Hoofdstuk XII.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.De avonturen van eenige officieren.De luitenant, dien wij in het vorige hoofdstuk vermeldden, en die deze troep aanvoerde, was nu bijna zestig jaren oud. Hij was zeer jong in dienst gegaan, en was, als vaandrig, bij den slag bij Tannières geweest, waar hij twee wonden ontvangen en zich zoodanig onderscheiden had, dat hij dadelijk naden slag door den Hertog van Marlborough tot luitenant bevorderd was.In dezen rang had hij sedert (dat is bijna veertig jaren) gediend, gedurende welken tijd hij ontelbare menschen had zien bevorderen, terwijl men hem voorbijging, en hij moest het nu verdragen dat jonge lieden hem kommandeerden, wier vaderen kinderen waren toen hij in dienst trad.Deze tegenspoed in de dienst was niet alleen daaraan toe te schrijven, dat hij geene invloedrijke vrienden bezat. Hij had het ongeluk daarbij om den kolonel te mishagen, die vele jaren lang het bevel voerde over het regiment. Hij had zich den onverzoenlijken haat, welken deze heer hem toedroeg, niet op den hals gehaald door eenig pligtverzuim als officier, noch inderdaad door eenige schuld van zijn kant; maar alleen door de onvoorzigtigheid zijner vrouw, die zeer schoon was, en die, hoewel zij bijzonder veel van haar man hield, zijne bevordering niet koopen wildeten koste van zekere gunstbewijzen, welke de kolonel van haar eischte.De arme luitenant was des te ongelukkiger, omdat, terwijl hij de uitwerkselen van de vijandigheid van zijn kolonel ondervond, hij nooit wist, noch vermoedde, dat die bestond; want hij kon geen onwil veronderstellen, waartoe hij zich niet bewust was op eenige wijze aanleiding gegeven te hebben, terwijl zijne vrouw, bevreesd voor hetgeen haar mans fijn eergevoel, geëischt zou hebben, zich te vreden stelde met hare deugd te bewaren, zonder op hare overwinning te pogchen.Deze ongelukkige officier (want zoo, dunkt me, moet men hem heeten), bezat vele goede hoedanigheden behalve zijne verdiensten als krijgsman; want hij was godsdienstig, eerlijk, goedhartig en had zich zoo voortreffelijk gehouden[52]in de dienst, dat hij hooggeacht en bemind was, niet slechts door de soldaten zijner eigene kompagnie, maar ook door het geheele regiment.De andere officieren die met hem marscheerden waren een Fransche luitenant, die lang genoeg uit zijn eigen land geweest was om de Fransche taal te vergeten, maar niet lang genoeg in Engeland om de landtaal aan te leeren; zoo dat hij eigenlijk geene taal sprak en zelfs in dagelijksche zaken zich naauwelijks kon doen verstaan. Er waren ook twee vaandrigs, beide zeer jonge menschen, van wie de eene opgevoed was door een zaakwaarnemer en de andere de zoon was van de vrouw van den keldermeester van zekeren edelman.Na afloop van de tafel, vertelde Jones van de grappen onder de soldaten op marsch, „en toch,” zeide hij, „in weerwil van al hun geschreeuw, geloof ik wel dat zij zich vóór den vijand, eerder als Grieken dan als Trojanen gedragen zullen.”„Grieken en Trojanen!” riep een der vaandrigs. „Wie drommel zijn dat? Ik heb wel eens alle troepen in Europa hooren noemen,—maar die nooit!”„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft groot gelijk.”„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb gelezen van hen, in de school,dans Madame Dacier!Die Grieken en Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat alles!”„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak. Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig pak slagen bezorgd heeft!”[53]„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de luitenant.„Wel, verd.…!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer, dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch schrijven!”„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden. Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de protestantsche godsdienst te beschermen.”De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder naar het gesprek te luisteren, zeide nu:„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om dereligionte doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde trekken.”„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan Koning en Vaderland, heeft de protestantsche[54]zaak toch veel er toe bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen, mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te gaan.”„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote geleerdheid,” riep de vaandrig.„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan en er niets te leeren.”„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord, Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt niet tegen hem opgewassen.”Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!” welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om zich op Jones te wreken.Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen. Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon, dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij daarmede bedoelde.Maar de luitenant, die aan het hoofd van de tafel zat, was niet tevreden alleen met den naam van Sophia. Hij zeide ook haar familie-naam te moeten weten, waarop Jones, na eenige aarzeling, mejufvrouw Sophia Western noemde.[55]De heer Northerton verklaarde nu dat dat hij onmogelijk op haar drinken kon, ten zij er iemand was die voor haar instond:„Ik heb eene Sophia Western te Bath gekend,” voegde hij er bij, „de maitresse van de helft der jongeluî daar, en misschien is dit hetzelfde wijf.”Jones verzekerde hem zeer plegtig van het tegendeel, bewerende dat de jonge dame iemand was van hoogen stand en groot vermogen.„Ja, ja,” riep de vaandrig; „dat is zij ook! Ik wil verd—d zijn als het niet dezelfde vrouw is! En ik wed een half dozijn flesschen Bourgogne dat Tom French van ons regiment haar medebrengt in elke kroeg, die wij verkiezen!”Daarop ging hij voort met haar uiterlijk zeer naauwkeurig te beschrijven;—want hij had haar met hare tante gezien,—en eindigde met te zeggen, „dat haar vader uitgestrekte landerijen bezat in Somersetshire.”Een teedere minnaar kan de minste aardigheid over zijne beminde slecht verdragen. Jones echter, ofschoon hij verliefd en moedig genoeg was, wreekte dezen laster welligt niet zoo spoedig als hij had moeten doen. Om de waarheid te zeggen, daar hij slechts weinig geestigheid van dezen aard gezien had, begreep hij ze ook niet dadelijk en verbeeldde zich een heelen tijdlang dat er bij den heer Northerton eene verwarring van denkbeelden bestond omtrent de persoon. Zich echter eindelijk, met een ernstigen blik tot den vaandrig keerende, zeide hij:„Ik verzoek u, mijnheer, een ander voorwerp te zoeken voor uwe geestigheid; want ik verzeker u dat ik geene aardigheden wil aanhooren omtrent den goeden naam dezer dame.”„Aardigheden!” riep de andere. „Wel verdraaid! Ik meende het nooit van mijn leven ernstiger! Tom French van ons regiment, heeft haar en hare tante, beide, te Bath gehad!”„En ik zeg u ook, in goeden ernst,” riep Jones, „dat gij een der grootste schelmen ter wereld zijt!”Hij had naauwelijks deze woorden er uitgebragt toen de vaandrig, met een rollend vuur van vloeken, Jones eene flesch naar het hoofd smeet, die hem iets boven de regter slaap rakende, hem oogenblikkelijk ter aarde velde.[56]De overwinnaar zijn vijand aldus bewusteloos uitgestrekt ziende, terwijl het bloed vrij sterk uit de wond vloeide, begon er nu aan te denken om het slagveld te verlaten waar geen eer meer voor hem in te oogsten viel; maar de luitenant belette hem dit door zich voor de deur te plaatsen en hem den terugtogt af te snijden.Northertonsmeekte den luitenant ernstig hem te laten gaan, hem herinnerende aan de waarschijnlijk treurige gevolgen als hij bleef, terwijl hij hem ook vroeg, of hij anders had kunnen handelen dan hij gedaan had?„Wat drommel!” riep hij; „het was maar gekheid van mij. Ik heb van mijn leven geen kwaad van jufvrouw Western gehoord!”„Zoo!” riep de luitenant. „Dan verdient ge de galg! Evenzeer voor het maken van zulke grappen als voor het gebruiken van zulke wapenen. Gij zijt mijn arrestant, mijnheer;—en ge zult hier de deur niet uit tot er eene behoorlijke wacht is, om u in bewaring te nemen.”Onze luitenant bezat zulk eene meerderheid over den vaandrig, dat al die bruischende moed, welke gediend had om onzen armen held neder te vellen, genoemden vaandrig naauwelijks aangespoord zou hebben het zwaard tegen den luitenant te trekken, als er een om zijne lendenen gegord ware geweest; maar alle degens hingen tegen den muur en werden bij het begin van den twist door den Franschen officier in bezit genomen. Dus was de heer Northerton gedwongen den afloop der zaak af te wachten.Op verzoek van hun bevelhebber, rigtten de Franschman en de heer Adderly Jones op: daar zij echter weinige of geene teekenen van leven bespeurden, lieten zij hem weder vallen, terwijl Adderly hem verwenschte omdat hij zijn vest met bloed bevlekt had, en de Franschman uitriep:„Pardie!Ik raak niet meerle mortaan;—men heeft mij verteld dat de Engelsche wet ophangt den man, die het laatst getoucheerd heeft den doode!”Toen de goede luitenant naar de deur vloog, trok hij onderweg aan de schel, en zoodra de knecht verscheen, zond hij hem om een heelmeester. Deze boodschap, tegelijk met hetgeen de knecht zelf gezien had, bragt niet slechts de soldaten op de plek bijeen, maar ook den waard,[57]zijne vrouw, de dienstboden, en iedereen die te dien tijd in de herberg was.Het zou mij onmogelijk zijn, al kon ik veertig pennen tegelijk voeren, om alle bijzonderheden en alle gesprekken op te schrijven die voorvielen bij het tooneel dat nu volgde. De lezer moet zich dus met het merkwaardigste te vreden stellen, en zal waarschijnlijk het overige best kunnen missen.Het eerste dat gedaan werd, was zich van Northerton te verzekeren, die onder begeleiding van een korporaal en zes man weggebragt werd van eene plaats, welke hij gaarne verlaten wilde;—maar ongelukkig, naar eene plaats, waarheen hij ook zeer ongaarne ging. Ja, zoo grillig zijn de wenschen der eerzucht, dat op hetzelfde oogenblik dat deze jongeling zich door bovengemelde eerewacht omgeven zag, hij zich volgaarne verschuild zou hebben in eenigen uithoek der wereld, waar geen mensch er ooit iets van had kunnen vernemen.Het verbaast ons, en misschien den lezer ook, dat de waardige en goede luitenant zich eerder er op toelegde om zich van den misdadiger te verzekeren, dan om het leven van den gewonde te redden. Wij merken dit hier op zonder eenig plan om zulk een vreemd gedrag te willen verklaren; maar alleen om te beletten dat eenig recensent zich er later op beroemen zou het zelf ontdekt te hebben. Wij wilden die heeren doen begrijpen, dat wij zonderlingheden in eens menschen karakter even goed ontwaren als zij zelven; maar het is alleen onze taak om de feiten naar waarheid te vermelden, terwijl, als wij dat gedaan hebben, de geleerde en schrandere lezer het oorspronkelijke boek der natuur moet raadplegen, waaruit elke bladzijde in ons werk afgeschreven is, zonder dat wij echter ons telkens verpligt gevoelen de bijzondere bladzijde te vermelden.Het gezelschap dat nu bijeen gekomen was, scheen van een geheel ander gevoelen te zijn. Zij beteugelden hunne nieuwsgierigheid omtrent den vaandrig, tot zij hem later in eene meer belangwekkende positie zouden zien. Thans werd hunne belangstelling en oplettendheid alleen geboeid door het bebloede voorwerp op den grond, dat evenwel, zoodra het op een stoel gezet werd, eenige teekens begon te[58]geven van leven en beweging. Zoodra de omstanders dit ontwaarden (want men hield Jones eerst voor dood), begonnen zij allen tegelijk iets voor te schrijven; want daar er niemand van de geneeskundige fakulteit aanwezig was, nam iedereen dat ambt op zich.Met eenparige stemmen verklaarde men zich voor eene aderlating; maar ongelukkig was er geen heelmeester bij de hand;—om welke reden iedereen uitriep: „Zend om den barbier!” zonder echter dat iemand met dat doel een voet verzette. Op even weinig doelmatige wijze, werd het gebruik van allerlei drankjes voorgeschreven; tot de waard, eene kan oud bier, warm, en met een stuk geroosterd brood er in bestelde,—wat hij voor het beste geneesmiddel hield in het land.De persoon, die de meeste hulp verleende bij deze gelegenheid, en inderdaad de eenige die werkelijk eenige dienst scheen te zullen bewijzen, was de vrouw van den waard, die wat van haar hoofdbaar afsneed en het op de wond legde om het bloed te stillen, den jongeling eigenhandig de slapen wreef en met de meeste minachting voor de voorschriften van haar man, eene der meiden zond om eene flesch brandewijn uit hare eigene kast, waaruit zij Jones, die pas weder tot bezinning gekomen was, overhaalde om een flinken slok te gebruiken.Kort daarop verscheen de heelmeester, die de wond onderzocht, het hoofd schudde, alles afkeurde wat er al gedaan was en beval den patient dadelijk naar bed te brengen, waar wij het goed vinden hem een tijdlang in rust te laten en dus hiermede een einde aan dit hoofdstuk maken.[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Over de groote behendigheid van de waardin, de groote geleerdheid van den heelmeester, en de groote bedrevenheid van den waardigen luitenant op het punt van gewetensvragen.Zoodra de gekwetste naar bed gebragt was, en al de drukte begon te bedaren, door dit ongeluk in het huis veroorzaakt,[59]sprak de waardin den bevelvoerenden officier aldus aan:„Ik vrees, mijnheer, dat die jongeling zich niet betamelijk gedragen heeft in het bijzijn der heeren en dat, als men hem doodgeslagen had, hij slechts zijn verdiend loon gekregen zou hebben; want, als mindere menschen in het gezelschap van hunne meerderen toegelaten worden, moesten zij nooit vergeten zich behoorlijk op een afstand te houden;—maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, er zijn er maar weinigen, die dat weten te doen. Wat mij betreft, ik weet zeker, dat ik nooit gewild zou hebben, dat zulk een mensch zich bij de heeren indrong; maar ik dacht dat hij ook officier was, tot de sergeant mij vertelde dat het slechts een rekruut was.”„Ge vergist u zeer, vrouwtje, omtrent de heele zaak,” antwoordde de luitenant. „De jonge heer gedroeg zich uitstekend goed, en is, geloof ik, een veel fatsoenlijker man dan de vaandrig, die hem tergde. Als de jongen sterft, zal diegene, die hem den slag toebragt, het zwaar te verantwoorden hebben;—ons regiment zal een zeer lastigen vent kwijt worden, die het leger tot schande strekt, en het zal mijne schuld niet wezen als hij aan de justitie ontsnapt;—dat verzeker ik u, jufvrouw!”„Wel! Wel! Heere mijn tijd!” riep de waardin, „wie zou zoo iets gedacht hebben? Ja, ja! Ik wil wel gelooven dat mijnheer zorgen zal dat het regt zijn loop heeft;—en dat is ook voor iedereen billijk. De groote heeren moeten ons, arm volk, niet doodslaan zonder het te verantwoorden. Een arm mensch heeft ook eene ziel, even goed als zijne meerderen!”„Wezenlijk, jufvrouw,” zei de luitenant, „ge doet den vrijwilliger groot onregt:—ik durf wedden dat hij fatsoenlijker man is dan de officier.”„Juist!” hernam de waardin;—„precies! Ziet u, mijn eerste man, dat was ook een verstandig mensch, en hij plagt te zeggen dat men het innerlijk niet altijd naar het uiterlijk beoordeelen kan. Ja, en dat was ook hier welligt gunstig; want ik zag hem in ’t geheel niet tot hij daar in zijn bloed lag! Wie had zich zoo iets kunnen verbeelden! Welligt een jonge heer die eene ongelukkige liefde[60]gehad heeft. Goede hemel! Als hij kwam te sterven, wat zou dat een leed zijn voor zijne ouders! Wel! die hem zoo mishandeld heeft, moet door den duivel bezeten zijn! Ja, mijnheer heeft gelijk; hij onteert het leger! De meeste heeren van het leger die ik ooit gezien heb, zijn ’n heel ander slag van menschen, en zien er uit als of zij zich schamen zouden een christenmensch te vermoorden; dat wil zeggen zoo buiten den oorlog, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen. ’t Is waar, als het oorlog is, moet er bloedvergieten zijn;—maar dat kunnen zij niet helpen. Hoe meer van onze vijanden zij dan dooden hoe beter, en ik wou maar van ganscher harte dat zij ze allen dood sloegen, tot den laatsten man toe!”„Wel, foei, jufvrouw!” zei de luitenant, met een glimlach: „dat is wat al te bloeddorstig!”„Volstrekt niet, mijnheer!” hernam zij. „Ik ben volstrekt niet bloeddorstig, behalve ten opzigte onzer vijanden en dat kan toch geen kwaad. ’t Is toch maar natuurlijk in een mensch te wenschen dat zijne vijanden dood waren, en dat er een einde aan den oorlog kome en dat de belastingen verminderen;—want het is verschrikkelijk zoo als wij nu betalen moeten! Ja, meer dan veertig shillings voor de ramen en vensters, ofschoon wij alles digtgemaakt hebben wat we maar missen konden;—wij hebben wezenlijk het huis half donker gemaakt; en ik zei tot den taxateur:—Vriend, zei ik, ons moest ge wel iets door de vingers zien; want wij zijn trouwe aanhangers van het bestuur, dat is waar; en wij betalen een schat van geld. En toch denk ik dikwerf zoo bij mij zelve, het gouvernement schijnt niet meer om ons te geven dan om anderen die geen duit betalen. Ja, ja! zoo gaat het in de wereld!”Zij was nog in dezen trant aan den gang toen de heelmeester binnen trad. De luitenant vroeg dadelijk hoe de patient het maakte? Het eenige bescheid dat hij kreeg, luidde: „Beter, geloof ik, dan hij zich thans bevinden zou, als men mij niet ingeroepen had, en het zou misschien, zelfs nu, beter voor hem geweest zijn als men mij vroeger geroepen had.”„Ik hoop toch, mijnheer, dat de schedel niet gebroken is?” riep de luitenant.[61]„Hm!” hernam de heelmeester. „Breuken zijn niet altijd de gevaarlijkste zaken. Kneuzingen en gescheurde wonden gaan dikwerf vergezeld van ergere verschijnselen en nog noodlottiger gevolgen dan breuken. Menschen, die niets van de zaak begrijpen, verbeelden zich, dat als er geen beenbreuk is, er ook geen gevaar bestaat; terwijl ik liever eens menschen schedel geheel stuk geslagen zou zien, dan op sommige wijzen, zoo als ik gezien heb, gekneusd.”„Ik vertrouw toch dat er geene verschijnselen van dien aard nu te duchten zijn?” vroeg de luitenant.„De verschijnselen,” hernam de heelmeester, „zijn niet altijd standvastig en geregeld. Ik heb wel eens gezien dat de ongunstigste verschijnselen ’s morgens dikwerf ’s middags gunstig werden en ’s avonds weder hoogst ongunstig. Van wonden, inderdaad, zegt men te regt: „Nemo repente turpissimus fuit.” Ik herinner me eens geroepen te zijn bij een patient, die lijdende was aan eene geweldige kneuzing van detibia, waarbij decutisaan de oppervlakte gescheurd was, zoodat er eene ruime bloedontlasting volgde en de inwendige weefselen zoodanig beleedigd waren dat hetos, of het been, zeer duidelijk zigtbaar was tusschen de lippen van hetvulnus, of de wond. Daar er zich tevens eene koortsachtige aandoening vertoonde,—want de pols was hard en gaf eene sterke verbloeding te kennen, vreesde ik dat zichonmiddellijkkoudvuur voordoen zou. Om dit te voorkomen, maakte ik dadelijk eene groote opening in de ader van den linker arm; waaruit ik twintig ons bloed aftapte, wat ik verwacht had zeer dun en geleiachtig, of liever, geheel verstijfd te vinden;—hetgeen het geval is bijpleurisen dergelijke ziekten; maar tot mijne groote verwondering, was het rood en frisch en de dikte er van verschilde slechts zeer weinig van die van het bloed van een volmaakt gezond mensch. Ik ging er toe over om eene pap op de gewonde plaats te leggen, wat zeer aan mijne verwachtingen voldeed en na de eerste drie of vier verbanden, begon de wond een dikkepus, of etter te ontlasten, waardoor de cohesie;—maar welligt maak ik me niet geheel en al verstaanbaar?”„Neen,” hernam de luitenant, „dat is waar. Ik kan niet zeggen dat ik er iets van begrijp.”[62]„Nu, mijnheer, dan zal ik uw geduld niet op de proef stellen. Met een woord, binnen de zes weken was mijn patient in staat even goed de beenen te gebruiken als voor dat hij de kneuzing gekregen had.”„Ik zou u toch willen verzoeken, mijnheer,” zei de luitenant, „de beleefdheid te hebben mij te zeggen of de wond van dezen jongen heer doodelijk zal zijn of niet?”„Mijnheer,” hernam de heelmeester, „het zou dwaze en vermetele verwaandheid zijn, als men bij het leggen van het eerste verband zeggen wilde dat eene wond doodelijk zal zijn of niet. Wij zijn allen sterfelijk, en verschijnselen doen zich soms voor bij eene geneeskundige behandeling, welke niet voorzien konden worden door de beroemdste beoefenaren van onze wetenschap.”„Maar gelooft gij dat hij in gevaar verkeert?” vroeg de andere.„In gevaar?” herhaalde de heelmeester. „Wel zeker! Wie van ons, die zelfs de meest volmaakte gezondheid geniet, kan buiten gevaar heeten? Zou men dan kunnen zeggen dat iemand met zulk eene zware wonde in het hoofd buiten gevaar is? Het meeste wat ik nu zeggen kan, is, dat het een geluk is, dat men mij inriep, en dat het welligt beter zou geweest zijn als men mij vroeger geroepen had. Ik zal hem morgen vroeg weder bij tijds komen zien, en inmiddels moet men hem heel stil houden en volop gersten-water laten drinken.”„Mag hij witten wijn, met melk gekookt, hebben?” vroeg de waardin.„Ja,—dat wel, als het maar heel slapjes is!” riep de dokter.„En een weinig kippensoep ook?” voegde zij er bij.„Ja, ja,” zei de dokter; „kippensoep is best voor hem.”„Mag ik ook wat gelei voor hem klaar maken?” vroeg de waardin.„Ja, ja,” hernam de dokter, „gelei is uitmuntend in het geval van wonden, want ze bevordert de cohesie.”En werkelijk, het was heel gelukkig dat zij niet van sterke soepen en pikante sousen sprak, want de dokter zou ja gezegd hebben bij alles, liever dan hare klandisie te verliezen.[63]Zoodra de heelmeester weg was, begon de waardin zijn lof aan den luitenant te verkondigen, die, na hunne korte kennismaking, volstrekt geene zoo gunstige meening opgevat had van zijne kennis als die welke de goede vrouw en de geheele buurt van hem had,—en misschien niet zonder grond,—want, hoewel, naar ik vrees, de dokter meer of minder een kwast was, kon hij desniettemin toch een uitstekende heelmeester zijn.De luitenant, uit het geleerde gesprek van den dokter opgemaakt hebbende dat de heer Jones zich in groot gevaar bevond, gaf bevel dat men den heer Northerton streng bewaken zou, met het voornemen om hem den volgenden morgen aan den vrederegter over te leveren, en om het overbrengen van het transport naar Gloucester toe te vertrouwen aan den Franschen luitenant, die, hoewel hij geen eene taal goed lezen, schrijven of spreken kon, toch een uitnemend officier was.’s Avonds zond onze kommandant ook een boodschap aan den heer Jones, om hem te doen weten, dat als een bezoek hem niet vermoeijen zou, hij gaarne zijne opwachting bij hem wilde maken. Deze beleefdheid werd dankbaar en gaarne door Jones aangenomen, en de luitenant ging dus naar boven, waar hij den gewonde veel beter vond dan hij gedacht had;—ja, Jones gaf zelfs zijn vriend te kennen, dat als hij geene stellige bevelen van den heelmeester ontvangen had om te blijven liggen, hij al lang geleden opgestaan zou zijn; want hij gevoelde zich volmaakt wel, en ondervond niets van de wond, dan wat pijn aan dien kant van het hoofd, waar de slag hem getroffen had.„Het zal me genoegen doen, als ge wezenlijk zoo wel zijt als ge u verbeeldt,” zei de luitenant; „want in dat geval, zult ge in staat zijn om u dadelijk voldoening te verschaffen; want als eene zaak niet meer bij te leggen is, zoo als een slag, bij voorbeeld, hoe eerder gij dan met uwe tegenpartij uitgaat hoe beter;—maar, ik vrees dat ge u verbeeldt beter te zijn dan werkelijk het geval is, en dat zou hem te veel voordeel op u geven.”„Ik zal het echter wagen, als het u belieft,” hernam Jones, „als gij maar zoo goed wilt wezen mij een degen te leenen; want ik heb er zelf geen bij me.”[64]„Mijn degen staat u ten dienste, dat verzeker ik u van ganscher harte, mijn waarde jongen,” riep de luitenant, hem omhelzende; „gij zijt een brave kerel en uw moed bevalt me; maar ik vrees voor uwe krachten; want zulk een slag en het bloedverlies moeten u zeer verzwakt hebben, en hoewel ge geen gemis aan krachten gevoelt zoo lang ge te bed ligt, zou dat toch wel het geval zijn, als ge met den degen in de vuist moest staan. Ik kan er niet in toestemmen dat ge heden avond met hem vecht, maar ik hoop, dat ge in staat zult wezen om ons binnen een paar dagen in te halen, en ik geef u mijn woord van eer dat ge voldoening zult hebben, of de man, die u beleedigd heeft, zal ons regiment verlaten.”„Ik zou toch zoo gaarne de zaak nog voor den nacht uitmaken,” zei Jones; „nu wij er eenmaal over gepraat hebben, zal ik geen oogenblik rust hebben.”„Wel, wel!” hernam de andere, „op een paar dagen komt het niet aan. De wonden der eer zijn niet als die van het ligchaam. Het doet geen kwaad dat zij op genezing moeten wachten. Het zal even goed zijn voor u over eene week voldoening te krijgen als nu.”„Maar,” zei Jones, „veronderstel eens dat mijn toestand verergerde en dat ik aan de gevolgen van mijne wond stierf!”„Dan is uwe eer toch gered,” hernam de luitenant. „Ik zelf zal zorg dragen, dat men u regt doet en voor de geheele wereld zal ik getuigen, dat gij u als man zoudt gedragen hebben als gij maar hersteld waart.”„Dit uitstel,” zei Jones, „bedroeft me toch! Ik durf het u, die soldaat zijt, haast niet zeggen; maar hoewel ik een zeer ligtzinnig jong mensch ben geweest, toch blijf ik, in ernstige oogenblikken, in mijn hart een christen.”„Dat ben ik ook,” hernam de andere; „zeker, en zoo van ganscher harte, dat het mij genoegen deed aan tafel u voor de godsdienst partij te zien trekken, en het spijt me nu eenigzins, jonge heer, dat gij vreezen zoudt voor wien ook te bekennen, dat gij een geloovige zijt.”„Maar hoe verschrikkelijk moet het toch zijn voor een waar christen,” riep Jones, „om wrok te koesteren in zijn hart, tegen het bevel in van hem die zoo iets bepaaldelijk verboden heeft. Hoe zal ik me kunnen verantwoorden, zoo[65]lang een dergelijk gevoelen in de diepte van mijn hart tegen mij pleit?”„Nu, ik geloof wel dat zoo iets in strijd is met de geboden,” zei de luitenant; „maar een man van eer kan zich daaraan niet storen. En man van eer moet ge zijn, als gij bij het leger wilt dienen. Ik herinner me die vraag eens onder een glas punsch aan onzen veldprediker gedaan te hebben, en hij bekende dat er nog al bezwaar in was om ze te beantwoorden; maar hij zeide, dat hij hoopte dat den krijgslieden in dit geval eene zekere vrijheid gelaten zou worden, en wezenlijk, het is pligt voor ons dat te hopen; want wie zou eerloos willen leven? Neen, neen, mijn beste jongen, blijf een goed christen zoo lang ge leeft; maar blijf ook man van eer, en duld nooit eenige beleediging;—alle boeken noch alle dominé’s ter wereld kunnen mij daartoe bewegen! Ik houd veel van mijne godsdienst, maar nog meer van mijne eer. Er moet eene vergissing zijn in de woorden van den tekst, of in de vertaling, of in de exegese, of ergens, of iets verkeerds zijn. Maar, hoe dat ook zij, de mensch moet de kans wagen; want zijne eer moet hem heilig wezen. Dus neem maar uwe rust heden nacht en ik beloof u de gelegenheid te verschaffen om voldoening te krijgen.”Hierop omhelsde hij Jones weder hartelijk, drukte hem de hand en verliet hem.Maar hoewel de redenering van den luitenant zeer overtuigend luidde voor hem zelven, was dit niet het geval met zijn vriend—en Jones, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, kwam eindelijk tot een besluit, dat den lezer in het volgende hoofdstuk medegedeeld zal worden.[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Een zeer verschrikkelijk hoofdstuk, dat weinigen lezers geraden is des avonds te lezen, vooral als zij alleen zitten.Jones verslond een groote kom vol kippen-, of liever hanen-soep, met den meesten eetlust, en zou inderdaad[66]den haan zelven, met een pond spek er bij, gaarne opgegeten hebben; en daarop bevindende, dat het hem noch aan gezondheid noch aan moed ontbrak, besloot hij om op te staan en zijn vijand te gaan zoeken.Eerst echter zond hij om den sergeant, zijne oudste kennis onder de militairen. Ongelukkig had die waardige onderofficier wat al te veel gedronken, en was sedert eenigen tijd naar bed gegaan, waar hij zoo hard snorkte dat het niet gemakkelijk viel een geluid in zijne ooren ingang te doen vinden, dat hoorbaarder was dan dat hetwelk uit zijne neusgaten kwam.Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep, stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze gril van den zieke.[67]„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat, gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem verzocht den prijs daarvan te noemen.De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden. Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs stellen op het gevest dan op de kling.”Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet goedkooper laten zou.„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was, en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide: „Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij moet ook[68]bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintigshillingste veel is.”„Twintigshillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig guinjes!”„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintigshillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan krijgen,—maar—”Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan, en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te halen eer zij Worcester bereikt hadden.De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan, zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te berooven, of om zelf het zijne te verliezen.„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel, in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en mishandeld heeft, zonder[69]eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep, behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts. Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt neder.Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed, echter, had hij het geluk om mis te schieten.Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst, en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl[70]hij volstrekt niet aan het gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij, zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar, gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde strekken.Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had, volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar met belangstelling vragende, wat er te doen was?Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die hem aanpakten,[71]maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten; want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook, herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet, en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat hem scheelde, antwoordde hij:„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu, met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem verdwenen was.Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden. Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt en droomt!”De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende als fakkels!”De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan, hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst[72]uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden gaan.De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken; maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was. En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.De avonturen van eenige officieren.De luitenant, dien wij in het vorige hoofdstuk vermeldden, en die deze troep aanvoerde, was nu bijna zestig jaren oud. Hij was zeer jong in dienst gegaan, en was, als vaandrig, bij den slag bij Tannières geweest, waar hij twee wonden ontvangen en zich zoodanig onderscheiden had, dat hij dadelijk naden slag door den Hertog van Marlborough tot luitenant bevorderd was.In dezen rang had hij sedert (dat is bijna veertig jaren) gediend, gedurende welken tijd hij ontelbare menschen had zien bevorderen, terwijl men hem voorbijging, en hij moest het nu verdragen dat jonge lieden hem kommandeerden, wier vaderen kinderen waren toen hij in dienst trad.Deze tegenspoed in de dienst was niet alleen daaraan toe te schrijven, dat hij geene invloedrijke vrienden bezat. Hij had het ongeluk daarbij om den kolonel te mishagen, die vele jaren lang het bevel voerde over het regiment. Hij had zich den onverzoenlijken haat, welken deze heer hem toedroeg, niet op den hals gehaald door eenig pligtverzuim als officier, noch inderdaad door eenige schuld van zijn kant; maar alleen door de onvoorzigtigheid zijner vrouw, die zeer schoon was, en die, hoewel zij bijzonder veel van haar man hield, zijne bevordering niet koopen wildeten koste van zekere gunstbewijzen, welke de kolonel van haar eischte.De arme luitenant was des te ongelukkiger, omdat, terwijl hij de uitwerkselen van de vijandigheid van zijn kolonel ondervond, hij nooit wist, noch vermoedde, dat die bestond; want hij kon geen onwil veronderstellen, waartoe hij zich niet bewust was op eenige wijze aanleiding gegeven te hebben, terwijl zijne vrouw, bevreesd voor hetgeen haar mans fijn eergevoel, geëischt zou hebben, zich te vreden stelde met hare deugd te bewaren, zonder op hare overwinning te pogchen.Deze ongelukkige officier (want zoo, dunkt me, moet men hem heeten), bezat vele goede hoedanigheden behalve zijne verdiensten als krijgsman; want hij was godsdienstig, eerlijk, goedhartig en had zich zoo voortreffelijk gehouden[52]in de dienst, dat hij hooggeacht en bemind was, niet slechts door de soldaten zijner eigene kompagnie, maar ook door het geheele regiment.De andere officieren die met hem marscheerden waren een Fransche luitenant, die lang genoeg uit zijn eigen land geweest was om de Fransche taal te vergeten, maar niet lang genoeg in Engeland om de landtaal aan te leeren; zoo dat hij eigenlijk geene taal sprak en zelfs in dagelijksche zaken zich naauwelijks kon doen verstaan. Er waren ook twee vaandrigs, beide zeer jonge menschen, van wie de eene opgevoed was door een zaakwaarnemer en de andere de zoon was van de vrouw van den keldermeester van zekeren edelman.Na afloop van de tafel, vertelde Jones van de grappen onder de soldaten op marsch, „en toch,” zeide hij, „in weerwil van al hun geschreeuw, geloof ik wel dat zij zich vóór den vijand, eerder als Grieken dan als Trojanen gedragen zullen.”„Grieken en Trojanen!” riep een der vaandrigs. „Wie drommel zijn dat? Ik heb wel eens alle troepen in Europa hooren noemen,—maar die nooit!”„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft groot gelijk.”„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb gelezen van hen, in de school,dans Madame Dacier!Die Grieken en Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat alles!”„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak. Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig pak slagen bezorgd heeft!”[53]„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de luitenant.„Wel, verd.…!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer, dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch schrijven!”„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden. Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de protestantsche godsdienst te beschermen.”De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder naar het gesprek te luisteren, zeide nu:„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om dereligionte doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde trekken.”„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan Koning en Vaderland, heeft de protestantsche[54]zaak toch veel er toe bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen, mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te gaan.”„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote geleerdheid,” riep de vaandrig.„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan en er niets te leeren.”„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord, Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt niet tegen hem opgewassen.”Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!” welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om zich op Jones te wreken.Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen. Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon, dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij daarmede bedoelde.Maar de luitenant, die aan het hoofd van de tafel zat, was niet tevreden alleen met den naam van Sophia. Hij zeide ook haar familie-naam te moeten weten, waarop Jones, na eenige aarzeling, mejufvrouw Sophia Western noemde.[55]De heer Northerton verklaarde nu dat dat hij onmogelijk op haar drinken kon, ten zij er iemand was die voor haar instond:„Ik heb eene Sophia Western te Bath gekend,” voegde hij er bij, „de maitresse van de helft der jongeluî daar, en misschien is dit hetzelfde wijf.”Jones verzekerde hem zeer plegtig van het tegendeel, bewerende dat de jonge dame iemand was van hoogen stand en groot vermogen.„Ja, ja,” riep de vaandrig; „dat is zij ook! Ik wil verd—d zijn als het niet dezelfde vrouw is! En ik wed een half dozijn flesschen Bourgogne dat Tom French van ons regiment haar medebrengt in elke kroeg, die wij verkiezen!”Daarop ging hij voort met haar uiterlijk zeer naauwkeurig te beschrijven;—want hij had haar met hare tante gezien,—en eindigde met te zeggen, „dat haar vader uitgestrekte landerijen bezat in Somersetshire.”Een teedere minnaar kan de minste aardigheid over zijne beminde slecht verdragen. Jones echter, ofschoon hij verliefd en moedig genoeg was, wreekte dezen laster welligt niet zoo spoedig als hij had moeten doen. Om de waarheid te zeggen, daar hij slechts weinig geestigheid van dezen aard gezien had, begreep hij ze ook niet dadelijk en verbeeldde zich een heelen tijdlang dat er bij den heer Northerton eene verwarring van denkbeelden bestond omtrent de persoon. Zich echter eindelijk, met een ernstigen blik tot den vaandrig keerende, zeide hij:„Ik verzoek u, mijnheer, een ander voorwerp te zoeken voor uwe geestigheid; want ik verzeker u dat ik geene aardigheden wil aanhooren omtrent den goeden naam dezer dame.”„Aardigheden!” riep de andere. „Wel verdraaid! Ik meende het nooit van mijn leven ernstiger! Tom French van ons regiment, heeft haar en hare tante, beide, te Bath gehad!”„En ik zeg u ook, in goeden ernst,” riep Jones, „dat gij een der grootste schelmen ter wereld zijt!”Hij had naauwelijks deze woorden er uitgebragt toen de vaandrig, met een rollend vuur van vloeken, Jones eene flesch naar het hoofd smeet, die hem iets boven de regter slaap rakende, hem oogenblikkelijk ter aarde velde.[56]De overwinnaar zijn vijand aldus bewusteloos uitgestrekt ziende, terwijl het bloed vrij sterk uit de wond vloeide, begon er nu aan te denken om het slagveld te verlaten waar geen eer meer voor hem in te oogsten viel; maar de luitenant belette hem dit door zich voor de deur te plaatsen en hem den terugtogt af te snijden.Northertonsmeekte den luitenant ernstig hem te laten gaan, hem herinnerende aan de waarschijnlijk treurige gevolgen als hij bleef, terwijl hij hem ook vroeg, of hij anders had kunnen handelen dan hij gedaan had?„Wat drommel!” riep hij; „het was maar gekheid van mij. Ik heb van mijn leven geen kwaad van jufvrouw Western gehoord!”„Zoo!” riep de luitenant. „Dan verdient ge de galg! Evenzeer voor het maken van zulke grappen als voor het gebruiken van zulke wapenen. Gij zijt mijn arrestant, mijnheer;—en ge zult hier de deur niet uit tot er eene behoorlijke wacht is, om u in bewaring te nemen.”Onze luitenant bezat zulk eene meerderheid over den vaandrig, dat al die bruischende moed, welke gediend had om onzen armen held neder te vellen, genoemden vaandrig naauwelijks aangespoord zou hebben het zwaard tegen den luitenant te trekken, als er een om zijne lendenen gegord ware geweest; maar alle degens hingen tegen den muur en werden bij het begin van den twist door den Franschen officier in bezit genomen. Dus was de heer Northerton gedwongen den afloop der zaak af te wachten.Op verzoek van hun bevelhebber, rigtten de Franschman en de heer Adderly Jones op: daar zij echter weinige of geene teekenen van leven bespeurden, lieten zij hem weder vallen, terwijl Adderly hem verwenschte omdat hij zijn vest met bloed bevlekt had, en de Franschman uitriep:„Pardie!Ik raak niet meerle mortaan;—men heeft mij verteld dat de Engelsche wet ophangt den man, die het laatst getoucheerd heeft den doode!”Toen de goede luitenant naar de deur vloog, trok hij onderweg aan de schel, en zoodra de knecht verscheen, zond hij hem om een heelmeester. Deze boodschap, tegelijk met hetgeen de knecht zelf gezien had, bragt niet slechts de soldaten op de plek bijeen, maar ook den waard,[57]zijne vrouw, de dienstboden, en iedereen die te dien tijd in de herberg was.Het zou mij onmogelijk zijn, al kon ik veertig pennen tegelijk voeren, om alle bijzonderheden en alle gesprekken op te schrijven die voorvielen bij het tooneel dat nu volgde. De lezer moet zich dus met het merkwaardigste te vreden stellen, en zal waarschijnlijk het overige best kunnen missen.Het eerste dat gedaan werd, was zich van Northerton te verzekeren, die onder begeleiding van een korporaal en zes man weggebragt werd van eene plaats, welke hij gaarne verlaten wilde;—maar ongelukkig, naar eene plaats, waarheen hij ook zeer ongaarne ging. Ja, zoo grillig zijn de wenschen der eerzucht, dat op hetzelfde oogenblik dat deze jongeling zich door bovengemelde eerewacht omgeven zag, hij zich volgaarne verschuild zou hebben in eenigen uithoek der wereld, waar geen mensch er ooit iets van had kunnen vernemen.Het verbaast ons, en misschien den lezer ook, dat de waardige en goede luitenant zich eerder er op toelegde om zich van den misdadiger te verzekeren, dan om het leven van den gewonde te redden. Wij merken dit hier op zonder eenig plan om zulk een vreemd gedrag te willen verklaren; maar alleen om te beletten dat eenig recensent zich er later op beroemen zou het zelf ontdekt te hebben. Wij wilden die heeren doen begrijpen, dat wij zonderlingheden in eens menschen karakter even goed ontwaren als zij zelven; maar het is alleen onze taak om de feiten naar waarheid te vermelden, terwijl, als wij dat gedaan hebben, de geleerde en schrandere lezer het oorspronkelijke boek der natuur moet raadplegen, waaruit elke bladzijde in ons werk afgeschreven is, zonder dat wij echter ons telkens verpligt gevoelen de bijzondere bladzijde te vermelden.Het gezelschap dat nu bijeen gekomen was, scheen van een geheel ander gevoelen te zijn. Zij beteugelden hunne nieuwsgierigheid omtrent den vaandrig, tot zij hem later in eene meer belangwekkende positie zouden zien. Thans werd hunne belangstelling en oplettendheid alleen geboeid door het bebloede voorwerp op den grond, dat evenwel, zoodra het op een stoel gezet werd, eenige teekens begon te[58]geven van leven en beweging. Zoodra de omstanders dit ontwaarden (want men hield Jones eerst voor dood), begonnen zij allen tegelijk iets voor te schrijven; want daar er niemand van de geneeskundige fakulteit aanwezig was, nam iedereen dat ambt op zich.Met eenparige stemmen verklaarde men zich voor eene aderlating; maar ongelukkig was er geen heelmeester bij de hand;—om welke reden iedereen uitriep: „Zend om den barbier!” zonder echter dat iemand met dat doel een voet verzette. Op even weinig doelmatige wijze, werd het gebruik van allerlei drankjes voorgeschreven; tot de waard, eene kan oud bier, warm, en met een stuk geroosterd brood er in bestelde,—wat hij voor het beste geneesmiddel hield in het land.De persoon, die de meeste hulp verleende bij deze gelegenheid, en inderdaad de eenige die werkelijk eenige dienst scheen te zullen bewijzen, was de vrouw van den waard, die wat van haar hoofdbaar afsneed en het op de wond legde om het bloed te stillen, den jongeling eigenhandig de slapen wreef en met de meeste minachting voor de voorschriften van haar man, eene der meiden zond om eene flesch brandewijn uit hare eigene kast, waaruit zij Jones, die pas weder tot bezinning gekomen was, overhaalde om een flinken slok te gebruiken.Kort daarop verscheen de heelmeester, die de wond onderzocht, het hoofd schudde, alles afkeurde wat er al gedaan was en beval den patient dadelijk naar bed te brengen, waar wij het goed vinden hem een tijdlang in rust te laten en dus hiermede een einde aan dit hoofdstuk maken.[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Over de groote behendigheid van de waardin, de groote geleerdheid van den heelmeester, en de groote bedrevenheid van den waardigen luitenant op het punt van gewetensvragen.Zoodra de gekwetste naar bed gebragt was, en al de drukte begon te bedaren, door dit ongeluk in het huis veroorzaakt,[59]sprak de waardin den bevelvoerenden officier aldus aan:„Ik vrees, mijnheer, dat die jongeling zich niet betamelijk gedragen heeft in het bijzijn der heeren en dat, als men hem doodgeslagen had, hij slechts zijn verdiend loon gekregen zou hebben; want, als mindere menschen in het gezelschap van hunne meerderen toegelaten worden, moesten zij nooit vergeten zich behoorlijk op een afstand te houden;—maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, er zijn er maar weinigen, die dat weten te doen. Wat mij betreft, ik weet zeker, dat ik nooit gewild zou hebben, dat zulk een mensch zich bij de heeren indrong; maar ik dacht dat hij ook officier was, tot de sergeant mij vertelde dat het slechts een rekruut was.”„Ge vergist u zeer, vrouwtje, omtrent de heele zaak,” antwoordde de luitenant. „De jonge heer gedroeg zich uitstekend goed, en is, geloof ik, een veel fatsoenlijker man dan de vaandrig, die hem tergde. Als de jongen sterft, zal diegene, die hem den slag toebragt, het zwaar te verantwoorden hebben;—ons regiment zal een zeer lastigen vent kwijt worden, die het leger tot schande strekt, en het zal mijne schuld niet wezen als hij aan de justitie ontsnapt;—dat verzeker ik u, jufvrouw!”„Wel! Wel! Heere mijn tijd!” riep de waardin, „wie zou zoo iets gedacht hebben? Ja, ja! Ik wil wel gelooven dat mijnheer zorgen zal dat het regt zijn loop heeft;—en dat is ook voor iedereen billijk. De groote heeren moeten ons, arm volk, niet doodslaan zonder het te verantwoorden. Een arm mensch heeft ook eene ziel, even goed als zijne meerderen!”„Wezenlijk, jufvrouw,” zei de luitenant, „ge doet den vrijwilliger groot onregt:—ik durf wedden dat hij fatsoenlijker man is dan de officier.”„Juist!” hernam de waardin;—„precies! Ziet u, mijn eerste man, dat was ook een verstandig mensch, en hij plagt te zeggen dat men het innerlijk niet altijd naar het uiterlijk beoordeelen kan. Ja, en dat was ook hier welligt gunstig; want ik zag hem in ’t geheel niet tot hij daar in zijn bloed lag! Wie had zich zoo iets kunnen verbeelden! Welligt een jonge heer die eene ongelukkige liefde[60]gehad heeft. Goede hemel! Als hij kwam te sterven, wat zou dat een leed zijn voor zijne ouders! Wel! die hem zoo mishandeld heeft, moet door den duivel bezeten zijn! Ja, mijnheer heeft gelijk; hij onteert het leger! De meeste heeren van het leger die ik ooit gezien heb, zijn ’n heel ander slag van menschen, en zien er uit als of zij zich schamen zouden een christenmensch te vermoorden; dat wil zeggen zoo buiten den oorlog, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen. ’t Is waar, als het oorlog is, moet er bloedvergieten zijn;—maar dat kunnen zij niet helpen. Hoe meer van onze vijanden zij dan dooden hoe beter, en ik wou maar van ganscher harte dat zij ze allen dood sloegen, tot den laatsten man toe!”„Wel, foei, jufvrouw!” zei de luitenant, met een glimlach: „dat is wat al te bloeddorstig!”„Volstrekt niet, mijnheer!” hernam zij. „Ik ben volstrekt niet bloeddorstig, behalve ten opzigte onzer vijanden en dat kan toch geen kwaad. ’t Is toch maar natuurlijk in een mensch te wenschen dat zijne vijanden dood waren, en dat er een einde aan den oorlog kome en dat de belastingen verminderen;—want het is verschrikkelijk zoo als wij nu betalen moeten! Ja, meer dan veertig shillings voor de ramen en vensters, ofschoon wij alles digtgemaakt hebben wat we maar missen konden;—wij hebben wezenlijk het huis half donker gemaakt; en ik zei tot den taxateur:—Vriend, zei ik, ons moest ge wel iets door de vingers zien; want wij zijn trouwe aanhangers van het bestuur, dat is waar; en wij betalen een schat van geld. En toch denk ik dikwerf zoo bij mij zelve, het gouvernement schijnt niet meer om ons te geven dan om anderen die geen duit betalen. Ja, ja! zoo gaat het in de wereld!”Zij was nog in dezen trant aan den gang toen de heelmeester binnen trad. De luitenant vroeg dadelijk hoe de patient het maakte? Het eenige bescheid dat hij kreeg, luidde: „Beter, geloof ik, dan hij zich thans bevinden zou, als men mij niet ingeroepen had, en het zou misschien, zelfs nu, beter voor hem geweest zijn als men mij vroeger geroepen had.”„Ik hoop toch, mijnheer, dat de schedel niet gebroken is?” riep de luitenant.[61]„Hm!” hernam de heelmeester. „Breuken zijn niet altijd de gevaarlijkste zaken. Kneuzingen en gescheurde wonden gaan dikwerf vergezeld van ergere verschijnselen en nog noodlottiger gevolgen dan breuken. Menschen, die niets van de zaak begrijpen, verbeelden zich, dat als er geen beenbreuk is, er ook geen gevaar bestaat; terwijl ik liever eens menschen schedel geheel stuk geslagen zou zien, dan op sommige wijzen, zoo als ik gezien heb, gekneusd.”„Ik vertrouw toch dat er geene verschijnselen van dien aard nu te duchten zijn?” vroeg de luitenant.„De verschijnselen,” hernam de heelmeester, „zijn niet altijd standvastig en geregeld. Ik heb wel eens gezien dat de ongunstigste verschijnselen ’s morgens dikwerf ’s middags gunstig werden en ’s avonds weder hoogst ongunstig. Van wonden, inderdaad, zegt men te regt: „Nemo repente turpissimus fuit.” Ik herinner me eens geroepen te zijn bij een patient, die lijdende was aan eene geweldige kneuzing van detibia, waarbij decutisaan de oppervlakte gescheurd was, zoodat er eene ruime bloedontlasting volgde en de inwendige weefselen zoodanig beleedigd waren dat hetos, of het been, zeer duidelijk zigtbaar was tusschen de lippen van hetvulnus, of de wond. Daar er zich tevens eene koortsachtige aandoening vertoonde,—want de pols was hard en gaf eene sterke verbloeding te kennen, vreesde ik dat zichonmiddellijkkoudvuur voordoen zou. Om dit te voorkomen, maakte ik dadelijk eene groote opening in de ader van den linker arm; waaruit ik twintig ons bloed aftapte, wat ik verwacht had zeer dun en geleiachtig, of liever, geheel verstijfd te vinden;—hetgeen het geval is bijpleurisen dergelijke ziekten; maar tot mijne groote verwondering, was het rood en frisch en de dikte er van verschilde slechts zeer weinig van die van het bloed van een volmaakt gezond mensch. Ik ging er toe over om eene pap op de gewonde plaats te leggen, wat zeer aan mijne verwachtingen voldeed en na de eerste drie of vier verbanden, begon de wond een dikkepus, of etter te ontlasten, waardoor de cohesie;—maar welligt maak ik me niet geheel en al verstaanbaar?”„Neen,” hernam de luitenant, „dat is waar. Ik kan niet zeggen dat ik er iets van begrijp.”[62]„Nu, mijnheer, dan zal ik uw geduld niet op de proef stellen. Met een woord, binnen de zes weken was mijn patient in staat even goed de beenen te gebruiken als voor dat hij de kneuzing gekregen had.”„Ik zou u toch willen verzoeken, mijnheer,” zei de luitenant, „de beleefdheid te hebben mij te zeggen of de wond van dezen jongen heer doodelijk zal zijn of niet?”„Mijnheer,” hernam de heelmeester, „het zou dwaze en vermetele verwaandheid zijn, als men bij het leggen van het eerste verband zeggen wilde dat eene wond doodelijk zal zijn of niet. Wij zijn allen sterfelijk, en verschijnselen doen zich soms voor bij eene geneeskundige behandeling, welke niet voorzien konden worden door de beroemdste beoefenaren van onze wetenschap.”„Maar gelooft gij dat hij in gevaar verkeert?” vroeg de andere.„In gevaar?” herhaalde de heelmeester. „Wel zeker! Wie van ons, die zelfs de meest volmaakte gezondheid geniet, kan buiten gevaar heeten? Zou men dan kunnen zeggen dat iemand met zulk eene zware wonde in het hoofd buiten gevaar is? Het meeste wat ik nu zeggen kan, is, dat het een geluk is, dat men mij inriep, en dat het welligt beter zou geweest zijn als men mij vroeger geroepen had. Ik zal hem morgen vroeg weder bij tijds komen zien, en inmiddels moet men hem heel stil houden en volop gersten-water laten drinken.”„Mag hij witten wijn, met melk gekookt, hebben?” vroeg de waardin.„Ja,—dat wel, als het maar heel slapjes is!” riep de dokter.„En een weinig kippensoep ook?” voegde zij er bij.„Ja, ja,” zei de dokter; „kippensoep is best voor hem.”„Mag ik ook wat gelei voor hem klaar maken?” vroeg de waardin.„Ja, ja,” hernam de dokter, „gelei is uitmuntend in het geval van wonden, want ze bevordert de cohesie.”En werkelijk, het was heel gelukkig dat zij niet van sterke soepen en pikante sousen sprak, want de dokter zou ja gezegd hebben bij alles, liever dan hare klandisie te verliezen.[63]Zoodra de heelmeester weg was, begon de waardin zijn lof aan den luitenant te verkondigen, die, na hunne korte kennismaking, volstrekt geene zoo gunstige meening opgevat had van zijne kennis als die welke de goede vrouw en de geheele buurt van hem had,—en misschien niet zonder grond,—want, hoewel, naar ik vrees, de dokter meer of minder een kwast was, kon hij desniettemin toch een uitstekende heelmeester zijn.De luitenant, uit het geleerde gesprek van den dokter opgemaakt hebbende dat de heer Jones zich in groot gevaar bevond, gaf bevel dat men den heer Northerton streng bewaken zou, met het voornemen om hem den volgenden morgen aan den vrederegter over te leveren, en om het overbrengen van het transport naar Gloucester toe te vertrouwen aan den Franschen luitenant, die, hoewel hij geen eene taal goed lezen, schrijven of spreken kon, toch een uitnemend officier was.’s Avonds zond onze kommandant ook een boodschap aan den heer Jones, om hem te doen weten, dat als een bezoek hem niet vermoeijen zou, hij gaarne zijne opwachting bij hem wilde maken. Deze beleefdheid werd dankbaar en gaarne door Jones aangenomen, en de luitenant ging dus naar boven, waar hij den gewonde veel beter vond dan hij gedacht had;—ja, Jones gaf zelfs zijn vriend te kennen, dat als hij geene stellige bevelen van den heelmeester ontvangen had om te blijven liggen, hij al lang geleden opgestaan zou zijn; want hij gevoelde zich volmaakt wel, en ondervond niets van de wond, dan wat pijn aan dien kant van het hoofd, waar de slag hem getroffen had.„Het zal me genoegen doen, als ge wezenlijk zoo wel zijt als ge u verbeeldt,” zei de luitenant; „want in dat geval, zult ge in staat zijn om u dadelijk voldoening te verschaffen; want als eene zaak niet meer bij te leggen is, zoo als een slag, bij voorbeeld, hoe eerder gij dan met uwe tegenpartij uitgaat hoe beter;—maar, ik vrees dat ge u verbeeldt beter te zijn dan werkelijk het geval is, en dat zou hem te veel voordeel op u geven.”„Ik zal het echter wagen, als het u belieft,” hernam Jones, „als gij maar zoo goed wilt wezen mij een degen te leenen; want ik heb er zelf geen bij me.”[64]„Mijn degen staat u ten dienste, dat verzeker ik u van ganscher harte, mijn waarde jongen,” riep de luitenant, hem omhelzende; „gij zijt een brave kerel en uw moed bevalt me; maar ik vrees voor uwe krachten; want zulk een slag en het bloedverlies moeten u zeer verzwakt hebben, en hoewel ge geen gemis aan krachten gevoelt zoo lang ge te bed ligt, zou dat toch wel het geval zijn, als ge met den degen in de vuist moest staan. Ik kan er niet in toestemmen dat ge heden avond met hem vecht, maar ik hoop, dat ge in staat zult wezen om ons binnen een paar dagen in te halen, en ik geef u mijn woord van eer dat ge voldoening zult hebben, of de man, die u beleedigd heeft, zal ons regiment verlaten.”„Ik zou toch zoo gaarne de zaak nog voor den nacht uitmaken,” zei Jones; „nu wij er eenmaal over gepraat hebben, zal ik geen oogenblik rust hebben.”„Wel, wel!” hernam de andere, „op een paar dagen komt het niet aan. De wonden der eer zijn niet als die van het ligchaam. Het doet geen kwaad dat zij op genezing moeten wachten. Het zal even goed zijn voor u over eene week voldoening te krijgen als nu.”„Maar,” zei Jones, „veronderstel eens dat mijn toestand verergerde en dat ik aan de gevolgen van mijne wond stierf!”„Dan is uwe eer toch gered,” hernam de luitenant. „Ik zelf zal zorg dragen, dat men u regt doet en voor de geheele wereld zal ik getuigen, dat gij u als man zoudt gedragen hebben als gij maar hersteld waart.”„Dit uitstel,” zei Jones, „bedroeft me toch! Ik durf het u, die soldaat zijt, haast niet zeggen; maar hoewel ik een zeer ligtzinnig jong mensch ben geweest, toch blijf ik, in ernstige oogenblikken, in mijn hart een christen.”„Dat ben ik ook,” hernam de andere; „zeker, en zoo van ganscher harte, dat het mij genoegen deed aan tafel u voor de godsdienst partij te zien trekken, en het spijt me nu eenigzins, jonge heer, dat gij vreezen zoudt voor wien ook te bekennen, dat gij een geloovige zijt.”„Maar hoe verschrikkelijk moet het toch zijn voor een waar christen,” riep Jones, „om wrok te koesteren in zijn hart, tegen het bevel in van hem die zoo iets bepaaldelijk verboden heeft. Hoe zal ik me kunnen verantwoorden, zoo[65]lang een dergelijk gevoelen in de diepte van mijn hart tegen mij pleit?”„Nu, ik geloof wel dat zoo iets in strijd is met de geboden,” zei de luitenant; „maar een man van eer kan zich daaraan niet storen. En man van eer moet ge zijn, als gij bij het leger wilt dienen. Ik herinner me die vraag eens onder een glas punsch aan onzen veldprediker gedaan te hebben, en hij bekende dat er nog al bezwaar in was om ze te beantwoorden; maar hij zeide, dat hij hoopte dat den krijgslieden in dit geval eene zekere vrijheid gelaten zou worden, en wezenlijk, het is pligt voor ons dat te hopen; want wie zou eerloos willen leven? Neen, neen, mijn beste jongen, blijf een goed christen zoo lang ge leeft; maar blijf ook man van eer, en duld nooit eenige beleediging;—alle boeken noch alle dominé’s ter wereld kunnen mij daartoe bewegen! Ik houd veel van mijne godsdienst, maar nog meer van mijne eer. Er moet eene vergissing zijn in de woorden van den tekst, of in de vertaling, of in de exegese, of ergens, of iets verkeerds zijn. Maar, hoe dat ook zij, de mensch moet de kans wagen; want zijne eer moet hem heilig wezen. Dus neem maar uwe rust heden nacht en ik beloof u de gelegenheid te verschaffen om voldoening te krijgen.”Hierop omhelsde hij Jones weder hartelijk, drukte hem de hand en verliet hem.Maar hoewel de redenering van den luitenant zeer overtuigend luidde voor hem zelven, was dit niet het geval met zijn vriend—en Jones, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, kwam eindelijk tot een besluit, dat den lezer in het volgende hoofdstuk medegedeeld zal worden.[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Een zeer verschrikkelijk hoofdstuk, dat weinigen lezers geraden is des avonds te lezen, vooral als zij alleen zitten.Jones verslond een groote kom vol kippen-, of liever hanen-soep, met den meesten eetlust, en zou inderdaad[66]den haan zelven, met een pond spek er bij, gaarne opgegeten hebben; en daarop bevindende, dat het hem noch aan gezondheid noch aan moed ontbrak, besloot hij om op te staan en zijn vijand te gaan zoeken.Eerst echter zond hij om den sergeant, zijne oudste kennis onder de militairen. Ongelukkig had die waardige onderofficier wat al te veel gedronken, en was sedert eenigen tijd naar bed gegaan, waar hij zoo hard snorkte dat het niet gemakkelijk viel een geluid in zijne ooren ingang te doen vinden, dat hoorbaarder was dan dat hetwelk uit zijne neusgaten kwam.Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep, stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze gril van den zieke.[67]„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat, gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem verzocht den prijs daarvan te noemen.De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden. Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs stellen op het gevest dan op de kling.”Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet goedkooper laten zou.„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was, en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide: „Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij moet ook[68]bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintigshillingste veel is.”„Twintigshillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig guinjes!”„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintigshillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan krijgen,—maar—”Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan, en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te halen eer zij Worcester bereikt hadden.De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan, zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te berooven, of om zelf het zijne te verliezen.„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel, in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en mishandeld heeft, zonder[69]eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep, behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts. Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt neder.Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed, echter, had hij het geluk om mis te schieten.Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst, en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl[70]hij volstrekt niet aan het gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij, zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar, gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde strekken.Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had, volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar met belangstelling vragende, wat er te doen was?Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die hem aanpakten,[71]maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten; want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook, herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet, en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat hem scheelde, antwoordde hij:„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu, met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem verdwenen was.Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden. Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt en droomt!”De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende als fakkels!”De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan, hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst[72]uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden gaan.De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken; maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was. En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.De avonturen van eenige officieren.De luitenant, dien wij in het vorige hoofdstuk vermeldden, en die deze troep aanvoerde, was nu bijna zestig jaren oud. Hij was zeer jong in dienst gegaan, en was, als vaandrig, bij den slag bij Tannières geweest, waar hij twee wonden ontvangen en zich zoodanig onderscheiden had, dat hij dadelijk naden slag door den Hertog van Marlborough tot luitenant bevorderd was.In dezen rang had hij sedert (dat is bijna veertig jaren) gediend, gedurende welken tijd hij ontelbare menschen had zien bevorderen, terwijl men hem voorbijging, en hij moest het nu verdragen dat jonge lieden hem kommandeerden, wier vaderen kinderen waren toen hij in dienst trad.Deze tegenspoed in de dienst was niet alleen daaraan toe te schrijven, dat hij geene invloedrijke vrienden bezat. Hij had het ongeluk daarbij om den kolonel te mishagen, die vele jaren lang het bevel voerde over het regiment. Hij had zich den onverzoenlijken haat, welken deze heer hem toedroeg, niet op den hals gehaald door eenig pligtverzuim als officier, noch inderdaad door eenige schuld van zijn kant; maar alleen door de onvoorzigtigheid zijner vrouw, die zeer schoon was, en die, hoewel zij bijzonder veel van haar man hield, zijne bevordering niet koopen wildeten koste van zekere gunstbewijzen, welke de kolonel van haar eischte.De arme luitenant was des te ongelukkiger, omdat, terwijl hij de uitwerkselen van de vijandigheid van zijn kolonel ondervond, hij nooit wist, noch vermoedde, dat die bestond; want hij kon geen onwil veronderstellen, waartoe hij zich niet bewust was op eenige wijze aanleiding gegeven te hebben, terwijl zijne vrouw, bevreesd voor hetgeen haar mans fijn eergevoel, geëischt zou hebben, zich te vreden stelde met hare deugd te bewaren, zonder op hare overwinning te pogchen.Deze ongelukkige officier (want zoo, dunkt me, moet men hem heeten), bezat vele goede hoedanigheden behalve zijne verdiensten als krijgsman; want hij was godsdienstig, eerlijk, goedhartig en had zich zoo voortreffelijk gehouden[52]in de dienst, dat hij hooggeacht en bemind was, niet slechts door de soldaten zijner eigene kompagnie, maar ook door het geheele regiment.De andere officieren die met hem marscheerden waren een Fransche luitenant, die lang genoeg uit zijn eigen land geweest was om de Fransche taal te vergeten, maar niet lang genoeg in Engeland om de landtaal aan te leeren; zoo dat hij eigenlijk geene taal sprak en zelfs in dagelijksche zaken zich naauwelijks kon doen verstaan. Er waren ook twee vaandrigs, beide zeer jonge menschen, van wie de eene opgevoed was door een zaakwaarnemer en de andere de zoon was van de vrouw van den keldermeester van zekeren edelman.Na afloop van de tafel, vertelde Jones van de grappen onder de soldaten op marsch, „en toch,” zeide hij, „in weerwil van al hun geschreeuw, geloof ik wel dat zij zich vóór den vijand, eerder als Grieken dan als Trojanen gedragen zullen.”„Grieken en Trojanen!” riep een der vaandrigs. „Wie drommel zijn dat? Ik heb wel eens alle troepen in Europa hooren noemen,—maar die nooit!”„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft groot gelijk.”„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb gelezen van hen, in de school,dans Madame Dacier!Die Grieken en Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat alles!”„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak. Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig pak slagen bezorgd heeft!”[53]„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de luitenant.„Wel, verd.…!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer, dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch schrijven!”„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden. Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de protestantsche godsdienst te beschermen.”De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder naar het gesprek te luisteren, zeide nu:„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om dereligionte doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde trekken.”„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan Koning en Vaderland, heeft de protestantsche[54]zaak toch veel er toe bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen, mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te gaan.”„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote geleerdheid,” riep de vaandrig.„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan en er niets te leeren.”„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord, Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt niet tegen hem opgewassen.”Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!” welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om zich op Jones te wreken.Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen. Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon, dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij daarmede bedoelde.Maar de luitenant, die aan het hoofd van de tafel zat, was niet tevreden alleen met den naam van Sophia. Hij zeide ook haar familie-naam te moeten weten, waarop Jones, na eenige aarzeling, mejufvrouw Sophia Western noemde.[55]De heer Northerton verklaarde nu dat dat hij onmogelijk op haar drinken kon, ten zij er iemand was die voor haar instond:„Ik heb eene Sophia Western te Bath gekend,” voegde hij er bij, „de maitresse van de helft der jongeluî daar, en misschien is dit hetzelfde wijf.”Jones verzekerde hem zeer plegtig van het tegendeel, bewerende dat de jonge dame iemand was van hoogen stand en groot vermogen.„Ja, ja,” riep de vaandrig; „dat is zij ook! Ik wil verd—d zijn als het niet dezelfde vrouw is! En ik wed een half dozijn flesschen Bourgogne dat Tom French van ons regiment haar medebrengt in elke kroeg, die wij verkiezen!”Daarop ging hij voort met haar uiterlijk zeer naauwkeurig te beschrijven;—want hij had haar met hare tante gezien,—en eindigde met te zeggen, „dat haar vader uitgestrekte landerijen bezat in Somersetshire.”Een teedere minnaar kan de minste aardigheid over zijne beminde slecht verdragen. Jones echter, ofschoon hij verliefd en moedig genoeg was, wreekte dezen laster welligt niet zoo spoedig als hij had moeten doen. Om de waarheid te zeggen, daar hij slechts weinig geestigheid van dezen aard gezien had, begreep hij ze ook niet dadelijk en verbeeldde zich een heelen tijdlang dat er bij den heer Northerton eene verwarring van denkbeelden bestond omtrent de persoon. Zich echter eindelijk, met een ernstigen blik tot den vaandrig keerende, zeide hij:„Ik verzoek u, mijnheer, een ander voorwerp te zoeken voor uwe geestigheid; want ik verzeker u dat ik geene aardigheden wil aanhooren omtrent den goeden naam dezer dame.”„Aardigheden!” riep de andere. „Wel verdraaid! Ik meende het nooit van mijn leven ernstiger! Tom French van ons regiment, heeft haar en hare tante, beide, te Bath gehad!”„En ik zeg u ook, in goeden ernst,” riep Jones, „dat gij een der grootste schelmen ter wereld zijt!”Hij had naauwelijks deze woorden er uitgebragt toen de vaandrig, met een rollend vuur van vloeken, Jones eene flesch naar het hoofd smeet, die hem iets boven de regter slaap rakende, hem oogenblikkelijk ter aarde velde.[56]De overwinnaar zijn vijand aldus bewusteloos uitgestrekt ziende, terwijl het bloed vrij sterk uit de wond vloeide, begon er nu aan te denken om het slagveld te verlaten waar geen eer meer voor hem in te oogsten viel; maar de luitenant belette hem dit door zich voor de deur te plaatsen en hem den terugtogt af te snijden.Northertonsmeekte den luitenant ernstig hem te laten gaan, hem herinnerende aan de waarschijnlijk treurige gevolgen als hij bleef, terwijl hij hem ook vroeg, of hij anders had kunnen handelen dan hij gedaan had?„Wat drommel!” riep hij; „het was maar gekheid van mij. Ik heb van mijn leven geen kwaad van jufvrouw Western gehoord!”„Zoo!” riep de luitenant. „Dan verdient ge de galg! Evenzeer voor het maken van zulke grappen als voor het gebruiken van zulke wapenen. Gij zijt mijn arrestant, mijnheer;—en ge zult hier de deur niet uit tot er eene behoorlijke wacht is, om u in bewaring te nemen.”Onze luitenant bezat zulk eene meerderheid over den vaandrig, dat al die bruischende moed, welke gediend had om onzen armen held neder te vellen, genoemden vaandrig naauwelijks aangespoord zou hebben het zwaard tegen den luitenant te trekken, als er een om zijne lendenen gegord ware geweest; maar alle degens hingen tegen den muur en werden bij het begin van den twist door den Franschen officier in bezit genomen. Dus was de heer Northerton gedwongen den afloop der zaak af te wachten.Op verzoek van hun bevelhebber, rigtten de Franschman en de heer Adderly Jones op: daar zij echter weinige of geene teekenen van leven bespeurden, lieten zij hem weder vallen, terwijl Adderly hem verwenschte omdat hij zijn vest met bloed bevlekt had, en de Franschman uitriep:„Pardie!Ik raak niet meerle mortaan;—men heeft mij verteld dat de Engelsche wet ophangt den man, die het laatst getoucheerd heeft den doode!”Toen de goede luitenant naar de deur vloog, trok hij onderweg aan de schel, en zoodra de knecht verscheen, zond hij hem om een heelmeester. Deze boodschap, tegelijk met hetgeen de knecht zelf gezien had, bragt niet slechts de soldaten op de plek bijeen, maar ook den waard,[57]zijne vrouw, de dienstboden, en iedereen die te dien tijd in de herberg was.Het zou mij onmogelijk zijn, al kon ik veertig pennen tegelijk voeren, om alle bijzonderheden en alle gesprekken op te schrijven die voorvielen bij het tooneel dat nu volgde. De lezer moet zich dus met het merkwaardigste te vreden stellen, en zal waarschijnlijk het overige best kunnen missen.Het eerste dat gedaan werd, was zich van Northerton te verzekeren, die onder begeleiding van een korporaal en zes man weggebragt werd van eene plaats, welke hij gaarne verlaten wilde;—maar ongelukkig, naar eene plaats, waarheen hij ook zeer ongaarne ging. Ja, zoo grillig zijn de wenschen der eerzucht, dat op hetzelfde oogenblik dat deze jongeling zich door bovengemelde eerewacht omgeven zag, hij zich volgaarne verschuild zou hebben in eenigen uithoek der wereld, waar geen mensch er ooit iets van had kunnen vernemen.Het verbaast ons, en misschien den lezer ook, dat de waardige en goede luitenant zich eerder er op toelegde om zich van den misdadiger te verzekeren, dan om het leven van den gewonde te redden. Wij merken dit hier op zonder eenig plan om zulk een vreemd gedrag te willen verklaren; maar alleen om te beletten dat eenig recensent zich er later op beroemen zou het zelf ontdekt te hebben. Wij wilden die heeren doen begrijpen, dat wij zonderlingheden in eens menschen karakter even goed ontwaren als zij zelven; maar het is alleen onze taak om de feiten naar waarheid te vermelden, terwijl, als wij dat gedaan hebben, de geleerde en schrandere lezer het oorspronkelijke boek der natuur moet raadplegen, waaruit elke bladzijde in ons werk afgeschreven is, zonder dat wij echter ons telkens verpligt gevoelen de bijzondere bladzijde te vermelden.Het gezelschap dat nu bijeen gekomen was, scheen van een geheel ander gevoelen te zijn. Zij beteugelden hunne nieuwsgierigheid omtrent den vaandrig, tot zij hem later in eene meer belangwekkende positie zouden zien. Thans werd hunne belangstelling en oplettendheid alleen geboeid door het bebloede voorwerp op den grond, dat evenwel, zoodra het op een stoel gezet werd, eenige teekens begon te[58]geven van leven en beweging. Zoodra de omstanders dit ontwaarden (want men hield Jones eerst voor dood), begonnen zij allen tegelijk iets voor te schrijven; want daar er niemand van de geneeskundige fakulteit aanwezig was, nam iedereen dat ambt op zich.Met eenparige stemmen verklaarde men zich voor eene aderlating; maar ongelukkig was er geen heelmeester bij de hand;—om welke reden iedereen uitriep: „Zend om den barbier!” zonder echter dat iemand met dat doel een voet verzette. Op even weinig doelmatige wijze, werd het gebruik van allerlei drankjes voorgeschreven; tot de waard, eene kan oud bier, warm, en met een stuk geroosterd brood er in bestelde,—wat hij voor het beste geneesmiddel hield in het land.De persoon, die de meeste hulp verleende bij deze gelegenheid, en inderdaad de eenige die werkelijk eenige dienst scheen te zullen bewijzen, was de vrouw van den waard, die wat van haar hoofdbaar afsneed en het op de wond legde om het bloed te stillen, den jongeling eigenhandig de slapen wreef en met de meeste minachting voor de voorschriften van haar man, eene der meiden zond om eene flesch brandewijn uit hare eigene kast, waaruit zij Jones, die pas weder tot bezinning gekomen was, overhaalde om een flinken slok te gebruiken.Kort daarop verscheen de heelmeester, die de wond onderzocht, het hoofd schudde, alles afkeurde wat er al gedaan was en beval den patient dadelijk naar bed te brengen, waar wij het goed vinden hem een tijdlang in rust te laten en dus hiermede een einde aan dit hoofdstuk maken.[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Over de groote behendigheid van de waardin, de groote geleerdheid van den heelmeester, en de groote bedrevenheid van den waardigen luitenant op het punt van gewetensvragen.Zoodra de gekwetste naar bed gebragt was, en al de drukte begon te bedaren, door dit ongeluk in het huis veroorzaakt,[59]sprak de waardin den bevelvoerenden officier aldus aan:„Ik vrees, mijnheer, dat die jongeling zich niet betamelijk gedragen heeft in het bijzijn der heeren en dat, als men hem doodgeslagen had, hij slechts zijn verdiend loon gekregen zou hebben; want, als mindere menschen in het gezelschap van hunne meerderen toegelaten worden, moesten zij nooit vergeten zich behoorlijk op een afstand te houden;—maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, er zijn er maar weinigen, die dat weten te doen. Wat mij betreft, ik weet zeker, dat ik nooit gewild zou hebben, dat zulk een mensch zich bij de heeren indrong; maar ik dacht dat hij ook officier was, tot de sergeant mij vertelde dat het slechts een rekruut was.”„Ge vergist u zeer, vrouwtje, omtrent de heele zaak,” antwoordde de luitenant. „De jonge heer gedroeg zich uitstekend goed, en is, geloof ik, een veel fatsoenlijker man dan de vaandrig, die hem tergde. Als de jongen sterft, zal diegene, die hem den slag toebragt, het zwaar te verantwoorden hebben;—ons regiment zal een zeer lastigen vent kwijt worden, die het leger tot schande strekt, en het zal mijne schuld niet wezen als hij aan de justitie ontsnapt;—dat verzeker ik u, jufvrouw!”„Wel! Wel! Heere mijn tijd!” riep de waardin, „wie zou zoo iets gedacht hebben? Ja, ja! Ik wil wel gelooven dat mijnheer zorgen zal dat het regt zijn loop heeft;—en dat is ook voor iedereen billijk. De groote heeren moeten ons, arm volk, niet doodslaan zonder het te verantwoorden. Een arm mensch heeft ook eene ziel, even goed als zijne meerderen!”„Wezenlijk, jufvrouw,” zei de luitenant, „ge doet den vrijwilliger groot onregt:—ik durf wedden dat hij fatsoenlijker man is dan de officier.”„Juist!” hernam de waardin;—„precies! Ziet u, mijn eerste man, dat was ook een verstandig mensch, en hij plagt te zeggen dat men het innerlijk niet altijd naar het uiterlijk beoordeelen kan. Ja, en dat was ook hier welligt gunstig; want ik zag hem in ’t geheel niet tot hij daar in zijn bloed lag! Wie had zich zoo iets kunnen verbeelden! Welligt een jonge heer die eene ongelukkige liefde[60]gehad heeft. Goede hemel! Als hij kwam te sterven, wat zou dat een leed zijn voor zijne ouders! Wel! die hem zoo mishandeld heeft, moet door den duivel bezeten zijn! Ja, mijnheer heeft gelijk; hij onteert het leger! De meeste heeren van het leger die ik ooit gezien heb, zijn ’n heel ander slag van menschen, en zien er uit als of zij zich schamen zouden een christenmensch te vermoorden; dat wil zeggen zoo buiten den oorlog, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen. ’t Is waar, als het oorlog is, moet er bloedvergieten zijn;—maar dat kunnen zij niet helpen. Hoe meer van onze vijanden zij dan dooden hoe beter, en ik wou maar van ganscher harte dat zij ze allen dood sloegen, tot den laatsten man toe!”„Wel, foei, jufvrouw!” zei de luitenant, met een glimlach: „dat is wat al te bloeddorstig!”„Volstrekt niet, mijnheer!” hernam zij. „Ik ben volstrekt niet bloeddorstig, behalve ten opzigte onzer vijanden en dat kan toch geen kwaad. ’t Is toch maar natuurlijk in een mensch te wenschen dat zijne vijanden dood waren, en dat er een einde aan den oorlog kome en dat de belastingen verminderen;—want het is verschrikkelijk zoo als wij nu betalen moeten! Ja, meer dan veertig shillings voor de ramen en vensters, ofschoon wij alles digtgemaakt hebben wat we maar missen konden;—wij hebben wezenlijk het huis half donker gemaakt; en ik zei tot den taxateur:—Vriend, zei ik, ons moest ge wel iets door de vingers zien; want wij zijn trouwe aanhangers van het bestuur, dat is waar; en wij betalen een schat van geld. En toch denk ik dikwerf zoo bij mij zelve, het gouvernement schijnt niet meer om ons te geven dan om anderen die geen duit betalen. Ja, ja! zoo gaat het in de wereld!”Zij was nog in dezen trant aan den gang toen de heelmeester binnen trad. De luitenant vroeg dadelijk hoe de patient het maakte? Het eenige bescheid dat hij kreeg, luidde: „Beter, geloof ik, dan hij zich thans bevinden zou, als men mij niet ingeroepen had, en het zou misschien, zelfs nu, beter voor hem geweest zijn als men mij vroeger geroepen had.”„Ik hoop toch, mijnheer, dat de schedel niet gebroken is?” riep de luitenant.[61]„Hm!” hernam de heelmeester. „Breuken zijn niet altijd de gevaarlijkste zaken. Kneuzingen en gescheurde wonden gaan dikwerf vergezeld van ergere verschijnselen en nog noodlottiger gevolgen dan breuken. Menschen, die niets van de zaak begrijpen, verbeelden zich, dat als er geen beenbreuk is, er ook geen gevaar bestaat; terwijl ik liever eens menschen schedel geheel stuk geslagen zou zien, dan op sommige wijzen, zoo als ik gezien heb, gekneusd.”„Ik vertrouw toch dat er geene verschijnselen van dien aard nu te duchten zijn?” vroeg de luitenant.„De verschijnselen,” hernam de heelmeester, „zijn niet altijd standvastig en geregeld. Ik heb wel eens gezien dat de ongunstigste verschijnselen ’s morgens dikwerf ’s middags gunstig werden en ’s avonds weder hoogst ongunstig. Van wonden, inderdaad, zegt men te regt: „Nemo repente turpissimus fuit.” Ik herinner me eens geroepen te zijn bij een patient, die lijdende was aan eene geweldige kneuzing van detibia, waarbij decutisaan de oppervlakte gescheurd was, zoodat er eene ruime bloedontlasting volgde en de inwendige weefselen zoodanig beleedigd waren dat hetos, of het been, zeer duidelijk zigtbaar was tusschen de lippen van hetvulnus, of de wond. Daar er zich tevens eene koortsachtige aandoening vertoonde,—want de pols was hard en gaf eene sterke verbloeding te kennen, vreesde ik dat zichonmiddellijkkoudvuur voordoen zou. Om dit te voorkomen, maakte ik dadelijk eene groote opening in de ader van den linker arm; waaruit ik twintig ons bloed aftapte, wat ik verwacht had zeer dun en geleiachtig, of liever, geheel verstijfd te vinden;—hetgeen het geval is bijpleurisen dergelijke ziekten; maar tot mijne groote verwondering, was het rood en frisch en de dikte er van verschilde slechts zeer weinig van die van het bloed van een volmaakt gezond mensch. Ik ging er toe over om eene pap op de gewonde plaats te leggen, wat zeer aan mijne verwachtingen voldeed en na de eerste drie of vier verbanden, begon de wond een dikkepus, of etter te ontlasten, waardoor de cohesie;—maar welligt maak ik me niet geheel en al verstaanbaar?”„Neen,” hernam de luitenant, „dat is waar. Ik kan niet zeggen dat ik er iets van begrijp.”[62]„Nu, mijnheer, dan zal ik uw geduld niet op de proef stellen. Met een woord, binnen de zes weken was mijn patient in staat even goed de beenen te gebruiken als voor dat hij de kneuzing gekregen had.”„Ik zou u toch willen verzoeken, mijnheer,” zei de luitenant, „de beleefdheid te hebben mij te zeggen of de wond van dezen jongen heer doodelijk zal zijn of niet?”„Mijnheer,” hernam de heelmeester, „het zou dwaze en vermetele verwaandheid zijn, als men bij het leggen van het eerste verband zeggen wilde dat eene wond doodelijk zal zijn of niet. Wij zijn allen sterfelijk, en verschijnselen doen zich soms voor bij eene geneeskundige behandeling, welke niet voorzien konden worden door de beroemdste beoefenaren van onze wetenschap.”„Maar gelooft gij dat hij in gevaar verkeert?” vroeg de andere.„In gevaar?” herhaalde de heelmeester. „Wel zeker! Wie van ons, die zelfs de meest volmaakte gezondheid geniet, kan buiten gevaar heeten? Zou men dan kunnen zeggen dat iemand met zulk eene zware wonde in het hoofd buiten gevaar is? Het meeste wat ik nu zeggen kan, is, dat het een geluk is, dat men mij inriep, en dat het welligt beter zou geweest zijn als men mij vroeger geroepen had. Ik zal hem morgen vroeg weder bij tijds komen zien, en inmiddels moet men hem heel stil houden en volop gersten-water laten drinken.”„Mag hij witten wijn, met melk gekookt, hebben?” vroeg de waardin.„Ja,—dat wel, als het maar heel slapjes is!” riep de dokter.„En een weinig kippensoep ook?” voegde zij er bij.„Ja, ja,” zei de dokter; „kippensoep is best voor hem.”„Mag ik ook wat gelei voor hem klaar maken?” vroeg de waardin.„Ja, ja,” hernam de dokter, „gelei is uitmuntend in het geval van wonden, want ze bevordert de cohesie.”En werkelijk, het was heel gelukkig dat zij niet van sterke soepen en pikante sousen sprak, want de dokter zou ja gezegd hebben bij alles, liever dan hare klandisie te verliezen.[63]Zoodra de heelmeester weg was, begon de waardin zijn lof aan den luitenant te verkondigen, die, na hunne korte kennismaking, volstrekt geene zoo gunstige meening opgevat had van zijne kennis als die welke de goede vrouw en de geheele buurt van hem had,—en misschien niet zonder grond,—want, hoewel, naar ik vrees, de dokter meer of minder een kwast was, kon hij desniettemin toch een uitstekende heelmeester zijn.De luitenant, uit het geleerde gesprek van den dokter opgemaakt hebbende dat de heer Jones zich in groot gevaar bevond, gaf bevel dat men den heer Northerton streng bewaken zou, met het voornemen om hem den volgenden morgen aan den vrederegter over te leveren, en om het overbrengen van het transport naar Gloucester toe te vertrouwen aan den Franschen luitenant, die, hoewel hij geen eene taal goed lezen, schrijven of spreken kon, toch een uitnemend officier was.’s Avonds zond onze kommandant ook een boodschap aan den heer Jones, om hem te doen weten, dat als een bezoek hem niet vermoeijen zou, hij gaarne zijne opwachting bij hem wilde maken. Deze beleefdheid werd dankbaar en gaarne door Jones aangenomen, en de luitenant ging dus naar boven, waar hij den gewonde veel beter vond dan hij gedacht had;—ja, Jones gaf zelfs zijn vriend te kennen, dat als hij geene stellige bevelen van den heelmeester ontvangen had om te blijven liggen, hij al lang geleden opgestaan zou zijn; want hij gevoelde zich volmaakt wel, en ondervond niets van de wond, dan wat pijn aan dien kant van het hoofd, waar de slag hem getroffen had.„Het zal me genoegen doen, als ge wezenlijk zoo wel zijt als ge u verbeeldt,” zei de luitenant; „want in dat geval, zult ge in staat zijn om u dadelijk voldoening te verschaffen; want als eene zaak niet meer bij te leggen is, zoo als een slag, bij voorbeeld, hoe eerder gij dan met uwe tegenpartij uitgaat hoe beter;—maar, ik vrees dat ge u verbeeldt beter te zijn dan werkelijk het geval is, en dat zou hem te veel voordeel op u geven.”„Ik zal het echter wagen, als het u belieft,” hernam Jones, „als gij maar zoo goed wilt wezen mij een degen te leenen; want ik heb er zelf geen bij me.”[64]„Mijn degen staat u ten dienste, dat verzeker ik u van ganscher harte, mijn waarde jongen,” riep de luitenant, hem omhelzende; „gij zijt een brave kerel en uw moed bevalt me; maar ik vrees voor uwe krachten; want zulk een slag en het bloedverlies moeten u zeer verzwakt hebben, en hoewel ge geen gemis aan krachten gevoelt zoo lang ge te bed ligt, zou dat toch wel het geval zijn, als ge met den degen in de vuist moest staan. Ik kan er niet in toestemmen dat ge heden avond met hem vecht, maar ik hoop, dat ge in staat zult wezen om ons binnen een paar dagen in te halen, en ik geef u mijn woord van eer dat ge voldoening zult hebben, of de man, die u beleedigd heeft, zal ons regiment verlaten.”„Ik zou toch zoo gaarne de zaak nog voor den nacht uitmaken,” zei Jones; „nu wij er eenmaal over gepraat hebben, zal ik geen oogenblik rust hebben.”„Wel, wel!” hernam de andere, „op een paar dagen komt het niet aan. De wonden der eer zijn niet als die van het ligchaam. Het doet geen kwaad dat zij op genezing moeten wachten. Het zal even goed zijn voor u over eene week voldoening te krijgen als nu.”„Maar,” zei Jones, „veronderstel eens dat mijn toestand verergerde en dat ik aan de gevolgen van mijne wond stierf!”„Dan is uwe eer toch gered,” hernam de luitenant. „Ik zelf zal zorg dragen, dat men u regt doet en voor de geheele wereld zal ik getuigen, dat gij u als man zoudt gedragen hebben als gij maar hersteld waart.”„Dit uitstel,” zei Jones, „bedroeft me toch! Ik durf het u, die soldaat zijt, haast niet zeggen; maar hoewel ik een zeer ligtzinnig jong mensch ben geweest, toch blijf ik, in ernstige oogenblikken, in mijn hart een christen.”„Dat ben ik ook,” hernam de andere; „zeker, en zoo van ganscher harte, dat het mij genoegen deed aan tafel u voor de godsdienst partij te zien trekken, en het spijt me nu eenigzins, jonge heer, dat gij vreezen zoudt voor wien ook te bekennen, dat gij een geloovige zijt.”„Maar hoe verschrikkelijk moet het toch zijn voor een waar christen,” riep Jones, „om wrok te koesteren in zijn hart, tegen het bevel in van hem die zoo iets bepaaldelijk verboden heeft. Hoe zal ik me kunnen verantwoorden, zoo[65]lang een dergelijk gevoelen in de diepte van mijn hart tegen mij pleit?”„Nu, ik geloof wel dat zoo iets in strijd is met de geboden,” zei de luitenant; „maar een man van eer kan zich daaraan niet storen. En man van eer moet ge zijn, als gij bij het leger wilt dienen. Ik herinner me die vraag eens onder een glas punsch aan onzen veldprediker gedaan te hebben, en hij bekende dat er nog al bezwaar in was om ze te beantwoorden; maar hij zeide, dat hij hoopte dat den krijgslieden in dit geval eene zekere vrijheid gelaten zou worden, en wezenlijk, het is pligt voor ons dat te hopen; want wie zou eerloos willen leven? Neen, neen, mijn beste jongen, blijf een goed christen zoo lang ge leeft; maar blijf ook man van eer, en duld nooit eenige beleediging;—alle boeken noch alle dominé’s ter wereld kunnen mij daartoe bewegen! Ik houd veel van mijne godsdienst, maar nog meer van mijne eer. Er moet eene vergissing zijn in de woorden van den tekst, of in de vertaling, of in de exegese, of ergens, of iets verkeerds zijn. Maar, hoe dat ook zij, de mensch moet de kans wagen; want zijne eer moet hem heilig wezen. Dus neem maar uwe rust heden nacht en ik beloof u de gelegenheid te verschaffen om voldoening te krijgen.”Hierop omhelsde hij Jones weder hartelijk, drukte hem de hand en verliet hem.Maar hoewel de redenering van den luitenant zeer overtuigend luidde voor hem zelven, was dit niet het geval met zijn vriend—en Jones, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, kwam eindelijk tot een besluit, dat den lezer in het volgende hoofdstuk medegedeeld zal worden.[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Een zeer verschrikkelijk hoofdstuk, dat weinigen lezers geraden is des avonds te lezen, vooral als zij alleen zitten.Jones verslond een groote kom vol kippen-, of liever hanen-soep, met den meesten eetlust, en zou inderdaad[66]den haan zelven, met een pond spek er bij, gaarne opgegeten hebben; en daarop bevindende, dat het hem noch aan gezondheid noch aan moed ontbrak, besloot hij om op te staan en zijn vijand te gaan zoeken.Eerst echter zond hij om den sergeant, zijne oudste kennis onder de militairen. Ongelukkig had die waardige onderofficier wat al te veel gedronken, en was sedert eenigen tijd naar bed gegaan, waar hij zoo hard snorkte dat het niet gemakkelijk viel een geluid in zijne ooren ingang te doen vinden, dat hoorbaarder was dan dat hetwelk uit zijne neusgaten kwam.Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep, stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze gril van den zieke.[67]„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat, gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem verzocht den prijs daarvan te noemen.De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden. Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs stellen op het gevest dan op de kling.”Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet goedkooper laten zou.„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was, en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide: „Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij moet ook[68]bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintigshillingste veel is.”„Twintigshillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig guinjes!”„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintigshillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan krijgen,—maar—”Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan, en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te halen eer zij Worcester bereikt hadden.De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan, zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te berooven, of om zelf het zijne te verliezen.„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel, in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en mishandeld heeft, zonder[69]eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep, behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts. Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt neder.Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed, echter, had hij het geluk om mis te schieten.Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst, en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl[70]hij volstrekt niet aan het gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij, zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar, gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde strekken.Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had, volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar met belangstelling vragende, wat er te doen was?Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die hem aanpakten,[71]maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten; want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook, herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet, en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat hem scheelde, antwoordde hij:„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu, met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem verdwenen was.Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden. Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt en droomt!”De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende als fakkels!”De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan, hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst[72]uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden gaan.De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken; maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was. En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.De avonturen van eenige officieren.De luitenant, dien wij in het vorige hoofdstuk vermeldden, en die deze troep aanvoerde, was nu bijna zestig jaren oud. Hij was zeer jong in dienst gegaan, en was, als vaandrig, bij den slag bij Tannières geweest, waar hij twee wonden ontvangen en zich zoodanig onderscheiden had, dat hij dadelijk naden slag door den Hertog van Marlborough tot luitenant bevorderd was.In dezen rang had hij sedert (dat is bijna veertig jaren) gediend, gedurende welken tijd hij ontelbare menschen had zien bevorderen, terwijl men hem voorbijging, en hij moest het nu verdragen dat jonge lieden hem kommandeerden, wier vaderen kinderen waren toen hij in dienst trad.Deze tegenspoed in de dienst was niet alleen daaraan toe te schrijven, dat hij geene invloedrijke vrienden bezat. Hij had het ongeluk daarbij om den kolonel te mishagen, die vele jaren lang het bevel voerde over het regiment. Hij had zich den onverzoenlijken haat, welken deze heer hem toedroeg, niet op den hals gehaald door eenig pligtverzuim als officier, noch inderdaad door eenige schuld van zijn kant; maar alleen door de onvoorzigtigheid zijner vrouw, die zeer schoon was, en die, hoewel zij bijzonder veel van haar man hield, zijne bevordering niet koopen wildeten koste van zekere gunstbewijzen, welke de kolonel van haar eischte.De arme luitenant was des te ongelukkiger, omdat, terwijl hij de uitwerkselen van de vijandigheid van zijn kolonel ondervond, hij nooit wist, noch vermoedde, dat die bestond; want hij kon geen onwil veronderstellen, waartoe hij zich niet bewust was op eenige wijze aanleiding gegeven te hebben, terwijl zijne vrouw, bevreesd voor hetgeen haar mans fijn eergevoel, geëischt zou hebben, zich te vreden stelde met hare deugd te bewaren, zonder op hare overwinning te pogchen.Deze ongelukkige officier (want zoo, dunkt me, moet men hem heeten), bezat vele goede hoedanigheden behalve zijne verdiensten als krijgsman; want hij was godsdienstig, eerlijk, goedhartig en had zich zoo voortreffelijk gehouden[52]in de dienst, dat hij hooggeacht en bemind was, niet slechts door de soldaten zijner eigene kompagnie, maar ook door het geheele regiment.De andere officieren die met hem marscheerden waren een Fransche luitenant, die lang genoeg uit zijn eigen land geweest was om de Fransche taal te vergeten, maar niet lang genoeg in Engeland om de landtaal aan te leeren; zoo dat hij eigenlijk geene taal sprak en zelfs in dagelijksche zaken zich naauwelijks kon doen verstaan. Er waren ook twee vaandrigs, beide zeer jonge menschen, van wie de eene opgevoed was door een zaakwaarnemer en de andere de zoon was van de vrouw van den keldermeester van zekeren edelman.Na afloop van de tafel, vertelde Jones van de grappen onder de soldaten op marsch, „en toch,” zeide hij, „in weerwil van al hun geschreeuw, geloof ik wel dat zij zich vóór den vijand, eerder als Grieken dan als Trojanen gedragen zullen.”„Grieken en Trojanen!” riep een der vaandrigs. „Wie drommel zijn dat? Ik heb wel eens alle troepen in Europa hooren noemen,—maar die nooit!”„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft groot gelijk.”„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb gelezen van hen, in de school,dans Madame Dacier!Die Grieken en Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat alles!”„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak. Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig pak slagen bezorgd heeft!”[53]„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de luitenant.„Wel, verd.…!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer, dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch schrijven!”„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden. Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de protestantsche godsdienst te beschermen.”De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder naar het gesprek te luisteren, zeide nu:„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om dereligionte doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde trekken.”„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan Koning en Vaderland, heeft de protestantsche[54]zaak toch veel er toe bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen, mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te gaan.”„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote geleerdheid,” riep de vaandrig.„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan en er niets te leeren.”„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord, Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt niet tegen hem opgewassen.”Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!” welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om zich op Jones te wreken.Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen. Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon, dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij daarmede bedoelde.Maar de luitenant, die aan het hoofd van de tafel zat, was niet tevreden alleen met den naam van Sophia. Hij zeide ook haar familie-naam te moeten weten, waarop Jones, na eenige aarzeling, mejufvrouw Sophia Western noemde.[55]De heer Northerton verklaarde nu dat dat hij onmogelijk op haar drinken kon, ten zij er iemand was die voor haar instond:„Ik heb eene Sophia Western te Bath gekend,” voegde hij er bij, „de maitresse van de helft der jongeluî daar, en misschien is dit hetzelfde wijf.”Jones verzekerde hem zeer plegtig van het tegendeel, bewerende dat de jonge dame iemand was van hoogen stand en groot vermogen.„Ja, ja,” riep de vaandrig; „dat is zij ook! Ik wil verd—d zijn als het niet dezelfde vrouw is! En ik wed een half dozijn flesschen Bourgogne dat Tom French van ons regiment haar medebrengt in elke kroeg, die wij verkiezen!”Daarop ging hij voort met haar uiterlijk zeer naauwkeurig te beschrijven;—want hij had haar met hare tante gezien,—en eindigde met te zeggen, „dat haar vader uitgestrekte landerijen bezat in Somersetshire.”Een teedere minnaar kan de minste aardigheid over zijne beminde slecht verdragen. Jones echter, ofschoon hij verliefd en moedig genoeg was, wreekte dezen laster welligt niet zoo spoedig als hij had moeten doen. Om de waarheid te zeggen, daar hij slechts weinig geestigheid van dezen aard gezien had, begreep hij ze ook niet dadelijk en verbeeldde zich een heelen tijdlang dat er bij den heer Northerton eene verwarring van denkbeelden bestond omtrent de persoon. Zich echter eindelijk, met een ernstigen blik tot den vaandrig keerende, zeide hij:„Ik verzoek u, mijnheer, een ander voorwerp te zoeken voor uwe geestigheid; want ik verzeker u dat ik geene aardigheden wil aanhooren omtrent den goeden naam dezer dame.”„Aardigheden!” riep de andere. „Wel verdraaid! Ik meende het nooit van mijn leven ernstiger! Tom French van ons regiment, heeft haar en hare tante, beide, te Bath gehad!”„En ik zeg u ook, in goeden ernst,” riep Jones, „dat gij een der grootste schelmen ter wereld zijt!”Hij had naauwelijks deze woorden er uitgebragt toen de vaandrig, met een rollend vuur van vloeken, Jones eene flesch naar het hoofd smeet, die hem iets boven de regter slaap rakende, hem oogenblikkelijk ter aarde velde.[56]De overwinnaar zijn vijand aldus bewusteloos uitgestrekt ziende, terwijl het bloed vrij sterk uit de wond vloeide, begon er nu aan te denken om het slagveld te verlaten waar geen eer meer voor hem in te oogsten viel; maar de luitenant belette hem dit door zich voor de deur te plaatsen en hem den terugtogt af te snijden.Northertonsmeekte den luitenant ernstig hem te laten gaan, hem herinnerende aan de waarschijnlijk treurige gevolgen als hij bleef, terwijl hij hem ook vroeg, of hij anders had kunnen handelen dan hij gedaan had?„Wat drommel!” riep hij; „het was maar gekheid van mij. Ik heb van mijn leven geen kwaad van jufvrouw Western gehoord!”„Zoo!” riep de luitenant. „Dan verdient ge de galg! Evenzeer voor het maken van zulke grappen als voor het gebruiken van zulke wapenen. Gij zijt mijn arrestant, mijnheer;—en ge zult hier de deur niet uit tot er eene behoorlijke wacht is, om u in bewaring te nemen.”Onze luitenant bezat zulk eene meerderheid over den vaandrig, dat al die bruischende moed, welke gediend had om onzen armen held neder te vellen, genoemden vaandrig naauwelijks aangespoord zou hebben het zwaard tegen den luitenant te trekken, als er een om zijne lendenen gegord ware geweest; maar alle degens hingen tegen den muur en werden bij het begin van den twist door den Franschen officier in bezit genomen. Dus was de heer Northerton gedwongen den afloop der zaak af te wachten.Op verzoek van hun bevelhebber, rigtten de Franschman en de heer Adderly Jones op: daar zij echter weinige of geene teekenen van leven bespeurden, lieten zij hem weder vallen, terwijl Adderly hem verwenschte omdat hij zijn vest met bloed bevlekt had, en de Franschman uitriep:„Pardie!Ik raak niet meerle mortaan;—men heeft mij verteld dat de Engelsche wet ophangt den man, die het laatst getoucheerd heeft den doode!”Toen de goede luitenant naar de deur vloog, trok hij onderweg aan de schel, en zoodra de knecht verscheen, zond hij hem om een heelmeester. Deze boodschap, tegelijk met hetgeen de knecht zelf gezien had, bragt niet slechts de soldaten op de plek bijeen, maar ook den waard,[57]zijne vrouw, de dienstboden, en iedereen die te dien tijd in de herberg was.Het zou mij onmogelijk zijn, al kon ik veertig pennen tegelijk voeren, om alle bijzonderheden en alle gesprekken op te schrijven die voorvielen bij het tooneel dat nu volgde. De lezer moet zich dus met het merkwaardigste te vreden stellen, en zal waarschijnlijk het overige best kunnen missen.Het eerste dat gedaan werd, was zich van Northerton te verzekeren, die onder begeleiding van een korporaal en zes man weggebragt werd van eene plaats, welke hij gaarne verlaten wilde;—maar ongelukkig, naar eene plaats, waarheen hij ook zeer ongaarne ging. Ja, zoo grillig zijn de wenschen der eerzucht, dat op hetzelfde oogenblik dat deze jongeling zich door bovengemelde eerewacht omgeven zag, hij zich volgaarne verschuild zou hebben in eenigen uithoek der wereld, waar geen mensch er ooit iets van had kunnen vernemen.Het verbaast ons, en misschien den lezer ook, dat de waardige en goede luitenant zich eerder er op toelegde om zich van den misdadiger te verzekeren, dan om het leven van den gewonde te redden. Wij merken dit hier op zonder eenig plan om zulk een vreemd gedrag te willen verklaren; maar alleen om te beletten dat eenig recensent zich er later op beroemen zou het zelf ontdekt te hebben. Wij wilden die heeren doen begrijpen, dat wij zonderlingheden in eens menschen karakter even goed ontwaren als zij zelven; maar het is alleen onze taak om de feiten naar waarheid te vermelden, terwijl, als wij dat gedaan hebben, de geleerde en schrandere lezer het oorspronkelijke boek der natuur moet raadplegen, waaruit elke bladzijde in ons werk afgeschreven is, zonder dat wij echter ons telkens verpligt gevoelen de bijzondere bladzijde te vermelden.Het gezelschap dat nu bijeen gekomen was, scheen van een geheel ander gevoelen te zijn. Zij beteugelden hunne nieuwsgierigheid omtrent den vaandrig, tot zij hem later in eene meer belangwekkende positie zouden zien. Thans werd hunne belangstelling en oplettendheid alleen geboeid door het bebloede voorwerp op den grond, dat evenwel, zoodra het op een stoel gezet werd, eenige teekens begon te[58]geven van leven en beweging. Zoodra de omstanders dit ontwaarden (want men hield Jones eerst voor dood), begonnen zij allen tegelijk iets voor te schrijven; want daar er niemand van de geneeskundige fakulteit aanwezig was, nam iedereen dat ambt op zich.Met eenparige stemmen verklaarde men zich voor eene aderlating; maar ongelukkig was er geen heelmeester bij de hand;—om welke reden iedereen uitriep: „Zend om den barbier!” zonder echter dat iemand met dat doel een voet verzette. Op even weinig doelmatige wijze, werd het gebruik van allerlei drankjes voorgeschreven; tot de waard, eene kan oud bier, warm, en met een stuk geroosterd brood er in bestelde,—wat hij voor het beste geneesmiddel hield in het land.De persoon, die de meeste hulp verleende bij deze gelegenheid, en inderdaad de eenige die werkelijk eenige dienst scheen te zullen bewijzen, was de vrouw van den waard, die wat van haar hoofdbaar afsneed en het op de wond legde om het bloed te stillen, den jongeling eigenhandig de slapen wreef en met de meeste minachting voor de voorschriften van haar man, eene der meiden zond om eene flesch brandewijn uit hare eigene kast, waaruit zij Jones, die pas weder tot bezinning gekomen was, overhaalde om een flinken slok te gebruiken.Kort daarop verscheen de heelmeester, die de wond onderzocht, het hoofd schudde, alles afkeurde wat er al gedaan was en beval den patient dadelijk naar bed te brengen, waar wij het goed vinden hem een tijdlang in rust te laten en dus hiermede een einde aan dit hoofdstuk maken.[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Over de groote behendigheid van de waardin, de groote geleerdheid van den heelmeester, en de groote bedrevenheid van den waardigen luitenant op het punt van gewetensvragen.Zoodra de gekwetste naar bed gebragt was, en al de drukte begon te bedaren, door dit ongeluk in het huis veroorzaakt,[59]sprak de waardin den bevelvoerenden officier aldus aan:„Ik vrees, mijnheer, dat die jongeling zich niet betamelijk gedragen heeft in het bijzijn der heeren en dat, als men hem doodgeslagen had, hij slechts zijn verdiend loon gekregen zou hebben; want, als mindere menschen in het gezelschap van hunne meerderen toegelaten worden, moesten zij nooit vergeten zich behoorlijk op een afstand te houden;—maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, er zijn er maar weinigen, die dat weten te doen. Wat mij betreft, ik weet zeker, dat ik nooit gewild zou hebben, dat zulk een mensch zich bij de heeren indrong; maar ik dacht dat hij ook officier was, tot de sergeant mij vertelde dat het slechts een rekruut was.”„Ge vergist u zeer, vrouwtje, omtrent de heele zaak,” antwoordde de luitenant. „De jonge heer gedroeg zich uitstekend goed, en is, geloof ik, een veel fatsoenlijker man dan de vaandrig, die hem tergde. Als de jongen sterft, zal diegene, die hem den slag toebragt, het zwaar te verantwoorden hebben;—ons regiment zal een zeer lastigen vent kwijt worden, die het leger tot schande strekt, en het zal mijne schuld niet wezen als hij aan de justitie ontsnapt;—dat verzeker ik u, jufvrouw!”„Wel! Wel! Heere mijn tijd!” riep de waardin, „wie zou zoo iets gedacht hebben? Ja, ja! Ik wil wel gelooven dat mijnheer zorgen zal dat het regt zijn loop heeft;—en dat is ook voor iedereen billijk. De groote heeren moeten ons, arm volk, niet doodslaan zonder het te verantwoorden. Een arm mensch heeft ook eene ziel, even goed als zijne meerderen!”„Wezenlijk, jufvrouw,” zei de luitenant, „ge doet den vrijwilliger groot onregt:—ik durf wedden dat hij fatsoenlijker man is dan de officier.”„Juist!” hernam de waardin;—„precies! Ziet u, mijn eerste man, dat was ook een verstandig mensch, en hij plagt te zeggen dat men het innerlijk niet altijd naar het uiterlijk beoordeelen kan. Ja, en dat was ook hier welligt gunstig; want ik zag hem in ’t geheel niet tot hij daar in zijn bloed lag! Wie had zich zoo iets kunnen verbeelden! Welligt een jonge heer die eene ongelukkige liefde[60]gehad heeft. Goede hemel! Als hij kwam te sterven, wat zou dat een leed zijn voor zijne ouders! Wel! die hem zoo mishandeld heeft, moet door den duivel bezeten zijn! Ja, mijnheer heeft gelijk; hij onteert het leger! De meeste heeren van het leger die ik ooit gezien heb, zijn ’n heel ander slag van menschen, en zien er uit als of zij zich schamen zouden een christenmensch te vermoorden; dat wil zeggen zoo buiten den oorlog, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen. ’t Is waar, als het oorlog is, moet er bloedvergieten zijn;—maar dat kunnen zij niet helpen. Hoe meer van onze vijanden zij dan dooden hoe beter, en ik wou maar van ganscher harte dat zij ze allen dood sloegen, tot den laatsten man toe!”„Wel, foei, jufvrouw!” zei de luitenant, met een glimlach: „dat is wat al te bloeddorstig!”„Volstrekt niet, mijnheer!” hernam zij. „Ik ben volstrekt niet bloeddorstig, behalve ten opzigte onzer vijanden en dat kan toch geen kwaad. ’t Is toch maar natuurlijk in een mensch te wenschen dat zijne vijanden dood waren, en dat er een einde aan den oorlog kome en dat de belastingen verminderen;—want het is verschrikkelijk zoo als wij nu betalen moeten! Ja, meer dan veertig shillings voor de ramen en vensters, ofschoon wij alles digtgemaakt hebben wat we maar missen konden;—wij hebben wezenlijk het huis half donker gemaakt; en ik zei tot den taxateur:—Vriend, zei ik, ons moest ge wel iets door de vingers zien; want wij zijn trouwe aanhangers van het bestuur, dat is waar; en wij betalen een schat van geld. En toch denk ik dikwerf zoo bij mij zelve, het gouvernement schijnt niet meer om ons te geven dan om anderen die geen duit betalen. Ja, ja! zoo gaat het in de wereld!”Zij was nog in dezen trant aan den gang toen de heelmeester binnen trad. De luitenant vroeg dadelijk hoe de patient het maakte? Het eenige bescheid dat hij kreeg, luidde: „Beter, geloof ik, dan hij zich thans bevinden zou, als men mij niet ingeroepen had, en het zou misschien, zelfs nu, beter voor hem geweest zijn als men mij vroeger geroepen had.”„Ik hoop toch, mijnheer, dat de schedel niet gebroken is?” riep de luitenant.[61]„Hm!” hernam de heelmeester. „Breuken zijn niet altijd de gevaarlijkste zaken. Kneuzingen en gescheurde wonden gaan dikwerf vergezeld van ergere verschijnselen en nog noodlottiger gevolgen dan breuken. Menschen, die niets van de zaak begrijpen, verbeelden zich, dat als er geen beenbreuk is, er ook geen gevaar bestaat; terwijl ik liever eens menschen schedel geheel stuk geslagen zou zien, dan op sommige wijzen, zoo als ik gezien heb, gekneusd.”„Ik vertrouw toch dat er geene verschijnselen van dien aard nu te duchten zijn?” vroeg de luitenant.„De verschijnselen,” hernam de heelmeester, „zijn niet altijd standvastig en geregeld. Ik heb wel eens gezien dat de ongunstigste verschijnselen ’s morgens dikwerf ’s middags gunstig werden en ’s avonds weder hoogst ongunstig. Van wonden, inderdaad, zegt men te regt: „Nemo repente turpissimus fuit.” Ik herinner me eens geroepen te zijn bij een patient, die lijdende was aan eene geweldige kneuzing van detibia, waarbij decutisaan de oppervlakte gescheurd was, zoodat er eene ruime bloedontlasting volgde en de inwendige weefselen zoodanig beleedigd waren dat hetos, of het been, zeer duidelijk zigtbaar was tusschen de lippen van hetvulnus, of de wond. Daar er zich tevens eene koortsachtige aandoening vertoonde,—want de pols was hard en gaf eene sterke verbloeding te kennen, vreesde ik dat zichonmiddellijkkoudvuur voordoen zou. Om dit te voorkomen, maakte ik dadelijk eene groote opening in de ader van den linker arm; waaruit ik twintig ons bloed aftapte, wat ik verwacht had zeer dun en geleiachtig, of liever, geheel verstijfd te vinden;—hetgeen het geval is bijpleurisen dergelijke ziekten; maar tot mijne groote verwondering, was het rood en frisch en de dikte er van verschilde slechts zeer weinig van die van het bloed van een volmaakt gezond mensch. Ik ging er toe over om eene pap op de gewonde plaats te leggen, wat zeer aan mijne verwachtingen voldeed en na de eerste drie of vier verbanden, begon de wond een dikkepus, of etter te ontlasten, waardoor de cohesie;—maar welligt maak ik me niet geheel en al verstaanbaar?”„Neen,” hernam de luitenant, „dat is waar. Ik kan niet zeggen dat ik er iets van begrijp.”[62]„Nu, mijnheer, dan zal ik uw geduld niet op de proef stellen. Met een woord, binnen de zes weken was mijn patient in staat even goed de beenen te gebruiken als voor dat hij de kneuzing gekregen had.”„Ik zou u toch willen verzoeken, mijnheer,” zei de luitenant, „de beleefdheid te hebben mij te zeggen of de wond van dezen jongen heer doodelijk zal zijn of niet?”„Mijnheer,” hernam de heelmeester, „het zou dwaze en vermetele verwaandheid zijn, als men bij het leggen van het eerste verband zeggen wilde dat eene wond doodelijk zal zijn of niet. Wij zijn allen sterfelijk, en verschijnselen doen zich soms voor bij eene geneeskundige behandeling, welke niet voorzien konden worden door de beroemdste beoefenaren van onze wetenschap.”„Maar gelooft gij dat hij in gevaar verkeert?” vroeg de andere.„In gevaar?” herhaalde de heelmeester. „Wel zeker! Wie van ons, die zelfs de meest volmaakte gezondheid geniet, kan buiten gevaar heeten? Zou men dan kunnen zeggen dat iemand met zulk eene zware wonde in het hoofd buiten gevaar is? Het meeste wat ik nu zeggen kan, is, dat het een geluk is, dat men mij inriep, en dat het welligt beter zou geweest zijn als men mij vroeger geroepen had. Ik zal hem morgen vroeg weder bij tijds komen zien, en inmiddels moet men hem heel stil houden en volop gersten-water laten drinken.”„Mag hij witten wijn, met melk gekookt, hebben?” vroeg de waardin.„Ja,—dat wel, als het maar heel slapjes is!” riep de dokter.„En een weinig kippensoep ook?” voegde zij er bij.„Ja, ja,” zei de dokter; „kippensoep is best voor hem.”„Mag ik ook wat gelei voor hem klaar maken?” vroeg de waardin.„Ja, ja,” hernam de dokter, „gelei is uitmuntend in het geval van wonden, want ze bevordert de cohesie.”En werkelijk, het was heel gelukkig dat zij niet van sterke soepen en pikante sousen sprak, want de dokter zou ja gezegd hebben bij alles, liever dan hare klandisie te verliezen.[63]Zoodra de heelmeester weg was, begon de waardin zijn lof aan den luitenant te verkondigen, die, na hunne korte kennismaking, volstrekt geene zoo gunstige meening opgevat had van zijne kennis als die welke de goede vrouw en de geheele buurt van hem had,—en misschien niet zonder grond,—want, hoewel, naar ik vrees, de dokter meer of minder een kwast was, kon hij desniettemin toch een uitstekende heelmeester zijn.De luitenant, uit het geleerde gesprek van den dokter opgemaakt hebbende dat de heer Jones zich in groot gevaar bevond, gaf bevel dat men den heer Northerton streng bewaken zou, met het voornemen om hem den volgenden morgen aan den vrederegter over te leveren, en om het overbrengen van het transport naar Gloucester toe te vertrouwen aan den Franschen luitenant, die, hoewel hij geen eene taal goed lezen, schrijven of spreken kon, toch een uitnemend officier was.’s Avonds zond onze kommandant ook een boodschap aan den heer Jones, om hem te doen weten, dat als een bezoek hem niet vermoeijen zou, hij gaarne zijne opwachting bij hem wilde maken. Deze beleefdheid werd dankbaar en gaarne door Jones aangenomen, en de luitenant ging dus naar boven, waar hij den gewonde veel beter vond dan hij gedacht had;—ja, Jones gaf zelfs zijn vriend te kennen, dat als hij geene stellige bevelen van den heelmeester ontvangen had om te blijven liggen, hij al lang geleden opgestaan zou zijn; want hij gevoelde zich volmaakt wel, en ondervond niets van de wond, dan wat pijn aan dien kant van het hoofd, waar de slag hem getroffen had.„Het zal me genoegen doen, als ge wezenlijk zoo wel zijt als ge u verbeeldt,” zei de luitenant; „want in dat geval, zult ge in staat zijn om u dadelijk voldoening te verschaffen; want als eene zaak niet meer bij te leggen is, zoo als een slag, bij voorbeeld, hoe eerder gij dan met uwe tegenpartij uitgaat hoe beter;—maar, ik vrees dat ge u verbeeldt beter te zijn dan werkelijk het geval is, en dat zou hem te veel voordeel op u geven.”„Ik zal het echter wagen, als het u belieft,” hernam Jones, „als gij maar zoo goed wilt wezen mij een degen te leenen; want ik heb er zelf geen bij me.”[64]„Mijn degen staat u ten dienste, dat verzeker ik u van ganscher harte, mijn waarde jongen,” riep de luitenant, hem omhelzende; „gij zijt een brave kerel en uw moed bevalt me; maar ik vrees voor uwe krachten; want zulk een slag en het bloedverlies moeten u zeer verzwakt hebben, en hoewel ge geen gemis aan krachten gevoelt zoo lang ge te bed ligt, zou dat toch wel het geval zijn, als ge met den degen in de vuist moest staan. Ik kan er niet in toestemmen dat ge heden avond met hem vecht, maar ik hoop, dat ge in staat zult wezen om ons binnen een paar dagen in te halen, en ik geef u mijn woord van eer dat ge voldoening zult hebben, of de man, die u beleedigd heeft, zal ons regiment verlaten.”„Ik zou toch zoo gaarne de zaak nog voor den nacht uitmaken,” zei Jones; „nu wij er eenmaal over gepraat hebben, zal ik geen oogenblik rust hebben.”„Wel, wel!” hernam de andere, „op een paar dagen komt het niet aan. De wonden der eer zijn niet als die van het ligchaam. Het doet geen kwaad dat zij op genezing moeten wachten. Het zal even goed zijn voor u over eene week voldoening te krijgen als nu.”„Maar,” zei Jones, „veronderstel eens dat mijn toestand verergerde en dat ik aan de gevolgen van mijne wond stierf!”„Dan is uwe eer toch gered,” hernam de luitenant. „Ik zelf zal zorg dragen, dat men u regt doet en voor de geheele wereld zal ik getuigen, dat gij u als man zoudt gedragen hebben als gij maar hersteld waart.”„Dit uitstel,” zei Jones, „bedroeft me toch! Ik durf het u, die soldaat zijt, haast niet zeggen; maar hoewel ik een zeer ligtzinnig jong mensch ben geweest, toch blijf ik, in ernstige oogenblikken, in mijn hart een christen.”„Dat ben ik ook,” hernam de andere; „zeker, en zoo van ganscher harte, dat het mij genoegen deed aan tafel u voor de godsdienst partij te zien trekken, en het spijt me nu eenigzins, jonge heer, dat gij vreezen zoudt voor wien ook te bekennen, dat gij een geloovige zijt.”„Maar hoe verschrikkelijk moet het toch zijn voor een waar christen,” riep Jones, „om wrok te koesteren in zijn hart, tegen het bevel in van hem die zoo iets bepaaldelijk verboden heeft. Hoe zal ik me kunnen verantwoorden, zoo[65]lang een dergelijk gevoelen in de diepte van mijn hart tegen mij pleit?”„Nu, ik geloof wel dat zoo iets in strijd is met de geboden,” zei de luitenant; „maar een man van eer kan zich daaraan niet storen. En man van eer moet ge zijn, als gij bij het leger wilt dienen. Ik herinner me die vraag eens onder een glas punsch aan onzen veldprediker gedaan te hebben, en hij bekende dat er nog al bezwaar in was om ze te beantwoorden; maar hij zeide, dat hij hoopte dat den krijgslieden in dit geval eene zekere vrijheid gelaten zou worden, en wezenlijk, het is pligt voor ons dat te hopen; want wie zou eerloos willen leven? Neen, neen, mijn beste jongen, blijf een goed christen zoo lang ge leeft; maar blijf ook man van eer, en duld nooit eenige beleediging;—alle boeken noch alle dominé’s ter wereld kunnen mij daartoe bewegen! Ik houd veel van mijne godsdienst, maar nog meer van mijne eer. Er moet eene vergissing zijn in de woorden van den tekst, of in de vertaling, of in de exegese, of ergens, of iets verkeerds zijn. Maar, hoe dat ook zij, de mensch moet de kans wagen; want zijne eer moet hem heilig wezen. Dus neem maar uwe rust heden nacht en ik beloof u de gelegenheid te verschaffen om voldoening te krijgen.”Hierop omhelsde hij Jones weder hartelijk, drukte hem de hand en verliet hem.Maar hoewel de redenering van den luitenant zeer overtuigend luidde voor hem zelven, was dit niet het geval met zijn vriend—en Jones, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, kwam eindelijk tot een besluit, dat den lezer in het volgende hoofdstuk medegedeeld zal worden.[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Een zeer verschrikkelijk hoofdstuk, dat weinigen lezers geraden is des avonds te lezen, vooral als zij alleen zitten.Jones verslond een groote kom vol kippen-, of liever hanen-soep, met den meesten eetlust, en zou inderdaad[66]den haan zelven, met een pond spek er bij, gaarne opgegeten hebben; en daarop bevindende, dat het hem noch aan gezondheid noch aan moed ontbrak, besloot hij om op te staan en zijn vijand te gaan zoeken.Eerst echter zond hij om den sergeant, zijne oudste kennis onder de militairen. Ongelukkig had die waardige onderofficier wat al te veel gedronken, en was sedert eenigen tijd naar bed gegaan, waar hij zoo hard snorkte dat het niet gemakkelijk viel een geluid in zijne ooren ingang te doen vinden, dat hoorbaarder was dan dat hetwelk uit zijne neusgaten kwam.Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep, stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze gril van den zieke.[67]„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat, gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem verzocht den prijs daarvan te noemen.De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden. Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs stellen op het gevest dan op de kling.”Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet goedkooper laten zou.„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was, en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide: „Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij moet ook[68]bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintigshillingste veel is.”„Twintigshillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig guinjes!”„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintigshillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan krijgen,—maar—”Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan, en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te halen eer zij Worcester bereikt hadden.De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan, zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te berooven, of om zelf het zijne te verliezen.„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel, in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en mishandeld heeft, zonder[69]eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep, behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts. Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt neder.Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed, echter, had hij het geluk om mis te schieten.Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst, en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl[70]hij volstrekt niet aan het gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij, zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar, gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde strekken.Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had, volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar met belangstelling vragende, wat er te doen was?Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die hem aanpakten,[71]maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten; want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook, herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet, en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat hem scheelde, antwoordde hij:„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu, met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem verdwenen was.Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden. Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt en droomt!”De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende als fakkels!”De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan, hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst[72]uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden gaan.De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken; maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was. En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.De avonturen van eenige officieren.De luitenant, dien wij in het vorige hoofdstuk vermeldden, en die deze troep aanvoerde, was nu bijna zestig jaren oud. Hij was zeer jong in dienst gegaan, en was, als vaandrig, bij den slag bij Tannières geweest, waar hij twee wonden ontvangen en zich zoodanig onderscheiden had, dat hij dadelijk naden slag door den Hertog van Marlborough tot luitenant bevorderd was.In dezen rang had hij sedert (dat is bijna veertig jaren) gediend, gedurende welken tijd hij ontelbare menschen had zien bevorderen, terwijl men hem voorbijging, en hij moest het nu verdragen dat jonge lieden hem kommandeerden, wier vaderen kinderen waren toen hij in dienst trad.Deze tegenspoed in de dienst was niet alleen daaraan toe te schrijven, dat hij geene invloedrijke vrienden bezat. Hij had het ongeluk daarbij om den kolonel te mishagen, die vele jaren lang het bevel voerde over het regiment. Hij had zich den onverzoenlijken haat, welken deze heer hem toedroeg, niet op den hals gehaald door eenig pligtverzuim als officier, noch inderdaad door eenige schuld van zijn kant; maar alleen door de onvoorzigtigheid zijner vrouw, die zeer schoon was, en die, hoewel zij bijzonder veel van haar man hield, zijne bevordering niet koopen wildeten koste van zekere gunstbewijzen, welke de kolonel van haar eischte.De arme luitenant was des te ongelukkiger, omdat, terwijl hij de uitwerkselen van de vijandigheid van zijn kolonel ondervond, hij nooit wist, noch vermoedde, dat die bestond; want hij kon geen onwil veronderstellen, waartoe hij zich niet bewust was op eenige wijze aanleiding gegeven te hebben, terwijl zijne vrouw, bevreesd voor hetgeen haar mans fijn eergevoel, geëischt zou hebben, zich te vreden stelde met hare deugd te bewaren, zonder op hare overwinning te pogchen.Deze ongelukkige officier (want zoo, dunkt me, moet men hem heeten), bezat vele goede hoedanigheden behalve zijne verdiensten als krijgsman; want hij was godsdienstig, eerlijk, goedhartig en had zich zoo voortreffelijk gehouden[52]in de dienst, dat hij hooggeacht en bemind was, niet slechts door de soldaten zijner eigene kompagnie, maar ook door het geheele regiment.De andere officieren die met hem marscheerden waren een Fransche luitenant, die lang genoeg uit zijn eigen land geweest was om de Fransche taal te vergeten, maar niet lang genoeg in Engeland om de landtaal aan te leeren; zoo dat hij eigenlijk geene taal sprak en zelfs in dagelijksche zaken zich naauwelijks kon doen verstaan. Er waren ook twee vaandrigs, beide zeer jonge menschen, van wie de eene opgevoed was door een zaakwaarnemer en de andere de zoon was van de vrouw van den keldermeester van zekeren edelman.Na afloop van de tafel, vertelde Jones van de grappen onder de soldaten op marsch, „en toch,” zeide hij, „in weerwil van al hun geschreeuw, geloof ik wel dat zij zich vóór den vijand, eerder als Grieken dan als Trojanen gedragen zullen.”„Grieken en Trojanen!” riep een der vaandrigs. „Wie drommel zijn dat? Ik heb wel eens alle troepen in Europa hooren noemen,—maar die nooit!”„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft groot gelijk.”„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb gelezen van hen, in de school,dans Madame Dacier!Die Grieken en Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat alles!”„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak. Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig pak slagen bezorgd heeft!”[53]„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de luitenant.„Wel, verd.…!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer, dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch schrijven!”„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden. Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de protestantsche godsdienst te beschermen.”De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder naar het gesprek te luisteren, zeide nu:„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om dereligionte doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde trekken.”„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan Koning en Vaderland, heeft de protestantsche[54]zaak toch veel er toe bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen, mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te gaan.”„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote geleerdheid,” riep de vaandrig.„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan en er niets te leeren.”„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord, Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt niet tegen hem opgewassen.”Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!” welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om zich op Jones te wreken.Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen. Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon, dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij daarmede bedoelde.Maar de luitenant, die aan het hoofd van de tafel zat, was niet tevreden alleen met den naam van Sophia. Hij zeide ook haar familie-naam te moeten weten, waarop Jones, na eenige aarzeling, mejufvrouw Sophia Western noemde.[55]De heer Northerton verklaarde nu dat dat hij onmogelijk op haar drinken kon, ten zij er iemand was die voor haar instond:„Ik heb eene Sophia Western te Bath gekend,” voegde hij er bij, „de maitresse van de helft der jongeluî daar, en misschien is dit hetzelfde wijf.”Jones verzekerde hem zeer plegtig van het tegendeel, bewerende dat de jonge dame iemand was van hoogen stand en groot vermogen.„Ja, ja,” riep de vaandrig; „dat is zij ook! Ik wil verd—d zijn als het niet dezelfde vrouw is! En ik wed een half dozijn flesschen Bourgogne dat Tom French van ons regiment haar medebrengt in elke kroeg, die wij verkiezen!”Daarop ging hij voort met haar uiterlijk zeer naauwkeurig te beschrijven;—want hij had haar met hare tante gezien,—en eindigde met te zeggen, „dat haar vader uitgestrekte landerijen bezat in Somersetshire.”Een teedere minnaar kan de minste aardigheid over zijne beminde slecht verdragen. Jones echter, ofschoon hij verliefd en moedig genoeg was, wreekte dezen laster welligt niet zoo spoedig als hij had moeten doen. Om de waarheid te zeggen, daar hij slechts weinig geestigheid van dezen aard gezien had, begreep hij ze ook niet dadelijk en verbeeldde zich een heelen tijdlang dat er bij den heer Northerton eene verwarring van denkbeelden bestond omtrent de persoon. Zich echter eindelijk, met een ernstigen blik tot den vaandrig keerende, zeide hij:„Ik verzoek u, mijnheer, een ander voorwerp te zoeken voor uwe geestigheid; want ik verzeker u dat ik geene aardigheden wil aanhooren omtrent den goeden naam dezer dame.”„Aardigheden!” riep de andere. „Wel verdraaid! Ik meende het nooit van mijn leven ernstiger! Tom French van ons regiment, heeft haar en hare tante, beide, te Bath gehad!”„En ik zeg u ook, in goeden ernst,” riep Jones, „dat gij een der grootste schelmen ter wereld zijt!”Hij had naauwelijks deze woorden er uitgebragt toen de vaandrig, met een rollend vuur van vloeken, Jones eene flesch naar het hoofd smeet, die hem iets boven de regter slaap rakende, hem oogenblikkelijk ter aarde velde.[56]De overwinnaar zijn vijand aldus bewusteloos uitgestrekt ziende, terwijl het bloed vrij sterk uit de wond vloeide, begon er nu aan te denken om het slagveld te verlaten waar geen eer meer voor hem in te oogsten viel; maar de luitenant belette hem dit door zich voor de deur te plaatsen en hem den terugtogt af te snijden.Northertonsmeekte den luitenant ernstig hem te laten gaan, hem herinnerende aan de waarschijnlijk treurige gevolgen als hij bleef, terwijl hij hem ook vroeg, of hij anders had kunnen handelen dan hij gedaan had?„Wat drommel!” riep hij; „het was maar gekheid van mij. Ik heb van mijn leven geen kwaad van jufvrouw Western gehoord!”„Zoo!” riep de luitenant. „Dan verdient ge de galg! Evenzeer voor het maken van zulke grappen als voor het gebruiken van zulke wapenen. Gij zijt mijn arrestant, mijnheer;—en ge zult hier de deur niet uit tot er eene behoorlijke wacht is, om u in bewaring te nemen.”Onze luitenant bezat zulk eene meerderheid over den vaandrig, dat al die bruischende moed, welke gediend had om onzen armen held neder te vellen, genoemden vaandrig naauwelijks aangespoord zou hebben het zwaard tegen den luitenant te trekken, als er een om zijne lendenen gegord ware geweest; maar alle degens hingen tegen den muur en werden bij het begin van den twist door den Franschen officier in bezit genomen. Dus was de heer Northerton gedwongen den afloop der zaak af te wachten.Op verzoek van hun bevelhebber, rigtten de Franschman en de heer Adderly Jones op: daar zij echter weinige of geene teekenen van leven bespeurden, lieten zij hem weder vallen, terwijl Adderly hem verwenschte omdat hij zijn vest met bloed bevlekt had, en de Franschman uitriep:„Pardie!Ik raak niet meerle mortaan;—men heeft mij verteld dat de Engelsche wet ophangt den man, die het laatst getoucheerd heeft den doode!”Toen de goede luitenant naar de deur vloog, trok hij onderweg aan de schel, en zoodra de knecht verscheen, zond hij hem om een heelmeester. Deze boodschap, tegelijk met hetgeen de knecht zelf gezien had, bragt niet slechts de soldaten op de plek bijeen, maar ook den waard,[57]zijne vrouw, de dienstboden, en iedereen die te dien tijd in de herberg was.Het zou mij onmogelijk zijn, al kon ik veertig pennen tegelijk voeren, om alle bijzonderheden en alle gesprekken op te schrijven die voorvielen bij het tooneel dat nu volgde. De lezer moet zich dus met het merkwaardigste te vreden stellen, en zal waarschijnlijk het overige best kunnen missen.Het eerste dat gedaan werd, was zich van Northerton te verzekeren, die onder begeleiding van een korporaal en zes man weggebragt werd van eene plaats, welke hij gaarne verlaten wilde;—maar ongelukkig, naar eene plaats, waarheen hij ook zeer ongaarne ging. Ja, zoo grillig zijn de wenschen der eerzucht, dat op hetzelfde oogenblik dat deze jongeling zich door bovengemelde eerewacht omgeven zag, hij zich volgaarne verschuild zou hebben in eenigen uithoek der wereld, waar geen mensch er ooit iets van had kunnen vernemen.Het verbaast ons, en misschien den lezer ook, dat de waardige en goede luitenant zich eerder er op toelegde om zich van den misdadiger te verzekeren, dan om het leven van den gewonde te redden. Wij merken dit hier op zonder eenig plan om zulk een vreemd gedrag te willen verklaren; maar alleen om te beletten dat eenig recensent zich er later op beroemen zou het zelf ontdekt te hebben. Wij wilden die heeren doen begrijpen, dat wij zonderlingheden in eens menschen karakter even goed ontwaren als zij zelven; maar het is alleen onze taak om de feiten naar waarheid te vermelden, terwijl, als wij dat gedaan hebben, de geleerde en schrandere lezer het oorspronkelijke boek der natuur moet raadplegen, waaruit elke bladzijde in ons werk afgeschreven is, zonder dat wij echter ons telkens verpligt gevoelen de bijzondere bladzijde te vermelden.Het gezelschap dat nu bijeen gekomen was, scheen van een geheel ander gevoelen te zijn. Zij beteugelden hunne nieuwsgierigheid omtrent den vaandrig, tot zij hem later in eene meer belangwekkende positie zouden zien. Thans werd hunne belangstelling en oplettendheid alleen geboeid door het bebloede voorwerp op den grond, dat evenwel, zoodra het op een stoel gezet werd, eenige teekens begon te[58]geven van leven en beweging. Zoodra de omstanders dit ontwaarden (want men hield Jones eerst voor dood), begonnen zij allen tegelijk iets voor te schrijven; want daar er niemand van de geneeskundige fakulteit aanwezig was, nam iedereen dat ambt op zich.Met eenparige stemmen verklaarde men zich voor eene aderlating; maar ongelukkig was er geen heelmeester bij de hand;—om welke reden iedereen uitriep: „Zend om den barbier!” zonder echter dat iemand met dat doel een voet verzette. Op even weinig doelmatige wijze, werd het gebruik van allerlei drankjes voorgeschreven; tot de waard, eene kan oud bier, warm, en met een stuk geroosterd brood er in bestelde,—wat hij voor het beste geneesmiddel hield in het land.De persoon, die de meeste hulp verleende bij deze gelegenheid, en inderdaad de eenige die werkelijk eenige dienst scheen te zullen bewijzen, was de vrouw van den waard, die wat van haar hoofdbaar afsneed en het op de wond legde om het bloed te stillen, den jongeling eigenhandig de slapen wreef en met de meeste minachting voor de voorschriften van haar man, eene der meiden zond om eene flesch brandewijn uit hare eigene kast, waaruit zij Jones, die pas weder tot bezinning gekomen was, overhaalde om een flinken slok te gebruiken.Kort daarop verscheen de heelmeester, die de wond onderzocht, het hoofd schudde, alles afkeurde wat er al gedaan was en beval den patient dadelijk naar bed te brengen, waar wij het goed vinden hem een tijdlang in rust te laten en dus hiermede een einde aan dit hoofdstuk maken.

Hoofdstuk XII.De avonturen van eenige officieren.

De luitenant, dien wij in het vorige hoofdstuk vermeldden, en die deze troep aanvoerde, was nu bijna zestig jaren oud. Hij was zeer jong in dienst gegaan, en was, als vaandrig, bij den slag bij Tannières geweest, waar hij twee wonden ontvangen en zich zoodanig onderscheiden had, dat hij dadelijk naden slag door den Hertog van Marlborough tot luitenant bevorderd was.In dezen rang had hij sedert (dat is bijna veertig jaren) gediend, gedurende welken tijd hij ontelbare menschen had zien bevorderen, terwijl men hem voorbijging, en hij moest het nu verdragen dat jonge lieden hem kommandeerden, wier vaderen kinderen waren toen hij in dienst trad.Deze tegenspoed in de dienst was niet alleen daaraan toe te schrijven, dat hij geene invloedrijke vrienden bezat. Hij had het ongeluk daarbij om den kolonel te mishagen, die vele jaren lang het bevel voerde over het regiment. Hij had zich den onverzoenlijken haat, welken deze heer hem toedroeg, niet op den hals gehaald door eenig pligtverzuim als officier, noch inderdaad door eenige schuld van zijn kant; maar alleen door de onvoorzigtigheid zijner vrouw, die zeer schoon was, en die, hoewel zij bijzonder veel van haar man hield, zijne bevordering niet koopen wildeten koste van zekere gunstbewijzen, welke de kolonel van haar eischte.De arme luitenant was des te ongelukkiger, omdat, terwijl hij de uitwerkselen van de vijandigheid van zijn kolonel ondervond, hij nooit wist, noch vermoedde, dat die bestond; want hij kon geen onwil veronderstellen, waartoe hij zich niet bewust was op eenige wijze aanleiding gegeven te hebben, terwijl zijne vrouw, bevreesd voor hetgeen haar mans fijn eergevoel, geëischt zou hebben, zich te vreden stelde met hare deugd te bewaren, zonder op hare overwinning te pogchen.Deze ongelukkige officier (want zoo, dunkt me, moet men hem heeten), bezat vele goede hoedanigheden behalve zijne verdiensten als krijgsman; want hij was godsdienstig, eerlijk, goedhartig en had zich zoo voortreffelijk gehouden[52]in de dienst, dat hij hooggeacht en bemind was, niet slechts door de soldaten zijner eigene kompagnie, maar ook door het geheele regiment.De andere officieren die met hem marscheerden waren een Fransche luitenant, die lang genoeg uit zijn eigen land geweest was om de Fransche taal te vergeten, maar niet lang genoeg in Engeland om de landtaal aan te leeren; zoo dat hij eigenlijk geene taal sprak en zelfs in dagelijksche zaken zich naauwelijks kon doen verstaan. Er waren ook twee vaandrigs, beide zeer jonge menschen, van wie de eene opgevoed was door een zaakwaarnemer en de andere de zoon was van de vrouw van den keldermeester van zekeren edelman.Na afloop van de tafel, vertelde Jones van de grappen onder de soldaten op marsch, „en toch,” zeide hij, „in weerwil van al hun geschreeuw, geloof ik wel dat zij zich vóór den vijand, eerder als Grieken dan als Trojanen gedragen zullen.”„Grieken en Trojanen!” riep een der vaandrigs. „Wie drommel zijn dat? Ik heb wel eens alle troepen in Europa hooren noemen,—maar die nooit!”„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft groot gelijk.”„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb gelezen van hen, in de school,dans Madame Dacier!Die Grieken en Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat alles!”„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak. Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig pak slagen bezorgd heeft!”[53]„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de luitenant.„Wel, verd.…!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer, dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch schrijven!”„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden. Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de protestantsche godsdienst te beschermen.”De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder naar het gesprek te luisteren, zeide nu:„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om dereligionte doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde trekken.”„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan Koning en Vaderland, heeft de protestantsche[54]zaak toch veel er toe bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen, mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te gaan.”„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote geleerdheid,” riep de vaandrig.„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan en er niets te leeren.”„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord, Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt niet tegen hem opgewassen.”Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!” welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om zich op Jones te wreken.Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen. Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon, dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij daarmede bedoelde.Maar de luitenant, die aan het hoofd van de tafel zat, was niet tevreden alleen met den naam van Sophia. Hij zeide ook haar familie-naam te moeten weten, waarop Jones, na eenige aarzeling, mejufvrouw Sophia Western noemde.[55]De heer Northerton verklaarde nu dat dat hij onmogelijk op haar drinken kon, ten zij er iemand was die voor haar instond:„Ik heb eene Sophia Western te Bath gekend,” voegde hij er bij, „de maitresse van de helft der jongeluî daar, en misschien is dit hetzelfde wijf.”Jones verzekerde hem zeer plegtig van het tegendeel, bewerende dat de jonge dame iemand was van hoogen stand en groot vermogen.„Ja, ja,” riep de vaandrig; „dat is zij ook! Ik wil verd—d zijn als het niet dezelfde vrouw is! En ik wed een half dozijn flesschen Bourgogne dat Tom French van ons regiment haar medebrengt in elke kroeg, die wij verkiezen!”Daarop ging hij voort met haar uiterlijk zeer naauwkeurig te beschrijven;—want hij had haar met hare tante gezien,—en eindigde met te zeggen, „dat haar vader uitgestrekte landerijen bezat in Somersetshire.”Een teedere minnaar kan de minste aardigheid over zijne beminde slecht verdragen. Jones echter, ofschoon hij verliefd en moedig genoeg was, wreekte dezen laster welligt niet zoo spoedig als hij had moeten doen. Om de waarheid te zeggen, daar hij slechts weinig geestigheid van dezen aard gezien had, begreep hij ze ook niet dadelijk en verbeeldde zich een heelen tijdlang dat er bij den heer Northerton eene verwarring van denkbeelden bestond omtrent de persoon. Zich echter eindelijk, met een ernstigen blik tot den vaandrig keerende, zeide hij:„Ik verzoek u, mijnheer, een ander voorwerp te zoeken voor uwe geestigheid; want ik verzeker u dat ik geene aardigheden wil aanhooren omtrent den goeden naam dezer dame.”„Aardigheden!” riep de andere. „Wel verdraaid! Ik meende het nooit van mijn leven ernstiger! Tom French van ons regiment, heeft haar en hare tante, beide, te Bath gehad!”„En ik zeg u ook, in goeden ernst,” riep Jones, „dat gij een der grootste schelmen ter wereld zijt!”Hij had naauwelijks deze woorden er uitgebragt toen de vaandrig, met een rollend vuur van vloeken, Jones eene flesch naar het hoofd smeet, die hem iets boven de regter slaap rakende, hem oogenblikkelijk ter aarde velde.[56]De overwinnaar zijn vijand aldus bewusteloos uitgestrekt ziende, terwijl het bloed vrij sterk uit de wond vloeide, begon er nu aan te denken om het slagveld te verlaten waar geen eer meer voor hem in te oogsten viel; maar de luitenant belette hem dit door zich voor de deur te plaatsen en hem den terugtogt af te snijden.Northertonsmeekte den luitenant ernstig hem te laten gaan, hem herinnerende aan de waarschijnlijk treurige gevolgen als hij bleef, terwijl hij hem ook vroeg, of hij anders had kunnen handelen dan hij gedaan had?„Wat drommel!” riep hij; „het was maar gekheid van mij. Ik heb van mijn leven geen kwaad van jufvrouw Western gehoord!”„Zoo!” riep de luitenant. „Dan verdient ge de galg! Evenzeer voor het maken van zulke grappen als voor het gebruiken van zulke wapenen. Gij zijt mijn arrestant, mijnheer;—en ge zult hier de deur niet uit tot er eene behoorlijke wacht is, om u in bewaring te nemen.”Onze luitenant bezat zulk eene meerderheid over den vaandrig, dat al die bruischende moed, welke gediend had om onzen armen held neder te vellen, genoemden vaandrig naauwelijks aangespoord zou hebben het zwaard tegen den luitenant te trekken, als er een om zijne lendenen gegord ware geweest; maar alle degens hingen tegen den muur en werden bij het begin van den twist door den Franschen officier in bezit genomen. Dus was de heer Northerton gedwongen den afloop der zaak af te wachten.Op verzoek van hun bevelhebber, rigtten de Franschman en de heer Adderly Jones op: daar zij echter weinige of geene teekenen van leven bespeurden, lieten zij hem weder vallen, terwijl Adderly hem verwenschte omdat hij zijn vest met bloed bevlekt had, en de Franschman uitriep:„Pardie!Ik raak niet meerle mortaan;—men heeft mij verteld dat de Engelsche wet ophangt den man, die het laatst getoucheerd heeft den doode!”Toen de goede luitenant naar de deur vloog, trok hij onderweg aan de schel, en zoodra de knecht verscheen, zond hij hem om een heelmeester. Deze boodschap, tegelijk met hetgeen de knecht zelf gezien had, bragt niet slechts de soldaten op de plek bijeen, maar ook den waard,[57]zijne vrouw, de dienstboden, en iedereen die te dien tijd in de herberg was.Het zou mij onmogelijk zijn, al kon ik veertig pennen tegelijk voeren, om alle bijzonderheden en alle gesprekken op te schrijven die voorvielen bij het tooneel dat nu volgde. De lezer moet zich dus met het merkwaardigste te vreden stellen, en zal waarschijnlijk het overige best kunnen missen.Het eerste dat gedaan werd, was zich van Northerton te verzekeren, die onder begeleiding van een korporaal en zes man weggebragt werd van eene plaats, welke hij gaarne verlaten wilde;—maar ongelukkig, naar eene plaats, waarheen hij ook zeer ongaarne ging. Ja, zoo grillig zijn de wenschen der eerzucht, dat op hetzelfde oogenblik dat deze jongeling zich door bovengemelde eerewacht omgeven zag, hij zich volgaarne verschuild zou hebben in eenigen uithoek der wereld, waar geen mensch er ooit iets van had kunnen vernemen.Het verbaast ons, en misschien den lezer ook, dat de waardige en goede luitenant zich eerder er op toelegde om zich van den misdadiger te verzekeren, dan om het leven van den gewonde te redden. Wij merken dit hier op zonder eenig plan om zulk een vreemd gedrag te willen verklaren; maar alleen om te beletten dat eenig recensent zich er later op beroemen zou het zelf ontdekt te hebben. Wij wilden die heeren doen begrijpen, dat wij zonderlingheden in eens menschen karakter even goed ontwaren als zij zelven; maar het is alleen onze taak om de feiten naar waarheid te vermelden, terwijl, als wij dat gedaan hebben, de geleerde en schrandere lezer het oorspronkelijke boek der natuur moet raadplegen, waaruit elke bladzijde in ons werk afgeschreven is, zonder dat wij echter ons telkens verpligt gevoelen de bijzondere bladzijde te vermelden.Het gezelschap dat nu bijeen gekomen was, scheen van een geheel ander gevoelen te zijn. Zij beteugelden hunne nieuwsgierigheid omtrent den vaandrig, tot zij hem later in eene meer belangwekkende positie zouden zien. Thans werd hunne belangstelling en oplettendheid alleen geboeid door het bebloede voorwerp op den grond, dat evenwel, zoodra het op een stoel gezet werd, eenige teekens begon te[58]geven van leven en beweging. Zoodra de omstanders dit ontwaarden (want men hield Jones eerst voor dood), begonnen zij allen tegelijk iets voor te schrijven; want daar er niemand van de geneeskundige fakulteit aanwezig was, nam iedereen dat ambt op zich.Met eenparige stemmen verklaarde men zich voor eene aderlating; maar ongelukkig was er geen heelmeester bij de hand;—om welke reden iedereen uitriep: „Zend om den barbier!” zonder echter dat iemand met dat doel een voet verzette. Op even weinig doelmatige wijze, werd het gebruik van allerlei drankjes voorgeschreven; tot de waard, eene kan oud bier, warm, en met een stuk geroosterd brood er in bestelde,—wat hij voor het beste geneesmiddel hield in het land.De persoon, die de meeste hulp verleende bij deze gelegenheid, en inderdaad de eenige die werkelijk eenige dienst scheen te zullen bewijzen, was de vrouw van den waard, die wat van haar hoofdbaar afsneed en het op de wond legde om het bloed te stillen, den jongeling eigenhandig de slapen wreef en met de meeste minachting voor de voorschriften van haar man, eene der meiden zond om eene flesch brandewijn uit hare eigene kast, waaruit zij Jones, die pas weder tot bezinning gekomen was, overhaalde om een flinken slok te gebruiken.Kort daarop verscheen de heelmeester, die de wond onderzocht, het hoofd schudde, alles afkeurde wat er al gedaan was en beval den patient dadelijk naar bed te brengen, waar wij het goed vinden hem een tijdlang in rust te laten en dus hiermede een einde aan dit hoofdstuk maken.

De luitenant, dien wij in het vorige hoofdstuk vermeldden, en die deze troep aanvoerde, was nu bijna zestig jaren oud. Hij was zeer jong in dienst gegaan, en was, als vaandrig, bij den slag bij Tannières geweest, waar hij twee wonden ontvangen en zich zoodanig onderscheiden had, dat hij dadelijk naden slag door den Hertog van Marlborough tot luitenant bevorderd was.

In dezen rang had hij sedert (dat is bijna veertig jaren) gediend, gedurende welken tijd hij ontelbare menschen had zien bevorderen, terwijl men hem voorbijging, en hij moest het nu verdragen dat jonge lieden hem kommandeerden, wier vaderen kinderen waren toen hij in dienst trad.

Deze tegenspoed in de dienst was niet alleen daaraan toe te schrijven, dat hij geene invloedrijke vrienden bezat. Hij had het ongeluk daarbij om den kolonel te mishagen, die vele jaren lang het bevel voerde over het regiment. Hij had zich den onverzoenlijken haat, welken deze heer hem toedroeg, niet op den hals gehaald door eenig pligtverzuim als officier, noch inderdaad door eenige schuld van zijn kant; maar alleen door de onvoorzigtigheid zijner vrouw, die zeer schoon was, en die, hoewel zij bijzonder veel van haar man hield, zijne bevordering niet koopen wildeten koste van zekere gunstbewijzen, welke de kolonel van haar eischte.

De arme luitenant was des te ongelukkiger, omdat, terwijl hij de uitwerkselen van de vijandigheid van zijn kolonel ondervond, hij nooit wist, noch vermoedde, dat die bestond; want hij kon geen onwil veronderstellen, waartoe hij zich niet bewust was op eenige wijze aanleiding gegeven te hebben, terwijl zijne vrouw, bevreesd voor hetgeen haar mans fijn eergevoel, geëischt zou hebben, zich te vreden stelde met hare deugd te bewaren, zonder op hare overwinning te pogchen.

Deze ongelukkige officier (want zoo, dunkt me, moet men hem heeten), bezat vele goede hoedanigheden behalve zijne verdiensten als krijgsman; want hij was godsdienstig, eerlijk, goedhartig en had zich zoo voortreffelijk gehouden[52]in de dienst, dat hij hooggeacht en bemind was, niet slechts door de soldaten zijner eigene kompagnie, maar ook door het geheele regiment.

De andere officieren die met hem marscheerden waren een Fransche luitenant, die lang genoeg uit zijn eigen land geweest was om de Fransche taal te vergeten, maar niet lang genoeg in Engeland om de landtaal aan te leeren; zoo dat hij eigenlijk geene taal sprak en zelfs in dagelijksche zaken zich naauwelijks kon doen verstaan. Er waren ook twee vaandrigs, beide zeer jonge menschen, van wie de eene opgevoed was door een zaakwaarnemer en de andere de zoon was van de vrouw van den keldermeester van zekeren edelman.

Na afloop van de tafel, vertelde Jones van de grappen onder de soldaten op marsch, „en toch,” zeide hij, „in weerwil van al hun geschreeuw, geloof ik wel dat zij zich vóór den vijand, eerder als Grieken dan als Trojanen gedragen zullen.”

„Grieken en Trojanen!” riep een der vaandrigs. „Wie drommel zijn dat? Ik heb wel eens alle troepen in Europa hooren noemen,—maar die nooit!”

„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft groot gelijk.”

„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb gelezen van hen, in de school,dans Madame Dacier!Die Grieken en Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat alles!”

„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak. Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig pak slagen bezorgd heeft!”[53]

„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de luitenant.

„Wel, verd.…!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer, dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch schrijven!”

„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden. Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de protestantsche godsdienst te beschermen.”

De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder naar het gesprek te luisteren, zeide nu:

„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”

„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om dereligionte doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde trekken.”

„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan Koning en Vaderland, heeft de protestantsche[54]zaak toch veel er toe bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”

Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen, mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”

„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te gaan.”

„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote geleerdheid,” riep de vaandrig.

„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan en er niets te leeren.”

„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord, Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt niet tegen hem opgewassen.”

Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!” welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om zich op Jones te wreken.

Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen. Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon, dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij daarmede bedoelde.

Maar de luitenant, die aan het hoofd van de tafel zat, was niet tevreden alleen met den naam van Sophia. Hij zeide ook haar familie-naam te moeten weten, waarop Jones, na eenige aarzeling, mejufvrouw Sophia Western noemde.[55]De heer Northerton verklaarde nu dat dat hij onmogelijk op haar drinken kon, ten zij er iemand was die voor haar instond:

„Ik heb eene Sophia Western te Bath gekend,” voegde hij er bij, „de maitresse van de helft der jongeluî daar, en misschien is dit hetzelfde wijf.”

Jones verzekerde hem zeer plegtig van het tegendeel, bewerende dat de jonge dame iemand was van hoogen stand en groot vermogen.

„Ja, ja,” riep de vaandrig; „dat is zij ook! Ik wil verd—d zijn als het niet dezelfde vrouw is! En ik wed een half dozijn flesschen Bourgogne dat Tom French van ons regiment haar medebrengt in elke kroeg, die wij verkiezen!”

Daarop ging hij voort met haar uiterlijk zeer naauwkeurig te beschrijven;—want hij had haar met hare tante gezien,—en eindigde met te zeggen, „dat haar vader uitgestrekte landerijen bezat in Somersetshire.”

Een teedere minnaar kan de minste aardigheid over zijne beminde slecht verdragen. Jones echter, ofschoon hij verliefd en moedig genoeg was, wreekte dezen laster welligt niet zoo spoedig als hij had moeten doen. Om de waarheid te zeggen, daar hij slechts weinig geestigheid van dezen aard gezien had, begreep hij ze ook niet dadelijk en verbeeldde zich een heelen tijdlang dat er bij den heer Northerton eene verwarring van denkbeelden bestond omtrent de persoon. Zich echter eindelijk, met een ernstigen blik tot den vaandrig keerende, zeide hij:

„Ik verzoek u, mijnheer, een ander voorwerp te zoeken voor uwe geestigheid; want ik verzeker u dat ik geene aardigheden wil aanhooren omtrent den goeden naam dezer dame.”

„Aardigheden!” riep de andere. „Wel verdraaid! Ik meende het nooit van mijn leven ernstiger! Tom French van ons regiment, heeft haar en hare tante, beide, te Bath gehad!”

„En ik zeg u ook, in goeden ernst,” riep Jones, „dat gij een der grootste schelmen ter wereld zijt!”

Hij had naauwelijks deze woorden er uitgebragt toen de vaandrig, met een rollend vuur van vloeken, Jones eene flesch naar het hoofd smeet, die hem iets boven de regter slaap rakende, hem oogenblikkelijk ter aarde velde.[56]

De overwinnaar zijn vijand aldus bewusteloos uitgestrekt ziende, terwijl het bloed vrij sterk uit de wond vloeide, begon er nu aan te denken om het slagveld te verlaten waar geen eer meer voor hem in te oogsten viel; maar de luitenant belette hem dit door zich voor de deur te plaatsen en hem den terugtogt af te snijden.

Northertonsmeekte den luitenant ernstig hem te laten gaan, hem herinnerende aan de waarschijnlijk treurige gevolgen als hij bleef, terwijl hij hem ook vroeg, of hij anders had kunnen handelen dan hij gedaan had?

„Wat drommel!” riep hij; „het was maar gekheid van mij. Ik heb van mijn leven geen kwaad van jufvrouw Western gehoord!”

„Zoo!” riep de luitenant. „Dan verdient ge de galg! Evenzeer voor het maken van zulke grappen als voor het gebruiken van zulke wapenen. Gij zijt mijn arrestant, mijnheer;—en ge zult hier de deur niet uit tot er eene behoorlijke wacht is, om u in bewaring te nemen.”

Onze luitenant bezat zulk eene meerderheid over den vaandrig, dat al die bruischende moed, welke gediend had om onzen armen held neder te vellen, genoemden vaandrig naauwelijks aangespoord zou hebben het zwaard tegen den luitenant te trekken, als er een om zijne lendenen gegord ware geweest; maar alle degens hingen tegen den muur en werden bij het begin van den twist door den Franschen officier in bezit genomen. Dus was de heer Northerton gedwongen den afloop der zaak af te wachten.

Op verzoek van hun bevelhebber, rigtten de Franschman en de heer Adderly Jones op: daar zij echter weinige of geene teekenen van leven bespeurden, lieten zij hem weder vallen, terwijl Adderly hem verwenschte omdat hij zijn vest met bloed bevlekt had, en de Franschman uitriep:

„Pardie!Ik raak niet meerle mortaan;—men heeft mij verteld dat de Engelsche wet ophangt den man, die het laatst getoucheerd heeft den doode!”

Toen de goede luitenant naar de deur vloog, trok hij onderweg aan de schel, en zoodra de knecht verscheen, zond hij hem om een heelmeester. Deze boodschap, tegelijk met hetgeen de knecht zelf gezien had, bragt niet slechts de soldaten op de plek bijeen, maar ook den waard,[57]zijne vrouw, de dienstboden, en iedereen die te dien tijd in de herberg was.

Het zou mij onmogelijk zijn, al kon ik veertig pennen tegelijk voeren, om alle bijzonderheden en alle gesprekken op te schrijven die voorvielen bij het tooneel dat nu volgde. De lezer moet zich dus met het merkwaardigste te vreden stellen, en zal waarschijnlijk het overige best kunnen missen.

Het eerste dat gedaan werd, was zich van Northerton te verzekeren, die onder begeleiding van een korporaal en zes man weggebragt werd van eene plaats, welke hij gaarne verlaten wilde;—maar ongelukkig, naar eene plaats, waarheen hij ook zeer ongaarne ging. Ja, zoo grillig zijn de wenschen der eerzucht, dat op hetzelfde oogenblik dat deze jongeling zich door bovengemelde eerewacht omgeven zag, hij zich volgaarne verschuild zou hebben in eenigen uithoek der wereld, waar geen mensch er ooit iets van had kunnen vernemen.

Het verbaast ons, en misschien den lezer ook, dat de waardige en goede luitenant zich eerder er op toelegde om zich van den misdadiger te verzekeren, dan om het leven van den gewonde te redden. Wij merken dit hier op zonder eenig plan om zulk een vreemd gedrag te willen verklaren; maar alleen om te beletten dat eenig recensent zich er later op beroemen zou het zelf ontdekt te hebben. Wij wilden die heeren doen begrijpen, dat wij zonderlingheden in eens menschen karakter even goed ontwaren als zij zelven; maar het is alleen onze taak om de feiten naar waarheid te vermelden, terwijl, als wij dat gedaan hebben, de geleerde en schrandere lezer het oorspronkelijke boek der natuur moet raadplegen, waaruit elke bladzijde in ons werk afgeschreven is, zonder dat wij echter ons telkens verpligt gevoelen de bijzondere bladzijde te vermelden.

Het gezelschap dat nu bijeen gekomen was, scheen van een geheel ander gevoelen te zijn. Zij beteugelden hunne nieuwsgierigheid omtrent den vaandrig, tot zij hem later in eene meer belangwekkende positie zouden zien. Thans werd hunne belangstelling en oplettendheid alleen geboeid door het bebloede voorwerp op den grond, dat evenwel, zoodra het op een stoel gezet werd, eenige teekens begon te[58]geven van leven en beweging. Zoodra de omstanders dit ontwaarden (want men hield Jones eerst voor dood), begonnen zij allen tegelijk iets voor te schrijven; want daar er niemand van de geneeskundige fakulteit aanwezig was, nam iedereen dat ambt op zich.

Met eenparige stemmen verklaarde men zich voor eene aderlating; maar ongelukkig was er geen heelmeester bij de hand;—om welke reden iedereen uitriep: „Zend om den barbier!” zonder echter dat iemand met dat doel een voet verzette. Op even weinig doelmatige wijze, werd het gebruik van allerlei drankjes voorgeschreven; tot de waard, eene kan oud bier, warm, en met een stuk geroosterd brood er in bestelde,—wat hij voor het beste geneesmiddel hield in het land.

De persoon, die de meeste hulp verleende bij deze gelegenheid, en inderdaad de eenige die werkelijk eenige dienst scheen te zullen bewijzen, was de vrouw van den waard, die wat van haar hoofdbaar afsneed en het op de wond legde om het bloed te stillen, den jongeling eigenhandig de slapen wreef en met de meeste minachting voor de voorschriften van haar man, eene der meiden zond om eene flesch brandewijn uit hare eigene kast, waaruit zij Jones, die pas weder tot bezinning gekomen was, overhaalde om een flinken slok te gebruiken.

Kort daarop verscheen de heelmeester, die de wond onderzocht, het hoofd schudde, alles afkeurde wat er al gedaan was en beval den patient dadelijk naar bed te brengen, waar wij het goed vinden hem een tijdlang in rust te laten en dus hiermede een einde aan dit hoofdstuk maken.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Over de groote behendigheid van de waardin, de groote geleerdheid van den heelmeester, en de groote bedrevenheid van den waardigen luitenant op het punt van gewetensvragen.Zoodra de gekwetste naar bed gebragt was, en al de drukte begon te bedaren, door dit ongeluk in het huis veroorzaakt,[59]sprak de waardin den bevelvoerenden officier aldus aan:„Ik vrees, mijnheer, dat die jongeling zich niet betamelijk gedragen heeft in het bijzijn der heeren en dat, als men hem doodgeslagen had, hij slechts zijn verdiend loon gekregen zou hebben; want, als mindere menschen in het gezelschap van hunne meerderen toegelaten worden, moesten zij nooit vergeten zich behoorlijk op een afstand te houden;—maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, er zijn er maar weinigen, die dat weten te doen. Wat mij betreft, ik weet zeker, dat ik nooit gewild zou hebben, dat zulk een mensch zich bij de heeren indrong; maar ik dacht dat hij ook officier was, tot de sergeant mij vertelde dat het slechts een rekruut was.”„Ge vergist u zeer, vrouwtje, omtrent de heele zaak,” antwoordde de luitenant. „De jonge heer gedroeg zich uitstekend goed, en is, geloof ik, een veel fatsoenlijker man dan de vaandrig, die hem tergde. Als de jongen sterft, zal diegene, die hem den slag toebragt, het zwaar te verantwoorden hebben;—ons regiment zal een zeer lastigen vent kwijt worden, die het leger tot schande strekt, en het zal mijne schuld niet wezen als hij aan de justitie ontsnapt;—dat verzeker ik u, jufvrouw!”„Wel! Wel! Heere mijn tijd!” riep de waardin, „wie zou zoo iets gedacht hebben? Ja, ja! Ik wil wel gelooven dat mijnheer zorgen zal dat het regt zijn loop heeft;—en dat is ook voor iedereen billijk. De groote heeren moeten ons, arm volk, niet doodslaan zonder het te verantwoorden. Een arm mensch heeft ook eene ziel, even goed als zijne meerderen!”„Wezenlijk, jufvrouw,” zei de luitenant, „ge doet den vrijwilliger groot onregt:—ik durf wedden dat hij fatsoenlijker man is dan de officier.”„Juist!” hernam de waardin;—„precies! Ziet u, mijn eerste man, dat was ook een verstandig mensch, en hij plagt te zeggen dat men het innerlijk niet altijd naar het uiterlijk beoordeelen kan. Ja, en dat was ook hier welligt gunstig; want ik zag hem in ’t geheel niet tot hij daar in zijn bloed lag! Wie had zich zoo iets kunnen verbeelden! Welligt een jonge heer die eene ongelukkige liefde[60]gehad heeft. Goede hemel! Als hij kwam te sterven, wat zou dat een leed zijn voor zijne ouders! Wel! die hem zoo mishandeld heeft, moet door den duivel bezeten zijn! Ja, mijnheer heeft gelijk; hij onteert het leger! De meeste heeren van het leger die ik ooit gezien heb, zijn ’n heel ander slag van menschen, en zien er uit als of zij zich schamen zouden een christenmensch te vermoorden; dat wil zeggen zoo buiten den oorlog, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen. ’t Is waar, als het oorlog is, moet er bloedvergieten zijn;—maar dat kunnen zij niet helpen. Hoe meer van onze vijanden zij dan dooden hoe beter, en ik wou maar van ganscher harte dat zij ze allen dood sloegen, tot den laatsten man toe!”„Wel, foei, jufvrouw!” zei de luitenant, met een glimlach: „dat is wat al te bloeddorstig!”„Volstrekt niet, mijnheer!” hernam zij. „Ik ben volstrekt niet bloeddorstig, behalve ten opzigte onzer vijanden en dat kan toch geen kwaad. ’t Is toch maar natuurlijk in een mensch te wenschen dat zijne vijanden dood waren, en dat er een einde aan den oorlog kome en dat de belastingen verminderen;—want het is verschrikkelijk zoo als wij nu betalen moeten! Ja, meer dan veertig shillings voor de ramen en vensters, ofschoon wij alles digtgemaakt hebben wat we maar missen konden;—wij hebben wezenlijk het huis half donker gemaakt; en ik zei tot den taxateur:—Vriend, zei ik, ons moest ge wel iets door de vingers zien; want wij zijn trouwe aanhangers van het bestuur, dat is waar; en wij betalen een schat van geld. En toch denk ik dikwerf zoo bij mij zelve, het gouvernement schijnt niet meer om ons te geven dan om anderen die geen duit betalen. Ja, ja! zoo gaat het in de wereld!”Zij was nog in dezen trant aan den gang toen de heelmeester binnen trad. De luitenant vroeg dadelijk hoe de patient het maakte? Het eenige bescheid dat hij kreeg, luidde: „Beter, geloof ik, dan hij zich thans bevinden zou, als men mij niet ingeroepen had, en het zou misschien, zelfs nu, beter voor hem geweest zijn als men mij vroeger geroepen had.”„Ik hoop toch, mijnheer, dat de schedel niet gebroken is?” riep de luitenant.[61]„Hm!” hernam de heelmeester. „Breuken zijn niet altijd de gevaarlijkste zaken. Kneuzingen en gescheurde wonden gaan dikwerf vergezeld van ergere verschijnselen en nog noodlottiger gevolgen dan breuken. Menschen, die niets van de zaak begrijpen, verbeelden zich, dat als er geen beenbreuk is, er ook geen gevaar bestaat; terwijl ik liever eens menschen schedel geheel stuk geslagen zou zien, dan op sommige wijzen, zoo als ik gezien heb, gekneusd.”„Ik vertrouw toch dat er geene verschijnselen van dien aard nu te duchten zijn?” vroeg de luitenant.„De verschijnselen,” hernam de heelmeester, „zijn niet altijd standvastig en geregeld. Ik heb wel eens gezien dat de ongunstigste verschijnselen ’s morgens dikwerf ’s middags gunstig werden en ’s avonds weder hoogst ongunstig. Van wonden, inderdaad, zegt men te regt: „Nemo repente turpissimus fuit.” Ik herinner me eens geroepen te zijn bij een patient, die lijdende was aan eene geweldige kneuzing van detibia, waarbij decutisaan de oppervlakte gescheurd was, zoodat er eene ruime bloedontlasting volgde en de inwendige weefselen zoodanig beleedigd waren dat hetos, of het been, zeer duidelijk zigtbaar was tusschen de lippen van hetvulnus, of de wond. Daar er zich tevens eene koortsachtige aandoening vertoonde,—want de pols was hard en gaf eene sterke verbloeding te kennen, vreesde ik dat zichonmiddellijkkoudvuur voordoen zou. Om dit te voorkomen, maakte ik dadelijk eene groote opening in de ader van den linker arm; waaruit ik twintig ons bloed aftapte, wat ik verwacht had zeer dun en geleiachtig, of liever, geheel verstijfd te vinden;—hetgeen het geval is bijpleurisen dergelijke ziekten; maar tot mijne groote verwondering, was het rood en frisch en de dikte er van verschilde slechts zeer weinig van die van het bloed van een volmaakt gezond mensch. Ik ging er toe over om eene pap op de gewonde plaats te leggen, wat zeer aan mijne verwachtingen voldeed en na de eerste drie of vier verbanden, begon de wond een dikkepus, of etter te ontlasten, waardoor de cohesie;—maar welligt maak ik me niet geheel en al verstaanbaar?”„Neen,” hernam de luitenant, „dat is waar. Ik kan niet zeggen dat ik er iets van begrijp.”[62]„Nu, mijnheer, dan zal ik uw geduld niet op de proef stellen. Met een woord, binnen de zes weken was mijn patient in staat even goed de beenen te gebruiken als voor dat hij de kneuzing gekregen had.”„Ik zou u toch willen verzoeken, mijnheer,” zei de luitenant, „de beleefdheid te hebben mij te zeggen of de wond van dezen jongen heer doodelijk zal zijn of niet?”„Mijnheer,” hernam de heelmeester, „het zou dwaze en vermetele verwaandheid zijn, als men bij het leggen van het eerste verband zeggen wilde dat eene wond doodelijk zal zijn of niet. Wij zijn allen sterfelijk, en verschijnselen doen zich soms voor bij eene geneeskundige behandeling, welke niet voorzien konden worden door de beroemdste beoefenaren van onze wetenschap.”„Maar gelooft gij dat hij in gevaar verkeert?” vroeg de andere.„In gevaar?” herhaalde de heelmeester. „Wel zeker! Wie van ons, die zelfs de meest volmaakte gezondheid geniet, kan buiten gevaar heeten? Zou men dan kunnen zeggen dat iemand met zulk eene zware wonde in het hoofd buiten gevaar is? Het meeste wat ik nu zeggen kan, is, dat het een geluk is, dat men mij inriep, en dat het welligt beter zou geweest zijn als men mij vroeger geroepen had. Ik zal hem morgen vroeg weder bij tijds komen zien, en inmiddels moet men hem heel stil houden en volop gersten-water laten drinken.”„Mag hij witten wijn, met melk gekookt, hebben?” vroeg de waardin.„Ja,—dat wel, als het maar heel slapjes is!” riep de dokter.„En een weinig kippensoep ook?” voegde zij er bij.„Ja, ja,” zei de dokter; „kippensoep is best voor hem.”„Mag ik ook wat gelei voor hem klaar maken?” vroeg de waardin.„Ja, ja,” hernam de dokter, „gelei is uitmuntend in het geval van wonden, want ze bevordert de cohesie.”En werkelijk, het was heel gelukkig dat zij niet van sterke soepen en pikante sousen sprak, want de dokter zou ja gezegd hebben bij alles, liever dan hare klandisie te verliezen.[63]Zoodra de heelmeester weg was, begon de waardin zijn lof aan den luitenant te verkondigen, die, na hunne korte kennismaking, volstrekt geene zoo gunstige meening opgevat had van zijne kennis als die welke de goede vrouw en de geheele buurt van hem had,—en misschien niet zonder grond,—want, hoewel, naar ik vrees, de dokter meer of minder een kwast was, kon hij desniettemin toch een uitstekende heelmeester zijn.De luitenant, uit het geleerde gesprek van den dokter opgemaakt hebbende dat de heer Jones zich in groot gevaar bevond, gaf bevel dat men den heer Northerton streng bewaken zou, met het voornemen om hem den volgenden morgen aan den vrederegter over te leveren, en om het overbrengen van het transport naar Gloucester toe te vertrouwen aan den Franschen luitenant, die, hoewel hij geen eene taal goed lezen, schrijven of spreken kon, toch een uitnemend officier was.’s Avonds zond onze kommandant ook een boodschap aan den heer Jones, om hem te doen weten, dat als een bezoek hem niet vermoeijen zou, hij gaarne zijne opwachting bij hem wilde maken. Deze beleefdheid werd dankbaar en gaarne door Jones aangenomen, en de luitenant ging dus naar boven, waar hij den gewonde veel beter vond dan hij gedacht had;—ja, Jones gaf zelfs zijn vriend te kennen, dat als hij geene stellige bevelen van den heelmeester ontvangen had om te blijven liggen, hij al lang geleden opgestaan zou zijn; want hij gevoelde zich volmaakt wel, en ondervond niets van de wond, dan wat pijn aan dien kant van het hoofd, waar de slag hem getroffen had.„Het zal me genoegen doen, als ge wezenlijk zoo wel zijt als ge u verbeeldt,” zei de luitenant; „want in dat geval, zult ge in staat zijn om u dadelijk voldoening te verschaffen; want als eene zaak niet meer bij te leggen is, zoo als een slag, bij voorbeeld, hoe eerder gij dan met uwe tegenpartij uitgaat hoe beter;—maar, ik vrees dat ge u verbeeldt beter te zijn dan werkelijk het geval is, en dat zou hem te veel voordeel op u geven.”„Ik zal het echter wagen, als het u belieft,” hernam Jones, „als gij maar zoo goed wilt wezen mij een degen te leenen; want ik heb er zelf geen bij me.”[64]„Mijn degen staat u ten dienste, dat verzeker ik u van ganscher harte, mijn waarde jongen,” riep de luitenant, hem omhelzende; „gij zijt een brave kerel en uw moed bevalt me; maar ik vrees voor uwe krachten; want zulk een slag en het bloedverlies moeten u zeer verzwakt hebben, en hoewel ge geen gemis aan krachten gevoelt zoo lang ge te bed ligt, zou dat toch wel het geval zijn, als ge met den degen in de vuist moest staan. Ik kan er niet in toestemmen dat ge heden avond met hem vecht, maar ik hoop, dat ge in staat zult wezen om ons binnen een paar dagen in te halen, en ik geef u mijn woord van eer dat ge voldoening zult hebben, of de man, die u beleedigd heeft, zal ons regiment verlaten.”„Ik zou toch zoo gaarne de zaak nog voor den nacht uitmaken,” zei Jones; „nu wij er eenmaal over gepraat hebben, zal ik geen oogenblik rust hebben.”„Wel, wel!” hernam de andere, „op een paar dagen komt het niet aan. De wonden der eer zijn niet als die van het ligchaam. Het doet geen kwaad dat zij op genezing moeten wachten. Het zal even goed zijn voor u over eene week voldoening te krijgen als nu.”„Maar,” zei Jones, „veronderstel eens dat mijn toestand verergerde en dat ik aan de gevolgen van mijne wond stierf!”„Dan is uwe eer toch gered,” hernam de luitenant. „Ik zelf zal zorg dragen, dat men u regt doet en voor de geheele wereld zal ik getuigen, dat gij u als man zoudt gedragen hebben als gij maar hersteld waart.”„Dit uitstel,” zei Jones, „bedroeft me toch! Ik durf het u, die soldaat zijt, haast niet zeggen; maar hoewel ik een zeer ligtzinnig jong mensch ben geweest, toch blijf ik, in ernstige oogenblikken, in mijn hart een christen.”„Dat ben ik ook,” hernam de andere; „zeker, en zoo van ganscher harte, dat het mij genoegen deed aan tafel u voor de godsdienst partij te zien trekken, en het spijt me nu eenigzins, jonge heer, dat gij vreezen zoudt voor wien ook te bekennen, dat gij een geloovige zijt.”„Maar hoe verschrikkelijk moet het toch zijn voor een waar christen,” riep Jones, „om wrok te koesteren in zijn hart, tegen het bevel in van hem die zoo iets bepaaldelijk verboden heeft. Hoe zal ik me kunnen verantwoorden, zoo[65]lang een dergelijk gevoelen in de diepte van mijn hart tegen mij pleit?”„Nu, ik geloof wel dat zoo iets in strijd is met de geboden,” zei de luitenant; „maar een man van eer kan zich daaraan niet storen. En man van eer moet ge zijn, als gij bij het leger wilt dienen. Ik herinner me die vraag eens onder een glas punsch aan onzen veldprediker gedaan te hebben, en hij bekende dat er nog al bezwaar in was om ze te beantwoorden; maar hij zeide, dat hij hoopte dat den krijgslieden in dit geval eene zekere vrijheid gelaten zou worden, en wezenlijk, het is pligt voor ons dat te hopen; want wie zou eerloos willen leven? Neen, neen, mijn beste jongen, blijf een goed christen zoo lang ge leeft; maar blijf ook man van eer, en duld nooit eenige beleediging;—alle boeken noch alle dominé’s ter wereld kunnen mij daartoe bewegen! Ik houd veel van mijne godsdienst, maar nog meer van mijne eer. Er moet eene vergissing zijn in de woorden van den tekst, of in de vertaling, of in de exegese, of ergens, of iets verkeerds zijn. Maar, hoe dat ook zij, de mensch moet de kans wagen; want zijne eer moet hem heilig wezen. Dus neem maar uwe rust heden nacht en ik beloof u de gelegenheid te verschaffen om voldoening te krijgen.”Hierop omhelsde hij Jones weder hartelijk, drukte hem de hand en verliet hem.Maar hoewel de redenering van den luitenant zeer overtuigend luidde voor hem zelven, was dit niet het geval met zijn vriend—en Jones, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, kwam eindelijk tot een besluit, dat den lezer in het volgende hoofdstuk medegedeeld zal worden.

Hoofdstuk XIII.Over de groote behendigheid van de waardin, de groote geleerdheid van den heelmeester, en de groote bedrevenheid van den waardigen luitenant op het punt van gewetensvragen.

Zoodra de gekwetste naar bed gebragt was, en al de drukte begon te bedaren, door dit ongeluk in het huis veroorzaakt,[59]sprak de waardin den bevelvoerenden officier aldus aan:„Ik vrees, mijnheer, dat die jongeling zich niet betamelijk gedragen heeft in het bijzijn der heeren en dat, als men hem doodgeslagen had, hij slechts zijn verdiend loon gekregen zou hebben; want, als mindere menschen in het gezelschap van hunne meerderen toegelaten worden, moesten zij nooit vergeten zich behoorlijk op een afstand te houden;—maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, er zijn er maar weinigen, die dat weten te doen. Wat mij betreft, ik weet zeker, dat ik nooit gewild zou hebben, dat zulk een mensch zich bij de heeren indrong; maar ik dacht dat hij ook officier was, tot de sergeant mij vertelde dat het slechts een rekruut was.”„Ge vergist u zeer, vrouwtje, omtrent de heele zaak,” antwoordde de luitenant. „De jonge heer gedroeg zich uitstekend goed, en is, geloof ik, een veel fatsoenlijker man dan de vaandrig, die hem tergde. Als de jongen sterft, zal diegene, die hem den slag toebragt, het zwaar te verantwoorden hebben;—ons regiment zal een zeer lastigen vent kwijt worden, die het leger tot schande strekt, en het zal mijne schuld niet wezen als hij aan de justitie ontsnapt;—dat verzeker ik u, jufvrouw!”„Wel! Wel! Heere mijn tijd!” riep de waardin, „wie zou zoo iets gedacht hebben? Ja, ja! Ik wil wel gelooven dat mijnheer zorgen zal dat het regt zijn loop heeft;—en dat is ook voor iedereen billijk. De groote heeren moeten ons, arm volk, niet doodslaan zonder het te verantwoorden. Een arm mensch heeft ook eene ziel, even goed als zijne meerderen!”„Wezenlijk, jufvrouw,” zei de luitenant, „ge doet den vrijwilliger groot onregt:—ik durf wedden dat hij fatsoenlijker man is dan de officier.”„Juist!” hernam de waardin;—„precies! Ziet u, mijn eerste man, dat was ook een verstandig mensch, en hij plagt te zeggen dat men het innerlijk niet altijd naar het uiterlijk beoordeelen kan. Ja, en dat was ook hier welligt gunstig; want ik zag hem in ’t geheel niet tot hij daar in zijn bloed lag! Wie had zich zoo iets kunnen verbeelden! Welligt een jonge heer die eene ongelukkige liefde[60]gehad heeft. Goede hemel! Als hij kwam te sterven, wat zou dat een leed zijn voor zijne ouders! Wel! die hem zoo mishandeld heeft, moet door den duivel bezeten zijn! Ja, mijnheer heeft gelijk; hij onteert het leger! De meeste heeren van het leger die ik ooit gezien heb, zijn ’n heel ander slag van menschen, en zien er uit als of zij zich schamen zouden een christenmensch te vermoorden; dat wil zeggen zoo buiten den oorlog, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen. ’t Is waar, als het oorlog is, moet er bloedvergieten zijn;—maar dat kunnen zij niet helpen. Hoe meer van onze vijanden zij dan dooden hoe beter, en ik wou maar van ganscher harte dat zij ze allen dood sloegen, tot den laatsten man toe!”„Wel, foei, jufvrouw!” zei de luitenant, met een glimlach: „dat is wat al te bloeddorstig!”„Volstrekt niet, mijnheer!” hernam zij. „Ik ben volstrekt niet bloeddorstig, behalve ten opzigte onzer vijanden en dat kan toch geen kwaad. ’t Is toch maar natuurlijk in een mensch te wenschen dat zijne vijanden dood waren, en dat er een einde aan den oorlog kome en dat de belastingen verminderen;—want het is verschrikkelijk zoo als wij nu betalen moeten! Ja, meer dan veertig shillings voor de ramen en vensters, ofschoon wij alles digtgemaakt hebben wat we maar missen konden;—wij hebben wezenlijk het huis half donker gemaakt; en ik zei tot den taxateur:—Vriend, zei ik, ons moest ge wel iets door de vingers zien; want wij zijn trouwe aanhangers van het bestuur, dat is waar; en wij betalen een schat van geld. En toch denk ik dikwerf zoo bij mij zelve, het gouvernement schijnt niet meer om ons te geven dan om anderen die geen duit betalen. Ja, ja! zoo gaat het in de wereld!”Zij was nog in dezen trant aan den gang toen de heelmeester binnen trad. De luitenant vroeg dadelijk hoe de patient het maakte? Het eenige bescheid dat hij kreeg, luidde: „Beter, geloof ik, dan hij zich thans bevinden zou, als men mij niet ingeroepen had, en het zou misschien, zelfs nu, beter voor hem geweest zijn als men mij vroeger geroepen had.”„Ik hoop toch, mijnheer, dat de schedel niet gebroken is?” riep de luitenant.[61]„Hm!” hernam de heelmeester. „Breuken zijn niet altijd de gevaarlijkste zaken. Kneuzingen en gescheurde wonden gaan dikwerf vergezeld van ergere verschijnselen en nog noodlottiger gevolgen dan breuken. Menschen, die niets van de zaak begrijpen, verbeelden zich, dat als er geen beenbreuk is, er ook geen gevaar bestaat; terwijl ik liever eens menschen schedel geheel stuk geslagen zou zien, dan op sommige wijzen, zoo als ik gezien heb, gekneusd.”„Ik vertrouw toch dat er geene verschijnselen van dien aard nu te duchten zijn?” vroeg de luitenant.„De verschijnselen,” hernam de heelmeester, „zijn niet altijd standvastig en geregeld. Ik heb wel eens gezien dat de ongunstigste verschijnselen ’s morgens dikwerf ’s middags gunstig werden en ’s avonds weder hoogst ongunstig. Van wonden, inderdaad, zegt men te regt: „Nemo repente turpissimus fuit.” Ik herinner me eens geroepen te zijn bij een patient, die lijdende was aan eene geweldige kneuzing van detibia, waarbij decutisaan de oppervlakte gescheurd was, zoodat er eene ruime bloedontlasting volgde en de inwendige weefselen zoodanig beleedigd waren dat hetos, of het been, zeer duidelijk zigtbaar was tusschen de lippen van hetvulnus, of de wond. Daar er zich tevens eene koortsachtige aandoening vertoonde,—want de pols was hard en gaf eene sterke verbloeding te kennen, vreesde ik dat zichonmiddellijkkoudvuur voordoen zou. Om dit te voorkomen, maakte ik dadelijk eene groote opening in de ader van den linker arm; waaruit ik twintig ons bloed aftapte, wat ik verwacht had zeer dun en geleiachtig, of liever, geheel verstijfd te vinden;—hetgeen het geval is bijpleurisen dergelijke ziekten; maar tot mijne groote verwondering, was het rood en frisch en de dikte er van verschilde slechts zeer weinig van die van het bloed van een volmaakt gezond mensch. Ik ging er toe over om eene pap op de gewonde plaats te leggen, wat zeer aan mijne verwachtingen voldeed en na de eerste drie of vier verbanden, begon de wond een dikkepus, of etter te ontlasten, waardoor de cohesie;—maar welligt maak ik me niet geheel en al verstaanbaar?”„Neen,” hernam de luitenant, „dat is waar. Ik kan niet zeggen dat ik er iets van begrijp.”[62]„Nu, mijnheer, dan zal ik uw geduld niet op de proef stellen. Met een woord, binnen de zes weken was mijn patient in staat even goed de beenen te gebruiken als voor dat hij de kneuzing gekregen had.”„Ik zou u toch willen verzoeken, mijnheer,” zei de luitenant, „de beleefdheid te hebben mij te zeggen of de wond van dezen jongen heer doodelijk zal zijn of niet?”„Mijnheer,” hernam de heelmeester, „het zou dwaze en vermetele verwaandheid zijn, als men bij het leggen van het eerste verband zeggen wilde dat eene wond doodelijk zal zijn of niet. Wij zijn allen sterfelijk, en verschijnselen doen zich soms voor bij eene geneeskundige behandeling, welke niet voorzien konden worden door de beroemdste beoefenaren van onze wetenschap.”„Maar gelooft gij dat hij in gevaar verkeert?” vroeg de andere.„In gevaar?” herhaalde de heelmeester. „Wel zeker! Wie van ons, die zelfs de meest volmaakte gezondheid geniet, kan buiten gevaar heeten? Zou men dan kunnen zeggen dat iemand met zulk eene zware wonde in het hoofd buiten gevaar is? Het meeste wat ik nu zeggen kan, is, dat het een geluk is, dat men mij inriep, en dat het welligt beter zou geweest zijn als men mij vroeger geroepen had. Ik zal hem morgen vroeg weder bij tijds komen zien, en inmiddels moet men hem heel stil houden en volop gersten-water laten drinken.”„Mag hij witten wijn, met melk gekookt, hebben?” vroeg de waardin.„Ja,—dat wel, als het maar heel slapjes is!” riep de dokter.„En een weinig kippensoep ook?” voegde zij er bij.„Ja, ja,” zei de dokter; „kippensoep is best voor hem.”„Mag ik ook wat gelei voor hem klaar maken?” vroeg de waardin.„Ja, ja,” hernam de dokter, „gelei is uitmuntend in het geval van wonden, want ze bevordert de cohesie.”En werkelijk, het was heel gelukkig dat zij niet van sterke soepen en pikante sousen sprak, want de dokter zou ja gezegd hebben bij alles, liever dan hare klandisie te verliezen.[63]Zoodra de heelmeester weg was, begon de waardin zijn lof aan den luitenant te verkondigen, die, na hunne korte kennismaking, volstrekt geene zoo gunstige meening opgevat had van zijne kennis als die welke de goede vrouw en de geheele buurt van hem had,—en misschien niet zonder grond,—want, hoewel, naar ik vrees, de dokter meer of minder een kwast was, kon hij desniettemin toch een uitstekende heelmeester zijn.De luitenant, uit het geleerde gesprek van den dokter opgemaakt hebbende dat de heer Jones zich in groot gevaar bevond, gaf bevel dat men den heer Northerton streng bewaken zou, met het voornemen om hem den volgenden morgen aan den vrederegter over te leveren, en om het overbrengen van het transport naar Gloucester toe te vertrouwen aan den Franschen luitenant, die, hoewel hij geen eene taal goed lezen, schrijven of spreken kon, toch een uitnemend officier was.’s Avonds zond onze kommandant ook een boodschap aan den heer Jones, om hem te doen weten, dat als een bezoek hem niet vermoeijen zou, hij gaarne zijne opwachting bij hem wilde maken. Deze beleefdheid werd dankbaar en gaarne door Jones aangenomen, en de luitenant ging dus naar boven, waar hij den gewonde veel beter vond dan hij gedacht had;—ja, Jones gaf zelfs zijn vriend te kennen, dat als hij geene stellige bevelen van den heelmeester ontvangen had om te blijven liggen, hij al lang geleden opgestaan zou zijn; want hij gevoelde zich volmaakt wel, en ondervond niets van de wond, dan wat pijn aan dien kant van het hoofd, waar de slag hem getroffen had.„Het zal me genoegen doen, als ge wezenlijk zoo wel zijt als ge u verbeeldt,” zei de luitenant; „want in dat geval, zult ge in staat zijn om u dadelijk voldoening te verschaffen; want als eene zaak niet meer bij te leggen is, zoo als een slag, bij voorbeeld, hoe eerder gij dan met uwe tegenpartij uitgaat hoe beter;—maar, ik vrees dat ge u verbeeldt beter te zijn dan werkelijk het geval is, en dat zou hem te veel voordeel op u geven.”„Ik zal het echter wagen, als het u belieft,” hernam Jones, „als gij maar zoo goed wilt wezen mij een degen te leenen; want ik heb er zelf geen bij me.”[64]„Mijn degen staat u ten dienste, dat verzeker ik u van ganscher harte, mijn waarde jongen,” riep de luitenant, hem omhelzende; „gij zijt een brave kerel en uw moed bevalt me; maar ik vrees voor uwe krachten; want zulk een slag en het bloedverlies moeten u zeer verzwakt hebben, en hoewel ge geen gemis aan krachten gevoelt zoo lang ge te bed ligt, zou dat toch wel het geval zijn, als ge met den degen in de vuist moest staan. Ik kan er niet in toestemmen dat ge heden avond met hem vecht, maar ik hoop, dat ge in staat zult wezen om ons binnen een paar dagen in te halen, en ik geef u mijn woord van eer dat ge voldoening zult hebben, of de man, die u beleedigd heeft, zal ons regiment verlaten.”„Ik zou toch zoo gaarne de zaak nog voor den nacht uitmaken,” zei Jones; „nu wij er eenmaal over gepraat hebben, zal ik geen oogenblik rust hebben.”„Wel, wel!” hernam de andere, „op een paar dagen komt het niet aan. De wonden der eer zijn niet als die van het ligchaam. Het doet geen kwaad dat zij op genezing moeten wachten. Het zal even goed zijn voor u over eene week voldoening te krijgen als nu.”„Maar,” zei Jones, „veronderstel eens dat mijn toestand verergerde en dat ik aan de gevolgen van mijne wond stierf!”„Dan is uwe eer toch gered,” hernam de luitenant. „Ik zelf zal zorg dragen, dat men u regt doet en voor de geheele wereld zal ik getuigen, dat gij u als man zoudt gedragen hebben als gij maar hersteld waart.”„Dit uitstel,” zei Jones, „bedroeft me toch! Ik durf het u, die soldaat zijt, haast niet zeggen; maar hoewel ik een zeer ligtzinnig jong mensch ben geweest, toch blijf ik, in ernstige oogenblikken, in mijn hart een christen.”„Dat ben ik ook,” hernam de andere; „zeker, en zoo van ganscher harte, dat het mij genoegen deed aan tafel u voor de godsdienst partij te zien trekken, en het spijt me nu eenigzins, jonge heer, dat gij vreezen zoudt voor wien ook te bekennen, dat gij een geloovige zijt.”„Maar hoe verschrikkelijk moet het toch zijn voor een waar christen,” riep Jones, „om wrok te koesteren in zijn hart, tegen het bevel in van hem die zoo iets bepaaldelijk verboden heeft. Hoe zal ik me kunnen verantwoorden, zoo[65]lang een dergelijk gevoelen in de diepte van mijn hart tegen mij pleit?”„Nu, ik geloof wel dat zoo iets in strijd is met de geboden,” zei de luitenant; „maar een man van eer kan zich daaraan niet storen. En man van eer moet ge zijn, als gij bij het leger wilt dienen. Ik herinner me die vraag eens onder een glas punsch aan onzen veldprediker gedaan te hebben, en hij bekende dat er nog al bezwaar in was om ze te beantwoorden; maar hij zeide, dat hij hoopte dat den krijgslieden in dit geval eene zekere vrijheid gelaten zou worden, en wezenlijk, het is pligt voor ons dat te hopen; want wie zou eerloos willen leven? Neen, neen, mijn beste jongen, blijf een goed christen zoo lang ge leeft; maar blijf ook man van eer, en duld nooit eenige beleediging;—alle boeken noch alle dominé’s ter wereld kunnen mij daartoe bewegen! Ik houd veel van mijne godsdienst, maar nog meer van mijne eer. Er moet eene vergissing zijn in de woorden van den tekst, of in de vertaling, of in de exegese, of ergens, of iets verkeerds zijn. Maar, hoe dat ook zij, de mensch moet de kans wagen; want zijne eer moet hem heilig wezen. Dus neem maar uwe rust heden nacht en ik beloof u de gelegenheid te verschaffen om voldoening te krijgen.”Hierop omhelsde hij Jones weder hartelijk, drukte hem de hand en verliet hem.Maar hoewel de redenering van den luitenant zeer overtuigend luidde voor hem zelven, was dit niet het geval met zijn vriend—en Jones, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, kwam eindelijk tot een besluit, dat den lezer in het volgende hoofdstuk medegedeeld zal worden.

Zoodra de gekwetste naar bed gebragt was, en al de drukte begon te bedaren, door dit ongeluk in het huis veroorzaakt,[59]sprak de waardin den bevelvoerenden officier aldus aan:

„Ik vrees, mijnheer, dat die jongeling zich niet betamelijk gedragen heeft in het bijzijn der heeren en dat, als men hem doodgeslagen had, hij slechts zijn verdiend loon gekregen zou hebben; want, als mindere menschen in het gezelschap van hunne meerderen toegelaten worden, moesten zij nooit vergeten zich behoorlijk op een afstand te houden;—maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, er zijn er maar weinigen, die dat weten te doen. Wat mij betreft, ik weet zeker, dat ik nooit gewild zou hebben, dat zulk een mensch zich bij de heeren indrong; maar ik dacht dat hij ook officier was, tot de sergeant mij vertelde dat het slechts een rekruut was.”

„Ge vergist u zeer, vrouwtje, omtrent de heele zaak,” antwoordde de luitenant. „De jonge heer gedroeg zich uitstekend goed, en is, geloof ik, een veel fatsoenlijker man dan de vaandrig, die hem tergde. Als de jongen sterft, zal diegene, die hem den slag toebragt, het zwaar te verantwoorden hebben;—ons regiment zal een zeer lastigen vent kwijt worden, die het leger tot schande strekt, en het zal mijne schuld niet wezen als hij aan de justitie ontsnapt;—dat verzeker ik u, jufvrouw!”

„Wel! Wel! Heere mijn tijd!” riep de waardin, „wie zou zoo iets gedacht hebben? Ja, ja! Ik wil wel gelooven dat mijnheer zorgen zal dat het regt zijn loop heeft;—en dat is ook voor iedereen billijk. De groote heeren moeten ons, arm volk, niet doodslaan zonder het te verantwoorden. Een arm mensch heeft ook eene ziel, even goed als zijne meerderen!”

„Wezenlijk, jufvrouw,” zei de luitenant, „ge doet den vrijwilliger groot onregt:—ik durf wedden dat hij fatsoenlijker man is dan de officier.”

„Juist!” hernam de waardin;—„precies! Ziet u, mijn eerste man, dat was ook een verstandig mensch, en hij plagt te zeggen dat men het innerlijk niet altijd naar het uiterlijk beoordeelen kan. Ja, en dat was ook hier welligt gunstig; want ik zag hem in ’t geheel niet tot hij daar in zijn bloed lag! Wie had zich zoo iets kunnen verbeelden! Welligt een jonge heer die eene ongelukkige liefde[60]gehad heeft. Goede hemel! Als hij kwam te sterven, wat zou dat een leed zijn voor zijne ouders! Wel! die hem zoo mishandeld heeft, moet door den duivel bezeten zijn! Ja, mijnheer heeft gelijk; hij onteert het leger! De meeste heeren van het leger die ik ooit gezien heb, zijn ’n heel ander slag van menschen, en zien er uit als of zij zich schamen zouden een christenmensch te vermoorden; dat wil zeggen zoo buiten den oorlog, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen. ’t Is waar, als het oorlog is, moet er bloedvergieten zijn;—maar dat kunnen zij niet helpen. Hoe meer van onze vijanden zij dan dooden hoe beter, en ik wou maar van ganscher harte dat zij ze allen dood sloegen, tot den laatsten man toe!”

„Wel, foei, jufvrouw!” zei de luitenant, met een glimlach: „dat is wat al te bloeddorstig!”

„Volstrekt niet, mijnheer!” hernam zij. „Ik ben volstrekt niet bloeddorstig, behalve ten opzigte onzer vijanden en dat kan toch geen kwaad. ’t Is toch maar natuurlijk in een mensch te wenschen dat zijne vijanden dood waren, en dat er een einde aan den oorlog kome en dat de belastingen verminderen;—want het is verschrikkelijk zoo als wij nu betalen moeten! Ja, meer dan veertig shillings voor de ramen en vensters, ofschoon wij alles digtgemaakt hebben wat we maar missen konden;—wij hebben wezenlijk het huis half donker gemaakt; en ik zei tot den taxateur:—Vriend, zei ik, ons moest ge wel iets door de vingers zien; want wij zijn trouwe aanhangers van het bestuur, dat is waar; en wij betalen een schat van geld. En toch denk ik dikwerf zoo bij mij zelve, het gouvernement schijnt niet meer om ons te geven dan om anderen die geen duit betalen. Ja, ja! zoo gaat het in de wereld!”

Zij was nog in dezen trant aan den gang toen de heelmeester binnen trad. De luitenant vroeg dadelijk hoe de patient het maakte? Het eenige bescheid dat hij kreeg, luidde: „Beter, geloof ik, dan hij zich thans bevinden zou, als men mij niet ingeroepen had, en het zou misschien, zelfs nu, beter voor hem geweest zijn als men mij vroeger geroepen had.”

„Ik hoop toch, mijnheer, dat de schedel niet gebroken is?” riep de luitenant.[61]

„Hm!” hernam de heelmeester. „Breuken zijn niet altijd de gevaarlijkste zaken. Kneuzingen en gescheurde wonden gaan dikwerf vergezeld van ergere verschijnselen en nog noodlottiger gevolgen dan breuken. Menschen, die niets van de zaak begrijpen, verbeelden zich, dat als er geen beenbreuk is, er ook geen gevaar bestaat; terwijl ik liever eens menschen schedel geheel stuk geslagen zou zien, dan op sommige wijzen, zoo als ik gezien heb, gekneusd.”

„Ik vertrouw toch dat er geene verschijnselen van dien aard nu te duchten zijn?” vroeg de luitenant.

„De verschijnselen,” hernam de heelmeester, „zijn niet altijd standvastig en geregeld. Ik heb wel eens gezien dat de ongunstigste verschijnselen ’s morgens dikwerf ’s middags gunstig werden en ’s avonds weder hoogst ongunstig. Van wonden, inderdaad, zegt men te regt: „Nemo repente turpissimus fuit.” Ik herinner me eens geroepen te zijn bij een patient, die lijdende was aan eene geweldige kneuzing van detibia, waarbij decutisaan de oppervlakte gescheurd was, zoodat er eene ruime bloedontlasting volgde en de inwendige weefselen zoodanig beleedigd waren dat hetos, of het been, zeer duidelijk zigtbaar was tusschen de lippen van hetvulnus, of de wond. Daar er zich tevens eene koortsachtige aandoening vertoonde,—want de pols was hard en gaf eene sterke verbloeding te kennen, vreesde ik dat zichonmiddellijkkoudvuur voordoen zou. Om dit te voorkomen, maakte ik dadelijk eene groote opening in de ader van den linker arm; waaruit ik twintig ons bloed aftapte, wat ik verwacht had zeer dun en geleiachtig, of liever, geheel verstijfd te vinden;—hetgeen het geval is bijpleurisen dergelijke ziekten; maar tot mijne groote verwondering, was het rood en frisch en de dikte er van verschilde slechts zeer weinig van die van het bloed van een volmaakt gezond mensch. Ik ging er toe over om eene pap op de gewonde plaats te leggen, wat zeer aan mijne verwachtingen voldeed en na de eerste drie of vier verbanden, begon de wond een dikkepus, of etter te ontlasten, waardoor de cohesie;—maar welligt maak ik me niet geheel en al verstaanbaar?”

„Neen,” hernam de luitenant, „dat is waar. Ik kan niet zeggen dat ik er iets van begrijp.”[62]

„Nu, mijnheer, dan zal ik uw geduld niet op de proef stellen. Met een woord, binnen de zes weken was mijn patient in staat even goed de beenen te gebruiken als voor dat hij de kneuzing gekregen had.”

„Ik zou u toch willen verzoeken, mijnheer,” zei de luitenant, „de beleefdheid te hebben mij te zeggen of de wond van dezen jongen heer doodelijk zal zijn of niet?”

„Mijnheer,” hernam de heelmeester, „het zou dwaze en vermetele verwaandheid zijn, als men bij het leggen van het eerste verband zeggen wilde dat eene wond doodelijk zal zijn of niet. Wij zijn allen sterfelijk, en verschijnselen doen zich soms voor bij eene geneeskundige behandeling, welke niet voorzien konden worden door de beroemdste beoefenaren van onze wetenschap.”

„Maar gelooft gij dat hij in gevaar verkeert?” vroeg de andere.

„In gevaar?” herhaalde de heelmeester. „Wel zeker! Wie van ons, die zelfs de meest volmaakte gezondheid geniet, kan buiten gevaar heeten? Zou men dan kunnen zeggen dat iemand met zulk eene zware wonde in het hoofd buiten gevaar is? Het meeste wat ik nu zeggen kan, is, dat het een geluk is, dat men mij inriep, en dat het welligt beter zou geweest zijn als men mij vroeger geroepen had. Ik zal hem morgen vroeg weder bij tijds komen zien, en inmiddels moet men hem heel stil houden en volop gersten-water laten drinken.”

„Mag hij witten wijn, met melk gekookt, hebben?” vroeg de waardin.

„Ja,—dat wel, als het maar heel slapjes is!” riep de dokter.

„En een weinig kippensoep ook?” voegde zij er bij.

„Ja, ja,” zei de dokter; „kippensoep is best voor hem.”

„Mag ik ook wat gelei voor hem klaar maken?” vroeg de waardin.

„Ja, ja,” hernam de dokter, „gelei is uitmuntend in het geval van wonden, want ze bevordert de cohesie.”

En werkelijk, het was heel gelukkig dat zij niet van sterke soepen en pikante sousen sprak, want de dokter zou ja gezegd hebben bij alles, liever dan hare klandisie te verliezen.[63]

Zoodra de heelmeester weg was, begon de waardin zijn lof aan den luitenant te verkondigen, die, na hunne korte kennismaking, volstrekt geene zoo gunstige meening opgevat had van zijne kennis als die welke de goede vrouw en de geheele buurt van hem had,—en misschien niet zonder grond,—want, hoewel, naar ik vrees, de dokter meer of minder een kwast was, kon hij desniettemin toch een uitstekende heelmeester zijn.

De luitenant, uit het geleerde gesprek van den dokter opgemaakt hebbende dat de heer Jones zich in groot gevaar bevond, gaf bevel dat men den heer Northerton streng bewaken zou, met het voornemen om hem den volgenden morgen aan den vrederegter over te leveren, en om het overbrengen van het transport naar Gloucester toe te vertrouwen aan den Franschen luitenant, die, hoewel hij geen eene taal goed lezen, schrijven of spreken kon, toch een uitnemend officier was.

’s Avonds zond onze kommandant ook een boodschap aan den heer Jones, om hem te doen weten, dat als een bezoek hem niet vermoeijen zou, hij gaarne zijne opwachting bij hem wilde maken. Deze beleefdheid werd dankbaar en gaarne door Jones aangenomen, en de luitenant ging dus naar boven, waar hij den gewonde veel beter vond dan hij gedacht had;—ja, Jones gaf zelfs zijn vriend te kennen, dat als hij geene stellige bevelen van den heelmeester ontvangen had om te blijven liggen, hij al lang geleden opgestaan zou zijn; want hij gevoelde zich volmaakt wel, en ondervond niets van de wond, dan wat pijn aan dien kant van het hoofd, waar de slag hem getroffen had.

„Het zal me genoegen doen, als ge wezenlijk zoo wel zijt als ge u verbeeldt,” zei de luitenant; „want in dat geval, zult ge in staat zijn om u dadelijk voldoening te verschaffen; want als eene zaak niet meer bij te leggen is, zoo als een slag, bij voorbeeld, hoe eerder gij dan met uwe tegenpartij uitgaat hoe beter;—maar, ik vrees dat ge u verbeeldt beter te zijn dan werkelijk het geval is, en dat zou hem te veel voordeel op u geven.”

„Ik zal het echter wagen, als het u belieft,” hernam Jones, „als gij maar zoo goed wilt wezen mij een degen te leenen; want ik heb er zelf geen bij me.”[64]

„Mijn degen staat u ten dienste, dat verzeker ik u van ganscher harte, mijn waarde jongen,” riep de luitenant, hem omhelzende; „gij zijt een brave kerel en uw moed bevalt me; maar ik vrees voor uwe krachten; want zulk een slag en het bloedverlies moeten u zeer verzwakt hebben, en hoewel ge geen gemis aan krachten gevoelt zoo lang ge te bed ligt, zou dat toch wel het geval zijn, als ge met den degen in de vuist moest staan. Ik kan er niet in toestemmen dat ge heden avond met hem vecht, maar ik hoop, dat ge in staat zult wezen om ons binnen een paar dagen in te halen, en ik geef u mijn woord van eer dat ge voldoening zult hebben, of de man, die u beleedigd heeft, zal ons regiment verlaten.”

„Ik zou toch zoo gaarne de zaak nog voor den nacht uitmaken,” zei Jones; „nu wij er eenmaal over gepraat hebben, zal ik geen oogenblik rust hebben.”

„Wel, wel!” hernam de andere, „op een paar dagen komt het niet aan. De wonden der eer zijn niet als die van het ligchaam. Het doet geen kwaad dat zij op genezing moeten wachten. Het zal even goed zijn voor u over eene week voldoening te krijgen als nu.”

„Maar,” zei Jones, „veronderstel eens dat mijn toestand verergerde en dat ik aan de gevolgen van mijne wond stierf!”

„Dan is uwe eer toch gered,” hernam de luitenant. „Ik zelf zal zorg dragen, dat men u regt doet en voor de geheele wereld zal ik getuigen, dat gij u als man zoudt gedragen hebben als gij maar hersteld waart.”

„Dit uitstel,” zei Jones, „bedroeft me toch! Ik durf het u, die soldaat zijt, haast niet zeggen; maar hoewel ik een zeer ligtzinnig jong mensch ben geweest, toch blijf ik, in ernstige oogenblikken, in mijn hart een christen.”

„Dat ben ik ook,” hernam de andere; „zeker, en zoo van ganscher harte, dat het mij genoegen deed aan tafel u voor de godsdienst partij te zien trekken, en het spijt me nu eenigzins, jonge heer, dat gij vreezen zoudt voor wien ook te bekennen, dat gij een geloovige zijt.”

„Maar hoe verschrikkelijk moet het toch zijn voor een waar christen,” riep Jones, „om wrok te koesteren in zijn hart, tegen het bevel in van hem die zoo iets bepaaldelijk verboden heeft. Hoe zal ik me kunnen verantwoorden, zoo[65]lang een dergelijk gevoelen in de diepte van mijn hart tegen mij pleit?”

„Nu, ik geloof wel dat zoo iets in strijd is met de geboden,” zei de luitenant; „maar een man van eer kan zich daaraan niet storen. En man van eer moet ge zijn, als gij bij het leger wilt dienen. Ik herinner me die vraag eens onder een glas punsch aan onzen veldprediker gedaan te hebben, en hij bekende dat er nog al bezwaar in was om ze te beantwoorden; maar hij zeide, dat hij hoopte dat den krijgslieden in dit geval eene zekere vrijheid gelaten zou worden, en wezenlijk, het is pligt voor ons dat te hopen; want wie zou eerloos willen leven? Neen, neen, mijn beste jongen, blijf een goed christen zoo lang ge leeft; maar blijf ook man van eer, en duld nooit eenige beleediging;—alle boeken noch alle dominé’s ter wereld kunnen mij daartoe bewegen! Ik houd veel van mijne godsdienst, maar nog meer van mijne eer. Er moet eene vergissing zijn in de woorden van den tekst, of in de vertaling, of in de exegese, of ergens, of iets verkeerds zijn. Maar, hoe dat ook zij, de mensch moet de kans wagen; want zijne eer moet hem heilig wezen. Dus neem maar uwe rust heden nacht en ik beloof u de gelegenheid te verschaffen om voldoening te krijgen.”

Hierop omhelsde hij Jones weder hartelijk, drukte hem de hand en verliet hem.

Maar hoewel de redenering van den luitenant zeer overtuigend luidde voor hem zelven, was dit niet het geval met zijn vriend—en Jones, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, kwam eindelijk tot een besluit, dat den lezer in het volgende hoofdstuk medegedeeld zal worden.

[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Een zeer verschrikkelijk hoofdstuk, dat weinigen lezers geraden is des avonds te lezen, vooral als zij alleen zitten.Jones verslond een groote kom vol kippen-, of liever hanen-soep, met den meesten eetlust, en zou inderdaad[66]den haan zelven, met een pond spek er bij, gaarne opgegeten hebben; en daarop bevindende, dat het hem noch aan gezondheid noch aan moed ontbrak, besloot hij om op te staan en zijn vijand te gaan zoeken.Eerst echter zond hij om den sergeant, zijne oudste kennis onder de militairen. Ongelukkig had die waardige onderofficier wat al te veel gedronken, en was sedert eenigen tijd naar bed gegaan, waar hij zoo hard snorkte dat het niet gemakkelijk viel een geluid in zijne ooren ingang te doen vinden, dat hoorbaarder was dan dat hetwelk uit zijne neusgaten kwam.Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep, stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze gril van den zieke.[67]„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat, gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem verzocht den prijs daarvan te noemen.De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden. Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs stellen op het gevest dan op de kling.”Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet goedkooper laten zou.„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was, en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide: „Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij moet ook[68]bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintigshillingste veel is.”„Twintigshillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig guinjes!”„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintigshillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan krijgen,—maar—”Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan, en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te halen eer zij Worcester bereikt hadden.De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan, zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te berooven, of om zelf het zijne te verliezen.„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel, in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en mishandeld heeft, zonder[69]eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep, behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts. Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt neder.Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed, echter, had hij het geluk om mis te schieten.Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst, en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl[70]hij volstrekt niet aan het gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij, zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar, gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde strekken.Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had, volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar met belangstelling vragende, wat er te doen was?Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die hem aanpakten,[71]maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten; want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook, herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet, en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat hem scheelde, antwoordde hij:„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu, met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem verdwenen was.Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden. Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt en droomt!”De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende als fakkels!”De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan, hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst[72]uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden gaan.De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken; maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was. En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.

Hoofdstuk XIV.Een zeer verschrikkelijk hoofdstuk, dat weinigen lezers geraden is des avonds te lezen, vooral als zij alleen zitten.

Jones verslond een groote kom vol kippen-, of liever hanen-soep, met den meesten eetlust, en zou inderdaad[66]den haan zelven, met een pond spek er bij, gaarne opgegeten hebben; en daarop bevindende, dat het hem noch aan gezondheid noch aan moed ontbrak, besloot hij om op te staan en zijn vijand te gaan zoeken.Eerst echter zond hij om den sergeant, zijne oudste kennis onder de militairen. Ongelukkig had die waardige onderofficier wat al te veel gedronken, en was sedert eenigen tijd naar bed gegaan, waar hij zoo hard snorkte dat het niet gemakkelijk viel een geluid in zijne ooren ingang te doen vinden, dat hoorbaarder was dan dat hetwelk uit zijne neusgaten kwam.Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep, stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze gril van den zieke.[67]„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat, gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem verzocht den prijs daarvan te noemen.De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden. Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs stellen op het gevest dan op de kling.”Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet goedkooper laten zou.„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was, en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide: „Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij moet ook[68]bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintigshillingste veel is.”„Twintigshillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig guinjes!”„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintigshillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan krijgen,—maar—”Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan, en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te halen eer zij Worcester bereikt hadden.De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan, zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te berooven, of om zelf het zijne te verliezen.„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel, in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en mishandeld heeft, zonder[69]eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep, behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts. Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt neder.Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed, echter, had hij het geluk om mis te schieten.Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst, en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl[70]hij volstrekt niet aan het gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij, zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar, gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde strekken.Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had, volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar met belangstelling vragende, wat er te doen was?Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die hem aanpakten,[71]maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten; want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook, herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet, en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat hem scheelde, antwoordde hij:„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu, met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem verdwenen was.Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden. Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt en droomt!”De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende als fakkels!”De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan, hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst[72]uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden gaan.De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken; maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was. En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.

Jones verslond een groote kom vol kippen-, of liever hanen-soep, met den meesten eetlust, en zou inderdaad[66]den haan zelven, met een pond spek er bij, gaarne opgegeten hebben; en daarop bevindende, dat het hem noch aan gezondheid noch aan moed ontbrak, besloot hij om op te staan en zijn vijand te gaan zoeken.

Eerst echter zond hij om den sergeant, zijne oudste kennis onder de militairen. Ongelukkig had die waardige onderofficier wat al te veel gedronken, en was sedert eenigen tijd naar bed gegaan, waar hij zoo hard snorkte dat het niet gemakkelijk viel een geluid in zijne ooren ingang te doen vinden, dat hoorbaarder was dan dat hetwelk uit zijne neusgaten kwam.

Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep, stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.

Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.

„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”

De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze gril van den zieke.[67]

„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat, gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”

Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem verzocht den prijs daarvan te noemen.

De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden. Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs stellen op het gevest dan op de kling.”

Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet goedkooper laten zou.

„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”

De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was, en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide: „Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij moet ook[68]bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintigshillingste veel is.”

„Twintigshillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig guinjes!”

„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintigshillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan krijgen,—maar—”

Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”

Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan, en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te halen eer zij Worcester bereikt hadden.

De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.

Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan, zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te berooven, of om zelf het zijne te verliezen.

„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel, in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en mishandeld heeft, zonder[69]eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”

De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep, behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.

Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts. Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt neder.

Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed, echter, had hij het geluk om mis te schieten.

Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst, en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl[70]hij volstrekt niet aan het gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij, zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar, gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.

Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde strekken.

Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had, volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar met belangstelling vragende, wat er te doen was?

Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die hem aanpakten,[71]maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten; want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook, herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.

Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet, en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat hem scheelde, antwoordde hij:

„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”

„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.

„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu, met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem verdwenen was.

Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden. Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:

„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt en droomt!”

De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende als fakkels!”

De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan, hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst[72]uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden gaan.

De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken; maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.

Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was. En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.


Back to IndexNext