Hoofdstuk XIV.

[Inhoud]Hoofdstuk XIV.De aankomst van een heelmeester. Zijne operatiën en een lang gesprek tusschen Sophia en hare kamenier.Zoodra zij bij den heer Western in huis traden, zeeg Sophia, die slechts met groote inspanning zich zoo lang goed gehouden had, op een stoel neder; maar, door het gebruik van hartshoorn en water werd eene onmagt voorkomen, en zij was bijkans geheel hersteld, toen de heelmeester, om wien men gezonden had om Jones bijtestaan, verscheen.De heer Western, die al deze verschijnselen bij zijne dochter toegeschreven had aan de gevolgen van haar val van het paard, gaf haar den raad zich dadelijk te doen aderlaten, om nog grooter onheil te voorkomen. In dit gevoelen werd hij ondersteund door den heelmeester, die zoovele redenen daarvoor aanvoerde en zoovele gevallen opsomde van miskramen, alleen omdat men het aderlaten verzuimd had, dat de landjonker zeer lastig werd op dat punt en inderdaad ten stelligste eischte, dat zijne dochter zich wat bloed zou laten afnemen.Sophia bezweek weldra voor de bevelen van haar vader,[176]hoewel die geheel in strijd waren met hare eigene overtuiging, want zij vreesde, naar ik vermoed, veel minder erge gevolgen van den schrik dan haar vader of de geneesheer.Zij strekte dus den schoonen arm uit en de heelmeester begon zich voor zijn werk gereed te maken.Terwijl de dienstboden bezig waren met het noodige er bij te halen, begon de heelmeester, die Sophia’s onwilligheid aan vrees toeschreef, haar te troosten met de verzekering dat er geen het minste gevaar te duchten was; want, zeide hij, er kon bij het aderlaten geen ongeluk plaats hebben, zonder de monsterachtige onkunde van een kwakzalver, welke hij tamelijk onbewimpeld te verstaan gaf, dat nu niet te vreezen was.Sophia verklaarde, dat zij hoegenaamd geen angst gevoelde, en voegde er bij: „Als gij de slagader raakt, schenk ik u vooraf mijne vergiffenis.”„Zoo!” riep Western. „Ik niet; om den drommel niet! Als hij u het minste kwaad doet, wil ik verd.… worden, als hij het zelf er levend afbrengt!”De heelmeester nam aan haar op deze voorwaarden ader te laten, en ging nu tot die operatie over, welke hij met de beloofde behendigheid, en ook met den meesten spoed volbragt; want hij nam haar slechts weinig bloed af, verzekerende dat het veiliger was om dat bij herhaling te doen, dan om te veel tegelijk af te tappen.Zoodra Sophia’s arm verbonden was, verwijderde zij zich; want zij wenschte niet (en het zou ook welligt niet al te gepast geweest zijn), bij hetgeen met Jones volgen moest, tegenwoordig te zijn. Inderdaad, één bezwaar, dat zij tegen het aderlaten had (hoewel zij het niet uitte), was het oponthoud, dat het veroorzaken zoude met het zetten van den arm. Want Western, als er sprake was van Sophia, dacht alleen aan haar, en wat Jones betreft, hij zat geduldig als een lam zijn eigen pijn te dragen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het bloed zag vloeijen uit Sophia’s schoonen arm, dacht hij naauwelijks aan hetgeen hem zelven overkomen was.De heelmeester beval nu den patient tot op het hemd uit te kleeden, en den arm geheel en al ontblootende, begon hij er aan te trekken en hem te onderzoeken op zulk[177]eene wijze, dat die marteling Jones eenige scheve gezigten deed trekken, welke de heelmeester zag en zeer verbaasd uitriep: „Wat scheelt er aan, mijn heer? Het is onmogelijk dat ik u pijn doe!”Daarop, den gebroken arm ophoudende, begon hij eene zeer lange en zeer geleerde anatomische verhandeling te houden, waarin hij zeer uitvoerig sprak over enkele en dubbele breuken, en de verschillende wijzen uitlegde, waarop Jones den arm had kunnen breken, met allerlei opmerkingen daarbij, om te bewijzen, dat sommige gevallen veel erger waren en sommige veel beter dan het onderhavige.Eindelijk, gedaan hebbende met zijne uitgewerkte redevoering, waardoor zijn gehoor, hoewel men hem oplettend en met veel bewondering aanstaarde, weinig gesticht was, daar men eigenlijk geen woord begreep van hetgeen hij vertelde, ging hij aan het werk, dat hij sneller afmaakte dan hij het begonnen was.Hij beval toen Jones naar bed te gaan, wat de heer Western hem dwong dáár te doen, en veroordeelde hem verder om niets dan wat grutten te gebruiken.Onder de toeschouwers in de kamer, terwijl de arm gezet werd, bevond zich ook juffer Honour, die geroepen zijnde door hare meesteresse toen alles gedaan was, ook gevraagd werd hoe de jonge heer het maakte, waarop zij dadelijk uitweidde in buitensporige loftuitingen over de heldhaftigheid, zoo als zij het noemde, van zijn gedrag, wat zij „betooverend vond,” zeide zij, „in zulk een beeldschoon jong mensch.” Daarop uitte zij nog vurige lofspraken op zijne schoonheid, vele bijzonderheden opsommende, en eindigende met de blankheid van zijn vel.Deze woorden hadden eene uitwerking op hare meesteresse, welke der sluwe dienaresse misschien niet ontgaan zou zijn, als zij slechts eenmaal onder het spreken hare dame aangezien had: daar echter een spiegel, die, zeer te pas, vlak tegenover haar hing, haar de gelegenheid verschafte om die gelaatstrekken te aanschouwen, welke zij boven alle andere het meest bewonderde, had zij niet ééns onder hare geheele redevoering haar oog van dat beminde voorwerp laten gaan.Jufvrouw Honour dus was zoodanig verdiept in het onderwerp waarover zij hare tong liet uitweiden, en in de beschouwing[178]van hetgeen zij zelve voor oogen had, dat zij hare meesteresse den tijd liet om hare verwarring meester te worden, waarop zij glimlachte en tot hare kamenier zeide, „dat die zeker op dien jongen heer verliefd was!”„Ik verliefd, jufvrouw!” riep deze. „Wel jufvrouw! Op mijn woord van eer dat ben ik niet!”„Nu, en al waart ge verliefd, dat zou geene schande zijn; want hij is zeker een heel knappe jongen,” zei hare meesteresse.„Ja, jufvrouw,” hernam de andere, „dat is waar! Hij is het knapste manspersoon, dien ik van mijn leven gezien heb! Ja, dat is waar, en, gelijk gij zegt, jufvrouw, ik weet niet waarom ik mij schamen zou als ik op hem verliefd was,—al is hij ook van een anderen stand dan ik. Want de groote luî zijn toch maar vleesch en bloed, even als wij arme dienstboden. Bovendien, wat mijnheer Jones aangaat, hoewel mijnheer Allworthy een fatsoenlijk man van hem gemaakt heeft, is hij van afkomst niet zoo goed als ik; want, al ben ik slechts eene arme ziel, ben ik toch eerlijke luî’s kind, en mijn vader en moeder waren getrouwd, wat meer is dan sommige menschen, die nu zoo grootsch doen, van de hunne kunnen getuigen. Wel kom aan! ’t Is me wat liefs! Al is zijn vel nog zoo blank,—en dat is waar, blanker kon het niet zijn,—ben ik een Christen mensch net zoo goed als hij, en geen mensch kan zeggen dat ik niet van eerlijke ouders ben;—mijn grootvader was ook geestelijke1en hij zou wat kwaad zijn geweest als iemand van zijne familie zich met zoo’n vuile Molly Seagrim haar afval had willen behelpen!”Misschien had Sophia, uit gebrek aan moed om haar te doen stilzwijgen, wat, gelijk de lezer begrijpt, geene zeer gemakkelijke taak was, hare kamenier op deze wijze laten doorslaan; want, voorzeker, waren er eenige dingen in hetgeen[179]zij zeide, die de dame volstrekt niet aanstonden. Daar er echter geen einde kwam aan den stroom der woorden, begreep zij dat het tijd werd dien te stuiten.„Ik ben er verbaasd over,” zeide zij, „dat gij het waagt op zulk een toon te spreken over een van mijn vaders vrienden. Wat het meisje aangaat, ik verzoek u haar nooit in mijn bijzijn te noemen. En ten opzigte van de geboorte van den jongen heer zelven, als men niets meer tot zijn nadeel kan zeggen, dan is het wel zoo goed daarover te zwijgen, gelijk ik u verzoek voortaan te doen.”„Het spijt me zeer, jufvrouw,” hernam Honour, „dat ik u beleedigd heb. Ik weet zeker dat ik Molly Seagrim evenzeer verfoei als gij dat zelve doen kunt, en wat het kwaadspreken over mijnheer Jones aangaat, ik kan alle dienstboden in huis tot getuigen roepen, dat als er ooit sprake is van onechte kinderen, ik altijd partij voor hem getrokken heb. „Want, wie van u,” zei ik tot den knecht, „zou geen onecht kind willen wezen, als hij het maar worden kon, om een mijnheer te zijn?” zei ik. „En hij is zeker een heele mijnheer, en heeft zulke blanke vingers als iemand ter wereld,” zei ik, „dat is waar! En hij is een der vriendelijkste, beleefdste heeren, die men zich denken kan,” zei ik, en al de dienstboden en al de buren in het rond houden van hem. „En—ja,—het is waar,—maar ik vrees u kwaad te maken als ik het u vertelde,—”„Wat zoudt ge me kunnen vertellen, Honour?” vroeg Sophia.„Wel, jufvrouw,—’t is ook waar, dat hij er niets mede bedoelde, daarom hoop ik, dat het u niet kwaad zal maken.”„Vertel nu maar wat ge bedoelt,” zei Sophia. „Ik moet het dadelijk weten!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verleden week, kwam hij in de kamer waar ik zat te werken, en daar lag uw mof op een stoel, en hij stak er de handen in,—het was de mof die, gij me gisteren gegeven hebt.—„Wel, mijnheer Jones,” zei ik, „ge zult de mof van de jufvrouw heel en al uit elkaar rekken en bederven!” Maar hij hield er de handen nog in, en toen kuste hij ze;—zoo’n kus heb ik van mijn leven niet gezien!”[180]„Hij zal wel niet geweten hebben dat ze mij toebehoorde,” zei Sophia.„Dat zult gij wel hooren, jufvrouw! Hij kuste ze en kuste ze weer, en zeide, dat het de mooiste mof was die hij ooit gezien had. „Wel, mijnheer,” zei ik, „ge hebt ze wel honderdmaal gezien!” „Ja, jufvrouw Honour,” riep hij, „dat is mogelijk; maar wie kan iets anders zien als uwe schoone meesteresse zelve dáár is?” En dat was niet alles; maar ik hoop, dat het u niet kwaad zal maken; want hij bedoelde er zeker niets mede; maar, op zekeren dag, toen gij aan de klavecimbel zat voor mijnheer te spelen, bevond zich mijnheer Jones in de kamer daarnaast en het kwam mij voor, dat hij er zeer bedroefd uitzag. „Nu, mijnheer Jones,” zei ik, „ik zou wel willen weten, waar gij aan denkt!” „Wel, meisje!” riep hij, uit zijn droom opschrikkende, „waar zou ik aan denken als die engel, uwe meesteresse, speelt!” En mij daarop bij de hand grijpende, „o, jufvrouw Honour,” zeide hij, „hoe gelukkig zal de man zijn, die—” en daar zuchtte hij;—op mijn woord zijn adem is zoo geurig als een ruiker;—maar wezenlijk, hij bedoelde er niets kwaads mede. Dus hoop ik, jufvrouw, dat gij er geen woord over spreken zult; want hij gaf me een daalder om er niets van te zeggen, en liet me er een eed op zweren,—op een boek,—maar ik geloof niet, dat het de Bijbel was.”Tot men iets schooners dan het vermiljoen uitgevonden zal hebben, zal ik er niets van zeggen hoe Sophia bij deze gelegenheid bloosde.„O … Honour!” zeide zij, „ik—ik—als gij belooft mij niets meer hierover te zeggen,—en—niemand anders ook, dan zal ik u niet verklappen,—ik meen dan zal ik niet meer boos op u zijn;—maar ik ben wezenlijk bang voor uwe praatjes! Waarom, meisje, geeft ge uwe tong zooveel vrijheid?”„Wel, jufvrouw!” hernam de andere; „ik zou me liever de tong afbijten, dan iets zeggen om u te beleedigen! Gij kunt er gerust op aan, dat ik nooit iets zal oververtellen, dat gij wenscht verzwegen te hebben!”„Nu dan,” hernam Sophia, „ik wilde wel, dat gij hiervan verder zweegt; want het kon mijn vader ter ooren komen,[181]en hij zou boos worden op mijnheer Jones,—hoewel hij zeker, zooals gij zegt, er niets bij bedoelde. Ik zou zelve heel boos zijn, als ik me verbeeldde—”„Neen, jufvrouw!” riep Honour, „ik verklaar dat ik heilig geloof, dat hij er niets meê bedoelde! Ik dacht wel, dat hij als een gek praatte;—ja, hij zei zelf, dat hij dacht dat hij gek was, om zoo iets te zeggen. „Ja, mijnheer,” zei ik, „dat geloof ik ook.” „Ja, Honour,” zeide hij—maar ik vraag vergiffenis, jufvrouw! Daar verpraat ik me weder! Ik zou me de tong willen afbijten!”„Ga maar voort,” zei Sophia, „als er iets meer is, kunt ge het me wel vertellen.”„Ja, Honour,” zeide hij, „—dit was nog wat later, toen hij mij den daalder gaf,—„ik ben noch zulk een kwast noch zulk een schurk, dat ik anders aan haar zou denken, dan als aan eene godin; en als zoodanige zal ik haar altijd beminnen en aanbidden zoolang ik leef!” Dat was alles, jufvrouw, dat ik me herinneren kan, daar wil ik een eed op doen. Ik was zelve heel kwaad op hem, tot ik ontdekte, dat hij er niets kwaads mede bedoelde.”„Ik geloof wezenlijk, Honour,” hernam Sophia, „dat ge opregt veel van mij houdt;—ik was verleden, toen ik u de dienst opzeide, heel boos op u; maar, als ge wenscht nog bij me te blijven, dan moogt ge dat doen.”„O wezenlijk, jufvrouw,” antwoordde Honour, „ik verlang niets liever dan altijd bij u te blijven. Wezenlijk, ik schreide me haast blind, toen gij mij de dienst opzeidet. Het zou zeer ondankbaar van mij zijn, als ik u verlaten wilde;—omdat ik zeker nooit weder zoo’n goede dienst zou krijgen. Ja, jufvrouw, ik zou bij u willen leven en sterven; want, zooals die arme mijnheer Jones zeide,—gelukkig de man, die—”Hier stoorde de etensklok een gesprek, dat zooveel indruk op Sophia maakte, dat zij misschien meer moest danken aan de aderlating van dien morgen, dan zij zelve veronderstelde. Wat den tegenwoordigen toestand van haar gemoed betreft, ik zal mij aan een stelregel van Horatius houden, als ik, uit wanhoop van te slagen, niet op mij neem dien te beschrijven. De meeste mijner lezers kunnen zich dat voorstellen, en de weinigen, die dat niet kunnen, zouden[182]de schildering niet begrijpen, of verklaren dat ze onnatuurlijk was, al teekende ik ze nog zoo goed.1Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is.Noot van den Schr.↑

[Inhoud]Hoofdstuk XIV.De aankomst van een heelmeester. Zijne operatiën en een lang gesprek tusschen Sophia en hare kamenier.Zoodra zij bij den heer Western in huis traden, zeeg Sophia, die slechts met groote inspanning zich zoo lang goed gehouden had, op een stoel neder; maar, door het gebruik van hartshoorn en water werd eene onmagt voorkomen, en zij was bijkans geheel hersteld, toen de heelmeester, om wien men gezonden had om Jones bijtestaan, verscheen.De heer Western, die al deze verschijnselen bij zijne dochter toegeschreven had aan de gevolgen van haar val van het paard, gaf haar den raad zich dadelijk te doen aderlaten, om nog grooter onheil te voorkomen. In dit gevoelen werd hij ondersteund door den heelmeester, die zoovele redenen daarvoor aanvoerde en zoovele gevallen opsomde van miskramen, alleen omdat men het aderlaten verzuimd had, dat de landjonker zeer lastig werd op dat punt en inderdaad ten stelligste eischte, dat zijne dochter zich wat bloed zou laten afnemen.Sophia bezweek weldra voor de bevelen van haar vader,[176]hoewel die geheel in strijd waren met hare eigene overtuiging, want zij vreesde, naar ik vermoed, veel minder erge gevolgen van den schrik dan haar vader of de geneesheer.Zij strekte dus den schoonen arm uit en de heelmeester begon zich voor zijn werk gereed te maken.Terwijl de dienstboden bezig waren met het noodige er bij te halen, begon de heelmeester, die Sophia’s onwilligheid aan vrees toeschreef, haar te troosten met de verzekering dat er geen het minste gevaar te duchten was; want, zeide hij, er kon bij het aderlaten geen ongeluk plaats hebben, zonder de monsterachtige onkunde van een kwakzalver, welke hij tamelijk onbewimpeld te verstaan gaf, dat nu niet te vreezen was.Sophia verklaarde, dat zij hoegenaamd geen angst gevoelde, en voegde er bij: „Als gij de slagader raakt, schenk ik u vooraf mijne vergiffenis.”„Zoo!” riep Western. „Ik niet; om den drommel niet! Als hij u het minste kwaad doet, wil ik verd.… worden, als hij het zelf er levend afbrengt!”De heelmeester nam aan haar op deze voorwaarden ader te laten, en ging nu tot die operatie over, welke hij met de beloofde behendigheid, en ook met den meesten spoed volbragt; want hij nam haar slechts weinig bloed af, verzekerende dat het veiliger was om dat bij herhaling te doen, dan om te veel tegelijk af te tappen.Zoodra Sophia’s arm verbonden was, verwijderde zij zich; want zij wenschte niet (en het zou ook welligt niet al te gepast geweest zijn), bij hetgeen met Jones volgen moest, tegenwoordig te zijn. Inderdaad, één bezwaar, dat zij tegen het aderlaten had (hoewel zij het niet uitte), was het oponthoud, dat het veroorzaken zoude met het zetten van den arm. Want Western, als er sprake was van Sophia, dacht alleen aan haar, en wat Jones betreft, hij zat geduldig als een lam zijn eigen pijn te dragen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het bloed zag vloeijen uit Sophia’s schoonen arm, dacht hij naauwelijks aan hetgeen hem zelven overkomen was.De heelmeester beval nu den patient tot op het hemd uit te kleeden, en den arm geheel en al ontblootende, begon hij er aan te trekken en hem te onderzoeken op zulk[177]eene wijze, dat die marteling Jones eenige scheve gezigten deed trekken, welke de heelmeester zag en zeer verbaasd uitriep: „Wat scheelt er aan, mijn heer? Het is onmogelijk dat ik u pijn doe!”Daarop, den gebroken arm ophoudende, begon hij eene zeer lange en zeer geleerde anatomische verhandeling te houden, waarin hij zeer uitvoerig sprak over enkele en dubbele breuken, en de verschillende wijzen uitlegde, waarop Jones den arm had kunnen breken, met allerlei opmerkingen daarbij, om te bewijzen, dat sommige gevallen veel erger waren en sommige veel beter dan het onderhavige.Eindelijk, gedaan hebbende met zijne uitgewerkte redevoering, waardoor zijn gehoor, hoewel men hem oplettend en met veel bewondering aanstaarde, weinig gesticht was, daar men eigenlijk geen woord begreep van hetgeen hij vertelde, ging hij aan het werk, dat hij sneller afmaakte dan hij het begonnen was.Hij beval toen Jones naar bed te gaan, wat de heer Western hem dwong dáár te doen, en veroordeelde hem verder om niets dan wat grutten te gebruiken.Onder de toeschouwers in de kamer, terwijl de arm gezet werd, bevond zich ook juffer Honour, die geroepen zijnde door hare meesteresse toen alles gedaan was, ook gevraagd werd hoe de jonge heer het maakte, waarop zij dadelijk uitweidde in buitensporige loftuitingen over de heldhaftigheid, zoo als zij het noemde, van zijn gedrag, wat zij „betooverend vond,” zeide zij, „in zulk een beeldschoon jong mensch.” Daarop uitte zij nog vurige lofspraken op zijne schoonheid, vele bijzonderheden opsommende, en eindigende met de blankheid van zijn vel.Deze woorden hadden eene uitwerking op hare meesteresse, welke der sluwe dienaresse misschien niet ontgaan zou zijn, als zij slechts eenmaal onder het spreken hare dame aangezien had: daar echter een spiegel, die, zeer te pas, vlak tegenover haar hing, haar de gelegenheid verschafte om die gelaatstrekken te aanschouwen, welke zij boven alle andere het meest bewonderde, had zij niet ééns onder hare geheele redevoering haar oog van dat beminde voorwerp laten gaan.Jufvrouw Honour dus was zoodanig verdiept in het onderwerp waarover zij hare tong liet uitweiden, en in de beschouwing[178]van hetgeen zij zelve voor oogen had, dat zij hare meesteresse den tijd liet om hare verwarring meester te worden, waarop zij glimlachte en tot hare kamenier zeide, „dat die zeker op dien jongen heer verliefd was!”„Ik verliefd, jufvrouw!” riep deze. „Wel jufvrouw! Op mijn woord van eer dat ben ik niet!”„Nu, en al waart ge verliefd, dat zou geene schande zijn; want hij is zeker een heel knappe jongen,” zei hare meesteresse.„Ja, jufvrouw,” hernam de andere, „dat is waar! Hij is het knapste manspersoon, dien ik van mijn leven gezien heb! Ja, dat is waar, en, gelijk gij zegt, jufvrouw, ik weet niet waarom ik mij schamen zou als ik op hem verliefd was,—al is hij ook van een anderen stand dan ik. Want de groote luî zijn toch maar vleesch en bloed, even als wij arme dienstboden. Bovendien, wat mijnheer Jones aangaat, hoewel mijnheer Allworthy een fatsoenlijk man van hem gemaakt heeft, is hij van afkomst niet zoo goed als ik; want, al ben ik slechts eene arme ziel, ben ik toch eerlijke luî’s kind, en mijn vader en moeder waren getrouwd, wat meer is dan sommige menschen, die nu zoo grootsch doen, van de hunne kunnen getuigen. Wel kom aan! ’t Is me wat liefs! Al is zijn vel nog zoo blank,—en dat is waar, blanker kon het niet zijn,—ben ik een Christen mensch net zoo goed als hij, en geen mensch kan zeggen dat ik niet van eerlijke ouders ben;—mijn grootvader was ook geestelijke1en hij zou wat kwaad zijn geweest als iemand van zijne familie zich met zoo’n vuile Molly Seagrim haar afval had willen behelpen!”Misschien had Sophia, uit gebrek aan moed om haar te doen stilzwijgen, wat, gelijk de lezer begrijpt, geene zeer gemakkelijke taak was, hare kamenier op deze wijze laten doorslaan; want, voorzeker, waren er eenige dingen in hetgeen[179]zij zeide, die de dame volstrekt niet aanstonden. Daar er echter geen einde kwam aan den stroom der woorden, begreep zij dat het tijd werd dien te stuiten.„Ik ben er verbaasd over,” zeide zij, „dat gij het waagt op zulk een toon te spreken over een van mijn vaders vrienden. Wat het meisje aangaat, ik verzoek u haar nooit in mijn bijzijn te noemen. En ten opzigte van de geboorte van den jongen heer zelven, als men niets meer tot zijn nadeel kan zeggen, dan is het wel zoo goed daarover te zwijgen, gelijk ik u verzoek voortaan te doen.”„Het spijt me zeer, jufvrouw,” hernam Honour, „dat ik u beleedigd heb. Ik weet zeker dat ik Molly Seagrim evenzeer verfoei als gij dat zelve doen kunt, en wat het kwaadspreken over mijnheer Jones aangaat, ik kan alle dienstboden in huis tot getuigen roepen, dat als er ooit sprake is van onechte kinderen, ik altijd partij voor hem getrokken heb. „Want, wie van u,” zei ik tot den knecht, „zou geen onecht kind willen wezen, als hij het maar worden kon, om een mijnheer te zijn?” zei ik. „En hij is zeker een heele mijnheer, en heeft zulke blanke vingers als iemand ter wereld,” zei ik, „dat is waar! En hij is een der vriendelijkste, beleefdste heeren, die men zich denken kan,” zei ik, en al de dienstboden en al de buren in het rond houden van hem. „En—ja,—het is waar,—maar ik vrees u kwaad te maken als ik het u vertelde,—”„Wat zoudt ge me kunnen vertellen, Honour?” vroeg Sophia.„Wel, jufvrouw,—’t is ook waar, dat hij er niets mede bedoelde, daarom hoop ik, dat het u niet kwaad zal maken.”„Vertel nu maar wat ge bedoelt,” zei Sophia. „Ik moet het dadelijk weten!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verleden week, kwam hij in de kamer waar ik zat te werken, en daar lag uw mof op een stoel, en hij stak er de handen in,—het was de mof die, gij me gisteren gegeven hebt.—„Wel, mijnheer Jones,” zei ik, „ge zult de mof van de jufvrouw heel en al uit elkaar rekken en bederven!” Maar hij hield er de handen nog in, en toen kuste hij ze;—zoo’n kus heb ik van mijn leven niet gezien!”[180]„Hij zal wel niet geweten hebben dat ze mij toebehoorde,” zei Sophia.„Dat zult gij wel hooren, jufvrouw! Hij kuste ze en kuste ze weer, en zeide, dat het de mooiste mof was die hij ooit gezien had. „Wel, mijnheer,” zei ik, „ge hebt ze wel honderdmaal gezien!” „Ja, jufvrouw Honour,” riep hij, „dat is mogelijk; maar wie kan iets anders zien als uwe schoone meesteresse zelve dáár is?” En dat was niet alles; maar ik hoop, dat het u niet kwaad zal maken; want hij bedoelde er zeker niets mede; maar, op zekeren dag, toen gij aan de klavecimbel zat voor mijnheer te spelen, bevond zich mijnheer Jones in de kamer daarnaast en het kwam mij voor, dat hij er zeer bedroefd uitzag. „Nu, mijnheer Jones,” zei ik, „ik zou wel willen weten, waar gij aan denkt!” „Wel, meisje!” riep hij, uit zijn droom opschrikkende, „waar zou ik aan denken als die engel, uwe meesteresse, speelt!” En mij daarop bij de hand grijpende, „o, jufvrouw Honour,” zeide hij, „hoe gelukkig zal de man zijn, die—” en daar zuchtte hij;—op mijn woord zijn adem is zoo geurig als een ruiker;—maar wezenlijk, hij bedoelde er niets kwaads mede. Dus hoop ik, jufvrouw, dat gij er geen woord over spreken zult; want hij gaf me een daalder om er niets van te zeggen, en liet me er een eed op zweren,—op een boek,—maar ik geloof niet, dat het de Bijbel was.”Tot men iets schooners dan het vermiljoen uitgevonden zal hebben, zal ik er niets van zeggen hoe Sophia bij deze gelegenheid bloosde.„O … Honour!” zeide zij, „ik—ik—als gij belooft mij niets meer hierover te zeggen,—en—niemand anders ook, dan zal ik u niet verklappen,—ik meen dan zal ik niet meer boos op u zijn;—maar ik ben wezenlijk bang voor uwe praatjes! Waarom, meisje, geeft ge uwe tong zooveel vrijheid?”„Wel, jufvrouw!” hernam de andere; „ik zou me liever de tong afbijten, dan iets zeggen om u te beleedigen! Gij kunt er gerust op aan, dat ik nooit iets zal oververtellen, dat gij wenscht verzwegen te hebben!”„Nu dan,” hernam Sophia, „ik wilde wel, dat gij hiervan verder zweegt; want het kon mijn vader ter ooren komen,[181]en hij zou boos worden op mijnheer Jones,—hoewel hij zeker, zooals gij zegt, er niets bij bedoelde. Ik zou zelve heel boos zijn, als ik me verbeeldde—”„Neen, jufvrouw!” riep Honour, „ik verklaar dat ik heilig geloof, dat hij er niets meê bedoelde! Ik dacht wel, dat hij als een gek praatte;—ja, hij zei zelf, dat hij dacht dat hij gek was, om zoo iets te zeggen. „Ja, mijnheer,” zei ik, „dat geloof ik ook.” „Ja, Honour,” zeide hij—maar ik vraag vergiffenis, jufvrouw! Daar verpraat ik me weder! Ik zou me de tong willen afbijten!”„Ga maar voort,” zei Sophia, „als er iets meer is, kunt ge het me wel vertellen.”„Ja, Honour,” zeide hij, „—dit was nog wat later, toen hij mij den daalder gaf,—„ik ben noch zulk een kwast noch zulk een schurk, dat ik anders aan haar zou denken, dan als aan eene godin; en als zoodanige zal ik haar altijd beminnen en aanbidden zoolang ik leef!” Dat was alles, jufvrouw, dat ik me herinneren kan, daar wil ik een eed op doen. Ik was zelve heel kwaad op hem, tot ik ontdekte, dat hij er niets kwaads mede bedoelde.”„Ik geloof wezenlijk, Honour,” hernam Sophia, „dat ge opregt veel van mij houdt;—ik was verleden, toen ik u de dienst opzeide, heel boos op u; maar, als ge wenscht nog bij me te blijven, dan moogt ge dat doen.”„O wezenlijk, jufvrouw,” antwoordde Honour, „ik verlang niets liever dan altijd bij u te blijven. Wezenlijk, ik schreide me haast blind, toen gij mij de dienst opzeidet. Het zou zeer ondankbaar van mij zijn, als ik u verlaten wilde;—omdat ik zeker nooit weder zoo’n goede dienst zou krijgen. Ja, jufvrouw, ik zou bij u willen leven en sterven; want, zooals die arme mijnheer Jones zeide,—gelukkig de man, die—”Hier stoorde de etensklok een gesprek, dat zooveel indruk op Sophia maakte, dat zij misschien meer moest danken aan de aderlating van dien morgen, dan zij zelve veronderstelde. Wat den tegenwoordigen toestand van haar gemoed betreft, ik zal mij aan een stelregel van Horatius houden, als ik, uit wanhoop van te slagen, niet op mij neem dien te beschrijven. De meeste mijner lezers kunnen zich dat voorstellen, en de weinigen, die dat niet kunnen, zouden[182]de schildering niet begrijpen, of verklaren dat ze onnatuurlijk was, al teekende ik ze nog zoo goed.1Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is.Noot van den Schr.↑

[Inhoud]Hoofdstuk XIV.De aankomst van een heelmeester. Zijne operatiën en een lang gesprek tusschen Sophia en hare kamenier.Zoodra zij bij den heer Western in huis traden, zeeg Sophia, die slechts met groote inspanning zich zoo lang goed gehouden had, op een stoel neder; maar, door het gebruik van hartshoorn en water werd eene onmagt voorkomen, en zij was bijkans geheel hersteld, toen de heelmeester, om wien men gezonden had om Jones bijtestaan, verscheen.De heer Western, die al deze verschijnselen bij zijne dochter toegeschreven had aan de gevolgen van haar val van het paard, gaf haar den raad zich dadelijk te doen aderlaten, om nog grooter onheil te voorkomen. In dit gevoelen werd hij ondersteund door den heelmeester, die zoovele redenen daarvoor aanvoerde en zoovele gevallen opsomde van miskramen, alleen omdat men het aderlaten verzuimd had, dat de landjonker zeer lastig werd op dat punt en inderdaad ten stelligste eischte, dat zijne dochter zich wat bloed zou laten afnemen.Sophia bezweek weldra voor de bevelen van haar vader,[176]hoewel die geheel in strijd waren met hare eigene overtuiging, want zij vreesde, naar ik vermoed, veel minder erge gevolgen van den schrik dan haar vader of de geneesheer.Zij strekte dus den schoonen arm uit en de heelmeester begon zich voor zijn werk gereed te maken.Terwijl de dienstboden bezig waren met het noodige er bij te halen, begon de heelmeester, die Sophia’s onwilligheid aan vrees toeschreef, haar te troosten met de verzekering dat er geen het minste gevaar te duchten was; want, zeide hij, er kon bij het aderlaten geen ongeluk plaats hebben, zonder de monsterachtige onkunde van een kwakzalver, welke hij tamelijk onbewimpeld te verstaan gaf, dat nu niet te vreezen was.Sophia verklaarde, dat zij hoegenaamd geen angst gevoelde, en voegde er bij: „Als gij de slagader raakt, schenk ik u vooraf mijne vergiffenis.”„Zoo!” riep Western. „Ik niet; om den drommel niet! Als hij u het minste kwaad doet, wil ik verd.… worden, als hij het zelf er levend afbrengt!”De heelmeester nam aan haar op deze voorwaarden ader te laten, en ging nu tot die operatie over, welke hij met de beloofde behendigheid, en ook met den meesten spoed volbragt; want hij nam haar slechts weinig bloed af, verzekerende dat het veiliger was om dat bij herhaling te doen, dan om te veel tegelijk af te tappen.Zoodra Sophia’s arm verbonden was, verwijderde zij zich; want zij wenschte niet (en het zou ook welligt niet al te gepast geweest zijn), bij hetgeen met Jones volgen moest, tegenwoordig te zijn. Inderdaad, één bezwaar, dat zij tegen het aderlaten had (hoewel zij het niet uitte), was het oponthoud, dat het veroorzaken zoude met het zetten van den arm. Want Western, als er sprake was van Sophia, dacht alleen aan haar, en wat Jones betreft, hij zat geduldig als een lam zijn eigen pijn te dragen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het bloed zag vloeijen uit Sophia’s schoonen arm, dacht hij naauwelijks aan hetgeen hem zelven overkomen was.De heelmeester beval nu den patient tot op het hemd uit te kleeden, en den arm geheel en al ontblootende, begon hij er aan te trekken en hem te onderzoeken op zulk[177]eene wijze, dat die marteling Jones eenige scheve gezigten deed trekken, welke de heelmeester zag en zeer verbaasd uitriep: „Wat scheelt er aan, mijn heer? Het is onmogelijk dat ik u pijn doe!”Daarop, den gebroken arm ophoudende, begon hij eene zeer lange en zeer geleerde anatomische verhandeling te houden, waarin hij zeer uitvoerig sprak over enkele en dubbele breuken, en de verschillende wijzen uitlegde, waarop Jones den arm had kunnen breken, met allerlei opmerkingen daarbij, om te bewijzen, dat sommige gevallen veel erger waren en sommige veel beter dan het onderhavige.Eindelijk, gedaan hebbende met zijne uitgewerkte redevoering, waardoor zijn gehoor, hoewel men hem oplettend en met veel bewondering aanstaarde, weinig gesticht was, daar men eigenlijk geen woord begreep van hetgeen hij vertelde, ging hij aan het werk, dat hij sneller afmaakte dan hij het begonnen was.Hij beval toen Jones naar bed te gaan, wat de heer Western hem dwong dáár te doen, en veroordeelde hem verder om niets dan wat grutten te gebruiken.Onder de toeschouwers in de kamer, terwijl de arm gezet werd, bevond zich ook juffer Honour, die geroepen zijnde door hare meesteresse toen alles gedaan was, ook gevraagd werd hoe de jonge heer het maakte, waarop zij dadelijk uitweidde in buitensporige loftuitingen over de heldhaftigheid, zoo als zij het noemde, van zijn gedrag, wat zij „betooverend vond,” zeide zij, „in zulk een beeldschoon jong mensch.” Daarop uitte zij nog vurige lofspraken op zijne schoonheid, vele bijzonderheden opsommende, en eindigende met de blankheid van zijn vel.Deze woorden hadden eene uitwerking op hare meesteresse, welke der sluwe dienaresse misschien niet ontgaan zou zijn, als zij slechts eenmaal onder het spreken hare dame aangezien had: daar echter een spiegel, die, zeer te pas, vlak tegenover haar hing, haar de gelegenheid verschafte om die gelaatstrekken te aanschouwen, welke zij boven alle andere het meest bewonderde, had zij niet ééns onder hare geheele redevoering haar oog van dat beminde voorwerp laten gaan.Jufvrouw Honour dus was zoodanig verdiept in het onderwerp waarover zij hare tong liet uitweiden, en in de beschouwing[178]van hetgeen zij zelve voor oogen had, dat zij hare meesteresse den tijd liet om hare verwarring meester te worden, waarop zij glimlachte en tot hare kamenier zeide, „dat die zeker op dien jongen heer verliefd was!”„Ik verliefd, jufvrouw!” riep deze. „Wel jufvrouw! Op mijn woord van eer dat ben ik niet!”„Nu, en al waart ge verliefd, dat zou geene schande zijn; want hij is zeker een heel knappe jongen,” zei hare meesteresse.„Ja, jufvrouw,” hernam de andere, „dat is waar! Hij is het knapste manspersoon, dien ik van mijn leven gezien heb! Ja, dat is waar, en, gelijk gij zegt, jufvrouw, ik weet niet waarom ik mij schamen zou als ik op hem verliefd was,—al is hij ook van een anderen stand dan ik. Want de groote luî zijn toch maar vleesch en bloed, even als wij arme dienstboden. Bovendien, wat mijnheer Jones aangaat, hoewel mijnheer Allworthy een fatsoenlijk man van hem gemaakt heeft, is hij van afkomst niet zoo goed als ik; want, al ben ik slechts eene arme ziel, ben ik toch eerlijke luî’s kind, en mijn vader en moeder waren getrouwd, wat meer is dan sommige menschen, die nu zoo grootsch doen, van de hunne kunnen getuigen. Wel kom aan! ’t Is me wat liefs! Al is zijn vel nog zoo blank,—en dat is waar, blanker kon het niet zijn,—ben ik een Christen mensch net zoo goed als hij, en geen mensch kan zeggen dat ik niet van eerlijke ouders ben;—mijn grootvader was ook geestelijke1en hij zou wat kwaad zijn geweest als iemand van zijne familie zich met zoo’n vuile Molly Seagrim haar afval had willen behelpen!”Misschien had Sophia, uit gebrek aan moed om haar te doen stilzwijgen, wat, gelijk de lezer begrijpt, geene zeer gemakkelijke taak was, hare kamenier op deze wijze laten doorslaan; want, voorzeker, waren er eenige dingen in hetgeen[179]zij zeide, die de dame volstrekt niet aanstonden. Daar er echter geen einde kwam aan den stroom der woorden, begreep zij dat het tijd werd dien te stuiten.„Ik ben er verbaasd over,” zeide zij, „dat gij het waagt op zulk een toon te spreken over een van mijn vaders vrienden. Wat het meisje aangaat, ik verzoek u haar nooit in mijn bijzijn te noemen. En ten opzigte van de geboorte van den jongen heer zelven, als men niets meer tot zijn nadeel kan zeggen, dan is het wel zoo goed daarover te zwijgen, gelijk ik u verzoek voortaan te doen.”„Het spijt me zeer, jufvrouw,” hernam Honour, „dat ik u beleedigd heb. Ik weet zeker dat ik Molly Seagrim evenzeer verfoei als gij dat zelve doen kunt, en wat het kwaadspreken over mijnheer Jones aangaat, ik kan alle dienstboden in huis tot getuigen roepen, dat als er ooit sprake is van onechte kinderen, ik altijd partij voor hem getrokken heb. „Want, wie van u,” zei ik tot den knecht, „zou geen onecht kind willen wezen, als hij het maar worden kon, om een mijnheer te zijn?” zei ik. „En hij is zeker een heele mijnheer, en heeft zulke blanke vingers als iemand ter wereld,” zei ik, „dat is waar! En hij is een der vriendelijkste, beleefdste heeren, die men zich denken kan,” zei ik, en al de dienstboden en al de buren in het rond houden van hem. „En—ja,—het is waar,—maar ik vrees u kwaad te maken als ik het u vertelde,—”„Wat zoudt ge me kunnen vertellen, Honour?” vroeg Sophia.„Wel, jufvrouw,—’t is ook waar, dat hij er niets mede bedoelde, daarom hoop ik, dat het u niet kwaad zal maken.”„Vertel nu maar wat ge bedoelt,” zei Sophia. „Ik moet het dadelijk weten!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verleden week, kwam hij in de kamer waar ik zat te werken, en daar lag uw mof op een stoel, en hij stak er de handen in,—het was de mof die, gij me gisteren gegeven hebt.—„Wel, mijnheer Jones,” zei ik, „ge zult de mof van de jufvrouw heel en al uit elkaar rekken en bederven!” Maar hij hield er de handen nog in, en toen kuste hij ze;—zoo’n kus heb ik van mijn leven niet gezien!”[180]„Hij zal wel niet geweten hebben dat ze mij toebehoorde,” zei Sophia.„Dat zult gij wel hooren, jufvrouw! Hij kuste ze en kuste ze weer, en zeide, dat het de mooiste mof was die hij ooit gezien had. „Wel, mijnheer,” zei ik, „ge hebt ze wel honderdmaal gezien!” „Ja, jufvrouw Honour,” riep hij, „dat is mogelijk; maar wie kan iets anders zien als uwe schoone meesteresse zelve dáár is?” En dat was niet alles; maar ik hoop, dat het u niet kwaad zal maken; want hij bedoelde er zeker niets mede; maar, op zekeren dag, toen gij aan de klavecimbel zat voor mijnheer te spelen, bevond zich mijnheer Jones in de kamer daarnaast en het kwam mij voor, dat hij er zeer bedroefd uitzag. „Nu, mijnheer Jones,” zei ik, „ik zou wel willen weten, waar gij aan denkt!” „Wel, meisje!” riep hij, uit zijn droom opschrikkende, „waar zou ik aan denken als die engel, uwe meesteresse, speelt!” En mij daarop bij de hand grijpende, „o, jufvrouw Honour,” zeide hij, „hoe gelukkig zal de man zijn, die—” en daar zuchtte hij;—op mijn woord zijn adem is zoo geurig als een ruiker;—maar wezenlijk, hij bedoelde er niets kwaads mede. Dus hoop ik, jufvrouw, dat gij er geen woord over spreken zult; want hij gaf me een daalder om er niets van te zeggen, en liet me er een eed op zweren,—op een boek,—maar ik geloof niet, dat het de Bijbel was.”Tot men iets schooners dan het vermiljoen uitgevonden zal hebben, zal ik er niets van zeggen hoe Sophia bij deze gelegenheid bloosde.„O … Honour!” zeide zij, „ik—ik—als gij belooft mij niets meer hierover te zeggen,—en—niemand anders ook, dan zal ik u niet verklappen,—ik meen dan zal ik niet meer boos op u zijn;—maar ik ben wezenlijk bang voor uwe praatjes! Waarom, meisje, geeft ge uwe tong zooveel vrijheid?”„Wel, jufvrouw!” hernam de andere; „ik zou me liever de tong afbijten, dan iets zeggen om u te beleedigen! Gij kunt er gerust op aan, dat ik nooit iets zal oververtellen, dat gij wenscht verzwegen te hebben!”„Nu dan,” hernam Sophia, „ik wilde wel, dat gij hiervan verder zweegt; want het kon mijn vader ter ooren komen,[181]en hij zou boos worden op mijnheer Jones,—hoewel hij zeker, zooals gij zegt, er niets bij bedoelde. Ik zou zelve heel boos zijn, als ik me verbeeldde—”„Neen, jufvrouw!” riep Honour, „ik verklaar dat ik heilig geloof, dat hij er niets meê bedoelde! Ik dacht wel, dat hij als een gek praatte;—ja, hij zei zelf, dat hij dacht dat hij gek was, om zoo iets te zeggen. „Ja, mijnheer,” zei ik, „dat geloof ik ook.” „Ja, Honour,” zeide hij—maar ik vraag vergiffenis, jufvrouw! Daar verpraat ik me weder! Ik zou me de tong willen afbijten!”„Ga maar voort,” zei Sophia, „als er iets meer is, kunt ge het me wel vertellen.”„Ja, Honour,” zeide hij, „—dit was nog wat later, toen hij mij den daalder gaf,—„ik ben noch zulk een kwast noch zulk een schurk, dat ik anders aan haar zou denken, dan als aan eene godin; en als zoodanige zal ik haar altijd beminnen en aanbidden zoolang ik leef!” Dat was alles, jufvrouw, dat ik me herinneren kan, daar wil ik een eed op doen. Ik was zelve heel kwaad op hem, tot ik ontdekte, dat hij er niets kwaads mede bedoelde.”„Ik geloof wezenlijk, Honour,” hernam Sophia, „dat ge opregt veel van mij houdt;—ik was verleden, toen ik u de dienst opzeide, heel boos op u; maar, als ge wenscht nog bij me te blijven, dan moogt ge dat doen.”„O wezenlijk, jufvrouw,” antwoordde Honour, „ik verlang niets liever dan altijd bij u te blijven. Wezenlijk, ik schreide me haast blind, toen gij mij de dienst opzeidet. Het zou zeer ondankbaar van mij zijn, als ik u verlaten wilde;—omdat ik zeker nooit weder zoo’n goede dienst zou krijgen. Ja, jufvrouw, ik zou bij u willen leven en sterven; want, zooals die arme mijnheer Jones zeide,—gelukkig de man, die—”Hier stoorde de etensklok een gesprek, dat zooveel indruk op Sophia maakte, dat zij misschien meer moest danken aan de aderlating van dien morgen, dan zij zelve veronderstelde. Wat den tegenwoordigen toestand van haar gemoed betreft, ik zal mij aan een stelregel van Horatius houden, als ik, uit wanhoop van te slagen, niet op mij neem dien te beschrijven. De meeste mijner lezers kunnen zich dat voorstellen, en de weinigen, die dat niet kunnen, zouden[182]de schildering niet begrijpen, of verklaren dat ze onnatuurlijk was, al teekende ik ze nog zoo goed.1Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is.Noot van den Schr.↑

[Inhoud]Hoofdstuk XIV.De aankomst van een heelmeester. Zijne operatiën en een lang gesprek tusschen Sophia en hare kamenier.Zoodra zij bij den heer Western in huis traden, zeeg Sophia, die slechts met groote inspanning zich zoo lang goed gehouden had, op een stoel neder; maar, door het gebruik van hartshoorn en water werd eene onmagt voorkomen, en zij was bijkans geheel hersteld, toen de heelmeester, om wien men gezonden had om Jones bijtestaan, verscheen.De heer Western, die al deze verschijnselen bij zijne dochter toegeschreven had aan de gevolgen van haar val van het paard, gaf haar den raad zich dadelijk te doen aderlaten, om nog grooter onheil te voorkomen. In dit gevoelen werd hij ondersteund door den heelmeester, die zoovele redenen daarvoor aanvoerde en zoovele gevallen opsomde van miskramen, alleen omdat men het aderlaten verzuimd had, dat de landjonker zeer lastig werd op dat punt en inderdaad ten stelligste eischte, dat zijne dochter zich wat bloed zou laten afnemen.Sophia bezweek weldra voor de bevelen van haar vader,[176]hoewel die geheel in strijd waren met hare eigene overtuiging, want zij vreesde, naar ik vermoed, veel minder erge gevolgen van den schrik dan haar vader of de geneesheer.Zij strekte dus den schoonen arm uit en de heelmeester begon zich voor zijn werk gereed te maken.Terwijl de dienstboden bezig waren met het noodige er bij te halen, begon de heelmeester, die Sophia’s onwilligheid aan vrees toeschreef, haar te troosten met de verzekering dat er geen het minste gevaar te duchten was; want, zeide hij, er kon bij het aderlaten geen ongeluk plaats hebben, zonder de monsterachtige onkunde van een kwakzalver, welke hij tamelijk onbewimpeld te verstaan gaf, dat nu niet te vreezen was.Sophia verklaarde, dat zij hoegenaamd geen angst gevoelde, en voegde er bij: „Als gij de slagader raakt, schenk ik u vooraf mijne vergiffenis.”„Zoo!” riep Western. „Ik niet; om den drommel niet! Als hij u het minste kwaad doet, wil ik verd.… worden, als hij het zelf er levend afbrengt!”De heelmeester nam aan haar op deze voorwaarden ader te laten, en ging nu tot die operatie over, welke hij met de beloofde behendigheid, en ook met den meesten spoed volbragt; want hij nam haar slechts weinig bloed af, verzekerende dat het veiliger was om dat bij herhaling te doen, dan om te veel tegelijk af te tappen.Zoodra Sophia’s arm verbonden was, verwijderde zij zich; want zij wenschte niet (en het zou ook welligt niet al te gepast geweest zijn), bij hetgeen met Jones volgen moest, tegenwoordig te zijn. Inderdaad, één bezwaar, dat zij tegen het aderlaten had (hoewel zij het niet uitte), was het oponthoud, dat het veroorzaken zoude met het zetten van den arm. Want Western, als er sprake was van Sophia, dacht alleen aan haar, en wat Jones betreft, hij zat geduldig als een lam zijn eigen pijn te dragen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het bloed zag vloeijen uit Sophia’s schoonen arm, dacht hij naauwelijks aan hetgeen hem zelven overkomen was.De heelmeester beval nu den patient tot op het hemd uit te kleeden, en den arm geheel en al ontblootende, begon hij er aan te trekken en hem te onderzoeken op zulk[177]eene wijze, dat die marteling Jones eenige scheve gezigten deed trekken, welke de heelmeester zag en zeer verbaasd uitriep: „Wat scheelt er aan, mijn heer? Het is onmogelijk dat ik u pijn doe!”Daarop, den gebroken arm ophoudende, begon hij eene zeer lange en zeer geleerde anatomische verhandeling te houden, waarin hij zeer uitvoerig sprak over enkele en dubbele breuken, en de verschillende wijzen uitlegde, waarop Jones den arm had kunnen breken, met allerlei opmerkingen daarbij, om te bewijzen, dat sommige gevallen veel erger waren en sommige veel beter dan het onderhavige.Eindelijk, gedaan hebbende met zijne uitgewerkte redevoering, waardoor zijn gehoor, hoewel men hem oplettend en met veel bewondering aanstaarde, weinig gesticht was, daar men eigenlijk geen woord begreep van hetgeen hij vertelde, ging hij aan het werk, dat hij sneller afmaakte dan hij het begonnen was.Hij beval toen Jones naar bed te gaan, wat de heer Western hem dwong dáár te doen, en veroordeelde hem verder om niets dan wat grutten te gebruiken.Onder de toeschouwers in de kamer, terwijl de arm gezet werd, bevond zich ook juffer Honour, die geroepen zijnde door hare meesteresse toen alles gedaan was, ook gevraagd werd hoe de jonge heer het maakte, waarop zij dadelijk uitweidde in buitensporige loftuitingen over de heldhaftigheid, zoo als zij het noemde, van zijn gedrag, wat zij „betooverend vond,” zeide zij, „in zulk een beeldschoon jong mensch.” Daarop uitte zij nog vurige lofspraken op zijne schoonheid, vele bijzonderheden opsommende, en eindigende met de blankheid van zijn vel.Deze woorden hadden eene uitwerking op hare meesteresse, welke der sluwe dienaresse misschien niet ontgaan zou zijn, als zij slechts eenmaal onder het spreken hare dame aangezien had: daar echter een spiegel, die, zeer te pas, vlak tegenover haar hing, haar de gelegenheid verschafte om die gelaatstrekken te aanschouwen, welke zij boven alle andere het meest bewonderde, had zij niet ééns onder hare geheele redevoering haar oog van dat beminde voorwerp laten gaan.Jufvrouw Honour dus was zoodanig verdiept in het onderwerp waarover zij hare tong liet uitweiden, en in de beschouwing[178]van hetgeen zij zelve voor oogen had, dat zij hare meesteresse den tijd liet om hare verwarring meester te worden, waarop zij glimlachte en tot hare kamenier zeide, „dat die zeker op dien jongen heer verliefd was!”„Ik verliefd, jufvrouw!” riep deze. „Wel jufvrouw! Op mijn woord van eer dat ben ik niet!”„Nu, en al waart ge verliefd, dat zou geene schande zijn; want hij is zeker een heel knappe jongen,” zei hare meesteresse.„Ja, jufvrouw,” hernam de andere, „dat is waar! Hij is het knapste manspersoon, dien ik van mijn leven gezien heb! Ja, dat is waar, en, gelijk gij zegt, jufvrouw, ik weet niet waarom ik mij schamen zou als ik op hem verliefd was,—al is hij ook van een anderen stand dan ik. Want de groote luî zijn toch maar vleesch en bloed, even als wij arme dienstboden. Bovendien, wat mijnheer Jones aangaat, hoewel mijnheer Allworthy een fatsoenlijk man van hem gemaakt heeft, is hij van afkomst niet zoo goed als ik; want, al ben ik slechts eene arme ziel, ben ik toch eerlijke luî’s kind, en mijn vader en moeder waren getrouwd, wat meer is dan sommige menschen, die nu zoo grootsch doen, van de hunne kunnen getuigen. Wel kom aan! ’t Is me wat liefs! Al is zijn vel nog zoo blank,—en dat is waar, blanker kon het niet zijn,—ben ik een Christen mensch net zoo goed als hij, en geen mensch kan zeggen dat ik niet van eerlijke ouders ben;—mijn grootvader was ook geestelijke1en hij zou wat kwaad zijn geweest als iemand van zijne familie zich met zoo’n vuile Molly Seagrim haar afval had willen behelpen!”Misschien had Sophia, uit gebrek aan moed om haar te doen stilzwijgen, wat, gelijk de lezer begrijpt, geene zeer gemakkelijke taak was, hare kamenier op deze wijze laten doorslaan; want, voorzeker, waren er eenige dingen in hetgeen[179]zij zeide, die de dame volstrekt niet aanstonden. Daar er echter geen einde kwam aan den stroom der woorden, begreep zij dat het tijd werd dien te stuiten.„Ik ben er verbaasd over,” zeide zij, „dat gij het waagt op zulk een toon te spreken over een van mijn vaders vrienden. Wat het meisje aangaat, ik verzoek u haar nooit in mijn bijzijn te noemen. En ten opzigte van de geboorte van den jongen heer zelven, als men niets meer tot zijn nadeel kan zeggen, dan is het wel zoo goed daarover te zwijgen, gelijk ik u verzoek voortaan te doen.”„Het spijt me zeer, jufvrouw,” hernam Honour, „dat ik u beleedigd heb. Ik weet zeker dat ik Molly Seagrim evenzeer verfoei als gij dat zelve doen kunt, en wat het kwaadspreken over mijnheer Jones aangaat, ik kan alle dienstboden in huis tot getuigen roepen, dat als er ooit sprake is van onechte kinderen, ik altijd partij voor hem getrokken heb. „Want, wie van u,” zei ik tot den knecht, „zou geen onecht kind willen wezen, als hij het maar worden kon, om een mijnheer te zijn?” zei ik. „En hij is zeker een heele mijnheer, en heeft zulke blanke vingers als iemand ter wereld,” zei ik, „dat is waar! En hij is een der vriendelijkste, beleefdste heeren, die men zich denken kan,” zei ik, en al de dienstboden en al de buren in het rond houden van hem. „En—ja,—het is waar,—maar ik vrees u kwaad te maken als ik het u vertelde,—”„Wat zoudt ge me kunnen vertellen, Honour?” vroeg Sophia.„Wel, jufvrouw,—’t is ook waar, dat hij er niets mede bedoelde, daarom hoop ik, dat het u niet kwaad zal maken.”„Vertel nu maar wat ge bedoelt,” zei Sophia. „Ik moet het dadelijk weten!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verleden week, kwam hij in de kamer waar ik zat te werken, en daar lag uw mof op een stoel, en hij stak er de handen in,—het was de mof die, gij me gisteren gegeven hebt.—„Wel, mijnheer Jones,” zei ik, „ge zult de mof van de jufvrouw heel en al uit elkaar rekken en bederven!” Maar hij hield er de handen nog in, en toen kuste hij ze;—zoo’n kus heb ik van mijn leven niet gezien!”[180]„Hij zal wel niet geweten hebben dat ze mij toebehoorde,” zei Sophia.„Dat zult gij wel hooren, jufvrouw! Hij kuste ze en kuste ze weer, en zeide, dat het de mooiste mof was die hij ooit gezien had. „Wel, mijnheer,” zei ik, „ge hebt ze wel honderdmaal gezien!” „Ja, jufvrouw Honour,” riep hij, „dat is mogelijk; maar wie kan iets anders zien als uwe schoone meesteresse zelve dáár is?” En dat was niet alles; maar ik hoop, dat het u niet kwaad zal maken; want hij bedoelde er zeker niets mede; maar, op zekeren dag, toen gij aan de klavecimbel zat voor mijnheer te spelen, bevond zich mijnheer Jones in de kamer daarnaast en het kwam mij voor, dat hij er zeer bedroefd uitzag. „Nu, mijnheer Jones,” zei ik, „ik zou wel willen weten, waar gij aan denkt!” „Wel, meisje!” riep hij, uit zijn droom opschrikkende, „waar zou ik aan denken als die engel, uwe meesteresse, speelt!” En mij daarop bij de hand grijpende, „o, jufvrouw Honour,” zeide hij, „hoe gelukkig zal de man zijn, die—” en daar zuchtte hij;—op mijn woord zijn adem is zoo geurig als een ruiker;—maar wezenlijk, hij bedoelde er niets kwaads mede. Dus hoop ik, jufvrouw, dat gij er geen woord over spreken zult; want hij gaf me een daalder om er niets van te zeggen, en liet me er een eed op zweren,—op een boek,—maar ik geloof niet, dat het de Bijbel was.”Tot men iets schooners dan het vermiljoen uitgevonden zal hebben, zal ik er niets van zeggen hoe Sophia bij deze gelegenheid bloosde.„O … Honour!” zeide zij, „ik—ik—als gij belooft mij niets meer hierover te zeggen,—en—niemand anders ook, dan zal ik u niet verklappen,—ik meen dan zal ik niet meer boos op u zijn;—maar ik ben wezenlijk bang voor uwe praatjes! Waarom, meisje, geeft ge uwe tong zooveel vrijheid?”„Wel, jufvrouw!” hernam de andere; „ik zou me liever de tong afbijten, dan iets zeggen om u te beleedigen! Gij kunt er gerust op aan, dat ik nooit iets zal oververtellen, dat gij wenscht verzwegen te hebben!”„Nu dan,” hernam Sophia, „ik wilde wel, dat gij hiervan verder zweegt; want het kon mijn vader ter ooren komen,[181]en hij zou boos worden op mijnheer Jones,—hoewel hij zeker, zooals gij zegt, er niets bij bedoelde. Ik zou zelve heel boos zijn, als ik me verbeeldde—”„Neen, jufvrouw!” riep Honour, „ik verklaar dat ik heilig geloof, dat hij er niets meê bedoelde! Ik dacht wel, dat hij als een gek praatte;—ja, hij zei zelf, dat hij dacht dat hij gek was, om zoo iets te zeggen. „Ja, mijnheer,” zei ik, „dat geloof ik ook.” „Ja, Honour,” zeide hij—maar ik vraag vergiffenis, jufvrouw! Daar verpraat ik me weder! Ik zou me de tong willen afbijten!”„Ga maar voort,” zei Sophia, „als er iets meer is, kunt ge het me wel vertellen.”„Ja, Honour,” zeide hij, „—dit was nog wat later, toen hij mij den daalder gaf,—„ik ben noch zulk een kwast noch zulk een schurk, dat ik anders aan haar zou denken, dan als aan eene godin; en als zoodanige zal ik haar altijd beminnen en aanbidden zoolang ik leef!” Dat was alles, jufvrouw, dat ik me herinneren kan, daar wil ik een eed op doen. Ik was zelve heel kwaad op hem, tot ik ontdekte, dat hij er niets kwaads mede bedoelde.”„Ik geloof wezenlijk, Honour,” hernam Sophia, „dat ge opregt veel van mij houdt;—ik was verleden, toen ik u de dienst opzeide, heel boos op u; maar, als ge wenscht nog bij me te blijven, dan moogt ge dat doen.”„O wezenlijk, jufvrouw,” antwoordde Honour, „ik verlang niets liever dan altijd bij u te blijven. Wezenlijk, ik schreide me haast blind, toen gij mij de dienst opzeidet. Het zou zeer ondankbaar van mij zijn, als ik u verlaten wilde;—omdat ik zeker nooit weder zoo’n goede dienst zou krijgen. Ja, jufvrouw, ik zou bij u willen leven en sterven; want, zooals die arme mijnheer Jones zeide,—gelukkig de man, die—”Hier stoorde de etensklok een gesprek, dat zooveel indruk op Sophia maakte, dat zij misschien meer moest danken aan de aderlating van dien morgen, dan zij zelve veronderstelde. Wat den tegenwoordigen toestand van haar gemoed betreft, ik zal mij aan een stelregel van Horatius houden, als ik, uit wanhoop van te slagen, niet op mij neem dien te beschrijven. De meeste mijner lezers kunnen zich dat voorstellen, en de weinigen, die dat niet kunnen, zouden[182]de schildering niet begrijpen, of verklaren dat ze onnatuurlijk was, al teekende ik ze nog zoo goed.1Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is.Noot van den Schr.↑

[Inhoud]Hoofdstuk XIV.De aankomst van een heelmeester. Zijne operatiën en een lang gesprek tusschen Sophia en hare kamenier.Zoodra zij bij den heer Western in huis traden, zeeg Sophia, die slechts met groote inspanning zich zoo lang goed gehouden had, op een stoel neder; maar, door het gebruik van hartshoorn en water werd eene onmagt voorkomen, en zij was bijkans geheel hersteld, toen de heelmeester, om wien men gezonden had om Jones bijtestaan, verscheen.De heer Western, die al deze verschijnselen bij zijne dochter toegeschreven had aan de gevolgen van haar val van het paard, gaf haar den raad zich dadelijk te doen aderlaten, om nog grooter onheil te voorkomen. In dit gevoelen werd hij ondersteund door den heelmeester, die zoovele redenen daarvoor aanvoerde en zoovele gevallen opsomde van miskramen, alleen omdat men het aderlaten verzuimd had, dat de landjonker zeer lastig werd op dat punt en inderdaad ten stelligste eischte, dat zijne dochter zich wat bloed zou laten afnemen.Sophia bezweek weldra voor de bevelen van haar vader,[176]hoewel die geheel in strijd waren met hare eigene overtuiging, want zij vreesde, naar ik vermoed, veel minder erge gevolgen van den schrik dan haar vader of de geneesheer.Zij strekte dus den schoonen arm uit en de heelmeester begon zich voor zijn werk gereed te maken.Terwijl de dienstboden bezig waren met het noodige er bij te halen, begon de heelmeester, die Sophia’s onwilligheid aan vrees toeschreef, haar te troosten met de verzekering dat er geen het minste gevaar te duchten was; want, zeide hij, er kon bij het aderlaten geen ongeluk plaats hebben, zonder de monsterachtige onkunde van een kwakzalver, welke hij tamelijk onbewimpeld te verstaan gaf, dat nu niet te vreezen was.Sophia verklaarde, dat zij hoegenaamd geen angst gevoelde, en voegde er bij: „Als gij de slagader raakt, schenk ik u vooraf mijne vergiffenis.”„Zoo!” riep Western. „Ik niet; om den drommel niet! Als hij u het minste kwaad doet, wil ik verd.… worden, als hij het zelf er levend afbrengt!”De heelmeester nam aan haar op deze voorwaarden ader te laten, en ging nu tot die operatie over, welke hij met de beloofde behendigheid, en ook met den meesten spoed volbragt; want hij nam haar slechts weinig bloed af, verzekerende dat het veiliger was om dat bij herhaling te doen, dan om te veel tegelijk af te tappen.Zoodra Sophia’s arm verbonden was, verwijderde zij zich; want zij wenschte niet (en het zou ook welligt niet al te gepast geweest zijn), bij hetgeen met Jones volgen moest, tegenwoordig te zijn. Inderdaad, één bezwaar, dat zij tegen het aderlaten had (hoewel zij het niet uitte), was het oponthoud, dat het veroorzaken zoude met het zetten van den arm. Want Western, als er sprake was van Sophia, dacht alleen aan haar, en wat Jones betreft, hij zat geduldig als een lam zijn eigen pijn te dragen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het bloed zag vloeijen uit Sophia’s schoonen arm, dacht hij naauwelijks aan hetgeen hem zelven overkomen was.De heelmeester beval nu den patient tot op het hemd uit te kleeden, en den arm geheel en al ontblootende, begon hij er aan te trekken en hem te onderzoeken op zulk[177]eene wijze, dat die marteling Jones eenige scheve gezigten deed trekken, welke de heelmeester zag en zeer verbaasd uitriep: „Wat scheelt er aan, mijn heer? Het is onmogelijk dat ik u pijn doe!”Daarop, den gebroken arm ophoudende, begon hij eene zeer lange en zeer geleerde anatomische verhandeling te houden, waarin hij zeer uitvoerig sprak over enkele en dubbele breuken, en de verschillende wijzen uitlegde, waarop Jones den arm had kunnen breken, met allerlei opmerkingen daarbij, om te bewijzen, dat sommige gevallen veel erger waren en sommige veel beter dan het onderhavige.Eindelijk, gedaan hebbende met zijne uitgewerkte redevoering, waardoor zijn gehoor, hoewel men hem oplettend en met veel bewondering aanstaarde, weinig gesticht was, daar men eigenlijk geen woord begreep van hetgeen hij vertelde, ging hij aan het werk, dat hij sneller afmaakte dan hij het begonnen was.Hij beval toen Jones naar bed te gaan, wat de heer Western hem dwong dáár te doen, en veroordeelde hem verder om niets dan wat grutten te gebruiken.Onder de toeschouwers in de kamer, terwijl de arm gezet werd, bevond zich ook juffer Honour, die geroepen zijnde door hare meesteresse toen alles gedaan was, ook gevraagd werd hoe de jonge heer het maakte, waarop zij dadelijk uitweidde in buitensporige loftuitingen over de heldhaftigheid, zoo als zij het noemde, van zijn gedrag, wat zij „betooverend vond,” zeide zij, „in zulk een beeldschoon jong mensch.” Daarop uitte zij nog vurige lofspraken op zijne schoonheid, vele bijzonderheden opsommende, en eindigende met de blankheid van zijn vel.Deze woorden hadden eene uitwerking op hare meesteresse, welke der sluwe dienaresse misschien niet ontgaan zou zijn, als zij slechts eenmaal onder het spreken hare dame aangezien had: daar echter een spiegel, die, zeer te pas, vlak tegenover haar hing, haar de gelegenheid verschafte om die gelaatstrekken te aanschouwen, welke zij boven alle andere het meest bewonderde, had zij niet ééns onder hare geheele redevoering haar oog van dat beminde voorwerp laten gaan.Jufvrouw Honour dus was zoodanig verdiept in het onderwerp waarover zij hare tong liet uitweiden, en in de beschouwing[178]van hetgeen zij zelve voor oogen had, dat zij hare meesteresse den tijd liet om hare verwarring meester te worden, waarop zij glimlachte en tot hare kamenier zeide, „dat die zeker op dien jongen heer verliefd was!”„Ik verliefd, jufvrouw!” riep deze. „Wel jufvrouw! Op mijn woord van eer dat ben ik niet!”„Nu, en al waart ge verliefd, dat zou geene schande zijn; want hij is zeker een heel knappe jongen,” zei hare meesteresse.„Ja, jufvrouw,” hernam de andere, „dat is waar! Hij is het knapste manspersoon, dien ik van mijn leven gezien heb! Ja, dat is waar, en, gelijk gij zegt, jufvrouw, ik weet niet waarom ik mij schamen zou als ik op hem verliefd was,—al is hij ook van een anderen stand dan ik. Want de groote luî zijn toch maar vleesch en bloed, even als wij arme dienstboden. Bovendien, wat mijnheer Jones aangaat, hoewel mijnheer Allworthy een fatsoenlijk man van hem gemaakt heeft, is hij van afkomst niet zoo goed als ik; want, al ben ik slechts eene arme ziel, ben ik toch eerlijke luî’s kind, en mijn vader en moeder waren getrouwd, wat meer is dan sommige menschen, die nu zoo grootsch doen, van de hunne kunnen getuigen. Wel kom aan! ’t Is me wat liefs! Al is zijn vel nog zoo blank,—en dat is waar, blanker kon het niet zijn,—ben ik een Christen mensch net zoo goed als hij, en geen mensch kan zeggen dat ik niet van eerlijke ouders ben;—mijn grootvader was ook geestelijke1en hij zou wat kwaad zijn geweest als iemand van zijne familie zich met zoo’n vuile Molly Seagrim haar afval had willen behelpen!”Misschien had Sophia, uit gebrek aan moed om haar te doen stilzwijgen, wat, gelijk de lezer begrijpt, geene zeer gemakkelijke taak was, hare kamenier op deze wijze laten doorslaan; want, voorzeker, waren er eenige dingen in hetgeen[179]zij zeide, die de dame volstrekt niet aanstonden. Daar er echter geen einde kwam aan den stroom der woorden, begreep zij dat het tijd werd dien te stuiten.„Ik ben er verbaasd over,” zeide zij, „dat gij het waagt op zulk een toon te spreken over een van mijn vaders vrienden. Wat het meisje aangaat, ik verzoek u haar nooit in mijn bijzijn te noemen. En ten opzigte van de geboorte van den jongen heer zelven, als men niets meer tot zijn nadeel kan zeggen, dan is het wel zoo goed daarover te zwijgen, gelijk ik u verzoek voortaan te doen.”„Het spijt me zeer, jufvrouw,” hernam Honour, „dat ik u beleedigd heb. Ik weet zeker dat ik Molly Seagrim evenzeer verfoei als gij dat zelve doen kunt, en wat het kwaadspreken over mijnheer Jones aangaat, ik kan alle dienstboden in huis tot getuigen roepen, dat als er ooit sprake is van onechte kinderen, ik altijd partij voor hem getrokken heb. „Want, wie van u,” zei ik tot den knecht, „zou geen onecht kind willen wezen, als hij het maar worden kon, om een mijnheer te zijn?” zei ik. „En hij is zeker een heele mijnheer, en heeft zulke blanke vingers als iemand ter wereld,” zei ik, „dat is waar! En hij is een der vriendelijkste, beleefdste heeren, die men zich denken kan,” zei ik, en al de dienstboden en al de buren in het rond houden van hem. „En—ja,—het is waar,—maar ik vrees u kwaad te maken als ik het u vertelde,—”„Wat zoudt ge me kunnen vertellen, Honour?” vroeg Sophia.„Wel, jufvrouw,—’t is ook waar, dat hij er niets mede bedoelde, daarom hoop ik, dat het u niet kwaad zal maken.”„Vertel nu maar wat ge bedoelt,” zei Sophia. „Ik moet het dadelijk weten!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verleden week, kwam hij in de kamer waar ik zat te werken, en daar lag uw mof op een stoel, en hij stak er de handen in,—het was de mof die, gij me gisteren gegeven hebt.—„Wel, mijnheer Jones,” zei ik, „ge zult de mof van de jufvrouw heel en al uit elkaar rekken en bederven!” Maar hij hield er de handen nog in, en toen kuste hij ze;—zoo’n kus heb ik van mijn leven niet gezien!”[180]„Hij zal wel niet geweten hebben dat ze mij toebehoorde,” zei Sophia.„Dat zult gij wel hooren, jufvrouw! Hij kuste ze en kuste ze weer, en zeide, dat het de mooiste mof was die hij ooit gezien had. „Wel, mijnheer,” zei ik, „ge hebt ze wel honderdmaal gezien!” „Ja, jufvrouw Honour,” riep hij, „dat is mogelijk; maar wie kan iets anders zien als uwe schoone meesteresse zelve dáár is?” En dat was niet alles; maar ik hoop, dat het u niet kwaad zal maken; want hij bedoelde er zeker niets mede; maar, op zekeren dag, toen gij aan de klavecimbel zat voor mijnheer te spelen, bevond zich mijnheer Jones in de kamer daarnaast en het kwam mij voor, dat hij er zeer bedroefd uitzag. „Nu, mijnheer Jones,” zei ik, „ik zou wel willen weten, waar gij aan denkt!” „Wel, meisje!” riep hij, uit zijn droom opschrikkende, „waar zou ik aan denken als die engel, uwe meesteresse, speelt!” En mij daarop bij de hand grijpende, „o, jufvrouw Honour,” zeide hij, „hoe gelukkig zal de man zijn, die—” en daar zuchtte hij;—op mijn woord zijn adem is zoo geurig als een ruiker;—maar wezenlijk, hij bedoelde er niets kwaads mede. Dus hoop ik, jufvrouw, dat gij er geen woord over spreken zult; want hij gaf me een daalder om er niets van te zeggen, en liet me er een eed op zweren,—op een boek,—maar ik geloof niet, dat het de Bijbel was.”Tot men iets schooners dan het vermiljoen uitgevonden zal hebben, zal ik er niets van zeggen hoe Sophia bij deze gelegenheid bloosde.„O … Honour!” zeide zij, „ik—ik—als gij belooft mij niets meer hierover te zeggen,—en—niemand anders ook, dan zal ik u niet verklappen,—ik meen dan zal ik niet meer boos op u zijn;—maar ik ben wezenlijk bang voor uwe praatjes! Waarom, meisje, geeft ge uwe tong zooveel vrijheid?”„Wel, jufvrouw!” hernam de andere; „ik zou me liever de tong afbijten, dan iets zeggen om u te beleedigen! Gij kunt er gerust op aan, dat ik nooit iets zal oververtellen, dat gij wenscht verzwegen te hebben!”„Nu dan,” hernam Sophia, „ik wilde wel, dat gij hiervan verder zweegt; want het kon mijn vader ter ooren komen,[181]en hij zou boos worden op mijnheer Jones,—hoewel hij zeker, zooals gij zegt, er niets bij bedoelde. Ik zou zelve heel boos zijn, als ik me verbeeldde—”„Neen, jufvrouw!” riep Honour, „ik verklaar dat ik heilig geloof, dat hij er niets meê bedoelde! Ik dacht wel, dat hij als een gek praatte;—ja, hij zei zelf, dat hij dacht dat hij gek was, om zoo iets te zeggen. „Ja, mijnheer,” zei ik, „dat geloof ik ook.” „Ja, Honour,” zeide hij—maar ik vraag vergiffenis, jufvrouw! Daar verpraat ik me weder! Ik zou me de tong willen afbijten!”„Ga maar voort,” zei Sophia, „als er iets meer is, kunt ge het me wel vertellen.”„Ja, Honour,” zeide hij, „—dit was nog wat later, toen hij mij den daalder gaf,—„ik ben noch zulk een kwast noch zulk een schurk, dat ik anders aan haar zou denken, dan als aan eene godin; en als zoodanige zal ik haar altijd beminnen en aanbidden zoolang ik leef!” Dat was alles, jufvrouw, dat ik me herinneren kan, daar wil ik een eed op doen. Ik was zelve heel kwaad op hem, tot ik ontdekte, dat hij er niets kwaads mede bedoelde.”„Ik geloof wezenlijk, Honour,” hernam Sophia, „dat ge opregt veel van mij houdt;—ik was verleden, toen ik u de dienst opzeide, heel boos op u; maar, als ge wenscht nog bij me te blijven, dan moogt ge dat doen.”„O wezenlijk, jufvrouw,” antwoordde Honour, „ik verlang niets liever dan altijd bij u te blijven. Wezenlijk, ik schreide me haast blind, toen gij mij de dienst opzeidet. Het zou zeer ondankbaar van mij zijn, als ik u verlaten wilde;—omdat ik zeker nooit weder zoo’n goede dienst zou krijgen. Ja, jufvrouw, ik zou bij u willen leven en sterven; want, zooals die arme mijnheer Jones zeide,—gelukkig de man, die—”Hier stoorde de etensklok een gesprek, dat zooveel indruk op Sophia maakte, dat zij misschien meer moest danken aan de aderlating van dien morgen, dan zij zelve veronderstelde. Wat den tegenwoordigen toestand van haar gemoed betreft, ik zal mij aan een stelregel van Horatius houden, als ik, uit wanhoop van te slagen, niet op mij neem dien te beschrijven. De meeste mijner lezers kunnen zich dat voorstellen, en de weinigen, die dat niet kunnen, zouden[182]de schildering niet begrijpen, of verklaren dat ze onnatuurlijk was, al teekende ik ze nog zoo goed.1Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is.Noot van den Schr.↑

Hoofdstuk XIV.De aankomst van een heelmeester. Zijne operatiën en een lang gesprek tusschen Sophia en hare kamenier.

Zoodra zij bij den heer Western in huis traden, zeeg Sophia, die slechts met groote inspanning zich zoo lang goed gehouden had, op een stoel neder; maar, door het gebruik van hartshoorn en water werd eene onmagt voorkomen, en zij was bijkans geheel hersteld, toen de heelmeester, om wien men gezonden had om Jones bijtestaan, verscheen.De heer Western, die al deze verschijnselen bij zijne dochter toegeschreven had aan de gevolgen van haar val van het paard, gaf haar den raad zich dadelijk te doen aderlaten, om nog grooter onheil te voorkomen. In dit gevoelen werd hij ondersteund door den heelmeester, die zoovele redenen daarvoor aanvoerde en zoovele gevallen opsomde van miskramen, alleen omdat men het aderlaten verzuimd had, dat de landjonker zeer lastig werd op dat punt en inderdaad ten stelligste eischte, dat zijne dochter zich wat bloed zou laten afnemen.Sophia bezweek weldra voor de bevelen van haar vader,[176]hoewel die geheel in strijd waren met hare eigene overtuiging, want zij vreesde, naar ik vermoed, veel minder erge gevolgen van den schrik dan haar vader of de geneesheer.Zij strekte dus den schoonen arm uit en de heelmeester begon zich voor zijn werk gereed te maken.Terwijl de dienstboden bezig waren met het noodige er bij te halen, begon de heelmeester, die Sophia’s onwilligheid aan vrees toeschreef, haar te troosten met de verzekering dat er geen het minste gevaar te duchten was; want, zeide hij, er kon bij het aderlaten geen ongeluk plaats hebben, zonder de monsterachtige onkunde van een kwakzalver, welke hij tamelijk onbewimpeld te verstaan gaf, dat nu niet te vreezen was.Sophia verklaarde, dat zij hoegenaamd geen angst gevoelde, en voegde er bij: „Als gij de slagader raakt, schenk ik u vooraf mijne vergiffenis.”„Zoo!” riep Western. „Ik niet; om den drommel niet! Als hij u het minste kwaad doet, wil ik verd.… worden, als hij het zelf er levend afbrengt!”De heelmeester nam aan haar op deze voorwaarden ader te laten, en ging nu tot die operatie over, welke hij met de beloofde behendigheid, en ook met den meesten spoed volbragt; want hij nam haar slechts weinig bloed af, verzekerende dat het veiliger was om dat bij herhaling te doen, dan om te veel tegelijk af te tappen.Zoodra Sophia’s arm verbonden was, verwijderde zij zich; want zij wenschte niet (en het zou ook welligt niet al te gepast geweest zijn), bij hetgeen met Jones volgen moest, tegenwoordig te zijn. Inderdaad, één bezwaar, dat zij tegen het aderlaten had (hoewel zij het niet uitte), was het oponthoud, dat het veroorzaken zoude met het zetten van den arm. Want Western, als er sprake was van Sophia, dacht alleen aan haar, en wat Jones betreft, hij zat geduldig als een lam zijn eigen pijn te dragen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het bloed zag vloeijen uit Sophia’s schoonen arm, dacht hij naauwelijks aan hetgeen hem zelven overkomen was.De heelmeester beval nu den patient tot op het hemd uit te kleeden, en den arm geheel en al ontblootende, begon hij er aan te trekken en hem te onderzoeken op zulk[177]eene wijze, dat die marteling Jones eenige scheve gezigten deed trekken, welke de heelmeester zag en zeer verbaasd uitriep: „Wat scheelt er aan, mijn heer? Het is onmogelijk dat ik u pijn doe!”Daarop, den gebroken arm ophoudende, begon hij eene zeer lange en zeer geleerde anatomische verhandeling te houden, waarin hij zeer uitvoerig sprak over enkele en dubbele breuken, en de verschillende wijzen uitlegde, waarop Jones den arm had kunnen breken, met allerlei opmerkingen daarbij, om te bewijzen, dat sommige gevallen veel erger waren en sommige veel beter dan het onderhavige.Eindelijk, gedaan hebbende met zijne uitgewerkte redevoering, waardoor zijn gehoor, hoewel men hem oplettend en met veel bewondering aanstaarde, weinig gesticht was, daar men eigenlijk geen woord begreep van hetgeen hij vertelde, ging hij aan het werk, dat hij sneller afmaakte dan hij het begonnen was.Hij beval toen Jones naar bed te gaan, wat de heer Western hem dwong dáár te doen, en veroordeelde hem verder om niets dan wat grutten te gebruiken.Onder de toeschouwers in de kamer, terwijl de arm gezet werd, bevond zich ook juffer Honour, die geroepen zijnde door hare meesteresse toen alles gedaan was, ook gevraagd werd hoe de jonge heer het maakte, waarop zij dadelijk uitweidde in buitensporige loftuitingen over de heldhaftigheid, zoo als zij het noemde, van zijn gedrag, wat zij „betooverend vond,” zeide zij, „in zulk een beeldschoon jong mensch.” Daarop uitte zij nog vurige lofspraken op zijne schoonheid, vele bijzonderheden opsommende, en eindigende met de blankheid van zijn vel.Deze woorden hadden eene uitwerking op hare meesteresse, welke der sluwe dienaresse misschien niet ontgaan zou zijn, als zij slechts eenmaal onder het spreken hare dame aangezien had: daar echter een spiegel, die, zeer te pas, vlak tegenover haar hing, haar de gelegenheid verschafte om die gelaatstrekken te aanschouwen, welke zij boven alle andere het meest bewonderde, had zij niet ééns onder hare geheele redevoering haar oog van dat beminde voorwerp laten gaan.Jufvrouw Honour dus was zoodanig verdiept in het onderwerp waarover zij hare tong liet uitweiden, en in de beschouwing[178]van hetgeen zij zelve voor oogen had, dat zij hare meesteresse den tijd liet om hare verwarring meester te worden, waarop zij glimlachte en tot hare kamenier zeide, „dat die zeker op dien jongen heer verliefd was!”„Ik verliefd, jufvrouw!” riep deze. „Wel jufvrouw! Op mijn woord van eer dat ben ik niet!”„Nu, en al waart ge verliefd, dat zou geene schande zijn; want hij is zeker een heel knappe jongen,” zei hare meesteresse.„Ja, jufvrouw,” hernam de andere, „dat is waar! Hij is het knapste manspersoon, dien ik van mijn leven gezien heb! Ja, dat is waar, en, gelijk gij zegt, jufvrouw, ik weet niet waarom ik mij schamen zou als ik op hem verliefd was,—al is hij ook van een anderen stand dan ik. Want de groote luî zijn toch maar vleesch en bloed, even als wij arme dienstboden. Bovendien, wat mijnheer Jones aangaat, hoewel mijnheer Allworthy een fatsoenlijk man van hem gemaakt heeft, is hij van afkomst niet zoo goed als ik; want, al ben ik slechts eene arme ziel, ben ik toch eerlijke luî’s kind, en mijn vader en moeder waren getrouwd, wat meer is dan sommige menschen, die nu zoo grootsch doen, van de hunne kunnen getuigen. Wel kom aan! ’t Is me wat liefs! Al is zijn vel nog zoo blank,—en dat is waar, blanker kon het niet zijn,—ben ik een Christen mensch net zoo goed als hij, en geen mensch kan zeggen dat ik niet van eerlijke ouders ben;—mijn grootvader was ook geestelijke1en hij zou wat kwaad zijn geweest als iemand van zijne familie zich met zoo’n vuile Molly Seagrim haar afval had willen behelpen!”Misschien had Sophia, uit gebrek aan moed om haar te doen stilzwijgen, wat, gelijk de lezer begrijpt, geene zeer gemakkelijke taak was, hare kamenier op deze wijze laten doorslaan; want, voorzeker, waren er eenige dingen in hetgeen[179]zij zeide, die de dame volstrekt niet aanstonden. Daar er echter geen einde kwam aan den stroom der woorden, begreep zij dat het tijd werd dien te stuiten.„Ik ben er verbaasd over,” zeide zij, „dat gij het waagt op zulk een toon te spreken over een van mijn vaders vrienden. Wat het meisje aangaat, ik verzoek u haar nooit in mijn bijzijn te noemen. En ten opzigte van de geboorte van den jongen heer zelven, als men niets meer tot zijn nadeel kan zeggen, dan is het wel zoo goed daarover te zwijgen, gelijk ik u verzoek voortaan te doen.”„Het spijt me zeer, jufvrouw,” hernam Honour, „dat ik u beleedigd heb. Ik weet zeker dat ik Molly Seagrim evenzeer verfoei als gij dat zelve doen kunt, en wat het kwaadspreken over mijnheer Jones aangaat, ik kan alle dienstboden in huis tot getuigen roepen, dat als er ooit sprake is van onechte kinderen, ik altijd partij voor hem getrokken heb. „Want, wie van u,” zei ik tot den knecht, „zou geen onecht kind willen wezen, als hij het maar worden kon, om een mijnheer te zijn?” zei ik. „En hij is zeker een heele mijnheer, en heeft zulke blanke vingers als iemand ter wereld,” zei ik, „dat is waar! En hij is een der vriendelijkste, beleefdste heeren, die men zich denken kan,” zei ik, en al de dienstboden en al de buren in het rond houden van hem. „En—ja,—het is waar,—maar ik vrees u kwaad te maken als ik het u vertelde,—”„Wat zoudt ge me kunnen vertellen, Honour?” vroeg Sophia.„Wel, jufvrouw,—’t is ook waar, dat hij er niets mede bedoelde, daarom hoop ik, dat het u niet kwaad zal maken.”„Vertel nu maar wat ge bedoelt,” zei Sophia. „Ik moet het dadelijk weten!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verleden week, kwam hij in de kamer waar ik zat te werken, en daar lag uw mof op een stoel, en hij stak er de handen in,—het was de mof die, gij me gisteren gegeven hebt.—„Wel, mijnheer Jones,” zei ik, „ge zult de mof van de jufvrouw heel en al uit elkaar rekken en bederven!” Maar hij hield er de handen nog in, en toen kuste hij ze;—zoo’n kus heb ik van mijn leven niet gezien!”[180]„Hij zal wel niet geweten hebben dat ze mij toebehoorde,” zei Sophia.„Dat zult gij wel hooren, jufvrouw! Hij kuste ze en kuste ze weer, en zeide, dat het de mooiste mof was die hij ooit gezien had. „Wel, mijnheer,” zei ik, „ge hebt ze wel honderdmaal gezien!” „Ja, jufvrouw Honour,” riep hij, „dat is mogelijk; maar wie kan iets anders zien als uwe schoone meesteresse zelve dáár is?” En dat was niet alles; maar ik hoop, dat het u niet kwaad zal maken; want hij bedoelde er zeker niets mede; maar, op zekeren dag, toen gij aan de klavecimbel zat voor mijnheer te spelen, bevond zich mijnheer Jones in de kamer daarnaast en het kwam mij voor, dat hij er zeer bedroefd uitzag. „Nu, mijnheer Jones,” zei ik, „ik zou wel willen weten, waar gij aan denkt!” „Wel, meisje!” riep hij, uit zijn droom opschrikkende, „waar zou ik aan denken als die engel, uwe meesteresse, speelt!” En mij daarop bij de hand grijpende, „o, jufvrouw Honour,” zeide hij, „hoe gelukkig zal de man zijn, die—” en daar zuchtte hij;—op mijn woord zijn adem is zoo geurig als een ruiker;—maar wezenlijk, hij bedoelde er niets kwaads mede. Dus hoop ik, jufvrouw, dat gij er geen woord over spreken zult; want hij gaf me een daalder om er niets van te zeggen, en liet me er een eed op zweren,—op een boek,—maar ik geloof niet, dat het de Bijbel was.”Tot men iets schooners dan het vermiljoen uitgevonden zal hebben, zal ik er niets van zeggen hoe Sophia bij deze gelegenheid bloosde.„O … Honour!” zeide zij, „ik—ik—als gij belooft mij niets meer hierover te zeggen,—en—niemand anders ook, dan zal ik u niet verklappen,—ik meen dan zal ik niet meer boos op u zijn;—maar ik ben wezenlijk bang voor uwe praatjes! Waarom, meisje, geeft ge uwe tong zooveel vrijheid?”„Wel, jufvrouw!” hernam de andere; „ik zou me liever de tong afbijten, dan iets zeggen om u te beleedigen! Gij kunt er gerust op aan, dat ik nooit iets zal oververtellen, dat gij wenscht verzwegen te hebben!”„Nu dan,” hernam Sophia, „ik wilde wel, dat gij hiervan verder zweegt; want het kon mijn vader ter ooren komen,[181]en hij zou boos worden op mijnheer Jones,—hoewel hij zeker, zooals gij zegt, er niets bij bedoelde. Ik zou zelve heel boos zijn, als ik me verbeeldde—”„Neen, jufvrouw!” riep Honour, „ik verklaar dat ik heilig geloof, dat hij er niets meê bedoelde! Ik dacht wel, dat hij als een gek praatte;—ja, hij zei zelf, dat hij dacht dat hij gek was, om zoo iets te zeggen. „Ja, mijnheer,” zei ik, „dat geloof ik ook.” „Ja, Honour,” zeide hij—maar ik vraag vergiffenis, jufvrouw! Daar verpraat ik me weder! Ik zou me de tong willen afbijten!”„Ga maar voort,” zei Sophia, „als er iets meer is, kunt ge het me wel vertellen.”„Ja, Honour,” zeide hij, „—dit was nog wat later, toen hij mij den daalder gaf,—„ik ben noch zulk een kwast noch zulk een schurk, dat ik anders aan haar zou denken, dan als aan eene godin; en als zoodanige zal ik haar altijd beminnen en aanbidden zoolang ik leef!” Dat was alles, jufvrouw, dat ik me herinneren kan, daar wil ik een eed op doen. Ik was zelve heel kwaad op hem, tot ik ontdekte, dat hij er niets kwaads mede bedoelde.”„Ik geloof wezenlijk, Honour,” hernam Sophia, „dat ge opregt veel van mij houdt;—ik was verleden, toen ik u de dienst opzeide, heel boos op u; maar, als ge wenscht nog bij me te blijven, dan moogt ge dat doen.”„O wezenlijk, jufvrouw,” antwoordde Honour, „ik verlang niets liever dan altijd bij u te blijven. Wezenlijk, ik schreide me haast blind, toen gij mij de dienst opzeidet. Het zou zeer ondankbaar van mij zijn, als ik u verlaten wilde;—omdat ik zeker nooit weder zoo’n goede dienst zou krijgen. Ja, jufvrouw, ik zou bij u willen leven en sterven; want, zooals die arme mijnheer Jones zeide,—gelukkig de man, die—”Hier stoorde de etensklok een gesprek, dat zooveel indruk op Sophia maakte, dat zij misschien meer moest danken aan de aderlating van dien morgen, dan zij zelve veronderstelde. Wat den tegenwoordigen toestand van haar gemoed betreft, ik zal mij aan een stelregel van Horatius houden, als ik, uit wanhoop van te slagen, niet op mij neem dien te beschrijven. De meeste mijner lezers kunnen zich dat voorstellen, en de weinigen, die dat niet kunnen, zouden[182]de schildering niet begrijpen, of verklaren dat ze onnatuurlijk was, al teekende ik ze nog zoo goed.

Zoodra zij bij den heer Western in huis traden, zeeg Sophia, die slechts met groote inspanning zich zoo lang goed gehouden had, op een stoel neder; maar, door het gebruik van hartshoorn en water werd eene onmagt voorkomen, en zij was bijkans geheel hersteld, toen de heelmeester, om wien men gezonden had om Jones bijtestaan, verscheen.

De heer Western, die al deze verschijnselen bij zijne dochter toegeschreven had aan de gevolgen van haar val van het paard, gaf haar den raad zich dadelijk te doen aderlaten, om nog grooter onheil te voorkomen. In dit gevoelen werd hij ondersteund door den heelmeester, die zoovele redenen daarvoor aanvoerde en zoovele gevallen opsomde van miskramen, alleen omdat men het aderlaten verzuimd had, dat de landjonker zeer lastig werd op dat punt en inderdaad ten stelligste eischte, dat zijne dochter zich wat bloed zou laten afnemen.

Sophia bezweek weldra voor de bevelen van haar vader,[176]hoewel die geheel in strijd waren met hare eigene overtuiging, want zij vreesde, naar ik vermoed, veel minder erge gevolgen van den schrik dan haar vader of de geneesheer.

Zij strekte dus den schoonen arm uit en de heelmeester begon zich voor zijn werk gereed te maken.

Terwijl de dienstboden bezig waren met het noodige er bij te halen, begon de heelmeester, die Sophia’s onwilligheid aan vrees toeschreef, haar te troosten met de verzekering dat er geen het minste gevaar te duchten was; want, zeide hij, er kon bij het aderlaten geen ongeluk plaats hebben, zonder de monsterachtige onkunde van een kwakzalver, welke hij tamelijk onbewimpeld te verstaan gaf, dat nu niet te vreezen was.

Sophia verklaarde, dat zij hoegenaamd geen angst gevoelde, en voegde er bij: „Als gij de slagader raakt, schenk ik u vooraf mijne vergiffenis.”

„Zoo!” riep Western. „Ik niet; om den drommel niet! Als hij u het minste kwaad doet, wil ik verd.… worden, als hij het zelf er levend afbrengt!”

De heelmeester nam aan haar op deze voorwaarden ader te laten, en ging nu tot die operatie over, welke hij met de beloofde behendigheid, en ook met den meesten spoed volbragt; want hij nam haar slechts weinig bloed af, verzekerende dat het veiliger was om dat bij herhaling te doen, dan om te veel tegelijk af te tappen.

Zoodra Sophia’s arm verbonden was, verwijderde zij zich; want zij wenschte niet (en het zou ook welligt niet al te gepast geweest zijn), bij hetgeen met Jones volgen moest, tegenwoordig te zijn. Inderdaad, één bezwaar, dat zij tegen het aderlaten had (hoewel zij het niet uitte), was het oponthoud, dat het veroorzaken zoude met het zetten van den arm. Want Western, als er sprake was van Sophia, dacht alleen aan haar, en wat Jones betreft, hij zat geduldig als een lam zijn eigen pijn te dragen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het bloed zag vloeijen uit Sophia’s schoonen arm, dacht hij naauwelijks aan hetgeen hem zelven overkomen was.

De heelmeester beval nu den patient tot op het hemd uit te kleeden, en den arm geheel en al ontblootende, begon hij er aan te trekken en hem te onderzoeken op zulk[177]eene wijze, dat die marteling Jones eenige scheve gezigten deed trekken, welke de heelmeester zag en zeer verbaasd uitriep: „Wat scheelt er aan, mijn heer? Het is onmogelijk dat ik u pijn doe!”

Daarop, den gebroken arm ophoudende, begon hij eene zeer lange en zeer geleerde anatomische verhandeling te houden, waarin hij zeer uitvoerig sprak over enkele en dubbele breuken, en de verschillende wijzen uitlegde, waarop Jones den arm had kunnen breken, met allerlei opmerkingen daarbij, om te bewijzen, dat sommige gevallen veel erger waren en sommige veel beter dan het onderhavige.

Eindelijk, gedaan hebbende met zijne uitgewerkte redevoering, waardoor zijn gehoor, hoewel men hem oplettend en met veel bewondering aanstaarde, weinig gesticht was, daar men eigenlijk geen woord begreep van hetgeen hij vertelde, ging hij aan het werk, dat hij sneller afmaakte dan hij het begonnen was.

Hij beval toen Jones naar bed te gaan, wat de heer Western hem dwong dáár te doen, en veroordeelde hem verder om niets dan wat grutten te gebruiken.

Onder de toeschouwers in de kamer, terwijl de arm gezet werd, bevond zich ook juffer Honour, die geroepen zijnde door hare meesteresse toen alles gedaan was, ook gevraagd werd hoe de jonge heer het maakte, waarop zij dadelijk uitweidde in buitensporige loftuitingen over de heldhaftigheid, zoo als zij het noemde, van zijn gedrag, wat zij „betooverend vond,” zeide zij, „in zulk een beeldschoon jong mensch.” Daarop uitte zij nog vurige lofspraken op zijne schoonheid, vele bijzonderheden opsommende, en eindigende met de blankheid van zijn vel.

Deze woorden hadden eene uitwerking op hare meesteresse, welke der sluwe dienaresse misschien niet ontgaan zou zijn, als zij slechts eenmaal onder het spreken hare dame aangezien had: daar echter een spiegel, die, zeer te pas, vlak tegenover haar hing, haar de gelegenheid verschafte om die gelaatstrekken te aanschouwen, welke zij boven alle andere het meest bewonderde, had zij niet ééns onder hare geheele redevoering haar oog van dat beminde voorwerp laten gaan.

Jufvrouw Honour dus was zoodanig verdiept in het onderwerp waarover zij hare tong liet uitweiden, en in de beschouwing[178]van hetgeen zij zelve voor oogen had, dat zij hare meesteresse den tijd liet om hare verwarring meester te worden, waarop zij glimlachte en tot hare kamenier zeide, „dat die zeker op dien jongen heer verliefd was!”

„Ik verliefd, jufvrouw!” riep deze. „Wel jufvrouw! Op mijn woord van eer dat ben ik niet!”

„Nu, en al waart ge verliefd, dat zou geene schande zijn; want hij is zeker een heel knappe jongen,” zei hare meesteresse.

„Ja, jufvrouw,” hernam de andere, „dat is waar! Hij is het knapste manspersoon, dien ik van mijn leven gezien heb! Ja, dat is waar, en, gelijk gij zegt, jufvrouw, ik weet niet waarom ik mij schamen zou als ik op hem verliefd was,—al is hij ook van een anderen stand dan ik. Want de groote luî zijn toch maar vleesch en bloed, even als wij arme dienstboden. Bovendien, wat mijnheer Jones aangaat, hoewel mijnheer Allworthy een fatsoenlijk man van hem gemaakt heeft, is hij van afkomst niet zoo goed als ik; want, al ben ik slechts eene arme ziel, ben ik toch eerlijke luî’s kind, en mijn vader en moeder waren getrouwd, wat meer is dan sommige menschen, die nu zoo grootsch doen, van de hunne kunnen getuigen. Wel kom aan! ’t Is me wat liefs! Al is zijn vel nog zoo blank,—en dat is waar, blanker kon het niet zijn,—ben ik een Christen mensch net zoo goed als hij, en geen mensch kan zeggen dat ik niet van eerlijke ouders ben;—mijn grootvader was ook geestelijke1en hij zou wat kwaad zijn geweest als iemand van zijne familie zich met zoo’n vuile Molly Seagrim haar afval had willen behelpen!”

Misschien had Sophia, uit gebrek aan moed om haar te doen stilzwijgen, wat, gelijk de lezer begrijpt, geene zeer gemakkelijke taak was, hare kamenier op deze wijze laten doorslaan; want, voorzeker, waren er eenige dingen in hetgeen[179]zij zeide, die de dame volstrekt niet aanstonden. Daar er echter geen einde kwam aan den stroom der woorden, begreep zij dat het tijd werd dien te stuiten.

„Ik ben er verbaasd over,” zeide zij, „dat gij het waagt op zulk een toon te spreken over een van mijn vaders vrienden. Wat het meisje aangaat, ik verzoek u haar nooit in mijn bijzijn te noemen. En ten opzigte van de geboorte van den jongen heer zelven, als men niets meer tot zijn nadeel kan zeggen, dan is het wel zoo goed daarover te zwijgen, gelijk ik u verzoek voortaan te doen.”

„Het spijt me zeer, jufvrouw,” hernam Honour, „dat ik u beleedigd heb. Ik weet zeker dat ik Molly Seagrim evenzeer verfoei als gij dat zelve doen kunt, en wat het kwaadspreken over mijnheer Jones aangaat, ik kan alle dienstboden in huis tot getuigen roepen, dat als er ooit sprake is van onechte kinderen, ik altijd partij voor hem getrokken heb. „Want, wie van u,” zei ik tot den knecht, „zou geen onecht kind willen wezen, als hij het maar worden kon, om een mijnheer te zijn?” zei ik. „En hij is zeker een heele mijnheer, en heeft zulke blanke vingers als iemand ter wereld,” zei ik, „dat is waar! En hij is een der vriendelijkste, beleefdste heeren, die men zich denken kan,” zei ik, en al de dienstboden en al de buren in het rond houden van hem. „En—ja,—het is waar,—maar ik vrees u kwaad te maken als ik het u vertelde,—”

„Wat zoudt ge me kunnen vertellen, Honour?” vroeg Sophia.

„Wel, jufvrouw,—’t is ook waar, dat hij er niets mede bedoelde, daarom hoop ik, dat het u niet kwaad zal maken.”

„Vertel nu maar wat ge bedoelt,” zei Sophia. „Ik moet het dadelijk weten!”

„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verleden week, kwam hij in de kamer waar ik zat te werken, en daar lag uw mof op een stoel, en hij stak er de handen in,—het was de mof die, gij me gisteren gegeven hebt.—„Wel, mijnheer Jones,” zei ik, „ge zult de mof van de jufvrouw heel en al uit elkaar rekken en bederven!” Maar hij hield er de handen nog in, en toen kuste hij ze;—zoo’n kus heb ik van mijn leven niet gezien!”[180]

„Hij zal wel niet geweten hebben dat ze mij toebehoorde,” zei Sophia.

„Dat zult gij wel hooren, jufvrouw! Hij kuste ze en kuste ze weer, en zeide, dat het de mooiste mof was die hij ooit gezien had. „Wel, mijnheer,” zei ik, „ge hebt ze wel honderdmaal gezien!” „Ja, jufvrouw Honour,” riep hij, „dat is mogelijk; maar wie kan iets anders zien als uwe schoone meesteresse zelve dáár is?” En dat was niet alles; maar ik hoop, dat het u niet kwaad zal maken; want hij bedoelde er zeker niets mede; maar, op zekeren dag, toen gij aan de klavecimbel zat voor mijnheer te spelen, bevond zich mijnheer Jones in de kamer daarnaast en het kwam mij voor, dat hij er zeer bedroefd uitzag. „Nu, mijnheer Jones,” zei ik, „ik zou wel willen weten, waar gij aan denkt!” „Wel, meisje!” riep hij, uit zijn droom opschrikkende, „waar zou ik aan denken als die engel, uwe meesteresse, speelt!” En mij daarop bij de hand grijpende, „o, jufvrouw Honour,” zeide hij, „hoe gelukkig zal de man zijn, die—” en daar zuchtte hij;—op mijn woord zijn adem is zoo geurig als een ruiker;—maar wezenlijk, hij bedoelde er niets kwaads mede. Dus hoop ik, jufvrouw, dat gij er geen woord over spreken zult; want hij gaf me een daalder om er niets van te zeggen, en liet me er een eed op zweren,—op een boek,—maar ik geloof niet, dat het de Bijbel was.”

Tot men iets schooners dan het vermiljoen uitgevonden zal hebben, zal ik er niets van zeggen hoe Sophia bij deze gelegenheid bloosde.

„O … Honour!” zeide zij, „ik—ik—als gij belooft mij niets meer hierover te zeggen,—en—niemand anders ook, dan zal ik u niet verklappen,—ik meen dan zal ik niet meer boos op u zijn;—maar ik ben wezenlijk bang voor uwe praatjes! Waarom, meisje, geeft ge uwe tong zooveel vrijheid?”

„Wel, jufvrouw!” hernam de andere; „ik zou me liever de tong afbijten, dan iets zeggen om u te beleedigen! Gij kunt er gerust op aan, dat ik nooit iets zal oververtellen, dat gij wenscht verzwegen te hebben!”

„Nu dan,” hernam Sophia, „ik wilde wel, dat gij hiervan verder zweegt; want het kon mijn vader ter ooren komen,[181]en hij zou boos worden op mijnheer Jones,—hoewel hij zeker, zooals gij zegt, er niets bij bedoelde. Ik zou zelve heel boos zijn, als ik me verbeeldde—”

„Neen, jufvrouw!” riep Honour, „ik verklaar dat ik heilig geloof, dat hij er niets meê bedoelde! Ik dacht wel, dat hij als een gek praatte;—ja, hij zei zelf, dat hij dacht dat hij gek was, om zoo iets te zeggen. „Ja, mijnheer,” zei ik, „dat geloof ik ook.” „Ja, Honour,” zeide hij—maar ik vraag vergiffenis, jufvrouw! Daar verpraat ik me weder! Ik zou me de tong willen afbijten!”

„Ga maar voort,” zei Sophia, „als er iets meer is, kunt ge het me wel vertellen.”

„Ja, Honour,” zeide hij, „—dit was nog wat later, toen hij mij den daalder gaf,—„ik ben noch zulk een kwast noch zulk een schurk, dat ik anders aan haar zou denken, dan als aan eene godin; en als zoodanige zal ik haar altijd beminnen en aanbidden zoolang ik leef!” Dat was alles, jufvrouw, dat ik me herinneren kan, daar wil ik een eed op doen. Ik was zelve heel kwaad op hem, tot ik ontdekte, dat hij er niets kwaads mede bedoelde.”

„Ik geloof wezenlijk, Honour,” hernam Sophia, „dat ge opregt veel van mij houdt;—ik was verleden, toen ik u de dienst opzeide, heel boos op u; maar, als ge wenscht nog bij me te blijven, dan moogt ge dat doen.”

„O wezenlijk, jufvrouw,” antwoordde Honour, „ik verlang niets liever dan altijd bij u te blijven. Wezenlijk, ik schreide me haast blind, toen gij mij de dienst opzeidet. Het zou zeer ondankbaar van mij zijn, als ik u verlaten wilde;—omdat ik zeker nooit weder zoo’n goede dienst zou krijgen. Ja, jufvrouw, ik zou bij u willen leven en sterven; want, zooals die arme mijnheer Jones zeide,—gelukkig de man, die—”

Hier stoorde de etensklok een gesprek, dat zooveel indruk op Sophia maakte, dat zij misschien meer moest danken aan de aderlating van dien morgen, dan zij zelve veronderstelde. Wat den tegenwoordigen toestand van haar gemoed betreft, ik zal mij aan een stelregel van Horatius houden, als ik, uit wanhoop van te slagen, niet op mij neem dien te beschrijven. De meeste mijner lezers kunnen zich dat voorstellen, en de weinigen, die dat niet kunnen, zouden[182]de schildering niet begrijpen, of verklaren dat ze onnatuurlijk was, al teekende ik ze nog zoo goed.

1Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is.Noot van den Schr.↑

1Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is.Noot van den Schr.↑

1Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is.Noot van den Schr.↑

1Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is.Noot van den Schr.↑


Back to IndexNext