

Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste, meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit, in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk traden. Bovendien,[232]hoewel de overige dames der familie de aanspraken van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”

„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.

„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn leven—”

„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!” En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.

„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen om uw geluk te verzekeren.”

„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat ik zelf iets anders verlangen zou!”

„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van dien aard, wil ik niets hooren!”

„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld, met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en die ik om alles ter wereld[233]niet zou willen verliezen; want ik heb ze al meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke vent is, die u best bevallen zal!”

De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van den armen Jones te beleven.

Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon, en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het, niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen, wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek dus goed uw[234]hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg, slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt, dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”

De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Een merkwaardig tooneel tusschen Sophia en hare tante.De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde, veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op zijne eigene tafel te zien pronken.Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen sommigen bewaken, doen zij dat alleen om[235]haar aan iemand anders over te leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en ongedwongen overal in het rond dartelen.Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan vroeger haar vader, met zijne kwellingen.De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde, „dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had om hem met haar alleen te laten.”„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te laten.”„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd, juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk willen berokkenen, dat niet minder erg is?”„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de tante; „maar die bedenking zal mij niet[236]afschrikken. Ik handel uit meerverhevenegrondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel geven om een speldekussen boven het wapen.”„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante; „dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen! Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land, en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even zoo over dachten als ik.”„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt, dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik, met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”[237]Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt, tante;—ik ben het ongelukkigste,rampzaligstewezen ter wereld. En als mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij te beschermen?”„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert, omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden, dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd, zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk bezwaar bedenken tegen Milord?”„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar opgenoemd heb.”„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke behandeling?”„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de sporen van zien kunt.”„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid gedreven zou hebben!”„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld geweest, sedert ons geslacht bestaan[238]heeft. Ik zou iederen Lord de oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te wekken.”„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is alles volkomen waar!”„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien, bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman onder is geweest?”„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik door een edelman gevraagd.”„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal er een te weigeren?”„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil zeggen,—niet zoo heel, heel best!”„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek[239]gehad van heeren, die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen doen.”„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus zeker ook niet te wanhopen.”„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw Western.„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten. Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te doen in uw bijzijn.”„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet. Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten, zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook het geval met de menschelijke gestalte.”Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die, na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.[240]Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende verlieten.

Hoofdstuk IV.Een merkwaardig tooneel tusschen Sophia en hare tante.

De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde, veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op zijne eigene tafel te zien pronken.Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen sommigen bewaken, doen zij dat alleen om[235]haar aan iemand anders over te leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en ongedwongen overal in het rond dartelen.Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan vroeger haar vader, met zijne kwellingen.De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde, „dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had om hem met haar alleen te laten.”„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te laten.”„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd, juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk willen berokkenen, dat niet minder erg is?”„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de tante; „maar die bedenking zal mij niet[236]afschrikken. Ik handel uit meerverhevenegrondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel geven om een speldekussen boven het wapen.”„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante; „dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen! Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land, en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even zoo over dachten als ik.”„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt, dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik, met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”[237]Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt, tante;—ik ben het ongelukkigste,rampzaligstewezen ter wereld. En als mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij te beschermen?”„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert, omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden, dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd, zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk bezwaar bedenken tegen Milord?”„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar opgenoemd heb.”„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke behandeling?”„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de sporen van zien kunt.”„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid gedreven zou hebben!”„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld geweest, sedert ons geslacht bestaan[238]heeft. Ik zou iederen Lord de oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te wekken.”„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is alles volkomen waar!”„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien, bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman onder is geweest?”„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik door een edelman gevraagd.”„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal er een te weigeren?”„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil zeggen,—niet zoo heel, heel best!”„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek[239]gehad van heeren, die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen doen.”„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus zeker ook niet te wanhopen.”„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw Western.„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten. Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te doen in uw bijzijn.”„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet. Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten, zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook het geval met de menschelijke gestalte.”Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die, na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.[240]Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende verlieten.

De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde, veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op zijne eigene tafel te zien pronken.

Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen sommigen bewaken, doen zij dat alleen om[235]haar aan iemand anders over te leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en ongedwongen overal in het rond dartelen.

Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan vroeger haar vader, met zijne kwellingen.

De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde, „dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had om hem met haar alleen te laten.”

„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te laten.”

„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”

„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd, juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk willen berokkenen, dat niet minder erg is?”

„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”

„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”

„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de tante; „maar die bedenking zal mij niet[236]afschrikken. Ik handel uit meerverhevenegrondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”

„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel geven om een speldekussen boven het wapen.”

„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante; „dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen! Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land, en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”

„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even zoo over dachten als ik.”

„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt, dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik, met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”[237]

Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt, tante;—ik ben het ongelukkigste,rampzaligstewezen ter wereld. En als mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij te beschermen?”

„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert, omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”

„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden, dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd, zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”

„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk bezwaar bedenken tegen Milord?”

„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar opgenoemd heb.”

„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”

„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”

„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke behandeling?”

„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de sporen van zien kunt.”

„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.

„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid gedreven zou hebben!”

„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld geweest, sedert ons geslacht bestaan[238]heeft. Ik zou iederen Lord de oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te wekken.”

„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is alles volkomen waar!”

„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien, bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”

„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman onder is geweest?”

„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik door een edelman gevraagd.”

„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal er een te weigeren?”

„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil zeggen,—niet zoo heel, heel best!”

„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek[239]gehad van heeren, die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen doen.”

„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.

„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus zeker ook niet te wanhopen.”

„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw Western.

„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten. Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te doen in uw bijzijn.”

„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet. Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten, zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook het geval met de menschelijke gestalte.”

Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die, na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.[240]

Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende verlieten.

[Inhoud]Hoofdstuk V.Jufvrouw Miller en de heer Nightingale bezoeken den heer Jones in de gevangenis.Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten, liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als de heer Nightingale.De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer Nightingale vóór haar aangekomen was.De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken. De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb, inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de vriendschap ontdekt[241]heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden, bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing. Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben? Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te verdienen uwe plaats zou willen innemen.”„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij het steeds betreuren zou, als eene der[242]grootste rampen welke hem ooit overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller, ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed, zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de jonge dame te krijgen.”„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft. Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht mede te deelen.”„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten eeuwigen dage dankbaar blijven.”„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”[243]„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben. Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden. Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van den strijd waren geweest.Jufvrouw Miller begaf zich nuonmiddellijknaar Sophia, bij wie wij haar dadelijk zullen volgen.[244]

Hoofdstuk V.Jufvrouw Miller en de heer Nightingale bezoeken den heer Jones in de gevangenis.

Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten, liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als de heer Nightingale.De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer Nightingale vóór haar aangekomen was.De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken. De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb, inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de vriendschap ontdekt[241]heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden, bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing. Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben? Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te verdienen uwe plaats zou willen innemen.”„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij het steeds betreuren zou, als eene der[242]grootste rampen welke hem ooit overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller, ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed, zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de jonge dame te krijgen.”„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft. Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht mede te deelen.”„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten eeuwigen dage dankbaar blijven.”„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”[243]„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben. Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden. Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van den strijd waren geweest.Jufvrouw Miller begaf zich nuonmiddellijknaar Sophia, bij wie wij haar dadelijk zullen volgen.[244]

Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten, liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als de heer Nightingale.

De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer Nightingale vóór haar aangekomen was.

De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken. De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb, inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de vriendschap ontdekt[241]heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.

Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.

Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden, bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing. Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:

„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben? Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te verdienen uwe plaats zou willen innemen.”

„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”

Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij het steeds betreuren zou, als eene der[242]grootste rampen welke hem ooit overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller, ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”

„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed, zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de jonge dame te krijgen.”

„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft. Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”

„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht mede te deelen.”

„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten eeuwigen dage dankbaar blijven.”

„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”[243]

„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben. Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”

Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden. Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.

Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van den strijd waren geweest.

Jufvrouw Miller begaf zich nuonmiddellijknaar Sophia, bij wie wij haar dadelijk zullen volgen.[244]


Back to IndexNext