[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende zaken meer naar den algemeenen smaak.„Parva leves capiunt animos,” „geringe zaken treffen een onbezwaarden geest,” was het gevoelen van een grooten kenner van de liefde. En zeker is het dat van dezen dag af, Sophia eenige genegenheid begon te koesteren voor Tom Jones, en niet weinig afkeer van zijn makker.Vele gebeurtenissen droegen van tijd tot tijd bij om deze[136]gewaarwordingen in haar hart te versterken, welke de lezer, ook zonder dat wij ze beschrijven, zich wel voorstellen kan uit hetgeen wij reeds gezegd hebben van den verschillenden aard der beide jongens, en hoe de eene meer dan de andere haar sympathie inboezemde. Om de waarheid te zeggen, ontdekte Sophia reeds zeer vroeg, dat Tom, hoewel een onnadenkende, luije, dolzinnige schelm, alleen zijn eigen vijand was, terwijl de jonge heer Blifil, hoewel een voorzigtig, bescheiden, bedaard jong mensch, alleen ernstig bezorgd was voor de belangen van één enkel persoon; en wie die persoon was, zal de lezer wel gissen, zonder mijne hulp.Twee karakters als deze worden niet altijd in de wereld beoordeeld naar dien verschillenden maatstaf, waarop ieder regt heeft, en dien men zich verbeelden zou dat de menschen, al ware het alleen uit eigenbelang, moesten gebruiken. Maar welligt rust die schijnbare onregtvaardigheid toch op op eene fijne berekening—als de menschen iemand vinden van een wezenlijk welwillenden aard, verbeelden zij zich een schat gevonden te hebben, welken zij, even als alle goede dingen, voor zich wenschen te houden. Om die reden begrijpen zij, dat den roem van zoo iemand te verkondigen, even dwaas zou zijn als zijn middagmaal op de stoep te zetten en iedereen in de gelegenheid te stellen, dat te gebruiken, wat zij voor zich alleen bestemd hadden. Als deze reden den lezer niet voldoet, weet ik geen ander middel om de weinige achting te verklaren, welke men gewoonlijk ziet schenken aan karakters, die wezenlijk der menschelijke natuur veel eer aandoen, en der maatschappij het grootste voordeel opleveren. Maar het was anders met Sophia gesteld. Zij vereerde Tom Jones en verachtte den jongen heer Blifil bijna zoodra zij oud genoeg was om de beteekenis dezer beide woorden te begrijpen.Sophia was meer dan drie jaren van huis geweest en had bij hare tante gelogeerd, gedurende welken tijd zij slechts weinig van deze beide jonge heeren gezien had. Zij dineerde echter eens met hare tante bij den heer Allworthy. Dit was slechts weinige dagen na het reeds beschrevene avontuur met de patrijs. Sophia hoorde het geheele verhaal aan tafel aan, waar zij niets zeide, en op weg naar huis, kon hare[137]tante ook maar weinig uit haar lokken; maar terwijl hare kamenier bezig was met haar uit te kleeden, zei deze bij toeval:„Nu, jufvrouw, gij zult heden den jongen heer Blifil wel gezien hebben?” waarop Sophia met veel drift uitriep:„Ik haat den naam van den jongen heer Blifil, als alles wat laag en verraderlijk is, en het verwondert me dat mijnheer Allworthy toeliet, dat die wreede, oude schoolmeester den anderen armen jongen zoo streng tuchtigde voor iets, dat hij alleen uit goedheid gedaan had.”Daarop verhaalde zij alles aan de kamenier, er bijvoegende, tot slot:„Vindt ge niet, dat hij een edele jongen is?”De jonge dame was nu weder bij haar vader terug gekeerd, die haar het bestuur over zijne huishouding liet, en haar de eereplaats aan tafel gaf, waar Tom (die wegens zijne liefhebberij voor de jagt een groote gunsteling van den huisheer geworden was), dikwijls mede aanzat. Jongelingen van openhartigen, edelen aard, zijn van natuur geneigd tot galanterie, die, als zij daarbij gezond verstand bezitten, wat bij Tom het geval was, zich uit in een verpligtend, hoffelijk gedrag jegens alle vrouwen in het algemeen. Dit onderscheidde Tom zeer van de luidruchtige en ruwe landjonkers van den eenen kant en van den plegtstatigen, eenigzins knorrigen jongen Blifil van den anderen kant, en hij begon nu, op zoowat twintigjarigen leeftijd, den naam te hebben van „een aardigen jongen” onder alle vrouwen in de buurt.Tom onderscheidde Sophia volstrekt niet anders dan welligt door haar meer eerbied dan aan iemand anders te betoonen. Op deze onderscheiding scheen zij aanspraak te hebben door hare positie, hare schoonheid en hare beminnelijkheid; maar voornemens omtrent haar koesterde hij in het geheel niet,—om welke reden wij voor het oogenblik het aan den lezer overlaten moeten hem van domheid te beschuldigen;—terwijl wij echter welligt later dit redelijk goed zullen kunnen verklaren.Sophia, ofschoon zoo onschuldig en zedig als mogelijk was, bezat toch veel levendigheid van aard. Deze vermeerderde nog zoodanig als zij zich in gezelschap met Tom bevond, dat[138]als hij niet zeer jong en zeer onnadenkend geweest ware, hij het had moeten opmerken. En als de gedachten van den heer Western zelven niet doorgaans bezig waren geweest met de jagt, de stal of de honden, had het welligt eenigen argwaan bij hem opgewekt; maar de goede man was zoo ver van iets te vermoeden, dat hij Tom bij zijne dochter iedere gelegenheid verschafte, welke een minnaar had kunnen wenschen. En Tom, op de meest onschuldige wijze, maakte er beter gebruik van door alleen de ingevingen zijner aangeborene galanterie en goedaardigheid te volgen, dan hij welligt zou gedaan hebben, als hij in het geheim eenige plannen gekoesterd had op de hand van de jongedame.Maar het kan inderdaad slechts weinig verwondering baren, dat deze zaak door anderen onopgemerkt bleef, daar de arme Sophia zelve er niets van merkte en haar hart reddeloos verloren had, eer zij zelfs vermoedde dat het in gevaar was.Zoo stonden nu de zaken, toen Tom, op zekeren namiddag Sophia alleen vindende, na eene korte inleiding, verlof vroeg, met een heel ernstig gezigt, om eene gunst van haar af te smeeken, die hij hoopte dat zij hem niet weigeren zoude.Hoewel noch de houding van den jongeling, noch de wijze waarop hij de zaak ingeleid had, bij haar eenig redelijk vermoeden opwekken kon, dat hij voornemens was haar zijne liefde te verklaren,—evenwel, hetzij dat de natuur haar iets in het oor fluisterde, of om eenige andere reden—dat laat ik daar,—maar zeker, is het dat iets van dien aard zich aan haar opgedrongen moet hebben; want hare wangen verbleekten, zij beefde aan alle ledematen en hare stem zou haar begeven hebben als Tom op antwoord gewacht had; maar hij verloste haar weldra uit den nood, door voort te gaan en haar zijn verzoek mede te deelen, dat niets anders was dan haar invloed in te roepen ten behoeve van den jager, wiens eigen ondergang, alsmede die zijner groote familie, gelijk hij zeide, veroorzaakt zou worden door de vervolging, door den heer Western ingesteld.Sophia herstelde spoedig van hare verlegenheid en met een liefelijken glimlach zeide zij:„Is dit dan de groote gunst, daar ge zoo ernstig om smeekt? Ik zal het van ganscher harte doen. Ik heb[139]wezenlijk medelijden met den armen man en pas gisteren zond ik zijne vrouw eene kleinigheid.” Deze kleinigheid bestond uit een harer eigen kleedjes, wat linnengoed en tien shillings aan geld,—waarvan Tom reeds gehoord had, en wat hem eigenlijk zijn verzoek in het hoofd gezet had.De jongen nu, door den voorspoed aangemoedigd, besloot om de zaak verder door te zetten, en waagde zelfs te vragen dat zij den jager aanbevelen zou, om in haar vaders dienst genomen te worden, daar hij verklaarde hem te houden voor een der eerlijkste menschen van het graafschap, die ook buitengewoon geschikt was voor de plaats van jager, welke toen, gelukkig, open was.Sophia hernam: „Nu, dit zal ik ook beproeven; maar ik kan u niet beloven daarmede zoo goed te slagen als met het eerste wat ge vraagt;—en ik verzeker u, dat ik mijn vader geen rust zal laten, tot ik dat ten minste verkregen heb. Ik zal ook alles doen wat in mijne magt ligt voor den armen man; want wezenlijk, ik heb medelijden met hem en zijn huisgezin.—En nu, mijnheer Jones, heb ik ook eene gunst van u te vragen.—”„Eene gunst! O, als gij wist hoe gelukkig ik me gevoelde in de hoop van een bevel van u te ontvangen, dan zoudt gij begrijpen, dat door mij er een op te leggen, gij mij reeds de hoogste gunst bewijst, want bij deze lieve hand, ik zou mijn leven kunnen opofferen in uwe dienst!”Hij greep bij deze woorden hare hand en kuste die met veel vuur, wat de eerste keer was dat hij haar met de lippen aangeraakt had. Het bloed, dat straks uit hare wangen weggevloeid was, vergoedde dit nu door met zooveel geweld terug te stroomen naar haar hals en gelaat, dat beide met een diepen blos gekleurd werden. Zij gevoelde ook nu eene gewaarwording, die haar tot nu toe vreemd was geweest, en welke, toen zij tijd vond om er over na te denken, haar bekend begon te maken met eenige geheimen, welke, als de lezer ze nu niet kent, hij met der tijd wel zal leeren inzien.Zoodra Sophia nu spreken kon,—wat niet oogenblikkelijk was,—maakte zij hem bekend, dat de gunst welke zij van hem te vragen had, was om haar vader op de jagt[140]niet aan zooveel gevaar bloot te stellen; want uit hetgeen zij gehoord had, telkens als zij zamen uitgingen, vreesde zij haren vader met gebroken armen of beenen te huis te zien brengen. Zij smeekte hem dan, om harentwil voorzigtiger te zijn, en daar hij wel wist dat de heer Western hem overal volgen zou, niet meer zoo roekeloos te zijn te paard en geene gevaarlijke sprongen meer te doen.Tom beloofde haar getrouw te gehoorzamen en na haar bedankt te hebben voor de vriendelijke toestemming in zijn verzoek, nam hij afscheid en ging heen, uiterst verrukt over zijn welslagen.De arme Sophia was ook verrukt; maar op eene geheel andere wijze. Hare gevoelens echter zal zich de lezer in zijn hart (als hij er een heeft), beter kunnen voorstellen, dan ik ze zou kunnen beschrijven, al had ik even veel monden als zich ooit een dichter toegewenscht heeft,—naar ik veronderstel, om die lekkernijen te eten, waarmede hij zoo ruimschoots voorzien is.Het was de gewoonte van den heer Western om iederen namiddag, zoodra hij dronken was, naar zijne dochter te zitten luisteren als zij op de klavecimbel speelde, want hij was een groot liefhebber der toonkunt, en als hij te Londen gewoond had, had hij welligt voor een kenner kunnen doorgaan; want hij had altijd iets te zeggen op de prachtigste compositiën van mijnheer Händel. Hij hield van geene muzijk, die niet ligt en luchtig van aard was; en zijne meest geliefkoosde deuntjes waren eenige vrolijke oude balladen en drinkliederen.Zijne dochter, die zeer bedreven in de muzijk was, en die nooit als zij haar eigen zin had gevolgd, eenige andere muzijk dan die van Händel zou gespeeld hebben, was zoodanig begeerig om haar vader genoegen te doen, dat zij al die deuntjes leerde om hem te behagen. Evenwel trachtte zij tusschenbeide hem tot haar eigen smaak over te halen, en als hij om de herhaling zijner balladen vroeg, smeekte zij om daarvan verschoond te mogen zijn, en bad iets anders te mogen spelen.Dezen avond echter, toen hij met de flesch gedaan had, speelde zij al zijne lievelingsstukken driemaal over, zonder dat hij er haar om verzocht. Dit beviel den goeden landjonker[141]zoo zeer, dat hij van zijn stoel opsprong, zijne dochter een kus gaf en zwoer dat zij veel aangeleerd had. Zij nam deze gelegenheid waar om hare belofte jegens Tom te houden, waarin zij zoo goed slaagde, dat haar vader verklaarde, gereed te zijn den jager den volgenden morgen zijne benoeming te zenden als zij één der balladen nog eens spelen wilde. Het lied werd gespeeld en weder gespeeld tot de bekoorlijke muzijk den heer Western in slaap suste. Den volgenden morgen verzuimde Sophia niet hem aan zijne belofte te herinneren, en zijn zaakwaarnemer werdonmiddellijkgehaald, en kreeg het bevel om de verdere vervolging te staken en tevens dadelijk de benoeming op te maken.Tom’s welslagen in deze zaak werd spoedig door het geheele graafschap ruchtbaar, en zeer uiteenloopend waren de oordeelvellingen daarover. Sommigen keurden het goed, als een blijk van goedaardigheid; anderen spotten en zeiden, „dat het geen wonder was dat de eene deugniet den anderen voorstond.” De jonge Blifil was er woedend om. Hij had sedert lang den Zwarten George evenzeer gehaat als Tom hem bemind had,—niet om eenige grieven, welke hij tegen hem kon hebben; maar alleen uit groote liefde tot godsdienst en deugd; want de Zwarte George had den naam van een lossen klant te zijn. Blifil stelde dit dus voor als openlijk verzet tegen den heer Allworthy en verklaarde, met veel leedwezen, dat het onmogelijk was eenige andere beweegreden te vinden om zulk een ellendeling goed te doen.Thwackum en Square hieven insgelijks hetzelfde lied aan; zij waren nu (vooral de laatste), zeer ijverzuchtig op den jongen Jones geworden tegenover de weduwe: want thans, op twintigjarigen leeftijd, was hij wezenlijk een knappe jongen, en die dame scheen, door de wijze, waarop zij hem aanhaalde, dagelijks meer en meer in dat gevoelen versterkt te worden.Allworthy echter liet zich niet misleiden door hunne kwaadaardigheid. Hij verklaarde, zeer tevreden te zijn met Tom’s handelwijze. Hij zeide dat zijne volharding en standvastige vriendschap zeer lofwaardig waren, en het speet hem, niet meer dergelijke voorbeelden van die deugd te zien.[142]Maar het noodlot, dat zelden ingenomen is met zulke kwasten als vriend Tom,—misschien omdat zij te weinig hun hof maken aan de godin, gaf nu eene geheel andere rigting aan zijne handelingen, en vertoonde ze aan den heer Allworthy in een veel minder gunstig licht dan hij ze tot dusver gezien had.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende zaken meer naar den algemeenen smaak.„Parva leves capiunt animos,” „geringe zaken treffen een onbezwaarden geest,” was het gevoelen van een grooten kenner van de liefde. En zeker is het dat van dezen dag af, Sophia eenige genegenheid begon te koesteren voor Tom Jones, en niet weinig afkeer van zijn makker.Vele gebeurtenissen droegen van tijd tot tijd bij om deze[136]gewaarwordingen in haar hart te versterken, welke de lezer, ook zonder dat wij ze beschrijven, zich wel voorstellen kan uit hetgeen wij reeds gezegd hebben van den verschillenden aard der beide jongens, en hoe de eene meer dan de andere haar sympathie inboezemde. Om de waarheid te zeggen, ontdekte Sophia reeds zeer vroeg, dat Tom, hoewel een onnadenkende, luije, dolzinnige schelm, alleen zijn eigen vijand was, terwijl de jonge heer Blifil, hoewel een voorzigtig, bescheiden, bedaard jong mensch, alleen ernstig bezorgd was voor de belangen van één enkel persoon; en wie die persoon was, zal de lezer wel gissen, zonder mijne hulp.Twee karakters als deze worden niet altijd in de wereld beoordeeld naar dien verschillenden maatstaf, waarop ieder regt heeft, en dien men zich verbeelden zou dat de menschen, al ware het alleen uit eigenbelang, moesten gebruiken. Maar welligt rust die schijnbare onregtvaardigheid toch op op eene fijne berekening—als de menschen iemand vinden van een wezenlijk welwillenden aard, verbeelden zij zich een schat gevonden te hebben, welken zij, even als alle goede dingen, voor zich wenschen te houden. Om die reden begrijpen zij, dat den roem van zoo iemand te verkondigen, even dwaas zou zijn als zijn middagmaal op de stoep te zetten en iedereen in de gelegenheid te stellen, dat te gebruiken, wat zij voor zich alleen bestemd hadden. Als deze reden den lezer niet voldoet, weet ik geen ander middel om de weinige achting te verklaren, welke men gewoonlijk ziet schenken aan karakters, die wezenlijk der menschelijke natuur veel eer aandoen, en der maatschappij het grootste voordeel opleveren. Maar het was anders met Sophia gesteld. Zij vereerde Tom Jones en verachtte den jongen heer Blifil bijna zoodra zij oud genoeg was om de beteekenis dezer beide woorden te begrijpen.Sophia was meer dan drie jaren van huis geweest en had bij hare tante gelogeerd, gedurende welken tijd zij slechts weinig van deze beide jonge heeren gezien had. Zij dineerde echter eens met hare tante bij den heer Allworthy. Dit was slechts weinige dagen na het reeds beschrevene avontuur met de patrijs. Sophia hoorde het geheele verhaal aan tafel aan, waar zij niets zeide, en op weg naar huis, kon hare[137]tante ook maar weinig uit haar lokken; maar terwijl hare kamenier bezig was met haar uit te kleeden, zei deze bij toeval:„Nu, jufvrouw, gij zult heden den jongen heer Blifil wel gezien hebben?” waarop Sophia met veel drift uitriep:„Ik haat den naam van den jongen heer Blifil, als alles wat laag en verraderlijk is, en het verwondert me dat mijnheer Allworthy toeliet, dat die wreede, oude schoolmeester den anderen armen jongen zoo streng tuchtigde voor iets, dat hij alleen uit goedheid gedaan had.”Daarop verhaalde zij alles aan de kamenier, er bijvoegende, tot slot:„Vindt ge niet, dat hij een edele jongen is?”De jonge dame was nu weder bij haar vader terug gekeerd, die haar het bestuur over zijne huishouding liet, en haar de eereplaats aan tafel gaf, waar Tom (die wegens zijne liefhebberij voor de jagt een groote gunsteling van den huisheer geworden was), dikwijls mede aanzat. Jongelingen van openhartigen, edelen aard, zijn van natuur geneigd tot galanterie, die, als zij daarbij gezond verstand bezitten, wat bij Tom het geval was, zich uit in een verpligtend, hoffelijk gedrag jegens alle vrouwen in het algemeen. Dit onderscheidde Tom zeer van de luidruchtige en ruwe landjonkers van den eenen kant en van den plegtstatigen, eenigzins knorrigen jongen Blifil van den anderen kant, en hij begon nu, op zoowat twintigjarigen leeftijd, den naam te hebben van „een aardigen jongen” onder alle vrouwen in de buurt.Tom onderscheidde Sophia volstrekt niet anders dan welligt door haar meer eerbied dan aan iemand anders te betoonen. Op deze onderscheiding scheen zij aanspraak te hebben door hare positie, hare schoonheid en hare beminnelijkheid; maar voornemens omtrent haar koesterde hij in het geheel niet,—om welke reden wij voor het oogenblik het aan den lezer overlaten moeten hem van domheid te beschuldigen;—terwijl wij echter welligt later dit redelijk goed zullen kunnen verklaren.Sophia, ofschoon zoo onschuldig en zedig als mogelijk was, bezat toch veel levendigheid van aard. Deze vermeerderde nog zoodanig als zij zich in gezelschap met Tom bevond, dat[138]als hij niet zeer jong en zeer onnadenkend geweest ware, hij het had moeten opmerken. En als de gedachten van den heer Western zelven niet doorgaans bezig waren geweest met de jagt, de stal of de honden, had het welligt eenigen argwaan bij hem opgewekt; maar de goede man was zoo ver van iets te vermoeden, dat hij Tom bij zijne dochter iedere gelegenheid verschafte, welke een minnaar had kunnen wenschen. En Tom, op de meest onschuldige wijze, maakte er beter gebruik van door alleen de ingevingen zijner aangeborene galanterie en goedaardigheid te volgen, dan hij welligt zou gedaan hebben, als hij in het geheim eenige plannen gekoesterd had op de hand van de jongedame.Maar het kan inderdaad slechts weinig verwondering baren, dat deze zaak door anderen onopgemerkt bleef, daar de arme Sophia zelve er niets van merkte en haar hart reddeloos verloren had, eer zij zelfs vermoedde dat het in gevaar was.Zoo stonden nu de zaken, toen Tom, op zekeren namiddag Sophia alleen vindende, na eene korte inleiding, verlof vroeg, met een heel ernstig gezigt, om eene gunst van haar af te smeeken, die hij hoopte dat zij hem niet weigeren zoude.Hoewel noch de houding van den jongeling, noch de wijze waarop hij de zaak ingeleid had, bij haar eenig redelijk vermoeden opwekken kon, dat hij voornemens was haar zijne liefde te verklaren,—evenwel, hetzij dat de natuur haar iets in het oor fluisterde, of om eenige andere reden—dat laat ik daar,—maar zeker, is het dat iets van dien aard zich aan haar opgedrongen moet hebben; want hare wangen verbleekten, zij beefde aan alle ledematen en hare stem zou haar begeven hebben als Tom op antwoord gewacht had; maar hij verloste haar weldra uit den nood, door voort te gaan en haar zijn verzoek mede te deelen, dat niets anders was dan haar invloed in te roepen ten behoeve van den jager, wiens eigen ondergang, alsmede die zijner groote familie, gelijk hij zeide, veroorzaakt zou worden door de vervolging, door den heer Western ingesteld.Sophia herstelde spoedig van hare verlegenheid en met een liefelijken glimlach zeide zij:„Is dit dan de groote gunst, daar ge zoo ernstig om smeekt? Ik zal het van ganscher harte doen. Ik heb[139]wezenlijk medelijden met den armen man en pas gisteren zond ik zijne vrouw eene kleinigheid.” Deze kleinigheid bestond uit een harer eigen kleedjes, wat linnengoed en tien shillings aan geld,—waarvan Tom reeds gehoord had, en wat hem eigenlijk zijn verzoek in het hoofd gezet had.De jongen nu, door den voorspoed aangemoedigd, besloot om de zaak verder door te zetten, en waagde zelfs te vragen dat zij den jager aanbevelen zou, om in haar vaders dienst genomen te worden, daar hij verklaarde hem te houden voor een der eerlijkste menschen van het graafschap, die ook buitengewoon geschikt was voor de plaats van jager, welke toen, gelukkig, open was.Sophia hernam: „Nu, dit zal ik ook beproeven; maar ik kan u niet beloven daarmede zoo goed te slagen als met het eerste wat ge vraagt;—en ik verzeker u, dat ik mijn vader geen rust zal laten, tot ik dat ten minste verkregen heb. Ik zal ook alles doen wat in mijne magt ligt voor den armen man; want wezenlijk, ik heb medelijden met hem en zijn huisgezin.—En nu, mijnheer Jones, heb ik ook eene gunst van u te vragen.—”„Eene gunst! O, als gij wist hoe gelukkig ik me gevoelde in de hoop van een bevel van u te ontvangen, dan zoudt gij begrijpen, dat door mij er een op te leggen, gij mij reeds de hoogste gunst bewijst, want bij deze lieve hand, ik zou mijn leven kunnen opofferen in uwe dienst!”Hij greep bij deze woorden hare hand en kuste die met veel vuur, wat de eerste keer was dat hij haar met de lippen aangeraakt had. Het bloed, dat straks uit hare wangen weggevloeid was, vergoedde dit nu door met zooveel geweld terug te stroomen naar haar hals en gelaat, dat beide met een diepen blos gekleurd werden. Zij gevoelde ook nu eene gewaarwording, die haar tot nu toe vreemd was geweest, en welke, toen zij tijd vond om er over na te denken, haar bekend begon te maken met eenige geheimen, welke, als de lezer ze nu niet kent, hij met der tijd wel zal leeren inzien.Zoodra Sophia nu spreken kon,—wat niet oogenblikkelijk was,—maakte zij hem bekend, dat de gunst welke zij van hem te vragen had, was om haar vader op de jagt[140]niet aan zooveel gevaar bloot te stellen; want uit hetgeen zij gehoord had, telkens als zij zamen uitgingen, vreesde zij haren vader met gebroken armen of beenen te huis te zien brengen. Zij smeekte hem dan, om harentwil voorzigtiger te zijn, en daar hij wel wist dat de heer Western hem overal volgen zou, niet meer zoo roekeloos te zijn te paard en geene gevaarlijke sprongen meer te doen.Tom beloofde haar getrouw te gehoorzamen en na haar bedankt te hebben voor de vriendelijke toestemming in zijn verzoek, nam hij afscheid en ging heen, uiterst verrukt over zijn welslagen.De arme Sophia was ook verrukt; maar op eene geheel andere wijze. Hare gevoelens echter zal zich de lezer in zijn hart (als hij er een heeft), beter kunnen voorstellen, dan ik ze zou kunnen beschrijven, al had ik even veel monden als zich ooit een dichter toegewenscht heeft,—naar ik veronderstel, om die lekkernijen te eten, waarmede hij zoo ruimschoots voorzien is.Het was de gewoonte van den heer Western om iederen namiddag, zoodra hij dronken was, naar zijne dochter te zitten luisteren als zij op de klavecimbel speelde, want hij was een groot liefhebber der toonkunt, en als hij te Londen gewoond had, had hij welligt voor een kenner kunnen doorgaan; want hij had altijd iets te zeggen op de prachtigste compositiën van mijnheer Händel. Hij hield van geene muzijk, die niet ligt en luchtig van aard was; en zijne meest geliefkoosde deuntjes waren eenige vrolijke oude balladen en drinkliederen.Zijne dochter, die zeer bedreven in de muzijk was, en die nooit als zij haar eigen zin had gevolgd, eenige andere muzijk dan die van Händel zou gespeeld hebben, was zoodanig begeerig om haar vader genoegen te doen, dat zij al die deuntjes leerde om hem te behagen. Evenwel trachtte zij tusschenbeide hem tot haar eigen smaak over te halen, en als hij om de herhaling zijner balladen vroeg, smeekte zij om daarvan verschoond te mogen zijn, en bad iets anders te mogen spelen.Dezen avond echter, toen hij met de flesch gedaan had, speelde zij al zijne lievelingsstukken driemaal over, zonder dat hij er haar om verzocht. Dit beviel den goeden landjonker[141]zoo zeer, dat hij van zijn stoel opsprong, zijne dochter een kus gaf en zwoer dat zij veel aangeleerd had. Zij nam deze gelegenheid waar om hare belofte jegens Tom te houden, waarin zij zoo goed slaagde, dat haar vader verklaarde, gereed te zijn den jager den volgenden morgen zijne benoeming te zenden als zij één der balladen nog eens spelen wilde. Het lied werd gespeeld en weder gespeeld tot de bekoorlijke muzijk den heer Western in slaap suste. Den volgenden morgen verzuimde Sophia niet hem aan zijne belofte te herinneren, en zijn zaakwaarnemer werdonmiddellijkgehaald, en kreeg het bevel om de verdere vervolging te staken en tevens dadelijk de benoeming op te maken.Tom’s welslagen in deze zaak werd spoedig door het geheele graafschap ruchtbaar, en zeer uiteenloopend waren de oordeelvellingen daarover. Sommigen keurden het goed, als een blijk van goedaardigheid; anderen spotten en zeiden, „dat het geen wonder was dat de eene deugniet den anderen voorstond.” De jonge Blifil was er woedend om. Hij had sedert lang den Zwarten George evenzeer gehaat als Tom hem bemind had,—niet om eenige grieven, welke hij tegen hem kon hebben; maar alleen uit groote liefde tot godsdienst en deugd; want de Zwarte George had den naam van een lossen klant te zijn. Blifil stelde dit dus voor als openlijk verzet tegen den heer Allworthy en verklaarde, met veel leedwezen, dat het onmogelijk was eenige andere beweegreden te vinden om zulk een ellendeling goed te doen.Thwackum en Square hieven insgelijks hetzelfde lied aan; zij waren nu (vooral de laatste), zeer ijverzuchtig op den jongen Jones geworden tegenover de weduwe: want thans, op twintigjarigen leeftijd, was hij wezenlijk een knappe jongen, en die dame scheen, door de wijze, waarop zij hem aanhaalde, dagelijks meer en meer in dat gevoelen versterkt te worden.Allworthy echter liet zich niet misleiden door hunne kwaadaardigheid. Hij verklaarde, zeer tevreden te zijn met Tom’s handelwijze. Hij zeide dat zijne volharding en standvastige vriendschap zeer lofwaardig waren, en het speet hem, niet meer dergelijke voorbeelden van die deugd te zien.[142]Maar het noodlot, dat zelden ingenomen is met zulke kwasten als vriend Tom,—misschien omdat zij te weinig hun hof maken aan de godin, gaf nu eene geheel andere rigting aan zijne handelingen, en vertoonde ze aan den heer Allworthy in een veel minder gunstig licht dan hij ze tot dusver gezien had.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende zaken meer naar den algemeenen smaak.„Parva leves capiunt animos,” „geringe zaken treffen een onbezwaarden geest,” was het gevoelen van een grooten kenner van de liefde. En zeker is het dat van dezen dag af, Sophia eenige genegenheid begon te koesteren voor Tom Jones, en niet weinig afkeer van zijn makker.Vele gebeurtenissen droegen van tijd tot tijd bij om deze[136]gewaarwordingen in haar hart te versterken, welke de lezer, ook zonder dat wij ze beschrijven, zich wel voorstellen kan uit hetgeen wij reeds gezegd hebben van den verschillenden aard der beide jongens, en hoe de eene meer dan de andere haar sympathie inboezemde. Om de waarheid te zeggen, ontdekte Sophia reeds zeer vroeg, dat Tom, hoewel een onnadenkende, luije, dolzinnige schelm, alleen zijn eigen vijand was, terwijl de jonge heer Blifil, hoewel een voorzigtig, bescheiden, bedaard jong mensch, alleen ernstig bezorgd was voor de belangen van één enkel persoon; en wie die persoon was, zal de lezer wel gissen, zonder mijne hulp.Twee karakters als deze worden niet altijd in de wereld beoordeeld naar dien verschillenden maatstaf, waarop ieder regt heeft, en dien men zich verbeelden zou dat de menschen, al ware het alleen uit eigenbelang, moesten gebruiken. Maar welligt rust die schijnbare onregtvaardigheid toch op op eene fijne berekening—als de menschen iemand vinden van een wezenlijk welwillenden aard, verbeelden zij zich een schat gevonden te hebben, welken zij, even als alle goede dingen, voor zich wenschen te houden. Om die reden begrijpen zij, dat den roem van zoo iemand te verkondigen, even dwaas zou zijn als zijn middagmaal op de stoep te zetten en iedereen in de gelegenheid te stellen, dat te gebruiken, wat zij voor zich alleen bestemd hadden. Als deze reden den lezer niet voldoet, weet ik geen ander middel om de weinige achting te verklaren, welke men gewoonlijk ziet schenken aan karakters, die wezenlijk der menschelijke natuur veel eer aandoen, en der maatschappij het grootste voordeel opleveren. Maar het was anders met Sophia gesteld. Zij vereerde Tom Jones en verachtte den jongen heer Blifil bijna zoodra zij oud genoeg was om de beteekenis dezer beide woorden te begrijpen.Sophia was meer dan drie jaren van huis geweest en had bij hare tante gelogeerd, gedurende welken tijd zij slechts weinig van deze beide jonge heeren gezien had. Zij dineerde echter eens met hare tante bij den heer Allworthy. Dit was slechts weinige dagen na het reeds beschrevene avontuur met de patrijs. Sophia hoorde het geheele verhaal aan tafel aan, waar zij niets zeide, en op weg naar huis, kon hare[137]tante ook maar weinig uit haar lokken; maar terwijl hare kamenier bezig was met haar uit te kleeden, zei deze bij toeval:„Nu, jufvrouw, gij zult heden den jongen heer Blifil wel gezien hebben?” waarop Sophia met veel drift uitriep:„Ik haat den naam van den jongen heer Blifil, als alles wat laag en verraderlijk is, en het verwondert me dat mijnheer Allworthy toeliet, dat die wreede, oude schoolmeester den anderen armen jongen zoo streng tuchtigde voor iets, dat hij alleen uit goedheid gedaan had.”Daarop verhaalde zij alles aan de kamenier, er bijvoegende, tot slot:„Vindt ge niet, dat hij een edele jongen is?”De jonge dame was nu weder bij haar vader terug gekeerd, die haar het bestuur over zijne huishouding liet, en haar de eereplaats aan tafel gaf, waar Tom (die wegens zijne liefhebberij voor de jagt een groote gunsteling van den huisheer geworden was), dikwijls mede aanzat. Jongelingen van openhartigen, edelen aard, zijn van natuur geneigd tot galanterie, die, als zij daarbij gezond verstand bezitten, wat bij Tom het geval was, zich uit in een verpligtend, hoffelijk gedrag jegens alle vrouwen in het algemeen. Dit onderscheidde Tom zeer van de luidruchtige en ruwe landjonkers van den eenen kant en van den plegtstatigen, eenigzins knorrigen jongen Blifil van den anderen kant, en hij begon nu, op zoowat twintigjarigen leeftijd, den naam te hebben van „een aardigen jongen” onder alle vrouwen in de buurt.Tom onderscheidde Sophia volstrekt niet anders dan welligt door haar meer eerbied dan aan iemand anders te betoonen. Op deze onderscheiding scheen zij aanspraak te hebben door hare positie, hare schoonheid en hare beminnelijkheid; maar voornemens omtrent haar koesterde hij in het geheel niet,—om welke reden wij voor het oogenblik het aan den lezer overlaten moeten hem van domheid te beschuldigen;—terwijl wij echter welligt later dit redelijk goed zullen kunnen verklaren.Sophia, ofschoon zoo onschuldig en zedig als mogelijk was, bezat toch veel levendigheid van aard. Deze vermeerderde nog zoodanig als zij zich in gezelschap met Tom bevond, dat[138]als hij niet zeer jong en zeer onnadenkend geweest ware, hij het had moeten opmerken. En als de gedachten van den heer Western zelven niet doorgaans bezig waren geweest met de jagt, de stal of de honden, had het welligt eenigen argwaan bij hem opgewekt; maar de goede man was zoo ver van iets te vermoeden, dat hij Tom bij zijne dochter iedere gelegenheid verschafte, welke een minnaar had kunnen wenschen. En Tom, op de meest onschuldige wijze, maakte er beter gebruik van door alleen de ingevingen zijner aangeborene galanterie en goedaardigheid te volgen, dan hij welligt zou gedaan hebben, als hij in het geheim eenige plannen gekoesterd had op de hand van de jongedame.Maar het kan inderdaad slechts weinig verwondering baren, dat deze zaak door anderen onopgemerkt bleef, daar de arme Sophia zelve er niets van merkte en haar hart reddeloos verloren had, eer zij zelfs vermoedde dat het in gevaar was.Zoo stonden nu de zaken, toen Tom, op zekeren namiddag Sophia alleen vindende, na eene korte inleiding, verlof vroeg, met een heel ernstig gezigt, om eene gunst van haar af te smeeken, die hij hoopte dat zij hem niet weigeren zoude.Hoewel noch de houding van den jongeling, noch de wijze waarop hij de zaak ingeleid had, bij haar eenig redelijk vermoeden opwekken kon, dat hij voornemens was haar zijne liefde te verklaren,—evenwel, hetzij dat de natuur haar iets in het oor fluisterde, of om eenige andere reden—dat laat ik daar,—maar zeker, is het dat iets van dien aard zich aan haar opgedrongen moet hebben; want hare wangen verbleekten, zij beefde aan alle ledematen en hare stem zou haar begeven hebben als Tom op antwoord gewacht had; maar hij verloste haar weldra uit den nood, door voort te gaan en haar zijn verzoek mede te deelen, dat niets anders was dan haar invloed in te roepen ten behoeve van den jager, wiens eigen ondergang, alsmede die zijner groote familie, gelijk hij zeide, veroorzaakt zou worden door de vervolging, door den heer Western ingesteld.Sophia herstelde spoedig van hare verlegenheid en met een liefelijken glimlach zeide zij:„Is dit dan de groote gunst, daar ge zoo ernstig om smeekt? Ik zal het van ganscher harte doen. Ik heb[139]wezenlijk medelijden met den armen man en pas gisteren zond ik zijne vrouw eene kleinigheid.” Deze kleinigheid bestond uit een harer eigen kleedjes, wat linnengoed en tien shillings aan geld,—waarvan Tom reeds gehoord had, en wat hem eigenlijk zijn verzoek in het hoofd gezet had.De jongen nu, door den voorspoed aangemoedigd, besloot om de zaak verder door te zetten, en waagde zelfs te vragen dat zij den jager aanbevelen zou, om in haar vaders dienst genomen te worden, daar hij verklaarde hem te houden voor een der eerlijkste menschen van het graafschap, die ook buitengewoon geschikt was voor de plaats van jager, welke toen, gelukkig, open was.Sophia hernam: „Nu, dit zal ik ook beproeven; maar ik kan u niet beloven daarmede zoo goed te slagen als met het eerste wat ge vraagt;—en ik verzeker u, dat ik mijn vader geen rust zal laten, tot ik dat ten minste verkregen heb. Ik zal ook alles doen wat in mijne magt ligt voor den armen man; want wezenlijk, ik heb medelijden met hem en zijn huisgezin.—En nu, mijnheer Jones, heb ik ook eene gunst van u te vragen.—”„Eene gunst! O, als gij wist hoe gelukkig ik me gevoelde in de hoop van een bevel van u te ontvangen, dan zoudt gij begrijpen, dat door mij er een op te leggen, gij mij reeds de hoogste gunst bewijst, want bij deze lieve hand, ik zou mijn leven kunnen opofferen in uwe dienst!”Hij greep bij deze woorden hare hand en kuste die met veel vuur, wat de eerste keer was dat hij haar met de lippen aangeraakt had. Het bloed, dat straks uit hare wangen weggevloeid was, vergoedde dit nu door met zooveel geweld terug te stroomen naar haar hals en gelaat, dat beide met een diepen blos gekleurd werden. Zij gevoelde ook nu eene gewaarwording, die haar tot nu toe vreemd was geweest, en welke, toen zij tijd vond om er over na te denken, haar bekend begon te maken met eenige geheimen, welke, als de lezer ze nu niet kent, hij met der tijd wel zal leeren inzien.Zoodra Sophia nu spreken kon,—wat niet oogenblikkelijk was,—maakte zij hem bekend, dat de gunst welke zij van hem te vragen had, was om haar vader op de jagt[140]niet aan zooveel gevaar bloot te stellen; want uit hetgeen zij gehoord had, telkens als zij zamen uitgingen, vreesde zij haren vader met gebroken armen of beenen te huis te zien brengen. Zij smeekte hem dan, om harentwil voorzigtiger te zijn, en daar hij wel wist dat de heer Western hem overal volgen zou, niet meer zoo roekeloos te zijn te paard en geene gevaarlijke sprongen meer te doen.Tom beloofde haar getrouw te gehoorzamen en na haar bedankt te hebben voor de vriendelijke toestemming in zijn verzoek, nam hij afscheid en ging heen, uiterst verrukt over zijn welslagen.De arme Sophia was ook verrukt; maar op eene geheel andere wijze. Hare gevoelens echter zal zich de lezer in zijn hart (als hij er een heeft), beter kunnen voorstellen, dan ik ze zou kunnen beschrijven, al had ik even veel monden als zich ooit een dichter toegewenscht heeft,—naar ik veronderstel, om die lekkernijen te eten, waarmede hij zoo ruimschoots voorzien is.Het was de gewoonte van den heer Western om iederen namiddag, zoodra hij dronken was, naar zijne dochter te zitten luisteren als zij op de klavecimbel speelde, want hij was een groot liefhebber der toonkunt, en als hij te Londen gewoond had, had hij welligt voor een kenner kunnen doorgaan; want hij had altijd iets te zeggen op de prachtigste compositiën van mijnheer Händel. Hij hield van geene muzijk, die niet ligt en luchtig van aard was; en zijne meest geliefkoosde deuntjes waren eenige vrolijke oude balladen en drinkliederen.Zijne dochter, die zeer bedreven in de muzijk was, en die nooit als zij haar eigen zin had gevolgd, eenige andere muzijk dan die van Händel zou gespeeld hebben, was zoodanig begeerig om haar vader genoegen te doen, dat zij al die deuntjes leerde om hem te behagen. Evenwel trachtte zij tusschenbeide hem tot haar eigen smaak over te halen, en als hij om de herhaling zijner balladen vroeg, smeekte zij om daarvan verschoond te mogen zijn, en bad iets anders te mogen spelen.Dezen avond echter, toen hij met de flesch gedaan had, speelde zij al zijne lievelingsstukken driemaal over, zonder dat hij er haar om verzocht. Dit beviel den goeden landjonker[141]zoo zeer, dat hij van zijn stoel opsprong, zijne dochter een kus gaf en zwoer dat zij veel aangeleerd had. Zij nam deze gelegenheid waar om hare belofte jegens Tom te houden, waarin zij zoo goed slaagde, dat haar vader verklaarde, gereed te zijn den jager den volgenden morgen zijne benoeming te zenden als zij één der balladen nog eens spelen wilde. Het lied werd gespeeld en weder gespeeld tot de bekoorlijke muzijk den heer Western in slaap suste. Den volgenden morgen verzuimde Sophia niet hem aan zijne belofte te herinneren, en zijn zaakwaarnemer werdonmiddellijkgehaald, en kreeg het bevel om de verdere vervolging te staken en tevens dadelijk de benoeming op te maken.Tom’s welslagen in deze zaak werd spoedig door het geheele graafschap ruchtbaar, en zeer uiteenloopend waren de oordeelvellingen daarover. Sommigen keurden het goed, als een blijk van goedaardigheid; anderen spotten en zeiden, „dat het geen wonder was dat de eene deugniet den anderen voorstond.” De jonge Blifil was er woedend om. Hij had sedert lang den Zwarten George evenzeer gehaat als Tom hem bemind had,—niet om eenige grieven, welke hij tegen hem kon hebben; maar alleen uit groote liefde tot godsdienst en deugd; want de Zwarte George had den naam van een lossen klant te zijn. Blifil stelde dit dus voor als openlijk verzet tegen den heer Allworthy en verklaarde, met veel leedwezen, dat het onmogelijk was eenige andere beweegreden te vinden om zulk een ellendeling goed te doen.Thwackum en Square hieven insgelijks hetzelfde lied aan; zij waren nu (vooral de laatste), zeer ijverzuchtig op den jongen Jones geworden tegenover de weduwe: want thans, op twintigjarigen leeftijd, was hij wezenlijk een knappe jongen, en die dame scheen, door de wijze, waarop zij hem aanhaalde, dagelijks meer en meer in dat gevoelen versterkt te worden.Allworthy echter liet zich niet misleiden door hunne kwaadaardigheid. Hij verklaarde, zeer tevreden te zijn met Tom’s handelwijze. Hij zeide dat zijne volharding en standvastige vriendschap zeer lofwaardig waren, en het speet hem, niet meer dergelijke voorbeelden van die deugd te zien.[142]Maar het noodlot, dat zelden ingenomen is met zulke kwasten als vriend Tom,—misschien omdat zij te weinig hun hof maken aan de godin, gaf nu eene geheel andere rigting aan zijne handelingen, en vertoonde ze aan den heer Allworthy in een veel minder gunstig licht dan hij ze tot dusver gezien had.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende zaken meer naar den algemeenen smaak.„Parva leves capiunt animos,” „geringe zaken treffen een onbezwaarden geest,” was het gevoelen van een grooten kenner van de liefde. En zeker is het dat van dezen dag af, Sophia eenige genegenheid begon te koesteren voor Tom Jones, en niet weinig afkeer van zijn makker.Vele gebeurtenissen droegen van tijd tot tijd bij om deze[136]gewaarwordingen in haar hart te versterken, welke de lezer, ook zonder dat wij ze beschrijven, zich wel voorstellen kan uit hetgeen wij reeds gezegd hebben van den verschillenden aard der beide jongens, en hoe de eene meer dan de andere haar sympathie inboezemde. Om de waarheid te zeggen, ontdekte Sophia reeds zeer vroeg, dat Tom, hoewel een onnadenkende, luije, dolzinnige schelm, alleen zijn eigen vijand was, terwijl de jonge heer Blifil, hoewel een voorzigtig, bescheiden, bedaard jong mensch, alleen ernstig bezorgd was voor de belangen van één enkel persoon; en wie die persoon was, zal de lezer wel gissen, zonder mijne hulp.Twee karakters als deze worden niet altijd in de wereld beoordeeld naar dien verschillenden maatstaf, waarop ieder regt heeft, en dien men zich verbeelden zou dat de menschen, al ware het alleen uit eigenbelang, moesten gebruiken. Maar welligt rust die schijnbare onregtvaardigheid toch op op eene fijne berekening—als de menschen iemand vinden van een wezenlijk welwillenden aard, verbeelden zij zich een schat gevonden te hebben, welken zij, even als alle goede dingen, voor zich wenschen te houden. Om die reden begrijpen zij, dat den roem van zoo iemand te verkondigen, even dwaas zou zijn als zijn middagmaal op de stoep te zetten en iedereen in de gelegenheid te stellen, dat te gebruiken, wat zij voor zich alleen bestemd hadden. Als deze reden den lezer niet voldoet, weet ik geen ander middel om de weinige achting te verklaren, welke men gewoonlijk ziet schenken aan karakters, die wezenlijk der menschelijke natuur veel eer aandoen, en der maatschappij het grootste voordeel opleveren. Maar het was anders met Sophia gesteld. Zij vereerde Tom Jones en verachtte den jongen heer Blifil bijna zoodra zij oud genoeg was om de beteekenis dezer beide woorden te begrijpen.Sophia was meer dan drie jaren van huis geweest en had bij hare tante gelogeerd, gedurende welken tijd zij slechts weinig van deze beide jonge heeren gezien had. Zij dineerde echter eens met hare tante bij den heer Allworthy. Dit was slechts weinige dagen na het reeds beschrevene avontuur met de patrijs. Sophia hoorde het geheele verhaal aan tafel aan, waar zij niets zeide, en op weg naar huis, kon hare[137]tante ook maar weinig uit haar lokken; maar terwijl hare kamenier bezig was met haar uit te kleeden, zei deze bij toeval:„Nu, jufvrouw, gij zult heden den jongen heer Blifil wel gezien hebben?” waarop Sophia met veel drift uitriep:„Ik haat den naam van den jongen heer Blifil, als alles wat laag en verraderlijk is, en het verwondert me dat mijnheer Allworthy toeliet, dat die wreede, oude schoolmeester den anderen armen jongen zoo streng tuchtigde voor iets, dat hij alleen uit goedheid gedaan had.”Daarop verhaalde zij alles aan de kamenier, er bijvoegende, tot slot:„Vindt ge niet, dat hij een edele jongen is?”De jonge dame was nu weder bij haar vader terug gekeerd, die haar het bestuur over zijne huishouding liet, en haar de eereplaats aan tafel gaf, waar Tom (die wegens zijne liefhebberij voor de jagt een groote gunsteling van den huisheer geworden was), dikwijls mede aanzat. Jongelingen van openhartigen, edelen aard, zijn van natuur geneigd tot galanterie, die, als zij daarbij gezond verstand bezitten, wat bij Tom het geval was, zich uit in een verpligtend, hoffelijk gedrag jegens alle vrouwen in het algemeen. Dit onderscheidde Tom zeer van de luidruchtige en ruwe landjonkers van den eenen kant en van den plegtstatigen, eenigzins knorrigen jongen Blifil van den anderen kant, en hij begon nu, op zoowat twintigjarigen leeftijd, den naam te hebben van „een aardigen jongen” onder alle vrouwen in de buurt.Tom onderscheidde Sophia volstrekt niet anders dan welligt door haar meer eerbied dan aan iemand anders te betoonen. Op deze onderscheiding scheen zij aanspraak te hebben door hare positie, hare schoonheid en hare beminnelijkheid; maar voornemens omtrent haar koesterde hij in het geheel niet,—om welke reden wij voor het oogenblik het aan den lezer overlaten moeten hem van domheid te beschuldigen;—terwijl wij echter welligt later dit redelijk goed zullen kunnen verklaren.Sophia, ofschoon zoo onschuldig en zedig als mogelijk was, bezat toch veel levendigheid van aard. Deze vermeerderde nog zoodanig als zij zich in gezelschap met Tom bevond, dat[138]als hij niet zeer jong en zeer onnadenkend geweest ware, hij het had moeten opmerken. En als de gedachten van den heer Western zelven niet doorgaans bezig waren geweest met de jagt, de stal of de honden, had het welligt eenigen argwaan bij hem opgewekt; maar de goede man was zoo ver van iets te vermoeden, dat hij Tom bij zijne dochter iedere gelegenheid verschafte, welke een minnaar had kunnen wenschen. En Tom, op de meest onschuldige wijze, maakte er beter gebruik van door alleen de ingevingen zijner aangeborene galanterie en goedaardigheid te volgen, dan hij welligt zou gedaan hebben, als hij in het geheim eenige plannen gekoesterd had op de hand van de jongedame.Maar het kan inderdaad slechts weinig verwondering baren, dat deze zaak door anderen onopgemerkt bleef, daar de arme Sophia zelve er niets van merkte en haar hart reddeloos verloren had, eer zij zelfs vermoedde dat het in gevaar was.Zoo stonden nu de zaken, toen Tom, op zekeren namiddag Sophia alleen vindende, na eene korte inleiding, verlof vroeg, met een heel ernstig gezigt, om eene gunst van haar af te smeeken, die hij hoopte dat zij hem niet weigeren zoude.Hoewel noch de houding van den jongeling, noch de wijze waarop hij de zaak ingeleid had, bij haar eenig redelijk vermoeden opwekken kon, dat hij voornemens was haar zijne liefde te verklaren,—evenwel, hetzij dat de natuur haar iets in het oor fluisterde, of om eenige andere reden—dat laat ik daar,—maar zeker, is het dat iets van dien aard zich aan haar opgedrongen moet hebben; want hare wangen verbleekten, zij beefde aan alle ledematen en hare stem zou haar begeven hebben als Tom op antwoord gewacht had; maar hij verloste haar weldra uit den nood, door voort te gaan en haar zijn verzoek mede te deelen, dat niets anders was dan haar invloed in te roepen ten behoeve van den jager, wiens eigen ondergang, alsmede die zijner groote familie, gelijk hij zeide, veroorzaakt zou worden door de vervolging, door den heer Western ingesteld.Sophia herstelde spoedig van hare verlegenheid en met een liefelijken glimlach zeide zij:„Is dit dan de groote gunst, daar ge zoo ernstig om smeekt? Ik zal het van ganscher harte doen. Ik heb[139]wezenlijk medelijden met den armen man en pas gisteren zond ik zijne vrouw eene kleinigheid.” Deze kleinigheid bestond uit een harer eigen kleedjes, wat linnengoed en tien shillings aan geld,—waarvan Tom reeds gehoord had, en wat hem eigenlijk zijn verzoek in het hoofd gezet had.De jongen nu, door den voorspoed aangemoedigd, besloot om de zaak verder door te zetten, en waagde zelfs te vragen dat zij den jager aanbevelen zou, om in haar vaders dienst genomen te worden, daar hij verklaarde hem te houden voor een der eerlijkste menschen van het graafschap, die ook buitengewoon geschikt was voor de plaats van jager, welke toen, gelukkig, open was.Sophia hernam: „Nu, dit zal ik ook beproeven; maar ik kan u niet beloven daarmede zoo goed te slagen als met het eerste wat ge vraagt;—en ik verzeker u, dat ik mijn vader geen rust zal laten, tot ik dat ten minste verkregen heb. Ik zal ook alles doen wat in mijne magt ligt voor den armen man; want wezenlijk, ik heb medelijden met hem en zijn huisgezin.—En nu, mijnheer Jones, heb ik ook eene gunst van u te vragen.—”„Eene gunst! O, als gij wist hoe gelukkig ik me gevoelde in de hoop van een bevel van u te ontvangen, dan zoudt gij begrijpen, dat door mij er een op te leggen, gij mij reeds de hoogste gunst bewijst, want bij deze lieve hand, ik zou mijn leven kunnen opofferen in uwe dienst!”Hij greep bij deze woorden hare hand en kuste die met veel vuur, wat de eerste keer was dat hij haar met de lippen aangeraakt had. Het bloed, dat straks uit hare wangen weggevloeid was, vergoedde dit nu door met zooveel geweld terug te stroomen naar haar hals en gelaat, dat beide met een diepen blos gekleurd werden. Zij gevoelde ook nu eene gewaarwording, die haar tot nu toe vreemd was geweest, en welke, toen zij tijd vond om er over na te denken, haar bekend begon te maken met eenige geheimen, welke, als de lezer ze nu niet kent, hij met der tijd wel zal leeren inzien.Zoodra Sophia nu spreken kon,—wat niet oogenblikkelijk was,—maakte zij hem bekend, dat de gunst welke zij van hem te vragen had, was om haar vader op de jagt[140]niet aan zooveel gevaar bloot te stellen; want uit hetgeen zij gehoord had, telkens als zij zamen uitgingen, vreesde zij haren vader met gebroken armen of beenen te huis te zien brengen. Zij smeekte hem dan, om harentwil voorzigtiger te zijn, en daar hij wel wist dat de heer Western hem overal volgen zou, niet meer zoo roekeloos te zijn te paard en geene gevaarlijke sprongen meer te doen.Tom beloofde haar getrouw te gehoorzamen en na haar bedankt te hebben voor de vriendelijke toestemming in zijn verzoek, nam hij afscheid en ging heen, uiterst verrukt over zijn welslagen.De arme Sophia was ook verrukt; maar op eene geheel andere wijze. Hare gevoelens echter zal zich de lezer in zijn hart (als hij er een heeft), beter kunnen voorstellen, dan ik ze zou kunnen beschrijven, al had ik even veel monden als zich ooit een dichter toegewenscht heeft,—naar ik veronderstel, om die lekkernijen te eten, waarmede hij zoo ruimschoots voorzien is.Het was de gewoonte van den heer Western om iederen namiddag, zoodra hij dronken was, naar zijne dochter te zitten luisteren als zij op de klavecimbel speelde, want hij was een groot liefhebber der toonkunt, en als hij te Londen gewoond had, had hij welligt voor een kenner kunnen doorgaan; want hij had altijd iets te zeggen op de prachtigste compositiën van mijnheer Händel. Hij hield van geene muzijk, die niet ligt en luchtig van aard was; en zijne meest geliefkoosde deuntjes waren eenige vrolijke oude balladen en drinkliederen.Zijne dochter, die zeer bedreven in de muzijk was, en die nooit als zij haar eigen zin had gevolgd, eenige andere muzijk dan die van Händel zou gespeeld hebben, was zoodanig begeerig om haar vader genoegen te doen, dat zij al die deuntjes leerde om hem te behagen. Evenwel trachtte zij tusschenbeide hem tot haar eigen smaak over te halen, en als hij om de herhaling zijner balladen vroeg, smeekte zij om daarvan verschoond te mogen zijn, en bad iets anders te mogen spelen.Dezen avond echter, toen hij met de flesch gedaan had, speelde zij al zijne lievelingsstukken driemaal over, zonder dat hij er haar om verzocht. Dit beviel den goeden landjonker[141]zoo zeer, dat hij van zijn stoel opsprong, zijne dochter een kus gaf en zwoer dat zij veel aangeleerd had. Zij nam deze gelegenheid waar om hare belofte jegens Tom te houden, waarin zij zoo goed slaagde, dat haar vader verklaarde, gereed te zijn den jager den volgenden morgen zijne benoeming te zenden als zij één der balladen nog eens spelen wilde. Het lied werd gespeeld en weder gespeeld tot de bekoorlijke muzijk den heer Western in slaap suste. Den volgenden morgen verzuimde Sophia niet hem aan zijne belofte te herinneren, en zijn zaakwaarnemer werdonmiddellijkgehaald, en kreeg het bevel om de verdere vervolging te staken en tevens dadelijk de benoeming op te maken.Tom’s welslagen in deze zaak werd spoedig door het geheele graafschap ruchtbaar, en zeer uiteenloopend waren de oordeelvellingen daarover. Sommigen keurden het goed, als een blijk van goedaardigheid; anderen spotten en zeiden, „dat het geen wonder was dat de eene deugniet den anderen voorstond.” De jonge Blifil was er woedend om. Hij had sedert lang den Zwarten George evenzeer gehaat als Tom hem bemind had,—niet om eenige grieven, welke hij tegen hem kon hebben; maar alleen uit groote liefde tot godsdienst en deugd; want de Zwarte George had den naam van een lossen klant te zijn. Blifil stelde dit dus voor als openlijk verzet tegen den heer Allworthy en verklaarde, met veel leedwezen, dat het onmogelijk was eenige andere beweegreden te vinden om zulk een ellendeling goed te doen.Thwackum en Square hieven insgelijks hetzelfde lied aan; zij waren nu (vooral de laatste), zeer ijverzuchtig op den jongen Jones geworden tegenover de weduwe: want thans, op twintigjarigen leeftijd, was hij wezenlijk een knappe jongen, en die dame scheen, door de wijze, waarop zij hem aanhaalde, dagelijks meer en meer in dat gevoelen versterkt te worden.Allworthy echter liet zich niet misleiden door hunne kwaadaardigheid. Hij verklaarde, zeer tevreden te zijn met Tom’s handelwijze. Hij zeide dat zijne volharding en standvastige vriendschap zeer lofwaardig waren, en het speet hem, niet meer dergelijke voorbeelden van die deugd te zien.[142]Maar het noodlot, dat zelden ingenomen is met zulke kwasten als vriend Tom,—misschien omdat zij te weinig hun hof maken aan de godin, gaf nu eene geheel andere rigting aan zijne handelingen, en vertoonde ze aan den heer Allworthy in een veel minder gunstig licht dan hij ze tot dusver gezien had.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende zaken meer naar den algemeenen smaak.„Parva leves capiunt animos,” „geringe zaken treffen een onbezwaarden geest,” was het gevoelen van een grooten kenner van de liefde. En zeker is het dat van dezen dag af, Sophia eenige genegenheid begon te koesteren voor Tom Jones, en niet weinig afkeer van zijn makker.Vele gebeurtenissen droegen van tijd tot tijd bij om deze[136]gewaarwordingen in haar hart te versterken, welke de lezer, ook zonder dat wij ze beschrijven, zich wel voorstellen kan uit hetgeen wij reeds gezegd hebben van den verschillenden aard der beide jongens, en hoe de eene meer dan de andere haar sympathie inboezemde. Om de waarheid te zeggen, ontdekte Sophia reeds zeer vroeg, dat Tom, hoewel een onnadenkende, luije, dolzinnige schelm, alleen zijn eigen vijand was, terwijl de jonge heer Blifil, hoewel een voorzigtig, bescheiden, bedaard jong mensch, alleen ernstig bezorgd was voor de belangen van één enkel persoon; en wie die persoon was, zal de lezer wel gissen, zonder mijne hulp.Twee karakters als deze worden niet altijd in de wereld beoordeeld naar dien verschillenden maatstaf, waarop ieder regt heeft, en dien men zich verbeelden zou dat de menschen, al ware het alleen uit eigenbelang, moesten gebruiken. Maar welligt rust die schijnbare onregtvaardigheid toch op op eene fijne berekening—als de menschen iemand vinden van een wezenlijk welwillenden aard, verbeelden zij zich een schat gevonden te hebben, welken zij, even als alle goede dingen, voor zich wenschen te houden. Om die reden begrijpen zij, dat den roem van zoo iemand te verkondigen, even dwaas zou zijn als zijn middagmaal op de stoep te zetten en iedereen in de gelegenheid te stellen, dat te gebruiken, wat zij voor zich alleen bestemd hadden. Als deze reden den lezer niet voldoet, weet ik geen ander middel om de weinige achting te verklaren, welke men gewoonlijk ziet schenken aan karakters, die wezenlijk der menschelijke natuur veel eer aandoen, en der maatschappij het grootste voordeel opleveren. Maar het was anders met Sophia gesteld. Zij vereerde Tom Jones en verachtte den jongen heer Blifil bijna zoodra zij oud genoeg was om de beteekenis dezer beide woorden te begrijpen.Sophia was meer dan drie jaren van huis geweest en had bij hare tante gelogeerd, gedurende welken tijd zij slechts weinig van deze beide jonge heeren gezien had. Zij dineerde echter eens met hare tante bij den heer Allworthy. Dit was slechts weinige dagen na het reeds beschrevene avontuur met de patrijs. Sophia hoorde het geheele verhaal aan tafel aan, waar zij niets zeide, en op weg naar huis, kon hare[137]tante ook maar weinig uit haar lokken; maar terwijl hare kamenier bezig was met haar uit te kleeden, zei deze bij toeval:„Nu, jufvrouw, gij zult heden den jongen heer Blifil wel gezien hebben?” waarop Sophia met veel drift uitriep:„Ik haat den naam van den jongen heer Blifil, als alles wat laag en verraderlijk is, en het verwondert me dat mijnheer Allworthy toeliet, dat die wreede, oude schoolmeester den anderen armen jongen zoo streng tuchtigde voor iets, dat hij alleen uit goedheid gedaan had.”Daarop verhaalde zij alles aan de kamenier, er bijvoegende, tot slot:„Vindt ge niet, dat hij een edele jongen is?”De jonge dame was nu weder bij haar vader terug gekeerd, die haar het bestuur over zijne huishouding liet, en haar de eereplaats aan tafel gaf, waar Tom (die wegens zijne liefhebberij voor de jagt een groote gunsteling van den huisheer geworden was), dikwijls mede aanzat. Jongelingen van openhartigen, edelen aard, zijn van natuur geneigd tot galanterie, die, als zij daarbij gezond verstand bezitten, wat bij Tom het geval was, zich uit in een verpligtend, hoffelijk gedrag jegens alle vrouwen in het algemeen. Dit onderscheidde Tom zeer van de luidruchtige en ruwe landjonkers van den eenen kant en van den plegtstatigen, eenigzins knorrigen jongen Blifil van den anderen kant, en hij begon nu, op zoowat twintigjarigen leeftijd, den naam te hebben van „een aardigen jongen” onder alle vrouwen in de buurt.Tom onderscheidde Sophia volstrekt niet anders dan welligt door haar meer eerbied dan aan iemand anders te betoonen. Op deze onderscheiding scheen zij aanspraak te hebben door hare positie, hare schoonheid en hare beminnelijkheid; maar voornemens omtrent haar koesterde hij in het geheel niet,—om welke reden wij voor het oogenblik het aan den lezer overlaten moeten hem van domheid te beschuldigen;—terwijl wij echter welligt later dit redelijk goed zullen kunnen verklaren.Sophia, ofschoon zoo onschuldig en zedig als mogelijk was, bezat toch veel levendigheid van aard. Deze vermeerderde nog zoodanig als zij zich in gezelschap met Tom bevond, dat[138]als hij niet zeer jong en zeer onnadenkend geweest ware, hij het had moeten opmerken. En als de gedachten van den heer Western zelven niet doorgaans bezig waren geweest met de jagt, de stal of de honden, had het welligt eenigen argwaan bij hem opgewekt; maar de goede man was zoo ver van iets te vermoeden, dat hij Tom bij zijne dochter iedere gelegenheid verschafte, welke een minnaar had kunnen wenschen. En Tom, op de meest onschuldige wijze, maakte er beter gebruik van door alleen de ingevingen zijner aangeborene galanterie en goedaardigheid te volgen, dan hij welligt zou gedaan hebben, als hij in het geheim eenige plannen gekoesterd had op de hand van de jongedame.Maar het kan inderdaad slechts weinig verwondering baren, dat deze zaak door anderen onopgemerkt bleef, daar de arme Sophia zelve er niets van merkte en haar hart reddeloos verloren had, eer zij zelfs vermoedde dat het in gevaar was.Zoo stonden nu de zaken, toen Tom, op zekeren namiddag Sophia alleen vindende, na eene korte inleiding, verlof vroeg, met een heel ernstig gezigt, om eene gunst van haar af te smeeken, die hij hoopte dat zij hem niet weigeren zoude.Hoewel noch de houding van den jongeling, noch de wijze waarop hij de zaak ingeleid had, bij haar eenig redelijk vermoeden opwekken kon, dat hij voornemens was haar zijne liefde te verklaren,—evenwel, hetzij dat de natuur haar iets in het oor fluisterde, of om eenige andere reden—dat laat ik daar,—maar zeker, is het dat iets van dien aard zich aan haar opgedrongen moet hebben; want hare wangen verbleekten, zij beefde aan alle ledematen en hare stem zou haar begeven hebben als Tom op antwoord gewacht had; maar hij verloste haar weldra uit den nood, door voort te gaan en haar zijn verzoek mede te deelen, dat niets anders was dan haar invloed in te roepen ten behoeve van den jager, wiens eigen ondergang, alsmede die zijner groote familie, gelijk hij zeide, veroorzaakt zou worden door de vervolging, door den heer Western ingesteld.Sophia herstelde spoedig van hare verlegenheid en met een liefelijken glimlach zeide zij:„Is dit dan de groote gunst, daar ge zoo ernstig om smeekt? Ik zal het van ganscher harte doen. Ik heb[139]wezenlijk medelijden met den armen man en pas gisteren zond ik zijne vrouw eene kleinigheid.” Deze kleinigheid bestond uit een harer eigen kleedjes, wat linnengoed en tien shillings aan geld,—waarvan Tom reeds gehoord had, en wat hem eigenlijk zijn verzoek in het hoofd gezet had.De jongen nu, door den voorspoed aangemoedigd, besloot om de zaak verder door te zetten, en waagde zelfs te vragen dat zij den jager aanbevelen zou, om in haar vaders dienst genomen te worden, daar hij verklaarde hem te houden voor een der eerlijkste menschen van het graafschap, die ook buitengewoon geschikt was voor de plaats van jager, welke toen, gelukkig, open was.Sophia hernam: „Nu, dit zal ik ook beproeven; maar ik kan u niet beloven daarmede zoo goed te slagen als met het eerste wat ge vraagt;—en ik verzeker u, dat ik mijn vader geen rust zal laten, tot ik dat ten minste verkregen heb. Ik zal ook alles doen wat in mijne magt ligt voor den armen man; want wezenlijk, ik heb medelijden met hem en zijn huisgezin.—En nu, mijnheer Jones, heb ik ook eene gunst van u te vragen.—”„Eene gunst! O, als gij wist hoe gelukkig ik me gevoelde in de hoop van een bevel van u te ontvangen, dan zoudt gij begrijpen, dat door mij er een op te leggen, gij mij reeds de hoogste gunst bewijst, want bij deze lieve hand, ik zou mijn leven kunnen opofferen in uwe dienst!”Hij greep bij deze woorden hare hand en kuste die met veel vuur, wat de eerste keer was dat hij haar met de lippen aangeraakt had. Het bloed, dat straks uit hare wangen weggevloeid was, vergoedde dit nu door met zooveel geweld terug te stroomen naar haar hals en gelaat, dat beide met een diepen blos gekleurd werden. Zij gevoelde ook nu eene gewaarwording, die haar tot nu toe vreemd was geweest, en welke, toen zij tijd vond om er over na te denken, haar bekend begon te maken met eenige geheimen, welke, als de lezer ze nu niet kent, hij met der tijd wel zal leeren inzien.Zoodra Sophia nu spreken kon,—wat niet oogenblikkelijk was,—maakte zij hem bekend, dat de gunst welke zij van hem te vragen had, was om haar vader op de jagt[140]niet aan zooveel gevaar bloot te stellen; want uit hetgeen zij gehoord had, telkens als zij zamen uitgingen, vreesde zij haren vader met gebroken armen of beenen te huis te zien brengen. Zij smeekte hem dan, om harentwil voorzigtiger te zijn, en daar hij wel wist dat de heer Western hem overal volgen zou, niet meer zoo roekeloos te zijn te paard en geene gevaarlijke sprongen meer te doen.Tom beloofde haar getrouw te gehoorzamen en na haar bedankt te hebben voor de vriendelijke toestemming in zijn verzoek, nam hij afscheid en ging heen, uiterst verrukt over zijn welslagen.De arme Sophia was ook verrukt; maar op eene geheel andere wijze. Hare gevoelens echter zal zich de lezer in zijn hart (als hij er een heeft), beter kunnen voorstellen, dan ik ze zou kunnen beschrijven, al had ik even veel monden als zich ooit een dichter toegewenscht heeft,—naar ik veronderstel, om die lekkernijen te eten, waarmede hij zoo ruimschoots voorzien is.Het was de gewoonte van den heer Western om iederen namiddag, zoodra hij dronken was, naar zijne dochter te zitten luisteren als zij op de klavecimbel speelde, want hij was een groot liefhebber der toonkunt, en als hij te Londen gewoond had, had hij welligt voor een kenner kunnen doorgaan; want hij had altijd iets te zeggen op de prachtigste compositiën van mijnheer Händel. Hij hield van geene muzijk, die niet ligt en luchtig van aard was; en zijne meest geliefkoosde deuntjes waren eenige vrolijke oude balladen en drinkliederen.Zijne dochter, die zeer bedreven in de muzijk was, en die nooit als zij haar eigen zin had gevolgd, eenige andere muzijk dan die van Händel zou gespeeld hebben, was zoodanig begeerig om haar vader genoegen te doen, dat zij al die deuntjes leerde om hem te behagen. Evenwel trachtte zij tusschenbeide hem tot haar eigen smaak over te halen, en als hij om de herhaling zijner balladen vroeg, smeekte zij om daarvan verschoond te mogen zijn, en bad iets anders te mogen spelen.Dezen avond echter, toen hij met de flesch gedaan had, speelde zij al zijne lievelingsstukken driemaal over, zonder dat hij er haar om verzocht. Dit beviel den goeden landjonker[141]zoo zeer, dat hij van zijn stoel opsprong, zijne dochter een kus gaf en zwoer dat zij veel aangeleerd had. Zij nam deze gelegenheid waar om hare belofte jegens Tom te houden, waarin zij zoo goed slaagde, dat haar vader verklaarde, gereed te zijn den jager den volgenden morgen zijne benoeming te zenden als zij één der balladen nog eens spelen wilde. Het lied werd gespeeld en weder gespeeld tot de bekoorlijke muzijk den heer Western in slaap suste. Den volgenden morgen verzuimde Sophia niet hem aan zijne belofte te herinneren, en zijn zaakwaarnemer werdonmiddellijkgehaald, en kreeg het bevel om de verdere vervolging te staken en tevens dadelijk de benoeming op te maken.Tom’s welslagen in deze zaak werd spoedig door het geheele graafschap ruchtbaar, en zeer uiteenloopend waren de oordeelvellingen daarover. Sommigen keurden het goed, als een blijk van goedaardigheid; anderen spotten en zeiden, „dat het geen wonder was dat de eene deugniet den anderen voorstond.” De jonge Blifil was er woedend om. Hij had sedert lang den Zwarten George evenzeer gehaat als Tom hem bemind had,—niet om eenige grieven, welke hij tegen hem kon hebben; maar alleen uit groote liefde tot godsdienst en deugd; want de Zwarte George had den naam van een lossen klant te zijn. Blifil stelde dit dus voor als openlijk verzet tegen den heer Allworthy en verklaarde, met veel leedwezen, dat het onmogelijk was eenige andere beweegreden te vinden om zulk een ellendeling goed te doen.Thwackum en Square hieven insgelijks hetzelfde lied aan; zij waren nu (vooral de laatste), zeer ijverzuchtig op den jongen Jones geworden tegenover de weduwe: want thans, op twintigjarigen leeftijd, was hij wezenlijk een knappe jongen, en die dame scheen, door de wijze, waarop zij hem aanhaalde, dagelijks meer en meer in dat gevoelen versterkt te worden.Allworthy echter liet zich niet misleiden door hunne kwaadaardigheid. Hij verklaarde, zeer tevreden te zijn met Tom’s handelwijze. Hij zeide dat zijne volharding en standvastige vriendschap zeer lofwaardig waren, en het speet hem, niet meer dergelijke voorbeelden van die deugd te zien.[142]Maar het noodlot, dat zelden ingenomen is met zulke kwasten als vriend Tom,—misschien omdat zij te weinig hun hof maken aan de godin, gaf nu eene geheel andere rigting aan zijne handelingen, en vertoonde ze aan den heer Allworthy in een veel minder gunstig licht dan hij ze tot dusver gezien had.
Hoofdstuk V.Bevattende zaken meer naar den algemeenen smaak.
„Parva leves capiunt animos,” „geringe zaken treffen een onbezwaarden geest,” was het gevoelen van een grooten kenner van de liefde. En zeker is het dat van dezen dag af, Sophia eenige genegenheid begon te koesteren voor Tom Jones, en niet weinig afkeer van zijn makker.Vele gebeurtenissen droegen van tijd tot tijd bij om deze[136]gewaarwordingen in haar hart te versterken, welke de lezer, ook zonder dat wij ze beschrijven, zich wel voorstellen kan uit hetgeen wij reeds gezegd hebben van den verschillenden aard der beide jongens, en hoe de eene meer dan de andere haar sympathie inboezemde. Om de waarheid te zeggen, ontdekte Sophia reeds zeer vroeg, dat Tom, hoewel een onnadenkende, luije, dolzinnige schelm, alleen zijn eigen vijand was, terwijl de jonge heer Blifil, hoewel een voorzigtig, bescheiden, bedaard jong mensch, alleen ernstig bezorgd was voor de belangen van één enkel persoon; en wie die persoon was, zal de lezer wel gissen, zonder mijne hulp.Twee karakters als deze worden niet altijd in de wereld beoordeeld naar dien verschillenden maatstaf, waarop ieder regt heeft, en dien men zich verbeelden zou dat de menschen, al ware het alleen uit eigenbelang, moesten gebruiken. Maar welligt rust die schijnbare onregtvaardigheid toch op op eene fijne berekening—als de menschen iemand vinden van een wezenlijk welwillenden aard, verbeelden zij zich een schat gevonden te hebben, welken zij, even als alle goede dingen, voor zich wenschen te houden. Om die reden begrijpen zij, dat den roem van zoo iemand te verkondigen, even dwaas zou zijn als zijn middagmaal op de stoep te zetten en iedereen in de gelegenheid te stellen, dat te gebruiken, wat zij voor zich alleen bestemd hadden. Als deze reden den lezer niet voldoet, weet ik geen ander middel om de weinige achting te verklaren, welke men gewoonlijk ziet schenken aan karakters, die wezenlijk der menschelijke natuur veel eer aandoen, en der maatschappij het grootste voordeel opleveren. Maar het was anders met Sophia gesteld. Zij vereerde Tom Jones en verachtte den jongen heer Blifil bijna zoodra zij oud genoeg was om de beteekenis dezer beide woorden te begrijpen.Sophia was meer dan drie jaren van huis geweest en had bij hare tante gelogeerd, gedurende welken tijd zij slechts weinig van deze beide jonge heeren gezien had. Zij dineerde echter eens met hare tante bij den heer Allworthy. Dit was slechts weinige dagen na het reeds beschrevene avontuur met de patrijs. Sophia hoorde het geheele verhaal aan tafel aan, waar zij niets zeide, en op weg naar huis, kon hare[137]tante ook maar weinig uit haar lokken; maar terwijl hare kamenier bezig was met haar uit te kleeden, zei deze bij toeval:„Nu, jufvrouw, gij zult heden den jongen heer Blifil wel gezien hebben?” waarop Sophia met veel drift uitriep:„Ik haat den naam van den jongen heer Blifil, als alles wat laag en verraderlijk is, en het verwondert me dat mijnheer Allworthy toeliet, dat die wreede, oude schoolmeester den anderen armen jongen zoo streng tuchtigde voor iets, dat hij alleen uit goedheid gedaan had.”Daarop verhaalde zij alles aan de kamenier, er bijvoegende, tot slot:„Vindt ge niet, dat hij een edele jongen is?”De jonge dame was nu weder bij haar vader terug gekeerd, die haar het bestuur over zijne huishouding liet, en haar de eereplaats aan tafel gaf, waar Tom (die wegens zijne liefhebberij voor de jagt een groote gunsteling van den huisheer geworden was), dikwijls mede aanzat. Jongelingen van openhartigen, edelen aard, zijn van natuur geneigd tot galanterie, die, als zij daarbij gezond verstand bezitten, wat bij Tom het geval was, zich uit in een verpligtend, hoffelijk gedrag jegens alle vrouwen in het algemeen. Dit onderscheidde Tom zeer van de luidruchtige en ruwe landjonkers van den eenen kant en van den plegtstatigen, eenigzins knorrigen jongen Blifil van den anderen kant, en hij begon nu, op zoowat twintigjarigen leeftijd, den naam te hebben van „een aardigen jongen” onder alle vrouwen in de buurt.Tom onderscheidde Sophia volstrekt niet anders dan welligt door haar meer eerbied dan aan iemand anders te betoonen. Op deze onderscheiding scheen zij aanspraak te hebben door hare positie, hare schoonheid en hare beminnelijkheid; maar voornemens omtrent haar koesterde hij in het geheel niet,—om welke reden wij voor het oogenblik het aan den lezer overlaten moeten hem van domheid te beschuldigen;—terwijl wij echter welligt later dit redelijk goed zullen kunnen verklaren.Sophia, ofschoon zoo onschuldig en zedig als mogelijk was, bezat toch veel levendigheid van aard. Deze vermeerderde nog zoodanig als zij zich in gezelschap met Tom bevond, dat[138]als hij niet zeer jong en zeer onnadenkend geweest ware, hij het had moeten opmerken. En als de gedachten van den heer Western zelven niet doorgaans bezig waren geweest met de jagt, de stal of de honden, had het welligt eenigen argwaan bij hem opgewekt; maar de goede man was zoo ver van iets te vermoeden, dat hij Tom bij zijne dochter iedere gelegenheid verschafte, welke een minnaar had kunnen wenschen. En Tom, op de meest onschuldige wijze, maakte er beter gebruik van door alleen de ingevingen zijner aangeborene galanterie en goedaardigheid te volgen, dan hij welligt zou gedaan hebben, als hij in het geheim eenige plannen gekoesterd had op de hand van de jongedame.Maar het kan inderdaad slechts weinig verwondering baren, dat deze zaak door anderen onopgemerkt bleef, daar de arme Sophia zelve er niets van merkte en haar hart reddeloos verloren had, eer zij zelfs vermoedde dat het in gevaar was.Zoo stonden nu de zaken, toen Tom, op zekeren namiddag Sophia alleen vindende, na eene korte inleiding, verlof vroeg, met een heel ernstig gezigt, om eene gunst van haar af te smeeken, die hij hoopte dat zij hem niet weigeren zoude.Hoewel noch de houding van den jongeling, noch de wijze waarop hij de zaak ingeleid had, bij haar eenig redelijk vermoeden opwekken kon, dat hij voornemens was haar zijne liefde te verklaren,—evenwel, hetzij dat de natuur haar iets in het oor fluisterde, of om eenige andere reden—dat laat ik daar,—maar zeker, is het dat iets van dien aard zich aan haar opgedrongen moet hebben; want hare wangen verbleekten, zij beefde aan alle ledematen en hare stem zou haar begeven hebben als Tom op antwoord gewacht had; maar hij verloste haar weldra uit den nood, door voort te gaan en haar zijn verzoek mede te deelen, dat niets anders was dan haar invloed in te roepen ten behoeve van den jager, wiens eigen ondergang, alsmede die zijner groote familie, gelijk hij zeide, veroorzaakt zou worden door de vervolging, door den heer Western ingesteld.Sophia herstelde spoedig van hare verlegenheid en met een liefelijken glimlach zeide zij:„Is dit dan de groote gunst, daar ge zoo ernstig om smeekt? Ik zal het van ganscher harte doen. Ik heb[139]wezenlijk medelijden met den armen man en pas gisteren zond ik zijne vrouw eene kleinigheid.” Deze kleinigheid bestond uit een harer eigen kleedjes, wat linnengoed en tien shillings aan geld,—waarvan Tom reeds gehoord had, en wat hem eigenlijk zijn verzoek in het hoofd gezet had.De jongen nu, door den voorspoed aangemoedigd, besloot om de zaak verder door te zetten, en waagde zelfs te vragen dat zij den jager aanbevelen zou, om in haar vaders dienst genomen te worden, daar hij verklaarde hem te houden voor een der eerlijkste menschen van het graafschap, die ook buitengewoon geschikt was voor de plaats van jager, welke toen, gelukkig, open was.Sophia hernam: „Nu, dit zal ik ook beproeven; maar ik kan u niet beloven daarmede zoo goed te slagen als met het eerste wat ge vraagt;—en ik verzeker u, dat ik mijn vader geen rust zal laten, tot ik dat ten minste verkregen heb. Ik zal ook alles doen wat in mijne magt ligt voor den armen man; want wezenlijk, ik heb medelijden met hem en zijn huisgezin.—En nu, mijnheer Jones, heb ik ook eene gunst van u te vragen.—”„Eene gunst! O, als gij wist hoe gelukkig ik me gevoelde in de hoop van een bevel van u te ontvangen, dan zoudt gij begrijpen, dat door mij er een op te leggen, gij mij reeds de hoogste gunst bewijst, want bij deze lieve hand, ik zou mijn leven kunnen opofferen in uwe dienst!”Hij greep bij deze woorden hare hand en kuste die met veel vuur, wat de eerste keer was dat hij haar met de lippen aangeraakt had. Het bloed, dat straks uit hare wangen weggevloeid was, vergoedde dit nu door met zooveel geweld terug te stroomen naar haar hals en gelaat, dat beide met een diepen blos gekleurd werden. Zij gevoelde ook nu eene gewaarwording, die haar tot nu toe vreemd was geweest, en welke, toen zij tijd vond om er over na te denken, haar bekend begon te maken met eenige geheimen, welke, als de lezer ze nu niet kent, hij met der tijd wel zal leeren inzien.Zoodra Sophia nu spreken kon,—wat niet oogenblikkelijk was,—maakte zij hem bekend, dat de gunst welke zij van hem te vragen had, was om haar vader op de jagt[140]niet aan zooveel gevaar bloot te stellen; want uit hetgeen zij gehoord had, telkens als zij zamen uitgingen, vreesde zij haren vader met gebroken armen of beenen te huis te zien brengen. Zij smeekte hem dan, om harentwil voorzigtiger te zijn, en daar hij wel wist dat de heer Western hem overal volgen zou, niet meer zoo roekeloos te zijn te paard en geene gevaarlijke sprongen meer te doen.Tom beloofde haar getrouw te gehoorzamen en na haar bedankt te hebben voor de vriendelijke toestemming in zijn verzoek, nam hij afscheid en ging heen, uiterst verrukt over zijn welslagen.De arme Sophia was ook verrukt; maar op eene geheel andere wijze. Hare gevoelens echter zal zich de lezer in zijn hart (als hij er een heeft), beter kunnen voorstellen, dan ik ze zou kunnen beschrijven, al had ik even veel monden als zich ooit een dichter toegewenscht heeft,—naar ik veronderstel, om die lekkernijen te eten, waarmede hij zoo ruimschoots voorzien is.Het was de gewoonte van den heer Western om iederen namiddag, zoodra hij dronken was, naar zijne dochter te zitten luisteren als zij op de klavecimbel speelde, want hij was een groot liefhebber der toonkunt, en als hij te Londen gewoond had, had hij welligt voor een kenner kunnen doorgaan; want hij had altijd iets te zeggen op de prachtigste compositiën van mijnheer Händel. Hij hield van geene muzijk, die niet ligt en luchtig van aard was; en zijne meest geliefkoosde deuntjes waren eenige vrolijke oude balladen en drinkliederen.Zijne dochter, die zeer bedreven in de muzijk was, en die nooit als zij haar eigen zin had gevolgd, eenige andere muzijk dan die van Händel zou gespeeld hebben, was zoodanig begeerig om haar vader genoegen te doen, dat zij al die deuntjes leerde om hem te behagen. Evenwel trachtte zij tusschenbeide hem tot haar eigen smaak over te halen, en als hij om de herhaling zijner balladen vroeg, smeekte zij om daarvan verschoond te mogen zijn, en bad iets anders te mogen spelen.Dezen avond echter, toen hij met de flesch gedaan had, speelde zij al zijne lievelingsstukken driemaal over, zonder dat hij er haar om verzocht. Dit beviel den goeden landjonker[141]zoo zeer, dat hij van zijn stoel opsprong, zijne dochter een kus gaf en zwoer dat zij veel aangeleerd had. Zij nam deze gelegenheid waar om hare belofte jegens Tom te houden, waarin zij zoo goed slaagde, dat haar vader verklaarde, gereed te zijn den jager den volgenden morgen zijne benoeming te zenden als zij één der balladen nog eens spelen wilde. Het lied werd gespeeld en weder gespeeld tot de bekoorlijke muzijk den heer Western in slaap suste. Den volgenden morgen verzuimde Sophia niet hem aan zijne belofte te herinneren, en zijn zaakwaarnemer werdonmiddellijkgehaald, en kreeg het bevel om de verdere vervolging te staken en tevens dadelijk de benoeming op te maken.Tom’s welslagen in deze zaak werd spoedig door het geheele graafschap ruchtbaar, en zeer uiteenloopend waren de oordeelvellingen daarover. Sommigen keurden het goed, als een blijk van goedaardigheid; anderen spotten en zeiden, „dat het geen wonder was dat de eene deugniet den anderen voorstond.” De jonge Blifil was er woedend om. Hij had sedert lang den Zwarten George evenzeer gehaat als Tom hem bemind had,—niet om eenige grieven, welke hij tegen hem kon hebben; maar alleen uit groote liefde tot godsdienst en deugd; want de Zwarte George had den naam van een lossen klant te zijn. Blifil stelde dit dus voor als openlijk verzet tegen den heer Allworthy en verklaarde, met veel leedwezen, dat het onmogelijk was eenige andere beweegreden te vinden om zulk een ellendeling goed te doen.Thwackum en Square hieven insgelijks hetzelfde lied aan; zij waren nu (vooral de laatste), zeer ijverzuchtig op den jongen Jones geworden tegenover de weduwe: want thans, op twintigjarigen leeftijd, was hij wezenlijk een knappe jongen, en die dame scheen, door de wijze, waarop zij hem aanhaalde, dagelijks meer en meer in dat gevoelen versterkt te worden.Allworthy echter liet zich niet misleiden door hunne kwaadaardigheid. Hij verklaarde, zeer tevreden te zijn met Tom’s handelwijze. Hij zeide dat zijne volharding en standvastige vriendschap zeer lofwaardig waren, en het speet hem, niet meer dergelijke voorbeelden van die deugd te zien.[142]Maar het noodlot, dat zelden ingenomen is met zulke kwasten als vriend Tom,—misschien omdat zij te weinig hun hof maken aan de godin, gaf nu eene geheel andere rigting aan zijne handelingen, en vertoonde ze aan den heer Allworthy in een veel minder gunstig licht dan hij ze tot dusver gezien had.
„Parva leves capiunt animos,” „geringe zaken treffen een onbezwaarden geest,” was het gevoelen van een grooten kenner van de liefde. En zeker is het dat van dezen dag af, Sophia eenige genegenheid begon te koesteren voor Tom Jones, en niet weinig afkeer van zijn makker.
Vele gebeurtenissen droegen van tijd tot tijd bij om deze[136]gewaarwordingen in haar hart te versterken, welke de lezer, ook zonder dat wij ze beschrijven, zich wel voorstellen kan uit hetgeen wij reeds gezegd hebben van den verschillenden aard der beide jongens, en hoe de eene meer dan de andere haar sympathie inboezemde. Om de waarheid te zeggen, ontdekte Sophia reeds zeer vroeg, dat Tom, hoewel een onnadenkende, luije, dolzinnige schelm, alleen zijn eigen vijand was, terwijl de jonge heer Blifil, hoewel een voorzigtig, bescheiden, bedaard jong mensch, alleen ernstig bezorgd was voor de belangen van één enkel persoon; en wie die persoon was, zal de lezer wel gissen, zonder mijne hulp.
Twee karakters als deze worden niet altijd in de wereld beoordeeld naar dien verschillenden maatstaf, waarop ieder regt heeft, en dien men zich verbeelden zou dat de menschen, al ware het alleen uit eigenbelang, moesten gebruiken. Maar welligt rust die schijnbare onregtvaardigheid toch op op eene fijne berekening—als de menschen iemand vinden van een wezenlijk welwillenden aard, verbeelden zij zich een schat gevonden te hebben, welken zij, even als alle goede dingen, voor zich wenschen te houden. Om die reden begrijpen zij, dat den roem van zoo iemand te verkondigen, even dwaas zou zijn als zijn middagmaal op de stoep te zetten en iedereen in de gelegenheid te stellen, dat te gebruiken, wat zij voor zich alleen bestemd hadden. Als deze reden den lezer niet voldoet, weet ik geen ander middel om de weinige achting te verklaren, welke men gewoonlijk ziet schenken aan karakters, die wezenlijk der menschelijke natuur veel eer aandoen, en der maatschappij het grootste voordeel opleveren. Maar het was anders met Sophia gesteld. Zij vereerde Tom Jones en verachtte den jongen heer Blifil bijna zoodra zij oud genoeg was om de beteekenis dezer beide woorden te begrijpen.
Sophia was meer dan drie jaren van huis geweest en had bij hare tante gelogeerd, gedurende welken tijd zij slechts weinig van deze beide jonge heeren gezien had. Zij dineerde echter eens met hare tante bij den heer Allworthy. Dit was slechts weinige dagen na het reeds beschrevene avontuur met de patrijs. Sophia hoorde het geheele verhaal aan tafel aan, waar zij niets zeide, en op weg naar huis, kon hare[137]tante ook maar weinig uit haar lokken; maar terwijl hare kamenier bezig was met haar uit te kleeden, zei deze bij toeval:
„Nu, jufvrouw, gij zult heden den jongen heer Blifil wel gezien hebben?” waarop Sophia met veel drift uitriep:
„Ik haat den naam van den jongen heer Blifil, als alles wat laag en verraderlijk is, en het verwondert me dat mijnheer Allworthy toeliet, dat die wreede, oude schoolmeester den anderen armen jongen zoo streng tuchtigde voor iets, dat hij alleen uit goedheid gedaan had.”
Daarop verhaalde zij alles aan de kamenier, er bijvoegende, tot slot:
„Vindt ge niet, dat hij een edele jongen is?”
De jonge dame was nu weder bij haar vader terug gekeerd, die haar het bestuur over zijne huishouding liet, en haar de eereplaats aan tafel gaf, waar Tom (die wegens zijne liefhebberij voor de jagt een groote gunsteling van den huisheer geworden was), dikwijls mede aanzat. Jongelingen van openhartigen, edelen aard, zijn van natuur geneigd tot galanterie, die, als zij daarbij gezond verstand bezitten, wat bij Tom het geval was, zich uit in een verpligtend, hoffelijk gedrag jegens alle vrouwen in het algemeen. Dit onderscheidde Tom zeer van de luidruchtige en ruwe landjonkers van den eenen kant en van den plegtstatigen, eenigzins knorrigen jongen Blifil van den anderen kant, en hij begon nu, op zoowat twintigjarigen leeftijd, den naam te hebben van „een aardigen jongen” onder alle vrouwen in de buurt.
Tom onderscheidde Sophia volstrekt niet anders dan welligt door haar meer eerbied dan aan iemand anders te betoonen. Op deze onderscheiding scheen zij aanspraak te hebben door hare positie, hare schoonheid en hare beminnelijkheid; maar voornemens omtrent haar koesterde hij in het geheel niet,—om welke reden wij voor het oogenblik het aan den lezer overlaten moeten hem van domheid te beschuldigen;—terwijl wij echter welligt later dit redelijk goed zullen kunnen verklaren.
Sophia, ofschoon zoo onschuldig en zedig als mogelijk was, bezat toch veel levendigheid van aard. Deze vermeerderde nog zoodanig als zij zich in gezelschap met Tom bevond, dat[138]als hij niet zeer jong en zeer onnadenkend geweest ware, hij het had moeten opmerken. En als de gedachten van den heer Western zelven niet doorgaans bezig waren geweest met de jagt, de stal of de honden, had het welligt eenigen argwaan bij hem opgewekt; maar de goede man was zoo ver van iets te vermoeden, dat hij Tom bij zijne dochter iedere gelegenheid verschafte, welke een minnaar had kunnen wenschen. En Tom, op de meest onschuldige wijze, maakte er beter gebruik van door alleen de ingevingen zijner aangeborene galanterie en goedaardigheid te volgen, dan hij welligt zou gedaan hebben, als hij in het geheim eenige plannen gekoesterd had op de hand van de jongedame.
Maar het kan inderdaad slechts weinig verwondering baren, dat deze zaak door anderen onopgemerkt bleef, daar de arme Sophia zelve er niets van merkte en haar hart reddeloos verloren had, eer zij zelfs vermoedde dat het in gevaar was.
Zoo stonden nu de zaken, toen Tom, op zekeren namiddag Sophia alleen vindende, na eene korte inleiding, verlof vroeg, met een heel ernstig gezigt, om eene gunst van haar af te smeeken, die hij hoopte dat zij hem niet weigeren zoude.
Hoewel noch de houding van den jongeling, noch de wijze waarop hij de zaak ingeleid had, bij haar eenig redelijk vermoeden opwekken kon, dat hij voornemens was haar zijne liefde te verklaren,—evenwel, hetzij dat de natuur haar iets in het oor fluisterde, of om eenige andere reden—dat laat ik daar,—maar zeker, is het dat iets van dien aard zich aan haar opgedrongen moet hebben; want hare wangen verbleekten, zij beefde aan alle ledematen en hare stem zou haar begeven hebben als Tom op antwoord gewacht had; maar hij verloste haar weldra uit den nood, door voort te gaan en haar zijn verzoek mede te deelen, dat niets anders was dan haar invloed in te roepen ten behoeve van den jager, wiens eigen ondergang, alsmede die zijner groote familie, gelijk hij zeide, veroorzaakt zou worden door de vervolging, door den heer Western ingesteld.
Sophia herstelde spoedig van hare verlegenheid en met een liefelijken glimlach zeide zij:
„Is dit dan de groote gunst, daar ge zoo ernstig om smeekt? Ik zal het van ganscher harte doen. Ik heb[139]wezenlijk medelijden met den armen man en pas gisteren zond ik zijne vrouw eene kleinigheid.” Deze kleinigheid bestond uit een harer eigen kleedjes, wat linnengoed en tien shillings aan geld,—waarvan Tom reeds gehoord had, en wat hem eigenlijk zijn verzoek in het hoofd gezet had.
De jongen nu, door den voorspoed aangemoedigd, besloot om de zaak verder door te zetten, en waagde zelfs te vragen dat zij den jager aanbevelen zou, om in haar vaders dienst genomen te worden, daar hij verklaarde hem te houden voor een der eerlijkste menschen van het graafschap, die ook buitengewoon geschikt was voor de plaats van jager, welke toen, gelukkig, open was.
Sophia hernam: „Nu, dit zal ik ook beproeven; maar ik kan u niet beloven daarmede zoo goed te slagen als met het eerste wat ge vraagt;—en ik verzeker u, dat ik mijn vader geen rust zal laten, tot ik dat ten minste verkregen heb. Ik zal ook alles doen wat in mijne magt ligt voor den armen man; want wezenlijk, ik heb medelijden met hem en zijn huisgezin.—En nu, mijnheer Jones, heb ik ook eene gunst van u te vragen.—”
„Eene gunst! O, als gij wist hoe gelukkig ik me gevoelde in de hoop van een bevel van u te ontvangen, dan zoudt gij begrijpen, dat door mij er een op te leggen, gij mij reeds de hoogste gunst bewijst, want bij deze lieve hand, ik zou mijn leven kunnen opofferen in uwe dienst!”
Hij greep bij deze woorden hare hand en kuste die met veel vuur, wat de eerste keer was dat hij haar met de lippen aangeraakt had. Het bloed, dat straks uit hare wangen weggevloeid was, vergoedde dit nu door met zooveel geweld terug te stroomen naar haar hals en gelaat, dat beide met een diepen blos gekleurd werden. Zij gevoelde ook nu eene gewaarwording, die haar tot nu toe vreemd was geweest, en welke, toen zij tijd vond om er over na te denken, haar bekend begon te maken met eenige geheimen, welke, als de lezer ze nu niet kent, hij met der tijd wel zal leeren inzien.
Zoodra Sophia nu spreken kon,—wat niet oogenblikkelijk was,—maakte zij hem bekend, dat de gunst welke zij van hem te vragen had, was om haar vader op de jagt[140]niet aan zooveel gevaar bloot te stellen; want uit hetgeen zij gehoord had, telkens als zij zamen uitgingen, vreesde zij haren vader met gebroken armen of beenen te huis te zien brengen. Zij smeekte hem dan, om harentwil voorzigtiger te zijn, en daar hij wel wist dat de heer Western hem overal volgen zou, niet meer zoo roekeloos te zijn te paard en geene gevaarlijke sprongen meer te doen.
Tom beloofde haar getrouw te gehoorzamen en na haar bedankt te hebben voor de vriendelijke toestemming in zijn verzoek, nam hij afscheid en ging heen, uiterst verrukt over zijn welslagen.
De arme Sophia was ook verrukt; maar op eene geheel andere wijze. Hare gevoelens echter zal zich de lezer in zijn hart (als hij er een heeft), beter kunnen voorstellen, dan ik ze zou kunnen beschrijven, al had ik even veel monden als zich ooit een dichter toegewenscht heeft,—naar ik veronderstel, om die lekkernijen te eten, waarmede hij zoo ruimschoots voorzien is.
Het was de gewoonte van den heer Western om iederen namiddag, zoodra hij dronken was, naar zijne dochter te zitten luisteren als zij op de klavecimbel speelde, want hij was een groot liefhebber der toonkunt, en als hij te Londen gewoond had, had hij welligt voor een kenner kunnen doorgaan; want hij had altijd iets te zeggen op de prachtigste compositiën van mijnheer Händel. Hij hield van geene muzijk, die niet ligt en luchtig van aard was; en zijne meest geliefkoosde deuntjes waren eenige vrolijke oude balladen en drinkliederen.
Zijne dochter, die zeer bedreven in de muzijk was, en die nooit als zij haar eigen zin had gevolgd, eenige andere muzijk dan die van Händel zou gespeeld hebben, was zoodanig begeerig om haar vader genoegen te doen, dat zij al die deuntjes leerde om hem te behagen. Evenwel trachtte zij tusschenbeide hem tot haar eigen smaak over te halen, en als hij om de herhaling zijner balladen vroeg, smeekte zij om daarvan verschoond te mogen zijn, en bad iets anders te mogen spelen.
Dezen avond echter, toen hij met de flesch gedaan had, speelde zij al zijne lievelingsstukken driemaal over, zonder dat hij er haar om verzocht. Dit beviel den goeden landjonker[141]zoo zeer, dat hij van zijn stoel opsprong, zijne dochter een kus gaf en zwoer dat zij veel aangeleerd had. Zij nam deze gelegenheid waar om hare belofte jegens Tom te houden, waarin zij zoo goed slaagde, dat haar vader verklaarde, gereed te zijn den jager den volgenden morgen zijne benoeming te zenden als zij één der balladen nog eens spelen wilde. Het lied werd gespeeld en weder gespeeld tot de bekoorlijke muzijk den heer Western in slaap suste. Den volgenden morgen verzuimde Sophia niet hem aan zijne belofte te herinneren, en zijn zaakwaarnemer werdonmiddellijkgehaald, en kreeg het bevel om de verdere vervolging te staken en tevens dadelijk de benoeming op te maken.
Tom’s welslagen in deze zaak werd spoedig door het geheele graafschap ruchtbaar, en zeer uiteenloopend waren de oordeelvellingen daarover. Sommigen keurden het goed, als een blijk van goedaardigheid; anderen spotten en zeiden, „dat het geen wonder was dat de eene deugniet den anderen voorstond.” De jonge Blifil was er woedend om. Hij had sedert lang den Zwarten George evenzeer gehaat als Tom hem bemind had,—niet om eenige grieven, welke hij tegen hem kon hebben; maar alleen uit groote liefde tot godsdienst en deugd; want de Zwarte George had den naam van een lossen klant te zijn. Blifil stelde dit dus voor als openlijk verzet tegen den heer Allworthy en verklaarde, met veel leedwezen, dat het onmogelijk was eenige andere beweegreden te vinden om zulk een ellendeling goed te doen.
Thwackum en Square hieven insgelijks hetzelfde lied aan; zij waren nu (vooral de laatste), zeer ijverzuchtig op den jongen Jones geworden tegenover de weduwe: want thans, op twintigjarigen leeftijd, was hij wezenlijk een knappe jongen, en die dame scheen, door de wijze, waarop zij hem aanhaalde, dagelijks meer en meer in dat gevoelen versterkt te worden.
Allworthy echter liet zich niet misleiden door hunne kwaadaardigheid. Hij verklaarde, zeer tevreden te zijn met Tom’s handelwijze. Hij zeide dat zijne volharding en standvastige vriendschap zeer lofwaardig waren, en het speet hem, niet meer dergelijke voorbeelden van die deugd te zien.[142]
Maar het noodlot, dat zelden ingenomen is met zulke kwasten als vriend Tom,—misschien omdat zij te weinig hun hof maken aan de godin, gaf nu eene geheel andere rigting aan zijne handelingen, en vertoonde ze aan den heer Allworthy in een veel minder gunstig licht dan hij ze tot dusver gezien had.