Hoofdstuk VI.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoe de landjonker er toe gekomen was om zijne dochter te ontdekken.Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt had, waar zich zijne dochter bevond.In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk (want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg, besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.„Geachte Tante!De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend[134]heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.„Ik verblijf, geachte tante,met den meesten eerbied,uwe verpligte en steeds dankbare nichten meest onderdanige dienaresse,Henriette Fitzpatrick.”Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia steeds gebleven was, ten[135]einde hem in zijne droefheid te troosten. Van dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds vroeger een staaltje gegeven.Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren zult.”Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan halen.Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt[136]heb op mijn eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn vrederegters te Londen even goed als elders!”„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen. Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en u wat ordentelijkekleêrenaangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder, gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”[137]„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe het hoort dan een heele boel andere menschen!”„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen wat u goed dunkt.Je vous méprise de tout mon coeur!Dus zal ik me niet eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia, die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja, Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige onderhandelingen!”„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft, ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”[138]„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de arme Tom door verscheidene rampen getroffen wordt.De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de volgende wijze toesprak:„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te stamelen; maar Honour ging voort:„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour;[139]„zij was de beste meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar overkomen?”„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet toe wat er van hen wordt!”„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede meesteresse was—”„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd is.„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij weggejaagd!”„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door geweld tot een huwelijk gedwongen.”„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk. Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;[140]—maar, ach, wat heb ik nog te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat te vergoeden.”„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere te bezorgen, die niet minder is?”„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort? Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft, ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de[141]goede man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede, haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben, eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van digt te trekken.De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw[142]Honour hem aangejaagd had, en de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook, inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding en de bloeijende kleur op zijne wangen.Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en zeide:„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord; hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter, dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op dit oogenblik het model van een Adonis!”Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer[143]alleen beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van tweegevechten, geene getuigen toelaat.Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die, zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner ledematen te benemen.Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong, en hem tegenhield,[144]—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen drong om te kunnen zien wie op het bed zat.Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon, vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote verbazing, reeds door eene andere bezet vond.„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen. Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te gebruiken, zeide zij heel bedaard:[145]„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik, maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel! Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon Honour te snikken.„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs zouden trachten aan te nemen.Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende, welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar diep stond te buigen.Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek[146]met Honour, terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren, terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den landjonker.Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen bekend is.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Kort en zoet.Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust van dien aard in huis te zaken.Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy,[147]welke met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te stellen om zijn planonmiddellijkuittevoeren, wijn op tafel laten zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men zegt, „de hoogte,” kreeg.De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden, zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde bevelen ontvangen had om dit niet te[148]doen, gehoorzaamde hij zonder bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als wij reeds gemeld hebben.Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok, en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig einde te brengen.Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van slechtheid te doorwaden.Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de hoofdzaak,—welke[149]denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger uiteinde.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende minnebrieven van verschillenden aard.Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:1ste BRIEF.„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”2de BRIEF.„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”[150]3de BRIEF.„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in de kamer trad.„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets van Lady Bellaston vernomen?”Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame was.„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge werkelijk dat ik niet weet wie deFeeënkoninginwas?”„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken. Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op rekenen!”Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man, die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart, en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien, „bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele[151]stad,—terwijl inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen wil.Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was, en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of gehoord had.Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij, daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons opgekomen is.Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt werd, die riep:„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal! Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”[152]„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de ondankbaarheid!”„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan de dankbaarheid opwekken moesten.”Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem, haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij[153]toch besloot om haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij dadelijk, om die reden, wegjoeg.”Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig zijn.”„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef, waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”„En wat is dat middel?” vroeg Jones.„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar, wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen zou.”Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen; maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die hem door Nightingale gedicteerd werd.„Mevrouw,Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van[154]huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.„Ik verblijf,Milady,met den meesten eerbied,uw zeer dankbare,en onderdanige dienaar,Thomas Jones.”Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:„Mijnheer,Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——;[155]maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:„Mevrouw,Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten brief.De dame antwoordde hierop als volgt:„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft, bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich toch niet geheel gerust gesteld[156]in zijn hart. Er was te veel valschheid in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei dan ook:„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving; daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.[157]

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoe de landjonker er toe gekomen was om zijne dochter te ontdekken.Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt had, waar zich zijne dochter bevond.In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk (want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg, besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.„Geachte Tante!De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend[134]heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.„Ik verblijf, geachte tante,met den meesten eerbied,uwe verpligte en steeds dankbare nichten meest onderdanige dienaresse,Henriette Fitzpatrick.”Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia steeds gebleven was, ten[135]einde hem in zijne droefheid te troosten. Van dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds vroeger een staaltje gegeven.Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren zult.”Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan halen.Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt[136]heb op mijn eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn vrederegters te Londen even goed als elders!”„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen. Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en u wat ordentelijkekleêrenaangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder, gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”[137]„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe het hoort dan een heele boel andere menschen!”„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen wat u goed dunkt.Je vous méprise de tout mon coeur!Dus zal ik me niet eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia, die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja, Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige onderhandelingen!”„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft, ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”[138]„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de arme Tom door verscheidene rampen getroffen wordt.De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de volgende wijze toesprak:„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te stamelen; maar Honour ging voort:„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour;[139]„zij was de beste meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar overkomen?”„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet toe wat er van hen wordt!”„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede meesteresse was—”„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd is.„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij weggejaagd!”„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door geweld tot een huwelijk gedwongen.”„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk. Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;[140]—maar, ach, wat heb ik nog te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat te vergoeden.”„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere te bezorgen, die niet minder is?”„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort? Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft, ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de[141]goede man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede, haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben, eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van digt te trekken.De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw[142]Honour hem aangejaagd had, en de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook, inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding en de bloeijende kleur op zijne wangen.Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en zeide:„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord; hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter, dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op dit oogenblik het model van een Adonis!”Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer[143]alleen beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van tweegevechten, geene getuigen toelaat.Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die, zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner ledematen te benemen.Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong, en hem tegenhield,[144]—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen drong om te kunnen zien wie op het bed zat.Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon, vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote verbazing, reeds door eene andere bezet vond.„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen. Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te gebruiken, zeide zij heel bedaard:[145]„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik, maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel! Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon Honour te snikken.„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs zouden trachten aan te nemen.Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende, welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar diep stond te buigen.Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek[146]met Honour, terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren, terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den landjonker.Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen bekend is.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Kort en zoet.Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust van dien aard in huis te zaken.Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy,[147]welke met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te stellen om zijn planonmiddellijkuittevoeren, wijn op tafel laten zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men zegt, „de hoogte,” kreeg.De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden, zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde bevelen ontvangen had om dit niet te[148]doen, gehoorzaamde hij zonder bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als wij reeds gemeld hebben.Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok, en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig einde te brengen.Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van slechtheid te doorwaden.Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de hoofdzaak,—welke[149]denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger uiteinde.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende minnebrieven van verschillenden aard.Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:1ste BRIEF.„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”2de BRIEF.„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”[150]3de BRIEF.„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in de kamer trad.„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets van Lady Bellaston vernomen?”Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame was.„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge werkelijk dat ik niet weet wie deFeeënkoninginwas?”„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken. Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op rekenen!”Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man, die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart, en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien, „bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele[151]stad,—terwijl inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen wil.Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was, en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of gehoord had.Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij, daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons opgekomen is.Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt werd, die riep:„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal! Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”[152]„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de ondankbaarheid!”„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan de dankbaarheid opwekken moesten.”Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem, haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij[153]toch besloot om haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij dadelijk, om die reden, wegjoeg.”Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig zijn.”„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef, waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”„En wat is dat middel?” vroeg Jones.„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar, wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen zou.”Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen; maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die hem door Nightingale gedicteerd werd.„Mevrouw,Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van[154]huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.„Ik verblijf,Milady,met den meesten eerbied,uw zeer dankbare,en onderdanige dienaar,Thomas Jones.”Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:„Mijnheer,Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——;[155]maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:„Mevrouw,Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten brief.De dame antwoordde hierop als volgt:„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft, bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich toch niet geheel gerust gesteld[156]in zijn hart. Er was te veel valschheid in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei dan ook:„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving; daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.[157]

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoe de landjonker er toe gekomen was om zijne dochter te ontdekken.Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt had, waar zich zijne dochter bevond.In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk (want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg, besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.„Geachte Tante!De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend[134]heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.„Ik verblijf, geachte tante,met den meesten eerbied,uwe verpligte en steeds dankbare nichten meest onderdanige dienaresse,Henriette Fitzpatrick.”Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia steeds gebleven was, ten[135]einde hem in zijne droefheid te troosten. Van dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds vroeger een staaltje gegeven.Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren zult.”Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan halen.Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt[136]heb op mijn eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn vrederegters te Londen even goed als elders!”„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen. Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en u wat ordentelijkekleêrenaangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder, gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”[137]„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe het hoort dan een heele boel andere menschen!”„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen wat u goed dunkt.Je vous méprise de tout mon coeur!Dus zal ik me niet eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia, die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja, Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige onderhandelingen!”„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft, ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”[138]„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de arme Tom door verscheidene rampen getroffen wordt.De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de volgende wijze toesprak:„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te stamelen; maar Honour ging voort:„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour;[139]„zij was de beste meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar overkomen?”„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet toe wat er van hen wordt!”„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede meesteresse was—”„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd is.„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij weggejaagd!”„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door geweld tot een huwelijk gedwongen.”„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk. Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;[140]—maar, ach, wat heb ik nog te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat te vergoeden.”„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere te bezorgen, die niet minder is?”„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort? Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft, ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de[141]goede man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede, haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben, eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van digt te trekken.De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw[142]Honour hem aangejaagd had, en de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook, inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding en de bloeijende kleur op zijne wangen.Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en zeide:„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord; hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter, dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op dit oogenblik het model van een Adonis!”Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer[143]alleen beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van tweegevechten, geene getuigen toelaat.Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die, zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner ledematen te benemen.Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong, en hem tegenhield,[144]—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen drong om te kunnen zien wie op het bed zat.Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon, vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote verbazing, reeds door eene andere bezet vond.„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen. Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te gebruiken, zeide zij heel bedaard:[145]„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik, maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel! Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon Honour te snikken.„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs zouden trachten aan te nemen.Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende, welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar diep stond te buigen.Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek[146]met Honour, terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren, terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den landjonker.Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen bekend is.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Kort en zoet.Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust van dien aard in huis te zaken.Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy,[147]welke met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te stellen om zijn planonmiddellijkuittevoeren, wijn op tafel laten zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men zegt, „de hoogte,” kreeg.De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden, zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde bevelen ontvangen had om dit niet te[148]doen, gehoorzaamde hij zonder bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als wij reeds gemeld hebben.Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok, en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig einde te brengen.Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van slechtheid te doorwaden.Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de hoofdzaak,—welke[149]denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger uiteinde.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende minnebrieven van verschillenden aard.Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:1ste BRIEF.„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”2de BRIEF.„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”[150]3de BRIEF.„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in de kamer trad.„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets van Lady Bellaston vernomen?”Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame was.„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge werkelijk dat ik niet weet wie deFeeënkoninginwas?”„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken. Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op rekenen!”Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man, die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart, en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien, „bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele[151]stad,—terwijl inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen wil.Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was, en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of gehoord had.Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij, daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons opgekomen is.Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt werd, die riep:„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal! Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”[152]„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de ondankbaarheid!”„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan de dankbaarheid opwekken moesten.”Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem, haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij[153]toch besloot om haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij dadelijk, om die reden, wegjoeg.”Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig zijn.”„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef, waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”„En wat is dat middel?” vroeg Jones.„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar, wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen zou.”Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen; maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die hem door Nightingale gedicteerd werd.„Mevrouw,Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van[154]huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.„Ik verblijf,Milady,met den meesten eerbied,uw zeer dankbare,en onderdanige dienaar,Thomas Jones.”Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:„Mijnheer,Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——;[155]maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:„Mevrouw,Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten brief.De dame antwoordde hierop als volgt:„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft, bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich toch niet geheel gerust gesteld[156]in zijn hart. Er was te veel valschheid in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei dan ook:„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving; daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.[157]

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoe de landjonker er toe gekomen was om zijne dochter te ontdekken.Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt had, waar zich zijne dochter bevond.In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk (want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg, besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.„Geachte Tante!De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend[134]heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.„Ik verblijf, geachte tante,met den meesten eerbied,uwe verpligte en steeds dankbare nichten meest onderdanige dienaresse,Henriette Fitzpatrick.”Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia steeds gebleven was, ten[135]einde hem in zijne droefheid te troosten. Van dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds vroeger een staaltje gegeven.Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren zult.”Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan halen.Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt[136]heb op mijn eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn vrederegters te Londen even goed als elders!”„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen. Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en u wat ordentelijkekleêrenaangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder, gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”[137]„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe het hoort dan een heele boel andere menschen!”„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen wat u goed dunkt.Je vous méprise de tout mon coeur!Dus zal ik me niet eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia, die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja, Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige onderhandelingen!”„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft, ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”[138]„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de arme Tom door verscheidene rampen getroffen wordt.De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de volgende wijze toesprak:„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te stamelen; maar Honour ging voort:„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour;[139]„zij was de beste meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar overkomen?”„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet toe wat er van hen wordt!”„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede meesteresse was—”„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd is.„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij weggejaagd!”„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door geweld tot een huwelijk gedwongen.”„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk. Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;[140]—maar, ach, wat heb ik nog te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat te vergoeden.”„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere te bezorgen, die niet minder is?”„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort? Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft, ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de[141]goede man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede, haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben, eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van digt te trekken.De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw[142]Honour hem aangejaagd had, en de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook, inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding en de bloeijende kleur op zijne wangen.Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en zeide:„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord; hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter, dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op dit oogenblik het model van een Adonis!”Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer[143]alleen beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van tweegevechten, geene getuigen toelaat.Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die, zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner ledematen te benemen.Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong, en hem tegenhield,[144]—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen drong om te kunnen zien wie op het bed zat.Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon, vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote verbazing, reeds door eene andere bezet vond.„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen. Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te gebruiken, zeide zij heel bedaard:[145]„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik, maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel! Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon Honour te snikken.„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs zouden trachten aan te nemen.Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende, welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar diep stond te buigen.Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek[146]met Honour, terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren, terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den landjonker.Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen bekend is.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Kort en zoet.Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust van dien aard in huis te zaken.Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy,[147]welke met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te stellen om zijn planonmiddellijkuittevoeren, wijn op tafel laten zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men zegt, „de hoogte,” kreeg.De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden, zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde bevelen ontvangen had om dit niet te[148]doen, gehoorzaamde hij zonder bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als wij reeds gemeld hebben.Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok, en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig einde te brengen.Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van slechtheid te doorwaden.Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de hoofdzaak,—welke[149]denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger uiteinde.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende minnebrieven van verschillenden aard.Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:1ste BRIEF.„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”2de BRIEF.„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”[150]3de BRIEF.„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in de kamer trad.„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets van Lady Bellaston vernomen?”Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame was.„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge werkelijk dat ik niet weet wie deFeeënkoninginwas?”„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken. Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op rekenen!”Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man, die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart, en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien, „bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele[151]stad,—terwijl inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen wil.Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was, en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of gehoord had.Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij, daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons opgekomen is.Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt werd, die riep:„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal! Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”[152]„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de ondankbaarheid!”„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan de dankbaarheid opwekken moesten.”Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem, haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij[153]toch besloot om haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij dadelijk, om die reden, wegjoeg.”Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig zijn.”„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef, waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”„En wat is dat middel?” vroeg Jones.„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar, wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen zou.”Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen; maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die hem door Nightingale gedicteerd werd.„Mevrouw,Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van[154]huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.„Ik verblijf,Milady,met den meesten eerbied,uw zeer dankbare,en onderdanige dienaar,Thomas Jones.”Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:„Mijnheer,Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——;[155]maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:„Mevrouw,Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten brief.De dame antwoordde hierop als volgt:„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft, bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich toch niet geheel gerust gesteld[156]in zijn hart. Er was te veel valschheid in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei dan ook:„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving; daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.[157]

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoe de landjonker er toe gekomen was om zijne dochter te ontdekken.Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt had, waar zich zijne dochter bevond.In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk (want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg, besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.„Geachte Tante!De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend[134]heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.„Ik verblijf, geachte tante,met den meesten eerbied,uwe verpligte en steeds dankbare nichten meest onderdanige dienaresse,Henriette Fitzpatrick.”Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia steeds gebleven was, ten[135]einde hem in zijne droefheid te troosten. Van dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds vroeger een staaltje gegeven.Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren zult.”Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan halen.Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt[136]heb op mijn eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn vrederegters te Londen even goed als elders!”„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen. Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en u wat ordentelijkekleêrenaangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder, gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”[137]„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe het hoort dan een heele boel andere menschen!”„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen wat u goed dunkt.Je vous méprise de tout mon coeur!Dus zal ik me niet eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia, die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja, Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige onderhandelingen!”„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft, ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”[138]„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.

Hoofdstuk VI.Hoe de landjonker er toe gekomen was om zijne dochter te ontdekken.

Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt had, waar zich zijne dochter bevond.In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk (want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg, besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.„Geachte Tante!De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend[134]heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.„Ik verblijf, geachte tante,met den meesten eerbied,uwe verpligte en steeds dankbare nichten meest onderdanige dienaresse,Henriette Fitzpatrick.”Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia steeds gebleven was, ten[135]einde hem in zijne droefheid te troosten. Van dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds vroeger een staaltje gegeven.Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren zult.”Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan halen.Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt[136]heb op mijn eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn vrederegters te Londen even goed als elders!”„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen. Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en u wat ordentelijkekleêrenaangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder, gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”[137]„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe het hoort dan een heele boel andere menschen!”„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen wat u goed dunkt.Je vous méprise de tout mon coeur!Dus zal ik me niet eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia, die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja, Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige onderhandelingen!”„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft, ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”[138]„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.

Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt had, waar zich zijne dochter bevond.

In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk (want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg, besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.

„Geachte Tante!De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend[134]heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.„Ik verblijf, geachte tante,met den meesten eerbied,uwe verpligte en steeds dankbare nichten meest onderdanige dienaresse,Henriette Fitzpatrick.”

„Geachte Tante!

De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.

„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend[134]heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.

„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.

„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.

„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.

„Ik verblijf, geachte tante,

met den meesten eerbied,uwe verpligte en steeds dankbare nichten meest onderdanige dienaresse,

Henriette Fitzpatrick.”

Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia steeds gebleven was, ten[135]einde hem in zijne droefheid te troosten. Van dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds vroeger een staaltje gegeven.

Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden:

„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren zult.”

Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan halen.

Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:

„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”

„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”

„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt[136]heb op mijn eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn vrederegters te Londen even goed als elders!”

„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen. Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en u wat ordentelijkekleêrenaangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder, gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”

„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”

„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”[137]

„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe het hoort dan een heele boel andere menschen!”

„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen wat u goed dunkt.Je vous méprise de tout mon coeur!Dus zal ik me niet eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia, die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja, Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige onderhandelingen!”

„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft, ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”

„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”[138]

„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”

Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.

Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de arme Tom door verscheidene rampen getroffen wordt.De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de volgende wijze toesprak:„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te stamelen; maar Honour ging voort:„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour;[139]„zij was de beste meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar overkomen?”„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet toe wat er van hen wordt!”„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede meesteresse was—”„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd is.„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij weggejaagd!”„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door geweld tot een huwelijk gedwongen.”„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk. Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;[140]—maar, ach, wat heb ik nog te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat te vergoeden.”„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere te bezorgen, die niet minder is?”„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort? Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft, ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de[141]goede man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede, haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben, eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van digt te trekken.De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw[142]Honour hem aangejaagd had, en de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook, inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding en de bloeijende kleur op zijne wangen.Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en zeide:„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord; hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter, dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op dit oogenblik het model van een Adonis!”Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer[143]alleen beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van tweegevechten, geene getuigen toelaat.Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die, zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner ledematen te benemen.Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong, en hem tegenhield,[144]—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen drong om te kunnen zien wie op het bed zat.Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon, vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote verbazing, reeds door eene andere bezet vond.„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen. Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te gebruiken, zeide zij heel bedaard:[145]„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik, maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel! Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon Honour te snikken.„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs zouden trachten aan te nemen.Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende, welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar diep stond te buigen.Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek[146]met Honour, terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren, terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den landjonker.Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen bekend is.

Hoofdstuk VII.Waarin de arme Tom door verscheidene rampen getroffen wordt.

De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de volgende wijze toesprak:„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te stamelen; maar Honour ging voort:„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour;[139]„zij was de beste meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar overkomen?”„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet toe wat er van hen wordt!”„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede meesteresse was—”„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd is.„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij weggejaagd!”„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door geweld tot een huwelijk gedwongen.”„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk. Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;[140]—maar, ach, wat heb ik nog te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat te vergoeden.”„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere te bezorgen, die niet minder is?”„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort? Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft, ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de[141]goede man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede, haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben, eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van digt te trekken.De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw[142]Honour hem aangejaagd had, en de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook, inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding en de bloeijende kleur op zijne wangen.Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en zeide:„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord; hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter, dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op dit oogenblik het model van een Adonis!”Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer[143]alleen beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van tweegevechten, geene getuigen toelaat.Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die, zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner ledematen te benemen.Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong, en hem tegenhield,[144]—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen drong om te kunnen zien wie op het bed zat.Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon, vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote verbazing, reeds door eene andere bezet vond.„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen. Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te gebruiken, zeide zij heel bedaard:[145]„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik, maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel! Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon Honour te snikken.„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs zouden trachten aan te nemen.Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende, welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar diep stond te buigen.Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek[146]met Honour, terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren, terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den landjonker.Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen bekend is.

De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de volgende wijze toesprak:

„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”

„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.

„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”

Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te stamelen; maar Honour ging voort:

„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”

„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”

„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour;[139]„zij was de beste meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”

„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar overkomen?”

„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet toe wat er van hen wordt!”

„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”

„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede meesteresse was—”

„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.

„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”

Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd is.

„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij weggejaagd!”

„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door geweld tot een huwelijk gedwongen.”

„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk. Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;[140]—maar, ach, wat heb ik nog te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”

„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat te vergoeden.”

„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere te bezorgen, die niet minder is?”

„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”

„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort? Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft, ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de[141]goede man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede, haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben, eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”

Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.

Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van digt te trekken.

De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw[142]Honour hem aangejaagd had, en de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook, inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding en de bloeijende kleur op zijne wangen.

Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.

Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en zeide:

„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord; hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”

„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”

„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter, dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op dit oogenblik het model van een Adonis!”

Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer[143]alleen beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.

Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van tweegevechten, geene getuigen toelaat.

Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die, zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.

Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.

Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner ledematen te benemen.

Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong, en hem tegenhield,[144]—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen drong om te kunnen zien wie op het bed zat.

Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.

En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.

Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon, vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote verbazing, reeds door eene andere bezet vond.

„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”

„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”

Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen. Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te gebruiken, zeide zij heel bedaard:[145]

„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik, maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”

Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.

„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel! Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon Honour te snikken.

„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”

Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs zouden trachten aan te nemen.

Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende, welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar diep stond te buigen.

Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek[146]met Honour, terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren, terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den landjonker.

Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen bekend is.

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Kort en zoet.Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust van dien aard in huis te zaken.Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy,[147]welke met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te stellen om zijn planonmiddellijkuittevoeren, wijn op tafel laten zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men zegt, „de hoogte,” kreeg.De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden, zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde bevelen ontvangen had om dit niet te[148]doen, gehoorzaamde hij zonder bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als wij reeds gemeld hebben.Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok, en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig einde te brengen.Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van slechtheid te doorwaden.Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de hoofdzaak,—welke[149]denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger uiteinde.

Hoofdstuk VIII.Kort en zoet.

Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust van dien aard in huis te zaken.Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy,[147]welke met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te stellen om zijn planonmiddellijkuittevoeren, wijn op tafel laten zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men zegt, „de hoogte,” kreeg.De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden, zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde bevelen ontvangen had om dit niet te[148]doen, gehoorzaamde hij zonder bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als wij reeds gemeld hebben.Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok, en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig einde te brengen.Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van slechtheid te doorwaden.Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de hoofdzaak,—welke[149]denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger uiteinde.

Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust van dien aard in huis te zaken.

Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy,[147]welke met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.

Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te stellen om zijn planonmiddellijkuittevoeren, wijn op tafel laten zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men zegt, „de hoogte,” kreeg.

De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.

Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden, zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.

Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.

Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde bevelen ontvangen had om dit niet te[148]doen, gehoorzaamde hij zonder bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als wij reeds gemeld hebben.

Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.

De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok, en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig einde te brengen.

Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van slechtheid te doorwaden.

Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de hoofdzaak,—welke[149]denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger uiteinde.

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende minnebrieven van verschillenden aard.Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:1ste BRIEF.„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”2de BRIEF.„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”[150]3de BRIEF.„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in de kamer trad.„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets van Lady Bellaston vernomen?”Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame was.„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge werkelijk dat ik niet weet wie deFeeënkoninginwas?”„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken. Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op rekenen!”Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man, die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart, en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien, „bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele[151]stad,—terwijl inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen wil.Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was, en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of gehoord had.Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij, daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons opgekomen is.Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt werd, die riep:„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal! Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”[152]„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de ondankbaarheid!”„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan de dankbaarheid opwekken moesten.”Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem, haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij[153]toch besloot om haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij dadelijk, om die reden, wegjoeg.”Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig zijn.”„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef, waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”„En wat is dat middel?” vroeg Jones.„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar, wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen zou.”Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen; maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die hem door Nightingale gedicteerd werd.„Mevrouw,Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van[154]huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.„Ik verblijf,Milady,met den meesten eerbied,uw zeer dankbare,en onderdanige dienaar,Thomas Jones.”Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:„Mijnheer,Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——;[155]maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:„Mevrouw,Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten brief.De dame antwoordde hierop als volgt:„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft, bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich toch niet geheel gerust gesteld[156]in zijn hart. Er was te veel valschheid in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei dan ook:„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving; daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.[157]

Hoofdstuk IX.Bevattende minnebrieven van verschillenden aard.

Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:1ste BRIEF.„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”2de BRIEF.„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”[150]3de BRIEF.„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in de kamer trad.„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets van Lady Bellaston vernomen?”Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame was.„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge werkelijk dat ik niet weet wie deFeeënkoninginwas?”„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken. Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op rekenen!”Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man, die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart, en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien, „bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele[151]stad,—terwijl inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen wil.Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was, en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of gehoord had.Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij, daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons opgekomen is.Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt werd, die riep:„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal! Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”[152]„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de ondankbaarheid!”„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan de dankbaarheid opwekken moesten.”Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem, haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij[153]toch besloot om haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij dadelijk, om die reden, wegjoeg.”Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig zijn.”„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef, waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”„En wat is dat middel?” vroeg Jones.„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar, wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen zou.”Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen; maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die hem door Nightingale gedicteerd werd.„Mevrouw,Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van[154]huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.„Ik verblijf,Milady,met den meesten eerbied,uw zeer dankbare,en onderdanige dienaar,Thomas Jones.”Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:„Mijnheer,Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——;[155]maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:„Mevrouw,Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten brief.De dame antwoordde hierop als volgt:„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft, bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich toch niet geheel gerust gesteld[156]in zijn hart. Er was te veel valschheid in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei dan ook:„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving; daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.[157]

Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:

1ste BRIEF.„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”

1ste BRIEF.

„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”

2de BRIEF.„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”

2de BRIEF.

„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”

[150]

3de BRIEF.„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”

3de BRIEF.

„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”

Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in de kamer trad.

„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets van Lady Bellaston vernomen?”

Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame was.

„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.

„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge werkelijk dat ik niet weet wie deFeeënkoninginwas?”

„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.

„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken. Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op rekenen!”

Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man, die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart, en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien, „bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele[151]stad,—terwijl inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen wil.

Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was, en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of gehoord had.

Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij, daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons opgekomen is.

Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt werd, die riep:

„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”

„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal! Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”[152]

„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.

„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”

„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”

„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de ondankbaarheid!”

„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan de dankbaarheid opwekken moesten.”

Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem, haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij[153]toch besloot om haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:

„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”

„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.

„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij dadelijk, om die reden, wegjoeg.”

Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.

„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig zijn.”

„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef, waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”

„En wat is dat middel?” vroeg Jones.

„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar, wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen zou.”

Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen; maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die hem door Nightingale gedicteerd werd.

„Mevrouw,Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van[154]huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.„Ik verblijf,Milady,met den meesten eerbied,uw zeer dankbare,en onderdanige dienaar,Thomas Jones.”

„Mevrouw,

Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van[154]huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.

„Ik verblijf,

Milady,

met den meesten eerbied,uw zeer dankbare,en onderdanige dienaar,

Thomas Jones.”

Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:

„Mijnheer,Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——;[155]maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”

„Mijnheer,

Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.

„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——;[155]maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”

„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”

Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:

„Mevrouw,Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”

„Mevrouw,

Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”

Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten brief.

De dame antwoordde hierop als volgt:

„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”

„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”

Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft, bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich toch niet geheel gerust gesteld[156]in zijn hart. Er was te veel valschheid in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.

Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei dan ook:

„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”

De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.

Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving; daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.[157]


Back to IndexNext