Ongerust riep ik om den knaap, die nog kort geleden bij mij gespeeld had; maar hij was verdwenen: wie weet of hij niet de medeplichtige van die kerels was! Een onuitsprekelijke angst greep mij aan, ik liep den weg op, die naar Greinau voerde; maar het dorp was nog ver, en de mannen kwamen al nader en nader. Reeds hoorde ik duidelijk hun stemmen; zij schenen mij iets toe te roepen en lachten daarbij. Weder keek ik angstig naar hen om, en, vreeselijk! ik zag duidelijk hoe de een zijn knuppel ophief en mij daarmede dreigde. Nu was er geen twijfel meer aan, mijn vrees was slechts al te zeer gegrond: ze hadden het op mij voorzien. Luid schreeuwend liep ik heuvel op en heuvel af, aan niets meer denkende,dan om mij door de vlucht te redden. Ik struikelde over wortels en boomstronken, verloor parasol en schetsboek; 't kon mij niet schelen: altijd maar voort, voort! eer de kerels mij bereikten, die mij—dat wist ik—nog steeds achtervolgden. Thans hoorde ik hun stemmen zoo dicht bij mij, dat ik bijna bezwijmde van angst en mij op de knieën voor hen wilde werpen en hun alles geven wat ik bij mij had. Maar dat was zoo weinig; ze zouden mij zeker uitplunderen en mishandelen. Daar, in 't beslissende oogenblik, zie ik een gedaante door de boomen heenschemeren. Was dat een hunner gezellen? Luidkeels riep ik om hulp en stormde voorwaarts. Goddank! het was een goedgekleed heer; ik was gered! In mijn doodsangst snelde ik op den vreemdeling af, ten einde hem om bescherming te smeeken; hij mocht dan zijn wie hij wilde. Doch wie begrijpt mijn verrukking, toen ik mijn vriend, Dokter Huisman voor mij zag? Met uitgebreide armen snelde ik hem te gemoet, en zonder recht te weten wat ik deed, zonk ik aan zijn borst.
„Red mij om Godswil!” riep ik buiten mijzelf uit; toen viel ik in zwijm. Weder bijkomende lag ik op het gras en Dokter Huisman naast mij neergeknield. Ik voelde mij onuitsprekelijk afgemat en kon mij in 't eerst niet te binnen brengen, wat er gebeurd was. Eindelijk herinnerde ik mij alles en keek angstig om mij heen.
„Wees gerust, juffrouw Margot, er is niets te vreezen,” zeide Dr. Huisman geruststellend. „Die kerels hebben u voor den gek gehouden en u schijnbaar vervolgd, omdat ze bemerkten, hoe bang ge voor hen waart. Thans zijt ge volkomen veilig; want ik blijf bij u.”
Nu eerst viel het mij in, op welk een manier ik in mijn angst bescherming bij mijn vriend gezocht had. Een donkerrood bedekte mijn gelaat, en ik durfde mijn oogen niet opslaan. Dokter Huisman zag mijn verlegenheid en trachtte mij gerust te stellen.
„En zijt ge niet verwonderd dat ge mij hier ziet?” vroeg hij opgeruimd en ging naast mij op het gras zitten. „Wist ge misschien dat ik u opzocht?”
„Ik? Neen, hoe zou ik dat geweten hebben?” antwoorddeik, terwijl ik mij poogde te herstellen. „Zijt gij alleen, en hoe hebt ge vernomen dat we hier logeerden? Ik wist niet, dat ge ook voornemens waart om deze reis te maken.”
„'t Is ook een plotseling opgekomen plan. En thans ben ik blij dat ik de reis ondernomen heb, omdat ik u van nut heb kunnen zijn, juffrouw Margot,” zeide hij en keek mij daarbij zoo hartelijk aan, dat ik weer 't bloed naar de wangen voelde stijgen.
„Nu zou ik gaarne naar Tante gaan,” zeide ik; „ze zal zoo ongerust over mij zijn.” Ik poogde op te staan; maar de knieën knikten mij nog onder 't lijf, en zoo moest ik op den arm van mijn vriend steunen, hoe ongaarne ik het ook deed. Deze echter babbelde maar altijd vroolijk voort en vertelde mij dat Eduard de reis met hem deed, en dat ik hem bij Tante in Greinau zou vinden.
De beweging deed mij goed, en weldra had ik de ondersteuning van mijn geleider niet meer noodig. Ik verhaalde hem de bijzonderheden van mijn avontuur en poogde mijn angst te rechtvaardigen. Dokter Huisman verzekerde mij, dat hij dien zeer natuurlijk vond. Bij Tante en Eduard, die mijn vrees overdreven noemden en mij voor een „haas” uitmaakten, verdedigde hij mijn zaak zoo goed, dat ik hem oprecht dank zeide, vooral omdat hij over onze ontmoeting maar licht heenstapte. En wat vreemd was, anders biechtte ik mijne goede Tante Betsy alle dwaasheden die ik begaan had trouw op; maar mijn ontmoeting met den dokter kon ik haar onmogelijk beschrijven, zooals die had plaats gehad; de woorden wilden volstrekt niet over mijn lippen. Waartoe zou ik dat alles ook vertellen? Hijzelf scheen er in 't geheel niet meer aan te denken, zoo net en terughoudend gedroeg hij zich jegens mij—eindelijk scheen 't geheele avontuur mij slechts een benauwde droom.
In 't gezelschap van onze nieuwe reisgenooten brachten wij eenige zeer aangename weken door en doortrokken de schoone streek in alle richtingen. Ook Eugenie's vader kwam, zooals hij beloofd had, en met hem reisden wij eindelijk naar Beierens schoone hoofdstad München. Hoe stond ik verbaasd over detallooze kunstschatten, die grootendeels door den prachtlievenden koning Lodewijk hier verzameld zijn. Wij bleven er twee weken, en zoo hadden wij ruim den tijd om alles te bezichtigen. Het merkwaardigste voor mij bleef echter altijd het reusachtige beeld der Bavaria op de Theresiaweide, in wier hoofd we met zooveel gemak rondwandelden, als ware 't een torenkamertje en wier oogen de prachtigste vensters vormden, waardoor wij een heerlijk vergezicht hadden op München en de geheele vlakte; een panorama, begrensd door de blauwe Alpen, die ons een vriendelijken afscheidsgroet schenen te brengen.
Onzen terugweg namen wij door Bohemen, om in Töplitz Eugenie en den baron te bezoeken, die daar langer vertoefden, dan zij wel gedacht hadden en van wie onze gastheer ons de beste berichten had meegebracht. Wel was het bad den baron in den beginne niet best bekomen en had Eugenie al haar vroolijke luim te hulp moeten roepen om hem afleiding te bezorgen, waarover haar dankbare echtgenoot later nooit genoeg uitweiden kon. Na 't einde der badkuur echter ging het hem uitmuntend en verbeterde de stijfheid van zijn voet van dag tot dag; zoodat we, toen we hem verlieten, in de stellige overtuiging heengingen, dat hij volkomen genezen zou terugkomen. En inderdaad, de herfst zag ons allen weder vertrouwelijk bijeen, in de gezellige huiskamer van Tante Betsy. Hoe schoon ook de reis was geweest en hoeveel heerlijks ik gezien had: hier bij mijn lieve Tante, in mijn tweede ouderlijk huis, was het toch het allerschoonst; dat gevoelde ik het sterkst toen we terugwaren.
Maar met groote schreden naderde thans de tijd, waarop ik dat lieve huis vaarwel moest zeggen. „Voor een jaar neem ik uwe Margot met mij mee,” had Tante tegen Papa gezegd. O, toen had ik weinig gedacht dat ik zulk een scheiding zou hebben kunnen dragen. Een jaar! welk een eeuwigheid voor mij, die tot dien tijd nog nooit een enkelen dag van de mijnen gescheiden was geweest! Twaalf lange, lange maanden! En thans was er meer dan een jaar sinds dien dag verloopen, twaalf maanden en nog zes daarenboven en ik leefde nog; descheiding had mij niet ziek gemaakt, ik had er de tering niet van gezet, zooals ik eens dacht dat ik doen zou. Integendeel, ik was gezond en sterk, ja zag er (als ik mijn spiegel raadpleegde) beter uit; want ik had meer houding en manieren, dan toen ik hier als een onbeholpen boerenkind kwam. Met tal van draden was ik aan den kring verbonden, waarvoor ik eens had teruggebeefd, doch waarin ik mij nu zoo gemakkelijk bewoog. Hoezeer ik ook naar Papa, Mama en mijn broertjes en zusjes terugverlangde—een onbegrijpelijk treurig gevoel maakte zich van mij meester, wanneer ik aan de scheiding dacht van allen, die ik in Den Haag liefgekregen had. Tante met haar onuitsprekelijke goedheid en zachtmoedigheid, fijne beschaving en haar welwillendheid voor mij,—Eugenie aan wie ik als een zuster gehecht was,—Marie mijn trouwe vriendin,—de baron, met wien ik op zulk een vriendschappelijken voet verkeerde,—Dokter Huisman,—Eduard, zij allen waren mij lief en dierbaar geworden en ik moest ze hier achterlaten; die gedachte kon mij benauwen. En toch was er niets aan te veranderen. De dag van het vertrek kwam en ik moest afscheid nemen. Eugenie en de baron beloofden mij, dat ze mij spoedig in 't ouderlijke huis een bezoek zouden komen brengen; ook Tante troostte mij met dat vooruitzicht en Marie had mij beloofd, een heelen tijd bij ons te zullen komen logeeren.
Zoo scheidde ik dan eenigszins getroost van de plaatsen, waar ik zooveel goeds had genoten en keerde naar mijn dorp terug.
Weder in 't ouderlijke huis.
Met welke gemengde gewaarwordingen vloog ik mijn lieven Papa om den hals, toen hij na zulk een lange scheiding in Den Haag kwam om mij af te halen, en met welk een gevoel van vreugde zoowel als van smart, reisde ik weer naar mijn dorp, nadat het afscheid van mijn hoogvereerde Tante achter mij lag.
Toch deed het mij goed, ons oud, lief dorp weer te zien, waarbij ons landgoed lag. Ja, dat was toch maar de schoonste plaats op de geheele wereld, schooner nog (in mijn oog althans) dan alles wat ik op mijn reis met zooveel verrukking bewonderd had. Die boomen, die huizen, die wegen—'t waren alle oude kennissen, die ik terugzag. Daar scheen de zon nog even vroolijk op 't blauwe leiendak en op den spitsen toren van 't kerkje, als ze dat voor anderhalf jaar deed—en toen ik daar onzen ouden Frits op 't voorbankje van ons wagentje zag zitten en ik mijn oog op de lieve bruintjes sloeg, was 't mij of ik nooit weg geweest was.
En buiten het dorp, daar zag ik den ouden Thomas den herder, die zijn hoed zoo diep voor ons afnam—hoe dikwijls had ik met dien man gekeuveld! Zijn hond kwam naar den wagen toe om onze paarden aan te blaffen, juist zooals hij 't voor anderhalf jaar deed, toen we het dorp uitreden. En daar stonden de dorpskinderen ons aan te gapen, zooals ze't altijd rijtuigen deden: verlegen en bloode de meisjes, brutaal en onbescheiden de jongens—ik kende de meesten nog; want zooveel waren ze in die achttien maanden niet veranderd. Daar kwamen we aan de eerste huizen van het dorp—allemaal bekenden—en de menschen evenzoo, en zij groetten allen zoo vriendelijk en ik was zoo blij dat ik ze weer zag. Eindelijk, daar kwamen we aan ons landgoed, ons statig huis met de gele jaloeziën en de groengeverfde deur. En daar op den hof stond de paal met den ooievaar, die weer jongen had, juist zooals ik 't van jongsaf had gezien. En 't bassen van onzen grooten Turk, die zich wel van zijn ketting had willen losrukken, toen we 't hek van 't landgoed binnenreden, zeker omdat hij blij was over mijn terugkomst! En, o vreugde! daar kwamen onze kleine jongens in hun ezelwagen aan, Lize tusschen hen in als eene groote dame. Ik kon 't niet langer uithouden en had wel uit het wagentje willen springen. Gelukkig hield Frits een oogenblik later voor de huisdeur stil.
De jongens hadden me al gezien. Zij waren uit den ezelwagen gesprongen om mij te verwelkomen en hadden de arme Lize er maar laten inzitten, die echter bij de hand genoeg was om er zelf uit te kruipen. Ik werd bijna doodgedrukt en toen ging het met groot gejuich de voordeur in. En Mama! ik dacht dat ze me nooit zou loslaten; ik weende en lachte te gelijk. En toen werden allen op hun beurt nog eens door mij omhelsd en gekust. Toen kwamen ook de dienstboden en een glans van genoegen straalde hen uit de oogen en op hun boersche manier gaven ze hun vreugde over mijn terugkomst te kennen. Nu moest ik eerst al de kamers eens door om die oude, gezellige bekende vertrekken weer te zien. Daarna in den bloemhof, in den moestuin, in den boomgaard, overal sleepten de jongens mij heen en 't scheelde weinig, of ik zou 't bouw- en weiland ook hebben moeten bezoeken. En onder de hand werd mij allerlei aangewezen: de nieuwe kropduiven, die al tweemaal gebroeid hadden, en wat een aantal kiekentjes! Verder moest ik naar den stal om de twee melkkalveren en de jonge geitjes te zien. En dan den prachtigen bles, dien Papa een maand geleden gekocht had! Ook den nieuwenschommel: en daar moesten de jongens mij toonen hoe hoog ze durfden schommelen!
En wat waren de kinderen allemaal groot geworden in die anderhalf jaar! Johanna, die drie jaren jonger was dan ik, scheelde niet veel met mij in lengte, Eduard, die een jaar met mij in leeftijd verschilde en die met de vacantie thuis was, was bijna een hoofd grooter dan ik. Hij zag wat bleek, de goede jongen, zeker door het te sterk groeien. En die ondeugende Frits en de kleine Max en Lize, wat zagen die er ferm uit!
„En wat ben jij een knappe meid geworden, Margot!” zei Mama, terwijl ze mij met een verheugd gelaat beschouwde.
„De stadslucht schijnt je goed bekomen te zijn.”
„Ze ziet er als een dame uit, piek fijn!” zeide Eduard, terwijl hij aan iets boven zijn lip trok, dat haar moest voorstellen en hem verbeelden deed dat de knevel in aantocht was.
„Heb je wat meegebracht, Margot?” vroeg de kleineLize, terwijl ze aan de riempjes van mijn reistaschje trok.
„Ja, ja! Uitpakken, Margot!” riepen de andere kleinen.
„Je moet wachten tot mijn koffer komt,” zeide ik. „Denk je dat ik al de presenten heb kunnen dragen?”
„O, dan zal 't mijne wel heel groot zijn! Vast een hobbelpaard,” juichte Max.
„En nu, Margot, moet je je kamertje eens zien,” zei Mama, en zij bracht mij naar een allerliefst vertrekje, waar ik een prachtig uitzicht had. Juist zoo'n ledikant, als waarin ik bij Tante had geslapen met witte gordijnen, boven mijn latafel hing, met een groenen krans omgeven, het sprekend gelijkend portret van Tante Betsy! O, welk een allerliefste verrassing! Met tranen in de oogen viel ik mijne lieve moeder om den hals en toen ik mijn koffer later uitgepakt had, kwamen Marie en Eugenie er naast hangen. Zoo had ik nu toch 't liefste, wat ik in Den Haag had achtergelaten, hier dagelijks voor oogen.
Naast mijn kamertje sliep Johanna, wier bijzondere opvoeding mijne goede moeder nu aan mij toevertrouwde. „Ik denk dat je eene leerzame scholierster aan haar zult hebben,” zeideMama. „Het is het beste middel voor u, om je eigene opvoeding tevoltooien, wanneer je je zusje tot een goed voorbeeld wilt dienen. Nu kun je toonen of je bij Tante wat geleerd hebt.”
Ik verheugde mij ongemeen over 't vertrouwen, dat Mama in mij stelde, door mij Johanna's opvoeding toe te vertrouwen. Reeds gedurende mijn verblijf bij Tante Betsy was die wensch dikwerf in mij opgekomen; want mijn zachtzinnig zusje, dat veel knapper en aanvalliger was dan ik ooit in mijn leven ben geweest, groeide, evenals ik vroeger, in boersche gewoonten en manieren op, en nu zou 't geen ik bij Tante geleerd had, haar te pas komen. De liefde en de volgzaamheid van het zachtzinnige kind deden mij dat vurig wenschen. Daarenboven hoopte ik ook Mama's zorgen voor 't huishouden te verlichten en de kleinere broers en vooral Lize onder mijn bijzonder opzicht te nemen. Papa had kort geleden een gouverneur aangenomen, die de jongens bezig hield en hun de eerste beginselen leerde. Van hem kreeg ook Johanna les. En nu zou ook ik zijn scholierster worden, want hij bood aan, mij nog eenige lessen in de muziek en de talen te geven. Natuurlijk nam ik dit met dankbaarheid aan, en zoo doorleefde ik een gelukkigen tijd vol werkzaamheid en genoegen in den kring mijner dierbaren; terwijl de herinnering aan de residentie dit kalme leven met een liefelijken glans verhelderde. Een drukke briefwisseling onderhield de banden met de verre vrienden; want zoowel Tante als Marie schreven mij dikwijls uitvoerige epistels, waarin zij mij op de hoogte hielden van al wat er in haar kring voorviel. Eugenie schreef weinig; want ze was geen groote briefschrijfster; dat wist ik nog wel van vroeger, maar des te aangenamer waren mij dus haar enkele opgeruimde brieven, waarin nog altijd de een of andere plagerij voorkwam.
Op zekeren dag kwam er een doodbericht, dat mij trof, ofschoon ik de gestorvene nooit persoonlijk gekend had. Tante Betsy had er reeds eenige malen op gezinspeeld dat Eugenie's moeder in een lijdenden toestand verkeerde. Ze had niet eens aan haar belofte om eenigen tijd bij haar schoonzoon te komendoorbrengen kunnen voldoen, en daarom waren Eugenie en de baron naar haar toegereisd. Ze hadden de anders zoo levenslustige vrouw veel veranderd gevonden; wel nog altijd vol belangstelling voor de ijdelheden des levens, maar niet meer instaat daaraan mede te doen. Ook scheen haar lichaamslijden haar gemoed verzacht te hebben—de goedhartige Eugenie kon ten minste niet van haar scheiden. Ze had terstond naar haar Papa geschreven, en deze kwam nog juist bijtijds om gedurende de laatste levensdagen der zieke tegenwoordig te zijn. Zware koortsen sloopten spoedig 't reeds lang geschokte gestel. Haar laatste woord was een bede om vergiffenis tot den echtgenoot, voor 't leed dat zij hem had aangedaan; haar laatste blik een van dank voor zijn onverdiende liefde. En zoo was een leven geëindigd, dat weinig geluk en zegen om zich heen had verspreid. Eugenie was werkelijk bedroefd over den dood eener moeder, aan wie ze, ondanks de gebreken en zwakheden der wereldschgezinde vrouw, toch gehecht was geweest. Ze wist haar vader te overreden, om den eersten tijd na den dood zijner vrouw, bij haar op haar buitengoed te komen en de liefde zijner kinderen vergoedde den zwaarbeproefden man veel voor het verdriet,dathij jarenlang had ondervonden. Plannen voor de toekomst had hij nog niet gemaakt; ik vernam echter uit een brief van Eugenie, dat het haars vaders innigste wensch was met Tante Betsy samen te wonen. Ik twijfelde er geen oogenblik aan of Tante zou daaraan voldoen, en 't verwonderde mij evenmin dat zij er de voorwaarde bij maakte, dat hij zijn intrek in haar huis in Den Haag moest nemen; want het zou haar te veel gekost hebben, die stad en dat huis te verlaten; daarenboven was hij daar dichter bij zijn kinderen. En zoo scheen 't wel dat de edele vrouw bestemd was om allen, die met haar in aanraking kwamen, gelukkig te maken.
Meer dan een jaar was verloopen, sedert ik in 't ouderlijke huis was teruggekeerd. Op zekeren morgen scheen de zon met buitengemeenen glans door mijn vensterruiten. 't Was nog zeer vroeg en de witte herfstdamp lag nog als een waasover de weiden uitgespreid; aan het reeds bonte loof der boomen hingen dauwdruppels, die als diamanten in den vroegen zonneschijn flikkerden en de frissche morgenwind blies reeds enkele verdorde bladeren tegen het venster, waardoor ik peinzend mijn blikken in de verte liet weiden. Het dorp scheen nog in diepe rust verzonken: slechts in 't ooievaarsnest vlak over mij was beweging; de ouden klepperden hun kroost een morgengroet toe en begonnen weldra hun jongen in 't vliegen te onderwijzen; want de tijd van hun vertrek was nabij en wee den ooievaar, die de lange reis over zee niet kan uithouden: onbarmhartig wordt hij door zijn reismakkers gedood. Ver over de huizen van het dorp zweefden zij weg en hun witte veeren schitterden in den zonneschijn.
Dezelfde rust en vrede, die de geheele natuur ademde, vervulden mijn ziel, en met een dankbaar, vroolijk hart zag ik tot den Vader daarboven op en bad Hem om zijn verdere bescherming en zijn voortdurenden zegen. Eensklaps voel ik mij door twee armen omvat en twee zachte blauwe oogen zien mij vol liefde in 't gelaat.
„Goeden morgen, Margot! God zegene u!” zeide een vriendelijke stem en een paar zachte lippen drukten zich op de mijnen.
„Hoe! Reeds wakker, Marie?” riep ik verbaasd uit en keek mijne vriendin in het blozend gelaat.
„Ook ik had geen rust meer in de veeren,” antwoordde ze opgeruimd. „De vreugde ontrooft iemand den slaap evengoed als de smart. Daarenboven was 't wel noodig dat ik vroeg opstond: want we hebben van daag heel wat te doen. Ik zal Johanna wakker maken om met mij den tuin te plunderen. Er zijn wel is waar niet veel bloemen meer; maar gij hebt hier zooveel schakeeringen van asters en herfstbijloozen en zulke zachtgetinte dahlia's, dat wij met wat bonte bladeren er tusschen nog wonderen kunnen doen. Desnoods nemen wij bonte bladeren in plaats van bloemen; en voor slingers kan men sparregroen gebruiken.”
Het duurde niet lang of ik zag de beide blondines, Marie en Johanna, in een licht morgengewaad den tuin inhuppelen,en als bijen van de eene bloem naar de andere zwevende, tusschen de boomen verdwijnen. Langzamerhand werd nu alles wakker: honden blaften, kleine kinderen trippelden halfgekleed voor de deuren, de vensters werden geopend, de rook steeg uit de schoorsteenen op, overal klonken stemmen en begonnen de menschen hun dagtaak. Nu kon ook ik 't niet langer in de kamer uithouden; juist wilde ik mij bij de twee meisjes in den tuin voegen, toen onder mij een raam werd opgeschoven en met de frissche morgenlucht een heldere kinderstem mijn venster binnendrong. Als een pijl uit den boog snelde ik de trappen af naar de plaats vanwaar 't kinderstemmetje kwam. Voor 't open venster zat een fiksche gezonde min in boerenkleeding en op haar arm danste een allerliefste knaap van zes maanden. Zoodra hij mij zag stak hij mij kraaiend zijn mollige armen uit het rijkgeborduurde hemdje te gemoet. Ik ging in de vensterbank zitten, kuste den kleinen engel en liet mijn blikken door de kamer weiden. Op den achtergrond stond een ledikant, waarin eene jonge vrouw, de moeder van het knaapje, die mij vriendelijk toeknikte.
„Goeden morgen, Eugenie! schandelijke luilak!” riep ik, „je zoon aardt niet naar je, want die is wat vroeger uit de veeren.”
„Ja, hoe dat komt, is mij een raadsel,” zeide de moeder. „De kleine kwelgeest wordt met de zon wakker, als een echte boerenjongen.”
„Dat komt omdat hij bij Madeliefje op het boerendorp in den kost is,” antwoordde ik lachend. „'t Is hier een mooi kosthuis voor een jongen baron!”
„Een baron? een afschuwelijke bengel is hij!” riep Eugenie lachend uit. „En zijn Papa is op hem zoo trotsch, als ik van mijn leven nog geen mensch gezien heb. Hoe hij acht dagen zonder hem heeft kunnen zijn, is iets wat ik niet begrijp. Dat ik wegging kon hem in 't geheel niet schelen; toen was het: „je hebt het Margot al zoo lang beloofd en kunt er dus niet langer mee wachten; zoodra ik 't noodigste heb afgedaan, kom ik ook, 't zal dus maar een korte scheiding zijn.” Maar dat hij den jongen voor een paar dagen moest missen, datwas voor hem een ramp! Een mensch zou wel willen wegloopen van zulk een beer van een man.”
„Nu, je bent ook van hem weggeloopen,” riep ik vroolijk, terwijl ik met den kleinen baron speelde. Intusschen was Eugenie opgestaan en trad naar ons toe; ze nam haar jongen in de armen en stoeide met hem. 't Was een bekoorlijk tafreel, die gelukkige moeder met haar kind, prachtig beschenen door de morgenstralen der zon.
Doch wij bleven niet lang alleen. De huisdeur ging open, en mijn jonge broertjes en Lize kwamen op mij af.
„Goeden morgen, Margot!” riepen ze. „Wat zullen we vandaag een pret hebben! Er worden taarten gebakken en twee vette kalkoenen geslacht! En mijnheer Punt (dat was de gouverneur) maakt met Eduard de ballons klaar, die morgenavond aan de boomen zullen hangen, en het vuurwerk dat hij zal afsteken.”
Zoo riepen ze door elkander en er hielp niets aan: ik moest met het wilde volkje mee om 't een en ander te gaan bekijken—ofschoon ik 't eigenlijk niet zien mocht, het moest een verrassing voor mij blijven. Maar als ge iemand verrassingen bereidt—houdt die dan geheim voor zulkeenfants terribles, die juist de hun toevertrouwde geheimen 't spoedigst aan den man brengen.
„Kom,” riep ik eindelijk. „We zullen met Marie en Johanna kransjes vlechten.” Jubelend werd dat voorstel aangenomen en we gingen in den bloemtuin, waar we beiden bezig vonden met het maken van bontgekleurde slingers. Toen ze mij zagen kwamen ze vroolijk naar mij toe en Marie zette mij ondanks mijn tegenstribbelen een allerliefsten krans van kleine roode asters op 't hoofd. „Rozen zijn er niet meer,” zeide zij, „daarom hebben we hulptroepen moeten laten aanrukken. Jij bent heden de koningin van 't feest en moet een kroon dragen, opdat de geheele wereld u kenne en u huldige.”
„Morgen is 't eerst de groote feestdag,” antwoordde ik. „Vandaag mag ik nog geen krans dragen.”
„Neen, neen, morgen kunnen we 't met zulke ordinaire bloemen niet af; dan moet een krans van oranjebloesem uwezwarte lokken sieren.” zeide Marie. „O, lieve Margot, je weet niet hoe blij ik ben dat ik dezen dag met je vieren kan.”
„Goeden morgen, dames!” klonk het thans achter ons, en we zagen onzen lieven vriend en buurman, dominee Van Dijke, die in de vroegte een wandeling deed, en zeker 't gejubel in den tuin gehoord had. Hartelijk reikte ik hem de hand en we praatten eenigen tijd met elkander. Daarop ging ik met de kinderen in huis, om te zorgen dat ze gekleed werden, waarin Johanna mij zou helpen. Ik groette den predikant en verontschuldigde mijn weggaan. Toen ik in den tuin terugkwam om Marie aan 't ontbijt te roepen, dacht ik haar nog druk bezig te vinden met het vlechten der slingers; ik was dus hoogst verbaasd toen ik haar kalm op de tuinbank zag zitten met den jongen predikant naast haar, maar hunne houding deed mij terstond vermoeden wat er gebeurd was.
„Maar ik bid u, juffrouw Margot,” zeide dominee Van Dijke, nadat hij mij bekendgemaakt had, dat hij Marie gevraagd en haar jawoord gekregen had, „ik bid u, verzwijg het tot morgen. Dan willen we het aan uw bruiloftsdisch bekend maken, want zeker zal het de vreugde van het feest verhoogen, als de gasten hooren dat er spoedig weder een andere bruiloft op til is.”
Ik beloofde tot zoolang te zwijgen. „Maar tot uw straf dat ge me zoo listig 't hart mijner vriendin voor de helft ontsteelt, dominee, beroof ik u thans terstond van uw aanstaande bruid. Of ge zoudt er lust in moeten hebben, heden met ons te ontbijten.”
„Ik dank u,” antwoordde de predikant. „Ik vrees dat ik in dat geval zou doen als de kinderen en mijn geheim te vroeg verraden.”
„Daar zou ik ook voor vreezen, dominee,” antwoordde ik. „En dus, adieu! We mogen de gasten niet laten wachten.”
Zoo was mijn stille hartewensch vervuld. Marie zou de gade worden van den man, dien we allen zoo hoog vereerden, sedert hij, twee jaren geleden, bij ons predikant was geworden. Ik had reeds sedert geruimen tijd bemerkt, dat beiden elkander liefhadden en week op week verwacht wat nu gebeurdwas. Nu was alles in orde, en 't zou een nieuwen glans aan mijn eigen trouwdag geven.
Want, inderdaad, lieve lezeressen! Sedert veertien dagen was ik de bruid, en al die toebereidselen tot een feest waren ter viering van mijn bruiloft. Reeds sinds een half jaar was het „tusschen-mal-en-dwaze” meisje verloofd—met wien? Nu, dat kunt gij wel raden. Waarschijnlijk hebt ge bij 't lezen dezer bladeren er eer aan gedacht dan ik. 't Was kort na mijn terugkomst in 't ouderlijke huis geweest, dat er een brief uit Den Haag kwam—eenige dagen later door den schrijver zelf gevolgd. En die schrijver was? Natuurlijk niemand anders dan zekere dokter, en juffrouw Margot....„zal nu morgen Mevrouw Huisman worden!” roept gij mij toe. En ge hebt het geraden.—Marie was reeds twee maanden bij mij, om Mama en mij aan mijn uitzet te helpen; Eugenie had sedert acht dagen bij ons gelogeerd, haar echtgenoot, haar vader, Tante Betsy, Eduard en zijn ouders wachtten we heden, en morgen zou ik trouwen. Wat kon ik nu nog meer wenschen!
De rijtuigen rolden door het dorp, de honden blaften, de dorpsjeugd jubelde en de koetsiers lieten hun zweepen vroolijk klappen. Welk een leven in en om ons huis! Papa en Mama vlogen Tante Betsy in de armen, Eugenie in die van den baron, die vrouw en kind te gelijk omvatte en misschien niet losgelaten zou hebben, als zijn vrouwtje zich niet losgerukt en hem den knaap op den arm gegeven had. Uit zijn armen snelde ze in die haars vaders en daarna hing ze aan de trouwe borst van Tante Betsy.
En ik—ach! ik zag niets voor mij dan twee helderblauwe oogen, die mij zoo innig aanstaarden en voelde twee stevige armen, die mij zoo vast omklemden, als waren er weer van die kerels van 't Eibmeer in de nabijheid, toen ik zoo radeloos aan die trouwe borst vluchtte.
„Broer Anton, Lize wil u ook eens goeden morgen zeggen,” zeide mijn bruingelokt jongste zusje, dat op ons kwam aandartelen.
„Goeden morgen, zusjelief,” zeide mijn bruidegom vroolijk;terwijl hij 't lieve kind tot zich ophief en het hartelijk kuste. Nu kwamen ook de twee guitige zwagertjes aansnellen om hun aanstaanden broeder te begroeten, op wien de beide jongens braaf grootsch waren; vooral omdat ze Anton tegen hem mochten zeggen. Daarop bracht ik den aanstaanden schoonzoon bij Papa en Mama, die hem hartelijk verwelkomden.
Ons vriendelijk, stil huis was zeker heel verbaasd over de vele vreemden, die het binnen zijn muren moest opnemen; daar allen behalve Anton, die bij dominee Van Dijke logeerde, bij ons gehuisvest werden. 't Was of de lindeboomen er blij over waren, zoo prijkten ze in de zonnestralen, en de ooievaar op zijn nest klepperde nog harder dan anders, als wou hij 't aan zijn kinderen vertellen, wat in de anders zoo stille hofstede voorviel.
En de volgende dag! Hoe zal ik u dien beschrijven? Van alle kanten stroomden vrienden en bekenden toe, om ons feest mee te vieren. O, 't is een aangenaam gevoel, als men zich omringd ziet door zoovelen, die hartelijk deelnemen in onze vreugde. Papa had, om 't schoone zachte herfstweer, bevolen dat we onder 't lommer der linden zouden dineeren en dat bracht niet weinig toe om 't aangename en landelijke, daardoor zoo geheel ongedwongene, van 't feest te verhoogen. 't Was een dag van drukte en genoegen, dat verzeker ik u. Eerst naar 't raadhuis, waar de wet ons verbond, toen naar de kerk, waar Dominee Van Dijke ons huwelijk inzegende. En 's namiddags aan tafel, daar werd wat getoost! En toen dominee Van Dijke zijn engagement met Marie aankondigde, diende dat niet weinig om de vreugde te verhoogen, en moest het jonge paar heel wat plagerijen verduren, vooral van Eugenie, die 't alleraardigst vond dat het blauwe Vergeetmijnietje nu zoo spoedig 't voorbeeld van haar onnoozel Madeliefje zou volgen. Natuurlijk gaf ook deze mededeeling aanleiding tot tal van toosten. De avond werd besloten met een, voor ons dorp, prachtig vuurwerk.
Nog denzelfden avond verliet ik met mijn echtgenoot het lieve ouderlijke huis, om naar onze eigene woning in Leiden te reizen, in welke stad Anton zich voor goed gevestigd had.Het afscheid van mijne goede ouders, van broeders en zusters viel mij zwaar; ook van u, mijne lieve Lezeressen, die zoo vriendelijk zijt geweest om mij op een gedeelte mijner loopbaan te volgen, en er uit hebt kunnen zien, hoe er met vallen en opstaan en door de trouwe zorg mijner goede tante eene vrouw is geworden uit een boerendeern en nog wel eene, die, toen gij haar leerdet kennen, zoo groen was als gras, nog erger dan wat men gewoonlijk noemt:
TUSSCHEN MAL EN DWAAS.
DE WERKEN VAN P. J. ANDRIESSEN.0.90 per deel ingenaaid en ƒ 1.20 in linnenband.De Val van een Koningshuis,of het eerste tijdperk van de Fransche Revolutie.De Dageraad van een Keizerstroon,of het tweede tijdperk der Fransche Revolutie.De Kolossus der Negentiende Eeuw,of Frankrijk in den bloeitijd van het Keizerrijk.De Tocht naar Rusland,of het begin van den val van het Keizerrijk. 1812.Elba en Sint-Helena,of de dubbele val van het eerste Keizerrijk. 1814-1821.De Strijd tusschen twee Groote Volken.De Deserteur,of de Fransche overheersching en Nederlands herstelling. 1810-1813.De tamboer bij Quatrebras en Waterloo,of de tweede verlossing van Nederland. 1814-1815.Koning en Stadhouder,of Nederland gedurende de laatste regeeringsjaren van Willem III. 1678-1702.De Prins en JohandeWitt,of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering. 1654-1668.Het Huisgezin van den Raadpensionaris,of hoe de eerste stadhouderlooze regeering een einde nam. 1668-1672.Adolf en Clara,of hoe ons land een republiek werd. Een verhaal uit de eerste jaren van den tachtigjarigen Oorlog. 1564-1584.De Weezen van Vlissingen,of hoe onze republiek onafhankelijk werd. Een verhaal uit het derde tijdperk van den tachtigjarigen Oorlog. 1609-1648.De Zoon van den Zeeroover,of hoe de Nederlandsche republiek groot werd. Een verhaal uit het tweede tijdperk van den tachtigjarigen Oorlog. 1584-1609.De Vrijheidsoorlog,of de Opstand der Batavieren en Kaninefaten tegen de Romeinsche Overheersching. 69-70.De Schildknaap van Gijsbrecht van Aemstel.Een verhaal uit den laatsten tijd van het Hollandsche huis. 1295-1304.De Zeeman tegen wil en dank,of Amsterdam in den aanvang der eerste stadhouderlooze regeering. 1650-1654.De Kinderen van den Zoetelaar,of Nederland gedurende de eerste regeeringsjaren van Prins Willem III. 1672-1678.Een Zoon van Friesland,of Nederland gedurende den Spaanschen Successie-oorlog. 1702-1713.Erlo, de Heidenknaap,of Nederland gedurende het tweede Stadhouderlooze bestuur. 1713-1747.Evangelie en Friezen,of hoe het Christendom onder onze Heidensche voorvaderen kwam. 677-754.De Vrouw van de Wolfsgrove,of het Valkhof te Niumage onder Karel den Grooten. 786-814.Door het kreupelbosch tot den Troon.De jeugd van prinses Elizabeth, Koningin van Engeland. 1533-1558.Koning en Veldheer,of Frederik de Groote in en na den zevenjarigen Oorlog. 1756-1786.Een Gentsche Vrijheidszoon.Een episode uit de geschiedenis van Vlaanderen. 1335-1345.Een onderdrukte Koningszoon,of de jeugd van Frederik den Groote van Pruisen.Vorst en Dichter,of hoe Pruisen onder Frederik den Tweede groot werd.De Muiderkring,of Vijftien jaar uit den bloeitijd onzer letterkunde. 1623-1637.De Suppoost aan de Bank van Leening,of de laatste levensjaren van Joost van der Vondel. 1657-1679.Tusschen mal en dwaas, of wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is.Ingenaaid ƒ 1.60, gebonden ƒ 1.90.Het Begin van den strijd,of de regeeringsjaren van Prins Willem IV. 1747-1751.De Republiek in woeling en strijd,of de regeeringsjaren van prins Willem V. 1751-1795.De Bataafsche Republiek,of Nederland onder den invloed van Frankrijk. 1795-1806.Het hof van Koning Lodewijk,of Nederland als Koningrijk Holland. 1806-1810.Geschiedenis van het tijdperkvan vijfentwintigjarigen vrede. 1849-1874.Steeds Tegengewerkt.EenTafereeluit de Middeleeuwen.Lotwisselingen op den Troon.Twee bladzijden uit het boek der Geschiedenis.Bladenuit de Geschiedenis van ons Vaderland.
0.90 per deel ingenaaid en ƒ 1.20 in linnenband.
De Val van een Koningshuis,of het eerste tijdperk van de Fransche Revolutie.
De Dageraad van een Keizerstroon,of het tweede tijdperk der Fransche Revolutie.
De Kolossus der Negentiende Eeuw,of Frankrijk in den bloeitijd van het Keizerrijk.
De Tocht naar Rusland,of het begin van den val van het Keizerrijk. 1812.
Elba en Sint-Helena,of de dubbele val van het eerste Keizerrijk. 1814-1821.
De Strijd tusschen twee Groote Volken.
De Deserteur,of de Fransche overheersching en Nederlands herstelling. 1810-1813.
De tamboer bij Quatrebras en Waterloo,of de tweede verlossing van Nederland. 1814-1815.
Koning en Stadhouder,of Nederland gedurende de laatste regeeringsjaren van Willem III. 1678-1702.
De Prins en JohandeWitt,of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering. 1654-1668.
Het Huisgezin van den Raadpensionaris,of hoe de eerste stadhouderlooze regeering een einde nam. 1668-1672.
Adolf en Clara,of hoe ons land een republiek werd. Een verhaal uit de eerste jaren van den tachtigjarigen Oorlog. 1564-1584.
De Weezen van Vlissingen,of hoe onze republiek onafhankelijk werd. Een verhaal uit het derde tijdperk van den tachtigjarigen Oorlog. 1609-1648.
De Zoon van den Zeeroover,of hoe de Nederlandsche republiek groot werd. Een verhaal uit het tweede tijdperk van den tachtigjarigen Oorlog. 1584-1609.
De Vrijheidsoorlog,of de Opstand der Batavieren en Kaninefaten tegen de Romeinsche Overheersching. 69-70.
De Schildknaap van Gijsbrecht van Aemstel.Een verhaal uit den laatsten tijd van het Hollandsche huis. 1295-1304.
De Zeeman tegen wil en dank,of Amsterdam in den aanvang der eerste stadhouderlooze regeering. 1650-1654.
De Kinderen van den Zoetelaar,of Nederland gedurende de eerste regeeringsjaren van Prins Willem III. 1672-1678.
Een Zoon van Friesland,of Nederland gedurende den Spaanschen Successie-oorlog. 1702-1713.
Erlo, de Heidenknaap,of Nederland gedurende het tweede Stadhouderlooze bestuur. 1713-1747.
Evangelie en Friezen,of hoe het Christendom onder onze Heidensche voorvaderen kwam. 677-754.
De Vrouw van de Wolfsgrove,of het Valkhof te Niumage onder Karel den Grooten. 786-814.
Door het kreupelbosch tot den Troon.De jeugd van prinses Elizabeth, Koningin van Engeland. 1533-1558.
Koning en Veldheer,of Frederik de Groote in en na den zevenjarigen Oorlog. 1756-1786.
Een Gentsche Vrijheidszoon.Een episode uit de geschiedenis van Vlaanderen. 1335-1345.
Een onderdrukte Koningszoon,of de jeugd van Frederik den Groote van Pruisen.
Vorst en Dichter,of hoe Pruisen onder Frederik den Tweede groot werd.
De Muiderkring,of Vijftien jaar uit den bloeitijd onzer letterkunde. 1623-1637.
De Suppoost aan de Bank van Leening,of de laatste levensjaren van Joost van der Vondel. 1657-1679.
Tusschen mal en dwaas, of wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is.
Ingenaaid ƒ 1.60, gebonden ƒ 1.90.
Het Begin van den strijd,of de regeeringsjaren van Prins Willem IV. 1747-1751.
De Republiek in woeling en strijd,of de regeeringsjaren van prins Willem V. 1751-1795.
De Bataafsche Republiek,of Nederland onder den invloed van Frankrijk. 1795-1806.
Het hof van Koning Lodewijk,of Nederland als Koningrijk Holland. 1806-1810.
Geschiedenis van het tijdperkvan vijfentwintigjarigen vrede. 1849-1874.
Steeds Tegengewerkt.EenTafereeluit de Middeleeuwen.
Lotwisselingen op den Troon.Twee bladzijden uit het boek der Geschiedenis.
Bladenuit de Geschiedenis van ons Vaderland.
Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 8lijdenleidenBlz. 10[Niet in Bron.],Blz. 11doeDoeBlz. 13,.Blz. 32MariesMarie'sBlz. 48,[Verwijderd.]Blz. 51[Niet in Bron.],Blz. 55!?Blz. 57[Niet in Bron.].Blz. 57![Verwijderd.]Blz. 59;,Blz. 75EugeniesEugenie'sBlz. 75[Niet in Bron.]”Blz. 88[Niet in Bron.]”Blz. 89[Niet in Bron.]”Blz. 92[Niet in Bron.]”Blz. 105;:Blz. 107;,Blz. 107LouizeLouiseBlz. 108[Niet in Bron.]”Blz. 115bevattebevattenBlz. 117[Niet in Bron.]”Blz. 119Maria'sMarie'sBlz. 123”[Verwijderd.]Blz. 146ingesloteningesloteneBlz. 150[Niet in Bron.]”Blz. 151,;Blz. 153[Niet in Bron.],Blz. 153parfenuachtigparvenuachtigBlz. 168[Niet in Bron.],Blz. 171izeLizeBlz. 172volooienvoltooienBlz. 173diedatBlz. 178[Niet in Bron.]„achterzijdeddeachterzijdeTafareelTafereel
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: