[Inhoud]Hoofdstuk III.Bevattende,—voor allen die geen hart hebben,—veel geschreeuw en weinig wol.De lezer zal zich welligt nu verbeelden, dat de gevoelens, waarmede Jones bezield was, zoo zoet en verrukkelijk waren, dat ze eerder strekken moesten om eene heldere kalmte in zijn geest te doen ontstaan, dan eenige van die gevaarlijke uitwerkingen, welke wij reeds opgesomd hebben; maar, inderdaad, gewaarwordingen van dien aard, hoe heerlijk ook, zijn, als men ze eerst ondervindt, zeer onstuimig, en hebben zeer weinig kalmerends. In het onderhavige geval, werd het genot er ook van verbitterd door zekere omstandigheden, die met zoetere bestanddeelen vereenigd, bij elkaar een mengsel vormden, dat men wel bitter-zoet mogt noemen;—het onaangenamste voor den smaak en, in den overdragtelijken zin, het nadeeligste voor het gemoed dat men zich verbeelden kan.Want, ten eerste, hoewel er grond genoeg bestond voor hem, om zich te vleijen met hetgeen hij in Sophia opgemerkt had, was hij niet geheel overtuigd dat hij niet medelijden, of, op zijn best, achting, aanzag voor iets van meer vurigen aard. Het was er verre af, dat hij die levendige overtuiging koesterde, dat Sophia zooveel liefde[193]tot hem koesterde, als noodig was om hem die uitkomst te verzekeren, welke zijne eigene neiging, als hij die aankweekte, eindelijk begeeren zou. Bovendien, al mogt hij hopen geene bezwaren te vinden bij de dochter, meende hij zeker te zijn ze bij den vader te ontmoeten; die hoewel slechts een ruwe landjonker, wat zijn vriendschap betrof, heel en al een man van de wereld was in al wat geldzaken aanging, die daarbij de vurigste liefde tot zijne eenige dochter koesterde en dikwijls, over de wijnflesch, het genoegen had te kennen gegeven, dat het hem verschaffen zou haar met een der rijkste mannen van het graafschap te zien trouwen. Jones was niet ijdel en onverstandig genoeg om te verwachten dat Western zich ooit door eenige neiging voor hem zou laten overhalen, om zijne plannen ten voordeel zijner dochter op te geven. Hij wist wel dat het geld gewoonlijk de hoofd- zoo niet de eenige drijfveer der ouders is in dergelijke beschikkingen; want de vriendschap maakt ons zeer ijverig om de belangen van anderen te bevorderen; maar laat ons zeer koel ten opzigte van de bevrediging hunner hartstogten.En inderdaad, om het geluk te beseffen, hetwelk daaruit voortvloeijen kan, is het een vereischte, dat wij zelve die hartstogten kennen.Daar hij dus geene hoop koesterde om de toestemming van haar vader te krijgen; begreep hij, dat hij door pogingen aan te wenden om zijn doel te bereiken zonder deze, misbruik zou maken van de gastvrijheid en zich zeer ondankbaar zou betoonen voor de vele kleine gunsten, die (op welke ruwe wijze dan ook) Western hem bewezen had. Terwijl hij aan dergelijke gevolgen met schrik en afschuw dacht, werd hij nog meer getroffen als hij zich den heer Allworthy voorstelde, aan wien hij reeds meer dan kinderlijke verpligtingen had en voor wien hij eene meer dan kinderlijke liefde koesterde. Hij wist dat die waardige man zoo afkeerig was van al wat op laagheid of valschheid geleek, dat het geringste blijk van de eene of de andere dier ondeugden den schuldige voor altijd verachtelijk in zijne oogen zou maken, terwijl hij nooit weder diens naam zou willen hooren noemen.Reeds de schijn van dergelijke onoverkomelijke bezwaren zou genoeg geweest zijn omhem aan eenig goed gevolg te[194]doen wanhopen, hoe vurig ook zijne liefde was; maar deze werd ook nog beteugeld door zijn medelijden met eene andere vrouw. Het beeld van de schoone Molly drong zich steeds aan hem op. Hij had, in hare armen, haar eeuwige trouw gezworen, en zij had even dikwijls gezworen, dat zij het niet overleven zou als hij haar verliet.Hij stelde zich haar voor, stervende op de meest verschrikkelijke wijze; of nog erger, hij dacht aan al de ellende van een losbandig leven, waaraan zij onderhevig zou zijn, en waarvan hij de dubbele schuld moest dragen van haar eerst verleid en later verlaten te hebben; want hij was wel bekend met den haat welken de buren en zelfs hare eigene zusters haar toedroegen, en hoe gereed zij zouden zijn om haar te mishandelen. Inderdaad, hij had haar nog meer aan nijd dan aan schande blootgesteld;—of liever, aan de laatste door den eersten. Want vele vrouwen veroordeelden haar ligtzinnig gedrag, terwijl zij haar om den minnaar en den opschik benijdden, en zelve gaarne, voor denzelfden prijs, beide zouden verkregen hebben. Hij begreep dus, dat als hij haar verliet, het arme meisje te grond gerigt zou zijn, en deze gedachte ging hem zeer aan het hart. De armoede en de nood schenen niemand het regt te geven beide deze rampen te verergeren. Haar nederige stand maakte, in zijne oogen, hare ellende niet minder beteekenend, en scheen hem ook niet zijne schuld uit te wisschen of te verminderen, daar hij haar die ellende berokkend had. Maar waarom spreek ik van regt geven? Zijn eigen hart liet hem niet toe een menschelijk wezen te gronde te rigten, dat, naar hij zich verbeeldde, hem beminde en aan die liefde zijne onschuld opgeofferd had. Zijn eigen goed hart pleitte voor haar, niet als een koele, betaalde advokaat, maar als iemand, die belang had bij de uitspraak, en die een groot deel zou moeten dragen van de kwellingen welke een ander zou ondergaan.Toen deze krachtige advokaat het medelijden van Jones genoegzaam opgewekt had, door de arme Molly af te schilderen als het slagtoffer van allerlei rampen, riep die pleitbezorger zeer listig de hulp in van andere driften en stelde hem het meisje voor in al de schoone kleuren van jeugd, gezondheid en schoonheid,—des te verleidelijker voor de[195]zinnen, ten minste van een regtgeaard mensch, omdat zij tegelijker tijd zijn medelijden verdiende.Te midden van deze gedachten sleet de arme Jones een langen en slapeloozen nacht, en de uitslag was, dat hij ’s morgens besloot bij Molly te blijven en niet meer aan Sophia te denken.Bij dit deugdzame voornemen bleef hij den geheelen dag, tot den avond, steeds de herinnering aan Molly koesterende en die aan Sophia verbannende; maar op dien noodlottigen avond werd al zijn hartstogt weder door eene zeer onbelangrijke gebeurtenis opgewekt, waardoor zulk een geheele ommekeer in zijn gemoed bewerkt werd, dat wij het noodzakelijk achten dit in een nieuw hoofdstuk mede te deelen.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Bevattende,—voor allen die geen hart hebben,—veel geschreeuw en weinig wol.De lezer zal zich welligt nu verbeelden, dat de gevoelens, waarmede Jones bezield was, zoo zoet en verrukkelijk waren, dat ze eerder strekken moesten om eene heldere kalmte in zijn geest te doen ontstaan, dan eenige van die gevaarlijke uitwerkingen, welke wij reeds opgesomd hebben; maar, inderdaad, gewaarwordingen van dien aard, hoe heerlijk ook, zijn, als men ze eerst ondervindt, zeer onstuimig, en hebben zeer weinig kalmerends. In het onderhavige geval, werd het genot er ook van verbitterd door zekere omstandigheden, die met zoetere bestanddeelen vereenigd, bij elkaar een mengsel vormden, dat men wel bitter-zoet mogt noemen;—het onaangenamste voor den smaak en, in den overdragtelijken zin, het nadeeligste voor het gemoed dat men zich verbeelden kan.Want, ten eerste, hoewel er grond genoeg bestond voor hem, om zich te vleijen met hetgeen hij in Sophia opgemerkt had, was hij niet geheel overtuigd dat hij niet medelijden, of, op zijn best, achting, aanzag voor iets van meer vurigen aard. Het was er verre af, dat hij die levendige overtuiging koesterde, dat Sophia zooveel liefde[193]tot hem koesterde, als noodig was om hem die uitkomst te verzekeren, welke zijne eigene neiging, als hij die aankweekte, eindelijk begeeren zou. Bovendien, al mogt hij hopen geene bezwaren te vinden bij de dochter, meende hij zeker te zijn ze bij den vader te ontmoeten; die hoewel slechts een ruwe landjonker, wat zijn vriendschap betrof, heel en al een man van de wereld was in al wat geldzaken aanging, die daarbij de vurigste liefde tot zijne eenige dochter koesterde en dikwijls, over de wijnflesch, het genoegen had te kennen gegeven, dat het hem verschaffen zou haar met een der rijkste mannen van het graafschap te zien trouwen. Jones was niet ijdel en onverstandig genoeg om te verwachten dat Western zich ooit door eenige neiging voor hem zou laten overhalen, om zijne plannen ten voordeel zijner dochter op te geven. Hij wist wel dat het geld gewoonlijk de hoofd- zoo niet de eenige drijfveer der ouders is in dergelijke beschikkingen; want de vriendschap maakt ons zeer ijverig om de belangen van anderen te bevorderen; maar laat ons zeer koel ten opzigte van de bevrediging hunner hartstogten.En inderdaad, om het geluk te beseffen, hetwelk daaruit voortvloeijen kan, is het een vereischte, dat wij zelve die hartstogten kennen.Daar hij dus geene hoop koesterde om de toestemming van haar vader te krijgen; begreep hij, dat hij door pogingen aan te wenden om zijn doel te bereiken zonder deze, misbruik zou maken van de gastvrijheid en zich zeer ondankbaar zou betoonen voor de vele kleine gunsten, die (op welke ruwe wijze dan ook) Western hem bewezen had. Terwijl hij aan dergelijke gevolgen met schrik en afschuw dacht, werd hij nog meer getroffen als hij zich den heer Allworthy voorstelde, aan wien hij reeds meer dan kinderlijke verpligtingen had en voor wien hij eene meer dan kinderlijke liefde koesterde. Hij wist dat die waardige man zoo afkeerig was van al wat op laagheid of valschheid geleek, dat het geringste blijk van de eene of de andere dier ondeugden den schuldige voor altijd verachtelijk in zijne oogen zou maken, terwijl hij nooit weder diens naam zou willen hooren noemen.Reeds de schijn van dergelijke onoverkomelijke bezwaren zou genoeg geweest zijn omhem aan eenig goed gevolg te[194]doen wanhopen, hoe vurig ook zijne liefde was; maar deze werd ook nog beteugeld door zijn medelijden met eene andere vrouw. Het beeld van de schoone Molly drong zich steeds aan hem op. Hij had, in hare armen, haar eeuwige trouw gezworen, en zij had even dikwijls gezworen, dat zij het niet overleven zou als hij haar verliet.Hij stelde zich haar voor, stervende op de meest verschrikkelijke wijze; of nog erger, hij dacht aan al de ellende van een losbandig leven, waaraan zij onderhevig zou zijn, en waarvan hij de dubbele schuld moest dragen van haar eerst verleid en later verlaten te hebben; want hij was wel bekend met den haat welken de buren en zelfs hare eigene zusters haar toedroegen, en hoe gereed zij zouden zijn om haar te mishandelen. Inderdaad, hij had haar nog meer aan nijd dan aan schande blootgesteld;—of liever, aan de laatste door den eersten. Want vele vrouwen veroordeelden haar ligtzinnig gedrag, terwijl zij haar om den minnaar en den opschik benijdden, en zelve gaarne, voor denzelfden prijs, beide zouden verkregen hebben. Hij begreep dus, dat als hij haar verliet, het arme meisje te grond gerigt zou zijn, en deze gedachte ging hem zeer aan het hart. De armoede en de nood schenen niemand het regt te geven beide deze rampen te verergeren. Haar nederige stand maakte, in zijne oogen, hare ellende niet minder beteekenend, en scheen hem ook niet zijne schuld uit te wisschen of te verminderen, daar hij haar die ellende berokkend had. Maar waarom spreek ik van regt geven? Zijn eigen hart liet hem niet toe een menschelijk wezen te gronde te rigten, dat, naar hij zich verbeeldde, hem beminde en aan die liefde zijne onschuld opgeofferd had. Zijn eigen goed hart pleitte voor haar, niet als een koele, betaalde advokaat, maar als iemand, die belang had bij de uitspraak, en die een groot deel zou moeten dragen van de kwellingen welke een ander zou ondergaan.Toen deze krachtige advokaat het medelijden van Jones genoegzaam opgewekt had, door de arme Molly af te schilderen als het slagtoffer van allerlei rampen, riep die pleitbezorger zeer listig de hulp in van andere driften en stelde hem het meisje voor in al de schoone kleuren van jeugd, gezondheid en schoonheid,—des te verleidelijker voor de[195]zinnen, ten minste van een regtgeaard mensch, omdat zij tegelijker tijd zijn medelijden verdiende.Te midden van deze gedachten sleet de arme Jones een langen en slapeloozen nacht, en de uitslag was, dat hij ’s morgens besloot bij Molly te blijven en niet meer aan Sophia te denken.Bij dit deugdzame voornemen bleef hij den geheelen dag, tot den avond, steeds de herinnering aan Molly koesterende en die aan Sophia verbannende; maar op dien noodlottigen avond werd al zijn hartstogt weder door eene zeer onbelangrijke gebeurtenis opgewekt, waardoor zulk een geheele ommekeer in zijn gemoed bewerkt werd, dat wij het noodzakelijk achten dit in een nieuw hoofdstuk mede te deelen.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Bevattende,—voor allen die geen hart hebben,—veel geschreeuw en weinig wol.De lezer zal zich welligt nu verbeelden, dat de gevoelens, waarmede Jones bezield was, zoo zoet en verrukkelijk waren, dat ze eerder strekken moesten om eene heldere kalmte in zijn geest te doen ontstaan, dan eenige van die gevaarlijke uitwerkingen, welke wij reeds opgesomd hebben; maar, inderdaad, gewaarwordingen van dien aard, hoe heerlijk ook, zijn, als men ze eerst ondervindt, zeer onstuimig, en hebben zeer weinig kalmerends. In het onderhavige geval, werd het genot er ook van verbitterd door zekere omstandigheden, die met zoetere bestanddeelen vereenigd, bij elkaar een mengsel vormden, dat men wel bitter-zoet mogt noemen;—het onaangenamste voor den smaak en, in den overdragtelijken zin, het nadeeligste voor het gemoed dat men zich verbeelden kan.Want, ten eerste, hoewel er grond genoeg bestond voor hem, om zich te vleijen met hetgeen hij in Sophia opgemerkt had, was hij niet geheel overtuigd dat hij niet medelijden, of, op zijn best, achting, aanzag voor iets van meer vurigen aard. Het was er verre af, dat hij die levendige overtuiging koesterde, dat Sophia zooveel liefde[193]tot hem koesterde, als noodig was om hem die uitkomst te verzekeren, welke zijne eigene neiging, als hij die aankweekte, eindelijk begeeren zou. Bovendien, al mogt hij hopen geene bezwaren te vinden bij de dochter, meende hij zeker te zijn ze bij den vader te ontmoeten; die hoewel slechts een ruwe landjonker, wat zijn vriendschap betrof, heel en al een man van de wereld was in al wat geldzaken aanging, die daarbij de vurigste liefde tot zijne eenige dochter koesterde en dikwijls, over de wijnflesch, het genoegen had te kennen gegeven, dat het hem verschaffen zou haar met een der rijkste mannen van het graafschap te zien trouwen. Jones was niet ijdel en onverstandig genoeg om te verwachten dat Western zich ooit door eenige neiging voor hem zou laten overhalen, om zijne plannen ten voordeel zijner dochter op te geven. Hij wist wel dat het geld gewoonlijk de hoofd- zoo niet de eenige drijfveer der ouders is in dergelijke beschikkingen; want de vriendschap maakt ons zeer ijverig om de belangen van anderen te bevorderen; maar laat ons zeer koel ten opzigte van de bevrediging hunner hartstogten.En inderdaad, om het geluk te beseffen, hetwelk daaruit voortvloeijen kan, is het een vereischte, dat wij zelve die hartstogten kennen.Daar hij dus geene hoop koesterde om de toestemming van haar vader te krijgen; begreep hij, dat hij door pogingen aan te wenden om zijn doel te bereiken zonder deze, misbruik zou maken van de gastvrijheid en zich zeer ondankbaar zou betoonen voor de vele kleine gunsten, die (op welke ruwe wijze dan ook) Western hem bewezen had. Terwijl hij aan dergelijke gevolgen met schrik en afschuw dacht, werd hij nog meer getroffen als hij zich den heer Allworthy voorstelde, aan wien hij reeds meer dan kinderlijke verpligtingen had en voor wien hij eene meer dan kinderlijke liefde koesterde. Hij wist dat die waardige man zoo afkeerig was van al wat op laagheid of valschheid geleek, dat het geringste blijk van de eene of de andere dier ondeugden den schuldige voor altijd verachtelijk in zijne oogen zou maken, terwijl hij nooit weder diens naam zou willen hooren noemen.Reeds de schijn van dergelijke onoverkomelijke bezwaren zou genoeg geweest zijn omhem aan eenig goed gevolg te[194]doen wanhopen, hoe vurig ook zijne liefde was; maar deze werd ook nog beteugeld door zijn medelijden met eene andere vrouw. Het beeld van de schoone Molly drong zich steeds aan hem op. Hij had, in hare armen, haar eeuwige trouw gezworen, en zij had even dikwijls gezworen, dat zij het niet overleven zou als hij haar verliet.Hij stelde zich haar voor, stervende op de meest verschrikkelijke wijze; of nog erger, hij dacht aan al de ellende van een losbandig leven, waaraan zij onderhevig zou zijn, en waarvan hij de dubbele schuld moest dragen van haar eerst verleid en later verlaten te hebben; want hij was wel bekend met den haat welken de buren en zelfs hare eigene zusters haar toedroegen, en hoe gereed zij zouden zijn om haar te mishandelen. Inderdaad, hij had haar nog meer aan nijd dan aan schande blootgesteld;—of liever, aan de laatste door den eersten. Want vele vrouwen veroordeelden haar ligtzinnig gedrag, terwijl zij haar om den minnaar en den opschik benijdden, en zelve gaarne, voor denzelfden prijs, beide zouden verkregen hebben. Hij begreep dus, dat als hij haar verliet, het arme meisje te grond gerigt zou zijn, en deze gedachte ging hem zeer aan het hart. De armoede en de nood schenen niemand het regt te geven beide deze rampen te verergeren. Haar nederige stand maakte, in zijne oogen, hare ellende niet minder beteekenend, en scheen hem ook niet zijne schuld uit te wisschen of te verminderen, daar hij haar die ellende berokkend had. Maar waarom spreek ik van regt geven? Zijn eigen hart liet hem niet toe een menschelijk wezen te gronde te rigten, dat, naar hij zich verbeeldde, hem beminde en aan die liefde zijne onschuld opgeofferd had. Zijn eigen goed hart pleitte voor haar, niet als een koele, betaalde advokaat, maar als iemand, die belang had bij de uitspraak, en die een groot deel zou moeten dragen van de kwellingen welke een ander zou ondergaan.Toen deze krachtige advokaat het medelijden van Jones genoegzaam opgewekt had, door de arme Molly af te schilderen als het slagtoffer van allerlei rampen, riep die pleitbezorger zeer listig de hulp in van andere driften en stelde hem het meisje voor in al de schoone kleuren van jeugd, gezondheid en schoonheid,—des te verleidelijker voor de[195]zinnen, ten minste van een regtgeaard mensch, omdat zij tegelijker tijd zijn medelijden verdiende.Te midden van deze gedachten sleet de arme Jones een langen en slapeloozen nacht, en de uitslag was, dat hij ’s morgens besloot bij Molly te blijven en niet meer aan Sophia te denken.Bij dit deugdzame voornemen bleef hij den geheelen dag, tot den avond, steeds de herinnering aan Molly koesterende en die aan Sophia verbannende; maar op dien noodlottigen avond werd al zijn hartstogt weder door eene zeer onbelangrijke gebeurtenis opgewekt, waardoor zulk een geheele ommekeer in zijn gemoed bewerkt werd, dat wij het noodzakelijk achten dit in een nieuw hoofdstuk mede te deelen.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Bevattende,—voor allen die geen hart hebben,—veel geschreeuw en weinig wol.De lezer zal zich welligt nu verbeelden, dat de gevoelens, waarmede Jones bezield was, zoo zoet en verrukkelijk waren, dat ze eerder strekken moesten om eene heldere kalmte in zijn geest te doen ontstaan, dan eenige van die gevaarlijke uitwerkingen, welke wij reeds opgesomd hebben; maar, inderdaad, gewaarwordingen van dien aard, hoe heerlijk ook, zijn, als men ze eerst ondervindt, zeer onstuimig, en hebben zeer weinig kalmerends. In het onderhavige geval, werd het genot er ook van verbitterd door zekere omstandigheden, die met zoetere bestanddeelen vereenigd, bij elkaar een mengsel vormden, dat men wel bitter-zoet mogt noemen;—het onaangenamste voor den smaak en, in den overdragtelijken zin, het nadeeligste voor het gemoed dat men zich verbeelden kan.Want, ten eerste, hoewel er grond genoeg bestond voor hem, om zich te vleijen met hetgeen hij in Sophia opgemerkt had, was hij niet geheel overtuigd dat hij niet medelijden, of, op zijn best, achting, aanzag voor iets van meer vurigen aard. Het was er verre af, dat hij die levendige overtuiging koesterde, dat Sophia zooveel liefde[193]tot hem koesterde, als noodig was om hem die uitkomst te verzekeren, welke zijne eigene neiging, als hij die aankweekte, eindelijk begeeren zou. Bovendien, al mogt hij hopen geene bezwaren te vinden bij de dochter, meende hij zeker te zijn ze bij den vader te ontmoeten; die hoewel slechts een ruwe landjonker, wat zijn vriendschap betrof, heel en al een man van de wereld was in al wat geldzaken aanging, die daarbij de vurigste liefde tot zijne eenige dochter koesterde en dikwijls, over de wijnflesch, het genoegen had te kennen gegeven, dat het hem verschaffen zou haar met een der rijkste mannen van het graafschap te zien trouwen. Jones was niet ijdel en onverstandig genoeg om te verwachten dat Western zich ooit door eenige neiging voor hem zou laten overhalen, om zijne plannen ten voordeel zijner dochter op te geven. Hij wist wel dat het geld gewoonlijk de hoofd- zoo niet de eenige drijfveer der ouders is in dergelijke beschikkingen; want de vriendschap maakt ons zeer ijverig om de belangen van anderen te bevorderen; maar laat ons zeer koel ten opzigte van de bevrediging hunner hartstogten.En inderdaad, om het geluk te beseffen, hetwelk daaruit voortvloeijen kan, is het een vereischte, dat wij zelve die hartstogten kennen.Daar hij dus geene hoop koesterde om de toestemming van haar vader te krijgen; begreep hij, dat hij door pogingen aan te wenden om zijn doel te bereiken zonder deze, misbruik zou maken van de gastvrijheid en zich zeer ondankbaar zou betoonen voor de vele kleine gunsten, die (op welke ruwe wijze dan ook) Western hem bewezen had. Terwijl hij aan dergelijke gevolgen met schrik en afschuw dacht, werd hij nog meer getroffen als hij zich den heer Allworthy voorstelde, aan wien hij reeds meer dan kinderlijke verpligtingen had en voor wien hij eene meer dan kinderlijke liefde koesterde. Hij wist dat die waardige man zoo afkeerig was van al wat op laagheid of valschheid geleek, dat het geringste blijk van de eene of de andere dier ondeugden den schuldige voor altijd verachtelijk in zijne oogen zou maken, terwijl hij nooit weder diens naam zou willen hooren noemen.Reeds de schijn van dergelijke onoverkomelijke bezwaren zou genoeg geweest zijn omhem aan eenig goed gevolg te[194]doen wanhopen, hoe vurig ook zijne liefde was; maar deze werd ook nog beteugeld door zijn medelijden met eene andere vrouw. Het beeld van de schoone Molly drong zich steeds aan hem op. Hij had, in hare armen, haar eeuwige trouw gezworen, en zij had even dikwijls gezworen, dat zij het niet overleven zou als hij haar verliet.Hij stelde zich haar voor, stervende op de meest verschrikkelijke wijze; of nog erger, hij dacht aan al de ellende van een losbandig leven, waaraan zij onderhevig zou zijn, en waarvan hij de dubbele schuld moest dragen van haar eerst verleid en later verlaten te hebben; want hij was wel bekend met den haat welken de buren en zelfs hare eigene zusters haar toedroegen, en hoe gereed zij zouden zijn om haar te mishandelen. Inderdaad, hij had haar nog meer aan nijd dan aan schande blootgesteld;—of liever, aan de laatste door den eersten. Want vele vrouwen veroordeelden haar ligtzinnig gedrag, terwijl zij haar om den minnaar en den opschik benijdden, en zelve gaarne, voor denzelfden prijs, beide zouden verkregen hebben. Hij begreep dus, dat als hij haar verliet, het arme meisje te grond gerigt zou zijn, en deze gedachte ging hem zeer aan het hart. De armoede en de nood schenen niemand het regt te geven beide deze rampen te verergeren. Haar nederige stand maakte, in zijne oogen, hare ellende niet minder beteekenend, en scheen hem ook niet zijne schuld uit te wisschen of te verminderen, daar hij haar die ellende berokkend had. Maar waarom spreek ik van regt geven? Zijn eigen hart liet hem niet toe een menschelijk wezen te gronde te rigten, dat, naar hij zich verbeeldde, hem beminde en aan die liefde zijne onschuld opgeofferd had. Zijn eigen goed hart pleitte voor haar, niet als een koele, betaalde advokaat, maar als iemand, die belang had bij de uitspraak, en die een groot deel zou moeten dragen van de kwellingen welke een ander zou ondergaan.Toen deze krachtige advokaat het medelijden van Jones genoegzaam opgewekt had, door de arme Molly af te schilderen als het slagtoffer van allerlei rampen, riep die pleitbezorger zeer listig de hulp in van andere driften en stelde hem het meisje voor in al de schoone kleuren van jeugd, gezondheid en schoonheid,—des te verleidelijker voor de[195]zinnen, ten minste van een regtgeaard mensch, omdat zij tegelijker tijd zijn medelijden verdiende.Te midden van deze gedachten sleet de arme Jones een langen en slapeloozen nacht, en de uitslag was, dat hij ’s morgens besloot bij Molly te blijven en niet meer aan Sophia te denken.Bij dit deugdzame voornemen bleef hij den geheelen dag, tot den avond, steeds de herinnering aan Molly koesterende en die aan Sophia verbannende; maar op dien noodlottigen avond werd al zijn hartstogt weder door eene zeer onbelangrijke gebeurtenis opgewekt, waardoor zulk een geheele ommekeer in zijn gemoed bewerkt werd, dat wij het noodzakelijk achten dit in een nieuw hoofdstuk mede te deelen.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Bevattende,—voor allen die geen hart hebben,—veel geschreeuw en weinig wol.De lezer zal zich welligt nu verbeelden, dat de gevoelens, waarmede Jones bezield was, zoo zoet en verrukkelijk waren, dat ze eerder strekken moesten om eene heldere kalmte in zijn geest te doen ontstaan, dan eenige van die gevaarlijke uitwerkingen, welke wij reeds opgesomd hebben; maar, inderdaad, gewaarwordingen van dien aard, hoe heerlijk ook, zijn, als men ze eerst ondervindt, zeer onstuimig, en hebben zeer weinig kalmerends. In het onderhavige geval, werd het genot er ook van verbitterd door zekere omstandigheden, die met zoetere bestanddeelen vereenigd, bij elkaar een mengsel vormden, dat men wel bitter-zoet mogt noemen;—het onaangenamste voor den smaak en, in den overdragtelijken zin, het nadeeligste voor het gemoed dat men zich verbeelden kan.Want, ten eerste, hoewel er grond genoeg bestond voor hem, om zich te vleijen met hetgeen hij in Sophia opgemerkt had, was hij niet geheel overtuigd dat hij niet medelijden, of, op zijn best, achting, aanzag voor iets van meer vurigen aard. Het was er verre af, dat hij die levendige overtuiging koesterde, dat Sophia zooveel liefde[193]tot hem koesterde, als noodig was om hem die uitkomst te verzekeren, welke zijne eigene neiging, als hij die aankweekte, eindelijk begeeren zou. Bovendien, al mogt hij hopen geene bezwaren te vinden bij de dochter, meende hij zeker te zijn ze bij den vader te ontmoeten; die hoewel slechts een ruwe landjonker, wat zijn vriendschap betrof, heel en al een man van de wereld was in al wat geldzaken aanging, die daarbij de vurigste liefde tot zijne eenige dochter koesterde en dikwijls, over de wijnflesch, het genoegen had te kennen gegeven, dat het hem verschaffen zou haar met een der rijkste mannen van het graafschap te zien trouwen. Jones was niet ijdel en onverstandig genoeg om te verwachten dat Western zich ooit door eenige neiging voor hem zou laten overhalen, om zijne plannen ten voordeel zijner dochter op te geven. Hij wist wel dat het geld gewoonlijk de hoofd- zoo niet de eenige drijfveer der ouders is in dergelijke beschikkingen; want de vriendschap maakt ons zeer ijverig om de belangen van anderen te bevorderen; maar laat ons zeer koel ten opzigte van de bevrediging hunner hartstogten.En inderdaad, om het geluk te beseffen, hetwelk daaruit voortvloeijen kan, is het een vereischte, dat wij zelve die hartstogten kennen.Daar hij dus geene hoop koesterde om de toestemming van haar vader te krijgen; begreep hij, dat hij door pogingen aan te wenden om zijn doel te bereiken zonder deze, misbruik zou maken van de gastvrijheid en zich zeer ondankbaar zou betoonen voor de vele kleine gunsten, die (op welke ruwe wijze dan ook) Western hem bewezen had. Terwijl hij aan dergelijke gevolgen met schrik en afschuw dacht, werd hij nog meer getroffen als hij zich den heer Allworthy voorstelde, aan wien hij reeds meer dan kinderlijke verpligtingen had en voor wien hij eene meer dan kinderlijke liefde koesterde. Hij wist dat die waardige man zoo afkeerig was van al wat op laagheid of valschheid geleek, dat het geringste blijk van de eene of de andere dier ondeugden den schuldige voor altijd verachtelijk in zijne oogen zou maken, terwijl hij nooit weder diens naam zou willen hooren noemen.Reeds de schijn van dergelijke onoverkomelijke bezwaren zou genoeg geweest zijn omhem aan eenig goed gevolg te[194]doen wanhopen, hoe vurig ook zijne liefde was; maar deze werd ook nog beteugeld door zijn medelijden met eene andere vrouw. Het beeld van de schoone Molly drong zich steeds aan hem op. Hij had, in hare armen, haar eeuwige trouw gezworen, en zij had even dikwijls gezworen, dat zij het niet overleven zou als hij haar verliet.Hij stelde zich haar voor, stervende op de meest verschrikkelijke wijze; of nog erger, hij dacht aan al de ellende van een losbandig leven, waaraan zij onderhevig zou zijn, en waarvan hij de dubbele schuld moest dragen van haar eerst verleid en later verlaten te hebben; want hij was wel bekend met den haat welken de buren en zelfs hare eigene zusters haar toedroegen, en hoe gereed zij zouden zijn om haar te mishandelen. Inderdaad, hij had haar nog meer aan nijd dan aan schande blootgesteld;—of liever, aan de laatste door den eersten. Want vele vrouwen veroordeelden haar ligtzinnig gedrag, terwijl zij haar om den minnaar en den opschik benijdden, en zelve gaarne, voor denzelfden prijs, beide zouden verkregen hebben. Hij begreep dus, dat als hij haar verliet, het arme meisje te grond gerigt zou zijn, en deze gedachte ging hem zeer aan het hart. De armoede en de nood schenen niemand het regt te geven beide deze rampen te verergeren. Haar nederige stand maakte, in zijne oogen, hare ellende niet minder beteekenend, en scheen hem ook niet zijne schuld uit te wisschen of te verminderen, daar hij haar die ellende berokkend had. Maar waarom spreek ik van regt geven? Zijn eigen hart liet hem niet toe een menschelijk wezen te gronde te rigten, dat, naar hij zich verbeeldde, hem beminde en aan die liefde zijne onschuld opgeofferd had. Zijn eigen goed hart pleitte voor haar, niet als een koele, betaalde advokaat, maar als iemand, die belang had bij de uitspraak, en die een groot deel zou moeten dragen van de kwellingen welke een ander zou ondergaan.Toen deze krachtige advokaat het medelijden van Jones genoegzaam opgewekt had, door de arme Molly af te schilderen als het slagtoffer van allerlei rampen, riep die pleitbezorger zeer listig de hulp in van andere driften en stelde hem het meisje voor in al de schoone kleuren van jeugd, gezondheid en schoonheid,—des te verleidelijker voor de[195]zinnen, ten minste van een regtgeaard mensch, omdat zij tegelijker tijd zijn medelijden verdiende.Te midden van deze gedachten sleet de arme Jones een langen en slapeloozen nacht, en de uitslag was, dat hij ’s morgens besloot bij Molly te blijven en niet meer aan Sophia te denken.Bij dit deugdzame voornemen bleef hij den geheelen dag, tot den avond, steeds de herinnering aan Molly koesterende en die aan Sophia verbannende; maar op dien noodlottigen avond werd al zijn hartstogt weder door eene zeer onbelangrijke gebeurtenis opgewekt, waardoor zulk een geheele ommekeer in zijn gemoed bewerkt werd, dat wij het noodzakelijk achten dit in een nieuw hoofdstuk mede te deelen.
Hoofdstuk III.Bevattende,—voor allen die geen hart hebben,—veel geschreeuw en weinig wol.
De lezer zal zich welligt nu verbeelden, dat de gevoelens, waarmede Jones bezield was, zoo zoet en verrukkelijk waren, dat ze eerder strekken moesten om eene heldere kalmte in zijn geest te doen ontstaan, dan eenige van die gevaarlijke uitwerkingen, welke wij reeds opgesomd hebben; maar, inderdaad, gewaarwordingen van dien aard, hoe heerlijk ook, zijn, als men ze eerst ondervindt, zeer onstuimig, en hebben zeer weinig kalmerends. In het onderhavige geval, werd het genot er ook van verbitterd door zekere omstandigheden, die met zoetere bestanddeelen vereenigd, bij elkaar een mengsel vormden, dat men wel bitter-zoet mogt noemen;—het onaangenamste voor den smaak en, in den overdragtelijken zin, het nadeeligste voor het gemoed dat men zich verbeelden kan.Want, ten eerste, hoewel er grond genoeg bestond voor hem, om zich te vleijen met hetgeen hij in Sophia opgemerkt had, was hij niet geheel overtuigd dat hij niet medelijden, of, op zijn best, achting, aanzag voor iets van meer vurigen aard. Het was er verre af, dat hij die levendige overtuiging koesterde, dat Sophia zooveel liefde[193]tot hem koesterde, als noodig was om hem die uitkomst te verzekeren, welke zijne eigene neiging, als hij die aankweekte, eindelijk begeeren zou. Bovendien, al mogt hij hopen geene bezwaren te vinden bij de dochter, meende hij zeker te zijn ze bij den vader te ontmoeten; die hoewel slechts een ruwe landjonker, wat zijn vriendschap betrof, heel en al een man van de wereld was in al wat geldzaken aanging, die daarbij de vurigste liefde tot zijne eenige dochter koesterde en dikwijls, over de wijnflesch, het genoegen had te kennen gegeven, dat het hem verschaffen zou haar met een der rijkste mannen van het graafschap te zien trouwen. Jones was niet ijdel en onverstandig genoeg om te verwachten dat Western zich ooit door eenige neiging voor hem zou laten overhalen, om zijne plannen ten voordeel zijner dochter op te geven. Hij wist wel dat het geld gewoonlijk de hoofd- zoo niet de eenige drijfveer der ouders is in dergelijke beschikkingen; want de vriendschap maakt ons zeer ijverig om de belangen van anderen te bevorderen; maar laat ons zeer koel ten opzigte van de bevrediging hunner hartstogten.En inderdaad, om het geluk te beseffen, hetwelk daaruit voortvloeijen kan, is het een vereischte, dat wij zelve die hartstogten kennen.Daar hij dus geene hoop koesterde om de toestemming van haar vader te krijgen; begreep hij, dat hij door pogingen aan te wenden om zijn doel te bereiken zonder deze, misbruik zou maken van de gastvrijheid en zich zeer ondankbaar zou betoonen voor de vele kleine gunsten, die (op welke ruwe wijze dan ook) Western hem bewezen had. Terwijl hij aan dergelijke gevolgen met schrik en afschuw dacht, werd hij nog meer getroffen als hij zich den heer Allworthy voorstelde, aan wien hij reeds meer dan kinderlijke verpligtingen had en voor wien hij eene meer dan kinderlijke liefde koesterde. Hij wist dat die waardige man zoo afkeerig was van al wat op laagheid of valschheid geleek, dat het geringste blijk van de eene of de andere dier ondeugden den schuldige voor altijd verachtelijk in zijne oogen zou maken, terwijl hij nooit weder diens naam zou willen hooren noemen.Reeds de schijn van dergelijke onoverkomelijke bezwaren zou genoeg geweest zijn omhem aan eenig goed gevolg te[194]doen wanhopen, hoe vurig ook zijne liefde was; maar deze werd ook nog beteugeld door zijn medelijden met eene andere vrouw. Het beeld van de schoone Molly drong zich steeds aan hem op. Hij had, in hare armen, haar eeuwige trouw gezworen, en zij had even dikwijls gezworen, dat zij het niet overleven zou als hij haar verliet.Hij stelde zich haar voor, stervende op de meest verschrikkelijke wijze; of nog erger, hij dacht aan al de ellende van een losbandig leven, waaraan zij onderhevig zou zijn, en waarvan hij de dubbele schuld moest dragen van haar eerst verleid en later verlaten te hebben; want hij was wel bekend met den haat welken de buren en zelfs hare eigene zusters haar toedroegen, en hoe gereed zij zouden zijn om haar te mishandelen. Inderdaad, hij had haar nog meer aan nijd dan aan schande blootgesteld;—of liever, aan de laatste door den eersten. Want vele vrouwen veroordeelden haar ligtzinnig gedrag, terwijl zij haar om den minnaar en den opschik benijdden, en zelve gaarne, voor denzelfden prijs, beide zouden verkregen hebben. Hij begreep dus, dat als hij haar verliet, het arme meisje te grond gerigt zou zijn, en deze gedachte ging hem zeer aan het hart. De armoede en de nood schenen niemand het regt te geven beide deze rampen te verergeren. Haar nederige stand maakte, in zijne oogen, hare ellende niet minder beteekenend, en scheen hem ook niet zijne schuld uit te wisschen of te verminderen, daar hij haar die ellende berokkend had. Maar waarom spreek ik van regt geven? Zijn eigen hart liet hem niet toe een menschelijk wezen te gronde te rigten, dat, naar hij zich verbeeldde, hem beminde en aan die liefde zijne onschuld opgeofferd had. Zijn eigen goed hart pleitte voor haar, niet als een koele, betaalde advokaat, maar als iemand, die belang had bij de uitspraak, en die een groot deel zou moeten dragen van de kwellingen welke een ander zou ondergaan.Toen deze krachtige advokaat het medelijden van Jones genoegzaam opgewekt had, door de arme Molly af te schilderen als het slagtoffer van allerlei rampen, riep die pleitbezorger zeer listig de hulp in van andere driften en stelde hem het meisje voor in al de schoone kleuren van jeugd, gezondheid en schoonheid,—des te verleidelijker voor de[195]zinnen, ten minste van een regtgeaard mensch, omdat zij tegelijker tijd zijn medelijden verdiende.Te midden van deze gedachten sleet de arme Jones een langen en slapeloozen nacht, en de uitslag was, dat hij ’s morgens besloot bij Molly te blijven en niet meer aan Sophia te denken.Bij dit deugdzame voornemen bleef hij den geheelen dag, tot den avond, steeds de herinnering aan Molly koesterende en die aan Sophia verbannende; maar op dien noodlottigen avond werd al zijn hartstogt weder door eene zeer onbelangrijke gebeurtenis opgewekt, waardoor zulk een geheele ommekeer in zijn gemoed bewerkt werd, dat wij het noodzakelijk achten dit in een nieuw hoofdstuk mede te deelen.
De lezer zal zich welligt nu verbeelden, dat de gevoelens, waarmede Jones bezield was, zoo zoet en verrukkelijk waren, dat ze eerder strekken moesten om eene heldere kalmte in zijn geest te doen ontstaan, dan eenige van die gevaarlijke uitwerkingen, welke wij reeds opgesomd hebben; maar, inderdaad, gewaarwordingen van dien aard, hoe heerlijk ook, zijn, als men ze eerst ondervindt, zeer onstuimig, en hebben zeer weinig kalmerends. In het onderhavige geval, werd het genot er ook van verbitterd door zekere omstandigheden, die met zoetere bestanddeelen vereenigd, bij elkaar een mengsel vormden, dat men wel bitter-zoet mogt noemen;—het onaangenamste voor den smaak en, in den overdragtelijken zin, het nadeeligste voor het gemoed dat men zich verbeelden kan.
Want, ten eerste, hoewel er grond genoeg bestond voor hem, om zich te vleijen met hetgeen hij in Sophia opgemerkt had, was hij niet geheel overtuigd dat hij niet medelijden, of, op zijn best, achting, aanzag voor iets van meer vurigen aard. Het was er verre af, dat hij die levendige overtuiging koesterde, dat Sophia zooveel liefde[193]tot hem koesterde, als noodig was om hem die uitkomst te verzekeren, welke zijne eigene neiging, als hij die aankweekte, eindelijk begeeren zou. Bovendien, al mogt hij hopen geene bezwaren te vinden bij de dochter, meende hij zeker te zijn ze bij den vader te ontmoeten; die hoewel slechts een ruwe landjonker, wat zijn vriendschap betrof, heel en al een man van de wereld was in al wat geldzaken aanging, die daarbij de vurigste liefde tot zijne eenige dochter koesterde en dikwijls, over de wijnflesch, het genoegen had te kennen gegeven, dat het hem verschaffen zou haar met een der rijkste mannen van het graafschap te zien trouwen. Jones was niet ijdel en onverstandig genoeg om te verwachten dat Western zich ooit door eenige neiging voor hem zou laten overhalen, om zijne plannen ten voordeel zijner dochter op te geven. Hij wist wel dat het geld gewoonlijk de hoofd- zoo niet de eenige drijfveer der ouders is in dergelijke beschikkingen; want de vriendschap maakt ons zeer ijverig om de belangen van anderen te bevorderen; maar laat ons zeer koel ten opzigte van de bevrediging hunner hartstogten.
En inderdaad, om het geluk te beseffen, hetwelk daaruit voortvloeijen kan, is het een vereischte, dat wij zelve die hartstogten kennen.
Daar hij dus geene hoop koesterde om de toestemming van haar vader te krijgen; begreep hij, dat hij door pogingen aan te wenden om zijn doel te bereiken zonder deze, misbruik zou maken van de gastvrijheid en zich zeer ondankbaar zou betoonen voor de vele kleine gunsten, die (op welke ruwe wijze dan ook) Western hem bewezen had. Terwijl hij aan dergelijke gevolgen met schrik en afschuw dacht, werd hij nog meer getroffen als hij zich den heer Allworthy voorstelde, aan wien hij reeds meer dan kinderlijke verpligtingen had en voor wien hij eene meer dan kinderlijke liefde koesterde. Hij wist dat die waardige man zoo afkeerig was van al wat op laagheid of valschheid geleek, dat het geringste blijk van de eene of de andere dier ondeugden den schuldige voor altijd verachtelijk in zijne oogen zou maken, terwijl hij nooit weder diens naam zou willen hooren noemen.
Reeds de schijn van dergelijke onoverkomelijke bezwaren zou genoeg geweest zijn omhem aan eenig goed gevolg te[194]doen wanhopen, hoe vurig ook zijne liefde was; maar deze werd ook nog beteugeld door zijn medelijden met eene andere vrouw. Het beeld van de schoone Molly drong zich steeds aan hem op. Hij had, in hare armen, haar eeuwige trouw gezworen, en zij had even dikwijls gezworen, dat zij het niet overleven zou als hij haar verliet.
Hij stelde zich haar voor, stervende op de meest verschrikkelijke wijze; of nog erger, hij dacht aan al de ellende van een losbandig leven, waaraan zij onderhevig zou zijn, en waarvan hij de dubbele schuld moest dragen van haar eerst verleid en later verlaten te hebben; want hij was wel bekend met den haat welken de buren en zelfs hare eigene zusters haar toedroegen, en hoe gereed zij zouden zijn om haar te mishandelen. Inderdaad, hij had haar nog meer aan nijd dan aan schande blootgesteld;—of liever, aan de laatste door den eersten. Want vele vrouwen veroordeelden haar ligtzinnig gedrag, terwijl zij haar om den minnaar en den opschik benijdden, en zelve gaarne, voor denzelfden prijs, beide zouden verkregen hebben. Hij begreep dus, dat als hij haar verliet, het arme meisje te grond gerigt zou zijn, en deze gedachte ging hem zeer aan het hart. De armoede en de nood schenen niemand het regt te geven beide deze rampen te verergeren. Haar nederige stand maakte, in zijne oogen, hare ellende niet minder beteekenend, en scheen hem ook niet zijne schuld uit te wisschen of te verminderen, daar hij haar die ellende berokkend had. Maar waarom spreek ik van regt geven? Zijn eigen hart liet hem niet toe een menschelijk wezen te gronde te rigten, dat, naar hij zich verbeeldde, hem beminde en aan die liefde zijne onschuld opgeofferd had. Zijn eigen goed hart pleitte voor haar, niet als een koele, betaalde advokaat, maar als iemand, die belang had bij de uitspraak, en die een groot deel zou moeten dragen van de kwellingen welke een ander zou ondergaan.
Toen deze krachtige advokaat het medelijden van Jones genoegzaam opgewekt had, door de arme Molly af te schilderen als het slagtoffer van allerlei rampen, riep die pleitbezorger zeer listig de hulp in van andere driften en stelde hem het meisje voor in al de schoone kleuren van jeugd, gezondheid en schoonheid,—des te verleidelijker voor de[195]zinnen, ten minste van een regtgeaard mensch, omdat zij tegelijker tijd zijn medelijden verdiende.
Te midden van deze gedachten sleet de arme Jones een langen en slapeloozen nacht, en de uitslag was, dat hij ’s morgens besloot bij Molly te blijven en niet meer aan Sophia te denken.
Bij dit deugdzame voornemen bleef hij den geheelen dag, tot den avond, steeds de herinnering aan Molly koesterende en die aan Sophia verbannende; maar op dien noodlottigen avond werd al zijn hartstogt weder door eene zeer onbelangrijke gebeurtenis opgewekt, waardoor zulk een geheele ommekeer in zijn gemoed bewerkt werd, dat wij het noodzakelijk achten dit in een nieuw hoofdstuk mede te deelen.