Hoofdstuk VIII.

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een slag, door de muze in den trant van Homerus bezongen, en die dus alleen door den klassiek gevormden lezer gewaardeerd zal worden.De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia waren er op dit oogenblik tegenwoordig.Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde verzorgen en mogelijk het meisje[149]als kamenier nemen, zoodra hare eigene meid, die nu wegging, haar verlaten had.De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen, vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar te wagen.”De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij hier eene hoogere magt inroepen.Gij Muzen dan, wie gij ook zijt, die u er op toelegt om veldslagen te bezingen, en voornamelijk gij, die vroeger de slagting beschreeft op die velden, waar Hudibras en Trulla streden;—als gij niet met uw vriend, den dichter Butler, van honger gestorven zijt,—verleen mij uwe hulp bij deze gewigtige gelegenheid! Het is niet een ieder gegeven alles te vermogen!Even als eene groote kudde koeijen, op het erf van een rijken boer, loeijen en brullen als zij, terwijl zij gemolken worden, hare kalveren in de verte over den diefstal hooren klagen, zoo brulde dan ook het graauw van Somerset, met even zooveel soorten van kreten, gillen en andere geluiden als er verschillende personen of hartstogten onder hen waren.[150]Sommigen waren bezield door toorn, anderen door vrees, en anderen waren vervuld met niets dan lust tot kattenkwaad;—maar het was voornamelijk de nijd, de zuster van den Satan, welke hem aanhoudend vergezelt, die onder de menigte rondvloog en de woede der vrouwen opstookte, die zoodra zij Molly bereikten, haar met vuil en drek smeten.Molly, die te vergeefs gepoogd had te vlugten, keerde zich nu om, en de in lompen gehulde Bet grijpende, die den vijand aanvoerde, velde zij haar met één slag ter neder. Het geheele vijandige leger,—hoewel bijna een honderdtal strijders tellende,—het lot van zijn aanvoerdster ontwarende, week eenige passen achteruit en nam positie achter een pas gedolven graf,—want de strijd viel voor op het kerkhof, waar dienzelfden avond iemand begraven zou worden.Molly maakte gebruik van haar voordeel, en een schedel opgrijpende, die aan den rand van het graf lag, smeet zij hem met zooveel kracht, dat zij een kleermaker daarmede op het hoofd raakte, en de beide schedels bij hunne ontmoeting een dof geluid gaven, waardoor de kleêrmaker de maat nam van den grond, en waar de twee hoofden nu naast elkaarlagen, zoodat het moeijelijk te beslissen was, welk van beide het meeste waard was. Molly daarop een dijbeen opvattende, viel de vlugtende gelederen aan, en deelde naar alle kanten hare milde slagen uit, zoodat menige dappere held en heldin nedergeveld werden.Verkondig, o Muze, de namen van diegenen, welke op dezen noodlottigen dag vielen!Eerst gevoelde Jakob Tweedle het onheil brengende been op zijn achterhoofd. Hem hadden de aangename oevers van de schoon kronkelende Stour gevoed, waar hij eerst des zangers kunst leerde, waarmede hij, op kermissen en feesten heen en weer trekkende, de landelijke nimfen en herders bekoorde als zij op het groene perk den opwekkenden dans beoefenden, terwijl hij zelf stond te fiedelen en bij zijne eigene muzijk te springen. Wat baat hem nu die viool? Zijn ligchaam valt neder op de groene zoden. Na hem viel de grijze Echepole, de varkenssnijder, die van de heldhaftige Amazone een slag op het voorhoofd ontving. Hij was lijvig en groot van ligchaam en viel zwaar als een huis.[151]Op dit oogenblik gleed hem de tabaksdoos uit den zak, welke Molly, als wettigen buit, opgreep.Daarop struikelde, ongelukkig, Kaat van den molen, over een grafsteen, waaraan haar neerhangende kous haakte, en de natuurlijke orde der dingen omkeerde, daar hare hielen hooger dan haar hoofd kwamen te staan. Betsi Pippin, met den jeugdigen Roger, haar minnaar, vielen beide ter aarde, waar, o ongunstig noodlot, zij den grond kuste en hij ten hemel keek. Tom Freckle, des hoefsmids zoon, werd nu het eerstvolgende slagtoffer harer woede. Hij was een kunstige werkman en maakte heerlijke ijzeren beugels voor de houten overschoenen der vrouwen:—en de overschoen waarmede hij nedergeveld werd, was zijn eigen werk! Als hij op dat oogenblik in de kerk gebleven ware om psalmen te zingen, zou hij die ramp ontgaan zijn. Mejufvrouw Crow, de dochter van een boer; Jan Giddish, zelf een boer, Nancy Slouch, Hester Codling, Willem Spray, Tom Bennet; de drie jonge dochters van Potter, wier vader de herberg, „in den rooden Leeuw” houdt, Betje, de werkmeid en Jan, de stalknecht, met vele anderen van minderen naam lagen te wentelen onder de grafsteenen.Niet allen echter door den krachtigen arm van Molly bereikt; maar velen, op de vlugt, wierpen anderen omver.Maar nu keerde Fortuna, vreezende haar karakter ontrouw te worden als zij te lang dezelfde partij begunstigde, vooral als die voor de goede zaak vocht, zich om, en voerde vrouw Brown aan,—haar, die Zedekiël Brown als vrouw omhelsde,—en niet hij alleen, maar de halve gemeente ook, zoo beroemd was zij in de heldenfeiten van Venus, zoowel als in die van Mars. Haar man droeg altijd op hoofd en gelaat haretrofeënrond; want zoo ooit een menschelijk hoofd, dan heeft dat van Zedekiël door zijne horens de zegepralen zijner vrouw op het gebied der liefde verkondigd, terwijl zijn diep gegroefd gelaat geene mindere sporen droeg van hare krijgshaftige talenten.Niet langer wilde deze Amazone de schandelijke vlugt harer partij verdragen. Zij bleef staan en de vlugtenden luide toeroepende, sprak zij:„Gij mannen van Somersetshire, of liever, gij vrouwen van Somersetshire, schaamt gij u niet aldus voor ééne enkele[152]vrouw te vlugten? Maar, zoo niemand anders haar weerstaan durft, zal ik zelve, met Johanna Top, hier de eer der overwinning wegdragen!”Zij sprak, vloog Molly Seagrim aan, ontwrong haar gemakkelijk het dijbeen en rukte haar ter zelfder tijd de muts van het hoofd. Daarop Molly met de linkerhand in het haar grijpende, sloeg zij haar zoo hevig in het gezigt met de regter, dat het bloed spoedig uit haar neus vloeide. Molly inmiddels bleef niet lijdelijk. Weldra rukte ook zij den doek van het hoofd van vrouw Brown, greep haar tevens met de eene hand in het haar en deed insgelijks met de andere hand een bloedstroom vloeijen uit de neusgaten harer vijandin.Toen de beide strijdenden genoegzamen buit geroofd hadden uit elkanders hoofdhaar, keerde zich hare woede tegen de kleêren. In dezen aanval legden zij zoo veel vuur aan den dag, dat binnen weinige minuten beide tot haar midden ontbloot werden.Gelukkig voor de vrouwen, dat als zij elkaar met de vuisten slaan, zij dat niet doen op dezelfde plaatsen als de mannen;—want ofschoon men zeggen kan, dat zij eenigzins haar geslacht vergeten als zij ten strijde trekken, heb ik toch opgemerkt, dat zij het nooit in zoo ver doen, dat zij elkaar op de borsten slaan, waar een enkele slag voor de meeste vrouwen noodlottige gevolgen zou hebben. Het is mij bekend, dat sommigen dit toeschrijven aan de omstandigheid, dat zij bloeddorstiger zijn dan de mannen. Om deze reden beginnen zij met den neus, die het gemakkelijkst aan het bloeden te krijgen is. Maar dit schijnt mij toe eene zeer gezochte en onregtvaardige veronderstelling te zijn.Vrouw Brown had op dit punt een groot voordeel boven Molly, daar zij inderdaad geene borsten had, terwijl haar boezem, als men dien zoo noemen mag,—zoowel in kleur als in vele andere opzigten op een stuk oud perkament geleek, waarop men lang had kunnen trommelen zonder haar veel kwaad te doen.Molly, buiten en behalve haren bijzonderen ongelukkigen toestand, was in deze ligchaamsdeelen anders geschapen, en de nijd van vrouw Brown zou deze welligt er toe gebragt hebben haar een noodlottigen slag te geven, als de gelukkige[153]aankomst van Tom Jones op dit oogenblik niet plotseling een einde had gemaakt aan dit bloedig tooneel.Dit gelukkige toeval was te danken aan den heer Square; want hij, de jonge Blifil en Jones waren, na kerktijd, te paard gestegen om een ridje te doen, en waren ongeveer een kwartier ver gereden, toen Square, van zin veranderde (niet uit grilligheid, maar om eene reden, welke wij ter gelegener tijd zullen uitleggen), en de jonge heeren verzocht een anderen weg in te slaan, dan dien, welken zij eerst gevolgd waren. Daar beiden hierin toestemden, kwamen zij noodzakelijk het kerkhof weder voorbij.De jonge Blifil, die voorop reed, de verzamelde menigte ziende en twee vrouwen in de positie, waarin wij de strijdenden lieten, hield zijn paard in en vroeg wat er gaande was? Een boeren lummel krabde zich achter het oor en hernam:„Wel, mijnheer, ik weet er niets van,—ik—; maar als u ’t niet kwalijk neemt, mijnheer, er is eene kloppartij geweest, geloof ik, tusschen vrouw Brown en Molly Seagrim.”„Vrouw Brown, en wie?” vroeg Tom, maar zonder op antwoord te wachten; want de gelaatstrekken zijner Molly herkend hebbende, in weerwil van hare ontsteltenis, sprong hij vlug van het paard, liet het dier staan en sprong over den muur om haar te helpen. Zij barstte nu voor het eerst in tranen uit, en vertelde hem hoe barbaarsch men haar behandeld had. Waarop, zonder te denken aan het geslacht van vrouw Brown, of het, misschien in zijne woede niet eens opmerkende, want, waarlijk, behalve den rok, welken hij welligt niet zag, had zij weinig vrouwelijks om haar te onderscheiden, gaf hij haar een paar klappen met zijn zweep, en daarop het graauw aanvliegende, dat gezamentlijk door Molly beschuldigd werd, deelde hij zijne slagen met zoo veel mildheid uit, dat, zonder de Muze weer in te roepen,—wat een weinig hard zou zijn voor het goedaardige schepsel, waarvan reeds zoo veel gevergd werd,—het mij onmogelijk zou zijn de slagen op te sommen die dien dag nog uitgedeeld werden.Na de geheele omstreek van den vijand gezuiverd te hebben, even goed als ooit eenig held van Homerus, of Don Quichot, of eenig ander dolende ridder dit deed, keerde hij[154]bij Molly terug, die hij in een toestand vond, welken het mij en den lezer pijnigen zou hier weder te beschrijven. Tom woedde als een razende. Hij sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit, stampte met de voeten en zwoer wraak aan iedereen, die in de zaak was betrokken geweest. Daarop trok hij den jas uit, en knoopte dien om haar lijf, zette haar zijn hoed op het hoofd, wischte haar het bloed zoo goed hij kon met den zakdoek uit het gezigt, en beval den knecht zoo spoedig mogelijk naar huis te rijden om een kussen of vrouwenzadel te halen, opdat hij haar veilig naar huis kon brengen.De jonge Blifil had er veel tegen den knecht weg te zenden, omdat zij er slechts één bij zich hadden; daar Square echter Tom ondersteunde, moest hij ook eindigen met zijne toestemming te geven.De man was in een oogenblik terug en Molly hare lompen, zoo goed zij kon, bijeen verzamelende, steeg achter den knecht op. Op deze wijze werd zij naar huis gebragt, terwijl Square, Blifil en Jones haar vergezelden.Hier kreeg Jones zijn jas terug en na haar in stilte een kus gegeven te hebben, met de belofte om dien avond terug te keeren, verliet hij zijne Molly en volgde zijne makkers.

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een slag, door de muze in den trant van Homerus bezongen, en die dus alleen door den klassiek gevormden lezer gewaardeerd zal worden.De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia waren er op dit oogenblik tegenwoordig.Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde verzorgen en mogelijk het meisje[149]als kamenier nemen, zoodra hare eigene meid, die nu wegging, haar verlaten had.De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen, vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar te wagen.”De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij hier eene hoogere magt inroepen.Gij Muzen dan, wie gij ook zijt, die u er op toelegt om veldslagen te bezingen, en voornamelijk gij, die vroeger de slagting beschreeft op die velden, waar Hudibras en Trulla streden;—als gij niet met uw vriend, den dichter Butler, van honger gestorven zijt,—verleen mij uwe hulp bij deze gewigtige gelegenheid! Het is niet een ieder gegeven alles te vermogen!Even als eene groote kudde koeijen, op het erf van een rijken boer, loeijen en brullen als zij, terwijl zij gemolken worden, hare kalveren in de verte over den diefstal hooren klagen, zoo brulde dan ook het graauw van Somerset, met even zooveel soorten van kreten, gillen en andere geluiden als er verschillende personen of hartstogten onder hen waren.[150]Sommigen waren bezield door toorn, anderen door vrees, en anderen waren vervuld met niets dan lust tot kattenkwaad;—maar het was voornamelijk de nijd, de zuster van den Satan, welke hem aanhoudend vergezelt, die onder de menigte rondvloog en de woede der vrouwen opstookte, die zoodra zij Molly bereikten, haar met vuil en drek smeten.Molly, die te vergeefs gepoogd had te vlugten, keerde zich nu om, en de in lompen gehulde Bet grijpende, die den vijand aanvoerde, velde zij haar met één slag ter neder. Het geheele vijandige leger,—hoewel bijna een honderdtal strijders tellende,—het lot van zijn aanvoerdster ontwarende, week eenige passen achteruit en nam positie achter een pas gedolven graf,—want de strijd viel voor op het kerkhof, waar dienzelfden avond iemand begraven zou worden.Molly maakte gebruik van haar voordeel, en een schedel opgrijpende, die aan den rand van het graf lag, smeet zij hem met zooveel kracht, dat zij een kleermaker daarmede op het hoofd raakte, en de beide schedels bij hunne ontmoeting een dof geluid gaven, waardoor de kleêrmaker de maat nam van den grond, en waar de twee hoofden nu naast elkaarlagen, zoodat het moeijelijk te beslissen was, welk van beide het meeste waard was. Molly daarop een dijbeen opvattende, viel de vlugtende gelederen aan, en deelde naar alle kanten hare milde slagen uit, zoodat menige dappere held en heldin nedergeveld werden.Verkondig, o Muze, de namen van diegenen, welke op dezen noodlottigen dag vielen!Eerst gevoelde Jakob Tweedle het onheil brengende been op zijn achterhoofd. Hem hadden de aangename oevers van de schoon kronkelende Stour gevoed, waar hij eerst des zangers kunst leerde, waarmede hij, op kermissen en feesten heen en weer trekkende, de landelijke nimfen en herders bekoorde als zij op het groene perk den opwekkenden dans beoefenden, terwijl hij zelf stond te fiedelen en bij zijne eigene muzijk te springen. Wat baat hem nu die viool? Zijn ligchaam valt neder op de groene zoden. Na hem viel de grijze Echepole, de varkenssnijder, die van de heldhaftige Amazone een slag op het voorhoofd ontving. Hij was lijvig en groot van ligchaam en viel zwaar als een huis.[151]Op dit oogenblik gleed hem de tabaksdoos uit den zak, welke Molly, als wettigen buit, opgreep.Daarop struikelde, ongelukkig, Kaat van den molen, over een grafsteen, waaraan haar neerhangende kous haakte, en de natuurlijke orde der dingen omkeerde, daar hare hielen hooger dan haar hoofd kwamen te staan. Betsi Pippin, met den jeugdigen Roger, haar minnaar, vielen beide ter aarde, waar, o ongunstig noodlot, zij den grond kuste en hij ten hemel keek. Tom Freckle, des hoefsmids zoon, werd nu het eerstvolgende slagtoffer harer woede. Hij was een kunstige werkman en maakte heerlijke ijzeren beugels voor de houten overschoenen der vrouwen:—en de overschoen waarmede hij nedergeveld werd, was zijn eigen werk! Als hij op dat oogenblik in de kerk gebleven ware om psalmen te zingen, zou hij die ramp ontgaan zijn. Mejufvrouw Crow, de dochter van een boer; Jan Giddish, zelf een boer, Nancy Slouch, Hester Codling, Willem Spray, Tom Bennet; de drie jonge dochters van Potter, wier vader de herberg, „in den rooden Leeuw” houdt, Betje, de werkmeid en Jan, de stalknecht, met vele anderen van minderen naam lagen te wentelen onder de grafsteenen.Niet allen echter door den krachtigen arm van Molly bereikt; maar velen, op de vlugt, wierpen anderen omver.Maar nu keerde Fortuna, vreezende haar karakter ontrouw te worden als zij te lang dezelfde partij begunstigde, vooral als die voor de goede zaak vocht, zich om, en voerde vrouw Brown aan,—haar, die Zedekiël Brown als vrouw omhelsde,—en niet hij alleen, maar de halve gemeente ook, zoo beroemd was zij in de heldenfeiten van Venus, zoowel als in die van Mars. Haar man droeg altijd op hoofd en gelaat haretrofeënrond; want zoo ooit een menschelijk hoofd, dan heeft dat van Zedekiël door zijne horens de zegepralen zijner vrouw op het gebied der liefde verkondigd, terwijl zijn diep gegroefd gelaat geene mindere sporen droeg van hare krijgshaftige talenten.Niet langer wilde deze Amazone de schandelijke vlugt harer partij verdragen. Zij bleef staan en de vlugtenden luide toeroepende, sprak zij:„Gij mannen van Somersetshire, of liever, gij vrouwen van Somersetshire, schaamt gij u niet aldus voor ééne enkele[152]vrouw te vlugten? Maar, zoo niemand anders haar weerstaan durft, zal ik zelve, met Johanna Top, hier de eer der overwinning wegdragen!”Zij sprak, vloog Molly Seagrim aan, ontwrong haar gemakkelijk het dijbeen en rukte haar ter zelfder tijd de muts van het hoofd. Daarop Molly met de linkerhand in het haar grijpende, sloeg zij haar zoo hevig in het gezigt met de regter, dat het bloed spoedig uit haar neus vloeide. Molly inmiddels bleef niet lijdelijk. Weldra rukte ook zij den doek van het hoofd van vrouw Brown, greep haar tevens met de eene hand in het haar en deed insgelijks met de andere hand een bloedstroom vloeijen uit de neusgaten harer vijandin.Toen de beide strijdenden genoegzamen buit geroofd hadden uit elkanders hoofdhaar, keerde zich hare woede tegen de kleêren. In dezen aanval legden zij zoo veel vuur aan den dag, dat binnen weinige minuten beide tot haar midden ontbloot werden.Gelukkig voor de vrouwen, dat als zij elkaar met de vuisten slaan, zij dat niet doen op dezelfde plaatsen als de mannen;—want ofschoon men zeggen kan, dat zij eenigzins haar geslacht vergeten als zij ten strijde trekken, heb ik toch opgemerkt, dat zij het nooit in zoo ver doen, dat zij elkaar op de borsten slaan, waar een enkele slag voor de meeste vrouwen noodlottige gevolgen zou hebben. Het is mij bekend, dat sommigen dit toeschrijven aan de omstandigheid, dat zij bloeddorstiger zijn dan de mannen. Om deze reden beginnen zij met den neus, die het gemakkelijkst aan het bloeden te krijgen is. Maar dit schijnt mij toe eene zeer gezochte en onregtvaardige veronderstelling te zijn.Vrouw Brown had op dit punt een groot voordeel boven Molly, daar zij inderdaad geene borsten had, terwijl haar boezem, als men dien zoo noemen mag,—zoowel in kleur als in vele andere opzigten op een stuk oud perkament geleek, waarop men lang had kunnen trommelen zonder haar veel kwaad te doen.Molly, buiten en behalve haren bijzonderen ongelukkigen toestand, was in deze ligchaamsdeelen anders geschapen, en de nijd van vrouw Brown zou deze welligt er toe gebragt hebben haar een noodlottigen slag te geven, als de gelukkige[153]aankomst van Tom Jones op dit oogenblik niet plotseling een einde had gemaakt aan dit bloedig tooneel.Dit gelukkige toeval was te danken aan den heer Square; want hij, de jonge Blifil en Jones waren, na kerktijd, te paard gestegen om een ridje te doen, en waren ongeveer een kwartier ver gereden, toen Square, van zin veranderde (niet uit grilligheid, maar om eene reden, welke wij ter gelegener tijd zullen uitleggen), en de jonge heeren verzocht een anderen weg in te slaan, dan dien, welken zij eerst gevolgd waren. Daar beiden hierin toestemden, kwamen zij noodzakelijk het kerkhof weder voorbij.De jonge Blifil, die voorop reed, de verzamelde menigte ziende en twee vrouwen in de positie, waarin wij de strijdenden lieten, hield zijn paard in en vroeg wat er gaande was? Een boeren lummel krabde zich achter het oor en hernam:„Wel, mijnheer, ik weet er niets van,—ik—; maar als u ’t niet kwalijk neemt, mijnheer, er is eene kloppartij geweest, geloof ik, tusschen vrouw Brown en Molly Seagrim.”„Vrouw Brown, en wie?” vroeg Tom, maar zonder op antwoord te wachten; want de gelaatstrekken zijner Molly herkend hebbende, in weerwil van hare ontsteltenis, sprong hij vlug van het paard, liet het dier staan en sprong over den muur om haar te helpen. Zij barstte nu voor het eerst in tranen uit, en vertelde hem hoe barbaarsch men haar behandeld had. Waarop, zonder te denken aan het geslacht van vrouw Brown, of het, misschien in zijne woede niet eens opmerkende, want, waarlijk, behalve den rok, welken hij welligt niet zag, had zij weinig vrouwelijks om haar te onderscheiden, gaf hij haar een paar klappen met zijn zweep, en daarop het graauw aanvliegende, dat gezamentlijk door Molly beschuldigd werd, deelde hij zijne slagen met zoo veel mildheid uit, dat, zonder de Muze weer in te roepen,—wat een weinig hard zou zijn voor het goedaardige schepsel, waarvan reeds zoo veel gevergd werd,—het mij onmogelijk zou zijn de slagen op te sommen die dien dag nog uitgedeeld werden.Na de geheele omstreek van den vijand gezuiverd te hebben, even goed als ooit eenig held van Homerus, of Don Quichot, of eenig ander dolende ridder dit deed, keerde hij[154]bij Molly terug, die hij in een toestand vond, welken het mij en den lezer pijnigen zou hier weder te beschrijven. Tom woedde als een razende. Hij sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit, stampte met de voeten en zwoer wraak aan iedereen, die in de zaak was betrokken geweest. Daarop trok hij den jas uit, en knoopte dien om haar lijf, zette haar zijn hoed op het hoofd, wischte haar het bloed zoo goed hij kon met den zakdoek uit het gezigt, en beval den knecht zoo spoedig mogelijk naar huis te rijden om een kussen of vrouwenzadel te halen, opdat hij haar veilig naar huis kon brengen.De jonge Blifil had er veel tegen den knecht weg te zenden, omdat zij er slechts één bij zich hadden; daar Square echter Tom ondersteunde, moest hij ook eindigen met zijne toestemming te geven.De man was in een oogenblik terug en Molly hare lompen, zoo goed zij kon, bijeen verzamelende, steeg achter den knecht op. Op deze wijze werd zij naar huis gebragt, terwijl Square, Blifil en Jones haar vergezelden.Hier kreeg Jones zijn jas terug en na haar in stilte een kus gegeven te hebben, met de belofte om dien avond terug te keeren, verliet hij zijne Molly en volgde zijne makkers.

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een slag, door de muze in den trant van Homerus bezongen, en die dus alleen door den klassiek gevormden lezer gewaardeerd zal worden.De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia waren er op dit oogenblik tegenwoordig.Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde verzorgen en mogelijk het meisje[149]als kamenier nemen, zoodra hare eigene meid, die nu wegging, haar verlaten had.De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen, vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar te wagen.”De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij hier eene hoogere magt inroepen.Gij Muzen dan, wie gij ook zijt, die u er op toelegt om veldslagen te bezingen, en voornamelijk gij, die vroeger de slagting beschreeft op die velden, waar Hudibras en Trulla streden;—als gij niet met uw vriend, den dichter Butler, van honger gestorven zijt,—verleen mij uwe hulp bij deze gewigtige gelegenheid! Het is niet een ieder gegeven alles te vermogen!Even als eene groote kudde koeijen, op het erf van een rijken boer, loeijen en brullen als zij, terwijl zij gemolken worden, hare kalveren in de verte over den diefstal hooren klagen, zoo brulde dan ook het graauw van Somerset, met even zooveel soorten van kreten, gillen en andere geluiden als er verschillende personen of hartstogten onder hen waren.[150]Sommigen waren bezield door toorn, anderen door vrees, en anderen waren vervuld met niets dan lust tot kattenkwaad;—maar het was voornamelijk de nijd, de zuster van den Satan, welke hem aanhoudend vergezelt, die onder de menigte rondvloog en de woede der vrouwen opstookte, die zoodra zij Molly bereikten, haar met vuil en drek smeten.Molly, die te vergeefs gepoogd had te vlugten, keerde zich nu om, en de in lompen gehulde Bet grijpende, die den vijand aanvoerde, velde zij haar met één slag ter neder. Het geheele vijandige leger,—hoewel bijna een honderdtal strijders tellende,—het lot van zijn aanvoerdster ontwarende, week eenige passen achteruit en nam positie achter een pas gedolven graf,—want de strijd viel voor op het kerkhof, waar dienzelfden avond iemand begraven zou worden.Molly maakte gebruik van haar voordeel, en een schedel opgrijpende, die aan den rand van het graf lag, smeet zij hem met zooveel kracht, dat zij een kleermaker daarmede op het hoofd raakte, en de beide schedels bij hunne ontmoeting een dof geluid gaven, waardoor de kleêrmaker de maat nam van den grond, en waar de twee hoofden nu naast elkaarlagen, zoodat het moeijelijk te beslissen was, welk van beide het meeste waard was. Molly daarop een dijbeen opvattende, viel de vlugtende gelederen aan, en deelde naar alle kanten hare milde slagen uit, zoodat menige dappere held en heldin nedergeveld werden.Verkondig, o Muze, de namen van diegenen, welke op dezen noodlottigen dag vielen!Eerst gevoelde Jakob Tweedle het onheil brengende been op zijn achterhoofd. Hem hadden de aangename oevers van de schoon kronkelende Stour gevoed, waar hij eerst des zangers kunst leerde, waarmede hij, op kermissen en feesten heen en weer trekkende, de landelijke nimfen en herders bekoorde als zij op het groene perk den opwekkenden dans beoefenden, terwijl hij zelf stond te fiedelen en bij zijne eigene muzijk te springen. Wat baat hem nu die viool? Zijn ligchaam valt neder op de groene zoden. Na hem viel de grijze Echepole, de varkenssnijder, die van de heldhaftige Amazone een slag op het voorhoofd ontving. Hij was lijvig en groot van ligchaam en viel zwaar als een huis.[151]Op dit oogenblik gleed hem de tabaksdoos uit den zak, welke Molly, als wettigen buit, opgreep.Daarop struikelde, ongelukkig, Kaat van den molen, over een grafsteen, waaraan haar neerhangende kous haakte, en de natuurlijke orde der dingen omkeerde, daar hare hielen hooger dan haar hoofd kwamen te staan. Betsi Pippin, met den jeugdigen Roger, haar minnaar, vielen beide ter aarde, waar, o ongunstig noodlot, zij den grond kuste en hij ten hemel keek. Tom Freckle, des hoefsmids zoon, werd nu het eerstvolgende slagtoffer harer woede. Hij was een kunstige werkman en maakte heerlijke ijzeren beugels voor de houten overschoenen der vrouwen:—en de overschoen waarmede hij nedergeveld werd, was zijn eigen werk! Als hij op dat oogenblik in de kerk gebleven ware om psalmen te zingen, zou hij die ramp ontgaan zijn. Mejufvrouw Crow, de dochter van een boer; Jan Giddish, zelf een boer, Nancy Slouch, Hester Codling, Willem Spray, Tom Bennet; de drie jonge dochters van Potter, wier vader de herberg, „in den rooden Leeuw” houdt, Betje, de werkmeid en Jan, de stalknecht, met vele anderen van minderen naam lagen te wentelen onder de grafsteenen.Niet allen echter door den krachtigen arm van Molly bereikt; maar velen, op de vlugt, wierpen anderen omver.Maar nu keerde Fortuna, vreezende haar karakter ontrouw te worden als zij te lang dezelfde partij begunstigde, vooral als die voor de goede zaak vocht, zich om, en voerde vrouw Brown aan,—haar, die Zedekiël Brown als vrouw omhelsde,—en niet hij alleen, maar de halve gemeente ook, zoo beroemd was zij in de heldenfeiten van Venus, zoowel als in die van Mars. Haar man droeg altijd op hoofd en gelaat haretrofeënrond; want zoo ooit een menschelijk hoofd, dan heeft dat van Zedekiël door zijne horens de zegepralen zijner vrouw op het gebied der liefde verkondigd, terwijl zijn diep gegroefd gelaat geene mindere sporen droeg van hare krijgshaftige talenten.Niet langer wilde deze Amazone de schandelijke vlugt harer partij verdragen. Zij bleef staan en de vlugtenden luide toeroepende, sprak zij:„Gij mannen van Somersetshire, of liever, gij vrouwen van Somersetshire, schaamt gij u niet aldus voor ééne enkele[152]vrouw te vlugten? Maar, zoo niemand anders haar weerstaan durft, zal ik zelve, met Johanna Top, hier de eer der overwinning wegdragen!”Zij sprak, vloog Molly Seagrim aan, ontwrong haar gemakkelijk het dijbeen en rukte haar ter zelfder tijd de muts van het hoofd. Daarop Molly met de linkerhand in het haar grijpende, sloeg zij haar zoo hevig in het gezigt met de regter, dat het bloed spoedig uit haar neus vloeide. Molly inmiddels bleef niet lijdelijk. Weldra rukte ook zij den doek van het hoofd van vrouw Brown, greep haar tevens met de eene hand in het haar en deed insgelijks met de andere hand een bloedstroom vloeijen uit de neusgaten harer vijandin.Toen de beide strijdenden genoegzamen buit geroofd hadden uit elkanders hoofdhaar, keerde zich hare woede tegen de kleêren. In dezen aanval legden zij zoo veel vuur aan den dag, dat binnen weinige minuten beide tot haar midden ontbloot werden.Gelukkig voor de vrouwen, dat als zij elkaar met de vuisten slaan, zij dat niet doen op dezelfde plaatsen als de mannen;—want ofschoon men zeggen kan, dat zij eenigzins haar geslacht vergeten als zij ten strijde trekken, heb ik toch opgemerkt, dat zij het nooit in zoo ver doen, dat zij elkaar op de borsten slaan, waar een enkele slag voor de meeste vrouwen noodlottige gevolgen zou hebben. Het is mij bekend, dat sommigen dit toeschrijven aan de omstandigheid, dat zij bloeddorstiger zijn dan de mannen. Om deze reden beginnen zij met den neus, die het gemakkelijkst aan het bloeden te krijgen is. Maar dit schijnt mij toe eene zeer gezochte en onregtvaardige veronderstelling te zijn.Vrouw Brown had op dit punt een groot voordeel boven Molly, daar zij inderdaad geene borsten had, terwijl haar boezem, als men dien zoo noemen mag,—zoowel in kleur als in vele andere opzigten op een stuk oud perkament geleek, waarop men lang had kunnen trommelen zonder haar veel kwaad te doen.Molly, buiten en behalve haren bijzonderen ongelukkigen toestand, was in deze ligchaamsdeelen anders geschapen, en de nijd van vrouw Brown zou deze welligt er toe gebragt hebben haar een noodlottigen slag te geven, als de gelukkige[153]aankomst van Tom Jones op dit oogenblik niet plotseling een einde had gemaakt aan dit bloedig tooneel.Dit gelukkige toeval was te danken aan den heer Square; want hij, de jonge Blifil en Jones waren, na kerktijd, te paard gestegen om een ridje te doen, en waren ongeveer een kwartier ver gereden, toen Square, van zin veranderde (niet uit grilligheid, maar om eene reden, welke wij ter gelegener tijd zullen uitleggen), en de jonge heeren verzocht een anderen weg in te slaan, dan dien, welken zij eerst gevolgd waren. Daar beiden hierin toestemden, kwamen zij noodzakelijk het kerkhof weder voorbij.De jonge Blifil, die voorop reed, de verzamelde menigte ziende en twee vrouwen in de positie, waarin wij de strijdenden lieten, hield zijn paard in en vroeg wat er gaande was? Een boeren lummel krabde zich achter het oor en hernam:„Wel, mijnheer, ik weet er niets van,—ik—; maar als u ’t niet kwalijk neemt, mijnheer, er is eene kloppartij geweest, geloof ik, tusschen vrouw Brown en Molly Seagrim.”„Vrouw Brown, en wie?” vroeg Tom, maar zonder op antwoord te wachten; want de gelaatstrekken zijner Molly herkend hebbende, in weerwil van hare ontsteltenis, sprong hij vlug van het paard, liet het dier staan en sprong over den muur om haar te helpen. Zij barstte nu voor het eerst in tranen uit, en vertelde hem hoe barbaarsch men haar behandeld had. Waarop, zonder te denken aan het geslacht van vrouw Brown, of het, misschien in zijne woede niet eens opmerkende, want, waarlijk, behalve den rok, welken hij welligt niet zag, had zij weinig vrouwelijks om haar te onderscheiden, gaf hij haar een paar klappen met zijn zweep, en daarop het graauw aanvliegende, dat gezamentlijk door Molly beschuldigd werd, deelde hij zijne slagen met zoo veel mildheid uit, dat, zonder de Muze weer in te roepen,—wat een weinig hard zou zijn voor het goedaardige schepsel, waarvan reeds zoo veel gevergd werd,—het mij onmogelijk zou zijn de slagen op te sommen die dien dag nog uitgedeeld werden.Na de geheele omstreek van den vijand gezuiverd te hebben, even goed als ooit eenig held van Homerus, of Don Quichot, of eenig ander dolende ridder dit deed, keerde hij[154]bij Molly terug, die hij in een toestand vond, welken het mij en den lezer pijnigen zou hier weder te beschrijven. Tom woedde als een razende. Hij sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit, stampte met de voeten en zwoer wraak aan iedereen, die in de zaak was betrokken geweest. Daarop trok hij den jas uit, en knoopte dien om haar lijf, zette haar zijn hoed op het hoofd, wischte haar het bloed zoo goed hij kon met den zakdoek uit het gezigt, en beval den knecht zoo spoedig mogelijk naar huis te rijden om een kussen of vrouwenzadel te halen, opdat hij haar veilig naar huis kon brengen.De jonge Blifil had er veel tegen den knecht weg te zenden, omdat zij er slechts één bij zich hadden; daar Square echter Tom ondersteunde, moest hij ook eindigen met zijne toestemming te geven.De man was in een oogenblik terug en Molly hare lompen, zoo goed zij kon, bijeen verzamelende, steeg achter den knecht op. Op deze wijze werd zij naar huis gebragt, terwijl Square, Blifil en Jones haar vergezelden.Hier kreeg Jones zijn jas terug en na haar in stilte een kus gegeven te hebben, met de belofte om dien avond terug te keeren, verliet hij zijne Molly en volgde zijne makkers.

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een slag, door de muze in den trant van Homerus bezongen, en die dus alleen door den klassiek gevormden lezer gewaardeerd zal worden.De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia waren er op dit oogenblik tegenwoordig.Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde verzorgen en mogelijk het meisje[149]als kamenier nemen, zoodra hare eigene meid, die nu wegging, haar verlaten had.De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen, vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar te wagen.”De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij hier eene hoogere magt inroepen.Gij Muzen dan, wie gij ook zijt, die u er op toelegt om veldslagen te bezingen, en voornamelijk gij, die vroeger de slagting beschreeft op die velden, waar Hudibras en Trulla streden;—als gij niet met uw vriend, den dichter Butler, van honger gestorven zijt,—verleen mij uwe hulp bij deze gewigtige gelegenheid! Het is niet een ieder gegeven alles te vermogen!Even als eene groote kudde koeijen, op het erf van een rijken boer, loeijen en brullen als zij, terwijl zij gemolken worden, hare kalveren in de verte over den diefstal hooren klagen, zoo brulde dan ook het graauw van Somerset, met even zooveel soorten van kreten, gillen en andere geluiden als er verschillende personen of hartstogten onder hen waren.[150]Sommigen waren bezield door toorn, anderen door vrees, en anderen waren vervuld met niets dan lust tot kattenkwaad;—maar het was voornamelijk de nijd, de zuster van den Satan, welke hem aanhoudend vergezelt, die onder de menigte rondvloog en de woede der vrouwen opstookte, die zoodra zij Molly bereikten, haar met vuil en drek smeten.Molly, die te vergeefs gepoogd had te vlugten, keerde zich nu om, en de in lompen gehulde Bet grijpende, die den vijand aanvoerde, velde zij haar met één slag ter neder. Het geheele vijandige leger,—hoewel bijna een honderdtal strijders tellende,—het lot van zijn aanvoerdster ontwarende, week eenige passen achteruit en nam positie achter een pas gedolven graf,—want de strijd viel voor op het kerkhof, waar dienzelfden avond iemand begraven zou worden.Molly maakte gebruik van haar voordeel, en een schedel opgrijpende, die aan den rand van het graf lag, smeet zij hem met zooveel kracht, dat zij een kleermaker daarmede op het hoofd raakte, en de beide schedels bij hunne ontmoeting een dof geluid gaven, waardoor de kleêrmaker de maat nam van den grond, en waar de twee hoofden nu naast elkaarlagen, zoodat het moeijelijk te beslissen was, welk van beide het meeste waard was. Molly daarop een dijbeen opvattende, viel de vlugtende gelederen aan, en deelde naar alle kanten hare milde slagen uit, zoodat menige dappere held en heldin nedergeveld werden.Verkondig, o Muze, de namen van diegenen, welke op dezen noodlottigen dag vielen!Eerst gevoelde Jakob Tweedle het onheil brengende been op zijn achterhoofd. Hem hadden de aangename oevers van de schoon kronkelende Stour gevoed, waar hij eerst des zangers kunst leerde, waarmede hij, op kermissen en feesten heen en weer trekkende, de landelijke nimfen en herders bekoorde als zij op het groene perk den opwekkenden dans beoefenden, terwijl hij zelf stond te fiedelen en bij zijne eigene muzijk te springen. Wat baat hem nu die viool? Zijn ligchaam valt neder op de groene zoden. Na hem viel de grijze Echepole, de varkenssnijder, die van de heldhaftige Amazone een slag op het voorhoofd ontving. Hij was lijvig en groot van ligchaam en viel zwaar als een huis.[151]Op dit oogenblik gleed hem de tabaksdoos uit den zak, welke Molly, als wettigen buit, opgreep.Daarop struikelde, ongelukkig, Kaat van den molen, over een grafsteen, waaraan haar neerhangende kous haakte, en de natuurlijke orde der dingen omkeerde, daar hare hielen hooger dan haar hoofd kwamen te staan. Betsi Pippin, met den jeugdigen Roger, haar minnaar, vielen beide ter aarde, waar, o ongunstig noodlot, zij den grond kuste en hij ten hemel keek. Tom Freckle, des hoefsmids zoon, werd nu het eerstvolgende slagtoffer harer woede. Hij was een kunstige werkman en maakte heerlijke ijzeren beugels voor de houten overschoenen der vrouwen:—en de overschoen waarmede hij nedergeveld werd, was zijn eigen werk! Als hij op dat oogenblik in de kerk gebleven ware om psalmen te zingen, zou hij die ramp ontgaan zijn. Mejufvrouw Crow, de dochter van een boer; Jan Giddish, zelf een boer, Nancy Slouch, Hester Codling, Willem Spray, Tom Bennet; de drie jonge dochters van Potter, wier vader de herberg, „in den rooden Leeuw” houdt, Betje, de werkmeid en Jan, de stalknecht, met vele anderen van minderen naam lagen te wentelen onder de grafsteenen.Niet allen echter door den krachtigen arm van Molly bereikt; maar velen, op de vlugt, wierpen anderen omver.Maar nu keerde Fortuna, vreezende haar karakter ontrouw te worden als zij te lang dezelfde partij begunstigde, vooral als die voor de goede zaak vocht, zich om, en voerde vrouw Brown aan,—haar, die Zedekiël Brown als vrouw omhelsde,—en niet hij alleen, maar de halve gemeente ook, zoo beroemd was zij in de heldenfeiten van Venus, zoowel als in die van Mars. Haar man droeg altijd op hoofd en gelaat haretrofeënrond; want zoo ooit een menschelijk hoofd, dan heeft dat van Zedekiël door zijne horens de zegepralen zijner vrouw op het gebied der liefde verkondigd, terwijl zijn diep gegroefd gelaat geene mindere sporen droeg van hare krijgshaftige talenten.Niet langer wilde deze Amazone de schandelijke vlugt harer partij verdragen. Zij bleef staan en de vlugtenden luide toeroepende, sprak zij:„Gij mannen van Somersetshire, of liever, gij vrouwen van Somersetshire, schaamt gij u niet aldus voor ééne enkele[152]vrouw te vlugten? Maar, zoo niemand anders haar weerstaan durft, zal ik zelve, met Johanna Top, hier de eer der overwinning wegdragen!”Zij sprak, vloog Molly Seagrim aan, ontwrong haar gemakkelijk het dijbeen en rukte haar ter zelfder tijd de muts van het hoofd. Daarop Molly met de linkerhand in het haar grijpende, sloeg zij haar zoo hevig in het gezigt met de regter, dat het bloed spoedig uit haar neus vloeide. Molly inmiddels bleef niet lijdelijk. Weldra rukte ook zij den doek van het hoofd van vrouw Brown, greep haar tevens met de eene hand in het haar en deed insgelijks met de andere hand een bloedstroom vloeijen uit de neusgaten harer vijandin.Toen de beide strijdenden genoegzamen buit geroofd hadden uit elkanders hoofdhaar, keerde zich hare woede tegen de kleêren. In dezen aanval legden zij zoo veel vuur aan den dag, dat binnen weinige minuten beide tot haar midden ontbloot werden.Gelukkig voor de vrouwen, dat als zij elkaar met de vuisten slaan, zij dat niet doen op dezelfde plaatsen als de mannen;—want ofschoon men zeggen kan, dat zij eenigzins haar geslacht vergeten als zij ten strijde trekken, heb ik toch opgemerkt, dat zij het nooit in zoo ver doen, dat zij elkaar op de borsten slaan, waar een enkele slag voor de meeste vrouwen noodlottige gevolgen zou hebben. Het is mij bekend, dat sommigen dit toeschrijven aan de omstandigheid, dat zij bloeddorstiger zijn dan de mannen. Om deze reden beginnen zij met den neus, die het gemakkelijkst aan het bloeden te krijgen is. Maar dit schijnt mij toe eene zeer gezochte en onregtvaardige veronderstelling te zijn.Vrouw Brown had op dit punt een groot voordeel boven Molly, daar zij inderdaad geene borsten had, terwijl haar boezem, als men dien zoo noemen mag,—zoowel in kleur als in vele andere opzigten op een stuk oud perkament geleek, waarop men lang had kunnen trommelen zonder haar veel kwaad te doen.Molly, buiten en behalve haren bijzonderen ongelukkigen toestand, was in deze ligchaamsdeelen anders geschapen, en de nijd van vrouw Brown zou deze welligt er toe gebragt hebben haar een noodlottigen slag te geven, als de gelukkige[153]aankomst van Tom Jones op dit oogenblik niet plotseling een einde had gemaakt aan dit bloedig tooneel.Dit gelukkige toeval was te danken aan den heer Square; want hij, de jonge Blifil en Jones waren, na kerktijd, te paard gestegen om een ridje te doen, en waren ongeveer een kwartier ver gereden, toen Square, van zin veranderde (niet uit grilligheid, maar om eene reden, welke wij ter gelegener tijd zullen uitleggen), en de jonge heeren verzocht een anderen weg in te slaan, dan dien, welken zij eerst gevolgd waren. Daar beiden hierin toestemden, kwamen zij noodzakelijk het kerkhof weder voorbij.De jonge Blifil, die voorop reed, de verzamelde menigte ziende en twee vrouwen in de positie, waarin wij de strijdenden lieten, hield zijn paard in en vroeg wat er gaande was? Een boeren lummel krabde zich achter het oor en hernam:„Wel, mijnheer, ik weet er niets van,—ik—; maar als u ’t niet kwalijk neemt, mijnheer, er is eene kloppartij geweest, geloof ik, tusschen vrouw Brown en Molly Seagrim.”„Vrouw Brown, en wie?” vroeg Tom, maar zonder op antwoord te wachten; want de gelaatstrekken zijner Molly herkend hebbende, in weerwil van hare ontsteltenis, sprong hij vlug van het paard, liet het dier staan en sprong over den muur om haar te helpen. Zij barstte nu voor het eerst in tranen uit, en vertelde hem hoe barbaarsch men haar behandeld had. Waarop, zonder te denken aan het geslacht van vrouw Brown, of het, misschien in zijne woede niet eens opmerkende, want, waarlijk, behalve den rok, welken hij welligt niet zag, had zij weinig vrouwelijks om haar te onderscheiden, gaf hij haar een paar klappen met zijn zweep, en daarop het graauw aanvliegende, dat gezamentlijk door Molly beschuldigd werd, deelde hij zijne slagen met zoo veel mildheid uit, dat, zonder de Muze weer in te roepen,—wat een weinig hard zou zijn voor het goedaardige schepsel, waarvan reeds zoo veel gevergd werd,—het mij onmogelijk zou zijn de slagen op te sommen die dien dag nog uitgedeeld werden.Na de geheele omstreek van den vijand gezuiverd te hebben, even goed als ooit eenig held van Homerus, of Don Quichot, of eenig ander dolende ridder dit deed, keerde hij[154]bij Molly terug, die hij in een toestand vond, welken het mij en den lezer pijnigen zou hier weder te beschrijven. Tom woedde als een razende. Hij sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit, stampte met de voeten en zwoer wraak aan iedereen, die in de zaak was betrokken geweest. Daarop trok hij den jas uit, en knoopte dien om haar lijf, zette haar zijn hoed op het hoofd, wischte haar het bloed zoo goed hij kon met den zakdoek uit het gezigt, en beval den knecht zoo spoedig mogelijk naar huis te rijden om een kussen of vrouwenzadel te halen, opdat hij haar veilig naar huis kon brengen.De jonge Blifil had er veel tegen den knecht weg te zenden, omdat zij er slechts één bij zich hadden; daar Square echter Tom ondersteunde, moest hij ook eindigen met zijne toestemming te geven.De man was in een oogenblik terug en Molly hare lompen, zoo goed zij kon, bijeen verzamelende, steeg achter den knecht op. Op deze wijze werd zij naar huis gebragt, terwijl Square, Blifil en Jones haar vergezelden.Hier kreeg Jones zijn jas terug en na haar in stilte een kus gegeven te hebben, met de belofte om dien avond terug te keeren, verliet hij zijne Molly en volgde zijne makkers.

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een slag, door de muze in den trant van Homerus bezongen, en die dus alleen door den klassiek gevormden lezer gewaardeerd zal worden.De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia waren er op dit oogenblik tegenwoordig.Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde verzorgen en mogelijk het meisje[149]als kamenier nemen, zoodra hare eigene meid, die nu wegging, haar verlaten had.De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen, vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar te wagen.”De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij hier eene hoogere magt inroepen.Gij Muzen dan, wie gij ook zijt, die u er op toelegt om veldslagen te bezingen, en voornamelijk gij, die vroeger de slagting beschreeft op die velden, waar Hudibras en Trulla streden;—als gij niet met uw vriend, den dichter Butler, van honger gestorven zijt,—verleen mij uwe hulp bij deze gewigtige gelegenheid! Het is niet een ieder gegeven alles te vermogen!Even als eene groote kudde koeijen, op het erf van een rijken boer, loeijen en brullen als zij, terwijl zij gemolken worden, hare kalveren in de verte over den diefstal hooren klagen, zoo brulde dan ook het graauw van Somerset, met even zooveel soorten van kreten, gillen en andere geluiden als er verschillende personen of hartstogten onder hen waren.[150]Sommigen waren bezield door toorn, anderen door vrees, en anderen waren vervuld met niets dan lust tot kattenkwaad;—maar het was voornamelijk de nijd, de zuster van den Satan, welke hem aanhoudend vergezelt, die onder de menigte rondvloog en de woede der vrouwen opstookte, die zoodra zij Molly bereikten, haar met vuil en drek smeten.Molly, die te vergeefs gepoogd had te vlugten, keerde zich nu om, en de in lompen gehulde Bet grijpende, die den vijand aanvoerde, velde zij haar met één slag ter neder. Het geheele vijandige leger,—hoewel bijna een honderdtal strijders tellende,—het lot van zijn aanvoerdster ontwarende, week eenige passen achteruit en nam positie achter een pas gedolven graf,—want de strijd viel voor op het kerkhof, waar dienzelfden avond iemand begraven zou worden.Molly maakte gebruik van haar voordeel, en een schedel opgrijpende, die aan den rand van het graf lag, smeet zij hem met zooveel kracht, dat zij een kleermaker daarmede op het hoofd raakte, en de beide schedels bij hunne ontmoeting een dof geluid gaven, waardoor de kleêrmaker de maat nam van den grond, en waar de twee hoofden nu naast elkaarlagen, zoodat het moeijelijk te beslissen was, welk van beide het meeste waard was. Molly daarop een dijbeen opvattende, viel de vlugtende gelederen aan, en deelde naar alle kanten hare milde slagen uit, zoodat menige dappere held en heldin nedergeveld werden.Verkondig, o Muze, de namen van diegenen, welke op dezen noodlottigen dag vielen!Eerst gevoelde Jakob Tweedle het onheil brengende been op zijn achterhoofd. Hem hadden de aangename oevers van de schoon kronkelende Stour gevoed, waar hij eerst des zangers kunst leerde, waarmede hij, op kermissen en feesten heen en weer trekkende, de landelijke nimfen en herders bekoorde als zij op het groene perk den opwekkenden dans beoefenden, terwijl hij zelf stond te fiedelen en bij zijne eigene muzijk te springen. Wat baat hem nu die viool? Zijn ligchaam valt neder op de groene zoden. Na hem viel de grijze Echepole, de varkenssnijder, die van de heldhaftige Amazone een slag op het voorhoofd ontving. Hij was lijvig en groot van ligchaam en viel zwaar als een huis.[151]Op dit oogenblik gleed hem de tabaksdoos uit den zak, welke Molly, als wettigen buit, opgreep.Daarop struikelde, ongelukkig, Kaat van den molen, over een grafsteen, waaraan haar neerhangende kous haakte, en de natuurlijke orde der dingen omkeerde, daar hare hielen hooger dan haar hoofd kwamen te staan. Betsi Pippin, met den jeugdigen Roger, haar minnaar, vielen beide ter aarde, waar, o ongunstig noodlot, zij den grond kuste en hij ten hemel keek. Tom Freckle, des hoefsmids zoon, werd nu het eerstvolgende slagtoffer harer woede. Hij was een kunstige werkman en maakte heerlijke ijzeren beugels voor de houten overschoenen der vrouwen:—en de overschoen waarmede hij nedergeveld werd, was zijn eigen werk! Als hij op dat oogenblik in de kerk gebleven ware om psalmen te zingen, zou hij die ramp ontgaan zijn. Mejufvrouw Crow, de dochter van een boer; Jan Giddish, zelf een boer, Nancy Slouch, Hester Codling, Willem Spray, Tom Bennet; de drie jonge dochters van Potter, wier vader de herberg, „in den rooden Leeuw” houdt, Betje, de werkmeid en Jan, de stalknecht, met vele anderen van minderen naam lagen te wentelen onder de grafsteenen.Niet allen echter door den krachtigen arm van Molly bereikt; maar velen, op de vlugt, wierpen anderen omver.Maar nu keerde Fortuna, vreezende haar karakter ontrouw te worden als zij te lang dezelfde partij begunstigde, vooral als die voor de goede zaak vocht, zich om, en voerde vrouw Brown aan,—haar, die Zedekiël Brown als vrouw omhelsde,—en niet hij alleen, maar de halve gemeente ook, zoo beroemd was zij in de heldenfeiten van Venus, zoowel als in die van Mars. Haar man droeg altijd op hoofd en gelaat haretrofeënrond; want zoo ooit een menschelijk hoofd, dan heeft dat van Zedekiël door zijne horens de zegepralen zijner vrouw op het gebied der liefde verkondigd, terwijl zijn diep gegroefd gelaat geene mindere sporen droeg van hare krijgshaftige talenten.Niet langer wilde deze Amazone de schandelijke vlugt harer partij verdragen. Zij bleef staan en de vlugtenden luide toeroepende, sprak zij:„Gij mannen van Somersetshire, of liever, gij vrouwen van Somersetshire, schaamt gij u niet aldus voor ééne enkele[152]vrouw te vlugten? Maar, zoo niemand anders haar weerstaan durft, zal ik zelve, met Johanna Top, hier de eer der overwinning wegdragen!”Zij sprak, vloog Molly Seagrim aan, ontwrong haar gemakkelijk het dijbeen en rukte haar ter zelfder tijd de muts van het hoofd. Daarop Molly met de linkerhand in het haar grijpende, sloeg zij haar zoo hevig in het gezigt met de regter, dat het bloed spoedig uit haar neus vloeide. Molly inmiddels bleef niet lijdelijk. Weldra rukte ook zij den doek van het hoofd van vrouw Brown, greep haar tevens met de eene hand in het haar en deed insgelijks met de andere hand een bloedstroom vloeijen uit de neusgaten harer vijandin.Toen de beide strijdenden genoegzamen buit geroofd hadden uit elkanders hoofdhaar, keerde zich hare woede tegen de kleêren. In dezen aanval legden zij zoo veel vuur aan den dag, dat binnen weinige minuten beide tot haar midden ontbloot werden.Gelukkig voor de vrouwen, dat als zij elkaar met de vuisten slaan, zij dat niet doen op dezelfde plaatsen als de mannen;—want ofschoon men zeggen kan, dat zij eenigzins haar geslacht vergeten als zij ten strijde trekken, heb ik toch opgemerkt, dat zij het nooit in zoo ver doen, dat zij elkaar op de borsten slaan, waar een enkele slag voor de meeste vrouwen noodlottige gevolgen zou hebben. Het is mij bekend, dat sommigen dit toeschrijven aan de omstandigheid, dat zij bloeddorstiger zijn dan de mannen. Om deze reden beginnen zij met den neus, die het gemakkelijkst aan het bloeden te krijgen is. Maar dit schijnt mij toe eene zeer gezochte en onregtvaardige veronderstelling te zijn.Vrouw Brown had op dit punt een groot voordeel boven Molly, daar zij inderdaad geene borsten had, terwijl haar boezem, als men dien zoo noemen mag,—zoowel in kleur als in vele andere opzigten op een stuk oud perkament geleek, waarop men lang had kunnen trommelen zonder haar veel kwaad te doen.Molly, buiten en behalve haren bijzonderen ongelukkigen toestand, was in deze ligchaamsdeelen anders geschapen, en de nijd van vrouw Brown zou deze welligt er toe gebragt hebben haar een noodlottigen slag te geven, als de gelukkige[153]aankomst van Tom Jones op dit oogenblik niet plotseling een einde had gemaakt aan dit bloedig tooneel.Dit gelukkige toeval was te danken aan den heer Square; want hij, de jonge Blifil en Jones waren, na kerktijd, te paard gestegen om een ridje te doen, en waren ongeveer een kwartier ver gereden, toen Square, van zin veranderde (niet uit grilligheid, maar om eene reden, welke wij ter gelegener tijd zullen uitleggen), en de jonge heeren verzocht een anderen weg in te slaan, dan dien, welken zij eerst gevolgd waren. Daar beiden hierin toestemden, kwamen zij noodzakelijk het kerkhof weder voorbij.De jonge Blifil, die voorop reed, de verzamelde menigte ziende en twee vrouwen in de positie, waarin wij de strijdenden lieten, hield zijn paard in en vroeg wat er gaande was? Een boeren lummel krabde zich achter het oor en hernam:„Wel, mijnheer, ik weet er niets van,—ik—; maar als u ’t niet kwalijk neemt, mijnheer, er is eene kloppartij geweest, geloof ik, tusschen vrouw Brown en Molly Seagrim.”„Vrouw Brown, en wie?” vroeg Tom, maar zonder op antwoord te wachten; want de gelaatstrekken zijner Molly herkend hebbende, in weerwil van hare ontsteltenis, sprong hij vlug van het paard, liet het dier staan en sprong over den muur om haar te helpen. Zij barstte nu voor het eerst in tranen uit, en vertelde hem hoe barbaarsch men haar behandeld had. Waarop, zonder te denken aan het geslacht van vrouw Brown, of het, misschien in zijne woede niet eens opmerkende, want, waarlijk, behalve den rok, welken hij welligt niet zag, had zij weinig vrouwelijks om haar te onderscheiden, gaf hij haar een paar klappen met zijn zweep, en daarop het graauw aanvliegende, dat gezamentlijk door Molly beschuldigd werd, deelde hij zijne slagen met zoo veel mildheid uit, dat, zonder de Muze weer in te roepen,—wat een weinig hard zou zijn voor het goedaardige schepsel, waarvan reeds zoo veel gevergd werd,—het mij onmogelijk zou zijn de slagen op te sommen die dien dag nog uitgedeeld werden.Na de geheele omstreek van den vijand gezuiverd te hebben, even goed als ooit eenig held van Homerus, of Don Quichot, of eenig ander dolende ridder dit deed, keerde hij[154]bij Molly terug, die hij in een toestand vond, welken het mij en den lezer pijnigen zou hier weder te beschrijven. Tom woedde als een razende. Hij sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit, stampte met de voeten en zwoer wraak aan iedereen, die in de zaak was betrokken geweest. Daarop trok hij den jas uit, en knoopte dien om haar lijf, zette haar zijn hoed op het hoofd, wischte haar het bloed zoo goed hij kon met den zakdoek uit het gezigt, en beval den knecht zoo spoedig mogelijk naar huis te rijden om een kussen of vrouwenzadel te halen, opdat hij haar veilig naar huis kon brengen.De jonge Blifil had er veel tegen den knecht weg te zenden, omdat zij er slechts één bij zich hadden; daar Square echter Tom ondersteunde, moest hij ook eindigen met zijne toestemming te geven.De man was in een oogenblik terug en Molly hare lompen, zoo goed zij kon, bijeen verzamelende, steeg achter den knecht op. Op deze wijze werd zij naar huis gebragt, terwijl Square, Blifil en Jones haar vergezelden.Hier kreeg Jones zijn jas terug en na haar in stilte een kus gegeven te hebben, met de belofte om dien avond terug te keeren, verliet hij zijne Molly en volgde zijne makkers.

Hoofdstuk VIII.Een slag, door de muze in den trant van Homerus bezongen, en die dus alleen door den klassiek gevormden lezer gewaardeerd zal worden.

De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia waren er op dit oogenblik tegenwoordig.Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde verzorgen en mogelijk het meisje[149]als kamenier nemen, zoodra hare eigene meid, die nu wegging, haar verlaten had.De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen, vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar te wagen.”De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij hier eene hoogere magt inroepen.Gij Muzen dan, wie gij ook zijt, die u er op toelegt om veldslagen te bezingen, en voornamelijk gij, die vroeger de slagting beschreeft op die velden, waar Hudibras en Trulla streden;—als gij niet met uw vriend, den dichter Butler, van honger gestorven zijt,—verleen mij uwe hulp bij deze gewigtige gelegenheid! Het is niet een ieder gegeven alles te vermogen!Even als eene groote kudde koeijen, op het erf van een rijken boer, loeijen en brullen als zij, terwijl zij gemolken worden, hare kalveren in de verte over den diefstal hooren klagen, zoo brulde dan ook het graauw van Somerset, met even zooveel soorten van kreten, gillen en andere geluiden als er verschillende personen of hartstogten onder hen waren.[150]Sommigen waren bezield door toorn, anderen door vrees, en anderen waren vervuld met niets dan lust tot kattenkwaad;—maar het was voornamelijk de nijd, de zuster van den Satan, welke hem aanhoudend vergezelt, die onder de menigte rondvloog en de woede der vrouwen opstookte, die zoodra zij Molly bereikten, haar met vuil en drek smeten.Molly, die te vergeefs gepoogd had te vlugten, keerde zich nu om, en de in lompen gehulde Bet grijpende, die den vijand aanvoerde, velde zij haar met één slag ter neder. Het geheele vijandige leger,—hoewel bijna een honderdtal strijders tellende,—het lot van zijn aanvoerdster ontwarende, week eenige passen achteruit en nam positie achter een pas gedolven graf,—want de strijd viel voor op het kerkhof, waar dienzelfden avond iemand begraven zou worden.Molly maakte gebruik van haar voordeel, en een schedel opgrijpende, die aan den rand van het graf lag, smeet zij hem met zooveel kracht, dat zij een kleermaker daarmede op het hoofd raakte, en de beide schedels bij hunne ontmoeting een dof geluid gaven, waardoor de kleêrmaker de maat nam van den grond, en waar de twee hoofden nu naast elkaarlagen, zoodat het moeijelijk te beslissen was, welk van beide het meeste waard was. Molly daarop een dijbeen opvattende, viel de vlugtende gelederen aan, en deelde naar alle kanten hare milde slagen uit, zoodat menige dappere held en heldin nedergeveld werden.Verkondig, o Muze, de namen van diegenen, welke op dezen noodlottigen dag vielen!Eerst gevoelde Jakob Tweedle het onheil brengende been op zijn achterhoofd. Hem hadden de aangename oevers van de schoon kronkelende Stour gevoed, waar hij eerst des zangers kunst leerde, waarmede hij, op kermissen en feesten heen en weer trekkende, de landelijke nimfen en herders bekoorde als zij op het groene perk den opwekkenden dans beoefenden, terwijl hij zelf stond te fiedelen en bij zijne eigene muzijk te springen. Wat baat hem nu die viool? Zijn ligchaam valt neder op de groene zoden. Na hem viel de grijze Echepole, de varkenssnijder, die van de heldhaftige Amazone een slag op het voorhoofd ontving. Hij was lijvig en groot van ligchaam en viel zwaar als een huis.[151]Op dit oogenblik gleed hem de tabaksdoos uit den zak, welke Molly, als wettigen buit, opgreep.Daarop struikelde, ongelukkig, Kaat van den molen, over een grafsteen, waaraan haar neerhangende kous haakte, en de natuurlijke orde der dingen omkeerde, daar hare hielen hooger dan haar hoofd kwamen te staan. Betsi Pippin, met den jeugdigen Roger, haar minnaar, vielen beide ter aarde, waar, o ongunstig noodlot, zij den grond kuste en hij ten hemel keek. Tom Freckle, des hoefsmids zoon, werd nu het eerstvolgende slagtoffer harer woede. Hij was een kunstige werkman en maakte heerlijke ijzeren beugels voor de houten overschoenen der vrouwen:—en de overschoen waarmede hij nedergeveld werd, was zijn eigen werk! Als hij op dat oogenblik in de kerk gebleven ware om psalmen te zingen, zou hij die ramp ontgaan zijn. Mejufvrouw Crow, de dochter van een boer; Jan Giddish, zelf een boer, Nancy Slouch, Hester Codling, Willem Spray, Tom Bennet; de drie jonge dochters van Potter, wier vader de herberg, „in den rooden Leeuw” houdt, Betje, de werkmeid en Jan, de stalknecht, met vele anderen van minderen naam lagen te wentelen onder de grafsteenen.Niet allen echter door den krachtigen arm van Molly bereikt; maar velen, op de vlugt, wierpen anderen omver.Maar nu keerde Fortuna, vreezende haar karakter ontrouw te worden als zij te lang dezelfde partij begunstigde, vooral als die voor de goede zaak vocht, zich om, en voerde vrouw Brown aan,—haar, die Zedekiël Brown als vrouw omhelsde,—en niet hij alleen, maar de halve gemeente ook, zoo beroemd was zij in de heldenfeiten van Venus, zoowel als in die van Mars. Haar man droeg altijd op hoofd en gelaat haretrofeënrond; want zoo ooit een menschelijk hoofd, dan heeft dat van Zedekiël door zijne horens de zegepralen zijner vrouw op het gebied der liefde verkondigd, terwijl zijn diep gegroefd gelaat geene mindere sporen droeg van hare krijgshaftige talenten.Niet langer wilde deze Amazone de schandelijke vlugt harer partij verdragen. Zij bleef staan en de vlugtenden luide toeroepende, sprak zij:„Gij mannen van Somersetshire, of liever, gij vrouwen van Somersetshire, schaamt gij u niet aldus voor ééne enkele[152]vrouw te vlugten? Maar, zoo niemand anders haar weerstaan durft, zal ik zelve, met Johanna Top, hier de eer der overwinning wegdragen!”Zij sprak, vloog Molly Seagrim aan, ontwrong haar gemakkelijk het dijbeen en rukte haar ter zelfder tijd de muts van het hoofd. Daarop Molly met de linkerhand in het haar grijpende, sloeg zij haar zoo hevig in het gezigt met de regter, dat het bloed spoedig uit haar neus vloeide. Molly inmiddels bleef niet lijdelijk. Weldra rukte ook zij den doek van het hoofd van vrouw Brown, greep haar tevens met de eene hand in het haar en deed insgelijks met de andere hand een bloedstroom vloeijen uit de neusgaten harer vijandin.Toen de beide strijdenden genoegzamen buit geroofd hadden uit elkanders hoofdhaar, keerde zich hare woede tegen de kleêren. In dezen aanval legden zij zoo veel vuur aan den dag, dat binnen weinige minuten beide tot haar midden ontbloot werden.Gelukkig voor de vrouwen, dat als zij elkaar met de vuisten slaan, zij dat niet doen op dezelfde plaatsen als de mannen;—want ofschoon men zeggen kan, dat zij eenigzins haar geslacht vergeten als zij ten strijde trekken, heb ik toch opgemerkt, dat zij het nooit in zoo ver doen, dat zij elkaar op de borsten slaan, waar een enkele slag voor de meeste vrouwen noodlottige gevolgen zou hebben. Het is mij bekend, dat sommigen dit toeschrijven aan de omstandigheid, dat zij bloeddorstiger zijn dan de mannen. Om deze reden beginnen zij met den neus, die het gemakkelijkst aan het bloeden te krijgen is. Maar dit schijnt mij toe eene zeer gezochte en onregtvaardige veronderstelling te zijn.Vrouw Brown had op dit punt een groot voordeel boven Molly, daar zij inderdaad geene borsten had, terwijl haar boezem, als men dien zoo noemen mag,—zoowel in kleur als in vele andere opzigten op een stuk oud perkament geleek, waarop men lang had kunnen trommelen zonder haar veel kwaad te doen.Molly, buiten en behalve haren bijzonderen ongelukkigen toestand, was in deze ligchaamsdeelen anders geschapen, en de nijd van vrouw Brown zou deze welligt er toe gebragt hebben haar een noodlottigen slag te geven, als de gelukkige[153]aankomst van Tom Jones op dit oogenblik niet plotseling een einde had gemaakt aan dit bloedig tooneel.Dit gelukkige toeval was te danken aan den heer Square; want hij, de jonge Blifil en Jones waren, na kerktijd, te paard gestegen om een ridje te doen, en waren ongeveer een kwartier ver gereden, toen Square, van zin veranderde (niet uit grilligheid, maar om eene reden, welke wij ter gelegener tijd zullen uitleggen), en de jonge heeren verzocht een anderen weg in te slaan, dan dien, welken zij eerst gevolgd waren. Daar beiden hierin toestemden, kwamen zij noodzakelijk het kerkhof weder voorbij.De jonge Blifil, die voorop reed, de verzamelde menigte ziende en twee vrouwen in de positie, waarin wij de strijdenden lieten, hield zijn paard in en vroeg wat er gaande was? Een boeren lummel krabde zich achter het oor en hernam:„Wel, mijnheer, ik weet er niets van,—ik—; maar als u ’t niet kwalijk neemt, mijnheer, er is eene kloppartij geweest, geloof ik, tusschen vrouw Brown en Molly Seagrim.”„Vrouw Brown, en wie?” vroeg Tom, maar zonder op antwoord te wachten; want de gelaatstrekken zijner Molly herkend hebbende, in weerwil van hare ontsteltenis, sprong hij vlug van het paard, liet het dier staan en sprong over den muur om haar te helpen. Zij barstte nu voor het eerst in tranen uit, en vertelde hem hoe barbaarsch men haar behandeld had. Waarop, zonder te denken aan het geslacht van vrouw Brown, of het, misschien in zijne woede niet eens opmerkende, want, waarlijk, behalve den rok, welken hij welligt niet zag, had zij weinig vrouwelijks om haar te onderscheiden, gaf hij haar een paar klappen met zijn zweep, en daarop het graauw aanvliegende, dat gezamentlijk door Molly beschuldigd werd, deelde hij zijne slagen met zoo veel mildheid uit, dat, zonder de Muze weer in te roepen,—wat een weinig hard zou zijn voor het goedaardige schepsel, waarvan reeds zoo veel gevergd werd,—het mij onmogelijk zou zijn de slagen op te sommen die dien dag nog uitgedeeld werden.Na de geheele omstreek van den vijand gezuiverd te hebben, even goed als ooit eenig held van Homerus, of Don Quichot, of eenig ander dolende ridder dit deed, keerde hij[154]bij Molly terug, die hij in een toestand vond, welken het mij en den lezer pijnigen zou hier weder te beschrijven. Tom woedde als een razende. Hij sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit, stampte met de voeten en zwoer wraak aan iedereen, die in de zaak was betrokken geweest. Daarop trok hij den jas uit, en knoopte dien om haar lijf, zette haar zijn hoed op het hoofd, wischte haar het bloed zoo goed hij kon met den zakdoek uit het gezigt, en beval den knecht zoo spoedig mogelijk naar huis te rijden om een kussen of vrouwenzadel te halen, opdat hij haar veilig naar huis kon brengen.De jonge Blifil had er veel tegen den knecht weg te zenden, omdat zij er slechts één bij zich hadden; daar Square echter Tom ondersteunde, moest hij ook eindigen met zijne toestemming te geven.De man was in een oogenblik terug en Molly hare lompen, zoo goed zij kon, bijeen verzamelende, steeg achter den knecht op. Op deze wijze werd zij naar huis gebragt, terwijl Square, Blifil en Jones haar vergezelden.Hier kreeg Jones zijn jas terug en na haar in stilte een kus gegeven te hebben, met de belofte om dien avond terug te keeren, verliet hij zijne Molly en volgde zijne makkers.

De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia waren er op dit oogenblik tegenwoordig.

Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.

Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde verzorgen en mogelijk het meisje[149]als kamenier nemen, zoodra hare eigene meid, die nu wegging, haar verlaten had.

De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen, vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”

„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar te wagen.”

De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij hier eene hoogere magt inroepen.

Gij Muzen dan, wie gij ook zijt, die u er op toelegt om veldslagen te bezingen, en voornamelijk gij, die vroeger de slagting beschreeft op die velden, waar Hudibras en Trulla streden;—als gij niet met uw vriend, den dichter Butler, van honger gestorven zijt,—verleen mij uwe hulp bij deze gewigtige gelegenheid! Het is niet een ieder gegeven alles te vermogen!

Even als eene groote kudde koeijen, op het erf van een rijken boer, loeijen en brullen als zij, terwijl zij gemolken worden, hare kalveren in de verte over den diefstal hooren klagen, zoo brulde dan ook het graauw van Somerset, met even zooveel soorten van kreten, gillen en andere geluiden als er verschillende personen of hartstogten onder hen waren.[150]Sommigen waren bezield door toorn, anderen door vrees, en anderen waren vervuld met niets dan lust tot kattenkwaad;—maar het was voornamelijk de nijd, de zuster van den Satan, welke hem aanhoudend vergezelt, die onder de menigte rondvloog en de woede der vrouwen opstookte, die zoodra zij Molly bereikten, haar met vuil en drek smeten.

Molly, die te vergeefs gepoogd had te vlugten, keerde zich nu om, en de in lompen gehulde Bet grijpende, die den vijand aanvoerde, velde zij haar met één slag ter neder. Het geheele vijandige leger,—hoewel bijna een honderdtal strijders tellende,—het lot van zijn aanvoerdster ontwarende, week eenige passen achteruit en nam positie achter een pas gedolven graf,—want de strijd viel voor op het kerkhof, waar dienzelfden avond iemand begraven zou worden.

Molly maakte gebruik van haar voordeel, en een schedel opgrijpende, die aan den rand van het graf lag, smeet zij hem met zooveel kracht, dat zij een kleermaker daarmede op het hoofd raakte, en de beide schedels bij hunne ontmoeting een dof geluid gaven, waardoor de kleêrmaker de maat nam van den grond, en waar de twee hoofden nu naast elkaarlagen, zoodat het moeijelijk te beslissen was, welk van beide het meeste waard was. Molly daarop een dijbeen opvattende, viel de vlugtende gelederen aan, en deelde naar alle kanten hare milde slagen uit, zoodat menige dappere held en heldin nedergeveld werden.

Verkondig, o Muze, de namen van diegenen, welke op dezen noodlottigen dag vielen!

Eerst gevoelde Jakob Tweedle het onheil brengende been op zijn achterhoofd. Hem hadden de aangename oevers van de schoon kronkelende Stour gevoed, waar hij eerst des zangers kunst leerde, waarmede hij, op kermissen en feesten heen en weer trekkende, de landelijke nimfen en herders bekoorde als zij op het groene perk den opwekkenden dans beoefenden, terwijl hij zelf stond te fiedelen en bij zijne eigene muzijk te springen. Wat baat hem nu die viool? Zijn ligchaam valt neder op de groene zoden. Na hem viel de grijze Echepole, de varkenssnijder, die van de heldhaftige Amazone een slag op het voorhoofd ontving. Hij was lijvig en groot van ligchaam en viel zwaar als een huis.[151]Op dit oogenblik gleed hem de tabaksdoos uit den zak, welke Molly, als wettigen buit, opgreep.

Daarop struikelde, ongelukkig, Kaat van den molen, over een grafsteen, waaraan haar neerhangende kous haakte, en de natuurlijke orde der dingen omkeerde, daar hare hielen hooger dan haar hoofd kwamen te staan. Betsi Pippin, met den jeugdigen Roger, haar minnaar, vielen beide ter aarde, waar, o ongunstig noodlot, zij den grond kuste en hij ten hemel keek. Tom Freckle, des hoefsmids zoon, werd nu het eerstvolgende slagtoffer harer woede. Hij was een kunstige werkman en maakte heerlijke ijzeren beugels voor de houten overschoenen der vrouwen:—en de overschoen waarmede hij nedergeveld werd, was zijn eigen werk! Als hij op dat oogenblik in de kerk gebleven ware om psalmen te zingen, zou hij die ramp ontgaan zijn. Mejufvrouw Crow, de dochter van een boer; Jan Giddish, zelf een boer, Nancy Slouch, Hester Codling, Willem Spray, Tom Bennet; de drie jonge dochters van Potter, wier vader de herberg, „in den rooden Leeuw” houdt, Betje, de werkmeid en Jan, de stalknecht, met vele anderen van minderen naam lagen te wentelen onder de grafsteenen.

Niet allen echter door den krachtigen arm van Molly bereikt; maar velen, op de vlugt, wierpen anderen omver.

Maar nu keerde Fortuna, vreezende haar karakter ontrouw te worden als zij te lang dezelfde partij begunstigde, vooral als die voor de goede zaak vocht, zich om, en voerde vrouw Brown aan,—haar, die Zedekiël Brown als vrouw omhelsde,—en niet hij alleen, maar de halve gemeente ook, zoo beroemd was zij in de heldenfeiten van Venus, zoowel als in die van Mars. Haar man droeg altijd op hoofd en gelaat haretrofeënrond; want zoo ooit een menschelijk hoofd, dan heeft dat van Zedekiël door zijne horens de zegepralen zijner vrouw op het gebied der liefde verkondigd, terwijl zijn diep gegroefd gelaat geene mindere sporen droeg van hare krijgshaftige talenten.

Niet langer wilde deze Amazone de schandelijke vlugt harer partij verdragen. Zij bleef staan en de vlugtenden luide toeroepende, sprak zij:

„Gij mannen van Somersetshire, of liever, gij vrouwen van Somersetshire, schaamt gij u niet aldus voor ééne enkele[152]vrouw te vlugten? Maar, zoo niemand anders haar weerstaan durft, zal ik zelve, met Johanna Top, hier de eer der overwinning wegdragen!”

Zij sprak, vloog Molly Seagrim aan, ontwrong haar gemakkelijk het dijbeen en rukte haar ter zelfder tijd de muts van het hoofd. Daarop Molly met de linkerhand in het haar grijpende, sloeg zij haar zoo hevig in het gezigt met de regter, dat het bloed spoedig uit haar neus vloeide. Molly inmiddels bleef niet lijdelijk. Weldra rukte ook zij den doek van het hoofd van vrouw Brown, greep haar tevens met de eene hand in het haar en deed insgelijks met de andere hand een bloedstroom vloeijen uit de neusgaten harer vijandin.

Toen de beide strijdenden genoegzamen buit geroofd hadden uit elkanders hoofdhaar, keerde zich hare woede tegen de kleêren. In dezen aanval legden zij zoo veel vuur aan den dag, dat binnen weinige minuten beide tot haar midden ontbloot werden.

Gelukkig voor de vrouwen, dat als zij elkaar met de vuisten slaan, zij dat niet doen op dezelfde plaatsen als de mannen;—want ofschoon men zeggen kan, dat zij eenigzins haar geslacht vergeten als zij ten strijde trekken, heb ik toch opgemerkt, dat zij het nooit in zoo ver doen, dat zij elkaar op de borsten slaan, waar een enkele slag voor de meeste vrouwen noodlottige gevolgen zou hebben. Het is mij bekend, dat sommigen dit toeschrijven aan de omstandigheid, dat zij bloeddorstiger zijn dan de mannen. Om deze reden beginnen zij met den neus, die het gemakkelijkst aan het bloeden te krijgen is. Maar dit schijnt mij toe eene zeer gezochte en onregtvaardige veronderstelling te zijn.

Vrouw Brown had op dit punt een groot voordeel boven Molly, daar zij inderdaad geene borsten had, terwijl haar boezem, als men dien zoo noemen mag,—zoowel in kleur als in vele andere opzigten op een stuk oud perkament geleek, waarop men lang had kunnen trommelen zonder haar veel kwaad te doen.

Molly, buiten en behalve haren bijzonderen ongelukkigen toestand, was in deze ligchaamsdeelen anders geschapen, en de nijd van vrouw Brown zou deze welligt er toe gebragt hebben haar een noodlottigen slag te geven, als de gelukkige[153]aankomst van Tom Jones op dit oogenblik niet plotseling een einde had gemaakt aan dit bloedig tooneel.

Dit gelukkige toeval was te danken aan den heer Square; want hij, de jonge Blifil en Jones waren, na kerktijd, te paard gestegen om een ridje te doen, en waren ongeveer een kwartier ver gereden, toen Square, van zin veranderde (niet uit grilligheid, maar om eene reden, welke wij ter gelegener tijd zullen uitleggen), en de jonge heeren verzocht een anderen weg in te slaan, dan dien, welken zij eerst gevolgd waren. Daar beiden hierin toestemden, kwamen zij noodzakelijk het kerkhof weder voorbij.

De jonge Blifil, die voorop reed, de verzamelde menigte ziende en twee vrouwen in de positie, waarin wij de strijdenden lieten, hield zijn paard in en vroeg wat er gaande was? Een boeren lummel krabde zich achter het oor en hernam:

„Wel, mijnheer, ik weet er niets van,—ik—; maar als u ’t niet kwalijk neemt, mijnheer, er is eene kloppartij geweest, geloof ik, tusschen vrouw Brown en Molly Seagrim.”

„Vrouw Brown, en wie?” vroeg Tom, maar zonder op antwoord te wachten; want de gelaatstrekken zijner Molly herkend hebbende, in weerwil van hare ontsteltenis, sprong hij vlug van het paard, liet het dier staan en sprong over den muur om haar te helpen. Zij barstte nu voor het eerst in tranen uit, en vertelde hem hoe barbaarsch men haar behandeld had. Waarop, zonder te denken aan het geslacht van vrouw Brown, of het, misschien in zijne woede niet eens opmerkende, want, waarlijk, behalve den rok, welken hij welligt niet zag, had zij weinig vrouwelijks om haar te onderscheiden, gaf hij haar een paar klappen met zijn zweep, en daarop het graauw aanvliegende, dat gezamentlijk door Molly beschuldigd werd, deelde hij zijne slagen met zoo veel mildheid uit, dat, zonder de Muze weer in te roepen,—wat een weinig hard zou zijn voor het goedaardige schepsel, waarvan reeds zoo veel gevergd werd,—het mij onmogelijk zou zijn de slagen op te sommen die dien dag nog uitgedeeld werden.

Na de geheele omstreek van den vijand gezuiverd te hebben, even goed als ooit eenig held van Homerus, of Don Quichot, of eenig ander dolende ridder dit deed, keerde hij[154]bij Molly terug, die hij in een toestand vond, welken het mij en den lezer pijnigen zou hier weder te beschrijven. Tom woedde als een razende. Hij sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit, stampte met de voeten en zwoer wraak aan iedereen, die in de zaak was betrokken geweest. Daarop trok hij den jas uit, en knoopte dien om haar lijf, zette haar zijn hoed op het hoofd, wischte haar het bloed zoo goed hij kon met den zakdoek uit het gezigt, en beval den knecht zoo spoedig mogelijk naar huis te rijden om een kussen of vrouwenzadel te halen, opdat hij haar veilig naar huis kon brengen.

De jonge Blifil had er veel tegen den knecht weg te zenden, omdat zij er slechts één bij zich hadden; daar Square echter Tom ondersteunde, moest hij ook eindigen met zijne toestemming te geven.

De man was in een oogenblik terug en Molly hare lompen, zoo goed zij kon, bijeen verzamelende, steeg achter den knecht op. Op deze wijze werd zij naar huis gebragt, terwijl Square, Blifil en Jones haar vergezelden.

Hier kreeg Jones zijn jas terug en na haar in stilte een kus gegeven te hebben, met de belofte om dien avond terug te keeren, verliet hij zijne Molly en volgde zijne makkers.


Back to IndexNext