[Inhoud]Het laatste hoofdstuk.Einde van de geschiedenis.De jonge Nightingale was dien namiddag, volgens afspraak, bij zijn vader geweest, die hem vriendelijker ontvangen had, dan verwacht werd. Hij ontmoette ook bij hem zijn oom, die naar de stad was teruggekeerd, om zijne pas gehuwde dochter te zoeken.Dit huwelijk was de gelukkigste gebeurtenis, welke den jongen Nightingale had kunnen overkomen; want de beide broeders leefden in aanhoudenden twist met elkaar over hunne kinderen, terwijl zij elkaars stelsel van opvoeding diep verachtten. Zij trachtten dus nu, beiden, zooveel mogelijk het gedrag van hun eigen kind te verschoonen, en dat van het andere in het zwartst mogelijke licht voor te stellen. Deze wensch om op zijn broeder te zegevieren en de vele redeneringen door Allworthy gebezigd, werkten zoo sterk bij den ouden heer, dat hij zijn zoon met een glimlach op de lippen tegenkwam, en er zelfs in toestemde om dien avond met hem te souperen hij jufvrouw Miller.Wat den anderen broeder betreft, die werkelijk buitengewoon veel van zijne dochter hield, het kostte slechts weinig moeite om hem tot eene verzoening over te halen. Zoodra hij van zijn neef vernam, waar zich zijne dochter en haar man bevonden, verklaarde hij dadelijk bij haar te willen gaan, en eens dáár, duldde hij ter naauwernood, dat zij zich voor hem op de knieën wierp, of hij hief haar op, en omhelsde haar met eene teederheid waardoor iedereen, die er getuige van was, getroffen werd;—zoodat hij binnen een kwartier evenzeer met haar en haar man verzoend was, alsof hij zelf het huwelijk gesmeed had.Zoo stonden dus de zaken toen de heer Allworthy met zijn gezelschap verscheen, om het geluk van mejufvrouw Miller te volmaken, die, zoodra zij Sophia zag, gissen kon wat voorgevallen was, en zoo opregt veel van Jones hield, dat dit niet weinig de verrukking verhoogde, welke zij gevoelde over het geluk van hare eigene dochter.Er zijn denkelijk weinige voorbeelden bekend van een vereeniging van menschen, die allen zoo volmaakt gelukkig[342]waren, als de leden van dit gezelschap. Onder dezen was de vader van Nightingale de minst gelukkige; want niettegenstaande zijne liefde tot zijn zoon, en in weerwil van het gezag en de redeneringen van Allworthy en van de andere reeds opgegevene redenen, was hij niet geheel en al tevreden met de keuze van zijn zoon, terwijl welligt het bijzijn van Sophia in geene geringe mate zijn verdriet vermeerderde en verbitterde, als tusschenbeide de gedachte bij hem opkwam, dat zijn zoon zelf die jonge dame, of eene andere van haren aard had kunnen krijgen. Het waren echter noch de ligchamelijke noch de verstandelijke bekoorlijkheden van Sophia, welke dezen wensch opwekten;—het was alleen de inhoud van haar vaders geldkist, welke zijne begeerte deed ontvlammen. Hij kon er niet aan denken dat zijn zoon bekoorlijkheden van dezen aard aan jufvrouw Miller opgeofferd had.De bruidjes zagen er beide heel goed uit; maar werden zoodanig verduisterd door de schoonheid van Sophia, dat als zij niet een paar der goedaardigste schepselen ter wereld geweest waren, deze omstandigheid haren nijd zou opgewekt hebben; want geen van de beide echtgenooten kon lang de oogen van Sophia afhouden, die aan de tafel zat als eene koningin om gehuldigd te worden, of liever als een bovennatuurlijk wezen, dat iedereen aanbidden moest. Maar het was eene aanbidding, die geschonken en niet afgeperst werd; want zij onderscheidde zich evenzeer door hare zedigheid en vriendelijkheid als door hare overige volmaaktheden.De avond ging in de meest ongemaakte vreugde voorbij. Allen waren gelukkig;—maar de gelukkigste waren diegenen, die vroeger het meest geleden hadden. Hun vroeger lijden en angst verhoogde thans hun geluk in eene mate, zooals zelfs de hoogste liefde en het fortuin niet hadden kunnen doen zonder bijgestaan te zijn door de tegenstelling van het verledene met het tegenwoordige. Daar echter de groote vreugde, vooral na zulk eene plotselinge verandering en ommekeer, geneigd is om te zwijgen, en eerder in het hart dan op de lippen zetelt, schenen Jones en Sophia de minst opgeruimden te zijn onder het gezelschap. Western merkte dit met veel ongeduld op, en riep[343]herhaaldelijk uit: „Waarom praat ge niet, jongen? Waarom kijkt ge zoo ernstig? Meisje! Zijt ge stom geworden? Drink nog eens! Ge zult nog eens drinken!”En om haar op te vrolijken, zong hij tusschenbeide allerlei grappige liederen, welke toespelingen bevatten op het huwelijk en op de verandering van een meisje in eene vrouw. Ja, hij zou zelfs over dit laatste onderwerp zoover uitgeweid hebben, dat zij de kamer had moeten verlaten, als de heer Allworthy hem niet telkens met blikken en een paar maal met een „Foei, foei, Western!” in toom had gehouden. Eens begon hij zelfs de zaak breedvoerig te bespreken, en zijn regt te doen gelden om al wat hij verkoos aan zijne eigene dochter te zeggen; daar hij echter bij niemand ondersteuning vond, werd hij weldra tot de orde geroepen.Niettegenstaande dezen dwang, was hij zóó ingenomen met de opgeruimdheid en vreugde van het gezelschap, dat hij er op stond dat allen den volgenden dag in zijne woning als gasten zouden verschijnen. Dit deden zij en de schoone Sophia, die inmiddels in stilte bruid was geworden, trad op als dame des huizes, of zooals men in de beschaafde kringen zegt, „nam de honneurs aan tafel waar;” want zij had reeds dien morgen hare hand aan Jones geschonken, in de kerk van Doctors Commons, waar de heeren Allworthy en Western met mejufvrouw Miller de eenige getuigen van de plegtigheid waren.Sophia had haren vader ernstig gesmeekt, dat niemand van het gezelschap, dat dien dag bij hem eten zou, met haar huwelijk zou bekend gemaakt worden. Hetzelfde stilzwijgen werd aan jufvrouw Miller opgelegd, en Jones stond voor Allworthy in.Dit verzoende de bedeesde Sophia eenigzins met de drukte van het feest, dat zij, volgens den wensch van haar vader, zoo zeer tegen haar eigen zin moest bijwonen. Vertrouwende op deze geheimhouding hield zij het tamelijk goed vol totdat de landjonker, die nu zijne tweede flesch bijna geleêgd had, zijne vreugde niet meer verbergen kon, en een vollen beker inschenkende, op de bruid dronk. Allen ledigden dadelijk de glazen om haar geluk te wenschen, tot groote verlegenheid van de arme blozende Sophia, om wier[344]wil ook Jones zich ergerde. Om de waarheid echter te bekennen, was er geen mensch tegenwoordig, die uit het gebabbel van den vader iets nieuws vernomen had; want jufvrouw Miller had het al vroeger hare dochter in ’t oor gefluisterd; de dochter had het haren man verteld; haar man aan zijne zuster,—en deze aan al de overigen.Sophia nam thans de eerste gelegenheid waar om zich met de dames te verwijderen, en de landjonker bleef bij de flesch, en werd langzamerhand verlaten door het geheele gezelschap,—uitgezonderd den jongen Nightingale, die evenveel van een glas wijn hield als de heer Western zelf. Deze beiden bleven er dan den geheelen avond dapper bij, en lang na het gelukkige uur, dat de bekoorlijke Sophia in de armen van haren verrukten echtgenoot gevoerd had.Eindelijk dan, lezer, hebben wij onze geschiedenis tot een einde gebragt, waarbij, tot ons groot genoegen, hoewel misschien tegen uwe verwachting, de heer Jones ons de gelukkigste der stervelingen moet toeschijnen;—want ik beken gaarne, dat ik nog niet ontdekt heb welk geluk gelijk staat met het bezit van zulk eene vrouw als Sophia.Wat de andere personen aangaat, die eene rol gespeeld hebben in deze geschiedenis, daar welligt sommige lezers nog het een en ander omtrent hen wenschen te vernemen, zal ik, zoo kort mogelijk, aan hunne nieuwsgierigheid voldoen.Men heeft Allworthy, tot dusver, niet kunnen overhalen, om Blifil te zien; maar hij heeft toegegeven aan het dringende verzoek van Jones, door Sophia ondersteund, om hem een jaargeld van tweehonderd pond te geven,—waarbij Jones, in stilte, een derde honderdtal gevoegd heeft. Van dit inkomen leeft hij in een der noordelijke graafschappen, ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van Londen, en legt er jaarlijks tweehonderd pond van over, om eene plaats te koopen in het Parlement, waarover hij in onderhandeling staat met een zaakwaarnemer in eene der naburige stadjes. Hij is ook in den laatsten tijd Methodist geworden, in de hoop om eene zeer rijke weduwe, tot die sekte behoorende en die goederen heeft in die streek, tot zijne vrouw te krijgen.Square stierf kort nadat hij den reeds vroeger vermelden[345]brief geschreven had, en wat Thwackum aangaat, deze leeft steeds nog op zijne pastorij. Hij heeft vele vruchtelooze pogingen gedaan om het vertrouwen van Allworthy te herwinnen, of om zich in de gunst van Jones in te dringen en hij vleit beiden in hun gezigt en scheldt hen uit achter hun rug. In plaats van hem, heeft de heer Allworthy onlangs den heer Abraham Adams bij zich in huis genomen, die een groote lieveling van Sophia is en wien zij voornemens is de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick is van haar man gescheiden en heeft het kleine overschot van haar vermogen behouden. Zij geniet een zeer goeden naam, leeft in een der deftigste buurten van de stad en weet zoo goed met het geld om te gaan, dat zij het driedubbele van het bedrag van haar inkomen uitgeeft, zonder schulden te maken. Zij is zeer intiem geworden met de echtgenoote van den Ierschen pair, en vergoedt door vriendschapsdiensten aan haar, alles wat zij aan den man van die dame te danken heeft.Mejufvrouw Western was weldra weder met hare nicht verzoend en heeft een paar maanden hij haar, buiten doorgebragt. Lady Bellaston legde een deftig bezoek bij Sophia af zoodra deze weder te Londen kwam, gedroeg zich tegenover Jones alsof zij hem nooit gekend had, en wenschte hem zeer beleefdelijk geluk met zijn huwelijk.De heer Nightingale heeft in de buurt van Jones eene buitenplaats gekocht voor zijn zoon, waar deze, met zijne jonge vrouw, jufvrouw Miller en haar dochtertje wonen, terwijl de beide familiën op de prettigste wijze met elkaar omgaan.Wat de menschen betreft, die eene minder belangrijke rol speelden: mevrouw Waters heeft van Allworthy een jaargeld van zestig pond sterling gekregen, en is gehuwd met dominé Supple, wien Allworthy, op Sophia’s verzoek, eene zeer goede predikantsplaats schonk.De Zwarte George, vernemende hoe hij ontdekt was, liep weg, en men heeft verder nooit iets van hem vernomen. Jones echter schonk het geld aan zijn huisgezin, maar deelde het niet gelijkmatig uit; want Molly kreeg op verre na het grootste aandeel.Aan Partridge schonk Jones vijftig pond ’s jaars, en hij[346]heeft weer eene school opgerigt, waarbij hij veel meer aanmoediging vindt dan vroeger. Er wordt thans over een huwelijk onderhandeld tusschen hem en mejufvrouw Molly Seagrim, en door Sophia’s bemiddeling zal de zaak waarschijnlijk gelukken.Wij moeten thans nog afscheid nemen van den heer Jones en Sophia, die twee dagen na hun huwelijk, met den heer Western en Allworthy weder naar buiten gingen. Western heeft aan zijn schoonzoon het heerenhuis en het grootste gedeelte zijner landerijen afgestaan en heeft zich terug getrokken in een zijner kleinere huizen in een ander gedeelte van het graafschap, dat eene betere jagt oplevert. Hij bezoekt echter dikwerf den heer Jones, die, met Sophia, vreugde er in schept om alles te doen wat zij kunnen, om hem te behagen. En dit gelukt hun zoo goed, dat de oude heer verklaart, dat hij nu, voor het eerst van zijn leven, volmaakt gelukkig is. Hij heeft bij hen in huis eene zitkamer en spreekkamer tot zijne beschikking, waar hij zich dronken kan drinken met wien hij verkiest, terwijl zijne dochter even gereed blijft als vroeger om hem al wat hij wil, voor te spelen. Jones heeft hem ook verzekerd, dat, daar, na haar te behagen, het mede zijn dierbaarste wensch is om tot het geluk van den ouden heer bij te dragen, hij haar bijna evenzeer bemint om de wijze waarop zij haar pligt bij haren vader doet, als om de liefde welke zij hemzelven geschonken heeft.Sophia heeft hem reeds twee schoone kinderen geschonken, een jongen en een meisje, op welke de oude man zoodanig verzot is, dat hij veel van zijn tijd op de kinderkamer doorbrengt, waar hij verklaart, dat het gebabbel van zijn kleindochtertje, dat reeds meer dan achttien maanden oud is, hem zoeter klinkt dan het geblaf van de fraaiste jagthonden in geheel Engeland.Allworthy was ook zeer mild jegens Jones bij diens huwelijk en laat geene gelegenheid voorbijgaan om hem en zijner echtgenoote blijken zijner liefde te geven, terwijl zij hem als een vader vereeren. Al wat in de natuur van Jones hem tot ondeugd deed overhellen, is verbeterd door den onafgebroken omgang met dezen goeden man en door zijn huwelijk met de schoone en deugdzame Sophia. Door[347]na te denken over zijne vroegere dwaasheden, heeft hij ook eene voorzigtigheid en overleg geleerd, die zelden gevonden worden bij iemand van zijn levendig karakter.Eindelijk: even als men geen waardiger paar kan vinden dan deze twee menschen,—zoo kan er men zich ook geen gelukkiger voorstellen. Zij bewaren onderling de zuiverste en teederste liefde, welke dagelijks vermeerderd en bevestigd wordt door hartelijkheid en wederzijdsche achting. Zij zijn ook niet minder beminnelijk in hun gedrag jegens hunne betrekkingen en vrienden dan jegens elkaar. En zoo groot is hunne goedheid, toegevendheid en weldadigheid jegens hunne minderen, dat er geen buurman, pachter of bediende is, die niet dankbaar den dag zegent, waarop de heer Jones met zijne Sophia vereenigd werd.EINDE.
[Inhoud]Het laatste hoofdstuk.Einde van de geschiedenis.De jonge Nightingale was dien namiddag, volgens afspraak, bij zijn vader geweest, die hem vriendelijker ontvangen had, dan verwacht werd. Hij ontmoette ook bij hem zijn oom, die naar de stad was teruggekeerd, om zijne pas gehuwde dochter te zoeken.Dit huwelijk was de gelukkigste gebeurtenis, welke den jongen Nightingale had kunnen overkomen; want de beide broeders leefden in aanhoudenden twist met elkaar over hunne kinderen, terwijl zij elkaars stelsel van opvoeding diep verachtten. Zij trachtten dus nu, beiden, zooveel mogelijk het gedrag van hun eigen kind te verschoonen, en dat van het andere in het zwartst mogelijke licht voor te stellen. Deze wensch om op zijn broeder te zegevieren en de vele redeneringen door Allworthy gebezigd, werkten zoo sterk bij den ouden heer, dat hij zijn zoon met een glimlach op de lippen tegenkwam, en er zelfs in toestemde om dien avond met hem te souperen hij jufvrouw Miller.Wat den anderen broeder betreft, die werkelijk buitengewoon veel van zijne dochter hield, het kostte slechts weinig moeite om hem tot eene verzoening over te halen. Zoodra hij van zijn neef vernam, waar zich zijne dochter en haar man bevonden, verklaarde hij dadelijk bij haar te willen gaan, en eens dáár, duldde hij ter naauwernood, dat zij zich voor hem op de knieën wierp, of hij hief haar op, en omhelsde haar met eene teederheid waardoor iedereen, die er getuige van was, getroffen werd;—zoodat hij binnen een kwartier evenzeer met haar en haar man verzoend was, alsof hij zelf het huwelijk gesmeed had.Zoo stonden dus de zaken toen de heer Allworthy met zijn gezelschap verscheen, om het geluk van mejufvrouw Miller te volmaken, die, zoodra zij Sophia zag, gissen kon wat voorgevallen was, en zoo opregt veel van Jones hield, dat dit niet weinig de verrukking verhoogde, welke zij gevoelde over het geluk van hare eigene dochter.Er zijn denkelijk weinige voorbeelden bekend van een vereeniging van menschen, die allen zoo volmaakt gelukkig[342]waren, als de leden van dit gezelschap. Onder dezen was de vader van Nightingale de minst gelukkige; want niettegenstaande zijne liefde tot zijn zoon, en in weerwil van het gezag en de redeneringen van Allworthy en van de andere reeds opgegevene redenen, was hij niet geheel en al tevreden met de keuze van zijn zoon, terwijl welligt het bijzijn van Sophia in geene geringe mate zijn verdriet vermeerderde en verbitterde, als tusschenbeide de gedachte bij hem opkwam, dat zijn zoon zelf die jonge dame, of eene andere van haren aard had kunnen krijgen. Het waren echter noch de ligchamelijke noch de verstandelijke bekoorlijkheden van Sophia, welke dezen wensch opwekten;—het was alleen de inhoud van haar vaders geldkist, welke zijne begeerte deed ontvlammen. Hij kon er niet aan denken dat zijn zoon bekoorlijkheden van dezen aard aan jufvrouw Miller opgeofferd had.De bruidjes zagen er beide heel goed uit; maar werden zoodanig verduisterd door de schoonheid van Sophia, dat als zij niet een paar der goedaardigste schepselen ter wereld geweest waren, deze omstandigheid haren nijd zou opgewekt hebben; want geen van de beide echtgenooten kon lang de oogen van Sophia afhouden, die aan de tafel zat als eene koningin om gehuldigd te worden, of liever als een bovennatuurlijk wezen, dat iedereen aanbidden moest. Maar het was eene aanbidding, die geschonken en niet afgeperst werd; want zij onderscheidde zich evenzeer door hare zedigheid en vriendelijkheid als door hare overige volmaaktheden.De avond ging in de meest ongemaakte vreugde voorbij. Allen waren gelukkig;—maar de gelukkigste waren diegenen, die vroeger het meest geleden hadden. Hun vroeger lijden en angst verhoogde thans hun geluk in eene mate, zooals zelfs de hoogste liefde en het fortuin niet hadden kunnen doen zonder bijgestaan te zijn door de tegenstelling van het verledene met het tegenwoordige. Daar echter de groote vreugde, vooral na zulk eene plotselinge verandering en ommekeer, geneigd is om te zwijgen, en eerder in het hart dan op de lippen zetelt, schenen Jones en Sophia de minst opgeruimden te zijn onder het gezelschap. Western merkte dit met veel ongeduld op, en riep[343]herhaaldelijk uit: „Waarom praat ge niet, jongen? Waarom kijkt ge zoo ernstig? Meisje! Zijt ge stom geworden? Drink nog eens! Ge zult nog eens drinken!”En om haar op te vrolijken, zong hij tusschenbeide allerlei grappige liederen, welke toespelingen bevatten op het huwelijk en op de verandering van een meisje in eene vrouw. Ja, hij zou zelfs over dit laatste onderwerp zoover uitgeweid hebben, dat zij de kamer had moeten verlaten, als de heer Allworthy hem niet telkens met blikken en een paar maal met een „Foei, foei, Western!” in toom had gehouden. Eens begon hij zelfs de zaak breedvoerig te bespreken, en zijn regt te doen gelden om al wat hij verkoos aan zijne eigene dochter te zeggen; daar hij echter bij niemand ondersteuning vond, werd hij weldra tot de orde geroepen.Niettegenstaande dezen dwang, was hij zóó ingenomen met de opgeruimdheid en vreugde van het gezelschap, dat hij er op stond dat allen den volgenden dag in zijne woning als gasten zouden verschijnen. Dit deden zij en de schoone Sophia, die inmiddels in stilte bruid was geworden, trad op als dame des huizes, of zooals men in de beschaafde kringen zegt, „nam de honneurs aan tafel waar;” want zij had reeds dien morgen hare hand aan Jones geschonken, in de kerk van Doctors Commons, waar de heeren Allworthy en Western met mejufvrouw Miller de eenige getuigen van de plegtigheid waren.Sophia had haren vader ernstig gesmeekt, dat niemand van het gezelschap, dat dien dag bij hem eten zou, met haar huwelijk zou bekend gemaakt worden. Hetzelfde stilzwijgen werd aan jufvrouw Miller opgelegd, en Jones stond voor Allworthy in.Dit verzoende de bedeesde Sophia eenigzins met de drukte van het feest, dat zij, volgens den wensch van haar vader, zoo zeer tegen haar eigen zin moest bijwonen. Vertrouwende op deze geheimhouding hield zij het tamelijk goed vol totdat de landjonker, die nu zijne tweede flesch bijna geleêgd had, zijne vreugde niet meer verbergen kon, en een vollen beker inschenkende, op de bruid dronk. Allen ledigden dadelijk de glazen om haar geluk te wenschen, tot groote verlegenheid van de arme blozende Sophia, om wier[344]wil ook Jones zich ergerde. Om de waarheid echter te bekennen, was er geen mensch tegenwoordig, die uit het gebabbel van den vader iets nieuws vernomen had; want jufvrouw Miller had het al vroeger hare dochter in ’t oor gefluisterd; de dochter had het haren man verteld; haar man aan zijne zuster,—en deze aan al de overigen.Sophia nam thans de eerste gelegenheid waar om zich met de dames te verwijderen, en de landjonker bleef bij de flesch, en werd langzamerhand verlaten door het geheele gezelschap,—uitgezonderd den jongen Nightingale, die evenveel van een glas wijn hield als de heer Western zelf. Deze beiden bleven er dan den geheelen avond dapper bij, en lang na het gelukkige uur, dat de bekoorlijke Sophia in de armen van haren verrukten echtgenoot gevoerd had.Eindelijk dan, lezer, hebben wij onze geschiedenis tot een einde gebragt, waarbij, tot ons groot genoegen, hoewel misschien tegen uwe verwachting, de heer Jones ons de gelukkigste der stervelingen moet toeschijnen;—want ik beken gaarne, dat ik nog niet ontdekt heb welk geluk gelijk staat met het bezit van zulk eene vrouw als Sophia.Wat de andere personen aangaat, die eene rol gespeeld hebben in deze geschiedenis, daar welligt sommige lezers nog het een en ander omtrent hen wenschen te vernemen, zal ik, zoo kort mogelijk, aan hunne nieuwsgierigheid voldoen.Men heeft Allworthy, tot dusver, niet kunnen overhalen, om Blifil te zien; maar hij heeft toegegeven aan het dringende verzoek van Jones, door Sophia ondersteund, om hem een jaargeld van tweehonderd pond te geven,—waarbij Jones, in stilte, een derde honderdtal gevoegd heeft. Van dit inkomen leeft hij in een der noordelijke graafschappen, ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van Londen, en legt er jaarlijks tweehonderd pond van over, om eene plaats te koopen in het Parlement, waarover hij in onderhandeling staat met een zaakwaarnemer in eene der naburige stadjes. Hij is ook in den laatsten tijd Methodist geworden, in de hoop om eene zeer rijke weduwe, tot die sekte behoorende en die goederen heeft in die streek, tot zijne vrouw te krijgen.Square stierf kort nadat hij den reeds vroeger vermelden[345]brief geschreven had, en wat Thwackum aangaat, deze leeft steeds nog op zijne pastorij. Hij heeft vele vruchtelooze pogingen gedaan om het vertrouwen van Allworthy te herwinnen, of om zich in de gunst van Jones in te dringen en hij vleit beiden in hun gezigt en scheldt hen uit achter hun rug. In plaats van hem, heeft de heer Allworthy onlangs den heer Abraham Adams bij zich in huis genomen, die een groote lieveling van Sophia is en wien zij voornemens is de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick is van haar man gescheiden en heeft het kleine overschot van haar vermogen behouden. Zij geniet een zeer goeden naam, leeft in een der deftigste buurten van de stad en weet zoo goed met het geld om te gaan, dat zij het driedubbele van het bedrag van haar inkomen uitgeeft, zonder schulden te maken. Zij is zeer intiem geworden met de echtgenoote van den Ierschen pair, en vergoedt door vriendschapsdiensten aan haar, alles wat zij aan den man van die dame te danken heeft.Mejufvrouw Western was weldra weder met hare nicht verzoend en heeft een paar maanden hij haar, buiten doorgebragt. Lady Bellaston legde een deftig bezoek bij Sophia af zoodra deze weder te Londen kwam, gedroeg zich tegenover Jones alsof zij hem nooit gekend had, en wenschte hem zeer beleefdelijk geluk met zijn huwelijk.De heer Nightingale heeft in de buurt van Jones eene buitenplaats gekocht voor zijn zoon, waar deze, met zijne jonge vrouw, jufvrouw Miller en haar dochtertje wonen, terwijl de beide familiën op de prettigste wijze met elkaar omgaan.Wat de menschen betreft, die eene minder belangrijke rol speelden: mevrouw Waters heeft van Allworthy een jaargeld van zestig pond sterling gekregen, en is gehuwd met dominé Supple, wien Allworthy, op Sophia’s verzoek, eene zeer goede predikantsplaats schonk.De Zwarte George, vernemende hoe hij ontdekt was, liep weg, en men heeft verder nooit iets van hem vernomen. Jones echter schonk het geld aan zijn huisgezin, maar deelde het niet gelijkmatig uit; want Molly kreeg op verre na het grootste aandeel.Aan Partridge schonk Jones vijftig pond ’s jaars, en hij[346]heeft weer eene school opgerigt, waarbij hij veel meer aanmoediging vindt dan vroeger. Er wordt thans over een huwelijk onderhandeld tusschen hem en mejufvrouw Molly Seagrim, en door Sophia’s bemiddeling zal de zaak waarschijnlijk gelukken.Wij moeten thans nog afscheid nemen van den heer Jones en Sophia, die twee dagen na hun huwelijk, met den heer Western en Allworthy weder naar buiten gingen. Western heeft aan zijn schoonzoon het heerenhuis en het grootste gedeelte zijner landerijen afgestaan en heeft zich terug getrokken in een zijner kleinere huizen in een ander gedeelte van het graafschap, dat eene betere jagt oplevert. Hij bezoekt echter dikwerf den heer Jones, die, met Sophia, vreugde er in schept om alles te doen wat zij kunnen, om hem te behagen. En dit gelukt hun zoo goed, dat de oude heer verklaart, dat hij nu, voor het eerst van zijn leven, volmaakt gelukkig is. Hij heeft bij hen in huis eene zitkamer en spreekkamer tot zijne beschikking, waar hij zich dronken kan drinken met wien hij verkiest, terwijl zijne dochter even gereed blijft als vroeger om hem al wat hij wil, voor te spelen. Jones heeft hem ook verzekerd, dat, daar, na haar te behagen, het mede zijn dierbaarste wensch is om tot het geluk van den ouden heer bij te dragen, hij haar bijna evenzeer bemint om de wijze waarop zij haar pligt bij haren vader doet, als om de liefde welke zij hemzelven geschonken heeft.Sophia heeft hem reeds twee schoone kinderen geschonken, een jongen en een meisje, op welke de oude man zoodanig verzot is, dat hij veel van zijn tijd op de kinderkamer doorbrengt, waar hij verklaart, dat het gebabbel van zijn kleindochtertje, dat reeds meer dan achttien maanden oud is, hem zoeter klinkt dan het geblaf van de fraaiste jagthonden in geheel Engeland.Allworthy was ook zeer mild jegens Jones bij diens huwelijk en laat geene gelegenheid voorbijgaan om hem en zijner echtgenoote blijken zijner liefde te geven, terwijl zij hem als een vader vereeren. Al wat in de natuur van Jones hem tot ondeugd deed overhellen, is verbeterd door den onafgebroken omgang met dezen goeden man en door zijn huwelijk met de schoone en deugdzame Sophia. Door[347]na te denken over zijne vroegere dwaasheden, heeft hij ook eene voorzigtigheid en overleg geleerd, die zelden gevonden worden bij iemand van zijn levendig karakter.Eindelijk: even als men geen waardiger paar kan vinden dan deze twee menschen,—zoo kan er men zich ook geen gelukkiger voorstellen. Zij bewaren onderling de zuiverste en teederste liefde, welke dagelijks vermeerderd en bevestigd wordt door hartelijkheid en wederzijdsche achting. Zij zijn ook niet minder beminnelijk in hun gedrag jegens hunne betrekkingen en vrienden dan jegens elkaar. En zoo groot is hunne goedheid, toegevendheid en weldadigheid jegens hunne minderen, dat er geen buurman, pachter of bediende is, die niet dankbaar den dag zegent, waarop de heer Jones met zijne Sophia vereenigd werd.EINDE.
[Inhoud]Het laatste hoofdstuk.Einde van de geschiedenis.De jonge Nightingale was dien namiddag, volgens afspraak, bij zijn vader geweest, die hem vriendelijker ontvangen had, dan verwacht werd. Hij ontmoette ook bij hem zijn oom, die naar de stad was teruggekeerd, om zijne pas gehuwde dochter te zoeken.Dit huwelijk was de gelukkigste gebeurtenis, welke den jongen Nightingale had kunnen overkomen; want de beide broeders leefden in aanhoudenden twist met elkaar over hunne kinderen, terwijl zij elkaars stelsel van opvoeding diep verachtten. Zij trachtten dus nu, beiden, zooveel mogelijk het gedrag van hun eigen kind te verschoonen, en dat van het andere in het zwartst mogelijke licht voor te stellen. Deze wensch om op zijn broeder te zegevieren en de vele redeneringen door Allworthy gebezigd, werkten zoo sterk bij den ouden heer, dat hij zijn zoon met een glimlach op de lippen tegenkwam, en er zelfs in toestemde om dien avond met hem te souperen hij jufvrouw Miller.Wat den anderen broeder betreft, die werkelijk buitengewoon veel van zijne dochter hield, het kostte slechts weinig moeite om hem tot eene verzoening over te halen. Zoodra hij van zijn neef vernam, waar zich zijne dochter en haar man bevonden, verklaarde hij dadelijk bij haar te willen gaan, en eens dáár, duldde hij ter naauwernood, dat zij zich voor hem op de knieën wierp, of hij hief haar op, en omhelsde haar met eene teederheid waardoor iedereen, die er getuige van was, getroffen werd;—zoodat hij binnen een kwartier evenzeer met haar en haar man verzoend was, alsof hij zelf het huwelijk gesmeed had.Zoo stonden dus de zaken toen de heer Allworthy met zijn gezelschap verscheen, om het geluk van mejufvrouw Miller te volmaken, die, zoodra zij Sophia zag, gissen kon wat voorgevallen was, en zoo opregt veel van Jones hield, dat dit niet weinig de verrukking verhoogde, welke zij gevoelde over het geluk van hare eigene dochter.Er zijn denkelijk weinige voorbeelden bekend van een vereeniging van menschen, die allen zoo volmaakt gelukkig[342]waren, als de leden van dit gezelschap. Onder dezen was de vader van Nightingale de minst gelukkige; want niettegenstaande zijne liefde tot zijn zoon, en in weerwil van het gezag en de redeneringen van Allworthy en van de andere reeds opgegevene redenen, was hij niet geheel en al tevreden met de keuze van zijn zoon, terwijl welligt het bijzijn van Sophia in geene geringe mate zijn verdriet vermeerderde en verbitterde, als tusschenbeide de gedachte bij hem opkwam, dat zijn zoon zelf die jonge dame, of eene andere van haren aard had kunnen krijgen. Het waren echter noch de ligchamelijke noch de verstandelijke bekoorlijkheden van Sophia, welke dezen wensch opwekten;—het was alleen de inhoud van haar vaders geldkist, welke zijne begeerte deed ontvlammen. Hij kon er niet aan denken dat zijn zoon bekoorlijkheden van dezen aard aan jufvrouw Miller opgeofferd had.De bruidjes zagen er beide heel goed uit; maar werden zoodanig verduisterd door de schoonheid van Sophia, dat als zij niet een paar der goedaardigste schepselen ter wereld geweest waren, deze omstandigheid haren nijd zou opgewekt hebben; want geen van de beide echtgenooten kon lang de oogen van Sophia afhouden, die aan de tafel zat als eene koningin om gehuldigd te worden, of liever als een bovennatuurlijk wezen, dat iedereen aanbidden moest. Maar het was eene aanbidding, die geschonken en niet afgeperst werd; want zij onderscheidde zich evenzeer door hare zedigheid en vriendelijkheid als door hare overige volmaaktheden.De avond ging in de meest ongemaakte vreugde voorbij. Allen waren gelukkig;—maar de gelukkigste waren diegenen, die vroeger het meest geleden hadden. Hun vroeger lijden en angst verhoogde thans hun geluk in eene mate, zooals zelfs de hoogste liefde en het fortuin niet hadden kunnen doen zonder bijgestaan te zijn door de tegenstelling van het verledene met het tegenwoordige. Daar echter de groote vreugde, vooral na zulk eene plotselinge verandering en ommekeer, geneigd is om te zwijgen, en eerder in het hart dan op de lippen zetelt, schenen Jones en Sophia de minst opgeruimden te zijn onder het gezelschap. Western merkte dit met veel ongeduld op, en riep[343]herhaaldelijk uit: „Waarom praat ge niet, jongen? Waarom kijkt ge zoo ernstig? Meisje! Zijt ge stom geworden? Drink nog eens! Ge zult nog eens drinken!”En om haar op te vrolijken, zong hij tusschenbeide allerlei grappige liederen, welke toespelingen bevatten op het huwelijk en op de verandering van een meisje in eene vrouw. Ja, hij zou zelfs over dit laatste onderwerp zoover uitgeweid hebben, dat zij de kamer had moeten verlaten, als de heer Allworthy hem niet telkens met blikken en een paar maal met een „Foei, foei, Western!” in toom had gehouden. Eens begon hij zelfs de zaak breedvoerig te bespreken, en zijn regt te doen gelden om al wat hij verkoos aan zijne eigene dochter te zeggen; daar hij echter bij niemand ondersteuning vond, werd hij weldra tot de orde geroepen.Niettegenstaande dezen dwang, was hij zóó ingenomen met de opgeruimdheid en vreugde van het gezelschap, dat hij er op stond dat allen den volgenden dag in zijne woning als gasten zouden verschijnen. Dit deden zij en de schoone Sophia, die inmiddels in stilte bruid was geworden, trad op als dame des huizes, of zooals men in de beschaafde kringen zegt, „nam de honneurs aan tafel waar;” want zij had reeds dien morgen hare hand aan Jones geschonken, in de kerk van Doctors Commons, waar de heeren Allworthy en Western met mejufvrouw Miller de eenige getuigen van de plegtigheid waren.Sophia had haren vader ernstig gesmeekt, dat niemand van het gezelschap, dat dien dag bij hem eten zou, met haar huwelijk zou bekend gemaakt worden. Hetzelfde stilzwijgen werd aan jufvrouw Miller opgelegd, en Jones stond voor Allworthy in.Dit verzoende de bedeesde Sophia eenigzins met de drukte van het feest, dat zij, volgens den wensch van haar vader, zoo zeer tegen haar eigen zin moest bijwonen. Vertrouwende op deze geheimhouding hield zij het tamelijk goed vol totdat de landjonker, die nu zijne tweede flesch bijna geleêgd had, zijne vreugde niet meer verbergen kon, en een vollen beker inschenkende, op de bruid dronk. Allen ledigden dadelijk de glazen om haar geluk te wenschen, tot groote verlegenheid van de arme blozende Sophia, om wier[344]wil ook Jones zich ergerde. Om de waarheid echter te bekennen, was er geen mensch tegenwoordig, die uit het gebabbel van den vader iets nieuws vernomen had; want jufvrouw Miller had het al vroeger hare dochter in ’t oor gefluisterd; de dochter had het haren man verteld; haar man aan zijne zuster,—en deze aan al de overigen.Sophia nam thans de eerste gelegenheid waar om zich met de dames te verwijderen, en de landjonker bleef bij de flesch, en werd langzamerhand verlaten door het geheele gezelschap,—uitgezonderd den jongen Nightingale, die evenveel van een glas wijn hield als de heer Western zelf. Deze beiden bleven er dan den geheelen avond dapper bij, en lang na het gelukkige uur, dat de bekoorlijke Sophia in de armen van haren verrukten echtgenoot gevoerd had.Eindelijk dan, lezer, hebben wij onze geschiedenis tot een einde gebragt, waarbij, tot ons groot genoegen, hoewel misschien tegen uwe verwachting, de heer Jones ons de gelukkigste der stervelingen moet toeschijnen;—want ik beken gaarne, dat ik nog niet ontdekt heb welk geluk gelijk staat met het bezit van zulk eene vrouw als Sophia.Wat de andere personen aangaat, die eene rol gespeeld hebben in deze geschiedenis, daar welligt sommige lezers nog het een en ander omtrent hen wenschen te vernemen, zal ik, zoo kort mogelijk, aan hunne nieuwsgierigheid voldoen.Men heeft Allworthy, tot dusver, niet kunnen overhalen, om Blifil te zien; maar hij heeft toegegeven aan het dringende verzoek van Jones, door Sophia ondersteund, om hem een jaargeld van tweehonderd pond te geven,—waarbij Jones, in stilte, een derde honderdtal gevoegd heeft. Van dit inkomen leeft hij in een der noordelijke graafschappen, ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van Londen, en legt er jaarlijks tweehonderd pond van over, om eene plaats te koopen in het Parlement, waarover hij in onderhandeling staat met een zaakwaarnemer in eene der naburige stadjes. Hij is ook in den laatsten tijd Methodist geworden, in de hoop om eene zeer rijke weduwe, tot die sekte behoorende en die goederen heeft in die streek, tot zijne vrouw te krijgen.Square stierf kort nadat hij den reeds vroeger vermelden[345]brief geschreven had, en wat Thwackum aangaat, deze leeft steeds nog op zijne pastorij. Hij heeft vele vruchtelooze pogingen gedaan om het vertrouwen van Allworthy te herwinnen, of om zich in de gunst van Jones in te dringen en hij vleit beiden in hun gezigt en scheldt hen uit achter hun rug. In plaats van hem, heeft de heer Allworthy onlangs den heer Abraham Adams bij zich in huis genomen, die een groote lieveling van Sophia is en wien zij voornemens is de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick is van haar man gescheiden en heeft het kleine overschot van haar vermogen behouden. Zij geniet een zeer goeden naam, leeft in een der deftigste buurten van de stad en weet zoo goed met het geld om te gaan, dat zij het driedubbele van het bedrag van haar inkomen uitgeeft, zonder schulden te maken. Zij is zeer intiem geworden met de echtgenoote van den Ierschen pair, en vergoedt door vriendschapsdiensten aan haar, alles wat zij aan den man van die dame te danken heeft.Mejufvrouw Western was weldra weder met hare nicht verzoend en heeft een paar maanden hij haar, buiten doorgebragt. Lady Bellaston legde een deftig bezoek bij Sophia af zoodra deze weder te Londen kwam, gedroeg zich tegenover Jones alsof zij hem nooit gekend had, en wenschte hem zeer beleefdelijk geluk met zijn huwelijk.De heer Nightingale heeft in de buurt van Jones eene buitenplaats gekocht voor zijn zoon, waar deze, met zijne jonge vrouw, jufvrouw Miller en haar dochtertje wonen, terwijl de beide familiën op de prettigste wijze met elkaar omgaan.Wat de menschen betreft, die eene minder belangrijke rol speelden: mevrouw Waters heeft van Allworthy een jaargeld van zestig pond sterling gekregen, en is gehuwd met dominé Supple, wien Allworthy, op Sophia’s verzoek, eene zeer goede predikantsplaats schonk.De Zwarte George, vernemende hoe hij ontdekt was, liep weg, en men heeft verder nooit iets van hem vernomen. Jones echter schonk het geld aan zijn huisgezin, maar deelde het niet gelijkmatig uit; want Molly kreeg op verre na het grootste aandeel.Aan Partridge schonk Jones vijftig pond ’s jaars, en hij[346]heeft weer eene school opgerigt, waarbij hij veel meer aanmoediging vindt dan vroeger. Er wordt thans over een huwelijk onderhandeld tusschen hem en mejufvrouw Molly Seagrim, en door Sophia’s bemiddeling zal de zaak waarschijnlijk gelukken.Wij moeten thans nog afscheid nemen van den heer Jones en Sophia, die twee dagen na hun huwelijk, met den heer Western en Allworthy weder naar buiten gingen. Western heeft aan zijn schoonzoon het heerenhuis en het grootste gedeelte zijner landerijen afgestaan en heeft zich terug getrokken in een zijner kleinere huizen in een ander gedeelte van het graafschap, dat eene betere jagt oplevert. Hij bezoekt echter dikwerf den heer Jones, die, met Sophia, vreugde er in schept om alles te doen wat zij kunnen, om hem te behagen. En dit gelukt hun zoo goed, dat de oude heer verklaart, dat hij nu, voor het eerst van zijn leven, volmaakt gelukkig is. Hij heeft bij hen in huis eene zitkamer en spreekkamer tot zijne beschikking, waar hij zich dronken kan drinken met wien hij verkiest, terwijl zijne dochter even gereed blijft als vroeger om hem al wat hij wil, voor te spelen. Jones heeft hem ook verzekerd, dat, daar, na haar te behagen, het mede zijn dierbaarste wensch is om tot het geluk van den ouden heer bij te dragen, hij haar bijna evenzeer bemint om de wijze waarop zij haar pligt bij haren vader doet, als om de liefde welke zij hemzelven geschonken heeft.Sophia heeft hem reeds twee schoone kinderen geschonken, een jongen en een meisje, op welke de oude man zoodanig verzot is, dat hij veel van zijn tijd op de kinderkamer doorbrengt, waar hij verklaart, dat het gebabbel van zijn kleindochtertje, dat reeds meer dan achttien maanden oud is, hem zoeter klinkt dan het geblaf van de fraaiste jagthonden in geheel Engeland.Allworthy was ook zeer mild jegens Jones bij diens huwelijk en laat geene gelegenheid voorbijgaan om hem en zijner echtgenoote blijken zijner liefde te geven, terwijl zij hem als een vader vereeren. Al wat in de natuur van Jones hem tot ondeugd deed overhellen, is verbeterd door den onafgebroken omgang met dezen goeden man en door zijn huwelijk met de schoone en deugdzame Sophia. Door[347]na te denken over zijne vroegere dwaasheden, heeft hij ook eene voorzigtigheid en overleg geleerd, die zelden gevonden worden bij iemand van zijn levendig karakter.Eindelijk: even als men geen waardiger paar kan vinden dan deze twee menschen,—zoo kan er men zich ook geen gelukkiger voorstellen. Zij bewaren onderling de zuiverste en teederste liefde, welke dagelijks vermeerderd en bevestigd wordt door hartelijkheid en wederzijdsche achting. Zij zijn ook niet minder beminnelijk in hun gedrag jegens hunne betrekkingen en vrienden dan jegens elkaar. En zoo groot is hunne goedheid, toegevendheid en weldadigheid jegens hunne minderen, dat er geen buurman, pachter of bediende is, die niet dankbaar den dag zegent, waarop de heer Jones met zijne Sophia vereenigd werd.EINDE.
[Inhoud]Het laatste hoofdstuk.Einde van de geschiedenis.De jonge Nightingale was dien namiddag, volgens afspraak, bij zijn vader geweest, die hem vriendelijker ontvangen had, dan verwacht werd. Hij ontmoette ook bij hem zijn oom, die naar de stad was teruggekeerd, om zijne pas gehuwde dochter te zoeken.Dit huwelijk was de gelukkigste gebeurtenis, welke den jongen Nightingale had kunnen overkomen; want de beide broeders leefden in aanhoudenden twist met elkaar over hunne kinderen, terwijl zij elkaars stelsel van opvoeding diep verachtten. Zij trachtten dus nu, beiden, zooveel mogelijk het gedrag van hun eigen kind te verschoonen, en dat van het andere in het zwartst mogelijke licht voor te stellen. Deze wensch om op zijn broeder te zegevieren en de vele redeneringen door Allworthy gebezigd, werkten zoo sterk bij den ouden heer, dat hij zijn zoon met een glimlach op de lippen tegenkwam, en er zelfs in toestemde om dien avond met hem te souperen hij jufvrouw Miller.Wat den anderen broeder betreft, die werkelijk buitengewoon veel van zijne dochter hield, het kostte slechts weinig moeite om hem tot eene verzoening over te halen. Zoodra hij van zijn neef vernam, waar zich zijne dochter en haar man bevonden, verklaarde hij dadelijk bij haar te willen gaan, en eens dáár, duldde hij ter naauwernood, dat zij zich voor hem op de knieën wierp, of hij hief haar op, en omhelsde haar met eene teederheid waardoor iedereen, die er getuige van was, getroffen werd;—zoodat hij binnen een kwartier evenzeer met haar en haar man verzoend was, alsof hij zelf het huwelijk gesmeed had.Zoo stonden dus de zaken toen de heer Allworthy met zijn gezelschap verscheen, om het geluk van mejufvrouw Miller te volmaken, die, zoodra zij Sophia zag, gissen kon wat voorgevallen was, en zoo opregt veel van Jones hield, dat dit niet weinig de verrukking verhoogde, welke zij gevoelde over het geluk van hare eigene dochter.Er zijn denkelijk weinige voorbeelden bekend van een vereeniging van menschen, die allen zoo volmaakt gelukkig[342]waren, als de leden van dit gezelschap. Onder dezen was de vader van Nightingale de minst gelukkige; want niettegenstaande zijne liefde tot zijn zoon, en in weerwil van het gezag en de redeneringen van Allworthy en van de andere reeds opgegevene redenen, was hij niet geheel en al tevreden met de keuze van zijn zoon, terwijl welligt het bijzijn van Sophia in geene geringe mate zijn verdriet vermeerderde en verbitterde, als tusschenbeide de gedachte bij hem opkwam, dat zijn zoon zelf die jonge dame, of eene andere van haren aard had kunnen krijgen. Het waren echter noch de ligchamelijke noch de verstandelijke bekoorlijkheden van Sophia, welke dezen wensch opwekten;—het was alleen de inhoud van haar vaders geldkist, welke zijne begeerte deed ontvlammen. Hij kon er niet aan denken dat zijn zoon bekoorlijkheden van dezen aard aan jufvrouw Miller opgeofferd had.De bruidjes zagen er beide heel goed uit; maar werden zoodanig verduisterd door de schoonheid van Sophia, dat als zij niet een paar der goedaardigste schepselen ter wereld geweest waren, deze omstandigheid haren nijd zou opgewekt hebben; want geen van de beide echtgenooten kon lang de oogen van Sophia afhouden, die aan de tafel zat als eene koningin om gehuldigd te worden, of liever als een bovennatuurlijk wezen, dat iedereen aanbidden moest. Maar het was eene aanbidding, die geschonken en niet afgeperst werd; want zij onderscheidde zich evenzeer door hare zedigheid en vriendelijkheid als door hare overige volmaaktheden.De avond ging in de meest ongemaakte vreugde voorbij. Allen waren gelukkig;—maar de gelukkigste waren diegenen, die vroeger het meest geleden hadden. Hun vroeger lijden en angst verhoogde thans hun geluk in eene mate, zooals zelfs de hoogste liefde en het fortuin niet hadden kunnen doen zonder bijgestaan te zijn door de tegenstelling van het verledene met het tegenwoordige. Daar echter de groote vreugde, vooral na zulk eene plotselinge verandering en ommekeer, geneigd is om te zwijgen, en eerder in het hart dan op de lippen zetelt, schenen Jones en Sophia de minst opgeruimden te zijn onder het gezelschap. Western merkte dit met veel ongeduld op, en riep[343]herhaaldelijk uit: „Waarom praat ge niet, jongen? Waarom kijkt ge zoo ernstig? Meisje! Zijt ge stom geworden? Drink nog eens! Ge zult nog eens drinken!”En om haar op te vrolijken, zong hij tusschenbeide allerlei grappige liederen, welke toespelingen bevatten op het huwelijk en op de verandering van een meisje in eene vrouw. Ja, hij zou zelfs over dit laatste onderwerp zoover uitgeweid hebben, dat zij de kamer had moeten verlaten, als de heer Allworthy hem niet telkens met blikken en een paar maal met een „Foei, foei, Western!” in toom had gehouden. Eens begon hij zelfs de zaak breedvoerig te bespreken, en zijn regt te doen gelden om al wat hij verkoos aan zijne eigene dochter te zeggen; daar hij echter bij niemand ondersteuning vond, werd hij weldra tot de orde geroepen.Niettegenstaande dezen dwang, was hij zóó ingenomen met de opgeruimdheid en vreugde van het gezelschap, dat hij er op stond dat allen den volgenden dag in zijne woning als gasten zouden verschijnen. Dit deden zij en de schoone Sophia, die inmiddels in stilte bruid was geworden, trad op als dame des huizes, of zooals men in de beschaafde kringen zegt, „nam de honneurs aan tafel waar;” want zij had reeds dien morgen hare hand aan Jones geschonken, in de kerk van Doctors Commons, waar de heeren Allworthy en Western met mejufvrouw Miller de eenige getuigen van de plegtigheid waren.Sophia had haren vader ernstig gesmeekt, dat niemand van het gezelschap, dat dien dag bij hem eten zou, met haar huwelijk zou bekend gemaakt worden. Hetzelfde stilzwijgen werd aan jufvrouw Miller opgelegd, en Jones stond voor Allworthy in.Dit verzoende de bedeesde Sophia eenigzins met de drukte van het feest, dat zij, volgens den wensch van haar vader, zoo zeer tegen haar eigen zin moest bijwonen. Vertrouwende op deze geheimhouding hield zij het tamelijk goed vol totdat de landjonker, die nu zijne tweede flesch bijna geleêgd had, zijne vreugde niet meer verbergen kon, en een vollen beker inschenkende, op de bruid dronk. Allen ledigden dadelijk de glazen om haar geluk te wenschen, tot groote verlegenheid van de arme blozende Sophia, om wier[344]wil ook Jones zich ergerde. Om de waarheid echter te bekennen, was er geen mensch tegenwoordig, die uit het gebabbel van den vader iets nieuws vernomen had; want jufvrouw Miller had het al vroeger hare dochter in ’t oor gefluisterd; de dochter had het haren man verteld; haar man aan zijne zuster,—en deze aan al de overigen.Sophia nam thans de eerste gelegenheid waar om zich met de dames te verwijderen, en de landjonker bleef bij de flesch, en werd langzamerhand verlaten door het geheele gezelschap,—uitgezonderd den jongen Nightingale, die evenveel van een glas wijn hield als de heer Western zelf. Deze beiden bleven er dan den geheelen avond dapper bij, en lang na het gelukkige uur, dat de bekoorlijke Sophia in de armen van haren verrukten echtgenoot gevoerd had.Eindelijk dan, lezer, hebben wij onze geschiedenis tot een einde gebragt, waarbij, tot ons groot genoegen, hoewel misschien tegen uwe verwachting, de heer Jones ons de gelukkigste der stervelingen moet toeschijnen;—want ik beken gaarne, dat ik nog niet ontdekt heb welk geluk gelijk staat met het bezit van zulk eene vrouw als Sophia.Wat de andere personen aangaat, die eene rol gespeeld hebben in deze geschiedenis, daar welligt sommige lezers nog het een en ander omtrent hen wenschen te vernemen, zal ik, zoo kort mogelijk, aan hunne nieuwsgierigheid voldoen.Men heeft Allworthy, tot dusver, niet kunnen overhalen, om Blifil te zien; maar hij heeft toegegeven aan het dringende verzoek van Jones, door Sophia ondersteund, om hem een jaargeld van tweehonderd pond te geven,—waarbij Jones, in stilte, een derde honderdtal gevoegd heeft. Van dit inkomen leeft hij in een der noordelijke graafschappen, ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van Londen, en legt er jaarlijks tweehonderd pond van over, om eene plaats te koopen in het Parlement, waarover hij in onderhandeling staat met een zaakwaarnemer in eene der naburige stadjes. Hij is ook in den laatsten tijd Methodist geworden, in de hoop om eene zeer rijke weduwe, tot die sekte behoorende en die goederen heeft in die streek, tot zijne vrouw te krijgen.Square stierf kort nadat hij den reeds vroeger vermelden[345]brief geschreven had, en wat Thwackum aangaat, deze leeft steeds nog op zijne pastorij. Hij heeft vele vruchtelooze pogingen gedaan om het vertrouwen van Allworthy te herwinnen, of om zich in de gunst van Jones in te dringen en hij vleit beiden in hun gezigt en scheldt hen uit achter hun rug. In plaats van hem, heeft de heer Allworthy onlangs den heer Abraham Adams bij zich in huis genomen, die een groote lieveling van Sophia is en wien zij voornemens is de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick is van haar man gescheiden en heeft het kleine overschot van haar vermogen behouden. Zij geniet een zeer goeden naam, leeft in een der deftigste buurten van de stad en weet zoo goed met het geld om te gaan, dat zij het driedubbele van het bedrag van haar inkomen uitgeeft, zonder schulden te maken. Zij is zeer intiem geworden met de echtgenoote van den Ierschen pair, en vergoedt door vriendschapsdiensten aan haar, alles wat zij aan den man van die dame te danken heeft.Mejufvrouw Western was weldra weder met hare nicht verzoend en heeft een paar maanden hij haar, buiten doorgebragt. Lady Bellaston legde een deftig bezoek bij Sophia af zoodra deze weder te Londen kwam, gedroeg zich tegenover Jones alsof zij hem nooit gekend had, en wenschte hem zeer beleefdelijk geluk met zijn huwelijk.De heer Nightingale heeft in de buurt van Jones eene buitenplaats gekocht voor zijn zoon, waar deze, met zijne jonge vrouw, jufvrouw Miller en haar dochtertje wonen, terwijl de beide familiën op de prettigste wijze met elkaar omgaan.Wat de menschen betreft, die eene minder belangrijke rol speelden: mevrouw Waters heeft van Allworthy een jaargeld van zestig pond sterling gekregen, en is gehuwd met dominé Supple, wien Allworthy, op Sophia’s verzoek, eene zeer goede predikantsplaats schonk.De Zwarte George, vernemende hoe hij ontdekt was, liep weg, en men heeft verder nooit iets van hem vernomen. Jones echter schonk het geld aan zijn huisgezin, maar deelde het niet gelijkmatig uit; want Molly kreeg op verre na het grootste aandeel.Aan Partridge schonk Jones vijftig pond ’s jaars, en hij[346]heeft weer eene school opgerigt, waarbij hij veel meer aanmoediging vindt dan vroeger. Er wordt thans over een huwelijk onderhandeld tusschen hem en mejufvrouw Molly Seagrim, en door Sophia’s bemiddeling zal de zaak waarschijnlijk gelukken.Wij moeten thans nog afscheid nemen van den heer Jones en Sophia, die twee dagen na hun huwelijk, met den heer Western en Allworthy weder naar buiten gingen. Western heeft aan zijn schoonzoon het heerenhuis en het grootste gedeelte zijner landerijen afgestaan en heeft zich terug getrokken in een zijner kleinere huizen in een ander gedeelte van het graafschap, dat eene betere jagt oplevert. Hij bezoekt echter dikwerf den heer Jones, die, met Sophia, vreugde er in schept om alles te doen wat zij kunnen, om hem te behagen. En dit gelukt hun zoo goed, dat de oude heer verklaart, dat hij nu, voor het eerst van zijn leven, volmaakt gelukkig is. Hij heeft bij hen in huis eene zitkamer en spreekkamer tot zijne beschikking, waar hij zich dronken kan drinken met wien hij verkiest, terwijl zijne dochter even gereed blijft als vroeger om hem al wat hij wil, voor te spelen. Jones heeft hem ook verzekerd, dat, daar, na haar te behagen, het mede zijn dierbaarste wensch is om tot het geluk van den ouden heer bij te dragen, hij haar bijna evenzeer bemint om de wijze waarop zij haar pligt bij haren vader doet, als om de liefde welke zij hemzelven geschonken heeft.Sophia heeft hem reeds twee schoone kinderen geschonken, een jongen en een meisje, op welke de oude man zoodanig verzot is, dat hij veel van zijn tijd op de kinderkamer doorbrengt, waar hij verklaart, dat het gebabbel van zijn kleindochtertje, dat reeds meer dan achttien maanden oud is, hem zoeter klinkt dan het geblaf van de fraaiste jagthonden in geheel Engeland.Allworthy was ook zeer mild jegens Jones bij diens huwelijk en laat geene gelegenheid voorbijgaan om hem en zijner echtgenoote blijken zijner liefde te geven, terwijl zij hem als een vader vereeren. Al wat in de natuur van Jones hem tot ondeugd deed overhellen, is verbeterd door den onafgebroken omgang met dezen goeden man en door zijn huwelijk met de schoone en deugdzame Sophia. Door[347]na te denken over zijne vroegere dwaasheden, heeft hij ook eene voorzigtigheid en overleg geleerd, die zelden gevonden worden bij iemand van zijn levendig karakter.Eindelijk: even als men geen waardiger paar kan vinden dan deze twee menschen,—zoo kan er men zich ook geen gelukkiger voorstellen. Zij bewaren onderling de zuiverste en teederste liefde, welke dagelijks vermeerderd en bevestigd wordt door hartelijkheid en wederzijdsche achting. Zij zijn ook niet minder beminnelijk in hun gedrag jegens hunne betrekkingen en vrienden dan jegens elkaar. En zoo groot is hunne goedheid, toegevendheid en weldadigheid jegens hunne minderen, dat er geen buurman, pachter of bediende is, die niet dankbaar den dag zegent, waarop de heer Jones met zijne Sophia vereenigd werd.EINDE.
[Inhoud]Het laatste hoofdstuk.Einde van de geschiedenis.De jonge Nightingale was dien namiddag, volgens afspraak, bij zijn vader geweest, die hem vriendelijker ontvangen had, dan verwacht werd. Hij ontmoette ook bij hem zijn oom, die naar de stad was teruggekeerd, om zijne pas gehuwde dochter te zoeken.Dit huwelijk was de gelukkigste gebeurtenis, welke den jongen Nightingale had kunnen overkomen; want de beide broeders leefden in aanhoudenden twist met elkaar over hunne kinderen, terwijl zij elkaars stelsel van opvoeding diep verachtten. Zij trachtten dus nu, beiden, zooveel mogelijk het gedrag van hun eigen kind te verschoonen, en dat van het andere in het zwartst mogelijke licht voor te stellen. Deze wensch om op zijn broeder te zegevieren en de vele redeneringen door Allworthy gebezigd, werkten zoo sterk bij den ouden heer, dat hij zijn zoon met een glimlach op de lippen tegenkwam, en er zelfs in toestemde om dien avond met hem te souperen hij jufvrouw Miller.Wat den anderen broeder betreft, die werkelijk buitengewoon veel van zijne dochter hield, het kostte slechts weinig moeite om hem tot eene verzoening over te halen. Zoodra hij van zijn neef vernam, waar zich zijne dochter en haar man bevonden, verklaarde hij dadelijk bij haar te willen gaan, en eens dáár, duldde hij ter naauwernood, dat zij zich voor hem op de knieën wierp, of hij hief haar op, en omhelsde haar met eene teederheid waardoor iedereen, die er getuige van was, getroffen werd;—zoodat hij binnen een kwartier evenzeer met haar en haar man verzoend was, alsof hij zelf het huwelijk gesmeed had.Zoo stonden dus de zaken toen de heer Allworthy met zijn gezelschap verscheen, om het geluk van mejufvrouw Miller te volmaken, die, zoodra zij Sophia zag, gissen kon wat voorgevallen was, en zoo opregt veel van Jones hield, dat dit niet weinig de verrukking verhoogde, welke zij gevoelde over het geluk van hare eigene dochter.Er zijn denkelijk weinige voorbeelden bekend van een vereeniging van menschen, die allen zoo volmaakt gelukkig[342]waren, als de leden van dit gezelschap. Onder dezen was de vader van Nightingale de minst gelukkige; want niettegenstaande zijne liefde tot zijn zoon, en in weerwil van het gezag en de redeneringen van Allworthy en van de andere reeds opgegevene redenen, was hij niet geheel en al tevreden met de keuze van zijn zoon, terwijl welligt het bijzijn van Sophia in geene geringe mate zijn verdriet vermeerderde en verbitterde, als tusschenbeide de gedachte bij hem opkwam, dat zijn zoon zelf die jonge dame, of eene andere van haren aard had kunnen krijgen. Het waren echter noch de ligchamelijke noch de verstandelijke bekoorlijkheden van Sophia, welke dezen wensch opwekten;—het was alleen de inhoud van haar vaders geldkist, welke zijne begeerte deed ontvlammen. Hij kon er niet aan denken dat zijn zoon bekoorlijkheden van dezen aard aan jufvrouw Miller opgeofferd had.De bruidjes zagen er beide heel goed uit; maar werden zoodanig verduisterd door de schoonheid van Sophia, dat als zij niet een paar der goedaardigste schepselen ter wereld geweest waren, deze omstandigheid haren nijd zou opgewekt hebben; want geen van de beide echtgenooten kon lang de oogen van Sophia afhouden, die aan de tafel zat als eene koningin om gehuldigd te worden, of liever als een bovennatuurlijk wezen, dat iedereen aanbidden moest. Maar het was eene aanbidding, die geschonken en niet afgeperst werd; want zij onderscheidde zich evenzeer door hare zedigheid en vriendelijkheid als door hare overige volmaaktheden.De avond ging in de meest ongemaakte vreugde voorbij. Allen waren gelukkig;—maar de gelukkigste waren diegenen, die vroeger het meest geleden hadden. Hun vroeger lijden en angst verhoogde thans hun geluk in eene mate, zooals zelfs de hoogste liefde en het fortuin niet hadden kunnen doen zonder bijgestaan te zijn door de tegenstelling van het verledene met het tegenwoordige. Daar echter de groote vreugde, vooral na zulk eene plotselinge verandering en ommekeer, geneigd is om te zwijgen, en eerder in het hart dan op de lippen zetelt, schenen Jones en Sophia de minst opgeruimden te zijn onder het gezelschap. Western merkte dit met veel ongeduld op, en riep[343]herhaaldelijk uit: „Waarom praat ge niet, jongen? Waarom kijkt ge zoo ernstig? Meisje! Zijt ge stom geworden? Drink nog eens! Ge zult nog eens drinken!”En om haar op te vrolijken, zong hij tusschenbeide allerlei grappige liederen, welke toespelingen bevatten op het huwelijk en op de verandering van een meisje in eene vrouw. Ja, hij zou zelfs over dit laatste onderwerp zoover uitgeweid hebben, dat zij de kamer had moeten verlaten, als de heer Allworthy hem niet telkens met blikken en een paar maal met een „Foei, foei, Western!” in toom had gehouden. Eens begon hij zelfs de zaak breedvoerig te bespreken, en zijn regt te doen gelden om al wat hij verkoos aan zijne eigene dochter te zeggen; daar hij echter bij niemand ondersteuning vond, werd hij weldra tot de orde geroepen.Niettegenstaande dezen dwang, was hij zóó ingenomen met de opgeruimdheid en vreugde van het gezelschap, dat hij er op stond dat allen den volgenden dag in zijne woning als gasten zouden verschijnen. Dit deden zij en de schoone Sophia, die inmiddels in stilte bruid was geworden, trad op als dame des huizes, of zooals men in de beschaafde kringen zegt, „nam de honneurs aan tafel waar;” want zij had reeds dien morgen hare hand aan Jones geschonken, in de kerk van Doctors Commons, waar de heeren Allworthy en Western met mejufvrouw Miller de eenige getuigen van de plegtigheid waren.Sophia had haren vader ernstig gesmeekt, dat niemand van het gezelschap, dat dien dag bij hem eten zou, met haar huwelijk zou bekend gemaakt worden. Hetzelfde stilzwijgen werd aan jufvrouw Miller opgelegd, en Jones stond voor Allworthy in.Dit verzoende de bedeesde Sophia eenigzins met de drukte van het feest, dat zij, volgens den wensch van haar vader, zoo zeer tegen haar eigen zin moest bijwonen. Vertrouwende op deze geheimhouding hield zij het tamelijk goed vol totdat de landjonker, die nu zijne tweede flesch bijna geleêgd had, zijne vreugde niet meer verbergen kon, en een vollen beker inschenkende, op de bruid dronk. Allen ledigden dadelijk de glazen om haar geluk te wenschen, tot groote verlegenheid van de arme blozende Sophia, om wier[344]wil ook Jones zich ergerde. Om de waarheid echter te bekennen, was er geen mensch tegenwoordig, die uit het gebabbel van den vader iets nieuws vernomen had; want jufvrouw Miller had het al vroeger hare dochter in ’t oor gefluisterd; de dochter had het haren man verteld; haar man aan zijne zuster,—en deze aan al de overigen.Sophia nam thans de eerste gelegenheid waar om zich met de dames te verwijderen, en de landjonker bleef bij de flesch, en werd langzamerhand verlaten door het geheele gezelschap,—uitgezonderd den jongen Nightingale, die evenveel van een glas wijn hield als de heer Western zelf. Deze beiden bleven er dan den geheelen avond dapper bij, en lang na het gelukkige uur, dat de bekoorlijke Sophia in de armen van haren verrukten echtgenoot gevoerd had.Eindelijk dan, lezer, hebben wij onze geschiedenis tot een einde gebragt, waarbij, tot ons groot genoegen, hoewel misschien tegen uwe verwachting, de heer Jones ons de gelukkigste der stervelingen moet toeschijnen;—want ik beken gaarne, dat ik nog niet ontdekt heb welk geluk gelijk staat met het bezit van zulk eene vrouw als Sophia.Wat de andere personen aangaat, die eene rol gespeeld hebben in deze geschiedenis, daar welligt sommige lezers nog het een en ander omtrent hen wenschen te vernemen, zal ik, zoo kort mogelijk, aan hunne nieuwsgierigheid voldoen.Men heeft Allworthy, tot dusver, niet kunnen overhalen, om Blifil te zien; maar hij heeft toegegeven aan het dringende verzoek van Jones, door Sophia ondersteund, om hem een jaargeld van tweehonderd pond te geven,—waarbij Jones, in stilte, een derde honderdtal gevoegd heeft. Van dit inkomen leeft hij in een der noordelijke graafschappen, ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van Londen, en legt er jaarlijks tweehonderd pond van over, om eene plaats te koopen in het Parlement, waarover hij in onderhandeling staat met een zaakwaarnemer in eene der naburige stadjes. Hij is ook in den laatsten tijd Methodist geworden, in de hoop om eene zeer rijke weduwe, tot die sekte behoorende en die goederen heeft in die streek, tot zijne vrouw te krijgen.Square stierf kort nadat hij den reeds vroeger vermelden[345]brief geschreven had, en wat Thwackum aangaat, deze leeft steeds nog op zijne pastorij. Hij heeft vele vruchtelooze pogingen gedaan om het vertrouwen van Allworthy te herwinnen, of om zich in de gunst van Jones in te dringen en hij vleit beiden in hun gezigt en scheldt hen uit achter hun rug. In plaats van hem, heeft de heer Allworthy onlangs den heer Abraham Adams bij zich in huis genomen, die een groote lieveling van Sophia is en wien zij voornemens is de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick is van haar man gescheiden en heeft het kleine overschot van haar vermogen behouden. Zij geniet een zeer goeden naam, leeft in een der deftigste buurten van de stad en weet zoo goed met het geld om te gaan, dat zij het driedubbele van het bedrag van haar inkomen uitgeeft, zonder schulden te maken. Zij is zeer intiem geworden met de echtgenoote van den Ierschen pair, en vergoedt door vriendschapsdiensten aan haar, alles wat zij aan den man van die dame te danken heeft.Mejufvrouw Western was weldra weder met hare nicht verzoend en heeft een paar maanden hij haar, buiten doorgebragt. Lady Bellaston legde een deftig bezoek bij Sophia af zoodra deze weder te Londen kwam, gedroeg zich tegenover Jones alsof zij hem nooit gekend had, en wenschte hem zeer beleefdelijk geluk met zijn huwelijk.De heer Nightingale heeft in de buurt van Jones eene buitenplaats gekocht voor zijn zoon, waar deze, met zijne jonge vrouw, jufvrouw Miller en haar dochtertje wonen, terwijl de beide familiën op de prettigste wijze met elkaar omgaan.Wat de menschen betreft, die eene minder belangrijke rol speelden: mevrouw Waters heeft van Allworthy een jaargeld van zestig pond sterling gekregen, en is gehuwd met dominé Supple, wien Allworthy, op Sophia’s verzoek, eene zeer goede predikantsplaats schonk.De Zwarte George, vernemende hoe hij ontdekt was, liep weg, en men heeft verder nooit iets van hem vernomen. Jones echter schonk het geld aan zijn huisgezin, maar deelde het niet gelijkmatig uit; want Molly kreeg op verre na het grootste aandeel.Aan Partridge schonk Jones vijftig pond ’s jaars, en hij[346]heeft weer eene school opgerigt, waarbij hij veel meer aanmoediging vindt dan vroeger. Er wordt thans over een huwelijk onderhandeld tusschen hem en mejufvrouw Molly Seagrim, en door Sophia’s bemiddeling zal de zaak waarschijnlijk gelukken.Wij moeten thans nog afscheid nemen van den heer Jones en Sophia, die twee dagen na hun huwelijk, met den heer Western en Allworthy weder naar buiten gingen. Western heeft aan zijn schoonzoon het heerenhuis en het grootste gedeelte zijner landerijen afgestaan en heeft zich terug getrokken in een zijner kleinere huizen in een ander gedeelte van het graafschap, dat eene betere jagt oplevert. Hij bezoekt echter dikwerf den heer Jones, die, met Sophia, vreugde er in schept om alles te doen wat zij kunnen, om hem te behagen. En dit gelukt hun zoo goed, dat de oude heer verklaart, dat hij nu, voor het eerst van zijn leven, volmaakt gelukkig is. Hij heeft bij hen in huis eene zitkamer en spreekkamer tot zijne beschikking, waar hij zich dronken kan drinken met wien hij verkiest, terwijl zijne dochter even gereed blijft als vroeger om hem al wat hij wil, voor te spelen. Jones heeft hem ook verzekerd, dat, daar, na haar te behagen, het mede zijn dierbaarste wensch is om tot het geluk van den ouden heer bij te dragen, hij haar bijna evenzeer bemint om de wijze waarop zij haar pligt bij haren vader doet, als om de liefde welke zij hemzelven geschonken heeft.Sophia heeft hem reeds twee schoone kinderen geschonken, een jongen en een meisje, op welke de oude man zoodanig verzot is, dat hij veel van zijn tijd op de kinderkamer doorbrengt, waar hij verklaart, dat het gebabbel van zijn kleindochtertje, dat reeds meer dan achttien maanden oud is, hem zoeter klinkt dan het geblaf van de fraaiste jagthonden in geheel Engeland.Allworthy was ook zeer mild jegens Jones bij diens huwelijk en laat geene gelegenheid voorbijgaan om hem en zijner echtgenoote blijken zijner liefde te geven, terwijl zij hem als een vader vereeren. Al wat in de natuur van Jones hem tot ondeugd deed overhellen, is verbeterd door den onafgebroken omgang met dezen goeden man en door zijn huwelijk met de schoone en deugdzame Sophia. Door[347]na te denken over zijne vroegere dwaasheden, heeft hij ook eene voorzigtigheid en overleg geleerd, die zelden gevonden worden bij iemand van zijn levendig karakter.Eindelijk: even als men geen waardiger paar kan vinden dan deze twee menschen,—zoo kan er men zich ook geen gelukkiger voorstellen. Zij bewaren onderling de zuiverste en teederste liefde, welke dagelijks vermeerderd en bevestigd wordt door hartelijkheid en wederzijdsche achting. Zij zijn ook niet minder beminnelijk in hun gedrag jegens hunne betrekkingen en vrienden dan jegens elkaar. En zoo groot is hunne goedheid, toegevendheid en weldadigheid jegens hunne minderen, dat er geen buurman, pachter of bediende is, die niet dankbaar den dag zegent, waarop de heer Jones met zijne Sophia vereenigd werd.EINDE.
Het laatste hoofdstuk.Einde van de geschiedenis.
De jonge Nightingale was dien namiddag, volgens afspraak, bij zijn vader geweest, die hem vriendelijker ontvangen had, dan verwacht werd. Hij ontmoette ook bij hem zijn oom, die naar de stad was teruggekeerd, om zijne pas gehuwde dochter te zoeken.Dit huwelijk was de gelukkigste gebeurtenis, welke den jongen Nightingale had kunnen overkomen; want de beide broeders leefden in aanhoudenden twist met elkaar over hunne kinderen, terwijl zij elkaars stelsel van opvoeding diep verachtten. Zij trachtten dus nu, beiden, zooveel mogelijk het gedrag van hun eigen kind te verschoonen, en dat van het andere in het zwartst mogelijke licht voor te stellen. Deze wensch om op zijn broeder te zegevieren en de vele redeneringen door Allworthy gebezigd, werkten zoo sterk bij den ouden heer, dat hij zijn zoon met een glimlach op de lippen tegenkwam, en er zelfs in toestemde om dien avond met hem te souperen hij jufvrouw Miller.Wat den anderen broeder betreft, die werkelijk buitengewoon veel van zijne dochter hield, het kostte slechts weinig moeite om hem tot eene verzoening over te halen. Zoodra hij van zijn neef vernam, waar zich zijne dochter en haar man bevonden, verklaarde hij dadelijk bij haar te willen gaan, en eens dáár, duldde hij ter naauwernood, dat zij zich voor hem op de knieën wierp, of hij hief haar op, en omhelsde haar met eene teederheid waardoor iedereen, die er getuige van was, getroffen werd;—zoodat hij binnen een kwartier evenzeer met haar en haar man verzoend was, alsof hij zelf het huwelijk gesmeed had.Zoo stonden dus de zaken toen de heer Allworthy met zijn gezelschap verscheen, om het geluk van mejufvrouw Miller te volmaken, die, zoodra zij Sophia zag, gissen kon wat voorgevallen was, en zoo opregt veel van Jones hield, dat dit niet weinig de verrukking verhoogde, welke zij gevoelde over het geluk van hare eigene dochter.Er zijn denkelijk weinige voorbeelden bekend van een vereeniging van menschen, die allen zoo volmaakt gelukkig[342]waren, als de leden van dit gezelschap. Onder dezen was de vader van Nightingale de minst gelukkige; want niettegenstaande zijne liefde tot zijn zoon, en in weerwil van het gezag en de redeneringen van Allworthy en van de andere reeds opgegevene redenen, was hij niet geheel en al tevreden met de keuze van zijn zoon, terwijl welligt het bijzijn van Sophia in geene geringe mate zijn verdriet vermeerderde en verbitterde, als tusschenbeide de gedachte bij hem opkwam, dat zijn zoon zelf die jonge dame, of eene andere van haren aard had kunnen krijgen. Het waren echter noch de ligchamelijke noch de verstandelijke bekoorlijkheden van Sophia, welke dezen wensch opwekten;—het was alleen de inhoud van haar vaders geldkist, welke zijne begeerte deed ontvlammen. Hij kon er niet aan denken dat zijn zoon bekoorlijkheden van dezen aard aan jufvrouw Miller opgeofferd had.De bruidjes zagen er beide heel goed uit; maar werden zoodanig verduisterd door de schoonheid van Sophia, dat als zij niet een paar der goedaardigste schepselen ter wereld geweest waren, deze omstandigheid haren nijd zou opgewekt hebben; want geen van de beide echtgenooten kon lang de oogen van Sophia afhouden, die aan de tafel zat als eene koningin om gehuldigd te worden, of liever als een bovennatuurlijk wezen, dat iedereen aanbidden moest. Maar het was eene aanbidding, die geschonken en niet afgeperst werd; want zij onderscheidde zich evenzeer door hare zedigheid en vriendelijkheid als door hare overige volmaaktheden.De avond ging in de meest ongemaakte vreugde voorbij. Allen waren gelukkig;—maar de gelukkigste waren diegenen, die vroeger het meest geleden hadden. Hun vroeger lijden en angst verhoogde thans hun geluk in eene mate, zooals zelfs de hoogste liefde en het fortuin niet hadden kunnen doen zonder bijgestaan te zijn door de tegenstelling van het verledene met het tegenwoordige. Daar echter de groote vreugde, vooral na zulk eene plotselinge verandering en ommekeer, geneigd is om te zwijgen, en eerder in het hart dan op de lippen zetelt, schenen Jones en Sophia de minst opgeruimden te zijn onder het gezelschap. Western merkte dit met veel ongeduld op, en riep[343]herhaaldelijk uit: „Waarom praat ge niet, jongen? Waarom kijkt ge zoo ernstig? Meisje! Zijt ge stom geworden? Drink nog eens! Ge zult nog eens drinken!”En om haar op te vrolijken, zong hij tusschenbeide allerlei grappige liederen, welke toespelingen bevatten op het huwelijk en op de verandering van een meisje in eene vrouw. Ja, hij zou zelfs over dit laatste onderwerp zoover uitgeweid hebben, dat zij de kamer had moeten verlaten, als de heer Allworthy hem niet telkens met blikken en een paar maal met een „Foei, foei, Western!” in toom had gehouden. Eens begon hij zelfs de zaak breedvoerig te bespreken, en zijn regt te doen gelden om al wat hij verkoos aan zijne eigene dochter te zeggen; daar hij echter bij niemand ondersteuning vond, werd hij weldra tot de orde geroepen.Niettegenstaande dezen dwang, was hij zóó ingenomen met de opgeruimdheid en vreugde van het gezelschap, dat hij er op stond dat allen den volgenden dag in zijne woning als gasten zouden verschijnen. Dit deden zij en de schoone Sophia, die inmiddels in stilte bruid was geworden, trad op als dame des huizes, of zooals men in de beschaafde kringen zegt, „nam de honneurs aan tafel waar;” want zij had reeds dien morgen hare hand aan Jones geschonken, in de kerk van Doctors Commons, waar de heeren Allworthy en Western met mejufvrouw Miller de eenige getuigen van de plegtigheid waren.Sophia had haren vader ernstig gesmeekt, dat niemand van het gezelschap, dat dien dag bij hem eten zou, met haar huwelijk zou bekend gemaakt worden. Hetzelfde stilzwijgen werd aan jufvrouw Miller opgelegd, en Jones stond voor Allworthy in.Dit verzoende de bedeesde Sophia eenigzins met de drukte van het feest, dat zij, volgens den wensch van haar vader, zoo zeer tegen haar eigen zin moest bijwonen. Vertrouwende op deze geheimhouding hield zij het tamelijk goed vol totdat de landjonker, die nu zijne tweede flesch bijna geleêgd had, zijne vreugde niet meer verbergen kon, en een vollen beker inschenkende, op de bruid dronk. Allen ledigden dadelijk de glazen om haar geluk te wenschen, tot groote verlegenheid van de arme blozende Sophia, om wier[344]wil ook Jones zich ergerde. Om de waarheid echter te bekennen, was er geen mensch tegenwoordig, die uit het gebabbel van den vader iets nieuws vernomen had; want jufvrouw Miller had het al vroeger hare dochter in ’t oor gefluisterd; de dochter had het haren man verteld; haar man aan zijne zuster,—en deze aan al de overigen.Sophia nam thans de eerste gelegenheid waar om zich met de dames te verwijderen, en de landjonker bleef bij de flesch, en werd langzamerhand verlaten door het geheele gezelschap,—uitgezonderd den jongen Nightingale, die evenveel van een glas wijn hield als de heer Western zelf. Deze beiden bleven er dan den geheelen avond dapper bij, en lang na het gelukkige uur, dat de bekoorlijke Sophia in de armen van haren verrukten echtgenoot gevoerd had.Eindelijk dan, lezer, hebben wij onze geschiedenis tot een einde gebragt, waarbij, tot ons groot genoegen, hoewel misschien tegen uwe verwachting, de heer Jones ons de gelukkigste der stervelingen moet toeschijnen;—want ik beken gaarne, dat ik nog niet ontdekt heb welk geluk gelijk staat met het bezit van zulk eene vrouw als Sophia.Wat de andere personen aangaat, die eene rol gespeeld hebben in deze geschiedenis, daar welligt sommige lezers nog het een en ander omtrent hen wenschen te vernemen, zal ik, zoo kort mogelijk, aan hunne nieuwsgierigheid voldoen.Men heeft Allworthy, tot dusver, niet kunnen overhalen, om Blifil te zien; maar hij heeft toegegeven aan het dringende verzoek van Jones, door Sophia ondersteund, om hem een jaargeld van tweehonderd pond te geven,—waarbij Jones, in stilte, een derde honderdtal gevoegd heeft. Van dit inkomen leeft hij in een der noordelijke graafschappen, ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van Londen, en legt er jaarlijks tweehonderd pond van over, om eene plaats te koopen in het Parlement, waarover hij in onderhandeling staat met een zaakwaarnemer in eene der naburige stadjes. Hij is ook in den laatsten tijd Methodist geworden, in de hoop om eene zeer rijke weduwe, tot die sekte behoorende en die goederen heeft in die streek, tot zijne vrouw te krijgen.Square stierf kort nadat hij den reeds vroeger vermelden[345]brief geschreven had, en wat Thwackum aangaat, deze leeft steeds nog op zijne pastorij. Hij heeft vele vruchtelooze pogingen gedaan om het vertrouwen van Allworthy te herwinnen, of om zich in de gunst van Jones in te dringen en hij vleit beiden in hun gezigt en scheldt hen uit achter hun rug. In plaats van hem, heeft de heer Allworthy onlangs den heer Abraham Adams bij zich in huis genomen, die een groote lieveling van Sophia is en wien zij voornemens is de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick is van haar man gescheiden en heeft het kleine overschot van haar vermogen behouden. Zij geniet een zeer goeden naam, leeft in een der deftigste buurten van de stad en weet zoo goed met het geld om te gaan, dat zij het driedubbele van het bedrag van haar inkomen uitgeeft, zonder schulden te maken. Zij is zeer intiem geworden met de echtgenoote van den Ierschen pair, en vergoedt door vriendschapsdiensten aan haar, alles wat zij aan den man van die dame te danken heeft.Mejufvrouw Western was weldra weder met hare nicht verzoend en heeft een paar maanden hij haar, buiten doorgebragt. Lady Bellaston legde een deftig bezoek bij Sophia af zoodra deze weder te Londen kwam, gedroeg zich tegenover Jones alsof zij hem nooit gekend had, en wenschte hem zeer beleefdelijk geluk met zijn huwelijk.De heer Nightingale heeft in de buurt van Jones eene buitenplaats gekocht voor zijn zoon, waar deze, met zijne jonge vrouw, jufvrouw Miller en haar dochtertje wonen, terwijl de beide familiën op de prettigste wijze met elkaar omgaan.Wat de menschen betreft, die eene minder belangrijke rol speelden: mevrouw Waters heeft van Allworthy een jaargeld van zestig pond sterling gekregen, en is gehuwd met dominé Supple, wien Allworthy, op Sophia’s verzoek, eene zeer goede predikantsplaats schonk.De Zwarte George, vernemende hoe hij ontdekt was, liep weg, en men heeft verder nooit iets van hem vernomen. Jones echter schonk het geld aan zijn huisgezin, maar deelde het niet gelijkmatig uit; want Molly kreeg op verre na het grootste aandeel.Aan Partridge schonk Jones vijftig pond ’s jaars, en hij[346]heeft weer eene school opgerigt, waarbij hij veel meer aanmoediging vindt dan vroeger. Er wordt thans over een huwelijk onderhandeld tusschen hem en mejufvrouw Molly Seagrim, en door Sophia’s bemiddeling zal de zaak waarschijnlijk gelukken.Wij moeten thans nog afscheid nemen van den heer Jones en Sophia, die twee dagen na hun huwelijk, met den heer Western en Allworthy weder naar buiten gingen. Western heeft aan zijn schoonzoon het heerenhuis en het grootste gedeelte zijner landerijen afgestaan en heeft zich terug getrokken in een zijner kleinere huizen in een ander gedeelte van het graafschap, dat eene betere jagt oplevert. Hij bezoekt echter dikwerf den heer Jones, die, met Sophia, vreugde er in schept om alles te doen wat zij kunnen, om hem te behagen. En dit gelukt hun zoo goed, dat de oude heer verklaart, dat hij nu, voor het eerst van zijn leven, volmaakt gelukkig is. Hij heeft bij hen in huis eene zitkamer en spreekkamer tot zijne beschikking, waar hij zich dronken kan drinken met wien hij verkiest, terwijl zijne dochter even gereed blijft als vroeger om hem al wat hij wil, voor te spelen. Jones heeft hem ook verzekerd, dat, daar, na haar te behagen, het mede zijn dierbaarste wensch is om tot het geluk van den ouden heer bij te dragen, hij haar bijna evenzeer bemint om de wijze waarop zij haar pligt bij haren vader doet, als om de liefde welke zij hemzelven geschonken heeft.Sophia heeft hem reeds twee schoone kinderen geschonken, een jongen en een meisje, op welke de oude man zoodanig verzot is, dat hij veel van zijn tijd op de kinderkamer doorbrengt, waar hij verklaart, dat het gebabbel van zijn kleindochtertje, dat reeds meer dan achttien maanden oud is, hem zoeter klinkt dan het geblaf van de fraaiste jagthonden in geheel Engeland.Allworthy was ook zeer mild jegens Jones bij diens huwelijk en laat geene gelegenheid voorbijgaan om hem en zijner echtgenoote blijken zijner liefde te geven, terwijl zij hem als een vader vereeren. Al wat in de natuur van Jones hem tot ondeugd deed overhellen, is verbeterd door den onafgebroken omgang met dezen goeden man en door zijn huwelijk met de schoone en deugdzame Sophia. Door[347]na te denken over zijne vroegere dwaasheden, heeft hij ook eene voorzigtigheid en overleg geleerd, die zelden gevonden worden bij iemand van zijn levendig karakter.Eindelijk: even als men geen waardiger paar kan vinden dan deze twee menschen,—zoo kan er men zich ook geen gelukkiger voorstellen. Zij bewaren onderling de zuiverste en teederste liefde, welke dagelijks vermeerderd en bevestigd wordt door hartelijkheid en wederzijdsche achting. Zij zijn ook niet minder beminnelijk in hun gedrag jegens hunne betrekkingen en vrienden dan jegens elkaar. En zoo groot is hunne goedheid, toegevendheid en weldadigheid jegens hunne minderen, dat er geen buurman, pachter of bediende is, die niet dankbaar den dag zegent, waarop de heer Jones met zijne Sophia vereenigd werd.EINDE.
De jonge Nightingale was dien namiddag, volgens afspraak, bij zijn vader geweest, die hem vriendelijker ontvangen had, dan verwacht werd. Hij ontmoette ook bij hem zijn oom, die naar de stad was teruggekeerd, om zijne pas gehuwde dochter te zoeken.
Dit huwelijk was de gelukkigste gebeurtenis, welke den jongen Nightingale had kunnen overkomen; want de beide broeders leefden in aanhoudenden twist met elkaar over hunne kinderen, terwijl zij elkaars stelsel van opvoeding diep verachtten. Zij trachtten dus nu, beiden, zooveel mogelijk het gedrag van hun eigen kind te verschoonen, en dat van het andere in het zwartst mogelijke licht voor te stellen. Deze wensch om op zijn broeder te zegevieren en de vele redeneringen door Allworthy gebezigd, werkten zoo sterk bij den ouden heer, dat hij zijn zoon met een glimlach op de lippen tegenkwam, en er zelfs in toestemde om dien avond met hem te souperen hij jufvrouw Miller.
Wat den anderen broeder betreft, die werkelijk buitengewoon veel van zijne dochter hield, het kostte slechts weinig moeite om hem tot eene verzoening over te halen. Zoodra hij van zijn neef vernam, waar zich zijne dochter en haar man bevonden, verklaarde hij dadelijk bij haar te willen gaan, en eens dáár, duldde hij ter naauwernood, dat zij zich voor hem op de knieën wierp, of hij hief haar op, en omhelsde haar met eene teederheid waardoor iedereen, die er getuige van was, getroffen werd;—zoodat hij binnen een kwartier evenzeer met haar en haar man verzoend was, alsof hij zelf het huwelijk gesmeed had.
Zoo stonden dus de zaken toen de heer Allworthy met zijn gezelschap verscheen, om het geluk van mejufvrouw Miller te volmaken, die, zoodra zij Sophia zag, gissen kon wat voorgevallen was, en zoo opregt veel van Jones hield, dat dit niet weinig de verrukking verhoogde, welke zij gevoelde over het geluk van hare eigene dochter.
Er zijn denkelijk weinige voorbeelden bekend van een vereeniging van menschen, die allen zoo volmaakt gelukkig[342]waren, als de leden van dit gezelschap. Onder dezen was de vader van Nightingale de minst gelukkige; want niettegenstaande zijne liefde tot zijn zoon, en in weerwil van het gezag en de redeneringen van Allworthy en van de andere reeds opgegevene redenen, was hij niet geheel en al tevreden met de keuze van zijn zoon, terwijl welligt het bijzijn van Sophia in geene geringe mate zijn verdriet vermeerderde en verbitterde, als tusschenbeide de gedachte bij hem opkwam, dat zijn zoon zelf die jonge dame, of eene andere van haren aard had kunnen krijgen. Het waren echter noch de ligchamelijke noch de verstandelijke bekoorlijkheden van Sophia, welke dezen wensch opwekten;—het was alleen de inhoud van haar vaders geldkist, welke zijne begeerte deed ontvlammen. Hij kon er niet aan denken dat zijn zoon bekoorlijkheden van dezen aard aan jufvrouw Miller opgeofferd had.
De bruidjes zagen er beide heel goed uit; maar werden zoodanig verduisterd door de schoonheid van Sophia, dat als zij niet een paar der goedaardigste schepselen ter wereld geweest waren, deze omstandigheid haren nijd zou opgewekt hebben; want geen van de beide echtgenooten kon lang de oogen van Sophia afhouden, die aan de tafel zat als eene koningin om gehuldigd te worden, of liever als een bovennatuurlijk wezen, dat iedereen aanbidden moest. Maar het was eene aanbidding, die geschonken en niet afgeperst werd; want zij onderscheidde zich evenzeer door hare zedigheid en vriendelijkheid als door hare overige volmaaktheden.
De avond ging in de meest ongemaakte vreugde voorbij. Allen waren gelukkig;—maar de gelukkigste waren diegenen, die vroeger het meest geleden hadden. Hun vroeger lijden en angst verhoogde thans hun geluk in eene mate, zooals zelfs de hoogste liefde en het fortuin niet hadden kunnen doen zonder bijgestaan te zijn door de tegenstelling van het verledene met het tegenwoordige. Daar echter de groote vreugde, vooral na zulk eene plotselinge verandering en ommekeer, geneigd is om te zwijgen, en eerder in het hart dan op de lippen zetelt, schenen Jones en Sophia de minst opgeruimden te zijn onder het gezelschap. Western merkte dit met veel ongeduld op, en riep[343]herhaaldelijk uit: „Waarom praat ge niet, jongen? Waarom kijkt ge zoo ernstig? Meisje! Zijt ge stom geworden? Drink nog eens! Ge zult nog eens drinken!”
En om haar op te vrolijken, zong hij tusschenbeide allerlei grappige liederen, welke toespelingen bevatten op het huwelijk en op de verandering van een meisje in eene vrouw. Ja, hij zou zelfs over dit laatste onderwerp zoover uitgeweid hebben, dat zij de kamer had moeten verlaten, als de heer Allworthy hem niet telkens met blikken en een paar maal met een „Foei, foei, Western!” in toom had gehouden. Eens begon hij zelfs de zaak breedvoerig te bespreken, en zijn regt te doen gelden om al wat hij verkoos aan zijne eigene dochter te zeggen; daar hij echter bij niemand ondersteuning vond, werd hij weldra tot de orde geroepen.
Niettegenstaande dezen dwang, was hij zóó ingenomen met de opgeruimdheid en vreugde van het gezelschap, dat hij er op stond dat allen den volgenden dag in zijne woning als gasten zouden verschijnen. Dit deden zij en de schoone Sophia, die inmiddels in stilte bruid was geworden, trad op als dame des huizes, of zooals men in de beschaafde kringen zegt, „nam de honneurs aan tafel waar;” want zij had reeds dien morgen hare hand aan Jones geschonken, in de kerk van Doctors Commons, waar de heeren Allworthy en Western met mejufvrouw Miller de eenige getuigen van de plegtigheid waren.
Sophia had haren vader ernstig gesmeekt, dat niemand van het gezelschap, dat dien dag bij hem eten zou, met haar huwelijk zou bekend gemaakt worden. Hetzelfde stilzwijgen werd aan jufvrouw Miller opgelegd, en Jones stond voor Allworthy in.
Dit verzoende de bedeesde Sophia eenigzins met de drukte van het feest, dat zij, volgens den wensch van haar vader, zoo zeer tegen haar eigen zin moest bijwonen. Vertrouwende op deze geheimhouding hield zij het tamelijk goed vol totdat de landjonker, die nu zijne tweede flesch bijna geleêgd had, zijne vreugde niet meer verbergen kon, en een vollen beker inschenkende, op de bruid dronk. Allen ledigden dadelijk de glazen om haar geluk te wenschen, tot groote verlegenheid van de arme blozende Sophia, om wier[344]wil ook Jones zich ergerde. Om de waarheid echter te bekennen, was er geen mensch tegenwoordig, die uit het gebabbel van den vader iets nieuws vernomen had; want jufvrouw Miller had het al vroeger hare dochter in ’t oor gefluisterd; de dochter had het haren man verteld; haar man aan zijne zuster,—en deze aan al de overigen.
Sophia nam thans de eerste gelegenheid waar om zich met de dames te verwijderen, en de landjonker bleef bij de flesch, en werd langzamerhand verlaten door het geheele gezelschap,—uitgezonderd den jongen Nightingale, die evenveel van een glas wijn hield als de heer Western zelf. Deze beiden bleven er dan den geheelen avond dapper bij, en lang na het gelukkige uur, dat de bekoorlijke Sophia in de armen van haren verrukten echtgenoot gevoerd had.
Eindelijk dan, lezer, hebben wij onze geschiedenis tot een einde gebragt, waarbij, tot ons groot genoegen, hoewel misschien tegen uwe verwachting, de heer Jones ons de gelukkigste der stervelingen moet toeschijnen;—want ik beken gaarne, dat ik nog niet ontdekt heb welk geluk gelijk staat met het bezit van zulk eene vrouw als Sophia.
Wat de andere personen aangaat, die eene rol gespeeld hebben in deze geschiedenis, daar welligt sommige lezers nog het een en ander omtrent hen wenschen te vernemen, zal ik, zoo kort mogelijk, aan hunne nieuwsgierigheid voldoen.
Men heeft Allworthy, tot dusver, niet kunnen overhalen, om Blifil te zien; maar hij heeft toegegeven aan het dringende verzoek van Jones, door Sophia ondersteund, om hem een jaargeld van tweehonderd pond te geven,—waarbij Jones, in stilte, een derde honderdtal gevoegd heeft. Van dit inkomen leeft hij in een der noordelijke graafschappen, ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van Londen, en legt er jaarlijks tweehonderd pond van over, om eene plaats te koopen in het Parlement, waarover hij in onderhandeling staat met een zaakwaarnemer in eene der naburige stadjes. Hij is ook in den laatsten tijd Methodist geworden, in de hoop om eene zeer rijke weduwe, tot die sekte behoorende en die goederen heeft in die streek, tot zijne vrouw te krijgen.
Square stierf kort nadat hij den reeds vroeger vermelden[345]brief geschreven had, en wat Thwackum aangaat, deze leeft steeds nog op zijne pastorij. Hij heeft vele vruchtelooze pogingen gedaan om het vertrouwen van Allworthy te herwinnen, of om zich in de gunst van Jones in te dringen en hij vleit beiden in hun gezigt en scheldt hen uit achter hun rug. In plaats van hem, heeft de heer Allworthy onlangs den heer Abraham Adams bij zich in huis genomen, die een groote lieveling van Sophia is en wien zij voornemens is de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen.
Mevrouw Fitzpatrick is van haar man gescheiden en heeft het kleine overschot van haar vermogen behouden. Zij geniet een zeer goeden naam, leeft in een der deftigste buurten van de stad en weet zoo goed met het geld om te gaan, dat zij het driedubbele van het bedrag van haar inkomen uitgeeft, zonder schulden te maken. Zij is zeer intiem geworden met de echtgenoote van den Ierschen pair, en vergoedt door vriendschapsdiensten aan haar, alles wat zij aan den man van die dame te danken heeft.
Mejufvrouw Western was weldra weder met hare nicht verzoend en heeft een paar maanden hij haar, buiten doorgebragt. Lady Bellaston legde een deftig bezoek bij Sophia af zoodra deze weder te Londen kwam, gedroeg zich tegenover Jones alsof zij hem nooit gekend had, en wenschte hem zeer beleefdelijk geluk met zijn huwelijk.
De heer Nightingale heeft in de buurt van Jones eene buitenplaats gekocht voor zijn zoon, waar deze, met zijne jonge vrouw, jufvrouw Miller en haar dochtertje wonen, terwijl de beide familiën op de prettigste wijze met elkaar omgaan.
Wat de menschen betreft, die eene minder belangrijke rol speelden: mevrouw Waters heeft van Allworthy een jaargeld van zestig pond sterling gekregen, en is gehuwd met dominé Supple, wien Allworthy, op Sophia’s verzoek, eene zeer goede predikantsplaats schonk.
De Zwarte George, vernemende hoe hij ontdekt was, liep weg, en men heeft verder nooit iets van hem vernomen. Jones echter schonk het geld aan zijn huisgezin, maar deelde het niet gelijkmatig uit; want Molly kreeg op verre na het grootste aandeel.
Aan Partridge schonk Jones vijftig pond ’s jaars, en hij[346]heeft weer eene school opgerigt, waarbij hij veel meer aanmoediging vindt dan vroeger. Er wordt thans over een huwelijk onderhandeld tusschen hem en mejufvrouw Molly Seagrim, en door Sophia’s bemiddeling zal de zaak waarschijnlijk gelukken.
Wij moeten thans nog afscheid nemen van den heer Jones en Sophia, die twee dagen na hun huwelijk, met den heer Western en Allworthy weder naar buiten gingen. Western heeft aan zijn schoonzoon het heerenhuis en het grootste gedeelte zijner landerijen afgestaan en heeft zich terug getrokken in een zijner kleinere huizen in een ander gedeelte van het graafschap, dat eene betere jagt oplevert. Hij bezoekt echter dikwerf den heer Jones, die, met Sophia, vreugde er in schept om alles te doen wat zij kunnen, om hem te behagen. En dit gelukt hun zoo goed, dat de oude heer verklaart, dat hij nu, voor het eerst van zijn leven, volmaakt gelukkig is. Hij heeft bij hen in huis eene zitkamer en spreekkamer tot zijne beschikking, waar hij zich dronken kan drinken met wien hij verkiest, terwijl zijne dochter even gereed blijft als vroeger om hem al wat hij wil, voor te spelen. Jones heeft hem ook verzekerd, dat, daar, na haar te behagen, het mede zijn dierbaarste wensch is om tot het geluk van den ouden heer bij te dragen, hij haar bijna evenzeer bemint om de wijze waarop zij haar pligt bij haren vader doet, als om de liefde welke zij hemzelven geschonken heeft.
Sophia heeft hem reeds twee schoone kinderen geschonken, een jongen en een meisje, op welke de oude man zoodanig verzot is, dat hij veel van zijn tijd op de kinderkamer doorbrengt, waar hij verklaart, dat het gebabbel van zijn kleindochtertje, dat reeds meer dan achttien maanden oud is, hem zoeter klinkt dan het geblaf van de fraaiste jagthonden in geheel Engeland.
Allworthy was ook zeer mild jegens Jones bij diens huwelijk en laat geene gelegenheid voorbijgaan om hem en zijner echtgenoote blijken zijner liefde te geven, terwijl zij hem als een vader vereeren. Al wat in de natuur van Jones hem tot ondeugd deed overhellen, is verbeterd door den onafgebroken omgang met dezen goeden man en door zijn huwelijk met de schoone en deugdzame Sophia. Door[347]na te denken over zijne vroegere dwaasheden, heeft hij ook eene voorzigtigheid en overleg geleerd, die zelden gevonden worden bij iemand van zijn levendig karakter.
Eindelijk: even als men geen waardiger paar kan vinden dan deze twee menschen,—zoo kan er men zich ook geen gelukkiger voorstellen. Zij bewaren onderling de zuiverste en teederste liefde, welke dagelijks vermeerderd en bevestigd wordt door hartelijkheid en wederzijdsche achting. Zij zijn ook niet minder beminnelijk in hun gedrag jegens hunne betrekkingen en vrienden dan jegens elkaar. En zoo groot is hunne goedheid, toegevendheid en weldadigheid jegens hunne minderen, dat er geen buurman, pachter of bediende is, die niet dankbaar den dag zegent, waarop de heer Jones met zijne Sophia vereenigd werd.
EINDE.