Hoofdstuk XIII.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Het gedrag van Sophia bij deze gelegenheid, dat door geene vrouw berispt zal worden, die tot eene dergelijke houding in staat is. Het bepleiten van een moeijelijk punt voor de regtbank van het geweten.Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid, haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar[298]ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld vooruit te komen.Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten, die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit:„O, gij zijt nog veilig te huis—en ik zal zorg dragen dat gij daar blijft!” waarop hij de deur digt sloot en den sleutel aan Honour gaf, met de strengste bevelen en vele beloften van belooning als zij hem getrouw bleef, en met de verschrikkelijkste bedreigingen van straf als zij misbruik maakte van zijn vertrouwen.Honour kreeg last om hare jonge dame, zonder verlof van haar vader, de kamer niet uit te laten, en niemand dan hem en hare tante bij haar toe te laten; zij zelve moest Sophia voorzien van al wat zij verlangde, behalve schrijfbehoeften, welker gebruik haar ten eenenmale verboden was.Western beval zijne dochter zich te kleeden en aan tafel te komen, wat zij ook deed en na den gewonen tijd daar doorgebragt te hebben, werd zij weder naar hare gevangenis gebragt.’s Avonds bragt hare bewaakster, Honour, haar den brief welken zij van den jager gekregen had. Sophia las hem een paar maal zeer oplettend over, wierp zich toen op het bed en barstte uit in een vloed van tranen. Jufvrouw Honour drukte groote verbazing uit over dit gedrag van hare meesteresse en kon niet nalaten zeer belangstellend te vragen naar de aanleiding tot deze vlaag. Sophia gaf haar een tijdlang geen antwoord en dan plotseling opspringende, greep zij haar bij de hand en riep:[299]„O Honour, ik ben ongelukkig!”„Dat verhoede de Hemel!” riep Honour. „Ik woû maar dat die brief verbrand was eer hij u in handen kwam! Ik dacht zeker dat hij u genoegen zou doen, of de drommel zou hem gehaald hebben eer ik hem meêgenomen had!”„Ge zijt een goed meisje, Honour,” zei Sophia, „en het zou te vergeefs zijn als ik mijne zwakheid langer voor u verbergen wilde. Ik heb mijn hart weggeworpen aan een man, die mij verlaten heeft!”„En is mijnheer Jones zulk een verraderlijk mensch?” vroeg de dienaresse.„Hij neemt voor altijd afscheid van mij in dezen brief,” hernam Sophia. „Ja, hij vergt zelfs van me dat ik hem vergeten zou. Had hij dit kunnen doen als hij mij lief had? Had hij aan zoo iets kunnen denken? Had hij zoo iets kunnen schrijven?”„Neen, zeker niet, jufvrouw!” riep Honour. „Maar zooveel is zeker: als de beste man in geheel Engeland mij vroeg om hem te vergeten, zou ik hem bij zijn woord nemen! Heere mijn tijd! De jufvrouw heeft hem al te veel eer bewezen, met ooit aan hem te denken. Eene jonge dame, die onder alle jonge lieden in het graafschap kiezen kon!—En zeker, als ik het wagen mogtmijngevoelen te zeggen, daar is de jonge heer Blifil, die, behalve dat hij van eerlijke afkomst is, en eens een der grootste heeren in den omtrek zal zijn,—naar mijn bescheiden oordeel ten minste,—nog eens zoo mooi en beschaafd is, en bovendien is hij een jong mensch van geregelden aard, en van wien geen mensch ter wereld één woord kwaad kan spreken;—hij loopt geene smerige meiden achterna;—niemand kan zeggen, dat hij de vader is van haar kind!—Hem vergeten inderdaad! Ik dank den Hemel, dat ik niet zoo diep gevallen ben, dat iemand het regt zou hebben tweemaal tot mij te zeggen datikhem vergeten moest! Als de beste man die een hoofd op de schouders heeft,mijzulk eene beleediging aandeed, zou ik hem nooit daarna een goed woord geven,—zoo lang er nog één jong mensch, behalve hij, in het land te vinden was! En zoo als ik zeide, daar is de jonge heer Blifil,—”„Noem dien gehaten naam niet!” riep Sophia.[300]„O jufvrouw,” zei Honour, „als de jufvrouw niet van hem houdt, dan zijn er knappe jongens genoeg die u het hof zouden willen maken, als zij maar de minste aanmoediging kregen! Ik geloof niet dat er één jonge heer in het heele graafschap is, of in al de omliggende graafschappen, die als hij maar dacht dat de jufvrouw een goed oog op hem werpen wilde, niet dadelijk met een aanbod van zijne hand voor den dag zou komen.”„Voor welk ellendig wezen houdt ge mij,” vroeg Sophia, „dat ge het waagt mij met zulken onzin te beleedigen? Ik haat alle mannen!”„Ja, dat is waar,” hernam Honour; „de jufvrouw heeft er genoeg van geleden, om daarvan te walgen! Zoo mishandeld te worden door zulk een armoedigen ellendigen, bastaard!”„Zwijg met uwe heiligschennis!” riep Sophia; „hoe durft gij hem te noemen zonder eerbied? Hij mij slecht behandelen! Neen, zijn arm, bloedend hart leed meer toen hij die wreede woorden nederschreef dan ik toen ik ze las. O, hij is een held, en een engel van deugd en goedheid! Ik schaam me over mijne eigene zwakheid, dat ik datgene berispte wat ik had moeten bewonderen!—O, Honour, hij denkt alleen aan mijn welzijn! Aan mijne belangen offert hij zich zelven en mij op!—De vrees van mij ongelukkig te maken, heeft hem tot wanhoop gebragt!”„Het doet me heel veel genoegen te hooren dat gij dat in aanmerking neemt, jufvrouw,” zei Honour, „want het is waar, het zou u te gronde rigten als ge uwe zinnen wildet vestigen op iemand, die de deur uitgezet is en geen duit ter wereld bezit.”„De deur uitgezet!” riep Sophia driftig. „Wat bedoelt gij?”„Wel jufvrouw, zoodra mijnheer aan den heer Allworthy verteld had, hoe de heer Jones het gewaagd had u het hof te maken, heeft hij hem, zonder een hemd aan het lijf, naakt als hij ter wereld kwam, de deur uitgezet!”„O,” zuchtte Sophia, „dan ben ik de rampzalige, door den Hemel verzaakte oorzaak zijner rampen!—De deur uitgezet, zonder middelen!—Hier, Honour, neem al het geld dat ik bezit;—neem de ringen van mijne vingers;—[301]hier, mijn horologie ook! Breng hem alles! Vlieg, en zoek hem op!”„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren. Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te verliezen!”Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar, onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden, toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde. Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te gevoelen over zulk eene kleinigheid.”Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval, waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond, waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het verschil in deze twee gevallen[302]niet bestond tusschen de verschillende trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot gevaar liep van ontdekt te worden.Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te overhandigen.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Het gedrag van Sophia bij deze gelegenheid, dat door geene vrouw berispt zal worden, die tot eene dergelijke houding in staat is. Het bepleiten van een moeijelijk punt voor de regtbank van het geweten.Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid, haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar[298]ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld vooruit te komen.Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten, die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit:„O, gij zijt nog veilig te huis—en ik zal zorg dragen dat gij daar blijft!” waarop hij de deur digt sloot en den sleutel aan Honour gaf, met de strengste bevelen en vele beloften van belooning als zij hem getrouw bleef, en met de verschrikkelijkste bedreigingen van straf als zij misbruik maakte van zijn vertrouwen.Honour kreeg last om hare jonge dame, zonder verlof van haar vader, de kamer niet uit te laten, en niemand dan hem en hare tante bij haar toe te laten; zij zelve moest Sophia voorzien van al wat zij verlangde, behalve schrijfbehoeften, welker gebruik haar ten eenenmale verboden was.Western beval zijne dochter zich te kleeden en aan tafel te komen, wat zij ook deed en na den gewonen tijd daar doorgebragt te hebben, werd zij weder naar hare gevangenis gebragt.’s Avonds bragt hare bewaakster, Honour, haar den brief welken zij van den jager gekregen had. Sophia las hem een paar maal zeer oplettend over, wierp zich toen op het bed en barstte uit in een vloed van tranen. Jufvrouw Honour drukte groote verbazing uit over dit gedrag van hare meesteresse en kon niet nalaten zeer belangstellend te vragen naar de aanleiding tot deze vlaag. Sophia gaf haar een tijdlang geen antwoord en dan plotseling opspringende, greep zij haar bij de hand en riep:[299]„O Honour, ik ben ongelukkig!”„Dat verhoede de Hemel!” riep Honour. „Ik woû maar dat die brief verbrand was eer hij u in handen kwam! Ik dacht zeker dat hij u genoegen zou doen, of de drommel zou hem gehaald hebben eer ik hem meêgenomen had!”„Ge zijt een goed meisje, Honour,” zei Sophia, „en het zou te vergeefs zijn als ik mijne zwakheid langer voor u verbergen wilde. Ik heb mijn hart weggeworpen aan een man, die mij verlaten heeft!”„En is mijnheer Jones zulk een verraderlijk mensch?” vroeg de dienaresse.„Hij neemt voor altijd afscheid van mij in dezen brief,” hernam Sophia. „Ja, hij vergt zelfs van me dat ik hem vergeten zou. Had hij dit kunnen doen als hij mij lief had? Had hij aan zoo iets kunnen denken? Had hij zoo iets kunnen schrijven?”„Neen, zeker niet, jufvrouw!” riep Honour. „Maar zooveel is zeker: als de beste man in geheel Engeland mij vroeg om hem te vergeten, zou ik hem bij zijn woord nemen! Heere mijn tijd! De jufvrouw heeft hem al te veel eer bewezen, met ooit aan hem te denken. Eene jonge dame, die onder alle jonge lieden in het graafschap kiezen kon!—En zeker, als ik het wagen mogtmijngevoelen te zeggen, daar is de jonge heer Blifil, die, behalve dat hij van eerlijke afkomst is, en eens een der grootste heeren in den omtrek zal zijn,—naar mijn bescheiden oordeel ten minste,—nog eens zoo mooi en beschaafd is, en bovendien is hij een jong mensch van geregelden aard, en van wien geen mensch ter wereld één woord kwaad kan spreken;—hij loopt geene smerige meiden achterna;—niemand kan zeggen, dat hij de vader is van haar kind!—Hem vergeten inderdaad! Ik dank den Hemel, dat ik niet zoo diep gevallen ben, dat iemand het regt zou hebben tweemaal tot mij te zeggen datikhem vergeten moest! Als de beste man die een hoofd op de schouders heeft,mijzulk eene beleediging aandeed, zou ik hem nooit daarna een goed woord geven,—zoo lang er nog één jong mensch, behalve hij, in het land te vinden was! En zoo als ik zeide, daar is de jonge heer Blifil,—”„Noem dien gehaten naam niet!” riep Sophia.[300]„O jufvrouw,” zei Honour, „als de jufvrouw niet van hem houdt, dan zijn er knappe jongens genoeg die u het hof zouden willen maken, als zij maar de minste aanmoediging kregen! Ik geloof niet dat er één jonge heer in het heele graafschap is, of in al de omliggende graafschappen, die als hij maar dacht dat de jufvrouw een goed oog op hem werpen wilde, niet dadelijk met een aanbod van zijne hand voor den dag zou komen.”„Voor welk ellendig wezen houdt ge mij,” vroeg Sophia, „dat ge het waagt mij met zulken onzin te beleedigen? Ik haat alle mannen!”„Ja, dat is waar,” hernam Honour; „de jufvrouw heeft er genoeg van geleden, om daarvan te walgen! Zoo mishandeld te worden door zulk een armoedigen ellendigen, bastaard!”„Zwijg met uwe heiligschennis!” riep Sophia; „hoe durft gij hem te noemen zonder eerbied? Hij mij slecht behandelen! Neen, zijn arm, bloedend hart leed meer toen hij die wreede woorden nederschreef dan ik toen ik ze las. O, hij is een held, en een engel van deugd en goedheid! Ik schaam me over mijne eigene zwakheid, dat ik datgene berispte wat ik had moeten bewonderen!—O, Honour, hij denkt alleen aan mijn welzijn! Aan mijne belangen offert hij zich zelven en mij op!—De vrees van mij ongelukkig te maken, heeft hem tot wanhoop gebragt!”„Het doet me heel veel genoegen te hooren dat gij dat in aanmerking neemt, jufvrouw,” zei Honour, „want het is waar, het zou u te gronde rigten als ge uwe zinnen wildet vestigen op iemand, die de deur uitgezet is en geen duit ter wereld bezit.”„De deur uitgezet!” riep Sophia driftig. „Wat bedoelt gij?”„Wel jufvrouw, zoodra mijnheer aan den heer Allworthy verteld had, hoe de heer Jones het gewaagd had u het hof te maken, heeft hij hem, zonder een hemd aan het lijf, naakt als hij ter wereld kwam, de deur uitgezet!”„O,” zuchtte Sophia, „dan ben ik de rampzalige, door den Hemel verzaakte oorzaak zijner rampen!—De deur uitgezet, zonder middelen!—Hier, Honour, neem al het geld dat ik bezit;—neem de ringen van mijne vingers;—[301]hier, mijn horologie ook! Breng hem alles! Vlieg, en zoek hem op!”„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren. Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te verliezen!”Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar, onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden, toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde. Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te gevoelen over zulk eene kleinigheid.”Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval, waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond, waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het verschil in deze twee gevallen[302]niet bestond tusschen de verschillende trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot gevaar liep van ontdekt te worden.Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te overhandigen.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Het gedrag van Sophia bij deze gelegenheid, dat door geene vrouw berispt zal worden, die tot eene dergelijke houding in staat is. Het bepleiten van een moeijelijk punt voor de regtbank van het geweten.Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid, haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar[298]ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld vooruit te komen.Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten, die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit:„O, gij zijt nog veilig te huis—en ik zal zorg dragen dat gij daar blijft!” waarop hij de deur digt sloot en den sleutel aan Honour gaf, met de strengste bevelen en vele beloften van belooning als zij hem getrouw bleef, en met de verschrikkelijkste bedreigingen van straf als zij misbruik maakte van zijn vertrouwen.Honour kreeg last om hare jonge dame, zonder verlof van haar vader, de kamer niet uit te laten, en niemand dan hem en hare tante bij haar toe te laten; zij zelve moest Sophia voorzien van al wat zij verlangde, behalve schrijfbehoeften, welker gebruik haar ten eenenmale verboden was.Western beval zijne dochter zich te kleeden en aan tafel te komen, wat zij ook deed en na den gewonen tijd daar doorgebragt te hebben, werd zij weder naar hare gevangenis gebragt.’s Avonds bragt hare bewaakster, Honour, haar den brief welken zij van den jager gekregen had. Sophia las hem een paar maal zeer oplettend over, wierp zich toen op het bed en barstte uit in een vloed van tranen. Jufvrouw Honour drukte groote verbazing uit over dit gedrag van hare meesteresse en kon niet nalaten zeer belangstellend te vragen naar de aanleiding tot deze vlaag. Sophia gaf haar een tijdlang geen antwoord en dan plotseling opspringende, greep zij haar bij de hand en riep:[299]„O Honour, ik ben ongelukkig!”„Dat verhoede de Hemel!” riep Honour. „Ik woû maar dat die brief verbrand was eer hij u in handen kwam! Ik dacht zeker dat hij u genoegen zou doen, of de drommel zou hem gehaald hebben eer ik hem meêgenomen had!”„Ge zijt een goed meisje, Honour,” zei Sophia, „en het zou te vergeefs zijn als ik mijne zwakheid langer voor u verbergen wilde. Ik heb mijn hart weggeworpen aan een man, die mij verlaten heeft!”„En is mijnheer Jones zulk een verraderlijk mensch?” vroeg de dienaresse.„Hij neemt voor altijd afscheid van mij in dezen brief,” hernam Sophia. „Ja, hij vergt zelfs van me dat ik hem vergeten zou. Had hij dit kunnen doen als hij mij lief had? Had hij aan zoo iets kunnen denken? Had hij zoo iets kunnen schrijven?”„Neen, zeker niet, jufvrouw!” riep Honour. „Maar zooveel is zeker: als de beste man in geheel Engeland mij vroeg om hem te vergeten, zou ik hem bij zijn woord nemen! Heere mijn tijd! De jufvrouw heeft hem al te veel eer bewezen, met ooit aan hem te denken. Eene jonge dame, die onder alle jonge lieden in het graafschap kiezen kon!—En zeker, als ik het wagen mogtmijngevoelen te zeggen, daar is de jonge heer Blifil, die, behalve dat hij van eerlijke afkomst is, en eens een der grootste heeren in den omtrek zal zijn,—naar mijn bescheiden oordeel ten minste,—nog eens zoo mooi en beschaafd is, en bovendien is hij een jong mensch van geregelden aard, en van wien geen mensch ter wereld één woord kwaad kan spreken;—hij loopt geene smerige meiden achterna;—niemand kan zeggen, dat hij de vader is van haar kind!—Hem vergeten inderdaad! Ik dank den Hemel, dat ik niet zoo diep gevallen ben, dat iemand het regt zou hebben tweemaal tot mij te zeggen datikhem vergeten moest! Als de beste man die een hoofd op de schouders heeft,mijzulk eene beleediging aandeed, zou ik hem nooit daarna een goed woord geven,—zoo lang er nog één jong mensch, behalve hij, in het land te vinden was! En zoo als ik zeide, daar is de jonge heer Blifil,—”„Noem dien gehaten naam niet!” riep Sophia.[300]„O jufvrouw,” zei Honour, „als de jufvrouw niet van hem houdt, dan zijn er knappe jongens genoeg die u het hof zouden willen maken, als zij maar de minste aanmoediging kregen! Ik geloof niet dat er één jonge heer in het heele graafschap is, of in al de omliggende graafschappen, die als hij maar dacht dat de jufvrouw een goed oog op hem werpen wilde, niet dadelijk met een aanbod van zijne hand voor den dag zou komen.”„Voor welk ellendig wezen houdt ge mij,” vroeg Sophia, „dat ge het waagt mij met zulken onzin te beleedigen? Ik haat alle mannen!”„Ja, dat is waar,” hernam Honour; „de jufvrouw heeft er genoeg van geleden, om daarvan te walgen! Zoo mishandeld te worden door zulk een armoedigen ellendigen, bastaard!”„Zwijg met uwe heiligschennis!” riep Sophia; „hoe durft gij hem te noemen zonder eerbied? Hij mij slecht behandelen! Neen, zijn arm, bloedend hart leed meer toen hij die wreede woorden nederschreef dan ik toen ik ze las. O, hij is een held, en een engel van deugd en goedheid! Ik schaam me over mijne eigene zwakheid, dat ik datgene berispte wat ik had moeten bewonderen!—O, Honour, hij denkt alleen aan mijn welzijn! Aan mijne belangen offert hij zich zelven en mij op!—De vrees van mij ongelukkig te maken, heeft hem tot wanhoop gebragt!”„Het doet me heel veel genoegen te hooren dat gij dat in aanmerking neemt, jufvrouw,” zei Honour, „want het is waar, het zou u te gronde rigten als ge uwe zinnen wildet vestigen op iemand, die de deur uitgezet is en geen duit ter wereld bezit.”„De deur uitgezet!” riep Sophia driftig. „Wat bedoelt gij?”„Wel jufvrouw, zoodra mijnheer aan den heer Allworthy verteld had, hoe de heer Jones het gewaagd had u het hof te maken, heeft hij hem, zonder een hemd aan het lijf, naakt als hij ter wereld kwam, de deur uitgezet!”„O,” zuchtte Sophia, „dan ben ik de rampzalige, door den Hemel verzaakte oorzaak zijner rampen!—De deur uitgezet, zonder middelen!—Hier, Honour, neem al het geld dat ik bezit;—neem de ringen van mijne vingers;—[301]hier, mijn horologie ook! Breng hem alles! Vlieg, en zoek hem op!”„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren. Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te verliezen!”Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar, onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden, toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde. Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te gevoelen over zulk eene kleinigheid.”Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval, waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond, waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het verschil in deze twee gevallen[302]niet bestond tusschen de verschillende trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot gevaar liep van ontdekt te worden.Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te overhandigen.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Het gedrag van Sophia bij deze gelegenheid, dat door geene vrouw berispt zal worden, die tot eene dergelijke houding in staat is. Het bepleiten van een moeijelijk punt voor de regtbank van het geweten.Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid, haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar[298]ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld vooruit te komen.Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten, die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit:„O, gij zijt nog veilig te huis—en ik zal zorg dragen dat gij daar blijft!” waarop hij de deur digt sloot en den sleutel aan Honour gaf, met de strengste bevelen en vele beloften van belooning als zij hem getrouw bleef, en met de verschrikkelijkste bedreigingen van straf als zij misbruik maakte van zijn vertrouwen.Honour kreeg last om hare jonge dame, zonder verlof van haar vader, de kamer niet uit te laten, en niemand dan hem en hare tante bij haar toe te laten; zij zelve moest Sophia voorzien van al wat zij verlangde, behalve schrijfbehoeften, welker gebruik haar ten eenenmale verboden was.Western beval zijne dochter zich te kleeden en aan tafel te komen, wat zij ook deed en na den gewonen tijd daar doorgebragt te hebben, werd zij weder naar hare gevangenis gebragt.’s Avonds bragt hare bewaakster, Honour, haar den brief welken zij van den jager gekregen had. Sophia las hem een paar maal zeer oplettend over, wierp zich toen op het bed en barstte uit in een vloed van tranen. Jufvrouw Honour drukte groote verbazing uit over dit gedrag van hare meesteresse en kon niet nalaten zeer belangstellend te vragen naar de aanleiding tot deze vlaag. Sophia gaf haar een tijdlang geen antwoord en dan plotseling opspringende, greep zij haar bij de hand en riep:[299]„O Honour, ik ben ongelukkig!”„Dat verhoede de Hemel!” riep Honour. „Ik woû maar dat die brief verbrand was eer hij u in handen kwam! Ik dacht zeker dat hij u genoegen zou doen, of de drommel zou hem gehaald hebben eer ik hem meêgenomen had!”„Ge zijt een goed meisje, Honour,” zei Sophia, „en het zou te vergeefs zijn als ik mijne zwakheid langer voor u verbergen wilde. Ik heb mijn hart weggeworpen aan een man, die mij verlaten heeft!”„En is mijnheer Jones zulk een verraderlijk mensch?” vroeg de dienaresse.„Hij neemt voor altijd afscheid van mij in dezen brief,” hernam Sophia. „Ja, hij vergt zelfs van me dat ik hem vergeten zou. Had hij dit kunnen doen als hij mij lief had? Had hij aan zoo iets kunnen denken? Had hij zoo iets kunnen schrijven?”„Neen, zeker niet, jufvrouw!” riep Honour. „Maar zooveel is zeker: als de beste man in geheel Engeland mij vroeg om hem te vergeten, zou ik hem bij zijn woord nemen! Heere mijn tijd! De jufvrouw heeft hem al te veel eer bewezen, met ooit aan hem te denken. Eene jonge dame, die onder alle jonge lieden in het graafschap kiezen kon!—En zeker, als ik het wagen mogtmijngevoelen te zeggen, daar is de jonge heer Blifil, die, behalve dat hij van eerlijke afkomst is, en eens een der grootste heeren in den omtrek zal zijn,—naar mijn bescheiden oordeel ten minste,—nog eens zoo mooi en beschaafd is, en bovendien is hij een jong mensch van geregelden aard, en van wien geen mensch ter wereld één woord kwaad kan spreken;—hij loopt geene smerige meiden achterna;—niemand kan zeggen, dat hij de vader is van haar kind!—Hem vergeten inderdaad! Ik dank den Hemel, dat ik niet zoo diep gevallen ben, dat iemand het regt zou hebben tweemaal tot mij te zeggen datikhem vergeten moest! Als de beste man die een hoofd op de schouders heeft,mijzulk eene beleediging aandeed, zou ik hem nooit daarna een goed woord geven,—zoo lang er nog één jong mensch, behalve hij, in het land te vinden was! En zoo als ik zeide, daar is de jonge heer Blifil,—”„Noem dien gehaten naam niet!” riep Sophia.[300]„O jufvrouw,” zei Honour, „als de jufvrouw niet van hem houdt, dan zijn er knappe jongens genoeg die u het hof zouden willen maken, als zij maar de minste aanmoediging kregen! Ik geloof niet dat er één jonge heer in het heele graafschap is, of in al de omliggende graafschappen, die als hij maar dacht dat de jufvrouw een goed oog op hem werpen wilde, niet dadelijk met een aanbod van zijne hand voor den dag zou komen.”„Voor welk ellendig wezen houdt ge mij,” vroeg Sophia, „dat ge het waagt mij met zulken onzin te beleedigen? Ik haat alle mannen!”„Ja, dat is waar,” hernam Honour; „de jufvrouw heeft er genoeg van geleden, om daarvan te walgen! Zoo mishandeld te worden door zulk een armoedigen ellendigen, bastaard!”„Zwijg met uwe heiligschennis!” riep Sophia; „hoe durft gij hem te noemen zonder eerbied? Hij mij slecht behandelen! Neen, zijn arm, bloedend hart leed meer toen hij die wreede woorden nederschreef dan ik toen ik ze las. O, hij is een held, en een engel van deugd en goedheid! Ik schaam me over mijne eigene zwakheid, dat ik datgene berispte wat ik had moeten bewonderen!—O, Honour, hij denkt alleen aan mijn welzijn! Aan mijne belangen offert hij zich zelven en mij op!—De vrees van mij ongelukkig te maken, heeft hem tot wanhoop gebragt!”„Het doet me heel veel genoegen te hooren dat gij dat in aanmerking neemt, jufvrouw,” zei Honour, „want het is waar, het zou u te gronde rigten als ge uwe zinnen wildet vestigen op iemand, die de deur uitgezet is en geen duit ter wereld bezit.”„De deur uitgezet!” riep Sophia driftig. „Wat bedoelt gij?”„Wel jufvrouw, zoodra mijnheer aan den heer Allworthy verteld had, hoe de heer Jones het gewaagd had u het hof te maken, heeft hij hem, zonder een hemd aan het lijf, naakt als hij ter wereld kwam, de deur uitgezet!”„O,” zuchtte Sophia, „dan ben ik de rampzalige, door den Hemel verzaakte oorzaak zijner rampen!—De deur uitgezet, zonder middelen!—Hier, Honour, neem al het geld dat ik bezit;—neem de ringen van mijne vingers;—[301]hier, mijn horologie ook! Breng hem alles! Vlieg, en zoek hem op!”„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren. Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te verliezen!”Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar, onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden, toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde. Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te gevoelen over zulk eene kleinigheid.”Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval, waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond, waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het verschil in deze twee gevallen[302]niet bestond tusschen de verschillende trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot gevaar liep van ontdekt te worden.Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te overhandigen.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Het gedrag van Sophia bij deze gelegenheid, dat door geene vrouw berispt zal worden, die tot eene dergelijke houding in staat is. Het bepleiten van een moeijelijk punt voor de regtbank van het geweten.Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid, haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar[298]ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld vooruit te komen.Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten, die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit:„O, gij zijt nog veilig te huis—en ik zal zorg dragen dat gij daar blijft!” waarop hij de deur digt sloot en den sleutel aan Honour gaf, met de strengste bevelen en vele beloften van belooning als zij hem getrouw bleef, en met de verschrikkelijkste bedreigingen van straf als zij misbruik maakte van zijn vertrouwen.Honour kreeg last om hare jonge dame, zonder verlof van haar vader, de kamer niet uit te laten, en niemand dan hem en hare tante bij haar toe te laten; zij zelve moest Sophia voorzien van al wat zij verlangde, behalve schrijfbehoeften, welker gebruik haar ten eenenmale verboden was.Western beval zijne dochter zich te kleeden en aan tafel te komen, wat zij ook deed en na den gewonen tijd daar doorgebragt te hebben, werd zij weder naar hare gevangenis gebragt.’s Avonds bragt hare bewaakster, Honour, haar den brief welken zij van den jager gekregen had. Sophia las hem een paar maal zeer oplettend over, wierp zich toen op het bed en barstte uit in een vloed van tranen. Jufvrouw Honour drukte groote verbazing uit over dit gedrag van hare meesteresse en kon niet nalaten zeer belangstellend te vragen naar de aanleiding tot deze vlaag. Sophia gaf haar een tijdlang geen antwoord en dan plotseling opspringende, greep zij haar bij de hand en riep:[299]„O Honour, ik ben ongelukkig!”„Dat verhoede de Hemel!” riep Honour. „Ik woû maar dat die brief verbrand was eer hij u in handen kwam! Ik dacht zeker dat hij u genoegen zou doen, of de drommel zou hem gehaald hebben eer ik hem meêgenomen had!”„Ge zijt een goed meisje, Honour,” zei Sophia, „en het zou te vergeefs zijn als ik mijne zwakheid langer voor u verbergen wilde. Ik heb mijn hart weggeworpen aan een man, die mij verlaten heeft!”„En is mijnheer Jones zulk een verraderlijk mensch?” vroeg de dienaresse.„Hij neemt voor altijd afscheid van mij in dezen brief,” hernam Sophia. „Ja, hij vergt zelfs van me dat ik hem vergeten zou. Had hij dit kunnen doen als hij mij lief had? Had hij aan zoo iets kunnen denken? Had hij zoo iets kunnen schrijven?”„Neen, zeker niet, jufvrouw!” riep Honour. „Maar zooveel is zeker: als de beste man in geheel Engeland mij vroeg om hem te vergeten, zou ik hem bij zijn woord nemen! Heere mijn tijd! De jufvrouw heeft hem al te veel eer bewezen, met ooit aan hem te denken. Eene jonge dame, die onder alle jonge lieden in het graafschap kiezen kon!—En zeker, als ik het wagen mogtmijngevoelen te zeggen, daar is de jonge heer Blifil, die, behalve dat hij van eerlijke afkomst is, en eens een der grootste heeren in den omtrek zal zijn,—naar mijn bescheiden oordeel ten minste,—nog eens zoo mooi en beschaafd is, en bovendien is hij een jong mensch van geregelden aard, en van wien geen mensch ter wereld één woord kwaad kan spreken;—hij loopt geene smerige meiden achterna;—niemand kan zeggen, dat hij de vader is van haar kind!—Hem vergeten inderdaad! Ik dank den Hemel, dat ik niet zoo diep gevallen ben, dat iemand het regt zou hebben tweemaal tot mij te zeggen datikhem vergeten moest! Als de beste man die een hoofd op de schouders heeft,mijzulk eene beleediging aandeed, zou ik hem nooit daarna een goed woord geven,—zoo lang er nog één jong mensch, behalve hij, in het land te vinden was! En zoo als ik zeide, daar is de jonge heer Blifil,—”„Noem dien gehaten naam niet!” riep Sophia.[300]„O jufvrouw,” zei Honour, „als de jufvrouw niet van hem houdt, dan zijn er knappe jongens genoeg die u het hof zouden willen maken, als zij maar de minste aanmoediging kregen! Ik geloof niet dat er één jonge heer in het heele graafschap is, of in al de omliggende graafschappen, die als hij maar dacht dat de jufvrouw een goed oog op hem werpen wilde, niet dadelijk met een aanbod van zijne hand voor den dag zou komen.”„Voor welk ellendig wezen houdt ge mij,” vroeg Sophia, „dat ge het waagt mij met zulken onzin te beleedigen? Ik haat alle mannen!”„Ja, dat is waar,” hernam Honour; „de jufvrouw heeft er genoeg van geleden, om daarvan te walgen! Zoo mishandeld te worden door zulk een armoedigen ellendigen, bastaard!”„Zwijg met uwe heiligschennis!” riep Sophia; „hoe durft gij hem te noemen zonder eerbied? Hij mij slecht behandelen! Neen, zijn arm, bloedend hart leed meer toen hij die wreede woorden nederschreef dan ik toen ik ze las. O, hij is een held, en een engel van deugd en goedheid! Ik schaam me over mijne eigene zwakheid, dat ik datgene berispte wat ik had moeten bewonderen!—O, Honour, hij denkt alleen aan mijn welzijn! Aan mijne belangen offert hij zich zelven en mij op!—De vrees van mij ongelukkig te maken, heeft hem tot wanhoop gebragt!”„Het doet me heel veel genoegen te hooren dat gij dat in aanmerking neemt, jufvrouw,” zei Honour, „want het is waar, het zou u te gronde rigten als ge uwe zinnen wildet vestigen op iemand, die de deur uitgezet is en geen duit ter wereld bezit.”„De deur uitgezet!” riep Sophia driftig. „Wat bedoelt gij?”„Wel jufvrouw, zoodra mijnheer aan den heer Allworthy verteld had, hoe de heer Jones het gewaagd had u het hof te maken, heeft hij hem, zonder een hemd aan het lijf, naakt als hij ter wereld kwam, de deur uitgezet!”„O,” zuchtte Sophia, „dan ben ik de rampzalige, door den Hemel verzaakte oorzaak zijner rampen!—De deur uitgezet, zonder middelen!—Hier, Honour, neem al het geld dat ik bezit;—neem de ringen van mijne vingers;—[301]hier, mijn horologie ook! Breng hem alles! Vlieg, en zoek hem op!”„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren. Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te verliezen!”Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar, onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden, toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde. Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te gevoelen over zulk eene kleinigheid.”Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval, waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond, waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het verschil in deze twee gevallen[302]niet bestond tusschen de verschillende trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot gevaar liep van ontdekt te worden.Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te overhandigen.

Hoofdstuk XIII.Het gedrag van Sophia bij deze gelegenheid, dat door geene vrouw berispt zal worden, die tot eene dergelijke houding in staat is. Het bepleiten van een moeijelijk punt voor de regtbank van het geweten.

Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid, haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar[298]ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld vooruit te komen.Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten, die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit:„O, gij zijt nog veilig te huis—en ik zal zorg dragen dat gij daar blijft!” waarop hij de deur digt sloot en den sleutel aan Honour gaf, met de strengste bevelen en vele beloften van belooning als zij hem getrouw bleef, en met de verschrikkelijkste bedreigingen van straf als zij misbruik maakte van zijn vertrouwen.Honour kreeg last om hare jonge dame, zonder verlof van haar vader, de kamer niet uit te laten, en niemand dan hem en hare tante bij haar toe te laten; zij zelve moest Sophia voorzien van al wat zij verlangde, behalve schrijfbehoeften, welker gebruik haar ten eenenmale verboden was.Western beval zijne dochter zich te kleeden en aan tafel te komen, wat zij ook deed en na den gewonen tijd daar doorgebragt te hebben, werd zij weder naar hare gevangenis gebragt.’s Avonds bragt hare bewaakster, Honour, haar den brief welken zij van den jager gekregen had. Sophia las hem een paar maal zeer oplettend over, wierp zich toen op het bed en barstte uit in een vloed van tranen. Jufvrouw Honour drukte groote verbazing uit over dit gedrag van hare meesteresse en kon niet nalaten zeer belangstellend te vragen naar de aanleiding tot deze vlaag. Sophia gaf haar een tijdlang geen antwoord en dan plotseling opspringende, greep zij haar bij de hand en riep:[299]„O Honour, ik ben ongelukkig!”„Dat verhoede de Hemel!” riep Honour. „Ik woû maar dat die brief verbrand was eer hij u in handen kwam! Ik dacht zeker dat hij u genoegen zou doen, of de drommel zou hem gehaald hebben eer ik hem meêgenomen had!”„Ge zijt een goed meisje, Honour,” zei Sophia, „en het zou te vergeefs zijn als ik mijne zwakheid langer voor u verbergen wilde. Ik heb mijn hart weggeworpen aan een man, die mij verlaten heeft!”„En is mijnheer Jones zulk een verraderlijk mensch?” vroeg de dienaresse.„Hij neemt voor altijd afscheid van mij in dezen brief,” hernam Sophia. „Ja, hij vergt zelfs van me dat ik hem vergeten zou. Had hij dit kunnen doen als hij mij lief had? Had hij aan zoo iets kunnen denken? Had hij zoo iets kunnen schrijven?”„Neen, zeker niet, jufvrouw!” riep Honour. „Maar zooveel is zeker: als de beste man in geheel Engeland mij vroeg om hem te vergeten, zou ik hem bij zijn woord nemen! Heere mijn tijd! De jufvrouw heeft hem al te veel eer bewezen, met ooit aan hem te denken. Eene jonge dame, die onder alle jonge lieden in het graafschap kiezen kon!—En zeker, als ik het wagen mogtmijngevoelen te zeggen, daar is de jonge heer Blifil, die, behalve dat hij van eerlijke afkomst is, en eens een der grootste heeren in den omtrek zal zijn,—naar mijn bescheiden oordeel ten minste,—nog eens zoo mooi en beschaafd is, en bovendien is hij een jong mensch van geregelden aard, en van wien geen mensch ter wereld één woord kwaad kan spreken;—hij loopt geene smerige meiden achterna;—niemand kan zeggen, dat hij de vader is van haar kind!—Hem vergeten inderdaad! Ik dank den Hemel, dat ik niet zoo diep gevallen ben, dat iemand het regt zou hebben tweemaal tot mij te zeggen datikhem vergeten moest! Als de beste man die een hoofd op de schouders heeft,mijzulk eene beleediging aandeed, zou ik hem nooit daarna een goed woord geven,—zoo lang er nog één jong mensch, behalve hij, in het land te vinden was! En zoo als ik zeide, daar is de jonge heer Blifil,—”„Noem dien gehaten naam niet!” riep Sophia.[300]„O jufvrouw,” zei Honour, „als de jufvrouw niet van hem houdt, dan zijn er knappe jongens genoeg die u het hof zouden willen maken, als zij maar de minste aanmoediging kregen! Ik geloof niet dat er één jonge heer in het heele graafschap is, of in al de omliggende graafschappen, die als hij maar dacht dat de jufvrouw een goed oog op hem werpen wilde, niet dadelijk met een aanbod van zijne hand voor den dag zou komen.”„Voor welk ellendig wezen houdt ge mij,” vroeg Sophia, „dat ge het waagt mij met zulken onzin te beleedigen? Ik haat alle mannen!”„Ja, dat is waar,” hernam Honour; „de jufvrouw heeft er genoeg van geleden, om daarvan te walgen! Zoo mishandeld te worden door zulk een armoedigen ellendigen, bastaard!”„Zwijg met uwe heiligschennis!” riep Sophia; „hoe durft gij hem te noemen zonder eerbied? Hij mij slecht behandelen! Neen, zijn arm, bloedend hart leed meer toen hij die wreede woorden nederschreef dan ik toen ik ze las. O, hij is een held, en een engel van deugd en goedheid! Ik schaam me over mijne eigene zwakheid, dat ik datgene berispte wat ik had moeten bewonderen!—O, Honour, hij denkt alleen aan mijn welzijn! Aan mijne belangen offert hij zich zelven en mij op!—De vrees van mij ongelukkig te maken, heeft hem tot wanhoop gebragt!”„Het doet me heel veel genoegen te hooren dat gij dat in aanmerking neemt, jufvrouw,” zei Honour, „want het is waar, het zou u te gronde rigten als ge uwe zinnen wildet vestigen op iemand, die de deur uitgezet is en geen duit ter wereld bezit.”„De deur uitgezet!” riep Sophia driftig. „Wat bedoelt gij?”„Wel jufvrouw, zoodra mijnheer aan den heer Allworthy verteld had, hoe de heer Jones het gewaagd had u het hof te maken, heeft hij hem, zonder een hemd aan het lijf, naakt als hij ter wereld kwam, de deur uitgezet!”„O,” zuchtte Sophia, „dan ben ik de rampzalige, door den Hemel verzaakte oorzaak zijner rampen!—De deur uitgezet, zonder middelen!—Hier, Honour, neem al het geld dat ik bezit;—neem de ringen van mijne vingers;—[301]hier, mijn horologie ook! Breng hem alles! Vlieg, en zoek hem op!”„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren. Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te verliezen!”Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar, onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden, toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde. Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te gevoelen over zulk eene kleinigheid.”Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval, waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond, waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het verschil in deze twee gevallen[302]niet bestond tusschen de verschillende trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot gevaar liep van ontdekt te worden.Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te overhandigen.

Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid, haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar[298]ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld vooruit te komen.

Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.

Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten, die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.

Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit:

„O, gij zijt nog veilig te huis—en ik zal zorg dragen dat gij daar blijft!” waarop hij de deur digt sloot en den sleutel aan Honour gaf, met de strengste bevelen en vele beloften van belooning als zij hem getrouw bleef, en met de verschrikkelijkste bedreigingen van straf als zij misbruik maakte van zijn vertrouwen.

Honour kreeg last om hare jonge dame, zonder verlof van haar vader, de kamer niet uit te laten, en niemand dan hem en hare tante bij haar toe te laten; zij zelve moest Sophia voorzien van al wat zij verlangde, behalve schrijfbehoeften, welker gebruik haar ten eenenmale verboden was.

Western beval zijne dochter zich te kleeden en aan tafel te komen, wat zij ook deed en na den gewonen tijd daar doorgebragt te hebben, werd zij weder naar hare gevangenis gebragt.

’s Avonds bragt hare bewaakster, Honour, haar den brief welken zij van den jager gekregen had. Sophia las hem een paar maal zeer oplettend over, wierp zich toen op het bed en barstte uit in een vloed van tranen. Jufvrouw Honour drukte groote verbazing uit over dit gedrag van hare meesteresse en kon niet nalaten zeer belangstellend te vragen naar de aanleiding tot deze vlaag. Sophia gaf haar een tijdlang geen antwoord en dan plotseling opspringende, greep zij haar bij de hand en riep:[299]

„O Honour, ik ben ongelukkig!”

„Dat verhoede de Hemel!” riep Honour. „Ik woû maar dat die brief verbrand was eer hij u in handen kwam! Ik dacht zeker dat hij u genoegen zou doen, of de drommel zou hem gehaald hebben eer ik hem meêgenomen had!”

„Ge zijt een goed meisje, Honour,” zei Sophia, „en het zou te vergeefs zijn als ik mijne zwakheid langer voor u verbergen wilde. Ik heb mijn hart weggeworpen aan een man, die mij verlaten heeft!”

„En is mijnheer Jones zulk een verraderlijk mensch?” vroeg de dienaresse.

„Hij neemt voor altijd afscheid van mij in dezen brief,” hernam Sophia. „Ja, hij vergt zelfs van me dat ik hem vergeten zou. Had hij dit kunnen doen als hij mij lief had? Had hij aan zoo iets kunnen denken? Had hij zoo iets kunnen schrijven?”

„Neen, zeker niet, jufvrouw!” riep Honour. „Maar zooveel is zeker: als de beste man in geheel Engeland mij vroeg om hem te vergeten, zou ik hem bij zijn woord nemen! Heere mijn tijd! De jufvrouw heeft hem al te veel eer bewezen, met ooit aan hem te denken. Eene jonge dame, die onder alle jonge lieden in het graafschap kiezen kon!—En zeker, als ik het wagen mogtmijngevoelen te zeggen, daar is de jonge heer Blifil, die, behalve dat hij van eerlijke afkomst is, en eens een der grootste heeren in den omtrek zal zijn,—naar mijn bescheiden oordeel ten minste,—nog eens zoo mooi en beschaafd is, en bovendien is hij een jong mensch van geregelden aard, en van wien geen mensch ter wereld één woord kwaad kan spreken;—hij loopt geene smerige meiden achterna;—niemand kan zeggen, dat hij de vader is van haar kind!—Hem vergeten inderdaad! Ik dank den Hemel, dat ik niet zoo diep gevallen ben, dat iemand het regt zou hebben tweemaal tot mij te zeggen datikhem vergeten moest! Als de beste man die een hoofd op de schouders heeft,mijzulk eene beleediging aandeed, zou ik hem nooit daarna een goed woord geven,—zoo lang er nog één jong mensch, behalve hij, in het land te vinden was! En zoo als ik zeide, daar is de jonge heer Blifil,—”

„Noem dien gehaten naam niet!” riep Sophia.[300]

„O jufvrouw,” zei Honour, „als de jufvrouw niet van hem houdt, dan zijn er knappe jongens genoeg die u het hof zouden willen maken, als zij maar de minste aanmoediging kregen! Ik geloof niet dat er één jonge heer in het heele graafschap is, of in al de omliggende graafschappen, die als hij maar dacht dat de jufvrouw een goed oog op hem werpen wilde, niet dadelijk met een aanbod van zijne hand voor den dag zou komen.”

„Voor welk ellendig wezen houdt ge mij,” vroeg Sophia, „dat ge het waagt mij met zulken onzin te beleedigen? Ik haat alle mannen!”

„Ja, dat is waar,” hernam Honour; „de jufvrouw heeft er genoeg van geleden, om daarvan te walgen! Zoo mishandeld te worden door zulk een armoedigen ellendigen, bastaard!”

„Zwijg met uwe heiligschennis!” riep Sophia; „hoe durft gij hem te noemen zonder eerbied? Hij mij slecht behandelen! Neen, zijn arm, bloedend hart leed meer toen hij die wreede woorden nederschreef dan ik toen ik ze las. O, hij is een held, en een engel van deugd en goedheid! Ik schaam me over mijne eigene zwakheid, dat ik datgene berispte wat ik had moeten bewonderen!—O, Honour, hij denkt alleen aan mijn welzijn! Aan mijne belangen offert hij zich zelven en mij op!—De vrees van mij ongelukkig te maken, heeft hem tot wanhoop gebragt!”

„Het doet me heel veel genoegen te hooren dat gij dat in aanmerking neemt, jufvrouw,” zei Honour, „want het is waar, het zou u te gronde rigten als ge uwe zinnen wildet vestigen op iemand, die de deur uitgezet is en geen duit ter wereld bezit.”

„De deur uitgezet!” riep Sophia driftig. „Wat bedoelt gij?”

„Wel jufvrouw, zoodra mijnheer aan den heer Allworthy verteld had, hoe de heer Jones het gewaagd had u het hof te maken, heeft hij hem, zonder een hemd aan het lijf, naakt als hij ter wereld kwam, de deur uitgezet!”

„O,” zuchtte Sophia, „dan ben ik de rampzalige, door den Hemel verzaakte oorzaak zijner rampen!—De deur uitgezet, zonder middelen!—Hier, Honour, neem al het geld dat ik bezit;—neem de ringen van mijne vingers;—[301]hier, mijn horologie ook! Breng hem alles! Vlieg, en zoek hem op!”

„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren. Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”

„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te verliezen!”

Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.

De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar, onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden, toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde. Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te gevoelen over zulk eene kleinigheid.”

Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval, waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond, waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het verschil in deze twee gevallen[302]niet bestond tusschen de verschillende trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot gevaar liep van ontdekt te worden.

Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te overhandigen.


Back to IndexNext