Hoofdstuk XI.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Molly Seagrim ontloopt ter naauwernood het gevaar; met eenige opmerkingen, waarnaar wij in de diepte van het menschelijk hart hebben moeten visschen.Tom Jones had dien morgen een der paarden van den heer Western op de jagt gereden, zoodat hij, nu er geen van zijn eigen dáár op stal hebbende, genoodzaakt was te voet naar huis te gaan. Dit deed hij zoo snel, dat hij een uur afstands in minder dan een half uur aflegde.Juist toen hij bij den hoofdingang van het huis van den heer Allworthy aankwam, ontmoette hij den geregtsdienaar met zijn gevolg, die Molly bragten naar dat verblijf, waar de mindere menschen ééne goede les kunnen krijgen, namelijk die van eerbied en ontzag voor hunne meerderen; daar zij er uit leeren moeten welk groot onderscheid door het noodlot gemaakt wordt tusschen diegenen, welke voor hunne euveldaden moeten gestraft worden en diegenen, met wie dat niet moet gebeuren;—en als zij deze goede les niet leeren, vrees ik dat zij in een verbeterhuis er geene andere leeren, en niets dat voor hunne zedelijkheid bevordelijk kan zijn.Een regtsgeleerde zal welligt denken, dat de heer Allworthy zijne magt wat te buiten ging in dit geval. En, om de waarheid te zeggen, daar er geene geregelde klagt ingediend was, twijfel ik ook of zijn gedrag stipt naar de regels was. Daar echter zijn voornemen wezenlijk regtvaardig was, moet men hem inforo conscientiaevrijspreken; terwijl er zoo vele overheidspersonen zijn, die dagelijks willekeur plegen, zonder zelfs deze verontschuldiging te kunnen aanvoeren.Zoodra Tom van den geregtsdienaar vernam waarheen zij gingen,—wat hij ook spoedig genoeg giste,—greep hij Molly in de armen op en haar teeder omhelzende in aller bijzijn, zwoer hij den eersten te vermoorden, die haar aanraakte. Hij smeekte haar hare tranen af te droogen en getroost te zijn; want, waar zij ook heenging, hij zou haar volgen. Zich daarop tot den geregtsdienaar wendende, die met den hoed in de hand stond te beven, verzocht hij hem,[164]zeer vriendelijk, slechts een oogenblik met hem terug te keeren bij zijn vader (want zoo noemde hij Allworthy), daar hij verzekerd was, zeide hij, dat zoodra hij alles aangevoerd had, wat hij in haar voordeel kon bijbrengen, het meisje weder op vrije voeten gesteld zou worden.De geregtsdienaar, die zonder twijfel de gevangene op Tom’s eisch dadelijk in vrijheid gesteld zou hebben, stemde zeer gaarne in zijn verzoek toe.Zij keerden dus allen terug tot in het voorhuis van den heer Allworthy, waar Tom hen verzocht op zijne terugkomst te wachten en zelf den waardigen man ging zoeken. Zoodra hij hem gevonden had, wierp zich Tom aan zijne voeten en hem smeekende om hem geduldig aan te hooren, bekende hij zelf de vader te zijn van het kind waarvan Molly toen zwanger was. Hij bad hem medelijden te hebben met het arme meisje, en in aanmerking te nemen dat als er bij iemand schuld was in dit geval, hij die voornamelijk dragen moest.„Als er schuld is?” riep Allworthy driftig. „Zijt ge dan zóó losbandig en onbeschaamd, dat ge er aan twijfelen kunt of er schuld bestaat in het schenden van de goddelijke en menschelijke wetten en in het verleiden van een ongelukkig meisje? Ik zie inderdaad dat de schuld voornamelijk op u rust, en die is zoo zwaar, dat ge verwachten moest daaronder verpletterd te worden!”„Wat ook mijn lot zij,” zei Tom, „laat mij slagen in mijn smeeken voor het arme meisje! Ik beken dat ik haar verleid heb;—maar het hangt van u af, of zij geheel en al te gronde gerigt zal worden! In ’s Hemels naam, trek uw bevelschrift weder in en zend haar niet naar eene plaats, waar zij zeker haar geheelen ondergang te gemoet zou gaan.”Allworthy beval hem dadelijk een knecht te roepen. Tom hernam dat dit onnoodig was; want hij had de menschen gelukkig bij de poort ontmoet en,vertrouwende op de goedheid van den heer Allworthy,hen met zich terug gebragt naar het voorhuis, waar zij nu op zijne beslissing wachtten, die hij hem nu op de knieën smeekte ten gunste van het meisje te nemen, en haar te vergunnen weer naar huis te gaan bij hare ouders, om niet aan meer schimp en[165]schande blootgesteld te worden dan haar reeds nu noodzakelijk treffen moesten.„Ik weet reeds,” voegde hij er bij, „dat zij maar al te veel te verdragen zal hebben. Ik weet dat mijne slechtheid de oorzaak van alles is. Ik zal, zoo mogelijk, dit trachten te vergelden, en als gij ooit later de goedheid hebt mij te vergeven, hoop ik mij die gunst waardig te betoonen.”Allworthy aarzelde een oogenblik en zeide daarop:„Nu, ik zal mijn bevel van aanhouding weder intrekken. Zend den geregtsdienaar hier.”Dit geschiedde, hij werd dadelijk weggezonden en het meisje ook.Men zal wel begrijpen dat de heer Allworthy Tom bij deze gelegenheid zeer ernstig de les las; maar het is onnoodig hier alles in te lasschen, daar wij getrouw opgeteekend hebben, in het eerste boek, hetgeen hij aanJenniJones zeide, waarvan het meeste even toepasselijk is op de mannen als op de vrouwen. Deze verwijten maakten zulken diepen indruk op den jongeling, die geen verharde zondaar was, dat hij zich in zijne eigene kamer opsloot en den avond in zeer droevig gepeins doorbragt.Allworthy was nog al verstoord op Tom wegens dit vergrijp; want in weerwil van de beweringen van den heer Western, blijft het toch onbetwistbaar, dat hij nooit een losbol was geweest bij de vrouwen en de uitspattingen van anderen altijd ten hoogste afgekeurd had. Inderdaad, er bestaat wel reden te gelooven, dat er geen zweem van waarheid was in hetgeen de heer Western betuigd had, vooral daar hij als het tooneel dier ongeregeldheden, de hooge school noemde, welke nooit door den heer Allworthy was bezocht. Met één woord, de goede landjonker was wat al te zeer geneigd om zich te buiten te gaan in zekere soort van scherts, die wel eens „bluffen” genoemd wordt,—om geen ander woord te bezigen, wat welligt slechts al te dikwijls geschiedt, daar zeer veel van hetgeen meermalen in de wereld doorgaat voor geestigheid en humor, eigenlijk, als men de woorden met den stipsten eerbied voor hunne beteekenis bezigde, genoemd moest worden met dien naam, welken ik hier, overeenkomstig de wetten der welvoegelijkheid, verzwijg.Maar welken afkeer ook de heer Allworthy voor deze[166]eenige andere soort van ondeugd koesterde, werd hij er toch niet zoo door verblind, dat hij geene deugd hoegenaamd meer in den schuldige zien kon,—of die minder helder zag, dan wanneer er geen mengsel van ondeugd in dat karakter ware. Terwijl hij dus vertoornd was op Tom wegens diens losbandigheid, was hij niet minder ingenomen met de eerlijkheid en opregtheid zijner zelfbeschuldiging. Hij begon dan nu hetzelfde gevoelen te koesteren omtrent den jongen als dat, hetwelk, naar wij hopen, de lezer zelf opgevat zal hebben. En als hij zijne gebreken tegen zijne deugden woog, kwam het hem voor, dat deze laatste eenigzins de overhand hadden.Het baatte dus niet, dat de heer Thwackum, dieonmiddellijkdoor den jongen Blifil alles vernam, zijn gal uitspoog tegen den armen Tom.Allworthy luisterde bedaard naar hunne smaadredenen, en hernam heel koel:„Dat jonge lieden van een dergelijk temperament als Tom, maar al te zeer tot deze ondeugd geneigd waren; maar dat hij geloofde dat die jongeling opregt getroffen was door hetgeen hij hem bij deze gelegenheid gezegd had, en hij dus de hoop koesterde dat hij niet weer zondigen zoude.”Dus, daar de dagen der ligchamelijke tuchtiging voorbij waren, kon de leeraar alleen door den mond zijn gal uitspuwen,—wat de gewone verachtelijke toevlugt der onmagtige wraakzucht is.Maar Square, die minder driftig was, bezat veel meer sluwheid, en daar hij Jones welligt meer haatte dan Thwackum dat deed, vond hij ook middel om hem meer te benadeelen in de oogen van den heer Allworthy.De lezer herinnert zich de verschillende kleine gevallen met den patrijs, het paard en den Bijbel, die in het tweede boek opgesomd werden. Door dit een en ander had Jones de liefde, welke de heer Allworthy tot hem koesterde, veel eer vermeerderd dan verminderd.Hetzelfde zou, verbeeld ik me, zeker het geval zijn geweest met iedereen, die eenig besef heeft van vriendschap, mildheid en edelmoedigheid; dat is, met iedereen die eenigen aanleg tot het goede heeft.Square zelf was niet onbekend met den wezenlijken indruk,[167]welken deze verschillende blijken van goedheid op het uitstekende hart van den heer Allworthy gemaakt hadden; want de wijsgeer wist zeer goed wat de deugd was, hoewel hij misschien zelf ze niet altijd beoefende. Maar bij Thwackum (om welke reden wil ik niet beslissen), kwam zoo iets volstrekt niet op; hij zag Jones zelf in een slecht licht, en verbeeldde zich dat Allworthy dat ook deed, maar besloten had uit hoogmoed en stijfhoofdigheid, om den jongen, dien hij eens lief had gehad, niet op te geven; daar hij door dit te doen, stilzwijgend zou moeten bekennen, dat hij zich vroeger omtrent hem vergist had.Square maakte dus gebruik van deze gelegenheid om Jones op de gevoeligste wijze te benadeelen, door nu eene zeer slechte uitlegging te geven aan al hetgeen vroeger gebeurd was.„Het spijt me wel, mijnheer,” zeide hij; „maar ik moet bekennen, dat ik me ook in hem vergist heb, even als gij. Ik kon niet nalaten ingenomen te zijn met hetgeen ik aan vriendschap toeschreef, hoewel die overdreven werd,—en alle overdrijving verkeerd en schandelijk is;—maar hierbij nam ik zijne jeugd in aanmerking. Ik vermoedde niet, dat het verzwijgen der waarheid, dat zoo als wij ons voorstelden om den wille der vriendschap had plaats gehad, wezenlijk niets anders was dan het verguizen daarvan, om den wille van een bedorven en losbandigen hartstogt. Men ziet nu duidelijk in uit welke bron de schijnbare edelmoedigheid van den jongen, ten opzigte van het huisgezin van den jager voortsproot. Hij ondersteunde den vader ten einde de dochter te verleiden, en bewaarde het huisgezin van den hongerdood, ten einde het meisje tot schimp en schande te brengen. Dit heet vriendschap! Dit heet edelmoedigheid! Zoo als Sir Richard Steele zegt: „Het is allezins billijk een lekkerbek, die een fijnen schotel duur betaalt, mild te noemen!” Dit voorbeeld leert mij voortaan nooit meer aan de zwakheid der menschelijke natuur toe te geven, en iets voor deugdzaam te houden, dat niet volmaakt in overeenstemming te brengen is met de onfeilbare regels van het regte.”Allworthy’s goedheid had hem tot dusver belet aan zoo iets te denken; maar hetgeen hij nu hoorde, klonk te[168]waarschijnlijk om bepaaldelijk en overhaast verworpen te worden, zoodra het hem door een derde onder het oog werd gebragt. Inderdaad, hetgeen door Square gezegd was, drong diep in zijn hart door, en de onrust welke het hem baarde werd door den andere zeer goed opgemerkt, hoewel de waardige man zelf het niet bekennen wilde, zeer kort antwoordde, en met geweld het gesprek op een ander onderwerp bragt. Het was echter welligt een geluk voor den armen Tom, dat dergelijke inblazingen niet gehoord werden eer hij vergiffenis gekregen had; want voor het eerst van zijn leven lieten zij in Allworthy’s geest een slechten indruk omtrent Tom achter.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Molly Seagrim ontloopt ter naauwernood het gevaar; met eenige opmerkingen, waarnaar wij in de diepte van het menschelijk hart hebben moeten visschen.Tom Jones had dien morgen een der paarden van den heer Western op de jagt gereden, zoodat hij, nu er geen van zijn eigen dáár op stal hebbende, genoodzaakt was te voet naar huis te gaan. Dit deed hij zoo snel, dat hij een uur afstands in minder dan een half uur aflegde.Juist toen hij bij den hoofdingang van het huis van den heer Allworthy aankwam, ontmoette hij den geregtsdienaar met zijn gevolg, die Molly bragten naar dat verblijf, waar de mindere menschen ééne goede les kunnen krijgen, namelijk die van eerbied en ontzag voor hunne meerderen; daar zij er uit leeren moeten welk groot onderscheid door het noodlot gemaakt wordt tusschen diegenen, welke voor hunne euveldaden moeten gestraft worden en diegenen, met wie dat niet moet gebeuren;—en als zij deze goede les niet leeren, vrees ik dat zij in een verbeterhuis er geene andere leeren, en niets dat voor hunne zedelijkheid bevordelijk kan zijn.Een regtsgeleerde zal welligt denken, dat de heer Allworthy zijne magt wat te buiten ging in dit geval. En, om de waarheid te zeggen, daar er geene geregelde klagt ingediend was, twijfel ik ook of zijn gedrag stipt naar de regels was. Daar echter zijn voornemen wezenlijk regtvaardig was, moet men hem inforo conscientiaevrijspreken; terwijl er zoo vele overheidspersonen zijn, die dagelijks willekeur plegen, zonder zelfs deze verontschuldiging te kunnen aanvoeren.Zoodra Tom van den geregtsdienaar vernam waarheen zij gingen,—wat hij ook spoedig genoeg giste,—greep hij Molly in de armen op en haar teeder omhelzende in aller bijzijn, zwoer hij den eersten te vermoorden, die haar aanraakte. Hij smeekte haar hare tranen af te droogen en getroost te zijn; want, waar zij ook heenging, hij zou haar volgen. Zich daarop tot den geregtsdienaar wendende, die met den hoed in de hand stond te beven, verzocht hij hem,[164]zeer vriendelijk, slechts een oogenblik met hem terug te keeren bij zijn vader (want zoo noemde hij Allworthy), daar hij verzekerd was, zeide hij, dat zoodra hij alles aangevoerd had, wat hij in haar voordeel kon bijbrengen, het meisje weder op vrije voeten gesteld zou worden.De geregtsdienaar, die zonder twijfel de gevangene op Tom’s eisch dadelijk in vrijheid gesteld zou hebben, stemde zeer gaarne in zijn verzoek toe.Zij keerden dus allen terug tot in het voorhuis van den heer Allworthy, waar Tom hen verzocht op zijne terugkomst te wachten en zelf den waardigen man ging zoeken. Zoodra hij hem gevonden had, wierp zich Tom aan zijne voeten en hem smeekende om hem geduldig aan te hooren, bekende hij zelf de vader te zijn van het kind waarvan Molly toen zwanger was. Hij bad hem medelijden te hebben met het arme meisje, en in aanmerking te nemen dat als er bij iemand schuld was in dit geval, hij die voornamelijk dragen moest.„Als er schuld is?” riep Allworthy driftig. „Zijt ge dan zóó losbandig en onbeschaamd, dat ge er aan twijfelen kunt of er schuld bestaat in het schenden van de goddelijke en menschelijke wetten en in het verleiden van een ongelukkig meisje? Ik zie inderdaad dat de schuld voornamelijk op u rust, en die is zoo zwaar, dat ge verwachten moest daaronder verpletterd te worden!”„Wat ook mijn lot zij,” zei Tom, „laat mij slagen in mijn smeeken voor het arme meisje! Ik beken dat ik haar verleid heb;—maar het hangt van u af, of zij geheel en al te gronde gerigt zal worden! In ’s Hemels naam, trek uw bevelschrift weder in en zend haar niet naar eene plaats, waar zij zeker haar geheelen ondergang te gemoet zou gaan.”Allworthy beval hem dadelijk een knecht te roepen. Tom hernam dat dit onnoodig was; want hij had de menschen gelukkig bij de poort ontmoet en,vertrouwende op de goedheid van den heer Allworthy,hen met zich terug gebragt naar het voorhuis, waar zij nu op zijne beslissing wachtten, die hij hem nu op de knieën smeekte ten gunste van het meisje te nemen, en haar te vergunnen weer naar huis te gaan bij hare ouders, om niet aan meer schimp en[165]schande blootgesteld te worden dan haar reeds nu noodzakelijk treffen moesten.„Ik weet reeds,” voegde hij er bij, „dat zij maar al te veel te verdragen zal hebben. Ik weet dat mijne slechtheid de oorzaak van alles is. Ik zal, zoo mogelijk, dit trachten te vergelden, en als gij ooit later de goedheid hebt mij te vergeven, hoop ik mij die gunst waardig te betoonen.”Allworthy aarzelde een oogenblik en zeide daarop:„Nu, ik zal mijn bevel van aanhouding weder intrekken. Zend den geregtsdienaar hier.”Dit geschiedde, hij werd dadelijk weggezonden en het meisje ook.Men zal wel begrijpen dat de heer Allworthy Tom bij deze gelegenheid zeer ernstig de les las; maar het is onnoodig hier alles in te lasschen, daar wij getrouw opgeteekend hebben, in het eerste boek, hetgeen hij aanJenniJones zeide, waarvan het meeste even toepasselijk is op de mannen als op de vrouwen. Deze verwijten maakten zulken diepen indruk op den jongeling, die geen verharde zondaar was, dat hij zich in zijne eigene kamer opsloot en den avond in zeer droevig gepeins doorbragt.Allworthy was nog al verstoord op Tom wegens dit vergrijp; want in weerwil van de beweringen van den heer Western, blijft het toch onbetwistbaar, dat hij nooit een losbol was geweest bij de vrouwen en de uitspattingen van anderen altijd ten hoogste afgekeurd had. Inderdaad, er bestaat wel reden te gelooven, dat er geen zweem van waarheid was in hetgeen de heer Western betuigd had, vooral daar hij als het tooneel dier ongeregeldheden, de hooge school noemde, welke nooit door den heer Allworthy was bezocht. Met één woord, de goede landjonker was wat al te zeer geneigd om zich te buiten te gaan in zekere soort van scherts, die wel eens „bluffen” genoemd wordt,—om geen ander woord te bezigen, wat welligt slechts al te dikwijls geschiedt, daar zeer veel van hetgeen meermalen in de wereld doorgaat voor geestigheid en humor, eigenlijk, als men de woorden met den stipsten eerbied voor hunne beteekenis bezigde, genoemd moest worden met dien naam, welken ik hier, overeenkomstig de wetten der welvoegelijkheid, verzwijg.Maar welken afkeer ook de heer Allworthy voor deze[166]eenige andere soort van ondeugd koesterde, werd hij er toch niet zoo door verblind, dat hij geene deugd hoegenaamd meer in den schuldige zien kon,—of die minder helder zag, dan wanneer er geen mengsel van ondeugd in dat karakter ware. Terwijl hij dus vertoornd was op Tom wegens diens losbandigheid, was hij niet minder ingenomen met de eerlijkheid en opregtheid zijner zelfbeschuldiging. Hij begon dan nu hetzelfde gevoelen te koesteren omtrent den jongen als dat, hetwelk, naar wij hopen, de lezer zelf opgevat zal hebben. En als hij zijne gebreken tegen zijne deugden woog, kwam het hem voor, dat deze laatste eenigzins de overhand hadden.Het baatte dus niet, dat de heer Thwackum, dieonmiddellijkdoor den jongen Blifil alles vernam, zijn gal uitspoog tegen den armen Tom.Allworthy luisterde bedaard naar hunne smaadredenen, en hernam heel koel:„Dat jonge lieden van een dergelijk temperament als Tom, maar al te zeer tot deze ondeugd geneigd waren; maar dat hij geloofde dat die jongeling opregt getroffen was door hetgeen hij hem bij deze gelegenheid gezegd had, en hij dus de hoop koesterde dat hij niet weer zondigen zoude.”Dus, daar de dagen der ligchamelijke tuchtiging voorbij waren, kon de leeraar alleen door den mond zijn gal uitspuwen,—wat de gewone verachtelijke toevlugt der onmagtige wraakzucht is.Maar Square, die minder driftig was, bezat veel meer sluwheid, en daar hij Jones welligt meer haatte dan Thwackum dat deed, vond hij ook middel om hem meer te benadeelen in de oogen van den heer Allworthy.De lezer herinnert zich de verschillende kleine gevallen met den patrijs, het paard en den Bijbel, die in het tweede boek opgesomd werden. Door dit een en ander had Jones de liefde, welke de heer Allworthy tot hem koesterde, veel eer vermeerderd dan verminderd.Hetzelfde zou, verbeeld ik me, zeker het geval zijn geweest met iedereen, die eenig besef heeft van vriendschap, mildheid en edelmoedigheid; dat is, met iedereen die eenigen aanleg tot het goede heeft.Square zelf was niet onbekend met den wezenlijken indruk,[167]welken deze verschillende blijken van goedheid op het uitstekende hart van den heer Allworthy gemaakt hadden; want de wijsgeer wist zeer goed wat de deugd was, hoewel hij misschien zelf ze niet altijd beoefende. Maar bij Thwackum (om welke reden wil ik niet beslissen), kwam zoo iets volstrekt niet op; hij zag Jones zelf in een slecht licht, en verbeeldde zich dat Allworthy dat ook deed, maar besloten had uit hoogmoed en stijfhoofdigheid, om den jongen, dien hij eens lief had gehad, niet op te geven; daar hij door dit te doen, stilzwijgend zou moeten bekennen, dat hij zich vroeger omtrent hem vergist had.Square maakte dus gebruik van deze gelegenheid om Jones op de gevoeligste wijze te benadeelen, door nu eene zeer slechte uitlegging te geven aan al hetgeen vroeger gebeurd was.„Het spijt me wel, mijnheer,” zeide hij; „maar ik moet bekennen, dat ik me ook in hem vergist heb, even als gij. Ik kon niet nalaten ingenomen te zijn met hetgeen ik aan vriendschap toeschreef, hoewel die overdreven werd,—en alle overdrijving verkeerd en schandelijk is;—maar hierbij nam ik zijne jeugd in aanmerking. Ik vermoedde niet, dat het verzwijgen der waarheid, dat zoo als wij ons voorstelden om den wille der vriendschap had plaats gehad, wezenlijk niets anders was dan het verguizen daarvan, om den wille van een bedorven en losbandigen hartstogt. Men ziet nu duidelijk in uit welke bron de schijnbare edelmoedigheid van den jongen, ten opzigte van het huisgezin van den jager voortsproot. Hij ondersteunde den vader ten einde de dochter te verleiden, en bewaarde het huisgezin van den hongerdood, ten einde het meisje tot schimp en schande te brengen. Dit heet vriendschap! Dit heet edelmoedigheid! Zoo als Sir Richard Steele zegt: „Het is allezins billijk een lekkerbek, die een fijnen schotel duur betaalt, mild te noemen!” Dit voorbeeld leert mij voortaan nooit meer aan de zwakheid der menschelijke natuur toe te geven, en iets voor deugdzaam te houden, dat niet volmaakt in overeenstemming te brengen is met de onfeilbare regels van het regte.”Allworthy’s goedheid had hem tot dusver belet aan zoo iets te denken; maar hetgeen hij nu hoorde, klonk te[168]waarschijnlijk om bepaaldelijk en overhaast verworpen te worden, zoodra het hem door een derde onder het oog werd gebragt. Inderdaad, hetgeen door Square gezegd was, drong diep in zijn hart door, en de onrust welke het hem baarde werd door den andere zeer goed opgemerkt, hoewel de waardige man zelf het niet bekennen wilde, zeer kort antwoordde, en met geweld het gesprek op een ander onderwerp bragt. Het was echter welligt een geluk voor den armen Tom, dat dergelijke inblazingen niet gehoord werden eer hij vergiffenis gekregen had; want voor het eerst van zijn leven lieten zij in Allworthy’s geest een slechten indruk omtrent Tom achter.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Molly Seagrim ontloopt ter naauwernood het gevaar; met eenige opmerkingen, waarnaar wij in de diepte van het menschelijk hart hebben moeten visschen.Tom Jones had dien morgen een der paarden van den heer Western op de jagt gereden, zoodat hij, nu er geen van zijn eigen dáár op stal hebbende, genoodzaakt was te voet naar huis te gaan. Dit deed hij zoo snel, dat hij een uur afstands in minder dan een half uur aflegde.Juist toen hij bij den hoofdingang van het huis van den heer Allworthy aankwam, ontmoette hij den geregtsdienaar met zijn gevolg, die Molly bragten naar dat verblijf, waar de mindere menschen ééne goede les kunnen krijgen, namelijk die van eerbied en ontzag voor hunne meerderen; daar zij er uit leeren moeten welk groot onderscheid door het noodlot gemaakt wordt tusschen diegenen, welke voor hunne euveldaden moeten gestraft worden en diegenen, met wie dat niet moet gebeuren;—en als zij deze goede les niet leeren, vrees ik dat zij in een verbeterhuis er geene andere leeren, en niets dat voor hunne zedelijkheid bevordelijk kan zijn.Een regtsgeleerde zal welligt denken, dat de heer Allworthy zijne magt wat te buiten ging in dit geval. En, om de waarheid te zeggen, daar er geene geregelde klagt ingediend was, twijfel ik ook of zijn gedrag stipt naar de regels was. Daar echter zijn voornemen wezenlijk regtvaardig was, moet men hem inforo conscientiaevrijspreken; terwijl er zoo vele overheidspersonen zijn, die dagelijks willekeur plegen, zonder zelfs deze verontschuldiging te kunnen aanvoeren.Zoodra Tom van den geregtsdienaar vernam waarheen zij gingen,—wat hij ook spoedig genoeg giste,—greep hij Molly in de armen op en haar teeder omhelzende in aller bijzijn, zwoer hij den eersten te vermoorden, die haar aanraakte. Hij smeekte haar hare tranen af te droogen en getroost te zijn; want, waar zij ook heenging, hij zou haar volgen. Zich daarop tot den geregtsdienaar wendende, die met den hoed in de hand stond te beven, verzocht hij hem,[164]zeer vriendelijk, slechts een oogenblik met hem terug te keeren bij zijn vader (want zoo noemde hij Allworthy), daar hij verzekerd was, zeide hij, dat zoodra hij alles aangevoerd had, wat hij in haar voordeel kon bijbrengen, het meisje weder op vrije voeten gesteld zou worden.De geregtsdienaar, die zonder twijfel de gevangene op Tom’s eisch dadelijk in vrijheid gesteld zou hebben, stemde zeer gaarne in zijn verzoek toe.Zij keerden dus allen terug tot in het voorhuis van den heer Allworthy, waar Tom hen verzocht op zijne terugkomst te wachten en zelf den waardigen man ging zoeken. Zoodra hij hem gevonden had, wierp zich Tom aan zijne voeten en hem smeekende om hem geduldig aan te hooren, bekende hij zelf de vader te zijn van het kind waarvan Molly toen zwanger was. Hij bad hem medelijden te hebben met het arme meisje, en in aanmerking te nemen dat als er bij iemand schuld was in dit geval, hij die voornamelijk dragen moest.„Als er schuld is?” riep Allworthy driftig. „Zijt ge dan zóó losbandig en onbeschaamd, dat ge er aan twijfelen kunt of er schuld bestaat in het schenden van de goddelijke en menschelijke wetten en in het verleiden van een ongelukkig meisje? Ik zie inderdaad dat de schuld voornamelijk op u rust, en die is zoo zwaar, dat ge verwachten moest daaronder verpletterd te worden!”„Wat ook mijn lot zij,” zei Tom, „laat mij slagen in mijn smeeken voor het arme meisje! Ik beken dat ik haar verleid heb;—maar het hangt van u af, of zij geheel en al te gronde gerigt zal worden! In ’s Hemels naam, trek uw bevelschrift weder in en zend haar niet naar eene plaats, waar zij zeker haar geheelen ondergang te gemoet zou gaan.”Allworthy beval hem dadelijk een knecht te roepen. Tom hernam dat dit onnoodig was; want hij had de menschen gelukkig bij de poort ontmoet en,vertrouwende op de goedheid van den heer Allworthy,hen met zich terug gebragt naar het voorhuis, waar zij nu op zijne beslissing wachtten, die hij hem nu op de knieën smeekte ten gunste van het meisje te nemen, en haar te vergunnen weer naar huis te gaan bij hare ouders, om niet aan meer schimp en[165]schande blootgesteld te worden dan haar reeds nu noodzakelijk treffen moesten.„Ik weet reeds,” voegde hij er bij, „dat zij maar al te veel te verdragen zal hebben. Ik weet dat mijne slechtheid de oorzaak van alles is. Ik zal, zoo mogelijk, dit trachten te vergelden, en als gij ooit later de goedheid hebt mij te vergeven, hoop ik mij die gunst waardig te betoonen.”Allworthy aarzelde een oogenblik en zeide daarop:„Nu, ik zal mijn bevel van aanhouding weder intrekken. Zend den geregtsdienaar hier.”Dit geschiedde, hij werd dadelijk weggezonden en het meisje ook.Men zal wel begrijpen dat de heer Allworthy Tom bij deze gelegenheid zeer ernstig de les las; maar het is onnoodig hier alles in te lasschen, daar wij getrouw opgeteekend hebben, in het eerste boek, hetgeen hij aanJenniJones zeide, waarvan het meeste even toepasselijk is op de mannen als op de vrouwen. Deze verwijten maakten zulken diepen indruk op den jongeling, die geen verharde zondaar was, dat hij zich in zijne eigene kamer opsloot en den avond in zeer droevig gepeins doorbragt.Allworthy was nog al verstoord op Tom wegens dit vergrijp; want in weerwil van de beweringen van den heer Western, blijft het toch onbetwistbaar, dat hij nooit een losbol was geweest bij de vrouwen en de uitspattingen van anderen altijd ten hoogste afgekeurd had. Inderdaad, er bestaat wel reden te gelooven, dat er geen zweem van waarheid was in hetgeen de heer Western betuigd had, vooral daar hij als het tooneel dier ongeregeldheden, de hooge school noemde, welke nooit door den heer Allworthy was bezocht. Met één woord, de goede landjonker was wat al te zeer geneigd om zich te buiten te gaan in zekere soort van scherts, die wel eens „bluffen” genoemd wordt,—om geen ander woord te bezigen, wat welligt slechts al te dikwijls geschiedt, daar zeer veel van hetgeen meermalen in de wereld doorgaat voor geestigheid en humor, eigenlijk, als men de woorden met den stipsten eerbied voor hunne beteekenis bezigde, genoemd moest worden met dien naam, welken ik hier, overeenkomstig de wetten der welvoegelijkheid, verzwijg.Maar welken afkeer ook de heer Allworthy voor deze[166]eenige andere soort van ondeugd koesterde, werd hij er toch niet zoo door verblind, dat hij geene deugd hoegenaamd meer in den schuldige zien kon,—of die minder helder zag, dan wanneer er geen mengsel van ondeugd in dat karakter ware. Terwijl hij dus vertoornd was op Tom wegens diens losbandigheid, was hij niet minder ingenomen met de eerlijkheid en opregtheid zijner zelfbeschuldiging. Hij begon dan nu hetzelfde gevoelen te koesteren omtrent den jongen als dat, hetwelk, naar wij hopen, de lezer zelf opgevat zal hebben. En als hij zijne gebreken tegen zijne deugden woog, kwam het hem voor, dat deze laatste eenigzins de overhand hadden.Het baatte dus niet, dat de heer Thwackum, dieonmiddellijkdoor den jongen Blifil alles vernam, zijn gal uitspoog tegen den armen Tom.Allworthy luisterde bedaard naar hunne smaadredenen, en hernam heel koel:„Dat jonge lieden van een dergelijk temperament als Tom, maar al te zeer tot deze ondeugd geneigd waren; maar dat hij geloofde dat die jongeling opregt getroffen was door hetgeen hij hem bij deze gelegenheid gezegd had, en hij dus de hoop koesterde dat hij niet weer zondigen zoude.”Dus, daar de dagen der ligchamelijke tuchtiging voorbij waren, kon de leeraar alleen door den mond zijn gal uitspuwen,—wat de gewone verachtelijke toevlugt der onmagtige wraakzucht is.Maar Square, die minder driftig was, bezat veel meer sluwheid, en daar hij Jones welligt meer haatte dan Thwackum dat deed, vond hij ook middel om hem meer te benadeelen in de oogen van den heer Allworthy.De lezer herinnert zich de verschillende kleine gevallen met den patrijs, het paard en den Bijbel, die in het tweede boek opgesomd werden. Door dit een en ander had Jones de liefde, welke de heer Allworthy tot hem koesterde, veel eer vermeerderd dan verminderd.Hetzelfde zou, verbeeld ik me, zeker het geval zijn geweest met iedereen, die eenig besef heeft van vriendschap, mildheid en edelmoedigheid; dat is, met iedereen die eenigen aanleg tot het goede heeft.Square zelf was niet onbekend met den wezenlijken indruk,[167]welken deze verschillende blijken van goedheid op het uitstekende hart van den heer Allworthy gemaakt hadden; want de wijsgeer wist zeer goed wat de deugd was, hoewel hij misschien zelf ze niet altijd beoefende. Maar bij Thwackum (om welke reden wil ik niet beslissen), kwam zoo iets volstrekt niet op; hij zag Jones zelf in een slecht licht, en verbeeldde zich dat Allworthy dat ook deed, maar besloten had uit hoogmoed en stijfhoofdigheid, om den jongen, dien hij eens lief had gehad, niet op te geven; daar hij door dit te doen, stilzwijgend zou moeten bekennen, dat hij zich vroeger omtrent hem vergist had.Square maakte dus gebruik van deze gelegenheid om Jones op de gevoeligste wijze te benadeelen, door nu eene zeer slechte uitlegging te geven aan al hetgeen vroeger gebeurd was.„Het spijt me wel, mijnheer,” zeide hij; „maar ik moet bekennen, dat ik me ook in hem vergist heb, even als gij. Ik kon niet nalaten ingenomen te zijn met hetgeen ik aan vriendschap toeschreef, hoewel die overdreven werd,—en alle overdrijving verkeerd en schandelijk is;—maar hierbij nam ik zijne jeugd in aanmerking. Ik vermoedde niet, dat het verzwijgen der waarheid, dat zoo als wij ons voorstelden om den wille der vriendschap had plaats gehad, wezenlijk niets anders was dan het verguizen daarvan, om den wille van een bedorven en losbandigen hartstogt. Men ziet nu duidelijk in uit welke bron de schijnbare edelmoedigheid van den jongen, ten opzigte van het huisgezin van den jager voortsproot. Hij ondersteunde den vader ten einde de dochter te verleiden, en bewaarde het huisgezin van den hongerdood, ten einde het meisje tot schimp en schande te brengen. Dit heet vriendschap! Dit heet edelmoedigheid! Zoo als Sir Richard Steele zegt: „Het is allezins billijk een lekkerbek, die een fijnen schotel duur betaalt, mild te noemen!” Dit voorbeeld leert mij voortaan nooit meer aan de zwakheid der menschelijke natuur toe te geven, en iets voor deugdzaam te houden, dat niet volmaakt in overeenstemming te brengen is met de onfeilbare regels van het regte.”Allworthy’s goedheid had hem tot dusver belet aan zoo iets te denken; maar hetgeen hij nu hoorde, klonk te[168]waarschijnlijk om bepaaldelijk en overhaast verworpen te worden, zoodra het hem door een derde onder het oog werd gebragt. Inderdaad, hetgeen door Square gezegd was, drong diep in zijn hart door, en de onrust welke het hem baarde werd door den andere zeer goed opgemerkt, hoewel de waardige man zelf het niet bekennen wilde, zeer kort antwoordde, en met geweld het gesprek op een ander onderwerp bragt. Het was echter welligt een geluk voor den armen Tom, dat dergelijke inblazingen niet gehoord werden eer hij vergiffenis gekregen had; want voor het eerst van zijn leven lieten zij in Allworthy’s geest een slechten indruk omtrent Tom achter.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Molly Seagrim ontloopt ter naauwernood het gevaar; met eenige opmerkingen, waarnaar wij in de diepte van het menschelijk hart hebben moeten visschen.Tom Jones had dien morgen een der paarden van den heer Western op de jagt gereden, zoodat hij, nu er geen van zijn eigen dáár op stal hebbende, genoodzaakt was te voet naar huis te gaan. Dit deed hij zoo snel, dat hij een uur afstands in minder dan een half uur aflegde.Juist toen hij bij den hoofdingang van het huis van den heer Allworthy aankwam, ontmoette hij den geregtsdienaar met zijn gevolg, die Molly bragten naar dat verblijf, waar de mindere menschen ééne goede les kunnen krijgen, namelijk die van eerbied en ontzag voor hunne meerderen; daar zij er uit leeren moeten welk groot onderscheid door het noodlot gemaakt wordt tusschen diegenen, welke voor hunne euveldaden moeten gestraft worden en diegenen, met wie dat niet moet gebeuren;—en als zij deze goede les niet leeren, vrees ik dat zij in een verbeterhuis er geene andere leeren, en niets dat voor hunne zedelijkheid bevordelijk kan zijn.Een regtsgeleerde zal welligt denken, dat de heer Allworthy zijne magt wat te buiten ging in dit geval. En, om de waarheid te zeggen, daar er geene geregelde klagt ingediend was, twijfel ik ook of zijn gedrag stipt naar de regels was. Daar echter zijn voornemen wezenlijk regtvaardig was, moet men hem inforo conscientiaevrijspreken; terwijl er zoo vele overheidspersonen zijn, die dagelijks willekeur plegen, zonder zelfs deze verontschuldiging te kunnen aanvoeren.Zoodra Tom van den geregtsdienaar vernam waarheen zij gingen,—wat hij ook spoedig genoeg giste,—greep hij Molly in de armen op en haar teeder omhelzende in aller bijzijn, zwoer hij den eersten te vermoorden, die haar aanraakte. Hij smeekte haar hare tranen af te droogen en getroost te zijn; want, waar zij ook heenging, hij zou haar volgen. Zich daarop tot den geregtsdienaar wendende, die met den hoed in de hand stond te beven, verzocht hij hem,[164]zeer vriendelijk, slechts een oogenblik met hem terug te keeren bij zijn vader (want zoo noemde hij Allworthy), daar hij verzekerd was, zeide hij, dat zoodra hij alles aangevoerd had, wat hij in haar voordeel kon bijbrengen, het meisje weder op vrije voeten gesteld zou worden.De geregtsdienaar, die zonder twijfel de gevangene op Tom’s eisch dadelijk in vrijheid gesteld zou hebben, stemde zeer gaarne in zijn verzoek toe.Zij keerden dus allen terug tot in het voorhuis van den heer Allworthy, waar Tom hen verzocht op zijne terugkomst te wachten en zelf den waardigen man ging zoeken. Zoodra hij hem gevonden had, wierp zich Tom aan zijne voeten en hem smeekende om hem geduldig aan te hooren, bekende hij zelf de vader te zijn van het kind waarvan Molly toen zwanger was. Hij bad hem medelijden te hebben met het arme meisje, en in aanmerking te nemen dat als er bij iemand schuld was in dit geval, hij die voornamelijk dragen moest.„Als er schuld is?” riep Allworthy driftig. „Zijt ge dan zóó losbandig en onbeschaamd, dat ge er aan twijfelen kunt of er schuld bestaat in het schenden van de goddelijke en menschelijke wetten en in het verleiden van een ongelukkig meisje? Ik zie inderdaad dat de schuld voornamelijk op u rust, en die is zoo zwaar, dat ge verwachten moest daaronder verpletterd te worden!”„Wat ook mijn lot zij,” zei Tom, „laat mij slagen in mijn smeeken voor het arme meisje! Ik beken dat ik haar verleid heb;—maar het hangt van u af, of zij geheel en al te gronde gerigt zal worden! In ’s Hemels naam, trek uw bevelschrift weder in en zend haar niet naar eene plaats, waar zij zeker haar geheelen ondergang te gemoet zou gaan.”Allworthy beval hem dadelijk een knecht te roepen. Tom hernam dat dit onnoodig was; want hij had de menschen gelukkig bij de poort ontmoet en,vertrouwende op de goedheid van den heer Allworthy,hen met zich terug gebragt naar het voorhuis, waar zij nu op zijne beslissing wachtten, die hij hem nu op de knieën smeekte ten gunste van het meisje te nemen, en haar te vergunnen weer naar huis te gaan bij hare ouders, om niet aan meer schimp en[165]schande blootgesteld te worden dan haar reeds nu noodzakelijk treffen moesten.„Ik weet reeds,” voegde hij er bij, „dat zij maar al te veel te verdragen zal hebben. Ik weet dat mijne slechtheid de oorzaak van alles is. Ik zal, zoo mogelijk, dit trachten te vergelden, en als gij ooit later de goedheid hebt mij te vergeven, hoop ik mij die gunst waardig te betoonen.”Allworthy aarzelde een oogenblik en zeide daarop:„Nu, ik zal mijn bevel van aanhouding weder intrekken. Zend den geregtsdienaar hier.”Dit geschiedde, hij werd dadelijk weggezonden en het meisje ook.Men zal wel begrijpen dat de heer Allworthy Tom bij deze gelegenheid zeer ernstig de les las; maar het is onnoodig hier alles in te lasschen, daar wij getrouw opgeteekend hebben, in het eerste boek, hetgeen hij aanJenniJones zeide, waarvan het meeste even toepasselijk is op de mannen als op de vrouwen. Deze verwijten maakten zulken diepen indruk op den jongeling, die geen verharde zondaar was, dat hij zich in zijne eigene kamer opsloot en den avond in zeer droevig gepeins doorbragt.Allworthy was nog al verstoord op Tom wegens dit vergrijp; want in weerwil van de beweringen van den heer Western, blijft het toch onbetwistbaar, dat hij nooit een losbol was geweest bij de vrouwen en de uitspattingen van anderen altijd ten hoogste afgekeurd had. Inderdaad, er bestaat wel reden te gelooven, dat er geen zweem van waarheid was in hetgeen de heer Western betuigd had, vooral daar hij als het tooneel dier ongeregeldheden, de hooge school noemde, welke nooit door den heer Allworthy was bezocht. Met één woord, de goede landjonker was wat al te zeer geneigd om zich te buiten te gaan in zekere soort van scherts, die wel eens „bluffen” genoemd wordt,—om geen ander woord te bezigen, wat welligt slechts al te dikwijls geschiedt, daar zeer veel van hetgeen meermalen in de wereld doorgaat voor geestigheid en humor, eigenlijk, als men de woorden met den stipsten eerbied voor hunne beteekenis bezigde, genoemd moest worden met dien naam, welken ik hier, overeenkomstig de wetten der welvoegelijkheid, verzwijg.Maar welken afkeer ook de heer Allworthy voor deze[166]eenige andere soort van ondeugd koesterde, werd hij er toch niet zoo door verblind, dat hij geene deugd hoegenaamd meer in den schuldige zien kon,—of die minder helder zag, dan wanneer er geen mengsel van ondeugd in dat karakter ware. Terwijl hij dus vertoornd was op Tom wegens diens losbandigheid, was hij niet minder ingenomen met de eerlijkheid en opregtheid zijner zelfbeschuldiging. Hij begon dan nu hetzelfde gevoelen te koesteren omtrent den jongen als dat, hetwelk, naar wij hopen, de lezer zelf opgevat zal hebben. En als hij zijne gebreken tegen zijne deugden woog, kwam het hem voor, dat deze laatste eenigzins de overhand hadden.Het baatte dus niet, dat de heer Thwackum, dieonmiddellijkdoor den jongen Blifil alles vernam, zijn gal uitspoog tegen den armen Tom.Allworthy luisterde bedaard naar hunne smaadredenen, en hernam heel koel:„Dat jonge lieden van een dergelijk temperament als Tom, maar al te zeer tot deze ondeugd geneigd waren; maar dat hij geloofde dat die jongeling opregt getroffen was door hetgeen hij hem bij deze gelegenheid gezegd had, en hij dus de hoop koesterde dat hij niet weer zondigen zoude.”Dus, daar de dagen der ligchamelijke tuchtiging voorbij waren, kon de leeraar alleen door den mond zijn gal uitspuwen,—wat de gewone verachtelijke toevlugt der onmagtige wraakzucht is.Maar Square, die minder driftig was, bezat veel meer sluwheid, en daar hij Jones welligt meer haatte dan Thwackum dat deed, vond hij ook middel om hem meer te benadeelen in de oogen van den heer Allworthy.De lezer herinnert zich de verschillende kleine gevallen met den patrijs, het paard en den Bijbel, die in het tweede boek opgesomd werden. Door dit een en ander had Jones de liefde, welke de heer Allworthy tot hem koesterde, veel eer vermeerderd dan verminderd.Hetzelfde zou, verbeeld ik me, zeker het geval zijn geweest met iedereen, die eenig besef heeft van vriendschap, mildheid en edelmoedigheid; dat is, met iedereen die eenigen aanleg tot het goede heeft.Square zelf was niet onbekend met den wezenlijken indruk,[167]welken deze verschillende blijken van goedheid op het uitstekende hart van den heer Allworthy gemaakt hadden; want de wijsgeer wist zeer goed wat de deugd was, hoewel hij misschien zelf ze niet altijd beoefende. Maar bij Thwackum (om welke reden wil ik niet beslissen), kwam zoo iets volstrekt niet op; hij zag Jones zelf in een slecht licht, en verbeeldde zich dat Allworthy dat ook deed, maar besloten had uit hoogmoed en stijfhoofdigheid, om den jongen, dien hij eens lief had gehad, niet op te geven; daar hij door dit te doen, stilzwijgend zou moeten bekennen, dat hij zich vroeger omtrent hem vergist had.Square maakte dus gebruik van deze gelegenheid om Jones op de gevoeligste wijze te benadeelen, door nu eene zeer slechte uitlegging te geven aan al hetgeen vroeger gebeurd was.„Het spijt me wel, mijnheer,” zeide hij; „maar ik moet bekennen, dat ik me ook in hem vergist heb, even als gij. Ik kon niet nalaten ingenomen te zijn met hetgeen ik aan vriendschap toeschreef, hoewel die overdreven werd,—en alle overdrijving verkeerd en schandelijk is;—maar hierbij nam ik zijne jeugd in aanmerking. Ik vermoedde niet, dat het verzwijgen der waarheid, dat zoo als wij ons voorstelden om den wille der vriendschap had plaats gehad, wezenlijk niets anders was dan het verguizen daarvan, om den wille van een bedorven en losbandigen hartstogt. Men ziet nu duidelijk in uit welke bron de schijnbare edelmoedigheid van den jongen, ten opzigte van het huisgezin van den jager voortsproot. Hij ondersteunde den vader ten einde de dochter te verleiden, en bewaarde het huisgezin van den hongerdood, ten einde het meisje tot schimp en schande te brengen. Dit heet vriendschap! Dit heet edelmoedigheid! Zoo als Sir Richard Steele zegt: „Het is allezins billijk een lekkerbek, die een fijnen schotel duur betaalt, mild te noemen!” Dit voorbeeld leert mij voortaan nooit meer aan de zwakheid der menschelijke natuur toe te geven, en iets voor deugdzaam te houden, dat niet volmaakt in overeenstemming te brengen is met de onfeilbare regels van het regte.”Allworthy’s goedheid had hem tot dusver belet aan zoo iets te denken; maar hetgeen hij nu hoorde, klonk te[168]waarschijnlijk om bepaaldelijk en overhaast verworpen te worden, zoodra het hem door een derde onder het oog werd gebragt. Inderdaad, hetgeen door Square gezegd was, drong diep in zijn hart door, en de onrust welke het hem baarde werd door den andere zeer goed opgemerkt, hoewel de waardige man zelf het niet bekennen wilde, zeer kort antwoordde, en met geweld het gesprek op een ander onderwerp bragt. Het was echter welligt een geluk voor den armen Tom, dat dergelijke inblazingen niet gehoord werden eer hij vergiffenis gekregen had; want voor het eerst van zijn leven lieten zij in Allworthy’s geest een slechten indruk omtrent Tom achter.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Molly Seagrim ontloopt ter naauwernood het gevaar; met eenige opmerkingen, waarnaar wij in de diepte van het menschelijk hart hebben moeten visschen.Tom Jones had dien morgen een der paarden van den heer Western op de jagt gereden, zoodat hij, nu er geen van zijn eigen dáár op stal hebbende, genoodzaakt was te voet naar huis te gaan. Dit deed hij zoo snel, dat hij een uur afstands in minder dan een half uur aflegde.Juist toen hij bij den hoofdingang van het huis van den heer Allworthy aankwam, ontmoette hij den geregtsdienaar met zijn gevolg, die Molly bragten naar dat verblijf, waar de mindere menschen ééne goede les kunnen krijgen, namelijk die van eerbied en ontzag voor hunne meerderen; daar zij er uit leeren moeten welk groot onderscheid door het noodlot gemaakt wordt tusschen diegenen, welke voor hunne euveldaden moeten gestraft worden en diegenen, met wie dat niet moet gebeuren;—en als zij deze goede les niet leeren, vrees ik dat zij in een verbeterhuis er geene andere leeren, en niets dat voor hunne zedelijkheid bevordelijk kan zijn.Een regtsgeleerde zal welligt denken, dat de heer Allworthy zijne magt wat te buiten ging in dit geval. En, om de waarheid te zeggen, daar er geene geregelde klagt ingediend was, twijfel ik ook of zijn gedrag stipt naar de regels was. Daar echter zijn voornemen wezenlijk regtvaardig was, moet men hem inforo conscientiaevrijspreken; terwijl er zoo vele overheidspersonen zijn, die dagelijks willekeur plegen, zonder zelfs deze verontschuldiging te kunnen aanvoeren.Zoodra Tom van den geregtsdienaar vernam waarheen zij gingen,—wat hij ook spoedig genoeg giste,—greep hij Molly in de armen op en haar teeder omhelzende in aller bijzijn, zwoer hij den eersten te vermoorden, die haar aanraakte. Hij smeekte haar hare tranen af te droogen en getroost te zijn; want, waar zij ook heenging, hij zou haar volgen. Zich daarop tot den geregtsdienaar wendende, die met den hoed in de hand stond te beven, verzocht hij hem,[164]zeer vriendelijk, slechts een oogenblik met hem terug te keeren bij zijn vader (want zoo noemde hij Allworthy), daar hij verzekerd was, zeide hij, dat zoodra hij alles aangevoerd had, wat hij in haar voordeel kon bijbrengen, het meisje weder op vrije voeten gesteld zou worden.De geregtsdienaar, die zonder twijfel de gevangene op Tom’s eisch dadelijk in vrijheid gesteld zou hebben, stemde zeer gaarne in zijn verzoek toe.Zij keerden dus allen terug tot in het voorhuis van den heer Allworthy, waar Tom hen verzocht op zijne terugkomst te wachten en zelf den waardigen man ging zoeken. Zoodra hij hem gevonden had, wierp zich Tom aan zijne voeten en hem smeekende om hem geduldig aan te hooren, bekende hij zelf de vader te zijn van het kind waarvan Molly toen zwanger was. Hij bad hem medelijden te hebben met het arme meisje, en in aanmerking te nemen dat als er bij iemand schuld was in dit geval, hij die voornamelijk dragen moest.„Als er schuld is?” riep Allworthy driftig. „Zijt ge dan zóó losbandig en onbeschaamd, dat ge er aan twijfelen kunt of er schuld bestaat in het schenden van de goddelijke en menschelijke wetten en in het verleiden van een ongelukkig meisje? Ik zie inderdaad dat de schuld voornamelijk op u rust, en die is zoo zwaar, dat ge verwachten moest daaronder verpletterd te worden!”„Wat ook mijn lot zij,” zei Tom, „laat mij slagen in mijn smeeken voor het arme meisje! Ik beken dat ik haar verleid heb;—maar het hangt van u af, of zij geheel en al te gronde gerigt zal worden! In ’s Hemels naam, trek uw bevelschrift weder in en zend haar niet naar eene plaats, waar zij zeker haar geheelen ondergang te gemoet zou gaan.”Allworthy beval hem dadelijk een knecht te roepen. Tom hernam dat dit onnoodig was; want hij had de menschen gelukkig bij de poort ontmoet en,vertrouwende op de goedheid van den heer Allworthy,hen met zich terug gebragt naar het voorhuis, waar zij nu op zijne beslissing wachtten, die hij hem nu op de knieën smeekte ten gunste van het meisje te nemen, en haar te vergunnen weer naar huis te gaan bij hare ouders, om niet aan meer schimp en[165]schande blootgesteld te worden dan haar reeds nu noodzakelijk treffen moesten.„Ik weet reeds,” voegde hij er bij, „dat zij maar al te veel te verdragen zal hebben. Ik weet dat mijne slechtheid de oorzaak van alles is. Ik zal, zoo mogelijk, dit trachten te vergelden, en als gij ooit later de goedheid hebt mij te vergeven, hoop ik mij die gunst waardig te betoonen.”Allworthy aarzelde een oogenblik en zeide daarop:„Nu, ik zal mijn bevel van aanhouding weder intrekken. Zend den geregtsdienaar hier.”Dit geschiedde, hij werd dadelijk weggezonden en het meisje ook.Men zal wel begrijpen dat de heer Allworthy Tom bij deze gelegenheid zeer ernstig de les las; maar het is onnoodig hier alles in te lasschen, daar wij getrouw opgeteekend hebben, in het eerste boek, hetgeen hij aanJenniJones zeide, waarvan het meeste even toepasselijk is op de mannen als op de vrouwen. Deze verwijten maakten zulken diepen indruk op den jongeling, die geen verharde zondaar was, dat hij zich in zijne eigene kamer opsloot en den avond in zeer droevig gepeins doorbragt.Allworthy was nog al verstoord op Tom wegens dit vergrijp; want in weerwil van de beweringen van den heer Western, blijft het toch onbetwistbaar, dat hij nooit een losbol was geweest bij de vrouwen en de uitspattingen van anderen altijd ten hoogste afgekeurd had. Inderdaad, er bestaat wel reden te gelooven, dat er geen zweem van waarheid was in hetgeen de heer Western betuigd had, vooral daar hij als het tooneel dier ongeregeldheden, de hooge school noemde, welke nooit door den heer Allworthy was bezocht. Met één woord, de goede landjonker was wat al te zeer geneigd om zich te buiten te gaan in zekere soort van scherts, die wel eens „bluffen” genoemd wordt,—om geen ander woord te bezigen, wat welligt slechts al te dikwijls geschiedt, daar zeer veel van hetgeen meermalen in de wereld doorgaat voor geestigheid en humor, eigenlijk, als men de woorden met den stipsten eerbied voor hunne beteekenis bezigde, genoemd moest worden met dien naam, welken ik hier, overeenkomstig de wetten der welvoegelijkheid, verzwijg.Maar welken afkeer ook de heer Allworthy voor deze[166]eenige andere soort van ondeugd koesterde, werd hij er toch niet zoo door verblind, dat hij geene deugd hoegenaamd meer in den schuldige zien kon,—of die minder helder zag, dan wanneer er geen mengsel van ondeugd in dat karakter ware. Terwijl hij dus vertoornd was op Tom wegens diens losbandigheid, was hij niet minder ingenomen met de eerlijkheid en opregtheid zijner zelfbeschuldiging. Hij begon dan nu hetzelfde gevoelen te koesteren omtrent den jongen als dat, hetwelk, naar wij hopen, de lezer zelf opgevat zal hebben. En als hij zijne gebreken tegen zijne deugden woog, kwam het hem voor, dat deze laatste eenigzins de overhand hadden.Het baatte dus niet, dat de heer Thwackum, dieonmiddellijkdoor den jongen Blifil alles vernam, zijn gal uitspoog tegen den armen Tom.Allworthy luisterde bedaard naar hunne smaadredenen, en hernam heel koel:„Dat jonge lieden van een dergelijk temperament als Tom, maar al te zeer tot deze ondeugd geneigd waren; maar dat hij geloofde dat die jongeling opregt getroffen was door hetgeen hij hem bij deze gelegenheid gezegd had, en hij dus de hoop koesterde dat hij niet weer zondigen zoude.”Dus, daar de dagen der ligchamelijke tuchtiging voorbij waren, kon de leeraar alleen door den mond zijn gal uitspuwen,—wat de gewone verachtelijke toevlugt der onmagtige wraakzucht is.Maar Square, die minder driftig was, bezat veel meer sluwheid, en daar hij Jones welligt meer haatte dan Thwackum dat deed, vond hij ook middel om hem meer te benadeelen in de oogen van den heer Allworthy.De lezer herinnert zich de verschillende kleine gevallen met den patrijs, het paard en den Bijbel, die in het tweede boek opgesomd werden. Door dit een en ander had Jones de liefde, welke de heer Allworthy tot hem koesterde, veel eer vermeerderd dan verminderd.Hetzelfde zou, verbeeld ik me, zeker het geval zijn geweest met iedereen, die eenig besef heeft van vriendschap, mildheid en edelmoedigheid; dat is, met iedereen die eenigen aanleg tot het goede heeft.Square zelf was niet onbekend met den wezenlijken indruk,[167]welken deze verschillende blijken van goedheid op het uitstekende hart van den heer Allworthy gemaakt hadden; want de wijsgeer wist zeer goed wat de deugd was, hoewel hij misschien zelf ze niet altijd beoefende. Maar bij Thwackum (om welke reden wil ik niet beslissen), kwam zoo iets volstrekt niet op; hij zag Jones zelf in een slecht licht, en verbeeldde zich dat Allworthy dat ook deed, maar besloten had uit hoogmoed en stijfhoofdigheid, om den jongen, dien hij eens lief had gehad, niet op te geven; daar hij door dit te doen, stilzwijgend zou moeten bekennen, dat hij zich vroeger omtrent hem vergist had.Square maakte dus gebruik van deze gelegenheid om Jones op de gevoeligste wijze te benadeelen, door nu eene zeer slechte uitlegging te geven aan al hetgeen vroeger gebeurd was.„Het spijt me wel, mijnheer,” zeide hij; „maar ik moet bekennen, dat ik me ook in hem vergist heb, even als gij. Ik kon niet nalaten ingenomen te zijn met hetgeen ik aan vriendschap toeschreef, hoewel die overdreven werd,—en alle overdrijving verkeerd en schandelijk is;—maar hierbij nam ik zijne jeugd in aanmerking. Ik vermoedde niet, dat het verzwijgen der waarheid, dat zoo als wij ons voorstelden om den wille der vriendschap had plaats gehad, wezenlijk niets anders was dan het verguizen daarvan, om den wille van een bedorven en losbandigen hartstogt. Men ziet nu duidelijk in uit welke bron de schijnbare edelmoedigheid van den jongen, ten opzigte van het huisgezin van den jager voortsproot. Hij ondersteunde den vader ten einde de dochter te verleiden, en bewaarde het huisgezin van den hongerdood, ten einde het meisje tot schimp en schande te brengen. Dit heet vriendschap! Dit heet edelmoedigheid! Zoo als Sir Richard Steele zegt: „Het is allezins billijk een lekkerbek, die een fijnen schotel duur betaalt, mild te noemen!” Dit voorbeeld leert mij voortaan nooit meer aan de zwakheid der menschelijke natuur toe te geven, en iets voor deugdzaam te houden, dat niet volmaakt in overeenstemming te brengen is met de onfeilbare regels van het regte.”Allworthy’s goedheid had hem tot dusver belet aan zoo iets te denken; maar hetgeen hij nu hoorde, klonk te[168]waarschijnlijk om bepaaldelijk en overhaast verworpen te worden, zoodra het hem door een derde onder het oog werd gebragt. Inderdaad, hetgeen door Square gezegd was, drong diep in zijn hart door, en de onrust welke het hem baarde werd door den andere zeer goed opgemerkt, hoewel de waardige man zelf het niet bekennen wilde, zeer kort antwoordde, en met geweld het gesprek op een ander onderwerp bragt. Het was echter welligt een geluk voor den armen Tom, dat dergelijke inblazingen niet gehoord werden eer hij vergiffenis gekregen had; want voor het eerst van zijn leven lieten zij in Allworthy’s geest een slechten indruk omtrent Tom achter.

Hoofdstuk XI.Molly Seagrim ontloopt ter naauwernood het gevaar; met eenige opmerkingen, waarnaar wij in de diepte van het menschelijk hart hebben moeten visschen.

Tom Jones had dien morgen een der paarden van den heer Western op de jagt gereden, zoodat hij, nu er geen van zijn eigen dáár op stal hebbende, genoodzaakt was te voet naar huis te gaan. Dit deed hij zoo snel, dat hij een uur afstands in minder dan een half uur aflegde.Juist toen hij bij den hoofdingang van het huis van den heer Allworthy aankwam, ontmoette hij den geregtsdienaar met zijn gevolg, die Molly bragten naar dat verblijf, waar de mindere menschen ééne goede les kunnen krijgen, namelijk die van eerbied en ontzag voor hunne meerderen; daar zij er uit leeren moeten welk groot onderscheid door het noodlot gemaakt wordt tusschen diegenen, welke voor hunne euveldaden moeten gestraft worden en diegenen, met wie dat niet moet gebeuren;—en als zij deze goede les niet leeren, vrees ik dat zij in een verbeterhuis er geene andere leeren, en niets dat voor hunne zedelijkheid bevordelijk kan zijn.Een regtsgeleerde zal welligt denken, dat de heer Allworthy zijne magt wat te buiten ging in dit geval. En, om de waarheid te zeggen, daar er geene geregelde klagt ingediend was, twijfel ik ook of zijn gedrag stipt naar de regels was. Daar echter zijn voornemen wezenlijk regtvaardig was, moet men hem inforo conscientiaevrijspreken; terwijl er zoo vele overheidspersonen zijn, die dagelijks willekeur plegen, zonder zelfs deze verontschuldiging te kunnen aanvoeren.Zoodra Tom van den geregtsdienaar vernam waarheen zij gingen,—wat hij ook spoedig genoeg giste,—greep hij Molly in de armen op en haar teeder omhelzende in aller bijzijn, zwoer hij den eersten te vermoorden, die haar aanraakte. Hij smeekte haar hare tranen af te droogen en getroost te zijn; want, waar zij ook heenging, hij zou haar volgen. Zich daarop tot den geregtsdienaar wendende, die met den hoed in de hand stond te beven, verzocht hij hem,[164]zeer vriendelijk, slechts een oogenblik met hem terug te keeren bij zijn vader (want zoo noemde hij Allworthy), daar hij verzekerd was, zeide hij, dat zoodra hij alles aangevoerd had, wat hij in haar voordeel kon bijbrengen, het meisje weder op vrije voeten gesteld zou worden.De geregtsdienaar, die zonder twijfel de gevangene op Tom’s eisch dadelijk in vrijheid gesteld zou hebben, stemde zeer gaarne in zijn verzoek toe.Zij keerden dus allen terug tot in het voorhuis van den heer Allworthy, waar Tom hen verzocht op zijne terugkomst te wachten en zelf den waardigen man ging zoeken. Zoodra hij hem gevonden had, wierp zich Tom aan zijne voeten en hem smeekende om hem geduldig aan te hooren, bekende hij zelf de vader te zijn van het kind waarvan Molly toen zwanger was. Hij bad hem medelijden te hebben met het arme meisje, en in aanmerking te nemen dat als er bij iemand schuld was in dit geval, hij die voornamelijk dragen moest.„Als er schuld is?” riep Allworthy driftig. „Zijt ge dan zóó losbandig en onbeschaamd, dat ge er aan twijfelen kunt of er schuld bestaat in het schenden van de goddelijke en menschelijke wetten en in het verleiden van een ongelukkig meisje? Ik zie inderdaad dat de schuld voornamelijk op u rust, en die is zoo zwaar, dat ge verwachten moest daaronder verpletterd te worden!”„Wat ook mijn lot zij,” zei Tom, „laat mij slagen in mijn smeeken voor het arme meisje! Ik beken dat ik haar verleid heb;—maar het hangt van u af, of zij geheel en al te gronde gerigt zal worden! In ’s Hemels naam, trek uw bevelschrift weder in en zend haar niet naar eene plaats, waar zij zeker haar geheelen ondergang te gemoet zou gaan.”Allworthy beval hem dadelijk een knecht te roepen. Tom hernam dat dit onnoodig was; want hij had de menschen gelukkig bij de poort ontmoet en,vertrouwende op de goedheid van den heer Allworthy,hen met zich terug gebragt naar het voorhuis, waar zij nu op zijne beslissing wachtten, die hij hem nu op de knieën smeekte ten gunste van het meisje te nemen, en haar te vergunnen weer naar huis te gaan bij hare ouders, om niet aan meer schimp en[165]schande blootgesteld te worden dan haar reeds nu noodzakelijk treffen moesten.„Ik weet reeds,” voegde hij er bij, „dat zij maar al te veel te verdragen zal hebben. Ik weet dat mijne slechtheid de oorzaak van alles is. Ik zal, zoo mogelijk, dit trachten te vergelden, en als gij ooit later de goedheid hebt mij te vergeven, hoop ik mij die gunst waardig te betoonen.”Allworthy aarzelde een oogenblik en zeide daarop:„Nu, ik zal mijn bevel van aanhouding weder intrekken. Zend den geregtsdienaar hier.”Dit geschiedde, hij werd dadelijk weggezonden en het meisje ook.Men zal wel begrijpen dat de heer Allworthy Tom bij deze gelegenheid zeer ernstig de les las; maar het is onnoodig hier alles in te lasschen, daar wij getrouw opgeteekend hebben, in het eerste boek, hetgeen hij aanJenniJones zeide, waarvan het meeste even toepasselijk is op de mannen als op de vrouwen. Deze verwijten maakten zulken diepen indruk op den jongeling, die geen verharde zondaar was, dat hij zich in zijne eigene kamer opsloot en den avond in zeer droevig gepeins doorbragt.Allworthy was nog al verstoord op Tom wegens dit vergrijp; want in weerwil van de beweringen van den heer Western, blijft het toch onbetwistbaar, dat hij nooit een losbol was geweest bij de vrouwen en de uitspattingen van anderen altijd ten hoogste afgekeurd had. Inderdaad, er bestaat wel reden te gelooven, dat er geen zweem van waarheid was in hetgeen de heer Western betuigd had, vooral daar hij als het tooneel dier ongeregeldheden, de hooge school noemde, welke nooit door den heer Allworthy was bezocht. Met één woord, de goede landjonker was wat al te zeer geneigd om zich te buiten te gaan in zekere soort van scherts, die wel eens „bluffen” genoemd wordt,—om geen ander woord te bezigen, wat welligt slechts al te dikwijls geschiedt, daar zeer veel van hetgeen meermalen in de wereld doorgaat voor geestigheid en humor, eigenlijk, als men de woorden met den stipsten eerbied voor hunne beteekenis bezigde, genoemd moest worden met dien naam, welken ik hier, overeenkomstig de wetten der welvoegelijkheid, verzwijg.Maar welken afkeer ook de heer Allworthy voor deze[166]eenige andere soort van ondeugd koesterde, werd hij er toch niet zoo door verblind, dat hij geene deugd hoegenaamd meer in den schuldige zien kon,—of die minder helder zag, dan wanneer er geen mengsel van ondeugd in dat karakter ware. Terwijl hij dus vertoornd was op Tom wegens diens losbandigheid, was hij niet minder ingenomen met de eerlijkheid en opregtheid zijner zelfbeschuldiging. Hij begon dan nu hetzelfde gevoelen te koesteren omtrent den jongen als dat, hetwelk, naar wij hopen, de lezer zelf opgevat zal hebben. En als hij zijne gebreken tegen zijne deugden woog, kwam het hem voor, dat deze laatste eenigzins de overhand hadden.Het baatte dus niet, dat de heer Thwackum, dieonmiddellijkdoor den jongen Blifil alles vernam, zijn gal uitspoog tegen den armen Tom.Allworthy luisterde bedaard naar hunne smaadredenen, en hernam heel koel:„Dat jonge lieden van een dergelijk temperament als Tom, maar al te zeer tot deze ondeugd geneigd waren; maar dat hij geloofde dat die jongeling opregt getroffen was door hetgeen hij hem bij deze gelegenheid gezegd had, en hij dus de hoop koesterde dat hij niet weer zondigen zoude.”Dus, daar de dagen der ligchamelijke tuchtiging voorbij waren, kon de leeraar alleen door den mond zijn gal uitspuwen,—wat de gewone verachtelijke toevlugt der onmagtige wraakzucht is.Maar Square, die minder driftig was, bezat veel meer sluwheid, en daar hij Jones welligt meer haatte dan Thwackum dat deed, vond hij ook middel om hem meer te benadeelen in de oogen van den heer Allworthy.De lezer herinnert zich de verschillende kleine gevallen met den patrijs, het paard en den Bijbel, die in het tweede boek opgesomd werden. Door dit een en ander had Jones de liefde, welke de heer Allworthy tot hem koesterde, veel eer vermeerderd dan verminderd.Hetzelfde zou, verbeeld ik me, zeker het geval zijn geweest met iedereen, die eenig besef heeft van vriendschap, mildheid en edelmoedigheid; dat is, met iedereen die eenigen aanleg tot het goede heeft.Square zelf was niet onbekend met den wezenlijken indruk,[167]welken deze verschillende blijken van goedheid op het uitstekende hart van den heer Allworthy gemaakt hadden; want de wijsgeer wist zeer goed wat de deugd was, hoewel hij misschien zelf ze niet altijd beoefende. Maar bij Thwackum (om welke reden wil ik niet beslissen), kwam zoo iets volstrekt niet op; hij zag Jones zelf in een slecht licht, en verbeeldde zich dat Allworthy dat ook deed, maar besloten had uit hoogmoed en stijfhoofdigheid, om den jongen, dien hij eens lief had gehad, niet op te geven; daar hij door dit te doen, stilzwijgend zou moeten bekennen, dat hij zich vroeger omtrent hem vergist had.Square maakte dus gebruik van deze gelegenheid om Jones op de gevoeligste wijze te benadeelen, door nu eene zeer slechte uitlegging te geven aan al hetgeen vroeger gebeurd was.„Het spijt me wel, mijnheer,” zeide hij; „maar ik moet bekennen, dat ik me ook in hem vergist heb, even als gij. Ik kon niet nalaten ingenomen te zijn met hetgeen ik aan vriendschap toeschreef, hoewel die overdreven werd,—en alle overdrijving verkeerd en schandelijk is;—maar hierbij nam ik zijne jeugd in aanmerking. Ik vermoedde niet, dat het verzwijgen der waarheid, dat zoo als wij ons voorstelden om den wille der vriendschap had plaats gehad, wezenlijk niets anders was dan het verguizen daarvan, om den wille van een bedorven en losbandigen hartstogt. Men ziet nu duidelijk in uit welke bron de schijnbare edelmoedigheid van den jongen, ten opzigte van het huisgezin van den jager voortsproot. Hij ondersteunde den vader ten einde de dochter te verleiden, en bewaarde het huisgezin van den hongerdood, ten einde het meisje tot schimp en schande te brengen. Dit heet vriendschap! Dit heet edelmoedigheid! Zoo als Sir Richard Steele zegt: „Het is allezins billijk een lekkerbek, die een fijnen schotel duur betaalt, mild te noemen!” Dit voorbeeld leert mij voortaan nooit meer aan de zwakheid der menschelijke natuur toe te geven, en iets voor deugdzaam te houden, dat niet volmaakt in overeenstemming te brengen is met de onfeilbare regels van het regte.”Allworthy’s goedheid had hem tot dusver belet aan zoo iets te denken; maar hetgeen hij nu hoorde, klonk te[168]waarschijnlijk om bepaaldelijk en overhaast verworpen te worden, zoodra het hem door een derde onder het oog werd gebragt. Inderdaad, hetgeen door Square gezegd was, drong diep in zijn hart door, en de onrust welke het hem baarde werd door den andere zeer goed opgemerkt, hoewel de waardige man zelf het niet bekennen wilde, zeer kort antwoordde, en met geweld het gesprek op een ander onderwerp bragt. Het was echter welligt een geluk voor den armen Tom, dat dergelijke inblazingen niet gehoord werden eer hij vergiffenis gekregen had; want voor het eerst van zijn leven lieten zij in Allworthy’s geest een slechten indruk omtrent Tom achter.

Tom Jones had dien morgen een der paarden van den heer Western op de jagt gereden, zoodat hij, nu er geen van zijn eigen dáár op stal hebbende, genoodzaakt was te voet naar huis te gaan. Dit deed hij zoo snel, dat hij een uur afstands in minder dan een half uur aflegde.

Juist toen hij bij den hoofdingang van het huis van den heer Allworthy aankwam, ontmoette hij den geregtsdienaar met zijn gevolg, die Molly bragten naar dat verblijf, waar de mindere menschen ééne goede les kunnen krijgen, namelijk die van eerbied en ontzag voor hunne meerderen; daar zij er uit leeren moeten welk groot onderscheid door het noodlot gemaakt wordt tusschen diegenen, welke voor hunne euveldaden moeten gestraft worden en diegenen, met wie dat niet moet gebeuren;—en als zij deze goede les niet leeren, vrees ik dat zij in een verbeterhuis er geene andere leeren, en niets dat voor hunne zedelijkheid bevordelijk kan zijn.

Een regtsgeleerde zal welligt denken, dat de heer Allworthy zijne magt wat te buiten ging in dit geval. En, om de waarheid te zeggen, daar er geene geregelde klagt ingediend was, twijfel ik ook of zijn gedrag stipt naar de regels was. Daar echter zijn voornemen wezenlijk regtvaardig was, moet men hem inforo conscientiaevrijspreken; terwijl er zoo vele overheidspersonen zijn, die dagelijks willekeur plegen, zonder zelfs deze verontschuldiging te kunnen aanvoeren.

Zoodra Tom van den geregtsdienaar vernam waarheen zij gingen,—wat hij ook spoedig genoeg giste,—greep hij Molly in de armen op en haar teeder omhelzende in aller bijzijn, zwoer hij den eersten te vermoorden, die haar aanraakte. Hij smeekte haar hare tranen af te droogen en getroost te zijn; want, waar zij ook heenging, hij zou haar volgen. Zich daarop tot den geregtsdienaar wendende, die met den hoed in de hand stond te beven, verzocht hij hem,[164]zeer vriendelijk, slechts een oogenblik met hem terug te keeren bij zijn vader (want zoo noemde hij Allworthy), daar hij verzekerd was, zeide hij, dat zoodra hij alles aangevoerd had, wat hij in haar voordeel kon bijbrengen, het meisje weder op vrije voeten gesteld zou worden.

De geregtsdienaar, die zonder twijfel de gevangene op Tom’s eisch dadelijk in vrijheid gesteld zou hebben, stemde zeer gaarne in zijn verzoek toe.

Zij keerden dus allen terug tot in het voorhuis van den heer Allworthy, waar Tom hen verzocht op zijne terugkomst te wachten en zelf den waardigen man ging zoeken. Zoodra hij hem gevonden had, wierp zich Tom aan zijne voeten en hem smeekende om hem geduldig aan te hooren, bekende hij zelf de vader te zijn van het kind waarvan Molly toen zwanger was. Hij bad hem medelijden te hebben met het arme meisje, en in aanmerking te nemen dat als er bij iemand schuld was in dit geval, hij die voornamelijk dragen moest.

„Als er schuld is?” riep Allworthy driftig. „Zijt ge dan zóó losbandig en onbeschaamd, dat ge er aan twijfelen kunt of er schuld bestaat in het schenden van de goddelijke en menschelijke wetten en in het verleiden van een ongelukkig meisje? Ik zie inderdaad dat de schuld voornamelijk op u rust, en die is zoo zwaar, dat ge verwachten moest daaronder verpletterd te worden!”

„Wat ook mijn lot zij,” zei Tom, „laat mij slagen in mijn smeeken voor het arme meisje! Ik beken dat ik haar verleid heb;—maar het hangt van u af, of zij geheel en al te gronde gerigt zal worden! In ’s Hemels naam, trek uw bevelschrift weder in en zend haar niet naar eene plaats, waar zij zeker haar geheelen ondergang te gemoet zou gaan.”

Allworthy beval hem dadelijk een knecht te roepen. Tom hernam dat dit onnoodig was; want hij had de menschen gelukkig bij de poort ontmoet en,vertrouwende op de goedheid van den heer Allworthy,hen met zich terug gebragt naar het voorhuis, waar zij nu op zijne beslissing wachtten, die hij hem nu op de knieën smeekte ten gunste van het meisje te nemen, en haar te vergunnen weer naar huis te gaan bij hare ouders, om niet aan meer schimp en[165]schande blootgesteld te worden dan haar reeds nu noodzakelijk treffen moesten.

„Ik weet reeds,” voegde hij er bij, „dat zij maar al te veel te verdragen zal hebben. Ik weet dat mijne slechtheid de oorzaak van alles is. Ik zal, zoo mogelijk, dit trachten te vergelden, en als gij ooit later de goedheid hebt mij te vergeven, hoop ik mij die gunst waardig te betoonen.”

Allworthy aarzelde een oogenblik en zeide daarop:

„Nu, ik zal mijn bevel van aanhouding weder intrekken. Zend den geregtsdienaar hier.”

Dit geschiedde, hij werd dadelijk weggezonden en het meisje ook.

Men zal wel begrijpen dat de heer Allworthy Tom bij deze gelegenheid zeer ernstig de les las; maar het is onnoodig hier alles in te lasschen, daar wij getrouw opgeteekend hebben, in het eerste boek, hetgeen hij aanJenniJones zeide, waarvan het meeste even toepasselijk is op de mannen als op de vrouwen. Deze verwijten maakten zulken diepen indruk op den jongeling, die geen verharde zondaar was, dat hij zich in zijne eigene kamer opsloot en den avond in zeer droevig gepeins doorbragt.

Allworthy was nog al verstoord op Tom wegens dit vergrijp; want in weerwil van de beweringen van den heer Western, blijft het toch onbetwistbaar, dat hij nooit een losbol was geweest bij de vrouwen en de uitspattingen van anderen altijd ten hoogste afgekeurd had. Inderdaad, er bestaat wel reden te gelooven, dat er geen zweem van waarheid was in hetgeen de heer Western betuigd had, vooral daar hij als het tooneel dier ongeregeldheden, de hooge school noemde, welke nooit door den heer Allworthy was bezocht. Met één woord, de goede landjonker was wat al te zeer geneigd om zich te buiten te gaan in zekere soort van scherts, die wel eens „bluffen” genoemd wordt,—om geen ander woord te bezigen, wat welligt slechts al te dikwijls geschiedt, daar zeer veel van hetgeen meermalen in de wereld doorgaat voor geestigheid en humor, eigenlijk, als men de woorden met den stipsten eerbied voor hunne beteekenis bezigde, genoemd moest worden met dien naam, welken ik hier, overeenkomstig de wetten der welvoegelijkheid, verzwijg.

Maar welken afkeer ook de heer Allworthy voor deze[166]eenige andere soort van ondeugd koesterde, werd hij er toch niet zoo door verblind, dat hij geene deugd hoegenaamd meer in den schuldige zien kon,—of die minder helder zag, dan wanneer er geen mengsel van ondeugd in dat karakter ware. Terwijl hij dus vertoornd was op Tom wegens diens losbandigheid, was hij niet minder ingenomen met de eerlijkheid en opregtheid zijner zelfbeschuldiging. Hij begon dan nu hetzelfde gevoelen te koesteren omtrent den jongen als dat, hetwelk, naar wij hopen, de lezer zelf opgevat zal hebben. En als hij zijne gebreken tegen zijne deugden woog, kwam het hem voor, dat deze laatste eenigzins de overhand hadden.

Het baatte dus niet, dat de heer Thwackum, dieonmiddellijkdoor den jongen Blifil alles vernam, zijn gal uitspoog tegen den armen Tom.

Allworthy luisterde bedaard naar hunne smaadredenen, en hernam heel koel:

„Dat jonge lieden van een dergelijk temperament als Tom, maar al te zeer tot deze ondeugd geneigd waren; maar dat hij geloofde dat die jongeling opregt getroffen was door hetgeen hij hem bij deze gelegenheid gezegd had, en hij dus de hoop koesterde dat hij niet weer zondigen zoude.”

Dus, daar de dagen der ligchamelijke tuchtiging voorbij waren, kon de leeraar alleen door den mond zijn gal uitspuwen,—wat de gewone verachtelijke toevlugt der onmagtige wraakzucht is.

Maar Square, die minder driftig was, bezat veel meer sluwheid, en daar hij Jones welligt meer haatte dan Thwackum dat deed, vond hij ook middel om hem meer te benadeelen in de oogen van den heer Allworthy.

De lezer herinnert zich de verschillende kleine gevallen met den patrijs, het paard en den Bijbel, die in het tweede boek opgesomd werden. Door dit een en ander had Jones de liefde, welke de heer Allworthy tot hem koesterde, veel eer vermeerderd dan verminderd.

Hetzelfde zou, verbeeld ik me, zeker het geval zijn geweest met iedereen, die eenig besef heeft van vriendschap, mildheid en edelmoedigheid; dat is, met iedereen die eenigen aanleg tot het goede heeft.

Square zelf was niet onbekend met den wezenlijken indruk,[167]welken deze verschillende blijken van goedheid op het uitstekende hart van den heer Allworthy gemaakt hadden; want de wijsgeer wist zeer goed wat de deugd was, hoewel hij misschien zelf ze niet altijd beoefende. Maar bij Thwackum (om welke reden wil ik niet beslissen), kwam zoo iets volstrekt niet op; hij zag Jones zelf in een slecht licht, en verbeeldde zich dat Allworthy dat ook deed, maar besloten had uit hoogmoed en stijfhoofdigheid, om den jongen, dien hij eens lief had gehad, niet op te geven; daar hij door dit te doen, stilzwijgend zou moeten bekennen, dat hij zich vroeger omtrent hem vergist had.

Square maakte dus gebruik van deze gelegenheid om Jones op de gevoeligste wijze te benadeelen, door nu eene zeer slechte uitlegging te geven aan al hetgeen vroeger gebeurd was.

„Het spijt me wel, mijnheer,” zeide hij; „maar ik moet bekennen, dat ik me ook in hem vergist heb, even als gij. Ik kon niet nalaten ingenomen te zijn met hetgeen ik aan vriendschap toeschreef, hoewel die overdreven werd,—en alle overdrijving verkeerd en schandelijk is;—maar hierbij nam ik zijne jeugd in aanmerking. Ik vermoedde niet, dat het verzwijgen der waarheid, dat zoo als wij ons voorstelden om den wille der vriendschap had plaats gehad, wezenlijk niets anders was dan het verguizen daarvan, om den wille van een bedorven en losbandigen hartstogt. Men ziet nu duidelijk in uit welke bron de schijnbare edelmoedigheid van den jongen, ten opzigte van het huisgezin van den jager voortsproot. Hij ondersteunde den vader ten einde de dochter te verleiden, en bewaarde het huisgezin van den hongerdood, ten einde het meisje tot schimp en schande te brengen. Dit heet vriendschap! Dit heet edelmoedigheid! Zoo als Sir Richard Steele zegt: „Het is allezins billijk een lekkerbek, die een fijnen schotel duur betaalt, mild te noemen!” Dit voorbeeld leert mij voortaan nooit meer aan de zwakheid der menschelijke natuur toe te geven, en iets voor deugdzaam te houden, dat niet volmaakt in overeenstemming te brengen is met de onfeilbare regels van het regte.”

Allworthy’s goedheid had hem tot dusver belet aan zoo iets te denken; maar hetgeen hij nu hoorde, klonk te[168]waarschijnlijk om bepaaldelijk en overhaast verworpen te worden, zoodra het hem door een derde onder het oog werd gebragt. Inderdaad, hetgeen door Square gezegd was, drong diep in zijn hart door, en de onrust welke het hem baarde werd door den andere zeer goed opgemerkt, hoewel de waardige man zelf het niet bekennen wilde, zeer kort antwoordde, en met geweld het gesprek op een ander onderwerp bragt. Het was echter welligt een geluk voor den armen Tom, dat dergelijke inblazingen niet gehoord werden eer hij vergiffenis gekregen had; want voor het eerst van zijn leven lieten zij in Allworthy’s geest een slechten indruk omtrent Tom achter.


Back to IndexNext