Hoofdstuk XI.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.De ongelukken welke den heer Jones troffen op zijne reis naar coventry, met de opmerkingen van Partridge.Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge, noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids[358]hield vol dat dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige, huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt zullen wezen mede te deelen.Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander gevoelen.Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien, in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel[359]berouwen kon dat niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen sparen.”Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones, bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid, voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening. Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten, na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen, wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder vol laten loopen,[360]den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder lagen te spartelen.Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne. Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets kwaads met hem gebeurd was.[361][Inhoud]Hoofdstuk XII.De heer Jones zet de reis voort, tegen den raad van Partridge in, en hetgeen er bij deze gelegenheid gebeurde.Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van nog gevaarlijker aard.Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende, schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel heksen-muzijk had kunnen noemen.Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon, die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren; verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen, hoezeer hij zich er over ergerde.„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons; want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of anderen aard,—dat is zeker!”[362]„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge, zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet hebben.”„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich schijnbaar zeer goed vermaakten.Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!” riep.Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar Coventry.„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur, „stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd;[363]want Partridge zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware, zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats, welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne lotgevallen.Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn, zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt, den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven eenigzins verrast had.De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren[364]niemand anders dan eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit hun volk vierden.Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste Fransche kok verschaffen kan.Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze schuur:Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geeneregaliaom zijne waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones, dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend[365]was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was, daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te vinden.De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand, begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende wijze aan te spreken:„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen, dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene andere reden is mij bekend.„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk, die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand ter dood brengen, zijn toch[366]onze straffen zeer streng. Wij maken dat een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande, als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van haren bewonderaar.[367]Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu welke straf uw dienaar verdiend heeft?”Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een guinje aan.Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende, wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij de schuldigen ontdekt had?”Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad bedreven was.”Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den loer geweest was?”Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde zich toen tot den man en sprak als volgt:„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal als zoodanig[368]met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning zich tot hem wendende, zeide:„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk allen voor dieven?”„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich onderling.”Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk, dat onder zulk een bestuurder leefde.Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten.1Dit was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in[369]deze heerlijke instelling, schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar ook tevens bevorderlijk aan het zijne.Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te weeg brengen.Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen; want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der duisternis, en deze ondergeschikte magten moetenonmiddellijkafstammen van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden, zou het[370]uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen, hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de grootste straf ter wereld.1Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.↑[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Een gesprek tusschen Jones en Partridge.Alle eerlijke voorstanders der vrijheid zullen, zonder twijfel, ons de lange uitweiding vergeven, waartoe wij ons aan het einde van het laatste hoofdstuk lieten verleiden, ten einde te beletten dat onze geschiedenis misbruikt werd ten voordeele van de verderfelijkste leer, welke het priesterdom ooit de boosheid, of de onbeschaamdheid heeft gehad te verkondigen.Wij zullen nu den heer Jones verder vergezellen, die zoodra het onweder voorbij was, afscheid nam van zijne Heidensche Majesteit, na herhaalde dankbetuiging voor de genadige ontvangst en behandeling, en zijne reis voortzette naar Coventry, waarheen een Heiden (daar het nog pikdonker was) bevolen werd hem te geleiden.Daar Jones, door den omweg welken hij gemaakt had elf in plaats van zes mijlen gereisd had, en meestal langs afschuwelijke wegen, waarop men zelfs om eene baker te[371]halen geen haast had kunnen maken, was het bijna twaalf uur eer hij te Coventry aankwam. Het was ook over twee uur eer hij weder in den zadel kon komen, want het was niet gemakkelijk om postpaarden te krijgen, en de stalknecht en de postiljon hadden lang niet zoo veel haast als hij, maar verkozen liever om met het geduld van Partridge in te stemmen, die, daar hij de versterking der rust missen moest, elke gelegenheid waarnam om zich dat te vergoeden, door iedere andere verkwikking welke hij krijgen kon, te gebruiken en nooit beter in zijn schik was dan als hij eene herberg bereikt had, en nooit minder tevreden dan als hij ze weder verlaten moest.Jones reisde thans met postpaarden; wij zullen hem dus, volgens onze gewoonte volgen,—en overeenkomstig de regels van Longinus,—op dezelfde wijze.Van Coventry bereikte hij Daventry; van Daventry kwam hij te Stratford, en van Stratford te Dunstable, welke stad hij den volgenden dag na den middag bereikte, en weinige uren nadat Sophia ze verlaten had, en hoewel hij hier langer vertoeven moest dan hij wenschte, terwijl een smid, zeer op zijn gemak, zijn paard besloeg, hoopte hij toch zijne Sophia in te halen eer zij uit St. Albans vertrok, waar hij rekende dat Milord blijven zou om het middagmaal te gebruiken.En, als hij zich in deze gissing niet bedrogen had, zou hij waarschijnlijk zijn engel ook hier ingehaald hebben; maar ongelukkig had Milord het middagmaal besteld in zijn eigen huis te Londen, en ten einde bij tijds dáár aan te komen, had hij zich versche paarden te St. Albans te gemoet doen zenden. Toen Jones dus dáár aankwam, vernam hij dat de reiskoets met de zes paarden reeds twee uren geleden vertrokken was.Al waren er zelfs paarden gereed geweest, wat echter niet het geval was, zou het toch blijkbaar onmogelijk geweest zijn de koets in te halen eer ze Londen bereikte, zoodat Partridge dacht nu eene geschikte gelegenheid te hebben, om zijn vriend aan iets te herinneren, dat deze geheel scheen vergeten te hebben. De lezer zal gissen wat dit was, als wij hem mededeelen dat Jones slechts één gebakken ei gegeten had sedert zijn vertrek uit de herberg, waar hij den[372]eersten gids ontmoet had, die van Sophia terugkeerde; want bij de Heidenen had hij zich alleen geestelijk verkwikt.De waard was het zoo volmaakt eens met het gevoelen van den heer Partridge, dat hij naauwelijks hoorde hoe deze zijn vriend verzocht om toch te blijven eten, of hij viel hem dadelijk bij, en zijn woord weder intrekkende, dat hij hem gegeven had om hem postpaarden te verschaffen, verzekerde hij den heer Jones dat hij geen tijd verliezen zou door een middagmaal te bestellen, dat, zoo als hij verzekerde, eerder klaar zou zijn dan het mogelijk was de paarden uit de weide te halen, en ze een goed voer haver te geven eer ze de reis ondernamen.Jones werd voornamelijk door dit laatste argument van den waard overgehaald om te blijven, en een stuk schapenvleesch werd aan het braadspit gedaan. Terwijl het geregt klaar gemaakt werd, toefde Partridge in hetzelfde vertrek met zijn vriend, of liever zijn meester, en nam de gelegenheid waar om hem, als volgt, toetespreken:„Wezenlijk, mijnheer, als ooit een mensch een meisje verdiende, hebt gij nu jufvrouw Western verdiend! Want hoeveel liefde moet hij niet gevoelen die er geheel van leeft, zoo als gij nu doet! Ik weet zeker dat ik dertig maal zoo veel gegeten heb binnen de laatste vier en twintig uren als gij, mijnheer, en toch ben ik nu weer bijna uitgehongerd;—want niets prikkelt den eetlust meer dan het reizen,—vooral bij zulk koud, guur weder. En toch begrijp ik het niet, maar mijnheer schijnt volmaakt gezond en heeft er zeker nooit beter of frisscher uit gezien. Gij leeft zeker van de liefde!”„Dat is ook eene zeer bezwarende kost, Partridge,” hernam Jones. „Maar heeft het goede geluk mij gisteren niet iets heel lekkers gezonden? Gelooft ge niet dat ik meer dan vier en twintig uren van dit lieve zakboekje leven kan?”„Wel ja! Zonder twijfel!” riep Partridge; „er is genoeg in dat boekje om meer dan één goeden maaltijd te betalen. Het geluk heeft het mijnheer op een zeer geschikt oogenblik gezonden; want uw geld moet nu bijna op zijn?”„Wat bedoelt gij?” riep Jones. „Ik hoop toch niet dat gij u verbeeldt dat ik oneerlijk genoeg zou zijn, om gebruik[373]te maken van het geld, al behoorde het ook aan iemand anders dan mejufvrouw Western—”„Oneerlijk!” herhaalde Partridge, „de hemel beware mij er voor om u van zoo iets te verdenken; maar waarom zou het oneerlijk zijn om eene kleinigheid te leenen voor de behoeften van het oogenblik, daar gij later zoo best in staat zult wezen het de dame terug te geven? Ja, zeker zou ik er sterk vóór zijn dat mijnheer het zoo spoedig mogelijk weder afbetaalde;—maar hoe zou er eenig kwaad in steken om er nu gebruik van te maken, als gij het noodig hebt? Als het aan een arm schepsel toebehoorde, dan zou het eene geheel andere zaak wezen; maar zulk eene groote dame zal het zeker nooit noodig hebben, vooral nu zij bij een Lord is, die, ongetwijfeld, haar van alles voorzien zal wat zij noodig heeft. Bovendien, al heeft zij iets noodig, het geheel heeft zij zeker niet noodig en daarom zou ik er haar slechts weinig van geven;—maar ik liet me liever ophangen, dan dat ik haar dadelijk zeide dat ik het gevonden had,—vóór dat ik wat geld van mijn eigen had; want, naar ik hoor, is er geene ergere plaats ter wereld dan Londen als men gebrek aan geld heeft. Werkelijk, als ik niet geweten had aan wie het toebehoorde, had ik het voor heksengeld kunnen houden, en zou ik bang geweest zijn er gebruik van te maken;—daar gij echter van het tegendeel overtuigd zijt, en het op eene eerlijke wijze in uwe handen gekomen is, zou het zijn de Fortuin te beleedigen om het alles af te geven, op het oogenblik dat gij het zelf zoo noodig hebt. Gij kunt ook naauwelijks verwachten dat de godin u weder op dezelfde wijze begunstigen zal; wantfortuna nunquam perpetuo est bona. In weerwil van al wat ik zeg, zult gij toch uw zin doen; maar ik herhaal: ik liet me liever ophangen dan één woord van het geld te reppen!”„Naar ik zie, Partridge,” hernam Jones, „is het hangen ietsnon longe alienum a Scaevolae studiis.”„Gij moest lieveralienuszeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus, immunis, variis casibus serviunt.””„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit,[374]vriendje, dat hij die het eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar onthoudt,in foro conscientiaeevenzeer de galg verdient als hij die het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschenfas et nefaste begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik; want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijdalienusleerde, en zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van minachting (iets dat bij hem niet[375]veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu, Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij reizen!”De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen, moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers waarschijnlijk zullen doen.Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer, dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken naar Londen.[376][Inhoud]Hoofdstuk XIV.Hetgeen den heer Jones overkwam op zijne reis van St. Albans.Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik ben een vreemdeling in deze streken.”Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen, onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk zijn.Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij, dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik; want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan, zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten. Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft, bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo[377]veel moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate, toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge gesproken had.Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het geld weder op.De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf, hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen Jones.„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de nood heeft me daartoe gedreven!”Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten te worden.Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees[378]koesterde dan voor zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood, mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar, zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon, wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen, en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit, dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon menschlievend, terwijl anderen, van meer[379]zwartgalligen aard ze beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid, welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen bereikten.De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt later blijken of hij woord hield of niet.Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu, zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting. Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd den roof vergezelt.”„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben; maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan[380]hij, die iemand de paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.De ongelukken welke den heer Jones troffen op zijne reis naar coventry, met de opmerkingen van Partridge.Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge, noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids[358]hield vol dat dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige, huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt zullen wezen mede te deelen.Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander gevoelen.Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien, in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel[359]berouwen kon dat niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen sparen.”Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones, bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid, voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening. Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten, na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen, wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder vol laten loopen,[360]den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder lagen te spartelen.Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne. Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets kwaads met hem gebeurd was.[361][Inhoud]Hoofdstuk XII.De heer Jones zet de reis voort, tegen den raad van Partridge in, en hetgeen er bij deze gelegenheid gebeurde.Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van nog gevaarlijker aard.Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende, schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel heksen-muzijk had kunnen noemen.Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon, die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren; verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen, hoezeer hij zich er over ergerde.„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons; want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of anderen aard,—dat is zeker!”[362]„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge, zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet hebben.”„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich schijnbaar zeer goed vermaakten.Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!” riep.Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar Coventry.„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur, „stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd;[363]want Partridge zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware, zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats, welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne lotgevallen.Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn, zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt, den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven eenigzins verrast had.De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren[364]niemand anders dan eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit hun volk vierden.Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste Fransche kok verschaffen kan.Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze schuur:Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geeneregaliaom zijne waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones, dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend[365]was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was, daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te vinden.De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand, begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende wijze aan te spreken:„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen, dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene andere reden is mij bekend.„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk, die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand ter dood brengen, zijn toch[366]onze straffen zeer streng. Wij maken dat een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande, als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van haren bewonderaar.[367]Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu welke straf uw dienaar verdiend heeft?”Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een guinje aan.Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende, wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij de schuldigen ontdekt had?”Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad bedreven was.”Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den loer geweest was?”Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde zich toen tot den man en sprak als volgt:„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal als zoodanig[368]met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning zich tot hem wendende, zeide:„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk allen voor dieven?”„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich onderling.”Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk, dat onder zulk een bestuurder leefde.Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten.1Dit was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in[369]deze heerlijke instelling, schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar ook tevens bevorderlijk aan het zijne.Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te weeg brengen.Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen; want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der duisternis, en deze ondergeschikte magten moetenonmiddellijkafstammen van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden, zou het[370]uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen, hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de grootste straf ter wereld.1Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.↑[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Een gesprek tusschen Jones en Partridge.Alle eerlijke voorstanders der vrijheid zullen, zonder twijfel, ons de lange uitweiding vergeven, waartoe wij ons aan het einde van het laatste hoofdstuk lieten verleiden, ten einde te beletten dat onze geschiedenis misbruikt werd ten voordeele van de verderfelijkste leer, welke het priesterdom ooit de boosheid, of de onbeschaamdheid heeft gehad te verkondigen.Wij zullen nu den heer Jones verder vergezellen, die zoodra het onweder voorbij was, afscheid nam van zijne Heidensche Majesteit, na herhaalde dankbetuiging voor de genadige ontvangst en behandeling, en zijne reis voortzette naar Coventry, waarheen een Heiden (daar het nog pikdonker was) bevolen werd hem te geleiden.Daar Jones, door den omweg welken hij gemaakt had elf in plaats van zes mijlen gereisd had, en meestal langs afschuwelijke wegen, waarop men zelfs om eene baker te[371]halen geen haast had kunnen maken, was het bijna twaalf uur eer hij te Coventry aankwam. Het was ook over twee uur eer hij weder in den zadel kon komen, want het was niet gemakkelijk om postpaarden te krijgen, en de stalknecht en de postiljon hadden lang niet zoo veel haast als hij, maar verkozen liever om met het geduld van Partridge in te stemmen, die, daar hij de versterking der rust missen moest, elke gelegenheid waarnam om zich dat te vergoeden, door iedere andere verkwikking welke hij krijgen kon, te gebruiken en nooit beter in zijn schik was dan als hij eene herberg bereikt had, en nooit minder tevreden dan als hij ze weder verlaten moest.Jones reisde thans met postpaarden; wij zullen hem dus, volgens onze gewoonte volgen,—en overeenkomstig de regels van Longinus,—op dezelfde wijze.Van Coventry bereikte hij Daventry; van Daventry kwam hij te Stratford, en van Stratford te Dunstable, welke stad hij den volgenden dag na den middag bereikte, en weinige uren nadat Sophia ze verlaten had, en hoewel hij hier langer vertoeven moest dan hij wenschte, terwijl een smid, zeer op zijn gemak, zijn paard besloeg, hoopte hij toch zijne Sophia in te halen eer zij uit St. Albans vertrok, waar hij rekende dat Milord blijven zou om het middagmaal te gebruiken.En, als hij zich in deze gissing niet bedrogen had, zou hij waarschijnlijk zijn engel ook hier ingehaald hebben; maar ongelukkig had Milord het middagmaal besteld in zijn eigen huis te Londen, en ten einde bij tijds dáár aan te komen, had hij zich versche paarden te St. Albans te gemoet doen zenden. Toen Jones dus dáár aankwam, vernam hij dat de reiskoets met de zes paarden reeds twee uren geleden vertrokken was.Al waren er zelfs paarden gereed geweest, wat echter niet het geval was, zou het toch blijkbaar onmogelijk geweest zijn de koets in te halen eer ze Londen bereikte, zoodat Partridge dacht nu eene geschikte gelegenheid te hebben, om zijn vriend aan iets te herinneren, dat deze geheel scheen vergeten te hebben. De lezer zal gissen wat dit was, als wij hem mededeelen dat Jones slechts één gebakken ei gegeten had sedert zijn vertrek uit de herberg, waar hij den[372]eersten gids ontmoet had, die van Sophia terugkeerde; want bij de Heidenen had hij zich alleen geestelijk verkwikt.De waard was het zoo volmaakt eens met het gevoelen van den heer Partridge, dat hij naauwelijks hoorde hoe deze zijn vriend verzocht om toch te blijven eten, of hij viel hem dadelijk bij, en zijn woord weder intrekkende, dat hij hem gegeven had om hem postpaarden te verschaffen, verzekerde hij den heer Jones dat hij geen tijd verliezen zou door een middagmaal te bestellen, dat, zoo als hij verzekerde, eerder klaar zou zijn dan het mogelijk was de paarden uit de weide te halen, en ze een goed voer haver te geven eer ze de reis ondernamen.Jones werd voornamelijk door dit laatste argument van den waard overgehaald om te blijven, en een stuk schapenvleesch werd aan het braadspit gedaan. Terwijl het geregt klaar gemaakt werd, toefde Partridge in hetzelfde vertrek met zijn vriend, of liever zijn meester, en nam de gelegenheid waar om hem, als volgt, toetespreken:„Wezenlijk, mijnheer, als ooit een mensch een meisje verdiende, hebt gij nu jufvrouw Western verdiend! Want hoeveel liefde moet hij niet gevoelen die er geheel van leeft, zoo als gij nu doet! Ik weet zeker dat ik dertig maal zoo veel gegeten heb binnen de laatste vier en twintig uren als gij, mijnheer, en toch ben ik nu weer bijna uitgehongerd;—want niets prikkelt den eetlust meer dan het reizen,—vooral bij zulk koud, guur weder. En toch begrijp ik het niet, maar mijnheer schijnt volmaakt gezond en heeft er zeker nooit beter of frisscher uit gezien. Gij leeft zeker van de liefde!”„Dat is ook eene zeer bezwarende kost, Partridge,” hernam Jones. „Maar heeft het goede geluk mij gisteren niet iets heel lekkers gezonden? Gelooft ge niet dat ik meer dan vier en twintig uren van dit lieve zakboekje leven kan?”„Wel ja! Zonder twijfel!” riep Partridge; „er is genoeg in dat boekje om meer dan één goeden maaltijd te betalen. Het geluk heeft het mijnheer op een zeer geschikt oogenblik gezonden; want uw geld moet nu bijna op zijn?”„Wat bedoelt gij?” riep Jones. „Ik hoop toch niet dat gij u verbeeldt dat ik oneerlijk genoeg zou zijn, om gebruik[373]te maken van het geld, al behoorde het ook aan iemand anders dan mejufvrouw Western—”„Oneerlijk!” herhaalde Partridge, „de hemel beware mij er voor om u van zoo iets te verdenken; maar waarom zou het oneerlijk zijn om eene kleinigheid te leenen voor de behoeften van het oogenblik, daar gij later zoo best in staat zult wezen het de dame terug te geven? Ja, zeker zou ik er sterk vóór zijn dat mijnheer het zoo spoedig mogelijk weder afbetaalde;—maar hoe zou er eenig kwaad in steken om er nu gebruik van te maken, als gij het noodig hebt? Als het aan een arm schepsel toebehoorde, dan zou het eene geheel andere zaak wezen; maar zulk eene groote dame zal het zeker nooit noodig hebben, vooral nu zij bij een Lord is, die, ongetwijfeld, haar van alles voorzien zal wat zij noodig heeft. Bovendien, al heeft zij iets noodig, het geheel heeft zij zeker niet noodig en daarom zou ik er haar slechts weinig van geven;—maar ik liet me liever ophangen, dan dat ik haar dadelijk zeide dat ik het gevonden had,—vóór dat ik wat geld van mijn eigen had; want, naar ik hoor, is er geene ergere plaats ter wereld dan Londen als men gebrek aan geld heeft. Werkelijk, als ik niet geweten had aan wie het toebehoorde, had ik het voor heksengeld kunnen houden, en zou ik bang geweest zijn er gebruik van te maken;—daar gij echter van het tegendeel overtuigd zijt, en het op eene eerlijke wijze in uwe handen gekomen is, zou het zijn de Fortuin te beleedigen om het alles af te geven, op het oogenblik dat gij het zelf zoo noodig hebt. Gij kunt ook naauwelijks verwachten dat de godin u weder op dezelfde wijze begunstigen zal; wantfortuna nunquam perpetuo est bona. In weerwil van al wat ik zeg, zult gij toch uw zin doen; maar ik herhaal: ik liet me liever ophangen dan één woord van het geld te reppen!”„Naar ik zie, Partridge,” hernam Jones, „is het hangen ietsnon longe alienum a Scaevolae studiis.”„Gij moest lieveralienuszeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus, immunis, variis casibus serviunt.””„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit,[374]vriendje, dat hij die het eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar onthoudt,in foro conscientiaeevenzeer de galg verdient als hij die het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschenfas et nefaste begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik; want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijdalienusleerde, en zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van minachting (iets dat bij hem niet[375]veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu, Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij reizen!”De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen, moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers waarschijnlijk zullen doen.Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer, dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken naar Londen.[376][Inhoud]Hoofdstuk XIV.Hetgeen den heer Jones overkwam op zijne reis van St. Albans.Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik ben een vreemdeling in deze streken.”Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen, onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk zijn.Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij, dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik; want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan, zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten. Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft, bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo[377]veel moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate, toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge gesproken had.Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het geld weder op.De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf, hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen Jones.„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de nood heeft me daartoe gedreven!”Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten te worden.Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees[378]koesterde dan voor zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood, mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar, zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon, wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen, en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit, dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon menschlievend, terwijl anderen, van meer[379]zwartgalligen aard ze beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid, welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen bereikten.De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt later blijken of hij woord hield of niet.Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu, zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting. Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd den roof vergezelt.”„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben; maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan[380]hij, die iemand de paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.De ongelukken welke den heer Jones troffen op zijne reis naar coventry, met de opmerkingen van Partridge.Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge, noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids[358]hield vol dat dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige, huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt zullen wezen mede te deelen.Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander gevoelen.Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien, in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel[359]berouwen kon dat niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen sparen.”Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones, bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid, voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening. Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten, na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen, wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder vol laten loopen,[360]den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder lagen te spartelen.Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne. Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets kwaads met hem gebeurd was.[361][Inhoud]Hoofdstuk XII.De heer Jones zet de reis voort, tegen den raad van Partridge in, en hetgeen er bij deze gelegenheid gebeurde.Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van nog gevaarlijker aard.Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende, schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel heksen-muzijk had kunnen noemen.Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon, die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren; verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen, hoezeer hij zich er over ergerde.„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons; want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of anderen aard,—dat is zeker!”[362]„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge, zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet hebben.”„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich schijnbaar zeer goed vermaakten.Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!” riep.Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar Coventry.„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur, „stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd;[363]want Partridge zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware, zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats, welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne lotgevallen.Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn, zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt, den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven eenigzins verrast had.De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren[364]niemand anders dan eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit hun volk vierden.Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste Fransche kok verschaffen kan.Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze schuur:Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geeneregaliaom zijne waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones, dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend[365]was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was, daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te vinden.De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand, begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende wijze aan te spreken:„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen, dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene andere reden is mij bekend.„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk, die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand ter dood brengen, zijn toch[366]onze straffen zeer streng. Wij maken dat een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande, als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van haren bewonderaar.[367]Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu welke straf uw dienaar verdiend heeft?”Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een guinje aan.Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende, wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij de schuldigen ontdekt had?”Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad bedreven was.”Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den loer geweest was?”Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde zich toen tot den man en sprak als volgt:„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal als zoodanig[368]met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning zich tot hem wendende, zeide:„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk allen voor dieven?”„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich onderling.”Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk, dat onder zulk een bestuurder leefde.Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten.1Dit was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in[369]deze heerlijke instelling, schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar ook tevens bevorderlijk aan het zijne.Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te weeg brengen.Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen; want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der duisternis, en deze ondergeschikte magten moetenonmiddellijkafstammen van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden, zou het[370]uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen, hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de grootste straf ter wereld.1Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.↑[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Een gesprek tusschen Jones en Partridge.Alle eerlijke voorstanders der vrijheid zullen, zonder twijfel, ons de lange uitweiding vergeven, waartoe wij ons aan het einde van het laatste hoofdstuk lieten verleiden, ten einde te beletten dat onze geschiedenis misbruikt werd ten voordeele van de verderfelijkste leer, welke het priesterdom ooit de boosheid, of de onbeschaamdheid heeft gehad te verkondigen.Wij zullen nu den heer Jones verder vergezellen, die zoodra het onweder voorbij was, afscheid nam van zijne Heidensche Majesteit, na herhaalde dankbetuiging voor de genadige ontvangst en behandeling, en zijne reis voortzette naar Coventry, waarheen een Heiden (daar het nog pikdonker was) bevolen werd hem te geleiden.Daar Jones, door den omweg welken hij gemaakt had elf in plaats van zes mijlen gereisd had, en meestal langs afschuwelijke wegen, waarop men zelfs om eene baker te[371]halen geen haast had kunnen maken, was het bijna twaalf uur eer hij te Coventry aankwam. Het was ook over twee uur eer hij weder in den zadel kon komen, want het was niet gemakkelijk om postpaarden te krijgen, en de stalknecht en de postiljon hadden lang niet zoo veel haast als hij, maar verkozen liever om met het geduld van Partridge in te stemmen, die, daar hij de versterking der rust missen moest, elke gelegenheid waarnam om zich dat te vergoeden, door iedere andere verkwikking welke hij krijgen kon, te gebruiken en nooit beter in zijn schik was dan als hij eene herberg bereikt had, en nooit minder tevreden dan als hij ze weder verlaten moest.Jones reisde thans met postpaarden; wij zullen hem dus, volgens onze gewoonte volgen,—en overeenkomstig de regels van Longinus,—op dezelfde wijze.Van Coventry bereikte hij Daventry; van Daventry kwam hij te Stratford, en van Stratford te Dunstable, welke stad hij den volgenden dag na den middag bereikte, en weinige uren nadat Sophia ze verlaten had, en hoewel hij hier langer vertoeven moest dan hij wenschte, terwijl een smid, zeer op zijn gemak, zijn paard besloeg, hoopte hij toch zijne Sophia in te halen eer zij uit St. Albans vertrok, waar hij rekende dat Milord blijven zou om het middagmaal te gebruiken.En, als hij zich in deze gissing niet bedrogen had, zou hij waarschijnlijk zijn engel ook hier ingehaald hebben; maar ongelukkig had Milord het middagmaal besteld in zijn eigen huis te Londen, en ten einde bij tijds dáár aan te komen, had hij zich versche paarden te St. Albans te gemoet doen zenden. Toen Jones dus dáár aankwam, vernam hij dat de reiskoets met de zes paarden reeds twee uren geleden vertrokken was.Al waren er zelfs paarden gereed geweest, wat echter niet het geval was, zou het toch blijkbaar onmogelijk geweest zijn de koets in te halen eer ze Londen bereikte, zoodat Partridge dacht nu eene geschikte gelegenheid te hebben, om zijn vriend aan iets te herinneren, dat deze geheel scheen vergeten te hebben. De lezer zal gissen wat dit was, als wij hem mededeelen dat Jones slechts één gebakken ei gegeten had sedert zijn vertrek uit de herberg, waar hij den[372]eersten gids ontmoet had, die van Sophia terugkeerde; want bij de Heidenen had hij zich alleen geestelijk verkwikt.De waard was het zoo volmaakt eens met het gevoelen van den heer Partridge, dat hij naauwelijks hoorde hoe deze zijn vriend verzocht om toch te blijven eten, of hij viel hem dadelijk bij, en zijn woord weder intrekkende, dat hij hem gegeven had om hem postpaarden te verschaffen, verzekerde hij den heer Jones dat hij geen tijd verliezen zou door een middagmaal te bestellen, dat, zoo als hij verzekerde, eerder klaar zou zijn dan het mogelijk was de paarden uit de weide te halen, en ze een goed voer haver te geven eer ze de reis ondernamen.Jones werd voornamelijk door dit laatste argument van den waard overgehaald om te blijven, en een stuk schapenvleesch werd aan het braadspit gedaan. Terwijl het geregt klaar gemaakt werd, toefde Partridge in hetzelfde vertrek met zijn vriend, of liever zijn meester, en nam de gelegenheid waar om hem, als volgt, toetespreken:„Wezenlijk, mijnheer, als ooit een mensch een meisje verdiende, hebt gij nu jufvrouw Western verdiend! Want hoeveel liefde moet hij niet gevoelen die er geheel van leeft, zoo als gij nu doet! Ik weet zeker dat ik dertig maal zoo veel gegeten heb binnen de laatste vier en twintig uren als gij, mijnheer, en toch ben ik nu weer bijna uitgehongerd;—want niets prikkelt den eetlust meer dan het reizen,—vooral bij zulk koud, guur weder. En toch begrijp ik het niet, maar mijnheer schijnt volmaakt gezond en heeft er zeker nooit beter of frisscher uit gezien. Gij leeft zeker van de liefde!”„Dat is ook eene zeer bezwarende kost, Partridge,” hernam Jones. „Maar heeft het goede geluk mij gisteren niet iets heel lekkers gezonden? Gelooft ge niet dat ik meer dan vier en twintig uren van dit lieve zakboekje leven kan?”„Wel ja! Zonder twijfel!” riep Partridge; „er is genoeg in dat boekje om meer dan één goeden maaltijd te betalen. Het geluk heeft het mijnheer op een zeer geschikt oogenblik gezonden; want uw geld moet nu bijna op zijn?”„Wat bedoelt gij?” riep Jones. „Ik hoop toch niet dat gij u verbeeldt dat ik oneerlijk genoeg zou zijn, om gebruik[373]te maken van het geld, al behoorde het ook aan iemand anders dan mejufvrouw Western—”„Oneerlijk!” herhaalde Partridge, „de hemel beware mij er voor om u van zoo iets te verdenken; maar waarom zou het oneerlijk zijn om eene kleinigheid te leenen voor de behoeften van het oogenblik, daar gij later zoo best in staat zult wezen het de dame terug te geven? Ja, zeker zou ik er sterk vóór zijn dat mijnheer het zoo spoedig mogelijk weder afbetaalde;—maar hoe zou er eenig kwaad in steken om er nu gebruik van te maken, als gij het noodig hebt? Als het aan een arm schepsel toebehoorde, dan zou het eene geheel andere zaak wezen; maar zulk eene groote dame zal het zeker nooit noodig hebben, vooral nu zij bij een Lord is, die, ongetwijfeld, haar van alles voorzien zal wat zij noodig heeft. Bovendien, al heeft zij iets noodig, het geheel heeft zij zeker niet noodig en daarom zou ik er haar slechts weinig van geven;—maar ik liet me liever ophangen, dan dat ik haar dadelijk zeide dat ik het gevonden had,—vóór dat ik wat geld van mijn eigen had; want, naar ik hoor, is er geene ergere plaats ter wereld dan Londen als men gebrek aan geld heeft. Werkelijk, als ik niet geweten had aan wie het toebehoorde, had ik het voor heksengeld kunnen houden, en zou ik bang geweest zijn er gebruik van te maken;—daar gij echter van het tegendeel overtuigd zijt, en het op eene eerlijke wijze in uwe handen gekomen is, zou het zijn de Fortuin te beleedigen om het alles af te geven, op het oogenblik dat gij het zelf zoo noodig hebt. Gij kunt ook naauwelijks verwachten dat de godin u weder op dezelfde wijze begunstigen zal; wantfortuna nunquam perpetuo est bona. In weerwil van al wat ik zeg, zult gij toch uw zin doen; maar ik herhaal: ik liet me liever ophangen dan één woord van het geld te reppen!”„Naar ik zie, Partridge,” hernam Jones, „is het hangen ietsnon longe alienum a Scaevolae studiis.”„Gij moest lieveralienuszeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus, immunis, variis casibus serviunt.””„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit,[374]vriendje, dat hij die het eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar onthoudt,in foro conscientiaeevenzeer de galg verdient als hij die het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschenfas et nefaste begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik; want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijdalienusleerde, en zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van minachting (iets dat bij hem niet[375]veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu, Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij reizen!”De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen, moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers waarschijnlijk zullen doen.Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer, dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken naar Londen.[376][Inhoud]Hoofdstuk XIV.Hetgeen den heer Jones overkwam op zijne reis van St. Albans.Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik ben een vreemdeling in deze streken.”Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen, onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk zijn.Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij, dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik; want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan, zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten. Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft, bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo[377]veel moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate, toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge gesproken had.Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het geld weder op.De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf, hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen Jones.„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de nood heeft me daartoe gedreven!”Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten te worden.Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees[378]koesterde dan voor zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood, mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar, zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon, wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen, en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit, dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon menschlievend, terwijl anderen, van meer[379]zwartgalligen aard ze beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid, welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen bereikten.De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt later blijken of hij woord hield of niet.Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu, zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting. Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd den roof vergezelt.”„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben; maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan[380]hij, die iemand de paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.De ongelukken welke den heer Jones troffen op zijne reis naar coventry, met de opmerkingen van Partridge.Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge, noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids[358]hield vol dat dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige, huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt zullen wezen mede te deelen.Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander gevoelen.Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien, in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel[359]berouwen kon dat niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen sparen.”Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones, bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid, voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening. Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten, na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen, wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder vol laten loopen,[360]den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder lagen te spartelen.Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne. Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets kwaads met hem gebeurd was.[361][Inhoud]Hoofdstuk XII.De heer Jones zet de reis voort, tegen den raad van Partridge in, en hetgeen er bij deze gelegenheid gebeurde.Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van nog gevaarlijker aard.Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende, schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel heksen-muzijk had kunnen noemen.Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon, die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren; verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen, hoezeer hij zich er over ergerde.„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons; want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of anderen aard,—dat is zeker!”[362]„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge, zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet hebben.”„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich schijnbaar zeer goed vermaakten.Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!” riep.Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar Coventry.„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur, „stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd;[363]want Partridge zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware, zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats, welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne lotgevallen.Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn, zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt, den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven eenigzins verrast had.De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren[364]niemand anders dan eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit hun volk vierden.Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste Fransche kok verschaffen kan.Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze schuur:Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geeneregaliaom zijne waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones, dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend[365]was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was, daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te vinden.De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand, begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende wijze aan te spreken:„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen, dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene andere reden is mij bekend.„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk, die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand ter dood brengen, zijn toch[366]onze straffen zeer streng. Wij maken dat een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande, als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van haren bewonderaar.[367]Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu welke straf uw dienaar verdiend heeft?”Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een guinje aan.Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende, wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij de schuldigen ontdekt had?”Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad bedreven was.”Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den loer geweest was?”Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde zich toen tot den man en sprak als volgt:„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal als zoodanig[368]met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning zich tot hem wendende, zeide:„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk allen voor dieven?”„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich onderling.”Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk, dat onder zulk een bestuurder leefde.Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten.1Dit was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in[369]deze heerlijke instelling, schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar ook tevens bevorderlijk aan het zijne.Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te weeg brengen.Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen; want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der duisternis, en deze ondergeschikte magten moetenonmiddellijkafstammen van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden, zou het[370]uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen, hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de grootste straf ter wereld.1Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.↑[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Een gesprek tusschen Jones en Partridge.Alle eerlijke voorstanders der vrijheid zullen, zonder twijfel, ons de lange uitweiding vergeven, waartoe wij ons aan het einde van het laatste hoofdstuk lieten verleiden, ten einde te beletten dat onze geschiedenis misbruikt werd ten voordeele van de verderfelijkste leer, welke het priesterdom ooit de boosheid, of de onbeschaamdheid heeft gehad te verkondigen.Wij zullen nu den heer Jones verder vergezellen, die zoodra het onweder voorbij was, afscheid nam van zijne Heidensche Majesteit, na herhaalde dankbetuiging voor de genadige ontvangst en behandeling, en zijne reis voortzette naar Coventry, waarheen een Heiden (daar het nog pikdonker was) bevolen werd hem te geleiden.Daar Jones, door den omweg welken hij gemaakt had elf in plaats van zes mijlen gereisd had, en meestal langs afschuwelijke wegen, waarop men zelfs om eene baker te[371]halen geen haast had kunnen maken, was het bijna twaalf uur eer hij te Coventry aankwam. Het was ook over twee uur eer hij weder in den zadel kon komen, want het was niet gemakkelijk om postpaarden te krijgen, en de stalknecht en de postiljon hadden lang niet zoo veel haast als hij, maar verkozen liever om met het geduld van Partridge in te stemmen, die, daar hij de versterking der rust missen moest, elke gelegenheid waarnam om zich dat te vergoeden, door iedere andere verkwikking welke hij krijgen kon, te gebruiken en nooit beter in zijn schik was dan als hij eene herberg bereikt had, en nooit minder tevreden dan als hij ze weder verlaten moest.Jones reisde thans met postpaarden; wij zullen hem dus, volgens onze gewoonte volgen,—en overeenkomstig de regels van Longinus,—op dezelfde wijze.Van Coventry bereikte hij Daventry; van Daventry kwam hij te Stratford, en van Stratford te Dunstable, welke stad hij den volgenden dag na den middag bereikte, en weinige uren nadat Sophia ze verlaten had, en hoewel hij hier langer vertoeven moest dan hij wenschte, terwijl een smid, zeer op zijn gemak, zijn paard besloeg, hoopte hij toch zijne Sophia in te halen eer zij uit St. Albans vertrok, waar hij rekende dat Milord blijven zou om het middagmaal te gebruiken.En, als hij zich in deze gissing niet bedrogen had, zou hij waarschijnlijk zijn engel ook hier ingehaald hebben; maar ongelukkig had Milord het middagmaal besteld in zijn eigen huis te Londen, en ten einde bij tijds dáár aan te komen, had hij zich versche paarden te St. Albans te gemoet doen zenden. Toen Jones dus dáár aankwam, vernam hij dat de reiskoets met de zes paarden reeds twee uren geleden vertrokken was.Al waren er zelfs paarden gereed geweest, wat echter niet het geval was, zou het toch blijkbaar onmogelijk geweest zijn de koets in te halen eer ze Londen bereikte, zoodat Partridge dacht nu eene geschikte gelegenheid te hebben, om zijn vriend aan iets te herinneren, dat deze geheel scheen vergeten te hebben. De lezer zal gissen wat dit was, als wij hem mededeelen dat Jones slechts één gebakken ei gegeten had sedert zijn vertrek uit de herberg, waar hij den[372]eersten gids ontmoet had, die van Sophia terugkeerde; want bij de Heidenen had hij zich alleen geestelijk verkwikt.De waard was het zoo volmaakt eens met het gevoelen van den heer Partridge, dat hij naauwelijks hoorde hoe deze zijn vriend verzocht om toch te blijven eten, of hij viel hem dadelijk bij, en zijn woord weder intrekkende, dat hij hem gegeven had om hem postpaarden te verschaffen, verzekerde hij den heer Jones dat hij geen tijd verliezen zou door een middagmaal te bestellen, dat, zoo als hij verzekerde, eerder klaar zou zijn dan het mogelijk was de paarden uit de weide te halen, en ze een goed voer haver te geven eer ze de reis ondernamen.Jones werd voornamelijk door dit laatste argument van den waard overgehaald om te blijven, en een stuk schapenvleesch werd aan het braadspit gedaan. Terwijl het geregt klaar gemaakt werd, toefde Partridge in hetzelfde vertrek met zijn vriend, of liever zijn meester, en nam de gelegenheid waar om hem, als volgt, toetespreken:„Wezenlijk, mijnheer, als ooit een mensch een meisje verdiende, hebt gij nu jufvrouw Western verdiend! Want hoeveel liefde moet hij niet gevoelen die er geheel van leeft, zoo als gij nu doet! Ik weet zeker dat ik dertig maal zoo veel gegeten heb binnen de laatste vier en twintig uren als gij, mijnheer, en toch ben ik nu weer bijna uitgehongerd;—want niets prikkelt den eetlust meer dan het reizen,—vooral bij zulk koud, guur weder. En toch begrijp ik het niet, maar mijnheer schijnt volmaakt gezond en heeft er zeker nooit beter of frisscher uit gezien. Gij leeft zeker van de liefde!”„Dat is ook eene zeer bezwarende kost, Partridge,” hernam Jones. „Maar heeft het goede geluk mij gisteren niet iets heel lekkers gezonden? Gelooft ge niet dat ik meer dan vier en twintig uren van dit lieve zakboekje leven kan?”„Wel ja! Zonder twijfel!” riep Partridge; „er is genoeg in dat boekje om meer dan één goeden maaltijd te betalen. Het geluk heeft het mijnheer op een zeer geschikt oogenblik gezonden; want uw geld moet nu bijna op zijn?”„Wat bedoelt gij?” riep Jones. „Ik hoop toch niet dat gij u verbeeldt dat ik oneerlijk genoeg zou zijn, om gebruik[373]te maken van het geld, al behoorde het ook aan iemand anders dan mejufvrouw Western—”„Oneerlijk!” herhaalde Partridge, „de hemel beware mij er voor om u van zoo iets te verdenken; maar waarom zou het oneerlijk zijn om eene kleinigheid te leenen voor de behoeften van het oogenblik, daar gij later zoo best in staat zult wezen het de dame terug te geven? Ja, zeker zou ik er sterk vóór zijn dat mijnheer het zoo spoedig mogelijk weder afbetaalde;—maar hoe zou er eenig kwaad in steken om er nu gebruik van te maken, als gij het noodig hebt? Als het aan een arm schepsel toebehoorde, dan zou het eene geheel andere zaak wezen; maar zulk eene groote dame zal het zeker nooit noodig hebben, vooral nu zij bij een Lord is, die, ongetwijfeld, haar van alles voorzien zal wat zij noodig heeft. Bovendien, al heeft zij iets noodig, het geheel heeft zij zeker niet noodig en daarom zou ik er haar slechts weinig van geven;—maar ik liet me liever ophangen, dan dat ik haar dadelijk zeide dat ik het gevonden had,—vóór dat ik wat geld van mijn eigen had; want, naar ik hoor, is er geene ergere plaats ter wereld dan Londen als men gebrek aan geld heeft. Werkelijk, als ik niet geweten had aan wie het toebehoorde, had ik het voor heksengeld kunnen houden, en zou ik bang geweest zijn er gebruik van te maken;—daar gij echter van het tegendeel overtuigd zijt, en het op eene eerlijke wijze in uwe handen gekomen is, zou het zijn de Fortuin te beleedigen om het alles af te geven, op het oogenblik dat gij het zelf zoo noodig hebt. Gij kunt ook naauwelijks verwachten dat de godin u weder op dezelfde wijze begunstigen zal; wantfortuna nunquam perpetuo est bona. In weerwil van al wat ik zeg, zult gij toch uw zin doen; maar ik herhaal: ik liet me liever ophangen dan één woord van het geld te reppen!”„Naar ik zie, Partridge,” hernam Jones, „is het hangen ietsnon longe alienum a Scaevolae studiis.”„Gij moest lieveralienuszeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus, immunis, variis casibus serviunt.””„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit,[374]vriendje, dat hij die het eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar onthoudt,in foro conscientiaeevenzeer de galg verdient als hij die het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschenfas et nefaste begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik; want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijdalienusleerde, en zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van minachting (iets dat bij hem niet[375]veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu, Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij reizen!”De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen, moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers waarschijnlijk zullen doen.Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer, dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken naar Londen.[376][Inhoud]Hoofdstuk XIV.Hetgeen den heer Jones overkwam op zijne reis van St. Albans.Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik ben een vreemdeling in deze streken.”Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen, onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk zijn.Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij, dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik; want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan, zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten. Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft, bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo[377]veel moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate, toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge gesproken had.Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het geld weder op.De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf, hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen Jones.„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de nood heeft me daartoe gedreven!”Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten te worden.Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees[378]koesterde dan voor zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood, mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar, zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon, wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen, en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit, dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon menschlievend, terwijl anderen, van meer[379]zwartgalligen aard ze beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid, welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen bereikten.De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt later blijken of hij woord hield of niet.Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu, zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting. Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd den roof vergezelt.”„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben; maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan[380]hij, die iemand de paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.De ongelukken welke den heer Jones troffen op zijne reis naar coventry, met de opmerkingen van Partridge.Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge, noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids[358]hield vol dat dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige, huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt zullen wezen mede te deelen.Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander gevoelen.Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien, in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel[359]berouwen kon dat niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen sparen.”Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones, bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid, voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening. Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten, na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen, wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder vol laten loopen,[360]den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder lagen te spartelen.Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne. Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets kwaads met hem gebeurd was.[361]

Hoofdstuk XI.De ongelukken welke den heer Jones troffen op zijne reis naar coventry, met de opmerkingen van Partridge.

Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge, noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids[358]hield vol dat dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige, huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt zullen wezen mede te deelen.Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander gevoelen.Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien, in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel[359]berouwen kon dat niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen sparen.”Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones, bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid, voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening. Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten, na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen, wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder vol laten loopen,[360]den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder lagen te spartelen.Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne. Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets kwaads met hem gebeurd was.[361]

Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge, noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.

Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.

Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids[358]hield vol dat dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige, huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.

Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt zullen wezen mede te deelen.

Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander gevoelen.

Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien, in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel[359]berouwen kon dat niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen sparen.”

Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.

Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones, bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid, voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening. Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten, na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”

„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen, wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder vol laten loopen,[360]den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”

De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder lagen te spartelen.

Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne. Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”

In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets kwaads met hem gebeurd was.[361]

[Inhoud]Hoofdstuk XII.De heer Jones zet de reis voort, tegen den raad van Partridge in, en hetgeen er bij deze gelegenheid gebeurde.Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van nog gevaarlijker aard.Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende, schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel heksen-muzijk had kunnen noemen.Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon, die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren; verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen, hoezeer hij zich er over ergerde.„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons; want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of anderen aard,—dat is zeker!”[362]„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge, zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet hebben.”„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich schijnbaar zeer goed vermaakten.Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!” riep.Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar Coventry.„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur, „stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd;[363]want Partridge zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware, zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats, welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne lotgevallen.Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn, zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt, den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven eenigzins verrast had.De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren[364]niemand anders dan eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit hun volk vierden.Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste Fransche kok verschaffen kan.Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze schuur:Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geeneregaliaom zijne waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones, dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend[365]was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was, daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te vinden.De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand, begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende wijze aan te spreken:„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen, dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene andere reden is mij bekend.„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk, die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand ter dood brengen, zijn toch[366]onze straffen zeer streng. Wij maken dat een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande, als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van haren bewonderaar.[367]Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu welke straf uw dienaar verdiend heeft?”Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een guinje aan.Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende, wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij de schuldigen ontdekt had?”Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad bedreven was.”Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den loer geweest was?”Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde zich toen tot den man en sprak als volgt:„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal als zoodanig[368]met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning zich tot hem wendende, zeide:„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk allen voor dieven?”„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich onderling.”Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk, dat onder zulk een bestuurder leefde.Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten.1Dit was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in[369]deze heerlijke instelling, schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar ook tevens bevorderlijk aan het zijne.Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te weeg brengen.Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen; want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der duisternis, en deze ondergeschikte magten moetenonmiddellijkafstammen van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden, zou het[370]uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen, hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de grootste straf ter wereld.1Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.↑

Hoofdstuk XII.De heer Jones zet de reis voort, tegen den raad van Partridge in, en hetgeen er bij deze gelegenheid gebeurde.

Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van nog gevaarlijker aard.Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende, schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel heksen-muzijk had kunnen noemen.Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon, die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren; verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen, hoezeer hij zich er over ergerde.„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons; want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of anderen aard,—dat is zeker!”[362]„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge, zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet hebben.”„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich schijnbaar zeer goed vermaakten.Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!” riep.Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar Coventry.„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur, „stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd;[363]want Partridge zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware, zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats, welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne lotgevallen.Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn, zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt, den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven eenigzins verrast had.De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren[364]niemand anders dan eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit hun volk vierden.Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste Fransche kok verschaffen kan.Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze schuur:Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geeneregaliaom zijne waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones, dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend[365]was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was, daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te vinden.De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand, begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende wijze aan te spreken:„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen, dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene andere reden is mij bekend.„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk, die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand ter dood brengen, zijn toch[366]onze straffen zeer streng. Wij maken dat een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande, als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van haren bewonderaar.[367]Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu welke straf uw dienaar verdiend heeft?”Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een guinje aan.Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende, wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij de schuldigen ontdekt had?”Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad bedreven was.”Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den loer geweest was?”Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde zich toen tot den man en sprak als volgt:„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal als zoodanig[368]met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning zich tot hem wendende, zeide:„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk allen voor dieven?”„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich onderling.”Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk, dat onder zulk een bestuurder leefde.Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten.1Dit was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in[369]deze heerlijke instelling, schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar ook tevens bevorderlijk aan het zijne.Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te weeg brengen.Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen; want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der duisternis, en deze ondergeschikte magten moetenonmiddellijkafstammen van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden, zou het[370]uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen, hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de grootste straf ter wereld.

Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van nog gevaarlijker aard.

Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende, schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel heksen-muzijk had kunnen noemen.

Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon, die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren; verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.

Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen, hoezeer hij zich er over ergerde.

„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons; want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”

„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of anderen aard,—dat is zeker!”[362]

„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge, zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet hebben.”

„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”

Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.

Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich schijnbaar zeer goed vermaakten.

Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!” riep.

Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar Coventry.

„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur, „stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”

„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”

Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd;[363]want Partridge zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.

Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware, zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats, welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.

Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne lotgevallen.

Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn, zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt, den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven eenigzins verrast had.

De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren[364]niemand anders dan eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit hun volk vierden.

Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.

Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste Fransche kok verschaffen kan.

Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze schuur:

Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,

Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,

terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geeneregaliaom zijne waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.

Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones, dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend[365]was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was, daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te vinden.

De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand, begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende wijze aan te spreken:

„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen, dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene andere reden is mij bekend.

„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk, die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand ter dood brengen, zijn toch[366]onze straffen zeer streng. Wij maken dat een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”

De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande, als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.

„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”

Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.

Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van haren bewonderaar.[367]

Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.

Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:

„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu welke straf uw dienaar verdiend heeft?”

Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een guinje aan.

Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”

Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende, wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij de schuldigen ontdekt had?”

Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad bedreven was.”

Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den loer geweest was?”

Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde zich toen tot den man en sprak als volgt:

„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal als zoodanig[368]met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”

De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.

Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning zich tot hem wendende, zeide:

„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk allen voor dieven?”

„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”

„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich onderling.”

Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk, dat onder zulk een bestuurder leefde.

Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.

En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten.1Dit was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.

En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in[369]deze heerlijke instelling, schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar ook tevens bevorderlijk aan het zijne.

Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te weeg brengen.

Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen; want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der duisternis, en deze ondergeschikte magten moetenonmiddellijkafstammen van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.

Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden, zou het[370]uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.

Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen, hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de grootste straf ter wereld.

1Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.↑

1Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.↑

1Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.↑

1Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.↑

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Een gesprek tusschen Jones en Partridge.Alle eerlijke voorstanders der vrijheid zullen, zonder twijfel, ons de lange uitweiding vergeven, waartoe wij ons aan het einde van het laatste hoofdstuk lieten verleiden, ten einde te beletten dat onze geschiedenis misbruikt werd ten voordeele van de verderfelijkste leer, welke het priesterdom ooit de boosheid, of de onbeschaamdheid heeft gehad te verkondigen.Wij zullen nu den heer Jones verder vergezellen, die zoodra het onweder voorbij was, afscheid nam van zijne Heidensche Majesteit, na herhaalde dankbetuiging voor de genadige ontvangst en behandeling, en zijne reis voortzette naar Coventry, waarheen een Heiden (daar het nog pikdonker was) bevolen werd hem te geleiden.Daar Jones, door den omweg welken hij gemaakt had elf in plaats van zes mijlen gereisd had, en meestal langs afschuwelijke wegen, waarop men zelfs om eene baker te[371]halen geen haast had kunnen maken, was het bijna twaalf uur eer hij te Coventry aankwam. Het was ook over twee uur eer hij weder in den zadel kon komen, want het was niet gemakkelijk om postpaarden te krijgen, en de stalknecht en de postiljon hadden lang niet zoo veel haast als hij, maar verkozen liever om met het geduld van Partridge in te stemmen, die, daar hij de versterking der rust missen moest, elke gelegenheid waarnam om zich dat te vergoeden, door iedere andere verkwikking welke hij krijgen kon, te gebruiken en nooit beter in zijn schik was dan als hij eene herberg bereikt had, en nooit minder tevreden dan als hij ze weder verlaten moest.Jones reisde thans met postpaarden; wij zullen hem dus, volgens onze gewoonte volgen,—en overeenkomstig de regels van Longinus,—op dezelfde wijze.Van Coventry bereikte hij Daventry; van Daventry kwam hij te Stratford, en van Stratford te Dunstable, welke stad hij den volgenden dag na den middag bereikte, en weinige uren nadat Sophia ze verlaten had, en hoewel hij hier langer vertoeven moest dan hij wenschte, terwijl een smid, zeer op zijn gemak, zijn paard besloeg, hoopte hij toch zijne Sophia in te halen eer zij uit St. Albans vertrok, waar hij rekende dat Milord blijven zou om het middagmaal te gebruiken.En, als hij zich in deze gissing niet bedrogen had, zou hij waarschijnlijk zijn engel ook hier ingehaald hebben; maar ongelukkig had Milord het middagmaal besteld in zijn eigen huis te Londen, en ten einde bij tijds dáár aan te komen, had hij zich versche paarden te St. Albans te gemoet doen zenden. Toen Jones dus dáár aankwam, vernam hij dat de reiskoets met de zes paarden reeds twee uren geleden vertrokken was.Al waren er zelfs paarden gereed geweest, wat echter niet het geval was, zou het toch blijkbaar onmogelijk geweest zijn de koets in te halen eer ze Londen bereikte, zoodat Partridge dacht nu eene geschikte gelegenheid te hebben, om zijn vriend aan iets te herinneren, dat deze geheel scheen vergeten te hebben. De lezer zal gissen wat dit was, als wij hem mededeelen dat Jones slechts één gebakken ei gegeten had sedert zijn vertrek uit de herberg, waar hij den[372]eersten gids ontmoet had, die van Sophia terugkeerde; want bij de Heidenen had hij zich alleen geestelijk verkwikt.De waard was het zoo volmaakt eens met het gevoelen van den heer Partridge, dat hij naauwelijks hoorde hoe deze zijn vriend verzocht om toch te blijven eten, of hij viel hem dadelijk bij, en zijn woord weder intrekkende, dat hij hem gegeven had om hem postpaarden te verschaffen, verzekerde hij den heer Jones dat hij geen tijd verliezen zou door een middagmaal te bestellen, dat, zoo als hij verzekerde, eerder klaar zou zijn dan het mogelijk was de paarden uit de weide te halen, en ze een goed voer haver te geven eer ze de reis ondernamen.Jones werd voornamelijk door dit laatste argument van den waard overgehaald om te blijven, en een stuk schapenvleesch werd aan het braadspit gedaan. Terwijl het geregt klaar gemaakt werd, toefde Partridge in hetzelfde vertrek met zijn vriend, of liever zijn meester, en nam de gelegenheid waar om hem, als volgt, toetespreken:„Wezenlijk, mijnheer, als ooit een mensch een meisje verdiende, hebt gij nu jufvrouw Western verdiend! Want hoeveel liefde moet hij niet gevoelen die er geheel van leeft, zoo als gij nu doet! Ik weet zeker dat ik dertig maal zoo veel gegeten heb binnen de laatste vier en twintig uren als gij, mijnheer, en toch ben ik nu weer bijna uitgehongerd;—want niets prikkelt den eetlust meer dan het reizen,—vooral bij zulk koud, guur weder. En toch begrijp ik het niet, maar mijnheer schijnt volmaakt gezond en heeft er zeker nooit beter of frisscher uit gezien. Gij leeft zeker van de liefde!”„Dat is ook eene zeer bezwarende kost, Partridge,” hernam Jones. „Maar heeft het goede geluk mij gisteren niet iets heel lekkers gezonden? Gelooft ge niet dat ik meer dan vier en twintig uren van dit lieve zakboekje leven kan?”„Wel ja! Zonder twijfel!” riep Partridge; „er is genoeg in dat boekje om meer dan één goeden maaltijd te betalen. Het geluk heeft het mijnheer op een zeer geschikt oogenblik gezonden; want uw geld moet nu bijna op zijn?”„Wat bedoelt gij?” riep Jones. „Ik hoop toch niet dat gij u verbeeldt dat ik oneerlijk genoeg zou zijn, om gebruik[373]te maken van het geld, al behoorde het ook aan iemand anders dan mejufvrouw Western—”„Oneerlijk!” herhaalde Partridge, „de hemel beware mij er voor om u van zoo iets te verdenken; maar waarom zou het oneerlijk zijn om eene kleinigheid te leenen voor de behoeften van het oogenblik, daar gij later zoo best in staat zult wezen het de dame terug te geven? Ja, zeker zou ik er sterk vóór zijn dat mijnheer het zoo spoedig mogelijk weder afbetaalde;—maar hoe zou er eenig kwaad in steken om er nu gebruik van te maken, als gij het noodig hebt? Als het aan een arm schepsel toebehoorde, dan zou het eene geheel andere zaak wezen; maar zulk eene groote dame zal het zeker nooit noodig hebben, vooral nu zij bij een Lord is, die, ongetwijfeld, haar van alles voorzien zal wat zij noodig heeft. Bovendien, al heeft zij iets noodig, het geheel heeft zij zeker niet noodig en daarom zou ik er haar slechts weinig van geven;—maar ik liet me liever ophangen, dan dat ik haar dadelijk zeide dat ik het gevonden had,—vóór dat ik wat geld van mijn eigen had; want, naar ik hoor, is er geene ergere plaats ter wereld dan Londen als men gebrek aan geld heeft. Werkelijk, als ik niet geweten had aan wie het toebehoorde, had ik het voor heksengeld kunnen houden, en zou ik bang geweest zijn er gebruik van te maken;—daar gij echter van het tegendeel overtuigd zijt, en het op eene eerlijke wijze in uwe handen gekomen is, zou het zijn de Fortuin te beleedigen om het alles af te geven, op het oogenblik dat gij het zelf zoo noodig hebt. Gij kunt ook naauwelijks verwachten dat de godin u weder op dezelfde wijze begunstigen zal; wantfortuna nunquam perpetuo est bona. In weerwil van al wat ik zeg, zult gij toch uw zin doen; maar ik herhaal: ik liet me liever ophangen dan één woord van het geld te reppen!”„Naar ik zie, Partridge,” hernam Jones, „is het hangen ietsnon longe alienum a Scaevolae studiis.”„Gij moest lieveralienuszeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus, immunis, variis casibus serviunt.””„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit,[374]vriendje, dat hij die het eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar onthoudt,in foro conscientiaeevenzeer de galg verdient als hij die het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschenfas et nefaste begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik; want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijdalienusleerde, en zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van minachting (iets dat bij hem niet[375]veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu, Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij reizen!”De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen, moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers waarschijnlijk zullen doen.Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer, dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken naar Londen.[376]

Hoofdstuk XIII.Een gesprek tusschen Jones en Partridge.

Alle eerlijke voorstanders der vrijheid zullen, zonder twijfel, ons de lange uitweiding vergeven, waartoe wij ons aan het einde van het laatste hoofdstuk lieten verleiden, ten einde te beletten dat onze geschiedenis misbruikt werd ten voordeele van de verderfelijkste leer, welke het priesterdom ooit de boosheid, of de onbeschaamdheid heeft gehad te verkondigen.Wij zullen nu den heer Jones verder vergezellen, die zoodra het onweder voorbij was, afscheid nam van zijne Heidensche Majesteit, na herhaalde dankbetuiging voor de genadige ontvangst en behandeling, en zijne reis voortzette naar Coventry, waarheen een Heiden (daar het nog pikdonker was) bevolen werd hem te geleiden.Daar Jones, door den omweg welken hij gemaakt had elf in plaats van zes mijlen gereisd had, en meestal langs afschuwelijke wegen, waarop men zelfs om eene baker te[371]halen geen haast had kunnen maken, was het bijna twaalf uur eer hij te Coventry aankwam. Het was ook over twee uur eer hij weder in den zadel kon komen, want het was niet gemakkelijk om postpaarden te krijgen, en de stalknecht en de postiljon hadden lang niet zoo veel haast als hij, maar verkozen liever om met het geduld van Partridge in te stemmen, die, daar hij de versterking der rust missen moest, elke gelegenheid waarnam om zich dat te vergoeden, door iedere andere verkwikking welke hij krijgen kon, te gebruiken en nooit beter in zijn schik was dan als hij eene herberg bereikt had, en nooit minder tevreden dan als hij ze weder verlaten moest.Jones reisde thans met postpaarden; wij zullen hem dus, volgens onze gewoonte volgen,—en overeenkomstig de regels van Longinus,—op dezelfde wijze.Van Coventry bereikte hij Daventry; van Daventry kwam hij te Stratford, en van Stratford te Dunstable, welke stad hij den volgenden dag na den middag bereikte, en weinige uren nadat Sophia ze verlaten had, en hoewel hij hier langer vertoeven moest dan hij wenschte, terwijl een smid, zeer op zijn gemak, zijn paard besloeg, hoopte hij toch zijne Sophia in te halen eer zij uit St. Albans vertrok, waar hij rekende dat Milord blijven zou om het middagmaal te gebruiken.En, als hij zich in deze gissing niet bedrogen had, zou hij waarschijnlijk zijn engel ook hier ingehaald hebben; maar ongelukkig had Milord het middagmaal besteld in zijn eigen huis te Londen, en ten einde bij tijds dáár aan te komen, had hij zich versche paarden te St. Albans te gemoet doen zenden. Toen Jones dus dáár aankwam, vernam hij dat de reiskoets met de zes paarden reeds twee uren geleden vertrokken was.Al waren er zelfs paarden gereed geweest, wat echter niet het geval was, zou het toch blijkbaar onmogelijk geweest zijn de koets in te halen eer ze Londen bereikte, zoodat Partridge dacht nu eene geschikte gelegenheid te hebben, om zijn vriend aan iets te herinneren, dat deze geheel scheen vergeten te hebben. De lezer zal gissen wat dit was, als wij hem mededeelen dat Jones slechts één gebakken ei gegeten had sedert zijn vertrek uit de herberg, waar hij den[372]eersten gids ontmoet had, die van Sophia terugkeerde; want bij de Heidenen had hij zich alleen geestelijk verkwikt.De waard was het zoo volmaakt eens met het gevoelen van den heer Partridge, dat hij naauwelijks hoorde hoe deze zijn vriend verzocht om toch te blijven eten, of hij viel hem dadelijk bij, en zijn woord weder intrekkende, dat hij hem gegeven had om hem postpaarden te verschaffen, verzekerde hij den heer Jones dat hij geen tijd verliezen zou door een middagmaal te bestellen, dat, zoo als hij verzekerde, eerder klaar zou zijn dan het mogelijk was de paarden uit de weide te halen, en ze een goed voer haver te geven eer ze de reis ondernamen.Jones werd voornamelijk door dit laatste argument van den waard overgehaald om te blijven, en een stuk schapenvleesch werd aan het braadspit gedaan. Terwijl het geregt klaar gemaakt werd, toefde Partridge in hetzelfde vertrek met zijn vriend, of liever zijn meester, en nam de gelegenheid waar om hem, als volgt, toetespreken:„Wezenlijk, mijnheer, als ooit een mensch een meisje verdiende, hebt gij nu jufvrouw Western verdiend! Want hoeveel liefde moet hij niet gevoelen die er geheel van leeft, zoo als gij nu doet! Ik weet zeker dat ik dertig maal zoo veel gegeten heb binnen de laatste vier en twintig uren als gij, mijnheer, en toch ben ik nu weer bijna uitgehongerd;—want niets prikkelt den eetlust meer dan het reizen,—vooral bij zulk koud, guur weder. En toch begrijp ik het niet, maar mijnheer schijnt volmaakt gezond en heeft er zeker nooit beter of frisscher uit gezien. Gij leeft zeker van de liefde!”„Dat is ook eene zeer bezwarende kost, Partridge,” hernam Jones. „Maar heeft het goede geluk mij gisteren niet iets heel lekkers gezonden? Gelooft ge niet dat ik meer dan vier en twintig uren van dit lieve zakboekje leven kan?”„Wel ja! Zonder twijfel!” riep Partridge; „er is genoeg in dat boekje om meer dan één goeden maaltijd te betalen. Het geluk heeft het mijnheer op een zeer geschikt oogenblik gezonden; want uw geld moet nu bijna op zijn?”„Wat bedoelt gij?” riep Jones. „Ik hoop toch niet dat gij u verbeeldt dat ik oneerlijk genoeg zou zijn, om gebruik[373]te maken van het geld, al behoorde het ook aan iemand anders dan mejufvrouw Western—”„Oneerlijk!” herhaalde Partridge, „de hemel beware mij er voor om u van zoo iets te verdenken; maar waarom zou het oneerlijk zijn om eene kleinigheid te leenen voor de behoeften van het oogenblik, daar gij later zoo best in staat zult wezen het de dame terug te geven? Ja, zeker zou ik er sterk vóór zijn dat mijnheer het zoo spoedig mogelijk weder afbetaalde;—maar hoe zou er eenig kwaad in steken om er nu gebruik van te maken, als gij het noodig hebt? Als het aan een arm schepsel toebehoorde, dan zou het eene geheel andere zaak wezen; maar zulk eene groote dame zal het zeker nooit noodig hebben, vooral nu zij bij een Lord is, die, ongetwijfeld, haar van alles voorzien zal wat zij noodig heeft. Bovendien, al heeft zij iets noodig, het geheel heeft zij zeker niet noodig en daarom zou ik er haar slechts weinig van geven;—maar ik liet me liever ophangen, dan dat ik haar dadelijk zeide dat ik het gevonden had,—vóór dat ik wat geld van mijn eigen had; want, naar ik hoor, is er geene ergere plaats ter wereld dan Londen als men gebrek aan geld heeft. Werkelijk, als ik niet geweten had aan wie het toebehoorde, had ik het voor heksengeld kunnen houden, en zou ik bang geweest zijn er gebruik van te maken;—daar gij echter van het tegendeel overtuigd zijt, en het op eene eerlijke wijze in uwe handen gekomen is, zou het zijn de Fortuin te beleedigen om het alles af te geven, op het oogenblik dat gij het zelf zoo noodig hebt. Gij kunt ook naauwelijks verwachten dat de godin u weder op dezelfde wijze begunstigen zal; wantfortuna nunquam perpetuo est bona. In weerwil van al wat ik zeg, zult gij toch uw zin doen; maar ik herhaal: ik liet me liever ophangen dan één woord van het geld te reppen!”„Naar ik zie, Partridge,” hernam Jones, „is het hangen ietsnon longe alienum a Scaevolae studiis.”„Gij moest lieveralienuszeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus, immunis, variis casibus serviunt.””„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit,[374]vriendje, dat hij die het eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar onthoudt,in foro conscientiaeevenzeer de galg verdient als hij die het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschenfas et nefaste begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik; want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijdalienusleerde, en zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van minachting (iets dat bij hem niet[375]veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu, Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij reizen!”De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen, moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers waarschijnlijk zullen doen.Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer, dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken naar Londen.[376]

Alle eerlijke voorstanders der vrijheid zullen, zonder twijfel, ons de lange uitweiding vergeven, waartoe wij ons aan het einde van het laatste hoofdstuk lieten verleiden, ten einde te beletten dat onze geschiedenis misbruikt werd ten voordeele van de verderfelijkste leer, welke het priesterdom ooit de boosheid, of de onbeschaamdheid heeft gehad te verkondigen.

Wij zullen nu den heer Jones verder vergezellen, die zoodra het onweder voorbij was, afscheid nam van zijne Heidensche Majesteit, na herhaalde dankbetuiging voor de genadige ontvangst en behandeling, en zijne reis voortzette naar Coventry, waarheen een Heiden (daar het nog pikdonker was) bevolen werd hem te geleiden.

Daar Jones, door den omweg welken hij gemaakt had elf in plaats van zes mijlen gereisd had, en meestal langs afschuwelijke wegen, waarop men zelfs om eene baker te[371]halen geen haast had kunnen maken, was het bijna twaalf uur eer hij te Coventry aankwam. Het was ook over twee uur eer hij weder in den zadel kon komen, want het was niet gemakkelijk om postpaarden te krijgen, en de stalknecht en de postiljon hadden lang niet zoo veel haast als hij, maar verkozen liever om met het geduld van Partridge in te stemmen, die, daar hij de versterking der rust missen moest, elke gelegenheid waarnam om zich dat te vergoeden, door iedere andere verkwikking welke hij krijgen kon, te gebruiken en nooit beter in zijn schik was dan als hij eene herberg bereikt had, en nooit minder tevreden dan als hij ze weder verlaten moest.

Jones reisde thans met postpaarden; wij zullen hem dus, volgens onze gewoonte volgen,—en overeenkomstig de regels van Longinus,—op dezelfde wijze.

Van Coventry bereikte hij Daventry; van Daventry kwam hij te Stratford, en van Stratford te Dunstable, welke stad hij den volgenden dag na den middag bereikte, en weinige uren nadat Sophia ze verlaten had, en hoewel hij hier langer vertoeven moest dan hij wenschte, terwijl een smid, zeer op zijn gemak, zijn paard besloeg, hoopte hij toch zijne Sophia in te halen eer zij uit St. Albans vertrok, waar hij rekende dat Milord blijven zou om het middagmaal te gebruiken.

En, als hij zich in deze gissing niet bedrogen had, zou hij waarschijnlijk zijn engel ook hier ingehaald hebben; maar ongelukkig had Milord het middagmaal besteld in zijn eigen huis te Londen, en ten einde bij tijds dáár aan te komen, had hij zich versche paarden te St. Albans te gemoet doen zenden. Toen Jones dus dáár aankwam, vernam hij dat de reiskoets met de zes paarden reeds twee uren geleden vertrokken was.

Al waren er zelfs paarden gereed geweest, wat echter niet het geval was, zou het toch blijkbaar onmogelijk geweest zijn de koets in te halen eer ze Londen bereikte, zoodat Partridge dacht nu eene geschikte gelegenheid te hebben, om zijn vriend aan iets te herinneren, dat deze geheel scheen vergeten te hebben. De lezer zal gissen wat dit was, als wij hem mededeelen dat Jones slechts één gebakken ei gegeten had sedert zijn vertrek uit de herberg, waar hij den[372]eersten gids ontmoet had, die van Sophia terugkeerde; want bij de Heidenen had hij zich alleen geestelijk verkwikt.

De waard was het zoo volmaakt eens met het gevoelen van den heer Partridge, dat hij naauwelijks hoorde hoe deze zijn vriend verzocht om toch te blijven eten, of hij viel hem dadelijk bij, en zijn woord weder intrekkende, dat hij hem gegeven had om hem postpaarden te verschaffen, verzekerde hij den heer Jones dat hij geen tijd verliezen zou door een middagmaal te bestellen, dat, zoo als hij verzekerde, eerder klaar zou zijn dan het mogelijk was de paarden uit de weide te halen, en ze een goed voer haver te geven eer ze de reis ondernamen.

Jones werd voornamelijk door dit laatste argument van den waard overgehaald om te blijven, en een stuk schapenvleesch werd aan het braadspit gedaan. Terwijl het geregt klaar gemaakt werd, toefde Partridge in hetzelfde vertrek met zijn vriend, of liever zijn meester, en nam de gelegenheid waar om hem, als volgt, toetespreken:

„Wezenlijk, mijnheer, als ooit een mensch een meisje verdiende, hebt gij nu jufvrouw Western verdiend! Want hoeveel liefde moet hij niet gevoelen die er geheel van leeft, zoo als gij nu doet! Ik weet zeker dat ik dertig maal zoo veel gegeten heb binnen de laatste vier en twintig uren als gij, mijnheer, en toch ben ik nu weer bijna uitgehongerd;—want niets prikkelt den eetlust meer dan het reizen,—vooral bij zulk koud, guur weder. En toch begrijp ik het niet, maar mijnheer schijnt volmaakt gezond en heeft er zeker nooit beter of frisscher uit gezien. Gij leeft zeker van de liefde!”

„Dat is ook eene zeer bezwarende kost, Partridge,” hernam Jones. „Maar heeft het goede geluk mij gisteren niet iets heel lekkers gezonden? Gelooft ge niet dat ik meer dan vier en twintig uren van dit lieve zakboekje leven kan?”

„Wel ja! Zonder twijfel!” riep Partridge; „er is genoeg in dat boekje om meer dan één goeden maaltijd te betalen. Het geluk heeft het mijnheer op een zeer geschikt oogenblik gezonden; want uw geld moet nu bijna op zijn?”

„Wat bedoelt gij?” riep Jones. „Ik hoop toch niet dat gij u verbeeldt dat ik oneerlijk genoeg zou zijn, om gebruik[373]te maken van het geld, al behoorde het ook aan iemand anders dan mejufvrouw Western—”

„Oneerlijk!” herhaalde Partridge, „de hemel beware mij er voor om u van zoo iets te verdenken; maar waarom zou het oneerlijk zijn om eene kleinigheid te leenen voor de behoeften van het oogenblik, daar gij later zoo best in staat zult wezen het de dame terug te geven? Ja, zeker zou ik er sterk vóór zijn dat mijnheer het zoo spoedig mogelijk weder afbetaalde;—maar hoe zou er eenig kwaad in steken om er nu gebruik van te maken, als gij het noodig hebt? Als het aan een arm schepsel toebehoorde, dan zou het eene geheel andere zaak wezen; maar zulk eene groote dame zal het zeker nooit noodig hebben, vooral nu zij bij een Lord is, die, ongetwijfeld, haar van alles voorzien zal wat zij noodig heeft. Bovendien, al heeft zij iets noodig, het geheel heeft zij zeker niet noodig en daarom zou ik er haar slechts weinig van geven;—maar ik liet me liever ophangen, dan dat ik haar dadelijk zeide dat ik het gevonden had,—vóór dat ik wat geld van mijn eigen had; want, naar ik hoor, is er geene ergere plaats ter wereld dan Londen als men gebrek aan geld heeft. Werkelijk, als ik niet geweten had aan wie het toebehoorde, had ik het voor heksengeld kunnen houden, en zou ik bang geweest zijn er gebruik van te maken;—daar gij echter van het tegendeel overtuigd zijt, en het op eene eerlijke wijze in uwe handen gekomen is, zou het zijn de Fortuin te beleedigen om het alles af te geven, op het oogenblik dat gij het zelf zoo noodig hebt. Gij kunt ook naauwelijks verwachten dat de godin u weder op dezelfde wijze begunstigen zal; wantfortuna nunquam perpetuo est bona. In weerwil van al wat ik zeg, zult gij toch uw zin doen; maar ik herhaal: ik liet me liever ophangen dan één woord van het geld te reppen!”

„Naar ik zie, Partridge,” hernam Jones, „is het hangen ietsnon longe alienum a Scaevolae studiis.”

„Gij moest lieveralienuszeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus, immunis, variis casibus serviunt.””

„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit,[374]vriendje, dat hij die het eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar onthoudt,in foro conscientiaeevenzeer de galg verdient als hij die het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”

„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschenfas et nefaste begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik; want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijdalienusleerde, en zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”

Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van minachting (iets dat bij hem niet[375]veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu, Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij reizen!”

De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”

Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen, moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers waarschijnlijk zullen doen.

Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer, dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”

Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken naar Londen.[376]

[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Hetgeen den heer Jones overkwam op zijne reis van St. Albans.Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik ben een vreemdeling in deze streken.”Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen, onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk zijn.Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij, dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik; want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan, zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten. Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft, bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo[377]veel moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate, toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge gesproken had.Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het geld weder op.De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf, hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen Jones.„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de nood heeft me daartoe gedreven!”Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten te worden.Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees[378]koesterde dan voor zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood, mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar, zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon, wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen, en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit, dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon menschlievend, terwijl anderen, van meer[379]zwartgalligen aard ze beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid, welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen bereikten.De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt later blijken of hij woord hield of niet.Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu, zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting. Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd den roof vergezelt.”„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben; maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan[380]hij, die iemand de paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

Hoofdstuk XIV.Hetgeen den heer Jones overkwam op zijne reis van St. Albans.

Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik ben een vreemdeling in deze streken.”Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen, onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk zijn.Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij, dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik; want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan, zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten. Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft, bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo[377]veel moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate, toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge gesproken had.Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het geld weder op.De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf, hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen Jones.„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de nood heeft me daartoe gedreven!”Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten te worden.Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees[378]koesterde dan voor zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood, mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar, zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon, wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen, en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit, dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon menschlievend, terwijl anderen, van meer[379]zwartgalligen aard ze beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid, welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen bereikten.De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt later blijken of hij woord hield of niet.Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu, zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting. Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd den roof vergezelt.”„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben; maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan[380]hij, die iemand de paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.

De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik ben een vreemdeling in deze streken.”

Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen, onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk zijn.

Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.

Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.

„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij, dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik; want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan, zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten. Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”

Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft, bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo[377]veel moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.

Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate, toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge gesproken had.

Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.

Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het geld weder op.

De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf, hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.

De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen Jones.

„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de nood heeft me daartoe gedreven!”

Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten te worden.

Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees[378]koesterde dan voor zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.

Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood, mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”

Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar, zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon, wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”

Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen, en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit, dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”

Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon menschlievend, terwijl anderen, van meer[379]zwartgalligen aard ze beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid, welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen bereikten.

De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt later blijken of hij woord hield of niet.

Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu, zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting. Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd den roof vergezelt.”

„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben; maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”

„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan[380]hij, die iemand de paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”

Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”

EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.


Back to IndexNext