[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende eenige zeer gewone dingen, met eene zeer buitengewone opmerking dienaangaande.Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want, ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer, daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid[14]toonende met zijne schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis, voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind; maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te merken, dat zij eindigde met te zeggen:„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner bespottelijke grillen tegen te gaan.”Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren, waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer vermeerderen.[15]Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers, naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken, heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende eenige zeer gewone dingen, met eene zeer buitengewone opmerking dienaangaande.Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want, ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer, daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid[14]toonende met zijne schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis, voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind; maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te merken, dat zij eindigde met te zeggen:„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner bespottelijke grillen tegen te gaan.”Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren, waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer vermeerderen.[15]Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers, naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken, heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende eenige zeer gewone dingen, met eene zeer buitengewone opmerking dienaangaande.Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want, ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer, daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid[14]toonende met zijne schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis, voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind; maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te merken, dat zij eindigde met te zeggen:„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner bespottelijke grillen tegen te gaan.”Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren, waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer vermeerderen.[15]Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers, naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken, heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende eenige zeer gewone dingen, met eene zeer buitengewone opmerking dienaangaande.Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want, ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer, daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid[14]toonende met zijne schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis, voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind; maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te merken, dat zij eindigde met te zeggen:„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner bespottelijke grillen tegen te gaan.”Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren, waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer vermeerderen.[15]Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers, naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken, heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende eenige zeer gewone dingen, met eene zeer buitengewone opmerking dienaangaande.Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want, ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer, daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid[14]toonende met zijne schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis, voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind; maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te merken, dat zij eindigde met te zeggen:„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner bespottelijke grillen tegen te gaan.”Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren, waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer vermeerderen.[15]Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers, naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken, heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.
Hoofdstuk V.Bevattende eenige zeer gewone dingen, met eene zeer buitengewone opmerking dienaangaande.
Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want, ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer, daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid[14]toonende met zijne schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis, voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind; maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te merken, dat zij eindigde met te zeggen:„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner bespottelijke grillen tegen te gaan.”Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren, waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer vermeerderen.[15]Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers, naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken, heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.
Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want, ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer, daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid[14]toonende met zijne schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:
„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”
Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis, voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind; maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te merken, dat zij eindigde met te zeggen:
„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner bespottelijke grillen tegen te gaan.”
Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren, waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer vermeerderen.[15]
Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers, naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken, heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.