[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende zulke ernstige zaken, dat de lezer het geheele hoofdstuk door niet eens lagchen kan, ten zij hij welligt om den schrijver lagche.Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer streng te straffen voor hetgeen ge gedaan[20]hebt, en ge zult welligt des te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij, als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel, veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die godsdienst stichtte.„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want, wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar ik meen, uw geslacht[21]ten minste een afschrik moeten geven van deze misdaad.„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar niemand anders zich met u ophouden wil.„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den ondergang beide van ligchaam en ziel.„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge heeft?„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand, kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een kort, beuzelachtig, verachtelijk[22]genot wil verschaffen ten koste van al wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp, ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy een oogenblik en hervatte toen:„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand, niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan op u.”Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene bedaarde stem, als volgt:[23]„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren. In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen. De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren, mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden; want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu, mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne geloften zou schenden.”De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou. Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd had, maar alleen met het doel om den schuldige[24]te straffen, en ten einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het niet verdiende, eene gunst te bewijzen.Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde; want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende: „Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand, wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende zulke ernstige zaken, dat de lezer het geheele hoofdstuk door niet eens lagchen kan, ten zij hij welligt om den schrijver lagche.Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer streng te straffen voor hetgeen ge gedaan[20]hebt, en ge zult welligt des te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij, als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel, veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die godsdienst stichtte.„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want, wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar ik meen, uw geslacht[21]ten minste een afschrik moeten geven van deze misdaad.„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar niemand anders zich met u ophouden wil.„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den ondergang beide van ligchaam en ziel.„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge heeft?„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand, kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een kort, beuzelachtig, verachtelijk[22]genot wil verschaffen ten koste van al wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp, ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy een oogenblik en hervatte toen:„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand, niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan op u.”Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene bedaarde stem, als volgt:[23]„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren. In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen. De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren, mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden; want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu, mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne geloften zou schenden.”De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou. Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd had, maar alleen met het doel om den schuldige[24]te straffen, en ten einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het niet verdiende, eene gunst te bewijzen.Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde; want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende: „Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand, wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende zulke ernstige zaken, dat de lezer het geheele hoofdstuk door niet eens lagchen kan, ten zij hij welligt om den schrijver lagche.Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer streng te straffen voor hetgeen ge gedaan[20]hebt, en ge zult welligt des te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij, als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel, veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die godsdienst stichtte.„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want, wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar ik meen, uw geslacht[21]ten minste een afschrik moeten geven van deze misdaad.„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar niemand anders zich met u ophouden wil.„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den ondergang beide van ligchaam en ziel.„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge heeft?„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand, kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een kort, beuzelachtig, verachtelijk[22]genot wil verschaffen ten koste van al wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp, ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy een oogenblik en hervatte toen:„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand, niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan op u.”Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene bedaarde stem, als volgt:[23]„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren. In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen. De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren, mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden; want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu, mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne geloften zou schenden.”De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou. Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd had, maar alleen met het doel om den schuldige[24]te straffen, en ten einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het niet verdiende, eene gunst te bewijzen.Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde; want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende: „Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand, wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende zulke ernstige zaken, dat de lezer het geheele hoofdstuk door niet eens lagchen kan, ten zij hij welligt om den schrijver lagche.Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer streng te straffen voor hetgeen ge gedaan[20]hebt, en ge zult welligt des te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij, als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel, veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die godsdienst stichtte.„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want, wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar ik meen, uw geslacht[21]ten minste een afschrik moeten geven van deze misdaad.„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar niemand anders zich met u ophouden wil.„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den ondergang beide van ligchaam en ziel.„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge heeft?„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand, kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een kort, beuzelachtig, verachtelijk[22]genot wil verschaffen ten koste van al wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp, ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy een oogenblik en hervatte toen:„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand, niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan op u.”Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene bedaarde stem, als volgt:[23]„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren. In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen. De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren, mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden; want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu, mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne geloften zou schenden.”De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou. Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd had, maar alleen met het doel om den schuldige[24]te straffen, en ten einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het niet verdiende, eene gunst te bewijzen.Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde; want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende: „Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand, wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende zulke ernstige zaken, dat de lezer het geheele hoofdstuk door niet eens lagchen kan, ten zij hij welligt om den schrijver lagche.Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer streng te straffen voor hetgeen ge gedaan[20]hebt, en ge zult welligt des te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij, als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel, veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die godsdienst stichtte.„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want, wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar ik meen, uw geslacht[21]ten minste een afschrik moeten geven van deze misdaad.„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar niemand anders zich met u ophouden wil.„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den ondergang beide van ligchaam en ziel.„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge heeft?„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand, kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een kort, beuzelachtig, verachtelijk[22]genot wil verschaffen ten koste van al wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp, ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy een oogenblik en hervatte toen:„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand, niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan op u.”Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene bedaarde stem, als volgt:[23]„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren. In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen. De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren, mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden; want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu, mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne geloften zou schenden.”De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou. Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd had, maar alleen met het doel om den schuldige[24]te straffen, en ten einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het niet verdiende, eene gunst te bewijzen.Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde; want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende: „Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand, wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”
Hoofdstuk VII.Bevattende zulke ernstige zaken, dat de lezer het geheele hoofdstuk door niet eens lagchen kan, ten zij hij welligt om den schrijver lagche.
Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer streng te straffen voor hetgeen ge gedaan[20]hebt, en ge zult welligt des te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij, als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel, veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die godsdienst stichtte.„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want, wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar ik meen, uw geslacht[21]ten minste een afschrik moeten geven van deze misdaad.„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar niemand anders zich met u ophouden wil.„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den ondergang beide van ligchaam en ziel.„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge heeft?„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand, kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een kort, beuzelachtig, verachtelijk[22]genot wil verschaffen ten koste van al wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp, ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy een oogenblik en hervatte toen:„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand, niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan op u.”Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene bedaarde stem, als volgt:[23]„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren. In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen. De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren, mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden; want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu, mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne geloften zou schenden.”De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou. Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd had, maar alleen met het doel om den schuldige[24]te straffen, en ten einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het niet verdiende, eene gunst te bewijzen.Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde; want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende: „Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand, wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”
Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:
„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer streng te straffen voor hetgeen ge gedaan[20]hebt, en ge zult welligt des te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij, als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.
„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel, veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.
„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die godsdienst stichtte.
„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want, wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?
„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.
„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar ik meen, uw geslacht[21]ten minste een afschrik moeten geven van deze misdaad.
„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar niemand anders zich met u ophouden wil.
„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den ondergang beide van ligchaam en ziel.
„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge heeft?
„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand, kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een kort, beuzelachtig, verachtelijk[22]genot wil verschaffen ten koste van al wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp, ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”
Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy een oogenblik en hervatte toen:
„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand, niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.
„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan op u.”
Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene bedaarde stem, als volgt:[23]
„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren. In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen. De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren, mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden; want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu, mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne geloften zou schenden.”
De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou. Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd had, maar alleen met het doel om den schuldige[24]te straffen, en ten einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het niet verdiende, eene gunst te bewijzen.
Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.
Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde; want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.
Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende: „Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand, wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”