[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Zaken bevattende die meer natuurlijk dan aangenaam zijn.Behalve de droefheid over den toestand van haar meester, was er nog een andere bron van dien zilten stroom, die zoo weelderig vloeide van de bergachtige wangbeenderen der huishoudster. Zij was ook ter naauwer nood de kamer uit, toen zij op de volgende stichtelijke wijze voor zich heen begon te mompelen:„Me dunkt wel, dat mijnheer eenig onderscheid had kunnen maken tusschen mij en de overige dienstboden! Hij zal mij wel genoeg nagelaten hebben, om in den rouw over hem te gaan; maar als dat alles is, dan, waarlijk, mag de drommel over hem den rouw dragen! Mijnheer mogt wel bedenken dat ik geene bedelaarster ben!—Dat heet nu de dienstboden aanmoedigen om eerlijk te blijven! Ja! al heb ik ook hier en daar iets voor mij zelve genomen, er zijn er anderen, die tienmaal meer gesnoept hebben dan ik! En nu zullen wij allen bij elkaar in één legaat begrepen worden! Als dit zóó is, dan mag voor mijn part, het legaat, met hem die het schonk, zamen naar de maan gaan! Maar ik zal toch niet weigeren het aan te nemen, omdat juist zoo iets sommige menschen pleizier zou doen! Neen! Ik zal de mooiste japon koopen, die ik vinden kan, en daarin op het graf van den ouden vrek dansen![221]Dat is nu de belooning, omdat ik zoo dikwerf partij voor hem getrokken heb, als de heele wereld het schande noemde dat hij zijn bastaard op die manier opvoedde! Maar nu gaat hij daarheen, waar hij alles zal moeten boeten! Het zou hem beter gestaan hebben om berouw te toonen op zijn sterfbed over zijne zonden, dan om zich er op te beroemen, en zooveel geld uit zijne eigene familie weg te geven aan een onwettig kind! In zijn bed gevonden, o ja! Een mooi verhaal! Ja, ja! Die iets verbergen, weten best waar het weder te vinden is! De Hemel zij hem genadig! Hij zal wel meer onwettige kinderen te verantwoorden hebben, als men maar achter de waarheid kon komen! Maar één troost is het, dat ze daar, waar hij nu heen gaat, alle bekend zijn! „De dienstboden zullen zien dat ik hen niet vergeten heb!” Dat waren zijne woorden. Ik zal ze niet vergeten al word ik honderd jaar oud! Ja, ja! ik zal er aan denken, dat hij mij met de dienstboden zamen gerekend heeft! Men zou gedacht hebben, dat hij mijn naam even goed had kunnen onthouden als dien van mijnheer Square; maar die heet een „mijnheer,” waarachtig, hoewel hij geen hemd op het lijf had toen hij voor het eerst hier kwam! ’t Zijn me „mijnheeren,”—zulk volk! Ik weet niet hoe vele jaren hij al hier in huis is, en ik geloof niet dat een der dienstboden ooit een duit van hem gezien heeft! De drommel hale zulke „mijnheeren”, voor mijn part!”Zij prevelde nog veel meer van dezen aard, maar dit staaltje zal wel voldoende zijn voor den lezer.Thwackum en Square waren ook niet veel beter tevreden met hunne legaten. Hoewel zij hunne verontwaardiging niet zoo luide lucht gaven, kunnen wij evenwel uit het misnoegen, dat op hunne gelaatstrekken zigtbaar was en uit het volgende gesprek opmaken, dat er geene groote mate van tevredenheid in hunne ziel huisvestte.Ongeveer een uur nadat zij de ziekekamer verlaten hadden, ontmoette Square Thwackum in de zaal en sprak hem aldus aan:„Nu, mijnheer, hebt ge iets van onzen vriend vernomen sedert wij hem verlieten?”„Als ge van mijnheer Allworthy spreekt,” hernam Thwackum, „moest ge hem, dunkt me, lieveruwvriend noemen; want ik verbeeld me dat hij van u dien titel wel verdiend heeft.”[222]„Niet meer dan van u,” merkte Square op; „want zijne mildheid, als het zoo heeten moet, heeft ons beide gelijkelijk bedacht.”„Ik zou er geen woord van gerept hebben,” riep Thwackum; „maar nu gij er over begint, moet ik u zeggen, dat ik op dit punt van u verschil. Er is een groot onderscheid tusschen vrijwillige gunstbewijzen en belooningen. Het nut dat ik in dit huisgezin gesticht heb, en de zorg welke ik voor die beide jongens gedragen heb, zijn diensten waarvoor sommige menschen eene ruimere vergelding zouden verwacht hebben. Ge moet u echter daarom niet voorstellen dat ik ontevreden ben. Want Paulus heeft mij geleerd tevreden te zijn met het weinige dat mij beschoren is. Al ware het minder geweest, ik zou toch mijn pligt gedaan hebben. Maar hoewel de Heilige Schrift het mij tot een gewetenszaak maakt om te berusten, ben ik daardoor niet gedwongen om de oogen te sluiten voor mijne eigene verdiensten, of mag ik er niet gevoelig over zijn als men mij beleedigt door eene onbillijke vergelijking.”„Nu gij mij tergt,” hernam Square, „wil ik wel zeggen, dat ik de benadeelde ben, want ik had nooit gedacht dat mijnheer Allworthy mijne vriendschap zoo luttel telde, dat hij mij op gelijke lijn zou plaatsen met iemand, die loon trekt. Maar ik weet waaraan dit toe te schrijven is:—het komt van die kleingeestige grondbeginselen, welke gij u zoo lang beijverd hebt hem in te boezemen,—met ter zijde stelling van al wat groot en edel is. De schoonheid en de heerlijkheid der vriendschap zijn te schitterend voor zwakke oogen, en kunnen ook alleen waargenomen worden door middel van de onfeilbare regels van het regt, welke gij zoo dikwerf hebt trachten belagchelijk te maken, dat gij het verstand van uw vriend beneveld hebt.”„Ik hoop,” riep Thwackum, in woede ontstoken; „ik hoop, om den wille zijner ziel, dat uwe verdoemelijke leer zijn geloof niet ondermijnd heeft! Daaraan schrijf ik nu zijn gedrag toe, dat zoo weinig betamelijk is voor een waar christen! Wie anders dan een godsloochenaar zou er aan kunnen denken deze wereld te verlaten zonder daarmede afgerekend te hebben? Zonder zijne zonden te belijden en die absolutie te ontvangen, welke, zoo als hij wel wist, hem door één[223]mensch in dit huis geschonken kon worden? Hij zal het gemis van dit onontbeerlijk genademiddel betreuren als het te laat is! Als hij in dat oord toeft, waar niets dan jammerklagten en tandengeknars is, dan zal hij leeren inzien hoe krachtig die heidensche godin, de Deugd, die door u en alle andere deïsten dezer eeuw aangebeden wordt, hem ondersteunt! Hij zal den priester roepen, die er niet te vinden is, en zal het gemis van die absolutie betreuren, die alleen in staat is den zondaar te redden.”„Als ze van zooveel belang is,” riep Square, „waarom biedt gij ze hem dan zelf niet aan?”„Ze heeft geene kracht,” riep Thwackum, „als men door de goddelijke genade er niet toe komt zelf daarnaar te verlangen. Maar waarom praat ik over deze dingen met een ongeloovigen heiden? Gij zijt het, die hem de les geleerd hebt, waarvoor men u in deze wereld goed beloond heeft, zoo als, zonder twijfel, ook uw leerling hier namaals beloond zal worden.”„Ik weet niet wat ge bedoelt met „beloond,”” hernam Square, „maar als ge zinspeelt op dat rampzalige gedachtenisje aan onze vriendschap, dat hij goedgevonden heeft mij na te laten,—dan moet ik u zeggen, dat ik dat veracht, en dat niets dan de ongelukkige toestand mijner geldmiddelen mij zou hebben kunnen bewegen het van hem aan te nemen.”Op dit oogenblik kwam de geneesheer juist binnen, en begon met de twistenden te vragen naar den toestand van den zieke.„Het gaat slecht!” hernam Thwackum.„Precies wat ik me voorstelde,” zei de dokter. „Maar welke verschijnselen hebben zich voorgedaan sedert ik u verliet?”„Niets gunstigs, naar ik vrees,” gaf Thwackum tot antwoord. „Na hetgeen gebeurd is toen wij bij hem waren, geloof ik dat er weinig hoop meer voor hem bestaat.”De geneesheer begreep welligt den zielzorger niet, en eer zij tot eene verklaring gekomen waren, kwam de heer Blifil bij hen, met een zeer bedroefd gelaat en meldde hun treurige tijdingen,—want zijne moeder was te Salisbury overleden. Op de terugreis was zij door jicht in het hoofd en in de maag overvallen, die haar binnen weinige uren ten grave gesleept had.[224]„Helaas!” riep de dokter. „Men kan natuurlijk voor niets instaan; maar ik had wel gewild, dat ik er bij was geweest om haar te behandelen! De jicht is eene kwaal, die zeer moeijelijk te genezen is; maar ik ben toch altijd zeer voorspoedig daarmede geweest!”Thwackum en Square betuigden beide hunne deelneming in het verlies, dat nu den heer Blifil getroffen had, en de eene ried hem aan het als man, de andere het als christen te dragen. De jongeling hernam, dat hij zeer goed wist dat wij allen sterfelijk zijn, en dat hij zijn best zou doen den slag op de meest betamelijke wijze te dragen. Hij kon echter niet nalaten zijn bijzonder wreed lot te beklagen, dat hem verraste met de tijding van zulk eene groote ramp op het oogenblik dat hij den zwaarsten slag wachtende was, welken het wreede noodlot hem toebrengen kon. Hij zeide, dat hij nu in de gelegenheid zou zijn die heerlijke grondbeginselen op de proef te stellen,—welke hij geleerd had van de heeren Thwackum en Square, en dat hij het hun te danken zou hebben als hij zulke rampen overleefde.Men beraadslaagde er nu over, of men den heer Allworthy den dood zijner zuster melden zou of niet, waartegen de dokter zich zeer stellig verzette, en hierin geloof ik dat de geheele fakulteit het met hem eens zou zijn; maar mijnheer Blifil zeide dat hij van zijn oom zulke stellige en herhaalde bevelen gekregen had om nooit eenig geheim voor hem te hebben, uit vrees van hem eenige ongerustheid te bezorgen, dat hij, wat ook de gevolgen wezen mogten, aan geene ongehoorzaamheid kon denken. Hij betuigde, wat hem betrof, dat hij, den godsdienstigen en wijsgeerigen aard van zijn oom in aanmerking genomen, de vrees van den dokter niet deelen kon. Hij had dus vast besloten hem alles mede te deelen, want, als zijn oom herstelde (zoo als hij van ganscher harte bad), dan zou hij het hem nooit vergeven dat hij een geheim van dien aard verzwegen had.De geneesheer was genoodzaakt zich aan dit besluit te onderwerpen, hetwelk ten hoogste geprezen werd door de beide andere geleerde heeren. Dus gingen de heeren Blifil en de dokter zamen naar de ziekenkamer, waar de geneesheer eerst binnen trad en het bed naderde, om den zieke den pols te voelen. Zoodra hij dit gedaan had, verklaarde hij dat er[225]groote beterschap was gekomen; dat zijn laatste geneesmiddel wonderbaarlijk gewerkt en de koortsen gebroken had, zoodat er voor het oogenblik, zeide hij, even weinig vrees bestond als er kort geleden weinig hoop bestaan had.Om de waarheid echter te zeggen, was de toestand van den heer Allworthy nooit zoo erg geweest als de voorzigtige dokter voorgesteld had; maar, even als een wijze veldheer nooit een vijand veracht, hoe gering diens krachten ook zijn, zoo zal ook een wijze geneesheer nooit eene ziekte minachten, hoe gering ze ook zij. Even als de eerste dezelfde strenge krijgstucht in acht neemt, dezelfde wachten uitzet, dezelfde spionnen gebruikt, al is de vijand nog zoo zwak, zoo ook bewaart de laatste denzelfden ernst in zijne houding, en schudt hij het hoofd op dezelfde veel beteekenende wijze, hoe nietig de kwaal ook zij.En beide, onder andere geldige redenen voor hun gedrag, mogen ook dezen degelijken grond aanvoeren, dat door deze middelen hun des te grootere eer toekomt als zij de overwinning behalen, en des te minder schande hun te beurt valt, als zij het ongeluk hebben van het onderspit te delven.De heer Allworthy had naauwelijks den tijd gehad de oogen op te slaan en den Hemel te danken voor dit vooruitzigt op herstel, toen de heer Blifil, met de meeste neerslagtigheid in zijne houding, naderde, en den zakdoek voor de oogen houdende, om een traan af te vegen, of, gelijk Ovidius bij eene andere gelegenheid zegt;„Si nullus erit, tamen excute nullum,”dat is „zoo er geen was, dan toch dien afwezigen weg te vegen,” aan zijn oom mededeelde hetgeen de lezer pas vernomen heeft.Allworthy ontving dit berigt met leedwezen, met geduld en onderwerping. Hij liet eenige tranen van droefheid vallen, bedaarde eindelijk en zeide: „Des Heeren wil geschiede!” Hij vroeg nu naar den bode; maar Blifil vertelde hem, dat het onmogelijk geweest was hem één oogenblik te doen wachten, want, naar zijne groote haast te oordeelen, scheen hij zaken van gewigt onder handen te hebben; zoo dat hij klaagde dat hij gejaagd en geplaagd en boven zijne krachten. ingespannen werd, en dikwijls herhaalde dat als hij zich op vier plaatsen tegelijk bevinden kon, hij toch niet klaar zou komen.[226]Allworthy beval nu aan Blifil voor de begrafenis te zorgen. Hij wenschte, zeide hij, dat zijne zuster in zijne eigene kerk zou bijgezet worden; maar wat de bijzonderheden betrof, die liet hij aan hem over, alleen den persoon vermeldende, aan wier zorgen hij alles opgedragen wilde hebben.
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Zaken bevattende die meer natuurlijk dan aangenaam zijn.Behalve de droefheid over den toestand van haar meester, was er nog een andere bron van dien zilten stroom, die zoo weelderig vloeide van de bergachtige wangbeenderen der huishoudster. Zij was ook ter naauwer nood de kamer uit, toen zij op de volgende stichtelijke wijze voor zich heen begon te mompelen:„Me dunkt wel, dat mijnheer eenig onderscheid had kunnen maken tusschen mij en de overige dienstboden! Hij zal mij wel genoeg nagelaten hebben, om in den rouw over hem te gaan; maar als dat alles is, dan, waarlijk, mag de drommel over hem den rouw dragen! Mijnheer mogt wel bedenken dat ik geene bedelaarster ben!—Dat heet nu de dienstboden aanmoedigen om eerlijk te blijven! Ja! al heb ik ook hier en daar iets voor mij zelve genomen, er zijn er anderen, die tienmaal meer gesnoept hebben dan ik! En nu zullen wij allen bij elkaar in één legaat begrepen worden! Als dit zóó is, dan mag voor mijn part, het legaat, met hem die het schonk, zamen naar de maan gaan! Maar ik zal toch niet weigeren het aan te nemen, omdat juist zoo iets sommige menschen pleizier zou doen! Neen! Ik zal de mooiste japon koopen, die ik vinden kan, en daarin op het graf van den ouden vrek dansen![221]Dat is nu de belooning, omdat ik zoo dikwerf partij voor hem getrokken heb, als de heele wereld het schande noemde dat hij zijn bastaard op die manier opvoedde! Maar nu gaat hij daarheen, waar hij alles zal moeten boeten! Het zou hem beter gestaan hebben om berouw te toonen op zijn sterfbed over zijne zonden, dan om zich er op te beroemen, en zooveel geld uit zijne eigene familie weg te geven aan een onwettig kind! In zijn bed gevonden, o ja! Een mooi verhaal! Ja, ja! Die iets verbergen, weten best waar het weder te vinden is! De Hemel zij hem genadig! Hij zal wel meer onwettige kinderen te verantwoorden hebben, als men maar achter de waarheid kon komen! Maar één troost is het, dat ze daar, waar hij nu heen gaat, alle bekend zijn! „De dienstboden zullen zien dat ik hen niet vergeten heb!” Dat waren zijne woorden. Ik zal ze niet vergeten al word ik honderd jaar oud! Ja, ja! ik zal er aan denken, dat hij mij met de dienstboden zamen gerekend heeft! Men zou gedacht hebben, dat hij mijn naam even goed had kunnen onthouden als dien van mijnheer Square; maar die heet een „mijnheer,” waarachtig, hoewel hij geen hemd op het lijf had toen hij voor het eerst hier kwam! ’t Zijn me „mijnheeren,”—zulk volk! Ik weet niet hoe vele jaren hij al hier in huis is, en ik geloof niet dat een der dienstboden ooit een duit van hem gezien heeft! De drommel hale zulke „mijnheeren”, voor mijn part!”Zij prevelde nog veel meer van dezen aard, maar dit staaltje zal wel voldoende zijn voor den lezer.Thwackum en Square waren ook niet veel beter tevreden met hunne legaten. Hoewel zij hunne verontwaardiging niet zoo luide lucht gaven, kunnen wij evenwel uit het misnoegen, dat op hunne gelaatstrekken zigtbaar was en uit het volgende gesprek opmaken, dat er geene groote mate van tevredenheid in hunne ziel huisvestte.Ongeveer een uur nadat zij de ziekekamer verlaten hadden, ontmoette Square Thwackum in de zaal en sprak hem aldus aan:„Nu, mijnheer, hebt ge iets van onzen vriend vernomen sedert wij hem verlieten?”„Als ge van mijnheer Allworthy spreekt,” hernam Thwackum, „moest ge hem, dunkt me, lieveruwvriend noemen; want ik verbeeld me dat hij van u dien titel wel verdiend heeft.”[222]„Niet meer dan van u,” merkte Square op; „want zijne mildheid, als het zoo heeten moet, heeft ons beide gelijkelijk bedacht.”„Ik zou er geen woord van gerept hebben,” riep Thwackum; „maar nu gij er over begint, moet ik u zeggen, dat ik op dit punt van u verschil. Er is een groot onderscheid tusschen vrijwillige gunstbewijzen en belooningen. Het nut dat ik in dit huisgezin gesticht heb, en de zorg welke ik voor die beide jongens gedragen heb, zijn diensten waarvoor sommige menschen eene ruimere vergelding zouden verwacht hebben. Ge moet u echter daarom niet voorstellen dat ik ontevreden ben. Want Paulus heeft mij geleerd tevreden te zijn met het weinige dat mij beschoren is. Al ware het minder geweest, ik zou toch mijn pligt gedaan hebben. Maar hoewel de Heilige Schrift het mij tot een gewetenszaak maakt om te berusten, ben ik daardoor niet gedwongen om de oogen te sluiten voor mijne eigene verdiensten, of mag ik er niet gevoelig over zijn als men mij beleedigt door eene onbillijke vergelijking.”„Nu gij mij tergt,” hernam Square, „wil ik wel zeggen, dat ik de benadeelde ben, want ik had nooit gedacht dat mijnheer Allworthy mijne vriendschap zoo luttel telde, dat hij mij op gelijke lijn zou plaatsen met iemand, die loon trekt. Maar ik weet waaraan dit toe te schrijven is:—het komt van die kleingeestige grondbeginselen, welke gij u zoo lang beijverd hebt hem in te boezemen,—met ter zijde stelling van al wat groot en edel is. De schoonheid en de heerlijkheid der vriendschap zijn te schitterend voor zwakke oogen, en kunnen ook alleen waargenomen worden door middel van de onfeilbare regels van het regt, welke gij zoo dikwerf hebt trachten belagchelijk te maken, dat gij het verstand van uw vriend beneveld hebt.”„Ik hoop,” riep Thwackum, in woede ontstoken; „ik hoop, om den wille zijner ziel, dat uwe verdoemelijke leer zijn geloof niet ondermijnd heeft! Daaraan schrijf ik nu zijn gedrag toe, dat zoo weinig betamelijk is voor een waar christen! Wie anders dan een godsloochenaar zou er aan kunnen denken deze wereld te verlaten zonder daarmede afgerekend te hebben? Zonder zijne zonden te belijden en die absolutie te ontvangen, welke, zoo als hij wel wist, hem door één[223]mensch in dit huis geschonken kon worden? Hij zal het gemis van dit onontbeerlijk genademiddel betreuren als het te laat is! Als hij in dat oord toeft, waar niets dan jammerklagten en tandengeknars is, dan zal hij leeren inzien hoe krachtig die heidensche godin, de Deugd, die door u en alle andere deïsten dezer eeuw aangebeden wordt, hem ondersteunt! Hij zal den priester roepen, die er niet te vinden is, en zal het gemis van die absolutie betreuren, die alleen in staat is den zondaar te redden.”„Als ze van zooveel belang is,” riep Square, „waarom biedt gij ze hem dan zelf niet aan?”„Ze heeft geene kracht,” riep Thwackum, „als men door de goddelijke genade er niet toe komt zelf daarnaar te verlangen. Maar waarom praat ik over deze dingen met een ongeloovigen heiden? Gij zijt het, die hem de les geleerd hebt, waarvoor men u in deze wereld goed beloond heeft, zoo als, zonder twijfel, ook uw leerling hier namaals beloond zal worden.”„Ik weet niet wat ge bedoelt met „beloond,”” hernam Square, „maar als ge zinspeelt op dat rampzalige gedachtenisje aan onze vriendschap, dat hij goedgevonden heeft mij na te laten,—dan moet ik u zeggen, dat ik dat veracht, en dat niets dan de ongelukkige toestand mijner geldmiddelen mij zou hebben kunnen bewegen het van hem aan te nemen.”Op dit oogenblik kwam de geneesheer juist binnen, en begon met de twistenden te vragen naar den toestand van den zieke.„Het gaat slecht!” hernam Thwackum.„Precies wat ik me voorstelde,” zei de dokter. „Maar welke verschijnselen hebben zich voorgedaan sedert ik u verliet?”„Niets gunstigs, naar ik vrees,” gaf Thwackum tot antwoord. „Na hetgeen gebeurd is toen wij bij hem waren, geloof ik dat er weinig hoop meer voor hem bestaat.”De geneesheer begreep welligt den zielzorger niet, en eer zij tot eene verklaring gekomen waren, kwam de heer Blifil bij hen, met een zeer bedroefd gelaat en meldde hun treurige tijdingen,—want zijne moeder was te Salisbury overleden. Op de terugreis was zij door jicht in het hoofd en in de maag overvallen, die haar binnen weinige uren ten grave gesleept had.[224]„Helaas!” riep de dokter. „Men kan natuurlijk voor niets instaan; maar ik had wel gewild, dat ik er bij was geweest om haar te behandelen! De jicht is eene kwaal, die zeer moeijelijk te genezen is; maar ik ben toch altijd zeer voorspoedig daarmede geweest!”Thwackum en Square betuigden beide hunne deelneming in het verlies, dat nu den heer Blifil getroffen had, en de eene ried hem aan het als man, de andere het als christen te dragen. De jongeling hernam, dat hij zeer goed wist dat wij allen sterfelijk zijn, en dat hij zijn best zou doen den slag op de meest betamelijke wijze te dragen. Hij kon echter niet nalaten zijn bijzonder wreed lot te beklagen, dat hem verraste met de tijding van zulk eene groote ramp op het oogenblik dat hij den zwaarsten slag wachtende was, welken het wreede noodlot hem toebrengen kon. Hij zeide, dat hij nu in de gelegenheid zou zijn die heerlijke grondbeginselen op de proef te stellen,—welke hij geleerd had van de heeren Thwackum en Square, en dat hij het hun te danken zou hebben als hij zulke rampen overleefde.Men beraadslaagde er nu over, of men den heer Allworthy den dood zijner zuster melden zou of niet, waartegen de dokter zich zeer stellig verzette, en hierin geloof ik dat de geheele fakulteit het met hem eens zou zijn; maar mijnheer Blifil zeide dat hij van zijn oom zulke stellige en herhaalde bevelen gekregen had om nooit eenig geheim voor hem te hebben, uit vrees van hem eenige ongerustheid te bezorgen, dat hij, wat ook de gevolgen wezen mogten, aan geene ongehoorzaamheid kon denken. Hij betuigde, wat hem betrof, dat hij, den godsdienstigen en wijsgeerigen aard van zijn oom in aanmerking genomen, de vrees van den dokter niet deelen kon. Hij had dus vast besloten hem alles mede te deelen, want, als zijn oom herstelde (zoo als hij van ganscher harte bad), dan zou hij het hem nooit vergeven dat hij een geheim van dien aard verzwegen had.De geneesheer was genoodzaakt zich aan dit besluit te onderwerpen, hetwelk ten hoogste geprezen werd door de beide andere geleerde heeren. Dus gingen de heeren Blifil en de dokter zamen naar de ziekenkamer, waar de geneesheer eerst binnen trad en het bed naderde, om den zieke den pols te voelen. Zoodra hij dit gedaan had, verklaarde hij dat er[225]groote beterschap was gekomen; dat zijn laatste geneesmiddel wonderbaarlijk gewerkt en de koortsen gebroken had, zoodat er voor het oogenblik, zeide hij, even weinig vrees bestond als er kort geleden weinig hoop bestaan had.Om de waarheid echter te zeggen, was de toestand van den heer Allworthy nooit zoo erg geweest als de voorzigtige dokter voorgesteld had; maar, even als een wijze veldheer nooit een vijand veracht, hoe gering diens krachten ook zijn, zoo zal ook een wijze geneesheer nooit eene ziekte minachten, hoe gering ze ook zij. Even als de eerste dezelfde strenge krijgstucht in acht neemt, dezelfde wachten uitzet, dezelfde spionnen gebruikt, al is de vijand nog zoo zwak, zoo ook bewaart de laatste denzelfden ernst in zijne houding, en schudt hij het hoofd op dezelfde veel beteekenende wijze, hoe nietig de kwaal ook zij.En beide, onder andere geldige redenen voor hun gedrag, mogen ook dezen degelijken grond aanvoeren, dat door deze middelen hun des te grootere eer toekomt als zij de overwinning behalen, en des te minder schande hun te beurt valt, als zij het ongeluk hebben van het onderspit te delven.De heer Allworthy had naauwelijks den tijd gehad de oogen op te slaan en den Hemel te danken voor dit vooruitzigt op herstel, toen de heer Blifil, met de meeste neerslagtigheid in zijne houding, naderde, en den zakdoek voor de oogen houdende, om een traan af te vegen, of, gelijk Ovidius bij eene andere gelegenheid zegt;„Si nullus erit, tamen excute nullum,”dat is „zoo er geen was, dan toch dien afwezigen weg te vegen,” aan zijn oom mededeelde hetgeen de lezer pas vernomen heeft.Allworthy ontving dit berigt met leedwezen, met geduld en onderwerping. Hij liet eenige tranen van droefheid vallen, bedaarde eindelijk en zeide: „Des Heeren wil geschiede!” Hij vroeg nu naar den bode; maar Blifil vertelde hem, dat het onmogelijk geweest was hem één oogenblik te doen wachten, want, naar zijne groote haast te oordeelen, scheen hij zaken van gewigt onder handen te hebben; zoo dat hij klaagde dat hij gejaagd en geplaagd en boven zijne krachten. ingespannen werd, en dikwijls herhaalde dat als hij zich op vier plaatsen tegelijk bevinden kon, hij toch niet klaar zou komen.[226]Allworthy beval nu aan Blifil voor de begrafenis te zorgen. Hij wenschte, zeide hij, dat zijne zuster in zijne eigene kerk zou bijgezet worden; maar wat de bijzonderheden betrof, die liet hij aan hem over, alleen den persoon vermeldende, aan wier zorgen hij alles opgedragen wilde hebben.
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Zaken bevattende die meer natuurlijk dan aangenaam zijn.Behalve de droefheid over den toestand van haar meester, was er nog een andere bron van dien zilten stroom, die zoo weelderig vloeide van de bergachtige wangbeenderen der huishoudster. Zij was ook ter naauwer nood de kamer uit, toen zij op de volgende stichtelijke wijze voor zich heen begon te mompelen:„Me dunkt wel, dat mijnheer eenig onderscheid had kunnen maken tusschen mij en de overige dienstboden! Hij zal mij wel genoeg nagelaten hebben, om in den rouw over hem te gaan; maar als dat alles is, dan, waarlijk, mag de drommel over hem den rouw dragen! Mijnheer mogt wel bedenken dat ik geene bedelaarster ben!—Dat heet nu de dienstboden aanmoedigen om eerlijk te blijven! Ja! al heb ik ook hier en daar iets voor mij zelve genomen, er zijn er anderen, die tienmaal meer gesnoept hebben dan ik! En nu zullen wij allen bij elkaar in één legaat begrepen worden! Als dit zóó is, dan mag voor mijn part, het legaat, met hem die het schonk, zamen naar de maan gaan! Maar ik zal toch niet weigeren het aan te nemen, omdat juist zoo iets sommige menschen pleizier zou doen! Neen! Ik zal de mooiste japon koopen, die ik vinden kan, en daarin op het graf van den ouden vrek dansen![221]Dat is nu de belooning, omdat ik zoo dikwerf partij voor hem getrokken heb, als de heele wereld het schande noemde dat hij zijn bastaard op die manier opvoedde! Maar nu gaat hij daarheen, waar hij alles zal moeten boeten! Het zou hem beter gestaan hebben om berouw te toonen op zijn sterfbed over zijne zonden, dan om zich er op te beroemen, en zooveel geld uit zijne eigene familie weg te geven aan een onwettig kind! In zijn bed gevonden, o ja! Een mooi verhaal! Ja, ja! Die iets verbergen, weten best waar het weder te vinden is! De Hemel zij hem genadig! Hij zal wel meer onwettige kinderen te verantwoorden hebben, als men maar achter de waarheid kon komen! Maar één troost is het, dat ze daar, waar hij nu heen gaat, alle bekend zijn! „De dienstboden zullen zien dat ik hen niet vergeten heb!” Dat waren zijne woorden. Ik zal ze niet vergeten al word ik honderd jaar oud! Ja, ja! ik zal er aan denken, dat hij mij met de dienstboden zamen gerekend heeft! Men zou gedacht hebben, dat hij mijn naam even goed had kunnen onthouden als dien van mijnheer Square; maar die heet een „mijnheer,” waarachtig, hoewel hij geen hemd op het lijf had toen hij voor het eerst hier kwam! ’t Zijn me „mijnheeren,”—zulk volk! Ik weet niet hoe vele jaren hij al hier in huis is, en ik geloof niet dat een der dienstboden ooit een duit van hem gezien heeft! De drommel hale zulke „mijnheeren”, voor mijn part!”Zij prevelde nog veel meer van dezen aard, maar dit staaltje zal wel voldoende zijn voor den lezer.Thwackum en Square waren ook niet veel beter tevreden met hunne legaten. Hoewel zij hunne verontwaardiging niet zoo luide lucht gaven, kunnen wij evenwel uit het misnoegen, dat op hunne gelaatstrekken zigtbaar was en uit het volgende gesprek opmaken, dat er geene groote mate van tevredenheid in hunne ziel huisvestte.Ongeveer een uur nadat zij de ziekekamer verlaten hadden, ontmoette Square Thwackum in de zaal en sprak hem aldus aan:„Nu, mijnheer, hebt ge iets van onzen vriend vernomen sedert wij hem verlieten?”„Als ge van mijnheer Allworthy spreekt,” hernam Thwackum, „moest ge hem, dunkt me, lieveruwvriend noemen; want ik verbeeld me dat hij van u dien titel wel verdiend heeft.”[222]„Niet meer dan van u,” merkte Square op; „want zijne mildheid, als het zoo heeten moet, heeft ons beide gelijkelijk bedacht.”„Ik zou er geen woord van gerept hebben,” riep Thwackum; „maar nu gij er over begint, moet ik u zeggen, dat ik op dit punt van u verschil. Er is een groot onderscheid tusschen vrijwillige gunstbewijzen en belooningen. Het nut dat ik in dit huisgezin gesticht heb, en de zorg welke ik voor die beide jongens gedragen heb, zijn diensten waarvoor sommige menschen eene ruimere vergelding zouden verwacht hebben. Ge moet u echter daarom niet voorstellen dat ik ontevreden ben. Want Paulus heeft mij geleerd tevreden te zijn met het weinige dat mij beschoren is. Al ware het minder geweest, ik zou toch mijn pligt gedaan hebben. Maar hoewel de Heilige Schrift het mij tot een gewetenszaak maakt om te berusten, ben ik daardoor niet gedwongen om de oogen te sluiten voor mijne eigene verdiensten, of mag ik er niet gevoelig over zijn als men mij beleedigt door eene onbillijke vergelijking.”„Nu gij mij tergt,” hernam Square, „wil ik wel zeggen, dat ik de benadeelde ben, want ik had nooit gedacht dat mijnheer Allworthy mijne vriendschap zoo luttel telde, dat hij mij op gelijke lijn zou plaatsen met iemand, die loon trekt. Maar ik weet waaraan dit toe te schrijven is:—het komt van die kleingeestige grondbeginselen, welke gij u zoo lang beijverd hebt hem in te boezemen,—met ter zijde stelling van al wat groot en edel is. De schoonheid en de heerlijkheid der vriendschap zijn te schitterend voor zwakke oogen, en kunnen ook alleen waargenomen worden door middel van de onfeilbare regels van het regt, welke gij zoo dikwerf hebt trachten belagchelijk te maken, dat gij het verstand van uw vriend beneveld hebt.”„Ik hoop,” riep Thwackum, in woede ontstoken; „ik hoop, om den wille zijner ziel, dat uwe verdoemelijke leer zijn geloof niet ondermijnd heeft! Daaraan schrijf ik nu zijn gedrag toe, dat zoo weinig betamelijk is voor een waar christen! Wie anders dan een godsloochenaar zou er aan kunnen denken deze wereld te verlaten zonder daarmede afgerekend te hebben? Zonder zijne zonden te belijden en die absolutie te ontvangen, welke, zoo als hij wel wist, hem door één[223]mensch in dit huis geschonken kon worden? Hij zal het gemis van dit onontbeerlijk genademiddel betreuren als het te laat is! Als hij in dat oord toeft, waar niets dan jammerklagten en tandengeknars is, dan zal hij leeren inzien hoe krachtig die heidensche godin, de Deugd, die door u en alle andere deïsten dezer eeuw aangebeden wordt, hem ondersteunt! Hij zal den priester roepen, die er niet te vinden is, en zal het gemis van die absolutie betreuren, die alleen in staat is den zondaar te redden.”„Als ze van zooveel belang is,” riep Square, „waarom biedt gij ze hem dan zelf niet aan?”„Ze heeft geene kracht,” riep Thwackum, „als men door de goddelijke genade er niet toe komt zelf daarnaar te verlangen. Maar waarom praat ik over deze dingen met een ongeloovigen heiden? Gij zijt het, die hem de les geleerd hebt, waarvoor men u in deze wereld goed beloond heeft, zoo als, zonder twijfel, ook uw leerling hier namaals beloond zal worden.”„Ik weet niet wat ge bedoelt met „beloond,”” hernam Square, „maar als ge zinspeelt op dat rampzalige gedachtenisje aan onze vriendschap, dat hij goedgevonden heeft mij na te laten,—dan moet ik u zeggen, dat ik dat veracht, en dat niets dan de ongelukkige toestand mijner geldmiddelen mij zou hebben kunnen bewegen het van hem aan te nemen.”Op dit oogenblik kwam de geneesheer juist binnen, en begon met de twistenden te vragen naar den toestand van den zieke.„Het gaat slecht!” hernam Thwackum.„Precies wat ik me voorstelde,” zei de dokter. „Maar welke verschijnselen hebben zich voorgedaan sedert ik u verliet?”„Niets gunstigs, naar ik vrees,” gaf Thwackum tot antwoord. „Na hetgeen gebeurd is toen wij bij hem waren, geloof ik dat er weinig hoop meer voor hem bestaat.”De geneesheer begreep welligt den zielzorger niet, en eer zij tot eene verklaring gekomen waren, kwam de heer Blifil bij hen, met een zeer bedroefd gelaat en meldde hun treurige tijdingen,—want zijne moeder was te Salisbury overleden. Op de terugreis was zij door jicht in het hoofd en in de maag overvallen, die haar binnen weinige uren ten grave gesleept had.[224]„Helaas!” riep de dokter. „Men kan natuurlijk voor niets instaan; maar ik had wel gewild, dat ik er bij was geweest om haar te behandelen! De jicht is eene kwaal, die zeer moeijelijk te genezen is; maar ik ben toch altijd zeer voorspoedig daarmede geweest!”Thwackum en Square betuigden beide hunne deelneming in het verlies, dat nu den heer Blifil getroffen had, en de eene ried hem aan het als man, de andere het als christen te dragen. De jongeling hernam, dat hij zeer goed wist dat wij allen sterfelijk zijn, en dat hij zijn best zou doen den slag op de meest betamelijke wijze te dragen. Hij kon echter niet nalaten zijn bijzonder wreed lot te beklagen, dat hem verraste met de tijding van zulk eene groote ramp op het oogenblik dat hij den zwaarsten slag wachtende was, welken het wreede noodlot hem toebrengen kon. Hij zeide, dat hij nu in de gelegenheid zou zijn die heerlijke grondbeginselen op de proef te stellen,—welke hij geleerd had van de heeren Thwackum en Square, en dat hij het hun te danken zou hebben als hij zulke rampen overleefde.Men beraadslaagde er nu over, of men den heer Allworthy den dood zijner zuster melden zou of niet, waartegen de dokter zich zeer stellig verzette, en hierin geloof ik dat de geheele fakulteit het met hem eens zou zijn; maar mijnheer Blifil zeide dat hij van zijn oom zulke stellige en herhaalde bevelen gekregen had om nooit eenig geheim voor hem te hebben, uit vrees van hem eenige ongerustheid te bezorgen, dat hij, wat ook de gevolgen wezen mogten, aan geene ongehoorzaamheid kon denken. Hij betuigde, wat hem betrof, dat hij, den godsdienstigen en wijsgeerigen aard van zijn oom in aanmerking genomen, de vrees van den dokter niet deelen kon. Hij had dus vast besloten hem alles mede te deelen, want, als zijn oom herstelde (zoo als hij van ganscher harte bad), dan zou hij het hem nooit vergeven dat hij een geheim van dien aard verzwegen had.De geneesheer was genoodzaakt zich aan dit besluit te onderwerpen, hetwelk ten hoogste geprezen werd door de beide andere geleerde heeren. Dus gingen de heeren Blifil en de dokter zamen naar de ziekenkamer, waar de geneesheer eerst binnen trad en het bed naderde, om den zieke den pols te voelen. Zoodra hij dit gedaan had, verklaarde hij dat er[225]groote beterschap was gekomen; dat zijn laatste geneesmiddel wonderbaarlijk gewerkt en de koortsen gebroken had, zoodat er voor het oogenblik, zeide hij, even weinig vrees bestond als er kort geleden weinig hoop bestaan had.Om de waarheid echter te zeggen, was de toestand van den heer Allworthy nooit zoo erg geweest als de voorzigtige dokter voorgesteld had; maar, even als een wijze veldheer nooit een vijand veracht, hoe gering diens krachten ook zijn, zoo zal ook een wijze geneesheer nooit eene ziekte minachten, hoe gering ze ook zij. Even als de eerste dezelfde strenge krijgstucht in acht neemt, dezelfde wachten uitzet, dezelfde spionnen gebruikt, al is de vijand nog zoo zwak, zoo ook bewaart de laatste denzelfden ernst in zijne houding, en schudt hij het hoofd op dezelfde veel beteekenende wijze, hoe nietig de kwaal ook zij.En beide, onder andere geldige redenen voor hun gedrag, mogen ook dezen degelijken grond aanvoeren, dat door deze middelen hun des te grootere eer toekomt als zij de overwinning behalen, en des te minder schande hun te beurt valt, als zij het ongeluk hebben van het onderspit te delven.De heer Allworthy had naauwelijks den tijd gehad de oogen op te slaan en den Hemel te danken voor dit vooruitzigt op herstel, toen de heer Blifil, met de meeste neerslagtigheid in zijne houding, naderde, en den zakdoek voor de oogen houdende, om een traan af te vegen, of, gelijk Ovidius bij eene andere gelegenheid zegt;„Si nullus erit, tamen excute nullum,”dat is „zoo er geen was, dan toch dien afwezigen weg te vegen,” aan zijn oom mededeelde hetgeen de lezer pas vernomen heeft.Allworthy ontving dit berigt met leedwezen, met geduld en onderwerping. Hij liet eenige tranen van droefheid vallen, bedaarde eindelijk en zeide: „Des Heeren wil geschiede!” Hij vroeg nu naar den bode; maar Blifil vertelde hem, dat het onmogelijk geweest was hem één oogenblik te doen wachten, want, naar zijne groote haast te oordeelen, scheen hij zaken van gewigt onder handen te hebben; zoo dat hij klaagde dat hij gejaagd en geplaagd en boven zijne krachten. ingespannen werd, en dikwijls herhaalde dat als hij zich op vier plaatsen tegelijk bevinden kon, hij toch niet klaar zou komen.[226]Allworthy beval nu aan Blifil voor de begrafenis te zorgen. Hij wenschte, zeide hij, dat zijne zuster in zijne eigene kerk zou bijgezet worden; maar wat de bijzonderheden betrof, die liet hij aan hem over, alleen den persoon vermeldende, aan wier zorgen hij alles opgedragen wilde hebben.
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Zaken bevattende die meer natuurlijk dan aangenaam zijn.Behalve de droefheid over den toestand van haar meester, was er nog een andere bron van dien zilten stroom, die zoo weelderig vloeide van de bergachtige wangbeenderen der huishoudster. Zij was ook ter naauwer nood de kamer uit, toen zij op de volgende stichtelijke wijze voor zich heen begon te mompelen:„Me dunkt wel, dat mijnheer eenig onderscheid had kunnen maken tusschen mij en de overige dienstboden! Hij zal mij wel genoeg nagelaten hebben, om in den rouw over hem te gaan; maar als dat alles is, dan, waarlijk, mag de drommel over hem den rouw dragen! Mijnheer mogt wel bedenken dat ik geene bedelaarster ben!—Dat heet nu de dienstboden aanmoedigen om eerlijk te blijven! Ja! al heb ik ook hier en daar iets voor mij zelve genomen, er zijn er anderen, die tienmaal meer gesnoept hebben dan ik! En nu zullen wij allen bij elkaar in één legaat begrepen worden! Als dit zóó is, dan mag voor mijn part, het legaat, met hem die het schonk, zamen naar de maan gaan! Maar ik zal toch niet weigeren het aan te nemen, omdat juist zoo iets sommige menschen pleizier zou doen! Neen! Ik zal de mooiste japon koopen, die ik vinden kan, en daarin op het graf van den ouden vrek dansen![221]Dat is nu de belooning, omdat ik zoo dikwerf partij voor hem getrokken heb, als de heele wereld het schande noemde dat hij zijn bastaard op die manier opvoedde! Maar nu gaat hij daarheen, waar hij alles zal moeten boeten! Het zou hem beter gestaan hebben om berouw te toonen op zijn sterfbed over zijne zonden, dan om zich er op te beroemen, en zooveel geld uit zijne eigene familie weg te geven aan een onwettig kind! In zijn bed gevonden, o ja! Een mooi verhaal! Ja, ja! Die iets verbergen, weten best waar het weder te vinden is! De Hemel zij hem genadig! Hij zal wel meer onwettige kinderen te verantwoorden hebben, als men maar achter de waarheid kon komen! Maar één troost is het, dat ze daar, waar hij nu heen gaat, alle bekend zijn! „De dienstboden zullen zien dat ik hen niet vergeten heb!” Dat waren zijne woorden. Ik zal ze niet vergeten al word ik honderd jaar oud! Ja, ja! ik zal er aan denken, dat hij mij met de dienstboden zamen gerekend heeft! Men zou gedacht hebben, dat hij mijn naam even goed had kunnen onthouden als dien van mijnheer Square; maar die heet een „mijnheer,” waarachtig, hoewel hij geen hemd op het lijf had toen hij voor het eerst hier kwam! ’t Zijn me „mijnheeren,”—zulk volk! Ik weet niet hoe vele jaren hij al hier in huis is, en ik geloof niet dat een der dienstboden ooit een duit van hem gezien heeft! De drommel hale zulke „mijnheeren”, voor mijn part!”Zij prevelde nog veel meer van dezen aard, maar dit staaltje zal wel voldoende zijn voor den lezer.Thwackum en Square waren ook niet veel beter tevreden met hunne legaten. Hoewel zij hunne verontwaardiging niet zoo luide lucht gaven, kunnen wij evenwel uit het misnoegen, dat op hunne gelaatstrekken zigtbaar was en uit het volgende gesprek opmaken, dat er geene groote mate van tevredenheid in hunne ziel huisvestte.Ongeveer een uur nadat zij de ziekekamer verlaten hadden, ontmoette Square Thwackum in de zaal en sprak hem aldus aan:„Nu, mijnheer, hebt ge iets van onzen vriend vernomen sedert wij hem verlieten?”„Als ge van mijnheer Allworthy spreekt,” hernam Thwackum, „moest ge hem, dunkt me, lieveruwvriend noemen; want ik verbeeld me dat hij van u dien titel wel verdiend heeft.”[222]„Niet meer dan van u,” merkte Square op; „want zijne mildheid, als het zoo heeten moet, heeft ons beide gelijkelijk bedacht.”„Ik zou er geen woord van gerept hebben,” riep Thwackum; „maar nu gij er over begint, moet ik u zeggen, dat ik op dit punt van u verschil. Er is een groot onderscheid tusschen vrijwillige gunstbewijzen en belooningen. Het nut dat ik in dit huisgezin gesticht heb, en de zorg welke ik voor die beide jongens gedragen heb, zijn diensten waarvoor sommige menschen eene ruimere vergelding zouden verwacht hebben. Ge moet u echter daarom niet voorstellen dat ik ontevreden ben. Want Paulus heeft mij geleerd tevreden te zijn met het weinige dat mij beschoren is. Al ware het minder geweest, ik zou toch mijn pligt gedaan hebben. Maar hoewel de Heilige Schrift het mij tot een gewetenszaak maakt om te berusten, ben ik daardoor niet gedwongen om de oogen te sluiten voor mijne eigene verdiensten, of mag ik er niet gevoelig over zijn als men mij beleedigt door eene onbillijke vergelijking.”„Nu gij mij tergt,” hernam Square, „wil ik wel zeggen, dat ik de benadeelde ben, want ik had nooit gedacht dat mijnheer Allworthy mijne vriendschap zoo luttel telde, dat hij mij op gelijke lijn zou plaatsen met iemand, die loon trekt. Maar ik weet waaraan dit toe te schrijven is:—het komt van die kleingeestige grondbeginselen, welke gij u zoo lang beijverd hebt hem in te boezemen,—met ter zijde stelling van al wat groot en edel is. De schoonheid en de heerlijkheid der vriendschap zijn te schitterend voor zwakke oogen, en kunnen ook alleen waargenomen worden door middel van de onfeilbare regels van het regt, welke gij zoo dikwerf hebt trachten belagchelijk te maken, dat gij het verstand van uw vriend beneveld hebt.”„Ik hoop,” riep Thwackum, in woede ontstoken; „ik hoop, om den wille zijner ziel, dat uwe verdoemelijke leer zijn geloof niet ondermijnd heeft! Daaraan schrijf ik nu zijn gedrag toe, dat zoo weinig betamelijk is voor een waar christen! Wie anders dan een godsloochenaar zou er aan kunnen denken deze wereld te verlaten zonder daarmede afgerekend te hebben? Zonder zijne zonden te belijden en die absolutie te ontvangen, welke, zoo als hij wel wist, hem door één[223]mensch in dit huis geschonken kon worden? Hij zal het gemis van dit onontbeerlijk genademiddel betreuren als het te laat is! Als hij in dat oord toeft, waar niets dan jammerklagten en tandengeknars is, dan zal hij leeren inzien hoe krachtig die heidensche godin, de Deugd, die door u en alle andere deïsten dezer eeuw aangebeden wordt, hem ondersteunt! Hij zal den priester roepen, die er niet te vinden is, en zal het gemis van die absolutie betreuren, die alleen in staat is den zondaar te redden.”„Als ze van zooveel belang is,” riep Square, „waarom biedt gij ze hem dan zelf niet aan?”„Ze heeft geene kracht,” riep Thwackum, „als men door de goddelijke genade er niet toe komt zelf daarnaar te verlangen. Maar waarom praat ik over deze dingen met een ongeloovigen heiden? Gij zijt het, die hem de les geleerd hebt, waarvoor men u in deze wereld goed beloond heeft, zoo als, zonder twijfel, ook uw leerling hier namaals beloond zal worden.”„Ik weet niet wat ge bedoelt met „beloond,”” hernam Square, „maar als ge zinspeelt op dat rampzalige gedachtenisje aan onze vriendschap, dat hij goedgevonden heeft mij na te laten,—dan moet ik u zeggen, dat ik dat veracht, en dat niets dan de ongelukkige toestand mijner geldmiddelen mij zou hebben kunnen bewegen het van hem aan te nemen.”Op dit oogenblik kwam de geneesheer juist binnen, en begon met de twistenden te vragen naar den toestand van den zieke.„Het gaat slecht!” hernam Thwackum.„Precies wat ik me voorstelde,” zei de dokter. „Maar welke verschijnselen hebben zich voorgedaan sedert ik u verliet?”„Niets gunstigs, naar ik vrees,” gaf Thwackum tot antwoord. „Na hetgeen gebeurd is toen wij bij hem waren, geloof ik dat er weinig hoop meer voor hem bestaat.”De geneesheer begreep welligt den zielzorger niet, en eer zij tot eene verklaring gekomen waren, kwam de heer Blifil bij hen, met een zeer bedroefd gelaat en meldde hun treurige tijdingen,—want zijne moeder was te Salisbury overleden. Op de terugreis was zij door jicht in het hoofd en in de maag overvallen, die haar binnen weinige uren ten grave gesleept had.[224]„Helaas!” riep de dokter. „Men kan natuurlijk voor niets instaan; maar ik had wel gewild, dat ik er bij was geweest om haar te behandelen! De jicht is eene kwaal, die zeer moeijelijk te genezen is; maar ik ben toch altijd zeer voorspoedig daarmede geweest!”Thwackum en Square betuigden beide hunne deelneming in het verlies, dat nu den heer Blifil getroffen had, en de eene ried hem aan het als man, de andere het als christen te dragen. De jongeling hernam, dat hij zeer goed wist dat wij allen sterfelijk zijn, en dat hij zijn best zou doen den slag op de meest betamelijke wijze te dragen. Hij kon echter niet nalaten zijn bijzonder wreed lot te beklagen, dat hem verraste met de tijding van zulk eene groote ramp op het oogenblik dat hij den zwaarsten slag wachtende was, welken het wreede noodlot hem toebrengen kon. Hij zeide, dat hij nu in de gelegenheid zou zijn die heerlijke grondbeginselen op de proef te stellen,—welke hij geleerd had van de heeren Thwackum en Square, en dat hij het hun te danken zou hebben als hij zulke rampen overleefde.Men beraadslaagde er nu over, of men den heer Allworthy den dood zijner zuster melden zou of niet, waartegen de dokter zich zeer stellig verzette, en hierin geloof ik dat de geheele fakulteit het met hem eens zou zijn; maar mijnheer Blifil zeide dat hij van zijn oom zulke stellige en herhaalde bevelen gekregen had om nooit eenig geheim voor hem te hebben, uit vrees van hem eenige ongerustheid te bezorgen, dat hij, wat ook de gevolgen wezen mogten, aan geene ongehoorzaamheid kon denken. Hij betuigde, wat hem betrof, dat hij, den godsdienstigen en wijsgeerigen aard van zijn oom in aanmerking genomen, de vrees van den dokter niet deelen kon. Hij had dus vast besloten hem alles mede te deelen, want, als zijn oom herstelde (zoo als hij van ganscher harte bad), dan zou hij het hem nooit vergeven dat hij een geheim van dien aard verzwegen had.De geneesheer was genoodzaakt zich aan dit besluit te onderwerpen, hetwelk ten hoogste geprezen werd door de beide andere geleerde heeren. Dus gingen de heeren Blifil en de dokter zamen naar de ziekenkamer, waar de geneesheer eerst binnen trad en het bed naderde, om den zieke den pols te voelen. Zoodra hij dit gedaan had, verklaarde hij dat er[225]groote beterschap was gekomen; dat zijn laatste geneesmiddel wonderbaarlijk gewerkt en de koortsen gebroken had, zoodat er voor het oogenblik, zeide hij, even weinig vrees bestond als er kort geleden weinig hoop bestaan had.Om de waarheid echter te zeggen, was de toestand van den heer Allworthy nooit zoo erg geweest als de voorzigtige dokter voorgesteld had; maar, even als een wijze veldheer nooit een vijand veracht, hoe gering diens krachten ook zijn, zoo zal ook een wijze geneesheer nooit eene ziekte minachten, hoe gering ze ook zij. Even als de eerste dezelfde strenge krijgstucht in acht neemt, dezelfde wachten uitzet, dezelfde spionnen gebruikt, al is de vijand nog zoo zwak, zoo ook bewaart de laatste denzelfden ernst in zijne houding, en schudt hij het hoofd op dezelfde veel beteekenende wijze, hoe nietig de kwaal ook zij.En beide, onder andere geldige redenen voor hun gedrag, mogen ook dezen degelijken grond aanvoeren, dat door deze middelen hun des te grootere eer toekomt als zij de overwinning behalen, en des te minder schande hun te beurt valt, als zij het ongeluk hebben van het onderspit te delven.De heer Allworthy had naauwelijks den tijd gehad de oogen op te slaan en den Hemel te danken voor dit vooruitzigt op herstel, toen de heer Blifil, met de meeste neerslagtigheid in zijne houding, naderde, en den zakdoek voor de oogen houdende, om een traan af te vegen, of, gelijk Ovidius bij eene andere gelegenheid zegt;„Si nullus erit, tamen excute nullum,”dat is „zoo er geen was, dan toch dien afwezigen weg te vegen,” aan zijn oom mededeelde hetgeen de lezer pas vernomen heeft.Allworthy ontving dit berigt met leedwezen, met geduld en onderwerping. Hij liet eenige tranen van droefheid vallen, bedaarde eindelijk en zeide: „Des Heeren wil geschiede!” Hij vroeg nu naar den bode; maar Blifil vertelde hem, dat het onmogelijk geweest was hem één oogenblik te doen wachten, want, naar zijne groote haast te oordeelen, scheen hij zaken van gewigt onder handen te hebben; zoo dat hij klaagde dat hij gejaagd en geplaagd en boven zijne krachten. ingespannen werd, en dikwijls herhaalde dat als hij zich op vier plaatsen tegelijk bevinden kon, hij toch niet klaar zou komen.[226]Allworthy beval nu aan Blifil voor de begrafenis te zorgen. Hij wenschte, zeide hij, dat zijne zuster in zijne eigene kerk zou bijgezet worden; maar wat de bijzonderheden betrof, die liet hij aan hem over, alleen den persoon vermeldende, aan wier zorgen hij alles opgedragen wilde hebben.
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Zaken bevattende die meer natuurlijk dan aangenaam zijn.Behalve de droefheid over den toestand van haar meester, was er nog een andere bron van dien zilten stroom, die zoo weelderig vloeide van de bergachtige wangbeenderen der huishoudster. Zij was ook ter naauwer nood de kamer uit, toen zij op de volgende stichtelijke wijze voor zich heen begon te mompelen:„Me dunkt wel, dat mijnheer eenig onderscheid had kunnen maken tusschen mij en de overige dienstboden! Hij zal mij wel genoeg nagelaten hebben, om in den rouw over hem te gaan; maar als dat alles is, dan, waarlijk, mag de drommel over hem den rouw dragen! Mijnheer mogt wel bedenken dat ik geene bedelaarster ben!—Dat heet nu de dienstboden aanmoedigen om eerlijk te blijven! Ja! al heb ik ook hier en daar iets voor mij zelve genomen, er zijn er anderen, die tienmaal meer gesnoept hebben dan ik! En nu zullen wij allen bij elkaar in één legaat begrepen worden! Als dit zóó is, dan mag voor mijn part, het legaat, met hem die het schonk, zamen naar de maan gaan! Maar ik zal toch niet weigeren het aan te nemen, omdat juist zoo iets sommige menschen pleizier zou doen! Neen! Ik zal de mooiste japon koopen, die ik vinden kan, en daarin op het graf van den ouden vrek dansen![221]Dat is nu de belooning, omdat ik zoo dikwerf partij voor hem getrokken heb, als de heele wereld het schande noemde dat hij zijn bastaard op die manier opvoedde! Maar nu gaat hij daarheen, waar hij alles zal moeten boeten! Het zou hem beter gestaan hebben om berouw te toonen op zijn sterfbed over zijne zonden, dan om zich er op te beroemen, en zooveel geld uit zijne eigene familie weg te geven aan een onwettig kind! In zijn bed gevonden, o ja! Een mooi verhaal! Ja, ja! Die iets verbergen, weten best waar het weder te vinden is! De Hemel zij hem genadig! Hij zal wel meer onwettige kinderen te verantwoorden hebben, als men maar achter de waarheid kon komen! Maar één troost is het, dat ze daar, waar hij nu heen gaat, alle bekend zijn! „De dienstboden zullen zien dat ik hen niet vergeten heb!” Dat waren zijne woorden. Ik zal ze niet vergeten al word ik honderd jaar oud! Ja, ja! ik zal er aan denken, dat hij mij met de dienstboden zamen gerekend heeft! Men zou gedacht hebben, dat hij mijn naam even goed had kunnen onthouden als dien van mijnheer Square; maar die heet een „mijnheer,” waarachtig, hoewel hij geen hemd op het lijf had toen hij voor het eerst hier kwam! ’t Zijn me „mijnheeren,”—zulk volk! Ik weet niet hoe vele jaren hij al hier in huis is, en ik geloof niet dat een der dienstboden ooit een duit van hem gezien heeft! De drommel hale zulke „mijnheeren”, voor mijn part!”Zij prevelde nog veel meer van dezen aard, maar dit staaltje zal wel voldoende zijn voor den lezer.Thwackum en Square waren ook niet veel beter tevreden met hunne legaten. Hoewel zij hunne verontwaardiging niet zoo luide lucht gaven, kunnen wij evenwel uit het misnoegen, dat op hunne gelaatstrekken zigtbaar was en uit het volgende gesprek opmaken, dat er geene groote mate van tevredenheid in hunne ziel huisvestte.Ongeveer een uur nadat zij de ziekekamer verlaten hadden, ontmoette Square Thwackum in de zaal en sprak hem aldus aan:„Nu, mijnheer, hebt ge iets van onzen vriend vernomen sedert wij hem verlieten?”„Als ge van mijnheer Allworthy spreekt,” hernam Thwackum, „moest ge hem, dunkt me, lieveruwvriend noemen; want ik verbeeld me dat hij van u dien titel wel verdiend heeft.”[222]„Niet meer dan van u,” merkte Square op; „want zijne mildheid, als het zoo heeten moet, heeft ons beide gelijkelijk bedacht.”„Ik zou er geen woord van gerept hebben,” riep Thwackum; „maar nu gij er over begint, moet ik u zeggen, dat ik op dit punt van u verschil. Er is een groot onderscheid tusschen vrijwillige gunstbewijzen en belooningen. Het nut dat ik in dit huisgezin gesticht heb, en de zorg welke ik voor die beide jongens gedragen heb, zijn diensten waarvoor sommige menschen eene ruimere vergelding zouden verwacht hebben. Ge moet u echter daarom niet voorstellen dat ik ontevreden ben. Want Paulus heeft mij geleerd tevreden te zijn met het weinige dat mij beschoren is. Al ware het minder geweest, ik zou toch mijn pligt gedaan hebben. Maar hoewel de Heilige Schrift het mij tot een gewetenszaak maakt om te berusten, ben ik daardoor niet gedwongen om de oogen te sluiten voor mijne eigene verdiensten, of mag ik er niet gevoelig over zijn als men mij beleedigt door eene onbillijke vergelijking.”„Nu gij mij tergt,” hernam Square, „wil ik wel zeggen, dat ik de benadeelde ben, want ik had nooit gedacht dat mijnheer Allworthy mijne vriendschap zoo luttel telde, dat hij mij op gelijke lijn zou plaatsen met iemand, die loon trekt. Maar ik weet waaraan dit toe te schrijven is:—het komt van die kleingeestige grondbeginselen, welke gij u zoo lang beijverd hebt hem in te boezemen,—met ter zijde stelling van al wat groot en edel is. De schoonheid en de heerlijkheid der vriendschap zijn te schitterend voor zwakke oogen, en kunnen ook alleen waargenomen worden door middel van de onfeilbare regels van het regt, welke gij zoo dikwerf hebt trachten belagchelijk te maken, dat gij het verstand van uw vriend beneveld hebt.”„Ik hoop,” riep Thwackum, in woede ontstoken; „ik hoop, om den wille zijner ziel, dat uwe verdoemelijke leer zijn geloof niet ondermijnd heeft! Daaraan schrijf ik nu zijn gedrag toe, dat zoo weinig betamelijk is voor een waar christen! Wie anders dan een godsloochenaar zou er aan kunnen denken deze wereld te verlaten zonder daarmede afgerekend te hebben? Zonder zijne zonden te belijden en die absolutie te ontvangen, welke, zoo als hij wel wist, hem door één[223]mensch in dit huis geschonken kon worden? Hij zal het gemis van dit onontbeerlijk genademiddel betreuren als het te laat is! Als hij in dat oord toeft, waar niets dan jammerklagten en tandengeknars is, dan zal hij leeren inzien hoe krachtig die heidensche godin, de Deugd, die door u en alle andere deïsten dezer eeuw aangebeden wordt, hem ondersteunt! Hij zal den priester roepen, die er niet te vinden is, en zal het gemis van die absolutie betreuren, die alleen in staat is den zondaar te redden.”„Als ze van zooveel belang is,” riep Square, „waarom biedt gij ze hem dan zelf niet aan?”„Ze heeft geene kracht,” riep Thwackum, „als men door de goddelijke genade er niet toe komt zelf daarnaar te verlangen. Maar waarom praat ik over deze dingen met een ongeloovigen heiden? Gij zijt het, die hem de les geleerd hebt, waarvoor men u in deze wereld goed beloond heeft, zoo als, zonder twijfel, ook uw leerling hier namaals beloond zal worden.”„Ik weet niet wat ge bedoelt met „beloond,”” hernam Square, „maar als ge zinspeelt op dat rampzalige gedachtenisje aan onze vriendschap, dat hij goedgevonden heeft mij na te laten,—dan moet ik u zeggen, dat ik dat veracht, en dat niets dan de ongelukkige toestand mijner geldmiddelen mij zou hebben kunnen bewegen het van hem aan te nemen.”Op dit oogenblik kwam de geneesheer juist binnen, en begon met de twistenden te vragen naar den toestand van den zieke.„Het gaat slecht!” hernam Thwackum.„Precies wat ik me voorstelde,” zei de dokter. „Maar welke verschijnselen hebben zich voorgedaan sedert ik u verliet?”„Niets gunstigs, naar ik vrees,” gaf Thwackum tot antwoord. „Na hetgeen gebeurd is toen wij bij hem waren, geloof ik dat er weinig hoop meer voor hem bestaat.”De geneesheer begreep welligt den zielzorger niet, en eer zij tot eene verklaring gekomen waren, kwam de heer Blifil bij hen, met een zeer bedroefd gelaat en meldde hun treurige tijdingen,—want zijne moeder was te Salisbury overleden. Op de terugreis was zij door jicht in het hoofd en in de maag overvallen, die haar binnen weinige uren ten grave gesleept had.[224]„Helaas!” riep de dokter. „Men kan natuurlijk voor niets instaan; maar ik had wel gewild, dat ik er bij was geweest om haar te behandelen! De jicht is eene kwaal, die zeer moeijelijk te genezen is; maar ik ben toch altijd zeer voorspoedig daarmede geweest!”Thwackum en Square betuigden beide hunne deelneming in het verlies, dat nu den heer Blifil getroffen had, en de eene ried hem aan het als man, de andere het als christen te dragen. De jongeling hernam, dat hij zeer goed wist dat wij allen sterfelijk zijn, en dat hij zijn best zou doen den slag op de meest betamelijke wijze te dragen. Hij kon echter niet nalaten zijn bijzonder wreed lot te beklagen, dat hem verraste met de tijding van zulk eene groote ramp op het oogenblik dat hij den zwaarsten slag wachtende was, welken het wreede noodlot hem toebrengen kon. Hij zeide, dat hij nu in de gelegenheid zou zijn die heerlijke grondbeginselen op de proef te stellen,—welke hij geleerd had van de heeren Thwackum en Square, en dat hij het hun te danken zou hebben als hij zulke rampen overleefde.Men beraadslaagde er nu over, of men den heer Allworthy den dood zijner zuster melden zou of niet, waartegen de dokter zich zeer stellig verzette, en hierin geloof ik dat de geheele fakulteit het met hem eens zou zijn; maar mijnheer Blifil zeide dat hij van zijn oom zulke stellige en herhaalde bevelen gekregen had om nooit eenig geheim voor hem te hebben, uit vrees van hem eenige ongerustheid te bezorgen, dat hij, wat ook de gevolgen wezen mogten, aan geene ongehoorzaamheid kon denken. Hij betuigde, wat hem betrof, dat hij, den godsdienstigen en wijsgeerigen aard van zijn oom in aanmerking genomen, de vrees van den dokter niet deelen kon. Hij had dus vast besloten hem alles mede te deelen, want, als zijn oom herstelde (zoo als hij van ganscher harte bad), dan zou hij het hem nooit vergeven dat hij een geheim van dien aard verzwegen had.De geneesheer was genoodzaakt zich aan dit besluit te onderwerpen, hetwelk ten hoogste geprezen werd door de beide andere geleerde heeren. Dus gingen de heeren Blifil en de dokter zamen naar de ziekenkamer, waar de geneesheer eerst binnen trad en het bed naderde, om den zieke den pols te voelen. Zoodra hij dit gedaan had, verklaarde hij dat er[225]groote beterschap was gekomen; dat zijn laatste geneesmiddel wonderbaarlijk gewerkt en de koortsen gebroken had, zoodat er voor het oogenblik, zeide hij, even weinig vrees bestond als er kort geleden weinig hoop bestaan had.Om de waarheid echter te zeggen, was de toestand van den heer Allworthy nooit zoo erg geweest als de voorzigtige dokter voorgesteld had; maar, even als een wijze veldheer nooit een vijand veracht, hoe gering diens krachten ook zijn, zoo zal ook een wijze geneesheer nooit eene ziekte minachten, hoe gering ze ook zij. Even als de eerste dezelfde strenge krijgstucht in acht neemt, dezelfde wachten uitzet, dezelfde spionnen gebruikt, al is de vijand nog zoo zwak, zoo ook bewaart de laatste denzelfden ernst in zijne houding, en schudt hij het hoofd op dezelfde veel beteekenende wijze, hoe nietig de kwaal ook zij.En beide, onder andere geldige redenen voor hun gedrag, mogen ook dezen degelijken grond aanvoeren, dat door deze middelen hun des te grootere eer toekomt als zij de overwinning behalen, en des te minder schande hun te beurt valt, als zij het ongeluk hebben van het onderspit te delven.De heer Allworthy had naauwelijks den tijd gehad de oogen op te slaan en den Hemel te danken voor dit vooruitzigt op herstel, toen de heer Blifil, met de meeste neerslagtigheid in zijne houding, naderde, en den zakdoek voor de oogen houdende, om een traan af te vegen, of, gelijk Ovidius bij eene andere gelegenheid zegt;„Si nullus erit, tamen excute nullum,”dat is „zoo er geen was, dan toch dien afwezigen weg te vegen,” aan zijn oom mededeelde hetgeen de lezer pas vernomen heeft.Allworthy ontving dit berigt met leedwezen, met geduld en onderwerping. Hij liet eenige tranen van droefheid vallen, bedaarde eindelijk en zeide: „Des Heeren wil geschiede!” Hij vroeg nu naar den bode; maar Blifil vertelde hem, dat het onmogelijk geweest was hem één oogenblik te doen wachten, want, naar zijne groote haast te oordeelen, scheen hij zaken van gewigt onder handen te hebben; zoo dat hij klaagde dat hij gejaagd en geplaagd en boven zijne krachten. ingespannen werd, en dikwijls herhaalde dat als hij zich op vier plaatsen tegelijk bevinden kon, hij toch niet klaar zou komen.[226]Allworthy beval nu aan Blifil voor de begrafenis te zorgen. Hij wenschte, zeide hij, dat zijne zuster in zijne eigene kerk zou bijgezet worden; maar wat de bijzonderheden betrof, die liet hij aan hem over, alleen den persoon vermeldende, aan wier zorgen hij alles opgedragen wilde hebben.
Hoofdstuk VIII.Zaken bevattende die meer natuurlijk dan aangenaam zijn.
Behalve de droefheid over den toestand van haar meester, was er nog een andere bron van dien zilten stroom, die zoo weelderig vloeide van de bergachtige wangbeenderen der huishoudster. Zij was ook ter naauwer nood de kamer uit, toen zij op de volgende stichtelijke wijze voor zich heen begon te mompelen:„Me dunkt wel, dat mijnheer eenig onderscheid had kunnen maken tusschen mij en de overige dienstboden! Hij zal mij wel genoeg nagelaten hebben, om in den rouw over hem te gaan; maar als dat alles is, dan, waarlijk, mag de drommel over hem den rouw dragen! Mijnheer mogt wel bedenken dat ik geene bedelaarster ben!—Dat heet nu de dienstboden aanmoedigen om eerlijk te blijven! Ja! al heb ik ook hier en daar iets voor mij zelve genomen, er zijn er anderen, die tienmaal meer gesnoept hebben dan ik! En nu zullen wij allen bij elkaar in één legaat begrepen worden! Als dit zóó is, dan mag voor mijn part, het legaat, met hem die het schonk, zamen naar de maan gaan! Maar ik zal toch niet weigeren het aan te nemen, omdat juist zoo iets sommige menschen pleizier zou doen! Neen! Ik zal de mooiste japon koopen, die ik vinden kan, en daarin op het graf van den ouden vrek dansen![221]Dat is nu de belooning, omdat ik zoo dikwerf partij voor hem getrokken heb, als de heele wereld het schande noemde dat hij zijn bastaard op die manier opvoedde! Maar nu gaat hij daarheen, waar hij alles zal moeten boeten! Het zou hem beter gestaan hebben om berouw te toonen op zijn sterfbed over zijne zonden, dan om zich er op te beroemen, en zooveel geld uit zijne eigene familie weg te geven aan een onwettig kind! In zijn bed gevonden, o ja! Een mooi verhaal! Ja, ja! Die iets verbergen, weten best waar het weder te vinden is! De Hemel zij hem genadig! Hij zal wel meer onwettige kinderen te verantwoorden hebben, als men maar achter de waarheid kon komen! Maar één troost is het, dat ze daar, waar hij nu heen gaat, alle bekend zijn! „De dienstboden zullen zien dat ik hen niet vergeten heb!” Dat waren zijne woorden. Ik zal ze niet vergeten al word ik honderd jaar oud! Ja, ja! ik zal er aan denken, dat hij mij met de dienstboden zamen gerekend heeft! Men zou gedacht hebben, dat hij mijn naam even goed had kunnen onthouden als dien van mijnheer Square; maar die heet een „mijnheer,” waarachtig, hoewel hij geen hemd op het lijf had toen hij voor het eerst hier kwam! ’t Zijn me „mijnheeren,”—zulk volk! Ik weet niet hoe vele jaren hij al hier in huis is, en ik geloof niet dat een der dienstboden ooit een duit van hem gezien heeft! De drommel hale zulke „mijnheeren”, voor mijn part!”Zij prevelde nog veel meer van dezen aard, maar dit staaltje zal wel voldoende zijn voor den lezer.Thwackum en Square waren ook niet veel beter tevreden met hunne legaten. Hoewel zij hunne verontwaardiging niet zoo luide lucht gaven, kunnen wij evenwel uit het misnoegen, dat op hunne gelaatstrekken zigtbaar was en uit het volgende gesprek opmaken, dat er geene groote mate van tevredenheid in hunne ziel huisvestte.Ongeveer een uur nadat zij de ziekekamer verlaten hadden, ontmoette Square Thwackum in de zaal en sprak hem aldus aan:„Nu, mijnheer, hebt ge iets van onzen vriend vernomen sedert wij hem verlieten?”„Als ge van mijnheer Allworthy spreekt,” hernam Thwackum, „moest ge hem, dunkt me, lieveruwvriend noemen; want ik verbeeld me dat hij van u dien titel wel verdiend heeft.”[222]„Niet meer dan van u,” merkte Square op; „want zijne mildheid, als het zoo heeten moet, heeft ons beide gelijkelijk bedacht.”„Ik zou er geen woord van gerept hebben,” riep Thwackum; „maar nu gij er over begint, moet ik u zeggen, dat ik op dit punt van u verschil. Er is een groot onderscheid tusschen vrijwillige gunstbewijzen en belooningen. Het nut dat ik in dit huisgezin gesticht heb, en de zorg welke ik voor die beide jongens gedragen heb, zijn diensten waarvoor sommige menschen eene ruimere vergelding zouden verwacht hebben. Ge moet u echter daarom niet voorstellen dat ik ontevreden ben. Want Paulus heeft mij geleerd tevreden te zijn met het weinige dat mij beschoren is. Al ware het minder geweest, ik zou toch mijn pligt gedaan hebben. Maar hoewel de Heilige Schrift het mij tot een gewetenszaak maakt om te berusten, ben ik daardoor niet gedwongen om de oogen te sluiten voor mijne eigene verdiensten, of mag ik er niet gevoelig over zijn als men mij beleedigt door eene onbillijke vergelijking.”„Nu gij mij tergt,” hernam Square, „wil ik wel zeggen, dat ik de benadeelde ben, want ik had nooit gedacht dat mijnheer Allworthy mijne vriendschap zoo luttel telde, dat hij mij op gelijke lijn zou plaatsen met iemand, die loon trekt. Maar ik weet waaraan dit toe te schrijven is:—het komt van die kleingeestige grondbeginselen, welke gij u zoo lang beijverd hebt hem in te boezemen,—met ter zijde stelling van al wat groot en edel is. De schoonheid en de heerlijkheid der vriendschap zijn te schitterend voor zwakke oogen, en kunnen ook alleen waargenomen worden door middel van de onfeilbare regels van het regt, welke gij zoo dikwerf hebt trachten belagchelijk te maken, dat gij het verstand van uw vriend beneveld hebt.”„Ik hoop,” riep Thwackum, in woede ontstoken; „ik hoop, om den wille zijner ziel, dat uwe verdoemelijke leer zijn geloof niet ondermijnd heeft! Daaraan schrijf ik nu zijn gedrag toe, dat zoo weinig betamelijk is voor een waar christen! Wie anders dan een godsloochenaar zou er aan kunnen denken deze wereld te verlaten zonder daarmede afgerekend te hebben? Zonder zijne zonden te belijden en die absolutie te ontvangen, welke, zoo als hij wel wist, hem door één[223]mensch in dit huis geschonken kon worden? Hij zal het gemis van dit onontbeerlijk genademiddel betreuren als het te laat is! Als hij in dat oord toeft, waar niets dan jammerklagten en tandengeknars is, dan zal hij leeren inzien hoe krachtig die heidensche godin, de Deugd, die door u en alle andere deïsten dezer eeuw aangebeden wordt, hem ondersteunt! Hij zal den priester roepen, die er niet te vinden is, en zal het gemis van die absolutie betreuren, die alleen in staat is den zondaar te redden.”„Als ze van zooveel belang is,” riep Square, „waarom biedt gij ze hem dan zelf niet aan?”„Ze heeft geene kracht,” riep Thwackum, „als men door de goddelijke genade er niet toe komt zelf daarnaar te verlangen. Maar waarom praat ik over deze dingen met een ongeloovigen heiden? Gij zijt het, die hem de les geleerd hebt, waarvoor men u in deze wereld goed beloond heeft, zoo als, zonder twijfel, ook uw leerling hier namaals beloond zal worden.”„Ik weet niet wat ge bedoelt met „beloond,”” hernam Square, „maar als ge zinspeelt op dat rampzalige gedachtenisje aan onze vriendschap, dat hij goedgevonden heeft mij na te laten,—dan moet ik u zeggen, dat ik dat veracht, en dat niets dan de ongelukkige toestand mijner geldmiddelen mij zou hebben kunnen bewegen het van hem aan te nemen.”Op dit oogenblik kwam de geneesheer juist binnen, en begon met de twistenden te vragen naar den toestand van den zieke.„Het gaat slecht!” hernam Thwackum.„Precies wat ik me voorstelde,” zei de dokter. „Maar welke verschijnselen hebben zich voorgedaan sedert ik u verliet?”„Niets gunstigs, naar ik vrees,” gaf Thwackum tot antwoord. „Na hetgeen gebeurd is toen wij bij hem waren, geloof ik dat er weinig hoop meer voor hem bestaat.”De geneesheer begreep welligt den zielzorger niet, en eer zij tot eene verklaring gekomen waren, kwam de heer Blifil bij hen, met een zeer bedroefd gelaat en meldde hun treurige tijdingen,—want zijne moeder was te Salisbury overleden. Op de terugreis was zij door jicht in het hoofd en in de maag overvallen, die haar binnen weinige uren ten grave gesleept had.[224]„Helaas!” riep de dokter. „Men kan natuurlijk voor niets instaan; maar ik had wel gewild, dat ik er bij was geweest om haar te behandelen! De jicht is eene kwaal, die zeer moeijelijk te genezen is; maar ik ben toch altijd zeer voorspoedig daarmede geweest!”Thwackum en Square betuigden beide hunne deelneming in het verlies, dat nu den heer Blifil getroffen had, en de eene ried hem aan het als man, de andere het als christen te dragen. De jongeling hernam, dat hij zeer goed wist dat wij allen sterfelijk zijn, en dat hij zijn best zou doen den slag op de meest betamelijke wijze te dragen. Hij kon echter niet nalaten zijn bijzonder wreed lot te beklagen, dat hem verraste met de tijding van zulk eene groote ramp op het oogenblik dat hij den zwaarsten slag wachtende was, welken het wreede noodlot hem toebrengen kon. Hij zeide, dat hij nu in de gelegenheid zou zijn die heerlijke grondbeginselen op de proef te stellen,—welke hij geleerd had van de heeren Thwackum en Square, en dat hij het hun te danken zou hebben als hij zulke rampen overleefde.Men beraadslaagde er nu over, of men den heer Allworthy den dood zijner zuster melden zou of niet, waartegen de dokter zich zeer stellig verzette, en hierin geloof ik dat de geheele fakulteit het met hem eens zou zijn; maar mijnheer Blifil zeide dat hij van zijn oom zulke stellige en herhaalde bevelen gekregen had om nooit eenig geheim voor hem te hebben, uit vrees van hem eenige ongerustheid te bezorgen, dat hij, wat ook de gevolgen wezen mogten, aan geene ongehoorzaamheid kon denken. Hij betuigde, wat hem betrof, dat hij, den godsdienstigen en wijsgeerigen aard van zijn oom in aanmerking genomen, de vrees van den dokter niet deelen kon. Hij had dus vast besloten hem alles mede te deelen, want, als zijn oom herstelde (zoo als hij van ganscher harte bad), dan zou hij het hem nooit vergeven dat hij een geheim van dien aard verzwegen had.De geneesheer was genoodzaakt zich aan dit besluit te onderwerpen, hetwelk ten hoogste geprezen werd door de beide andere geleerde heeren. Dus gingen de heeren Blifil en de dokter zamen naar de ziekenkamer, waar de geneesheer eerst binnen trad en het bed naderde, om den zieke den pols te voelen. Zoodra hij dit gedaan had, verklaarde hij dat er[225]groote beterschap was gekomen; dat zijn laatste geneesmiddel wonderbaarlijk gewerkt en de koortsen gebroken had, zoodat er voor het oogenblik, zeide hij, even weinig vrees bestond als er kort geleden weinig hoop bestaan had.Om de waarheid echter te zeggen, was de toestand van den heer Allworthy nooit zoo erg geweest als de voorzigtige dokter voorgesteld had; maar, even als een wijze veldheer nooit een vijand veracht, hoe gering diens krachten ook zijn, zoo zal ook een wijze geneesheer nooit eene ziekte minachten, hoe gering ze ook zij. Even als de eerste dezelfde strenge krijgstucht in acht neemt, dezelfde wachten uitzet, dezelfde spionnen gebruikt, al is de vijand nog zoo zwak, zoo ook bewaart de laatste denzelfden ernst in zijne houding, en schudt hij het hoofd op dezelfde veel beteekenende wijze, hoe nietig de kwaal ook zij.En beide, onder andere geldige redenen voor hun gedrag, mogen ook dezen degelijken grond aanvoeren, dat door deze middelen hun des te grootere eer toekomt als zij de overwinning behalen, en des te minder schande hun te beurt valt, als zij het ongeluk hebben van het onderspit te delven.De heer Allworthy had naauwelijks den tijd gehad de oogen op te slaan en den Hemel te danken voor dit vooruitzigt op herstel, toen de heer Blifil, met de meeste neerslagtigheid in zijne houding, naderde, en den zakdoek voor de oogen houdende, om een traan af te vegen, of, gelijk Ovidius bij eene andere gelegenheid zegt;„Si nullus erit, tamen excute nullum,”dat is „zoo er geen was, dan toch dien afwezigen weg te vegen,” aan zijn oom mededeelde hetgeen de lezer pas vernomen heeft.Allworthy ontving dit berigt met leedwezen, met geduld en onderwerping. Hij liet eenige tranen van droefheid vallen, bedaarde eindelijk en zeide: „Des Heeren wil geschiede!” Hij vroeg nu naar den bode; maar Blifil vertelde hem, dat het onmogelijk geweest was hem één oogenblik te doen wachten, want, naar zijne groote haast te oordeelen, scheen hij zaken van gewigt onder handen te hebben; zoo dat hij klaagde dat hij gejaagd en geplaagd en boven zijne krachten. ingespannen werd, en dikwijls herhaalde dat als hij zich op vier plaatsen tegelijk bevinden kon, hij toch niet klaar zou komen.[226]Allworthy beval nu aan Blifil voor de begrafenis te zorgen. Hij wenschte, zeide hij, dat zijne zuster in zijne eigene kerk zou bijgezet worden; maar wat de bijzonderheden betrof, die liet hij aan hem over, alleen den persoon vermeldende, aan wier zorgen hij alles opgedragen wilde hebben.
Behalve de droefheid over den toestand van haar meester, was er nog een andere bron van dien zilten stroom, die zoo weelderig vloeide van de bergachtige wangbeenderen der huishoudster. Zij was ook ter naauwer nood de kamer uit, toen zij op de volgende stichtelijke wijze voor zich heen begon te mompelen:
„Me dunkt wel, dat mijnheer eenig onderscheid had kunnen maken tusschen mij en de overige dienstboden! Hij zal mij wel genoeg nagelaten hebben, om in den rouw over hem te gaan; maar als dat alles is, dan, waarlijk, mag de drommel over hem den rouw dragen! Mijnheer mogt wel bedenken dat ik geene bedelaarster ben!—Dat heet nu de dienstboden aanmoedigen om eerlijk te blijven! Ja! al heb ik ook hier en daar iets voor mij zelve genomen, er zijn er anderen, die tienmaal meer gesnoept hebben dan ik! En nu zullen wij allen bij elkaar in één legaat begrepen worden! Als dit zóó is, dan mag voor mijn part, het legaat, met hem die het schonk, zamen naar de maan gaan! Maar ik zal toch niet weigeren het aan te nemen, omdat juist zoo iets sommige menschen pleizier zou doen! Neen! Ik zal de mooiste japon koopen, die ik vinden kan, en daarin op het graf van den ouden vrek dansen![221]Dat is nu de belooning, omdat ik zoo dikwerf partij voor hem getrokken heb, als de heele wereld het schande noemde dat hij zijn bastaard op die manier opvoedde! Maar nu gaat hij daarheen, waar hij alles zal moeten boeten! Het zou hem beter gestaan hebben om berouw te toonen op zijn sterfbed over zijne zonden, dan om zich er op te beroemen, en zooveel geld uit zijne eigene familie weg te geven aan een onwettig kind! In zijn bed gevonden, o ja! Een mooi verhaal! Ja, ja! Die iets verbergen, weten best waar het weder te vinden is! De Hemel zij hem genadig! Hij zal wel meer onwettige kinderen te verantwoorden hebben, als men maar achter de waarheid kon komen! Maar één troost is het, dat ze daar, waar hij nu heen gaat, alle bekend zijn! „De dienstboden zullen zien dat ik hen niet vergeten heb!” Dat waren zijne woorden. Ik zal ze niet vergeten al word ik honderd jaar oud! Ja, ja! ik zal er aan denken, dat hij mij met de dienstboden zamen gerekend heeft! Men zou gedacht hebben, dat hij mijn naam even goed had kunnen onthouden als dien van mijnheer Square; maar die heet een „mijnheer,” waarachtig, hoewel hij geen hemd op het lijf had toen hij voor het eerst hier kwam! ’t Zijn me „mijnheeren,”—zulk volk! Ik weet niet hoe vele jaren hij al hier in huis is, en ik geloof niet dat een der dienstboden ooit een duit van hem gezien heeft! De drommel hale zulke „mijnheeren”, voor mijn part!”
Zij prevelde nog veel meer van dezen aard, maar dit staaltje zal wel voldoende zijn voor den lezer.
Thwackum en Square waren ook niet veel beter tevreden met hunne legaten. Hoewel zij hunne verontwaardiging niet zoo luide lucht gaven, kunnen wij evenwel uit het misnoegen, dat op hunne gelaatstrekken zigtbaar was en uit het volgende gesprek opmaken, dat er geene groote mate van tevredenheid in hunne ziel huisvestte.
Ongeveer een uur nadat zij de ziekekamer verlaten hadden, ontmoette Square Thwackum in de zaal en sprak hem aldus aan:
„Nu, mijnheer, hebt ge iets van onzen vriend vernomen sedert wij hem verlieten?”
„Als ge van mijnheer Allworthy spreekt,” hernam Thwackum, „moest ge hem, dunkt me, lieveruwvriend noemen; want ik verbeeld me dat hij van u dien titel wel verdiend heeft.”[222]
„Niet meer dan van u,” merkte Square op; „want zijne mildheid, als het zoo heeten moet, heeft ons beide gelijkelijk bedacht.”
„Ik zou er geen woord van gerept hebben,” riep Thwackum; „maar nu gij er over begint, moet ik u zeggen, dat ik op dit punt van u verschil. Er is een groot onderscheid tusschen vrijwillige gunstbewijzen en belooningen. Het nut dat ik in dit huisgezin gesticht heb, en de zorg welke ik voor die beide jongens gedragen heb, zijn diensten waarvoor sommige menschen eene ruimere vergelding zouden verwacht hebben. Ge moet u echter daarom niet voorstellen dat ik ontevreden ben. Want Paulus heeft mij geleerd tevreden te zijn met het weinige dat mij beschoren is. Al ware het minder geweest, ik zou toch mijn pligt gedaan hebben. Maar hoewel de Heilige Schrift het mij tot een gewetenszaak maakt om te berusten, ben ik daardoor niet gedwongen om de oogen te sluiten voor mijne eigene verdiensten, of mag ik er niet gevoelig over zijn als men mij beleedigt door eene onbillijke vergelijking.”
„Nu gij mij tergt,” hernam Square, „wil ik wel zeggen, dat ik de benadeelde ben, want ik had nooit gedacht dat mijnheer Allworthy mijne vriendschap zoo luttel telde, dat hij mij op gelijke lijn zou plaatsen met iemand, die loon trekt. Maar ik weet waaraan dit toe te schrijven is:—het komt van die kleingeestige grondbeginselen, welke gij u zoo lang beijverd hebt hem in te boezemen,—met ter zijde stelling van al wat groot en edel is. De schoonheid en de heerlijkheid der vriendschap zijn te schitterend voor zwakke oogen, en kunnen ook alleen waargenomen worden door middel van de onfeilbare regels van het regt, welke gij zoo dikwerf hebt trachten belagchelijk te maken, dat gij het verstand van uw vriend beneveld hebt.”
„Ik hoop,” riep Thwackum, in woede ontstoken; „ik hoop, om den wille zijner ziel, dat uwe verdoemelijke leer zijn geloof niet ondermijnd heeft! Daaraan schrijf ik nu zijn gedrag toe, dat zoo weinig betamelijk is voor een waar christen! Wie anders dan een godsloochenaar zou er aan kunnen denken deze wereld te verlaten zonder daarmede afgerekend te hebben? Zonder zijne zonden te belijden en die absolutie te ontvangen, welke, zoo als hij wel wist, hem door één[223]mensch in dit huis geschonken kon worden? Hij zal het gemis van dit onontbeerlijk genademiddel betreuren als het te laat is! Als hij in dat oord toeft, waar niets dan jammerklagten en tandengeknars is, dan zal hij leeren inzien hoe krachtig die heidensche godin, de Deugd, die door u en alle andere deïsten dezer eeuw aangebeden wordt, hem ondersteunt! Hij zal den priester roepen, die er niet te vinden is, en zal het gemis van die absolutie betreuren, die alleen in staat is den zondaar te redden.”
„Als ze van zooveel belang is,” riep Square, „waarom biedt gij ze hem dan zelf niet aan?”
„Ze heeft geene kracht,” riep Thwackum, „als men door de goddelijke genade er niet toe komt zelf daarnaar te verlangen. Maar waarom praat ik over deze dingen met een ongeloovigen heiden? Gij zijt het, die hem de les geleerd hebt, waarvoor men u in deze wereld goed beloond heeft, zoo als, zonder twijfel, ook uw leerling hier namaals beloond zal worden.”
„Ik weet niet wat ge bedoelt met „beloond,”” hernam Square, „maar als ge zinspeelt op dat rampzalige gedachtenisje aan onze vriendschap, dat hij goedgevonden heeft mij na te laten,—dan moet ik u zeggen, dat ik dat veracht, en dat niets dan de ongelukkige toestand mijner geldmiddelen mij zou hebben kunnen bewegen het van hem aan te nemen.”
Op dit oogenblik kwam de geneesheer juist binnen, en begon met de twistenden te vragen naar den toestand van den zieke.
„Het gaat slecht!” hernam Thwackum.
„Precies wat ik me voorstelde,” zei de dokter. „Maar welke verschijnselen hebben zich voorgedaan sedert ik u verliet?”
„Niets gunstigs, naar ik vrees,” gaf Thwackum tot antwoord. „Na hetgeen gebeurd is toen wij bij hem waren, geloof ik dat er weinig hoop meer voor hem bestaat.”
De geneesheer begreep welligt den zielzorger niet, en eer zij tot eene verklaring gekomen waren, kwam de heer Blifil bij hen, met een zeer bedroefd gelaat en meldde hun treurige tijdingen,—want zijne moeder was te Salisbury overleden. Op de terugreis was zij door jicht in het hoofd en in de maag overvallen, die haar binnen weinige uren ten grave gesleept had.[224]
„Helaas!” riep de dokter. „Men kan natuurlijk voor niets instaan; maar ik had wel gewild, dat ik er bij was geweest om haar te behandelen! De jicht is eene kwaal, die zeer moeijelijk te genezen is; maar ik ben toch altijd zeer voorspoedig daarmede geweest!”
Thwackum en Square betuigden beide hunne deelneming in het verlies, dat nu den heer Blifil getroffen had, en de eene ried hem aan het als man, de andere het als christen te dragen. De jongeling hernam, dat hij zeer goed wist dat wij allen sterfelijk zijn, en dat hij zijn best zou doen den slag op de meest betamelijke wijze te dragen. Hij kon echter niet nalaten zijn bijzonder wreed lot te beklagen, dat hem verraste met de tijding van zulk eene groote ramp op het oogenblik dat hij den zwaarsten slag wachtende was, welken het wreede noodlot hem toebrengen kon. Hij zeide, dat hij nu in de gelegenheid zou zijn die heerlijke grondbeginselen op de proef te stellen,—welke hij geleerd had van de heeren Thwackum en Square, en dat hij het hun te danken zou hebben als hij zulke rampen overleefde.
Men beraadslaagde er nu over, of men den heer Allworthy den dood zijner zuster melden zou of niet, waartegen de dokter zich zeer stellig verzette, en hierin geloof ik dat de geheele fakulteit het met hem eens zou zijn; maar mijnheer Blifil zeide dat hij van zijn oom zulke stellige en herhaalde bevelen gekregen had om nooit eenig geheim voor hem te hebben, uit vrees van hem eenige ongerustheid te bezorgen, dat hij, wat ook de gevolgen wezen mogten, aan geene ongehoorzaamheid kon denken. Hij betuigde, wat hem betrof, dat hij, den godsdienstigen en wijsgeerigen aard van zijn oom in aanmerking genomen, de vrees van den dokter niet deelen kon. Hij had dus vast besloten hem alles mede te deelen, want, als zijn oom herstelde (zoo als hij van ganscher harte bad), dan zou hij het hem nooit vergeven dat hij een geheim van dien aard verzwegen had.
De geneesheer was genoodzaakt zich aan dit besluit te onderwerpen, hetwelk ten hoogste geprezen werd door de beide andere geleerde heeren. Dus gingen de heeren Blifil en de dokter zamen naar de ziekenkamer, waar de geneesheer eerst binnen trad en het bed naderde, om den zieke den pols te voelen. Zoodra hij dit gedaan had, verklaarde hij dat er[225]groote beterschap was gekomen; dat zijn laatste geneesmiddel wonderbaarlijk gewerkt en de koortsen gebroken had, zoodat er voor het oogenblik, zeide hij, even weinig vrees bestond als er kort geleden weinig hoop bestaan had.
Om de waarheid echter te zeggen, was de toestand van den heer Allworthy nooit zoo erg geweest als de voorzigtige dokter voorgesteld had; maar, even als een wijze veldheer nooit een vijand veracht, hoe gering diens krachten ook zijn, zoo zal ook een wijze geneesheer nooit eene ziekte minachten, hoe gering ze ook zij. Even als de eerste dezelfde strenge krijgstucht in acht neemt, dezelfde wachten uitzet, dezelfde spionnen gebruikt, al is de vijand nog zoo zwak, zoo ook bewaart de laatste denzelfden ernst in zijne houding, en schudt hij het hoofd op dezelfde veel beteekenende wijze, hoe nietig de kwaal ook zij.
En beide, onder andere geldige redenen voor hun gedrag, mogen ook dezen degelijken grond aanvoeren, dat door deze middelen hun des te grootere eer toekomt als zij de overwinning behalen, en des te minder schande hun te beurt valt, als zij het ongeluk hebben van het onderspit te delven.
De heer Allworthy had naauwelijks den tijd gehad de oogen op te slaan en den Hemel te danken voor dit vooruitzigt op herstel, toen de heer Blifil, met de meeste neerslagtigheid in zijne houding, naderde, en den zakdoek voor de oogen houdende, om een traan af te vegen, of, gelijk Ovidius bij eene andere gelegenheid zegt;
„Si nullus erit, tamen excute nullum,”
dat is „zoo er geen was, dan toch dien afwezigen weg te vegen,” aan zijn oom mededeelde hetgeen de lezer pas vernomen heeft.
Allworthy ontving dit berigt met leedwezen, met geduld en onderwerping. Hij liet eenige tranen van droefheid vallen, bedaarde eindelijk en zeide: „Des Heeren wil geschiede!” Hij vroeg nu naar den bode; maar Blifil vertelde hem, dat het onmogelijk geweest was hem één oogenblik te doen wachten, want, naar zijne groote haast te oordeelen, scheen hij zaken van gewigt onder handen te hebben; zoo dat hij klaagde dat hij gejaagd en geplaagd en boven zijne krachten. ingespannen werd, en dikwijls herhaalde dat als hij zich op vier plaatsen tegelijk bevinden kon, hij toch niet klaar zou komen.[226]
Allworthy beval nu aan Blifil voor de begrafenis te zorgen. Hij wenschte, zeide hij, dat zijne zuster in zijne eigene kerk zou bijgezet worden; maar wat de bijzonderheden betrof, die liet hij aan hem over, alleen den persoon vermeldende, aan wier zorgen hij alles opgedragen wilde hebben.