Hoofdstuk VII.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Het beeld eener deftige vrijaadje in miniatuur, zoo als dat behoort, en een tooneel van meer teederen aard levensgroot geschilderd.Het is zeer juist door iemand (en welligt door meer menschen) opgemerkt, dat een ongeluk nooit alleen komt. Dit wijs gezegde werd nu in Sophia bewaarheid, daar zij niet alleen teleurgesteld werd door den man dien zij beminde niet te ontmoeten, maar zich ook aan de kwelling moest onderwerpen van zich op te schikken, ten einde het bezoek van iemand te ontvangen, dien zij haatte.Dien namiddag, voor het eerst, maakte de heer Western zelf zijne dochter met zijn voornemen bekend; terwijl hij haar vertelde dat hij wel wist, dat hare tante haar al daarover gesproken had.Sophia keek hier zeer ernstig, en kon niet beletten dat een paar tranen in hare oogen opwelden.„Kom, kom!” zei Western; „laat ons geene meisjeskuren zien! Ik weet alles best! Zuster heeft me alles gezegd, dat verzeker ik je!”[272]„Is het mogelijk!” vroeg Sophia; „heeft tante me al verraden?”„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk, dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren. Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde zich spoedig en liet het jonge paar alleen.Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen, en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap zou genieten.Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van het hart zijner beminde, dat[273]door meer romantische minnarengeëischtwordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was, en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij was.Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones omtrent Molly.Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich[274]gedragen had zoo als alle jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de dolzinnigste uitersten.Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken. Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde, overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik bij:„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende, smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te maken, door[275]haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk van het mijne afhangt.”„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit huwelijk dwong!”„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich afstootende.„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen doemen?”„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren! Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij uit de kamer stoof.Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn[276]vriend was, niet nalaten kon te vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk hebben met dochters opgescheept te zijn.Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe, gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur uitzetten zoude.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Het beeld eener deftige vrijaadje in miniatuur, zoo als dat behoort, en een tooneel van meer teederen aard levensgroot geschilderd.Het is zeer juist door iemand (en welligt door meer menschen) opgemerkt, dat een ongeluk nooit alleen komt. Dit wijs gezegde werd nu in Sophia bewaarheid, daar zij niet alleen teleurgesteld werd door den man dien zij beminde niet te ontmoeten, maar zich ook aan de kwelling moest onderwerpen van zich op te schikken, ten einde het bezoek van iemand te ontvangen, dien zij haatte.Dien namiddag, voor het eerst, maakte de heer Western zelf zijne dochter met zijn voornemen bekend; terwijl hij haar vertelde dat hij wel wist, dat hare tante haar al daarover gesproken had.Sophia keek hier zeer ernstig, en kon niet beletten dat een paar tranen in hare oogen opwelden.„Kom, kom!” zei Western; „laat ons geene meisjeskuren zien! Ik weet alles best! Zuster heeft me alles gezegd, dat verzeker ik je!”[272]„Is het mogelijk!” vroeg Sophia; „heeft tante me al verraden?”„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk, dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren. Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde zich spoedig en liet het jonge paar alleen.Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen, en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap zou genieten.Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van het hart zijner beminde, dat[273]door meer romantische minnarengeëischtwordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was, en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij was.Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones omtrent Molly.Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich[274]gedragen had zoo als alle jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de dolzinnigste uitersten.Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken. Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde, overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik bij:„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende, smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te maken, door[275]haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk van het mijne afhangt.”„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit huwelijk dwong!”„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich afstootende.„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen doemen?”„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren! Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij uit de kamer stoof.Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn[276]vriend was, niet nalaten kon te vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk hebben met dochters opgescheept te zijn.Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe, gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur uitzetten zoude.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Het beeld eener deftige vrijaadje in miniatuur, zoo als dat behoort, en een tooneel van meer teederen aard levensgroot geschilderd.Het is zeer juist door iemand (en welligt door meer menschen) opgemerkt, dat een ongeluk nooit alleen komt. Dit wijs gezegde werd nu in Sophia bewaarheid, daar zij niet alleen teleurgesteld werd door den man dien zij beminde niet te ontmoeten, maar zich ook aan de kwelling moest onderwerpen van zich op te schikken, ten einde het bezoek van iemand te ontvangen, dien zij haatte.Dien namiddag, voor het eerst, maakte de heer Western zelf zijne dochter met zijn voornemen bekend; terwijl hij haar vertelde dat hij wel wist, dat hare tante haar al daarover gesproken had.Sophia keek hier zeer ernstig, en kon niet beletten dat een paar tranen in hare oogen opwelden.„Kom, kom!” zei Western; „laat ons geene meisjeskuren zien! Ik weet alles best! Zuster heeft me alles gezegd, dat verzeker ik je!”[272]„Is het mogelijk!” vroeg Sophia; „heeft tante me al verraden?”„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk, dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren. Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde zich spoedig en liet het jonge paar alleen.Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen, en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap zou genieten.Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van het hart zijner beminde, dat[273]door meer romantische minnarengeëischtwordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was, en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij was.Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones omtrent Molly.Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich[274]gedragen had zoo als alle jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de dolzinnigste uitersten.Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken. Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde, overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik bij:„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende, smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te maken, door[275]haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk van het mijne afhangt.”„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit huwelijk dwong!”„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich afstootende.„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen doemen?”„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren! Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij uit de kamer stoof.Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn[276]vriend was, niet nalaten kon te vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk hebben met dochters opgescheept te zijn.Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe, gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur uitzetten zoude.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Het beeld eener deftige vrijaadje in miniatuur, zoo als dat behoort, en een tooneel van meer teederen aard levensgroot geschilderd.Het is zeer juist door iemand (en welligt door meer menschen) opgemerkt, dat een ongeluk nooit alleen komt. Dit wijs gezegde werd nu in Sophia bewaarheid, daar zij niet alleen teleurgesteld werd door den man dien zij beminde niet te ontmoeten, maar zich ook aan de kwelling moest onderwerpen van zich op te schikken, ten einde het bezoek van iemand te ontvangen, dien zij haatte.Dien namiddag, voor het eerst, maakte de heer Western zelf zijne dochter met zijn voornemen bekend; terwijl hij haar vertelde dat hij wel wist, dat hare tante haar al daarover gesproken had.Sophia keek hier zeer ernstig, en kon niet beletten dat een paar tranen in hare oogen opwelden.„Kom, kom!” zei Western; „laat ons geene meisjeskuren zien! Ik weet alles best! Zuster heeft me alles gezegd, dat verzeker ik je!”[272]„Is het mogelijk!” vroeg Sophia; „heeft tante me al verraden?”„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk, dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren. Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde zich spoedig en liet het jonge paar alleen.Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen, en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap zou genieten.Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van het hart zijner beminde, dat[273]door meer romantische minnarengeëischtwordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was, en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij was.Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones omtrent Molly.Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich[274]gedragen had zoo als alle jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de dolzinnigste uitersten.Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken. Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde, overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik bij:„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende, smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te maken, door[275]haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk van het mijne afhangt.”„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit huwelijk dwong!”„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich afstootende.„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen doemen?”„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren! Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij uit de kamer stoof.Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn[276]vriend was, niet nalaten kon te vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk hebben met dochters opgescheept te zijn.Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe, gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur uitzetten zoude.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Het beeld eener deftige vrijaadje in miniatuur, zoo als dat behoort, en een tooneel van meer teederen aard levensgroot geschilderd.Het is zeer juist door iemand (en welligt door meer menschen) opgemerkt, dat een ongeluk nooit alleen komt. Dit wijs gezegde werd nu in Sophia bewaarheid, daar zij niet alleen teleurgesteld werd door den man dien zij beminde niet te ontmoeten, maar zich ook aan de kwelling moest onderwerpen van zich op te schikken, ten einde het bezoek van iemand te ontvangen, dien zij haatte.Dien namiddag, voor het eerst, maakte de heer Western zelf zijne dochter met zijn voornemen bekend; terwijl hij haar vertelde dat hij wel wist, dat hare tante haar al daarover gesproken had.Sophia keek hier zeer ernstig, en kon niet beletten dat een paar tranen in hare oogen opwelden.„Kom, kom!” zei Western; „laat ons geene meisjeskuren zien! Ik weet alles best! Zuster heeft me alles gezegd, dat verzeker ik je!”[272]„Is het mogelijk!” vroeg Sophia; „heeft tante me al verraden?”„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk, dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren. Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde zich spoedig en liet het jonge paar alleen.Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen, en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap zou genieten.Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van het hart zijner beminde, dat[273]door meer romantische minnarengeëischtwordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was, en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij was.Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones omtrent Molly.Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich[274]gedragen had zoo als alle jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de dolzinnigste uitersten.Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken. Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde, overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik bij:„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende, smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te maken, door[275]haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk van het mijne afhangt.”„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit huwelijk dwong!”„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich afstootende.„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen doemen?”„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren! Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij uit de kamer stoof.Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn[276]vriend was, niet nalaten kon te vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk hebben met dochters opgescheept te zijn.Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe, gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur uitzetten zoude.

Hoofdstuk VII.Het beeld eener deftige vrijaadje in miniatuur, zoo als dat behoort, en een tooneel van meer teederen aard levensgroot geschilderd.

Het is zeer juist door iemand (en welligt door meer menschen) opgemerkt, dat een ongeluk nooit alleen komt. Dit wijs gezegde werd nu in Sophia bewaarheid, daar zij niet alleen teleurgesteld werd door den man dien zij beminde niet te ontmoeten, maar zich ook aan de kwelling moest onderwerpen van zich op te schikken, ten einde het bezoek van iemand te ontvangen, dien zij haatte.Dien namiddag, voor het eerst, maakte de heer Western zelf zijne dochter met zijn voornemen bekend; terwijl hij haar vertelde dat hij wel wist, dat hare tante haar al daarover gesproken had.Sophia keek hier zeer ernstig, en kon niet beletten dat een paar tranen in hare oogen opwelden.„Kom, kom!” zei Western; „laat ons geene meisjeskuren zien! Ik weet alles best! Zuster heeft me alles gezegd, dat verzeker ik je!”[272]„Is het mogelijk!” vroeg Sophia; „heeft tante me al verraden?”„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk, dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren. Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde zich spoedig en liet het jonge paar alleen.Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen, en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap zou genieten.Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van het hart zijner beminde, dat[273]door meer romantische minnarengeëischtwordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was, en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij was.Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones omtrent Molly.Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich[274]gedragen had zoo als alle jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de dolzinnigste uitersten.Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken. Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde, overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik bij:„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende, smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te maken, door[275]haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk van het mijne afhangt.”„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit huwelijk dwong!”„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich afstootende.„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen doemen?”„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren! Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij uit de kamer stoof.Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn[276]vriend was, niet nalaten kon te vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk hebben met dochters opgescheept te zijn.Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe, gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur uitzetten zoude.

Het is zeer juist door iemand (en welligt door meer menschen) opgemerkt, dat een ongeluk nooit alleen komt. Dit wijs gezegde werd nu in Sophia bewaarheid, daar zij niet alleen teleurgesteld werd door den man dien zij beminde niet te ontmoeten, maar zich ook aan de kwelling moest onderwerpen van zich op te schikken, ten einde het bezoek van iemand te ontvangen, dien zij haatte.

Dien namiddag, voor het eerst, maakte de heer Western zelf zijne dochter met zijn voornemen bekend; terwijl hij haar vertelde dat hij wel wist, dat hare tante haar al daarover gesproken had.

Sophia keek hier zeer ernstig, en kon niet beletten dat een paar tranen in hare oogen opwelden.

„Kom, kom!” zei Western; „laat ons geene meisjeskuren zien! Ik weet alles best! Zuster heeft me alles gezegd, dat verzeker ik je!”[272]

„Is het mogelijk!” vroeg Sophia; „heeft tante me al verraden?”

„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk, dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren. Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”

Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.

Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde zich spoedig en liet het jonge paar alleen.

Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen, en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap zou genieten.

Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van het hart zijner beminde, dat[273]door meer romantische minnarengeëischtwordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.

Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was, en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij was.

Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones omtrent Molly.

Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich[274]gedragen had zoo als alle jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.

De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de dolzinnigste uitersten.

Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken. Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde, overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.

Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik bij:

„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende, smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te maken, door[275]haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk van het mijne afhangt.”

„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.

„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit huwelijk dwong!”

„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.

„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.

„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich afstootende.

„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen doemen?”

„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren! Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”

„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”

„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij uit de kamer stoof.

Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn[276]vriend was, niet nalaten kon te vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk hebben met dochters opgescheept te zijn.

Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe, gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.

Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:

„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur uitzetten zoude.


Back to IndexNext