Hoofdstuk XII.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Waarin een veel aandoenlijker tooneel gezien wordt, dan het vergieten van al het bloed in het ligchaam van Thwackum, of Blifil, of twintig dergelijke menschen, kan opleveren.Het overige van het gezelschap van den heer Western naderde op het oogenblik, dat de strijd geeindigd was. Het bestond uit den goeden dominé, dien wij reeds aan de tafel van den heer Western ontmoet hebben, uit mejufvrouw Western, Sophia’s tante, en eindelijk uit de schoone Sophia zelve.Het bloedige slagveld leverde het volgende tooneel op:—Op de eene plek, doodsbleek en bijna ademloos, lag de verslagene Blifil. In zijne nabijheid, stond de overwinnende Jones, met bloed bedekt, gedeeltelijk zijn eigen, gedeeltelijk vroeger het eigendom van den eerwaarden heer Thwackum. Iets verder stond genoemde Thwackum, even als koning Porus, zich onwillig aan den overwinnaar onderwerpende. De laatste gestalte, die men ontwaarde, was die van Western den Groote, op eene roemrijke wijze den overwonnen vijand sparende.Blifil, die weinige teekens van leven gaf, was in het begin het hoofdvoorwerp van iedereens belangstelling, en vooral van die van mejufvrouw Western, die een reukfleschje met[240]vlugzout uit den zak gehaald hebbende, het hem onder den neus wilde houden, toen de oplettendheid van het geheele gezelschap plotseling van den armen Blifil afgetrokken werd, wiens geest, indien die eenig voornemen van dien aard gekoesterd had, nu de gelegenheid zou hebben gehad, om ongemerkt naar andere gewesten te vlugten.Want zij ontdekten nu een schooner en treuriger voorwerp, dat levenloos voor hen uitgestrekt lag. Dit was niemand anders dan de bekoorlijke Sophia zelve, die door het gezigt van het bloed, of uit angst voor haar vader, of om eenige andere reden, in zwijm gevallen was, eer iemand haar ter hulp kon komen.Mejufvrouw Western was de eerste die haar zag en het uitgilde. Onmiddelijk hoorde men een paar uit het gezelschap uitroepen: „dat de jonge jufvrouw Western dood gevallen was!” Vlugzout, water, allerlei middelen werden tegelijk gevraagd, door iedereen op hetzelfde oogenblik.De lezer zal zich welligt herinneren, dat toen wij van dit boschje spraken, wij een murmelend beekje vermeldden, welk beekje niet enkel vloeide om te murmelen, zoo als dergelijke liefelijke beekjes doen in gewone romans. Neen! het noodlot had eene grootere eer voor dit beekje bewaard, dan ooit verkregen werd door eenig beekje dat de vlakten van Arkadië besproeit.Jones was bezig met Blifil de slapen te wrijven, want hij begon te vreezen dat hij hem een slag te veel gegeven had, toen de woorden, „jufvrouw Western is dood!” zijn oor bereikten.Hij sprong op, liet Blifil aan zijn lot over, en vloog naar Sophia, en terwijl al de anderen heen en weer en elkaar tegen het lijf liepen en water zochten op de drooge paden, greep hij haar in de armen op, en liep met haar over het land naar voormeld beekje, waar hij zelf in het watersprong, en het hem gelukte haar het gezigt, het hoofd en den hals ruimschoots te besprenkelen.Gelukkig voor Sophia, dat dezelfde verwarring, welke hare vrienden belette om haar te helpen, hen ook belette om Jones te hinderen. Hij was al half weg met haar naar het water eer zij begrepen wat hij doen wilde, en had haar werkelijk tot bezinning gebragt eer zij den rand van de beek[241]bereikten. Want zij strekte de armen uit, opende de oogen en riep, „o Hemel!” juist op het oogenblik dat haar vader, hare tante en de predikant naderden.Jones, die tot dusver den schoonen last in de armen gehouden had, liet haar nu los, niet zonder haar eerst eventjes aan zijn hart te drukken, wat zij zeker opgemerkt zou hebben, als zij volkomen bijgekomen ware geweest. Daar zij echter geen ongenoegen liet blijken over de vrijheid welke hij genomen had, moeten wij natuurlijk veronderstellen dat zij op dat oogenblik nog half bewusteloos was.Het tragische van dit tooneel verkeerde nu op eens in vreugde. En hierbij speelde onze held zeker de hoofdrol; want daar hij waarschijnlijk eene meer hemelsche vreugde smaakte in het denkbeeld van Sophia te hebben kunnen redden, dan zij zelve gevoelde toen zij zich gered wist, zoo waren ook de gelukwenschen waarmede men haar begroette, volstrekt niet geëvenredigd aan die, waarmede men Jones overlaadde,—vooral van den kant van den heer Western zelven, die na zijne dochter een paar maal omhelsd te hebben, Jones pakte en in de armen drukte. Hij noemde hem den redder van Sophia en verklaarde dat er niets was, behalve haar zelve, of zijn vermogen, dat hij hem niet geven wilde; maar bij nader inzien, zonderde hij toch ook zijne jagthonden uit, zijn paard Chevalier, en zijne lievelingsmerrie, Miss Slouch.Daar alle vrees over Sophia nu geweken was, werd Jones het eenige voorwerp van Western’s oplettendheid.„Hoor, mijn jongen,” zeide hij, „trek uw rok uit en wasch uw gezigt eens af; ge ziet er wonderlijk uit, dat is zeker. Kom, kom! wasch u eens af, en ga dan mede naar huis, en we zullen zien wat schoone kleeren voor u te vinden!”Jones stemde dadelijk daarin toe, trok den rok uit, ging weer naar het water, en wiesch zich het hoofd en de borst die ook ontbloot en even bebloed was als zijn gezigt. Maar hoewel het water het bloed afspoelde, kon het de blonde en blaauwe plekken, welke Thwackum op zijn gezigt en zijne borst achtergelaten had, niet uitwisschen, en deze door Sophia ontwaard zijnde, ontlokten haar een zucht en een onbeschrijfelijk teederen blik.[242]Dezen blik ving Jones op, en hij had meer uitwerking op hem dan al de slagen, welke hij reeds ontvangen had. Het was echter eene uitwerking van geheel anderen aard; want ze was zoo zacht en streelend, dat als al de slagen diepe steken geweest waren, hij er een tijdlang niets meer van gevoeld zou hebben.Het gezelschap keerde nu terug, en bereikte weldra de plek, waar het Thwackum inmiddels gelukt was Blifil weder op zijne beenen te zetten.Hier kunnen wij den vromen wensch niet verzwijgen, dat alle twisten alleen door deze wapenen mogten kunnen beslecht worden,—door de wapenen, waarmede de natuur, wetende wat goed voor ons is, ons voorzien heeft, terwijl wij tevens wenschen dat het ijzer gebruikt werd om in geene andere ingewanden dan die der aarde te wroeten. Dan zou de oorlog, dat tijdverdrijf der koningen, bijna onschuldig zijn, en er zouden veldslagen tusschen groote legers kunnen geleverd worden die sommige schoone dames zelve, op haar verzoek, met de vorsten, als toeschouwers konden bijwonen. Dan zou op het eene oogenblik het slagveld bedekt kunnen zijn met lijken, en het volgende oogenblik konden de dooden, of de meeste van hen, even als de troepen op het tooneel, opstaan en naar het geluid van de trom, of de viool, naar verkiezing, aftrekken.Ik zou, zoo het maar mogelijk ware, alles willen vermijden wat dit onderwerp belagchelijk kan maken, opdat geene ernstige mannen en groote staatslieden, er foei! over roepen;—maar, wezenlijk: zou men niet even goed een slag kunnen beslissen volgens het aantal gekneusde schedels, bloedende neuzen en blaauwe oogen, als volgens het getal verminkte en vermoorde menschen? Zou men niet op dezelfde wijze, om het bezit van steden kunnen kampen? Dit zou welligt voor de Fransche belangen geen voordeelig plan zijn, daar zij zoodoende het voordeel zouden verliezen hetwelk zij op andere volkeren bezitten door hunne bekwamere ingenieurs; maar de dapperheid en edelmoedigheid van dat volk in aanmerking genomen, ben ik overtuigd, dat zij nooit weigeren zouden zich op ééne lijn te plaatsen met hunne tegenstanders, en, gelijk men zegt, man tegen man te vechten. Zulke hervormingen zijn echter eerder te wenschen dan[243]te verwachten; ik zal me dus met dezen korten wenk vergenoegen, en tot mijn verhaal terugkeeren.Western begon nu onderzoek te doen naar de aanleiding tot den twist, waarop Blifil noch Jones eenig antwoord gaf; maar Thwackum hernam knorrig:„Ik geloof wel dat de aanleiding niet ver verwijderd is, en als ge het plantsoen doorzoekt, zult ge haar wel vinden.”„Haar?” riep Western. „Hoe! Hebt ge om een meisje gevochten?”„Vraag het dien mijnheer daar, in de hemdsmouwen maar,” zei Thwackum; „hij kan u het best inlichten.”„Ja, zoo!” riep Western, „dan is er zeker eene meid in het spel! O Tom! Tom! Ge zijt me er een! Maar komt, heeren, laat alles nu vergeten en vergeven zijn, en sluit den vrede bij mij te huis onder een glas wijn.”„Met uw verlof, mijnheer!” hernam Thwackum; „het is zoo’n kleinigheid niet voor iemand van mijn stand om op die wijze beleedigd en geslagen te zijn door een jongen, alleen omdat ik mijn pligt wilde doen en trachten eene gemeene slet te ontdekken om haar volgens de wet te doen straffen. Maar eigenlijk hebben de heer Allworthy en gij zelf de meeste schuld; want als gij de wetten wildet handhaven, naar behooren, zou het land weldra van zulk ongedierte gezuiverd zijn.”„Ik zou even gaarne de vossen uitroeijen!” riep Western. „Ik geloof eerder dat wij elk middel moesten aanprijzen om die getallen aan te vullen, die wij dagelijks in den loop van den oorlog verliezen. Maar, zeg eens, waar is zij gebleven? Kom, Tom, laat ze zien!” En hij begon in de struiken te drijven, met dezelfde uitroepingen en woorden, alsof hij naar een haas zocht, en riep eindelijk: „Zie zoo! Ze is niet ver van hier! Op mijn woord! Hier heeft ze gelegen! Zij is al op den loop!”En daarin had hij gelijk; want hij had nu de plek ontdekt, van waar het arme meisje bij het begin van den strijd op handen en voeten weggeslopen was.Sophia verzocht nu haren vader naar huis terug te keeren, daar zij zich zeer onwel gevoelde en weer eene flaauwte vreesde. Western stemde dadelijk in het verzoek zijner dochter toe,—want hij was de liefderijkste vader ter wereld,[244]—en smeekte alle aanwezigen ernstig om ook mede te gaan; maar Blifil en Thwackum volhardden bij hunne weigering; terwijl de eerste zeide, dat er meer redenen bestonden dan hij nu wel aanvoeren kon, om hem te beletten van die eer te genieten, en de andere verklaarde,—misschien niet ten onregte,—dat het niet gepast was voor iemand uit zijn stand, zich zoo toegetakeld als hij was, ergens te laten zien.Jones had de kracht niet om het genoegen af te slaan van het bijzijn zijner Sophia te genieten. Dus trok hij op met Western en de dames, terwijl de predikant de achterhoede vormde. Deze had wel is waar aangeboden om zijn collega Thwackum te vergezellen, daar zijn ambtspligt gebood dat hij hem niet in den steek liet; maar Thwackum wees zijne beleefdheid van de hand, en hem zonder pligtplegingen van zich afstootende, dwong hij hem den heer Western te volgen.Dus eindigde deze bloedige strijd, en hiermede zal ook het vijfde boek van deze geschiedenis eindigen.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Waarin een veel aandoenlijker tooneel gezien wordt, dan het vergieten van al het bloed in het ligchaam van Thwackum, of Blifil, of twintig dergelijke menschen, kan opleveren.Het overige van het gezelschap van den heer Western naderde op het oogenblik, dat de strijd geeindigd was. Het bestond uit den goeden dominé, dien wij reeds aan de tafel van den heer Western ontmoet hebben, uit mejufvrouw Western, Sophia’s tante, en eindelijk uit de schoone Sophia zelve.Het bloedige slagveld leverde het volgende tooneel op:—Op de eene plek, doodsbleek en bijna ademloos, lag de verslagene Blifil. In zijne nabijheid, stond de overwinnende Jones, met bloed bedekt, gedeeltelijk zijn eigen, gedeeltelijk vroeger het eigendom van den eerwaarden heer Thwackum. Iets verder stond genoemde Thwackum, even als koning Porus, zich onwillig aan den overwinnaar onderwerpende. De laatste gestalte, die men ontwaarde, was die van Western den Groote, op eene roemrijke wijze den overwonnen vijand sparende.Blifil, die weinige teekens van leven gaf, was in het begin het hoofdvoorwerp van iedereens belangstelling, en vooral van die van mejufvrouw Western, die een reukfleschje met[240]vlugzout uit den zak gehaald hebbende, het hem onder den neus wilde houden, toen de oplettendheid van het geheele gezelschap plotseling van den armen Blifil afgetrokken werd, wiens geest, indien die eenig voornemen van dien aard gekoesterd had, nu de gelegenheid zou hebben gehad, om ongemerkt naar andere gewesten te vlugten.Want zij ontdekten nu een schooner en treuriger voorwerp, dat levenloos voor hen uitgestrekt lag. Dit was niemand anders dan de bekoorlijke Sophia zelve, die door het gezigt van het bloed, of uit angst voor haar vader, of om eenige andere reden, in zwijm gevallen was, eer iemand haar ter hulp kon komen.Mejufvrouw Western was de eerste die haar zag en het uitgilde. Onmiddelijk hoorde men een paar uit het gezelschap uitroepen: „dat de jonge jufvrouw Western dood gevallen was!” Vlugzout, water, allerlei middelen werden tegelijk gevraagd, door iedereen op hetzelfde oogenblik.De lezer zal zich welligt herinneren, dat toen wij van dit boschje spraken, wij een murmelend beekje vermeldden, welk beekje niet enkel vloeide om te murmelen, zoo als dergelijke liefelijke beekjes doen in gewone romans. Neen! het noodlot had eene grootere eer voor dit beekje bewaard, dan ooit verkregen werd door eenig beekje dat de vlakten van Arkadië besproeit.Jones was bezig met Blifil de slapen te wrijven, want hij begon te vreezen dat hij hem een slag te veel gegeven had, toen de woorden, „jufvrouw Western is dood!” zijn oor bereikten.Hij sprong op, liet Blifil aan zijn lot over, en vloog naar Sophia, en terwijl al de anderen heen en weer en elkaar tegen het lijf liepen en water zochten op de drooge paden, greep hij haar in de armen op, en liep met haar over het land naar voormeld beekje, waar hij zelf in het watersprong, en het hem gelukte haar het gezigt, het hoofd en den hals ruimschoots te besprenkelen.Gelukkig voor Sophia, dat dezelfde verwarring, welke hare vrienden belette om haar te helpen, hen ook belette om Jones te hinderen. Hij was al half weg met haar naar het water eer zij begrepen wat hij doen wilde, en had haar werkelijk tot bezinning gebragt eer zij den rand van de beek[241]bereikten. Want zij strekte de armen uit, opende de oogen en riep, „o Hemel!” juist op het oogenblik dat haar vader, hare tante en de predikant naderden.Jones, die tot dusver den schoonen last in de armen gehouden had, liet haar nu los, niet zonder haar eerst eventjes aan zijn hart te drukken, wat zij zeker opgemerkt zou hebben, als zij volkomen bijgekomen ware geweest. Daar zij echter geen ongenoegen liet blijken over de vrijheid welke hij genomen had, moeten wij natuurlijk veronderstellen dat zij op dat oogenblik nog half bewusteloos was.Het tragische van dit tooneel verkeerde nu op eens in vreugde. En hierbij speelde onze held zeker de hoofdrol; want daar hij waarschijnlijk eene meer hemelsche vreugde smaakte in het denkbeeld van Sophia te hebben kunnen redden, dan zij zelve gevoelde toen zij zich gered wist, zoo waren ook de gelukwenschen waarmede men haar begroette, volstrekt niet geëvenredigd aan die, waarmede men Jones overlaadde,—vooral van den kant van den heer Western zelven, die na zijne dochter een paar maal omhelsd te hebben, Jones pakte en in de armen drukte. Hij noemde hem den redder van Sophia en verklaarde dat er niets was, behalve haar zelve, of zijn vermogen, dat hij hem niet geven wilde; maar bij nader inzien, zonderde hij toch ook zijne jagthonden uit, zijn paard Chevalier, en zijne lievelingsmerrie, Miss Slouch.Daar alle vrees over Sophia nu geweken was, werd Jones het eenige voorwerp van Western’s oplettendheid.„Hoor, mijn jongen,” zeide hij, „trek uw rok uit en wasch uw gezigt eens af; ge ziet er wonderlijk uit, dat is zeker. Kom, kom! wasch u eens af, en ga dan mede naar huis, en we zullen zien wat schoone kleeren voor u te vinden!”Jones stemde dadelijk daarin toe, trok den rok uit, ging weer naar het water, en wiesch zich het hoofd en de borst die ook ontbloot en even bebloed was als zijn gezigt. Maar hoewel het water het bloed afspoelde, kon het de blonde en blaauwe plekken, welke Thwackum op zijn gezigt en zijne borst achtergelaten had, niet uitwisschen, en deze door Sophia ontwaard zijnde, ontlokten haar een zucht en een onbeschrijfelijk teederen blik.[242]Dezen blik ving Jones op, en hij had meer uitwerking op hem dan al de slagen, welke hij reeds ontvangen had. Het was echter eene uitwerking van geheel anderen aard; want ze was zoo zacht en streelend, dat als al de slagen diepe steken geweest waren, hij er een tijdlang niets meer van gevoeld zou hebben.Het gezelschap keerde nu terug, en bereikte weldra de plek, waar het Thwackum inmiddels gelukt was Blifil weder op zijne beenen te zetten.Hier kunnen wij den vromen wensch niet verzwijgen, dat alle twisten alleen door deze wapenen mogten kunnen beslecht worden,—door de wapenen, waarmede de natuur, wetende wat goed voor ons is, ons voorzien heeft, terwijl wij tevens wenschen dat het ijzer gebruikt werd om in geene andere ingewanden dan die der aarde te wroeten. Dan zou de oorlog, dat tijdverdrijf der koningen, bijna onschuldig zijn, en er zouden veldslagen tusschen groote legers kunnen geleverd worden die sommige schoone dames zelve, op haar verzoek, met de vorsten, als toeschouwers konden bijwonen. Dan zou op het eene oogenblik het slagveld bedekt kunnen zijn met lijken, en het volgende oogenblik konden de dooden, of de meeste van hen, even als de troepen op het tooneel, opstaan en naar het geluid van de trom, of de viool, naar verkiezing, aftrekken.Ik zou, zoo het maar mogelijk ware, alles willen vermijden wat dit onderwerp belagchelijk kan maken, opdat geene ernstige mannen en groote staatslieden, er foei! over roepen;—maar, wezenlijk: zou men niet even goed een slag kunnen beslissen volgens het aantal gekneusde schedels, bloedende neuzen en blaauwe oogen, als volgens het getal verminkte en vermoorde menschen? Zou men niet op dezelfde wijze, om het bezit van steden kunnen kampen? Dit zou welligt voor de Fransche belangen geen voordeelig plan zijn, daar zij zoodoende het voordeel zouden verliezen hetwelk zij op andere volkeren bezitten door hunne bekwamere ingenieurs; maar de dapperheid en edelmoedigheid van dat volk in aanmerking genomen, ben ik overtuigd, dat zij nooit weigeren zouden zich op ééne lijn te plaatsen met hunne tegenstanders, en, gelijk men zegt, man tegen man te vechten. Zulke hervormingen zijn echter eerder te wenschen dan[243]te verwachten; ik zal me dus met dezen korten wenk vergenoegen, en tot mijn verhaal terugkeeren.Western begon nu onderzoek te doen naar de aanleiding tot den twist, waarop Blifil noch Jones eenig antwoord gaf; maar Thwackum hernam knorrig:„Ik geloof wel dat de aanleiding niet ver verwijderd is, en als ge het plantsoen doorzoekt, zult ge haar wel vinden.”„Haar?” riep Western. „Hoe! Hebt ge om een meisje gevochten?”„Vraag het dien mijnheer daar, in de hemdsmouwen maar,” zei Thwackum; „hij kan u het best inlichten.”„Ja, zoo!” riep Western, „dan is er zeker eene meid in het spel! O Tom! Tom! Ge zijt me er een! Maar komt, heeren, laat alles nu vergeten en vergeven zijn, en sluit den vrede bij mij te huis onder een glas wijn.”„Met uw verlof, mijnheer!” hernam Thwackum; „het is zoo’n kleinigheid niet voor iemand van mijn stand om op die wijze beleedigd en geslagen te zijn door een jongen, alleen omdat ik mijn pligt wilde doen en trachten eene gemeene slet te ontdekken om haar volgens de wet te doen straffen. Maar eigenlijk hebben de heer Allworthy en gij zelf de meeste schuld; want als gij de wetten wildet handhaven, naar behooren, zou het land weldra van zulk ongedierte gezuiverd zijn.”„Ik zou even gaarne de vossen uitroeijen!” riep Western. „Ik geloof eerder dat wij elk middel moesten aanprijzen om die getallen aan te vullen, die wij dagelijks in den loop van den oorlog verliezen. Maar, zeg eens, waar is zij gebleven? Kom, Tom, laat ze zien!” En hij begon in de struiken te drijven, met dezelfde uitroepingen en woorden, alsof hij naar een haas zocht, en riep eindelijk: „Zie zoo! Ze is niet ver van hier! Op mijn woord! Hier heeft ze gelegen! Zij is al op den loop!”En daarin had hij gelijk; want hij had nu de plek ontdekt, van waar het arme meisje bij het begin van den strijd op handen en voeten weggeslopen was.Sophia verzocht nu haren vader naar huis terug te keeren, daar zij zich zeer onwel gevoelde en weer eene flaauwte vreesde. Western stemde dadelijk in het verzoek zijner dochter toe,—want hij was de liefderijkste vader ter wereld,[244]—en smeekte alle aanwezigen ernstig om ook mede te gaan; maar Blifil en Thwackum volhardden bij hunne weigering; terwijl de eerste zeide, dat er meer redenen bestonden dan hij nu wel aanvoeren kon, om hem te beletten van die eer te genieten, en de andere verklaarde,—misschien niet ten onregte,—dat het niet gepast was voor iemand uit zijn stand, zich zoo toegetakeld als hij was, ergens te laten zien.Jones had de kracht niet om het genoegen af te slaan van het bijzijn zijner Sophia te genieten. Dus trok hij op met Western en de dames, terwijl de predikant de achterhoede vormde. Deze had wel is waar aangeboden om zijn collega Thwackum te vergezellen, daar zijn ambtspligt gebood dat hij hem niet in den steek liet; maar Thwackum wees zijne beleefdheid van de hand, en hem zonder pligtplegingen van zich afstootende, dwong hij hem den heer Western te volgen.Dus eindigde deze bloedige strijd, en hiermede zal ook het vijfde boek van deze geschiedenis eindigen.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Waarin een veel aandoenlijker tooneel gezien wordt, dan het vergieten van al het bloed in het ligchaam van Thwackum, of Blifil, of twintig dergelijke menschen, kan opleveren.Het overige van het gezelschap van den heer Western naderde op het oogenblik, dat de strijd geeindigd was. Het bestond uit den goeden dominé, dien wij reeds aan de tafel van den heer Western ontmoet hebben, uit mejufvrouw Western, Sophia’s tante, en eindelijk uit de schoone Sophia zelve.Het bloedige slagveld leverde het volgende tooneel op:—Op de eene plek, doodsbleek en bijna ademloos, lag de verslagene Blifil. In zijne nabijheid, stond de overwinnende Jones, met bloed bedekt, gedeeltelijk zijn eigen, gedeeltelijk vroeger het eigendom van den eerwaarden heer Thwackum. Iets verder stond genoemde Thwackum, even als koning Porus, zich onwillig aan den overwinnaar onderwerpende. De laatste gestalte, die men ontwaarde, was die van Western den Groote, op eene roemrijke wijze den overwonnen vijand sparende.Blifil, die weinige teekens van leven gaf, was in het begin het hoofdvoorwerp van iedereens belangstelling, en vooral van die van mejufvrouw Western, die een reukfleschje met[240]vlugzout uit den zak gehaald hebbende, het hem onder den neus wilde houden, toen de oplettendheid van het geheele gezelschap plotseling van den armen Blifil afgetrokken werd, wiens geest, indien die eenig voornemen van dien aard gekoesterd had, nu de gelegenheid zou hebben gehad, om ongemerkt naar andere gewesten te vlugten.Want zij ontdekten nu een schooner en treuriger voorwerp, dat levenloos voor hen uitgestrekt lag. Dit was niemand anders dan de bekoorlijke Sophia zelve, die door het gezigt van het bloed, of uit angst voor haar vader, of om eenige andere reden, in zwijm gevallen was, eer iemand haar ter hulp kon komen.Mejufvrouw Western was de eerste die haar zag en het uitgilde. Onmiddelijk hoorde men een paar uit het gezelschap uitroepen: „dat de jonge jufvrouw Western dood gevallen was!” Vlugzout, water, allerlei middelen werden tegelijk gevraagd, door iedereen op hetzelfde oogenblik.De lezer zal zich welligt herinneren, dat toen wij van dit boschje spraken, wij een murmelend beekje vermeldden, welk beekje niet enkel vloeide om te murmelen, zoo als dergelijke liefelijke beekjes doen in gewone romans. Neen! het noodlot had eene grootere eer voor dit beekje bewaard, dan ooit verkregen werd door eenig beekje dat de vlakten van Arkadië besproeit.Jones was bezig met Blifil de slapen te wrijven, want hij begon te vreezen dat hij hem een slag te veel gegeven had, toen de woorden, „jufvrouw Western is dood!” zijn oor bereikten.Hij sprong op, liet Blifil aan zijn lot over, en vloog naar Sophia, en terwijl al de anderen heen en weer en elkaar tegen het lijf liepen en water zochten op de drooge paden, greep hij haar in de armen op, en liep met haar over het land naar voormeld beekje, waar hij zelf in het watersprong, en het hem gelukte haar het gezigt, het hoofd en den hals ruimschoots te besprenkelen.Gelukkig voor Sophia, dat dezelfde verwarring, welke hare vrienden belette om haar te helpen, hen ook belette om Jones te hinderen. Hij was al half weg met haar naar het water eer zij begrepen wat hij doen wilde, en had haar werkelijk tot bezinning gebragt eer zij den rand van de beek[241]bereikten. Want zij strekte de armen uit, opende de oogen en riep, „o Hemel!” juist op het oogenblik dat haar vader, hare tante en de predikant naderden.Jones, die tot dusver den schoonen last in de armen gehouden had, liet haar nu los, niet zonder haar eerst eventjes aan zijn hart te drukken, wat zij zeker opgemerkt zou hebben, als zij volkomen bijgekomen ware geweest. Daar zij echter geen ongenoegen liet blijken over de vrijheid welke hij genomen had, moeten wij natuurlijk veronderstellen dat zij op dat oogenblik nog half bewusteloos was.Het tragische van dit tooneel verkeerde nu op eens in vreugde. En hierbij speelde onze held zeker de hoofdrol; want daar hij waarschijnlijk eene meer hemelsche vreugde smaakte in het denkbeeld van Sophia te hebben kunnen redden, dan zij zelve gevoelde toen zij zich gered wist, zoo waren ook de gelukwenschen waarmede men haar begroette, volstrekt niet geëvenredigd aan die, waarmede men Jones overlaadde,—vooral van den kant van den heer Western zelven, die na zijne dochter een paar maal omhelsd te hebben, Jones pakte en in de armen drukte. Hij noemde hem den redder van Sophia en verklaarde dat er niets was, behalve haar zelve, of zijn vermogen, dat hij hem niet geven wilde; maar bij nader inzien, zonderde hij toch ook zijne jagthonden uit, zijn paard Chevalier, en zijne lievelingsmerrie, Miss Slouch.Daar alle vrees over Sophia nu geweken was, werd Jones het eenige voorwerp van Western’s oplettendheid.„Hoor, mijn jongen,” zeide hij, „trek uw rok uit en wasch uw gezigt eens af; ge ziet er wonderlijk uit, dat is zeker. Kom, kom! wasch u eens af, en ga dan mede naar huis, en we zullen zien wat schoone kleeren voor u te vinden!”Jones stemde dadelijk daarin toe, trok den rok uit, ging weer naar het water, en wiesch zich het hoofd en de borst die ook ontbloot en even bebloed was als zijn gezigt. Maar hoewel het water het bloed afspoelde, kon het de blonde en blaauwe plekken, welke Thwackum op zijn gezigt en zijne borst achtergelaten had, niet uitwisschen, en deze door Sophia ontwaard zijnde, ontlokten haar een zucht en een onbeschrijfelijk teederen blik.[242]Dezen blik ving Jones op, en hij had meer uitwerking op hem dan al de slagen, welke hij reeds ontvangen had. Het was echter eene uitwerking van geheel anderen aard; want ze was zoo zacht en streelend, dat als al de slagen diepe steken geweest waren, hij er een tijdlang niets meer van gevoeld zou hebben.Het gezelschap keerde nu terug, en bereikte weldra de plek, waar het Thwackum inmiddels gelukt was Blifil weder op zijne beenen te zetten.Hier kunnen wij den vromen wensch niet verzwijgen, dat alle twisten alleen door deze wapenen mogten kunnen beslecht worden,—door de wapenen, waarmede de natuur, wetende wat goed voor ons is, ons voorzien heeft, terwijl wij tevens wenschen dat het ijzer gebruikt werd om in geene andere ingewanden dan die der aarde te wroeten. Dan zou de oorlog, dat tijdverdrijf der koningen, bijna onschuldig zijn, en er zouden veldslagen tusschen groote legers kunnen geleverd worden die sommige schoone dames zelve, op haar verzoek, met de vorsten, als toeschouwers konden bijwonen. Dan zou op het eene oogenblik het slagveld bedekt kunnen zijn met lijken, en het volgende oogenblik konden de dooden, of de meeste van hen, even als de troepen op het tooneel, opstaan en naar het geluid van de trom, of de viool, naar verkiezing, aftrekken.Ik zou, zoo het maar mogelijk ware, alles willen vermijden wat dit onderwerp belagchelijk kan maken, opdat geene ernstige mannen en groote staatslieden, er foei! over roepen;—maar, wezenlijk: zou men niet even goed een slag kunnen beslissen volgens het aantal gekneusde schedels, bloedende neuzen en blaauwe oogen, als volgens het getal verminkte en vermoorde menschen? Zou men niet op dezelfde wijze, om het bezit van steden kunnen kampen? Dit zou welligt voor de Fransche belangen geen voordeelig plan zijn, daar zij zoodoende het voordeel zouden verliezen hetwelk zij op andere volkeren bezitten door hunne bekwamere ingenieurs; maar de dapperheid en edelmoedigheid van dat volk in aanmerking genomen, ben ik overtuigd, dat zij nooit weigeren zouden zich op ééne lijn te plaatsen met hunne tegenstanders, en, gelijk men zegt, man tegen man te vechten. Zulke hervormingen zijn echter eerder te wenschen dan[243]te verwachten; ik zal me dus met dezen korten wenk vergenoegen, en tot mijn verhaal terugkeeren.Western begon nu onderzoek te doen naar de aanleiding tot den twist, waarop Blifil noch Jones eenig antwoord gaf; maar Thwackum hernam knorrig:„Ik geloof wel dat de aanleiding niet ver verwijderd is, en als ge het plantsoen doorzoekt, zult ge haar wel vinden.”„Haar?” riep Western. „Hoe! Hebt ge om een meisje gevochten?”„Vraag het dien mijnheer daar, in de hemdsmouwen maar,” zei Thwackum; „hij kan u het best inlichten.”„Ja, zoo!” riep Western, „dan is er zeker eene meid in het spel! O Tom! Tom! Ge zijt me er een! Maar komt, heeren, laat alles nu vergeten en vergeven zijn, en sluit den vrede bij mij te huis onder een glas wijn.”„Met uw verlof, mijnheer!” hernam Thwackum; „het is zoo’n kleinigheid niet voor iemand van mijn stand om op die wijze beleedigd en geslagen te zijn door een jongen, alleen omdat ik mijn pligt wilde doen en trachten eene gemeene slet te ontdekken om haar volgens de wet te doen straffen. Maar eigenlijk hebben de heer Allworthy en gij zelf de meeste schuld; want als gij de wetten wildet handhaven, naar behooren, zou het land weldra van zulk ongedierte gezuiverd zijn.”„Ik zou even gaarne de vossen uitroeijen!” riep Western. „Ik geloof eerder dat wij elk middel moesten aanprijzen om die getallen aan te vullen, die wij dagelijks in den loop van den oorlog verliezen. Maar, zeg eens, waar is zij gebleven? Kom, Tom, laat ze zien!” En hij begon in de struiken te drijven, met dezelfde uitroepingen en woorden, alsof hij naar een haas zocht, en riep eindelijk: „Zie zoo! Ze is niet ver van hier! Op mijn woord! Hier heeft ze gelegen! Zij is al op den loop!”En daarin had hij gelijk; want hij had nu de plek ontdekt, van waar het arme meisje bij het begin van den strijd op handen en voeten weggeslopen was.Sophia verzocht nu haren vader naar huis terug te keeren, daar zij zich zeer onwel gevoelde en weer eene flaauwte vreesde. Western stemde dadelijk in het verzoek zijner dochter toe,—want hij was de liefderijkste vader ter wereld,[244]—en smeekte alle aanwezigen ernstig om ook mede te gaan; maar Blifil en Thwackum volhardden bij hunne weigering; terwijl de eerste zeide, dat er meer redenen bestonden dan hij nu wel aanvoeren kon, om hem te beletten van die eer te genieten, en de andere verklaarde,—misschien niet ten onregte,—dat het niet gepast was voor iemand uit zijn stand, zich zoo toegetakeld als hij was, ergens te laten zien.Jones had de kracht niet om het genoegen af te slaan van het bijzijn zijner Sophia te genieten. Dus trok hij op met Western en de dames, terwijl de predikant de achterhoede vormde. Deze had wel is waar aangeboden om zijn collega Thwackum te vergezellen, daar zijn ambtspligt gebood dat hij hem niet in den steek liet; maar Thwackum wees zijne beleefdheid van de hand, en hem zonder pligtplegingen van zich afstootende, dwong hij hem den heer Western te volgen.Dus eindigde deze bloedige strijd, en hiermede zal ook het vijfde boek van deze geschiedenis eindigen.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Waarin een veel aandoenlijker tooneel gezien wordt, dan het vergieten van al het bloed in het ligchaam van Thwackum, of Blifil, of twintig dergelijke menschen, kan opleveren.Het overige van het gezelschap van den heer Western naderde op het oogenblik, dat de strijd geeindigd was. Het bestond uit den goeden dominé, dien wij reeds aan de tafel van den heer Western ontmoet hebben, uit mejufvrouw Western, Sophia’s tante, en eindelijk uit de schoone Sophia zelve.Het bloedige slagveld leverde het volgende tooneel op:—Op de eene plek, doodsbleek en bijna ademloos, lag de verslagene Blifil. In zijne nabijheid, stond de overwinnende Jones, met bloed bedekt, gedeeltelijk zijn eigen, gedeeltelijk vroeger het eigendom van den eerwaarden heer Thwackum. Iets verder stond genoemde Thwackum, even als koning Porus, zich onwillig aan den overwinnaar onderwerpende. De laatste gestalte, die men ontwaarde, was die van Western den Groote, op eene roemrijke wijze den overwonnen vijand sparende.Blifil, die weinige teekens van leven gaf, was in het begin het hoofdvoorwerp van iedereens belangstelling, en vooral van die van mejufvrouw Western, die een reukfleschje met[240]vlugzout uit den zak gehaald hebbende, het hem onder den neus wilde houden, toen de oplettendheid van het geheele gezelschap plotseling van den armen Blifil afgetrokken werd, wiens geest, indien die eenig voornemen van dien aard gekoesterd had, nu de gelegenheid zou hebben gehad, om ongemerkt naar andere gewesten te vlugten.Want zij ontdekten nu een schooner en treuriger voorwerp, dat levenloos voor hen uitgestrekt lag. Dit was niemand anders dan de bekoorlijke Sophia zelve, die door het gezigt van het bloed, of uit angst voor haar vader, of om eenige andere reden, in zwijm gevallen was, eer iemand haar ter hulp kon komen.Mejufvrouw Western was de eerste die haar zag en het uitgilde. Onmiddelijk hoorde men een paar uit het gezelschap uitroepen: „dat de jonge jufvrouw Western dood gevallen was!” Vlugzout, water, allerlei middelen werden tegelijk gevraagd, door iedereen op hetzelfde oogenblik.De lezer zal zich welligt herinneren, dat toen wij van dit boschje spraken, wij een murmelend beekje vermeldden, welk beekje niet enkel vloeide om te murmelen, zoo als dergelijke liefelijke beekjes doen in gewone romans. Neen! het noodlot had eene grootere eer voor dit beekje bewaard, dan ooit verkregen werd door eenig beekje dat de vlakten van Arkadië besproeit.Jones was bezig met Blifil de slapen te wrijven, want hij begon te vreezen dat hij hem een slag te veel gegeven had, toen de woorden, „jufvrouw Western is dood!” zijn oor bereikten.Hij sprong op, liet Blifil aan zijn lot over, en vloog naar Sophia, en terwijl al de anderen heen en weer en elkaar tegen het lijf liepen en water zochten op de drooge paden, greep hij haar in de armen op, en liep met haar over het land naar voormeld beekje, waar hij zelf in het watersprong, en het hem gelukte haar het gezigt, het hoofd en den hals ruimschoots te besprenkelen.Gelukkig voor Sophia, dat dezelfde verwarring, welke hare vrienden belette om haar te helpen, hen ook belette om Jones te hinderen. Hij was al half weg met haar naar het water eer zij begrepen wat hij doen wilde, en had haar werkelijk tot bezinning gebragt eer zij den rand van de beek[241]bereikten. Want zij strekte de armen uit, opende de oogen en riep, „o Hemel!” juist op het oogenblik dat haar vader, hare tante en de predikant naderden.Jones, die tot dusver den schoonen last in de armen gehouden had, liet haar nu los, niet zonder haar eerst eventjes aan zijn hart te drukken, wat zij zeker opgemerkt zou hebben, als zij volkomen bijgekomen ware geweest. Daar zij echter geen ongenoegen liet blijken over de vrijheid welke hij genomen had, moeten wij natuurlijk veronderstellen dat zij op dat oogenblik nog half bewusteloos was.Het tragische van dit tooneel verkeerde nu op eens in vreugde. En hierbij speelde onze held zeker de hoofdrol; want daar hij waarschijnlijk eene meer hemelsche vreugde smaakte in het denkbeeld van Sophia te hebben kunnen redden, dan zij zelve gevoelde toen zij zich gered wist, zoo waren ook de gelukwenschen waarmede men haar begroette, volstrekt niet geëvenredigd aan die, waarmede men Jones overlaadde,—vooral van den kant van den heer Western zelven, die na zijne dochter een paar maal omhelsd te hebben, Jones pakte en in de armen drukte. Hij noemde hem den redder van Sophia en verklaarde dat er niets was, behalve haar zelve, of zijn vermogen, dat hij hem niet geven wilde; maar bij nader inzien, zonderde hij toch ook zijne jagthonden uit, zijn paard Chevalier, en zijne lievelingsmerrie, Miss Slouch.Daar alle vrees over Sophia nu geweken was, werd Jones het eenige voorwerp van Western’s oplettendheid.„Hoor, mijn jongen,” zeide hij, „trek uw rok uit en wasch uw gezigt eens af; ge ziet er wonderlijk uit, dat is zeker. Kom, kom! wasch u eens af, en ga dan mede naar huis, en we zullen zien wat schoone kleeren voor u te vinden!”Jones stemde dadelijk daarin toe, trok den rok uit, ging weer naar het water, en wiesch zich het hoofd en de borst die ook ontbloot en even bebloed was als zijn gezigt. Maar hoewel het water het bloed afspoelde, kon het de blonde en blaauwe plekken, welke Thwackum op zijn gezigt en zijne borst achtergelaten had, niet uitwisschen, en deze door Sophia ontwaard zijnde, ontlokten haar een zucht en een onbeschrijfelijk teederen blik.[242]Dezen blik ving Jones op, en hij had meer uitwerking op hem dan al de slagen, welke hij reeds ontvangen had. Het was echter eene uitwerking van geheel anderen aard; want ze was zoo zacht en streelend, dat als al de slagen diepe steken geweest waren, hij er een tijdlang niets meer van gevoeld zou hebben.Het gezelschap keerde nu terug, en bereikte weldra de plek, waar het Thwackum inmiddels gelukt was Blifil weder op zijne beenen te zetten.Hier kunnen wij den vromen wensch niet verzwijgen, dat alle twisten alleen door deze wapenen mogten kunnen beslecht worden,—door de wapenen, waarmede de natuur, wetende wat goed voor ons is, ons voorzien heeft, terwijl wij tevens wenschen dat het ijzer gebruikt werd om in geene andere ingewanden dan die der aarde te wroeten. Dan zou de oorlog, dat tijdverdrijf der koningen, bijna onschuldig zijn, en er zouden veldslagen tusschen groote legers kunnen geleverd worden die sommige schoone dames zelve, op haar verzoek, met de vorsten, als toeschouwers konden bijwonen. Dan zou op het eene oogenblik het slagveld bedekt kunnen zijn met lijken, en het volgende oogenblik konden de dooden, of de meeste van hen, even als de troepen op het tooneel, opstaan en naar het geluid van de trom, of de viool, naar verkiezing, aftrekken.Ik zou, zoo het maar mogelijk ware, alles willen vermijden wat dit onderwerp belagchelijk kan maken, opdat geene ernstige mannen en groote staatslieden, er foei! over roepen;—maar, wezenlijk: zou men niet even goed een slag kunnen beslissen volgens het aantal gekneusde schedels, bloedende neuzen en blaauwe oogen, als volgens het getal verminkte en vermoorde menschen? Zou men niet op dezelfde wijze, om het bezit van steden kunnen kampen? Dit zou welligt voor de Fransche belangen geen voordeelig plan zijn, daar zij zoodoende het voordeel zouden verliezen hetwelk zij op andere volkeren bezitten door hunne bekwamere ingenieurs; maar de dapperheid en edelmoedigheid van dat volk in aanmerking genomen, ben ik overtuigd, dat zij nooit weigeren zouden zich op ééne lijn te plaatsen met hunne tegenstanders, en, gelijk men zegt, man tegen man te vechten. Zulke hervormingen zijn echter eerder te wenschen dan[243]te verwachten; ik zal me dus met dezen korten wenk vergenoegen, en tot mijn verhaal terugkeeren.Western begon nu onderzoek te doen naar de aanleiding tot den twist, waarop Blifil noch Jones eenig antwoord gaf; maar Thwackum hernam knorrig:„Ik geloof wel dat de aanleiding niet ver verwijderd is, en als ge het plantsoen doorzoekt, zult ge haar wel vinden.”„Haar?” riep Western. „Hoe! Hebt ge om een meisje gevochten?”„Vraag het dien mijnheer daar, in de hemdsmouwen maar,” zei Thwackum; „hij kan u het best inlichten.”„Ja, zoo!” riep Western, „dan is er zeker eene meid in het spel! O Tom! Tom! Ge zijt me er een! Maar komt, heeren, laat alles nu vergeten en vergeven zijn, en sluit den vrede bij mij te huis onder een glas wijn.”„Met uw verlof, mijnheer!” hernam Thwackum; „het is zoo’n kleinigheid niet voor iemand van mijn stand om op die wijze beleedigd en geslagen te zijn door een jongen, alleen omdat ik mijn pligt wilde doen en trachten eene gemeene slet te ontdekken om haar volgens de wet te doen straffen. Maar eigenlijk hebben de heer Allworthy en gij zelf de meeste schuld; want als gij de wetten wildet handhaven, naar behooren, zou het land weldra van zulk ongedierte gezuiverd zijn.”„Ik zou even gaarne de vossen uitroeijen!” riep Western. „Ik geloof eerder dat wij elk middel moesten aanprijzen om die getallen aan te vullen, die wij dagelijks in den loop van den oorlog verliezen. Maar, zeg eens, waar is zij gebleven? Kom, Tom, laat ze zien!” En hij begon in de struiken te drijven, met dezelfde uitroepingen en woorden, alsof hij naar een haas zocht, en riep eindelijk: „Zie zoo! Ze is niet ver van hier! Op mijn woord! Hier heeft ze gelegen! Zij is al op den loop!”En daarin had hij gelijk; want hij had nu de plek ontdekt, van waar het arme meisje bij het begin van den strijd op handen en voeten weggeslopen was.Sophia verzocht nu haren vader naar huis terug te keeren, daar zij zich zeer onwel gevoelde en weer eene flaauwte vreesde. Western stemde dadelijk in het verzoek zijner dochter toe,—want hij was de liefderijkste vader ter wereld,[244]—en smeekte alle aanwezigen ernstig om ook mede te gaan; maar Blifil en Thwackum volhardden bij hunne weigering; terwijl de eerste zeide, dat er meer redenen bestonden dan hij nu wel aanvoeren kon, om hem te beletten van die eer te genieten, en de andere verklaarde,—misschien niet ten onregte,—dat het niet gepast was voor iemand uit zijn stand, zich zoo toegetakeld als hij was, ergens te laten zien.Jones had de kracht niet om het genoegen af te slaan van het bijzijn zijner Sophia te genieten. Dus trok hij op met Western en de dames, terwijl de predikant de achterhoede vormde. Deze had wel is waar aangeboden om zijn collega Thwackum te vergezellen, daar zijn ambtspligt gebood dat hij hem niet in den steek liet; maar Thwackum wees zijne beleefdheid van de hand, en hem zonder pligtplegingen van zich afstootende, dwong hij hem den heer Western te volgen.Dus eindigde deze bloedige strijd, en hiermede zal ook het vijfde boek van deze geschiedenis eindigen.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Waarin een veel aandoenlijker tooneel gezien wordt, dan het vergieten van al het bloed in het ligchaam van Thwackum, of Blifil, of twintig dergelijke menschen, kan opleveren.Het overige van het gezelschap van den heer Western naderde op het oogenblik, dat de strijd geeindigd was. Het bestond uit den goeden dominé, dien wij reeds aan de tafel van den heer Western ontmoet hebben, uit mejufvrouw Western, Sophia’s tante, en eindelijk uit de schoone Sophia zelve.Het bloedige slagveld leverde het volgende tooneel op:—Op de eene plek, doodsbleek en bijna ademloos, lag de verslagene Blifil. In zijne nabijheid, stond de overwinnende Jones, met bloed bedekt, gedeeltelijk zijn eigen, gedeeltelijk vroeger het eigendom van den eerwaarden heer Thwackum. Iets verder stond genoemde Thwackum, even als koning Porus, zich onwillig aan den overwinnaar onderwerpende. De laatste gestalte, die men ontwaarde, was die van Western den Groote, op eene roemrijke wijze den overwonnen vijand sparende.Blifil, die weinige teekens van leven gaf, was in het begin het hoofdvoorwerp van iedereens belangstelling, en vooral van die van mejufvrouw Western, die een reukfleschje met[240]vlugzout uit den zak gehaald hebbende, het hem onder den neus wilde houden, toen de oplettendheid van het geheele gezelschap plotseling van den armen Blifil afgetrokken werd, wiens geest, indien die eenig voornemen van dien aard gekoesterd had, nu de gelegenheid zou hebben gehad, om ongemerkt naar andere gewesten te vlugten.Want zij ontdekten nu een schooner en treuriger voorwerp, dat levenloos voor hen uitgestrekt lag. Dit was niemand anders dan de bekoorlijke Sophia zelve, die door het gezigt van het bloed, of uit angst voor haar vader, of om eenige andere reden, in zwijm gevallen was, eer iemand haar ter hulp kon komen.Mejufvrouw Western was de eerste die haar zag en het uitgilde. Onmiddelijk hoorde men een paar uit het gezelschap uitroepen: „dat de jonge jufvrouw Western dood gevallen was!” Vlugzout, water, allerlei middelen werden tegelijk gevraagd, door iedereen op hetzelfde oogenblik.De lezer zal zich welligt herinneren, dat toen wij van dit boschje spraken, wij een murmelend beekje vermeldden, welk beekje niet enkel vloeide om te murmelen, zoo als dergelijke liefelijke beekjes doen in gewone romans. Neen! het noodlot had eene grootere eer voor dit beekje bewaard, dan ooit verkregen werd door eenig beekje dat de vlakten van Arkadië besproeit.Jones was bezig met Blifil de slapen te wrijven, want hij begon te vreezen dat hij hem een slag te veel gegeven had, toen de woorden, „jufvrouw Western is dood!” zijn oor bereikten.Hij sprong op, liet Blifil aan zijn lot over, en vloog naar Sophia, en terwijl al de anderen heen en weer en elkaar tegen het lijf liepen en water zochten op de drooge paden, greep hij haar in de armen op, en liep met haar over het land naar voormeld beekje, waar hij zelf in het watersprong, en het hem gelukte haar het gezigt, het hoofd en den hals ruimschoots te besprenkelen.Gelukkig voor Sophia, dat dezelfde verwarring, welke hare vrienden belette om haar te helpen, hen ook belette om Jones te hinderen. Hij was al half weg met haar naar het water eer zij begrepen wat hij doen wilde, en had haar werkelijk tot bezinning gebragt eer zij den rand van de beek[241]bereikten. Want zij strekte de armen uit, opende de oogen en riep, „o Hemel!” juist op het oogenblik dat haar vader, hare tante en de predikant naderden.Jones, die tot dusver den schoonen last in de armen gehouden had, liet haar nu los, niet zonder haar eerst eventjes aan zijn hart te drukken, wat zij zeker opgemerkt zou hebben, als zij volkomen bijgekomen ware geweest. Daar zij echter geen ongenoegen liet blijken over de vrijheid welke hij genomen had, moeten wij natuurlijk veronderstellen dat zij op dat oogenblik nog half bewusteloos was.Het tragische van dit tooneel verkeerde nu op eens in vreugde. En hierbij speelde onze held zeker de hoofdrol; want daar hij waarschijnlijk eene meer hemelsche vreugde smaakte in het denkbeeld van Sophia te hebben kunnen redden, dan zij zelve gevoelde toen zij zich gered wist, zoo waren ook de gelukwenschen waarmede men haar begroette, volstrekt niet geëvenredigd aan die, waarmede men Jones overlaadde,—vooral van den kant van den heer Western zelven, die na zijne dochter een paar maal omhelsd te hebben, Jones pakte en in de armen drukte. Hij noemde hem den redder van Sophia en verklaarde dat er niets was, behalve haar zelve, of zijn vermogen, dat hij hem niet geven wilde; maar bij nader inzien, zonderde hij toch ook zijne jagthonden uit, zijn paard Chevalier, en zijne lievelingsmerrie, Miss Slouch.Daar alle vrees over Sophia nu geweken was, werd Jones het eenige voorwerp van Western’s oplettendheid.„Hoor, mijn jongen,” zeide hij, „trek uw rok uit en wasch uw gezigt eens af; ge ziet er wonderlijk uit, dat is zeker. Kom, kom! wasch u eens af, en ga dan mede naar huis, en we zullen zien wat schoone kleeren voor u te vinden!”Jones stemde dadelijk daarin toe, trok den rok uit, ging weer naar het water, en wiesch zich het hoofd en de borst die ook ontbloot en even bebloed was als zijn gezigt. Maar hoewel het water het bloed afspoelde, kon het de blonde en blaauwe plekken, welke Thwackum op zijn gezigt en zijne borst achtergelaten had, niet uitwisschen, en deze door Sophia ontwaard zijnde, ontlokten haar een zucht en een onbeschrijfelijk teederen blik.[242]Dezen blik ving Jones op, en hij had meer uitwerking op hem dan al de slagen, welke hij reeds ontvangen had. Het was echter eene uitwerking van geheel anderen aard; want ze was zoo zacht en streelend, dat als al de slagen diepe steken geweest waren, hij er een tijdlang niets meer van gevoeld zou hebben.Het gezelschap keerde nu terug, en bereikte weldra de plek, waar het Thwackum inmiddels gelukt was Blifil weder op zijne beenen te zetten.Hier kunnen wij den vromen wensch niet verzwijgen, dat alle twisten alleen door deze wapenen mogten kunnen beslecht worden,—door de wapenen, waarmede de natuur, wetende wat goed voor ons is, ons voorzien heeft, terwijl wij tevens wenschen dat het ijzer gebruikt werd om in geene andere ingewanden dan die der aarde te wroeten. Dan zou de oorlog, dat tijdverdrijf der koningen, bijna onschuldig zijn, en er zouden veldslagen tusschen groote legers kunnen geleverd worden die sommige schoone dames zelve, op haar verzoek, met de vorsten, als toeschouwers konden bijwonen. Dan zou op het eene oogenblik het slagveld bedekt kunnen zijn met lijken, en het volgende oogenblik konden de dooden, of de meeste van hen, even als de troepen op het tooneel, opstaan en naar het geluid van de trom, of de viool, naar verkiezing, aftrekken.Ik zou, zoo het maar mogelijk ware, alles willen vermijden wat dit onderwerp belagchelijk kan maken, opdat geene ernstige mannen en groote staatslieden, er foei! over roepen;—maar, wezenlijk: zou men niet even goed een slag kunnen beslissen volgens het aantal gekneusde schedels, bloedende neuzen en blaauwe oogen, als volgens het getal verminkte en vermoorde menschen? Zou men niet op dezelfde wijze, om het bezit van steden kunnen kampen? Dit zou welligt voor de Fransche belangen geen voordeelig plan zijn, daar zij zoodoende het voordeel zouden verliezen hetwelk zij op andere volkeren bezitten door hunne bekwamere ingenieurs; maar de dapperheid en edelmoedigheid van dat volk in aanmerking genomen, ben ik overtuigd, dat zij nooit weigeren zouden zich op ééne lijn te plaatsen met hunne tegenstanders, en, gelijk men zegt, man tegen man te vechten. Zulke hervormingen zijn echter eerder te wenschen dan[243]te verwachten; ik zal me dus met dezen korten wenk vergenoegen, en tot mijn verhaal terugkeeren.Western begon nu onderzoek te doen naar de aanleiding tot den twist, waarop Blifil noch Jones eenig antwoord gaf; maar Thwackum hernam knorrig:„Ik geloof wel dat de aanleiding niet ver verwijderd is, en als ge het plantsoen doorzoekt, zult ge haar wel vinden.”„Haar?” riep Western. „Hoe! Hebt ge om een meisje gevochten?”„Vraag het dien mijnheer daar, in de hemdsmouwen maar,” zei Thwackum; „hij kan u het best inlichten.”„Ja, zoo!” riep Western, „dan is er zeker eene meid in het spel! O Tom! Tom! Ge zijt me er een! Maar komt, heeren, laat alles nu vergeten en vergeven zijn, en sluit den vrede bij mij te huis onder een glas wijn.”„Met uw verlof, mijnheer!” hernam Thwackum; „het is zoo’n kleinigheid niet voor iemand van mijn stand om op die wijze beleedigd en geslagen te zijn door een jongen, alleen omdat ik mijn pligt wilde doen en trachten eene gemeene slet te ontdekken om haar volgens de wet te doen straffen. Maar eigenlijk hebben de heer Allworthy en gij zelf de meeste schuld; want als gij de wetten wildet handhaven, naar behooren, zou het land weldra van zulk ongedierte gezuiverd zijn.”„Ik zou even gaarne de vossen uitroeijen!” riep Western. „Ik geloof eerder dat wij elk middel moesten aanprijzen om die getallen aan te vullen, die wij dagelijks in den loop van den oorlog verliezen. Maar, zeg eens, waar is zij gebleven? Kom, Tom, laat ze zien!” En hij begon in de struiken te drijven, met dezelfde uitroepingen en woorden, alsof hij naar een haas zocht, en riep eindelijk: „Zie zoo! Ze is niet ver van hier! Op mijn woord! Hier heeft ze gelegen! Zij is al op den loop!”En daarin had hij gelijk; want hij had nu de plek ontdekt, van waar het arme meisje bij het begin van den strijd op handen en voeten weggeslopen was.Sophia verzocht nu haren vader naar huis terug te keeren, daar zij zich zeer onwel gevoelde en weer eene flaauwte vreesde. Western stemde dadelijk in het verzoek zijner dochter toe,—want hij was de liefderijkste vader ter wereld,[244]—en smeekte alle aanwezigen ernstig om ook mede te gaan; maar Blifil en Thwackum volhardden bij hunne weigering; terwijl de eerste zeide, dat er meer redenen bestonden dan hij nu wel aanvoeren kon, om hem te beletten van die eer te genieten, en de andere verklaarde,—misschien niet ten onregte,—dat het niet gepast was voor iemand uit zijn stand, zich zoo toegetakeld als hij was, ergens te laten zien.Jones had de kracht niet om het genoegen af te slaan van het bijzijn zijner Sophia te genieten. Dus trok hij op met Western en de dames, terwijl de predikant de achterhoede vormde. Deze had wel is waar aangeboden om zijn collega Thwackum te vergezellen, daar zijn ambtspligt gebood dat hij hem niet in den steek liet; maar Thwackum wees zijne beleefdheid van de hand, en hem zonder pligtplegingen van zich afstootende, dwong hij hem den heer Western te volgen.Dus eindigde deze bloedige strijd, en hiermede zal ook het vijfde boek van deze geschiedenis eindigen.

Hoofdstuk XII.Waarin een veel aandoenlijker tooneel gezien wordt, dan het vergieten van al het bloed in het ligchaam van Thwackum, of Blifil, of twintig dergelijke menschen, kan opleveren.

Het overige van het gezelschap van den heer Western naderde op het oogenblik, dat de strijd geeindigd was. Het bestond uit den goeden dominé, dien wij reeds aan de tafel van den heer Western ontmoet hebben, uit mejufvrouw Western, Sophia’s tante, en eindelijk uit de schoone Sophia zelve.Het bloedige slagveld leverde het volgende tooneel op:—Op de eene plek, doodsbleek en bijna ademloos, lag de verslagene Blifil. In zijne nabijheid, stond de overwinnende Jones, met bloed bedekt, gedeeltelijk zijn eigen, gedeeltelijk vroeger het eigendom van den eerwaarden heer Thwackum. Iets verder stond genoemde Thwackum, even als koning Porus, zich onwillig aan den overwinnaar onderwerpende. De laatste gestalte, die men ontwaarde, was die van Western den Groote, op eene roemrijke wijze den overwonnen vijand sparende.Blifil, die weinige teekens van leven gaf, was in het begin het hoofdvoorwerp van iedereens belangstelling, en vooral van die van mejufvrouw Western, die een reukfleschje met[240]vlugzout uit den zak gehaald hebbende, het hem onder den neus wilde houden, toen de oplettendheid van het geheele gezelschap plotseling van den armen Blifil afgetrokken werd, wiens geest, indien die eenig voornemen van dien aard gekoesterd had, nu de gelegenheid zou hebben gehad, om ongemerkt naar andere gewesten te vlugten.Want zij ontdekten nu een schooner en treuriger voorwerp, dat levenloos voor hen uitgestrekt lag. Dit was niemand anders dan de bekoorlijke Sophia zelve, die door het gezigt van het bloed, of uit angst voor haar vader, of om eenige andere reden, in zwijm gevallen was, eer iemand haar ter hulp kon komen.Mejufvrouw Western was de eerste die haar zag en het uitgilde. Onmiddelijk hoorde men een paar uit het gezelschap uitroepen: „dat de jonge jufvrouw Western dood gevallen was!” Vlugzout, water, allerlei middelen werden tegelijk gevraagd, door iedereen op hetzelfde oogenblik.De lezer zal zich welligt herinneren, dat toen wij van dit boschje spraken, wij een murmelend beekje vermeldden, welk beekje niet enkel vloeide om te murmelen, zoo als dergelijke liefelijke beekjes doen in gewone romans. Neen! het noodlot had eene grootere eer voor dit beekje bewaard, dan ooit verkregen werd door eenig beekje dat de vlakten van Arkadië besproeit.Jones was bezig met Blifil de slapen te wrijven, want hij begon te vreezen dat hij hem een slag te veel gegeven had, toen de woorden, „jufvrouw Western is dood!” zijn oor bereikten.Hij sprong op, liet Blifil aan zijn lot over, en vloog naar Sophia, en terwijl al de anderen heen en weer en elkaar tegen het lijf liepen en water zochten op de drooge paden, greep hij haar in de armen op, en liep met haar over het land naar voormeld beekje, waar hij zelf in het watersprong, en het hem gelukte haar het gezigt, het hoofd en den hals ruimschoots te besprenkelen.Gelukkig voor Sophia, dat dezelfde verwarring, welke hare vrienden belette om haar te helpen, hen ook belette om Jones te hinderen. Hij was al half weg met haar naar het water eer zij begrepen wat hij doen wilde, en had haar werkelijk tot bezinning gebragt eer zij den rand van de beek[241]bereikten. Want zij strekte de armen uit, opende de oogen en riep, „o Hemel!” juist op het oogenblik dat haar vader, hare tante en de predikant naderden.Jones, die tot dusver den schoonen last in de armen gehouden had, liet haar nu los, niet zonder haar eerst eventjes aan zijn hart te drukken, wat zij zeker opgemerkt zou hebben, als zij volkomen bijgekomen ware geweest. Daar zij echter geen ongenoegen liet blijken over de vrijheid welke hij genomen had, moeten wij natuurlijk veronderstellen dat zij op dat oogenblik nog half bewusteloos was.Het tragische van dit tooneel verkeerde nu op eens in vreugde. En hierbij speelde onze held zeker de hoofdrol; want daar hij waarschijnlijk eene meer hemelsche vreugde smaakte in het denkbeeld van Sophia te hebben kunnen redden, dan zij zelve gevoelde toen zij zich gered wist, zoo waren ook de gelukwenschen waarmede men haar begroette, volstrekt niet geëvenredigd aan die, waarmede men Jones overlaadde,—vooral van den kant van den heer Western zelven, die na zijne dochter een paar maal omhelsd te hebben, Jones pakte en in de armen drukte. Hij noemde hem den redder van Sophia en verklaarde dat er niets was, behalve haar zelve, of zijn vermogen, dat hij hem niet geven wilde; maar bij nader inzien, zonderde hij toch ook zijne jagthonden uit, zijn paard Chevalier, en zijne lievelingsmerrie, Miss Slouch.Daar alle vrees over Sophia nu geweken was, werd Jones het eenige voorwerp van Western’s oplettendheid.„Hoor, mijn jongen,” zeide hij, „trek uw rok uit en wasch uw gezigt eens af; ge ziet er wonderlijk uit, dat is zeker. Kom, kom! wasch u eens af, en ga dan mede naar huis, en we zullen zien wat schoone kleeren voor u te vinden!”Jones stemde dadelijk daarin toe, trok den rok uit, ging weer naar het water, en wiesch zich het hoofd en de borst die ook ontbloot en even bebloed was als zijn gezigt. Maar hoewel het water het bloed afspoelde, kon het de blonde en blaauwe plekken, welke Thwackum op zijn gezigt en zijne borst achtergelaten had, niet uitwisschen, en deze door Sophia ontwaard zijnde, ontlokten haar een zucht en een onbeschrijfelijk teederen blik.[242]Dezen blik ving Jones op, en hij had meer uitwerking op hem dan al de slagen, welke hij reeds ontvangen had. Het was echter eene uitwerking van geheel anderen aard; want ze was zoo zacht en streelend, dat als al de slagen diepe steken geweest waren, hij er een tijdlang niets meer van gevoeld zou hebben.Het gezelschap keerde nu terug, en bereikte weldra de plek, waar het Thwackum inmiddels gelukt was Blifil weder op zijne beenen te zetten.Hier kunnen wij den vromen wensch niet verzwijgen, dat alle twisten alleen door deze wapenen mogten kunnen beslecht worden,—door de wapenen, waarmede de natuur, wetende wat goed voor ons is, ons voorzien heeft, terwijl wij tevens wenschen dat het ijzer gebruikt werd om in geene andere ingewanden dan die der aarde te wroeten. Dan zou de oorlog, dat tijdverdrijf der koningen, bijna onschuldig zijn, en er zouden veldslagen tusschen groote legers kunnen geleverd worden die sommige schoone dames zelve, op haar verzoek, met de vorsten, als toeschouwers konden bijwonen. Dan zou op het eene oogenblik het slagveld bedekt kunnen zijn met lijken, en het volgende oogenblik konden de dooden, of de meeste van hen, even als de troepen op het tooneel, opstaan en naar het geluid van de trom, of de viool, naar verkiezing, aftrekken.Ik zou, zoo het maar mogelijk ware, alles willen vermijden wat dit onderwerp belagchelijk kan maken, opdat geene ernstige mannen en groote staatslieden, er foei! over roepen;—maar, wezenlijk: zou men niet even goed een slag kunnen beslissen volgens het aantal gekneusde schedels, bloedende neuzen en blaauwe oogen, als volgens het getal verminkte en vermoorde menschen? Zou men niet op dezelfde wijze, om het bezit van steden kunnen kampen? Dit zou welligt voor de Fransche belangen geen voordeelig plan zijn, daar zij zoodoende het voordeel zouden verliezen hetwelk zij op andere volkeren bezitten door hunne bekwamere ingenieurs; maar de dapperheid en edelmoedigheid van dat volk in aanmerking genomen, ben ik overtuigd, dat zij nooit weigeren zouden zich op ééne lijn te plaatsen met hunne tegenstanders, en, gelijk men zegt, man tegen man te vechten. Zulke hervormingen zijn echter eerder te wenschen dan[243]te verwachten; ik zal me dus met dezen korten wenk vergenoegen, en tot mijn verhaal terugkeeren.Western begon nu onderzoek te doen naar de aanleiding tot den twist, waarop Blifil noch Jones eenig antwoord gaf; maar Thwackum hernam knorrig:„Ik geloof wel dat de aanleiding niet ver verwijderd is, en als ge het plantsoen doorzoekt, zult ge haar wel vinden.”„Haar?” riep Western. „Hoe! Hebt ge om een meisje gevochten?”„Vraag het dien mijnheer daar, in de hemdsmouwen maar,” zei Thwackum; „hij kan u het best inlichten.”„Ja, zoo!” riep Western, „dan is er zeker eene meid in het spel! O Tom! Tom! Ge zijt me er een! Maar komt, heeren, laat alles nu vergeten en vergeven zijn, en sluit den vrede bij mij te huis onder een glas wijn.”„Met uw verlof, mijnheer!” hernam Thwackum; „het is zoo’n kleinigheid niet voor iemand van mijn stand om op die wijze beleedigd en geslagen te zijn door een jongen, alleen omdat ik mijn pligt wilde doen en trachten eene gemeene slet te ontdekken om haar volgens de wet te doen straffen. Maar eigenlijk hebben de heer Allworthy en gij zelf de meeste schuld; want als gij de wetten wildet handhaven, naar behooren, zou het land weldra van zulk ongedierte gezuiverd zijn.”„Ik zou even gaarne de vossen uitroeijen!” riep Western. „Ik geloof eerder dat wij elk middel moesten aanprijzen om die getallen aan te vullen, die wij dagelijks in den loop van den oorlog verliezen. Maar, zeg eens, waar is zij gebleven? Kom, Tom, laat ze zien!” En hij begon in de struiken te drijven, met dezelfde uitroepingen en woorden, alsof hij naar een haas zocht, en riep eindelijk: „Zie zoo! Ze is niet ver van hier! Op mijn woord! Hier heeft ze gelegen! Zij is al op den loop!”En daarin had hij gelijk; want hij had nu de plek ontdekt, van waar het arme meisje bij het begin van den strijd op handen en voeten weggeslopen was.Sophia verzocht nu haren vader naar huis terug te keeren, daar zij zich zeer onwel gevoelde en weer eene flaauwte vreesde. Western stemde dadelijk in het verzoek zijner dochter toe,—want hij was de liefderijkste vader ter wereld,[244]—en smeekte alle aanwezigen ernstig om ook mede te gaan; maar Blifil en Thwackum volhardden bij hunne weigering; terwijl de eerste zeide, dat er meer redenen bestonden dan hij nu wel aanvoeren kon, om hem te beletten van die eer te genieten, en de andere verklaarde,—misschien niet ten onregte,—dat het niet gepast was voor iemand uit zijn stand, zich zoo toegetakeld als hij was, ergens te laten zien.Jones had de kracht niet om het genoegen af te slaan van het bijzijn zijner Sophia te genieten. Dus trok hij op met Western en de dames, terwijl de predikant de achterhoede vormde. Deze had wel is waar aangeboden om zijn collega Thwackum te vergezellen, daar zijn ambtspligt gebood dat hij hem niet in den steek liet; maar Thwackum wees zijne beleefdheid van de hand, en hem zonder pligtplegingen van zich afstootende, dwong hij hem den heer Western te volgen.Dus eindigde deze bloedige strijd, en hiermede zal ook het vijfde boek van deze geschiedenis eindigen.

Het overige van het gezelschap van den heer Western naderde op het oogenblik, dat de strijd geeindigd was. Het bestond uit den goeden dominé, dien wij reeds aan de tafel van den heer Western ontmoet hebben, uit mejufvrouw Western, Sophia’s tante, en eindelijk uit de schoone Sophia zelve.

Het bloedige slagveld leverde het volgende tooneel op:—Op de eene plek, doodsbleek en bijna ademloos, lag de verslagene Blifil. In zijne nabijheid, stond de overwinnende Jones, met bloed bedekt, gedeeltelijk zijn eigen, gedeeltelijk vroeger het eigendom van den eerwaarden heer Thwackum. Iets verder stond genoemde Thwackum, even als koning Porus, zich onwillig aan den overwinnaar onderwerpende. De laatste gestalte, die men ontwaarde, was die van Western den Groote, op eene roemrijke wijze den overwonnen vijand sparende.

Blifil, die weinige teekens van leven gaf, was in het begin het hoofdvoorwerp van iedereens belangstelling, en vooral van die van mejufvrouw Western, die een reukfleschje met[240]vlugzout uit den zak gehaald hebbende, het hem onder den neus wilde houden, toen de oplettendheid van het geheele gezelschap plotseling van den armen Blifil afgetrokken werd, wiens geest, indien die eenig voornemen van dien aard gekoesterd had, nu de gelegenheid zou hebben gehad, om ongemerkt naar andere gewesten te vlugten.

Want zij ontdekten nu een schooner en treuriger voorwerp, dat levenloos voor hen uitgestrekt lag. Dit was niemand anders dan de bekoorlijke Sophia zelve, die door het gezigt van het bloed, of uit angst voor haar vader, of om eenige andere reden, in zwijm gevallen was, eer iemand haar ter hulp kon komen.

Mejufvrouw Western was de eerste die haar zag en het uitgilde. Onmiddelijk hoorde men een paar uit het gezelschap uitroepen: „dat de jonge jufvrouw Western dood gevallen was!” Vlugzout, water, allerlei middelen werden tegelijk gevraagd, door iedereen op hetzelfde oogenblik.

De lezer zal zich welligt herinneren, dat toen wij van dit boschje spraken, wij een murmelend beekje vermeldden, welk beekje niet enkel vloeide om te murmelen, zoo als dergelijke liefelijke beekjes doen in gewone romans. Neen! het noodlot had eene grootere eer voor dit beekje bewaard, dan ooit verkregen werd door eenig beekje dat de vlakten van Arkadië besproeit.

Jones was bezig met Blifil de slapen te wrijven, want hij begon te vreezen dat hij hem een slag te veel gegeven had, toen de woorden, „jufvrouw Western is dood!” zijn oor bereikten.

Hij sprong op, liet Blifil aan zijn lot over, en vloog naar Sophia, en terwijl al de anderen heen en weer en elkaar tegen het lijf liepen en water zochten op de drooge paden, greep hij haar in de armen op, en liep met haar over het land naar voormeld beekje, waar hij zelf in het watersprong, en het hem gelukte haar het gezigt, het hoofd en den hals ruimschoots te besprenkelen.

Gelukkig voor Sophia, dat dezelfde verwarring, welke hare vrienden belette om haar te helpen, hen ook belette om Jones te hinderen. Hij was al half weg met haar naar het water eer zij begrepen wat hij doen wilde, en had haar werkelijk tot bezinning gebragt eer zij den rand van de beek[241]bereikten. Want zij strekte de armen uit, opende de oogen en riep, „o Hemel!” juist op het oogenblik dat haar vader, hare tante en de predikant naderden.

Jones, die tot dusver den schoonen last in de armen gehouden had, liet haar nu los, niet zonder haar eerst eventjes aan zijn hart te drukken, wat zij zeker opgemerkt zou hebben, als zij volkomen bijgekomen ware geweest. Daar zij echter geen ongenoegen liet blijken over de vrijheid welke hij genomen had, moeten wij natuurlijk veronderstellen dat zij op dat oogenblik nog half bewusteloos was.

Het tragische van dit tooneel verkeerde nu op eens in vreugde. En hierbij speelde onze held zeker de hoofdrol; want daar hij waarschijnlijk eene meer hemelsche vreugde smaakte in het denkbeeld van Sophia te hebben kunnen redden, dan zij zelve gevoelde toen zij zich gered wist, zoo waren ook de gelukwenschen waarmede men haar begroette, volstrekt niet geëvenredigd aan die, waarmede men Jones overlaadde,—vooral van den kant van den heer Western zelven, die na zijne dochter een paar maal omhelsd te hebben, Jones pakte en in de armen drukte. Hij noemde hem den redder van Sophia en verklaarde dat er niets was, behalve haar zelve, of zijn vermogen, dat hij hem niet geven wilde; maar bij nader inzien, zonderde hij toch ook zijne jagthonden uit, zijn paard Chevalier, en zijne lievelingsmerrie, Miss Slouch.

Daar alle vrees over Sophia nu geweken was, werd Jones het eenige voorwerp van Western’s oplettendheid.

„Hoor, mijn jongen,” zeide hij, „trek uw rok uit en wasch uw gezigt eens af; ge ziet er wonderlijk uit, dat is zeker. Kom, kom! wasch u eens af, en ga dan mede naar huis, en we zullen zien wat schoone kleeren voor u te vinden!”

Jones stemde dadelijk daarin toe, trok den rok uit, ging weer naar het water, en wiesch zich het hoofd en de borst die ook ontbloot en even bebloed was als zijn gezigt. Maar hoewel het water het bloed afspoelde, kon het de blonde en blaauwe plekken, welke Thwackum op zijn gezigt en zijne borst achtergelaten had, niet uitwisschen, en deze door Sophia ontwaard zijnde, ontlokten haar een zucht en een onbeschrijfelijk teederen blik.[242]

Dezen blik ving Jones op, en hij had meer uitwerking op hem dan al de slagen, welke hij reeds ontvangen had. Het was echter eene uitwerking van geheel anderen aard; want ze was zoo zacht en streelend, dat als al de slagen diepe steken geweest waren, hij er een tijdlang niets meer van gevoeld zou hebben.

Het gezelschap keerde nu terug, en bereikte weldra de plek, waar het Thwackum inmiddels gelukt was Blifil weder op zijne beenen te zetten.

Hier kunnen wij den vromen wensch niet verzwijgen, dat alle twisten alleen door deze wapenen mogten kunnen beslecht worden,—door de wapenen, waarmede de natuur, wetende wat goed voor ons is, ons voorzien heeft, terwijl wij tevens wenschen dat het ijzer gebruikt werd om in geene andere ingewanden dan die der aarde te wroeten. Dan zou de oorlog, dat tijdverdrijf der koningen, bijna onschuldig zijn, en er zouden veldslagen tusschen groote legers kunnen geleverd worden die sommige schoone dames zelve, op haar verzoek, met de vorsten, als toeschouwers konden bijwonen. Dan zou op het eene oogenblik het slagveld bedekt kunnen zijn met lijken, en het volgende oogenblik konden de dooden, of de meeste van hen, even als de troepen op het tooneel, opstaan en naar het geluid van de trom, of de viool, naar verkiezing, aftrekken.

Ik zou, zoo het maar mogelijk ware, alles willen vermijden wat dit onderwerp belagchelijk kan maken, opdat geene ernstige mannen en groote staatslieden, er foei! over roepen;—maar, wezenlijk: zou men niet even goed een slag kunnen beslissen volgens het aantal gekneusde schedels, bloedende neuzen en blaauwe oogen, als volgens het getal verminkte en vermoorde menschen? Zou men niet op dezelfde wijze, om het bezit van steden kunnen kampen? Dit zou welligt voor de Fransche belangen geen voordeelig plan zijn, daar zij zoodoende het voordeel zouden verliezen hetwelk zij op andere volkeren bezitten door hunne bekwamere ingenieurs; maar de dapperheid en edelmoedigheid van dat volk in aanmerking genomen, ben ik overtuigd, dat zij nooit weigeren zouden zich op ééne lijn te plaatsen met hunne tegenstanders, en, gelijk men zegt, man tegen man te vechten. Zulke hervormingen zijn echter eerder te wenschen dan[243]te verwachten; ik zal me dus met dezen korten wenk vergenoegen, en tot mijn verhaal terugkeeren.

Western begon nu onderzoek te doen naar de aanleiding tot den twist, waarop Blifil noch Jones eenig antwoord gaf; maar Thwackum hernam knorrig:

„Ik geloof wel dat de aanleiding niet ver verwijderd is, en als ge het plantsoen doorzoekt, zult ge haar wel vinden.”

„Haar?” riep Western. „Hoe! Hebt ge om een meisje gevochten?”

„Vraag het dien mijnheer daar, in de hemdsmouwen maar,” zei Thwackum; „hij kan u het best inlichten.”

„Ja, zoo!” riep Western, „dan is er zeker eene meid in het spel! O Tom! Tom! Ge zijt me er een! Maar komt, heeren, laat alles nu vergeten en vergeven zijn, en sluit den vrede bij mij te huis onder een glas wijn.”

„Met uw verlof, mijnheer!” hernam Thwackum; „het is zoo’n kleinigheid niet voor iemand van mijn stand om op die wijze beleedigd en geslagen te zijn door een jongen, alleen omdat ik mijn pligt wilde doen en trachten eene gemeene slet te ontdekken om haar volgens de wet te doen straffen. Maar eigenlijk hebben de heer Allworthy en gij zelf de meeste schuld; want als gij de wetten wildet handhaven, naar behooren, zou het land weldra van zulk ongedierte gezuiverd zijn.”

„Ik zou even gaarne de vossen uitroeijen!” riep Western. „Ik geloof eerder dat wij elk middel moesten aanprijzen om die getallen aan te vullen, die wij dagelijks in den loop van den oorlog verliezen. Maar, zeg eens, waar is zij gebleven? Kom, Tom, laat ze zien!” En hij begon in de struiken te drijven, met dezelfde uitroepingen en woorden, alsof hij naar een haas zocht, en riep eindelijk: „Zie zoo! Ze is niet ver van hier! Op mijn woord! Hier heeft ze gelegen! Zij is al op den loop!”

En daarin had hij gelijk; want hij had nu de plek ontdekt, van waar het arme meisje bij het begin van den strijd op handen en voeten weggeslopen was.

Sophia verzocht nu haren vader naar huis terug te keeren, daar zij zich zeer onwel gevoelde en weer eene flaauwte vreesde. Western stemde dadelijk in het verzoek zijner dochter toe,—want hij was de liefderijkste vader ter wereld,[244]—en smeekte alle aanwezigen ernstig om ook mede te gaan; maar Blifil en Thwackum volhardden bij hunne weigering; terwijl de eerste zeide, dat er meer redenen bestonden dan hij nu wel aanvoeren kon, om hem te beletten van die eer te genieten, en de andere verklaarde,—misschien niet ten onregte,—dat het niet gepast was voor iemand uit zijn stand, zich zoo toegetakeld als hij was, ergens te laten zien.

Jones had de kracht niet om het genoegen af te slaan van het bijzijn zijner Sophia te genieten. Dus trok hij op met Western en de dames, terwijl de predikant de achterhoede vormde. Deze had wel is waar aangeboden om zijn collega Thwackum te vergezellen, daar zijn ambtspligt gebood dat hij hem niet in den steek liet; maar Thwackum wees zijne beleefdheid van de hand, en hem zonder pligtplegingen van zich afstootende, dwong hij hem den heer Western te volgen.

Dus eindigde deze bloedige strijd, en hiermede zal ook het vijfde boek van deze geschiedenis eindigen.


Back to IndexNext