Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Milaan.Een klooster.Eglamourkomt op.Eglamour.De zon verguldt den westerhemel reeds,En ’t is omstreeks dit uur, dat Silvia mijBij broeder Patrick’s cel ontmoeten zou.Zij blijft niet uit; verliefden houden woord,Alleenlijk plegen zij te vroeg te komen;Zoo zeer drijft ongeduld hen aan tot spoed.(Silviakomt op.)Daar komt zij reeds.—Mejonkvrouw, goeden avond!Silvia.Dank, amen, amen! Thans, vriend Eglamour,Terstond door de achterpoort van ’t klooster voort;Bespieders, ducht ik, gaan mijn gangen na.Eglamour.Ducht niets; wij spoeden ons naar ’t woud, en daar,Geen drie mijl ver, bedreigt ons geen gevaar.(Beiden af.)Tweede Tooneel.Aldaar.Een kamer in ’s Hertogs paleis.Thurio,ProteusenJuliakomen op.Thurio.Heer, wat zegt Silvia van mijn aanzoek thans?Proteus.Ik vond haar zachter, heer, dan vroeger, maarZij vindt aan uw persoon vrij wat te gispen.Thurio.Wat? dat mijn been te lang is?Proteus.Wat? dat mijn been te lang is?Neen, te dun.Thurio.Dan draag ik laarzen, die het ronder maken.Julia(ter zijde).Tot wat zij haat, laat liefde zich niet sporen.Thurio.Hoe vindt zij mijn gelaat?Proteus.Hoe vindt zij mijn gelaat?Als blank papier.Thurio.Dat liegt het schelmpje; mijn gelaat is zwart.10Proteus.Doch paar’len noemt men blank; en ’t zeggen is,Een zwart man is een paarl in ’t oog der schoonen.Julia(ter zijde).Ja, van die parels, die het oog verduistren,Die ’k niet wil zien, en waar ik ’t oog voor sluit.Thurio.En hoe bevalt haar mijn gesprek?Proteus.Slecht, als gij over oorlog spreekt.Thurio.Doch goed, als ik van liefde spreek en vrede?Julia(ter zijde).Nog beter, als gij haar met vrede laat.Thurio.Wat zegt zij van mijn moed?Proteus.O, heer, daarover is zij niet in twijfel.Julia(ter zijde).Waarom ook, als zij weet, hoe laf hij is.Thurio.Wat zegt zij van mijn afkomst?Proteus.Dat gij van hoogen rang zijt afgedaald.Julia(ter zijde).Van edelman tot zotskap, ja voorwaar.Thurio.En spreekt zij van mijn landerijen?Proteus.Ja, maar met leedbetuiging.Thurio.Ja, maar met leedbetuiging.En waarom?Julia(ter zijde).Dat zulk een ezel die bezit.Proteus.Dat gij niet zelf er woont, maar die verpacht.Julia.Daar komt de hertog.(De Hertog komt op.)Hertog.Hoe is ’t, heer Proteus? en hoe gaat het, Thurio?Wie uwer zag sinds kort heer Eglamour?Thurio.Ik niet.Proteus.Ik niet.Noch ik.Hertog.Ik niet. Noch ik.En mijne dochter?Proteus.Ik niet. Noch ik. En mijne dochter?Ook niet.Hertog.Nu, dan,Dan vlood zij tot dien kinkel Valentijn,En dan is Eglamour haar metgezel.Ja, broeder Laurens heeft hen saam ontmoet,Toen hij door ’t woud ging en gebeden las;Hem kende hij, en dacht dat zij het was,Doch, daar ze een masker droeg, was hij niet zeker;Ook gaf zij voor, in Patricks cel deze’ avondTer biecht te willen gaan, maar was er niet.Dit alles saam bevestigt hare vlucht.Stijgt daarom, bid ik, zonder overwegen,Terstond te paard, en vindt mij aan den voetDes bergs, waar langs zijn helling zich de wegNaar Mantua wendt, want daarheen vloden zij.Maakt, beste heeren, spoed, en volgt mij ras.(De Hertog af.)Thurio.Dat noem ik toch een dwaze deerne, die’t Geluk ontvliedt, wanneer het haar vervolgt.Ik volg, veel meer op Eglamour gebeten,Dan op de dolle Silvia nog verliefd.(Thurioaf.)Proteus.Ik volg, veel meer op Silvia steeds verliefd,Dan op haar helper Eglamour verbitterd.(Proteusaf.)Julia. En ik volg mee, en ik bestrijd die liefde;Maar Silvia haat ik niet, zij vlood uit liefde.(Juliaaf.)Derde Tooneel.Het woud tusschenMilaanenMantua.Bandieten komen op, metSilvia.Eerste Bandiet.Kom, kom;Bedaard! wij brengen u tot onzen hoofdman.Silvia.Mij leerden duizend andere ongevallenOok dit nu met gelatenheid te dragen.Tweede Bandiet.Komt, brengt haar weg.Eerste Bandiet.Waar is die edelman, die bij haar was?Derde Bandiet.Hij was zoo vlug ter been, dat hij ontsnapte;Doch Mozes en Valerius volgen hem.Breng gij haar tot den hoofdman, aan den westzoomVan ’t woud; laat ons den vlucht’ling achtervolgen;Het bosch is afgezet; hij kan niet weg.Eerste Bandiet.Kom, naar de grot des hoofdmans breng ik u.Vrees niets; grootmoedig is hij; en geen vrouw,Die hij ooit smaad of schande lijden deed.Silvia.O Valentijn, om u draag ik dit leed.(Allen af.)Vierde Tooneel.Een ander gedeelte van ’t woud.Valentijnkomt op.Valentijn.Wat maakt gewoonte ras den mensch iets eigen!Deez’ donkere eenzaamheid, dit stille woud,Behaagt mij meer dan rijke woel’ge steden.Hier kan ik eenzaam zitten, ongezien,Om aan het klagend lied des nachtegaalsMijn jammertonen en mijn wee te huwen.O gij, wier woning in mijn boezem is,Laat uwe huizing niet zoo lang verlaten,Dat ze in verval raak en tot puinhoop wordt,Zoodat geen spoor meer blijft van wat zij was.O schenk mij, Silvia, door uw bijzijn kracht!Gij, zoete nimf, troost uw verlaten herder!—Doch wat gedruisch, wat kreten zijn dat heden?Mijn makkers, die hun wil als wet beschouwen,Zijn wis een armen zwerver op het spoor,Ik word van hen bemind; toch valt het zwaar,Altijd hun lust tot ruw geweld te teug’len.Verberg u, Valentijn; wie kan daar zijn?(Hij wijkt ter zijde.)(Proteus,SilviaenJuliakomen op.)Proteus.Mejonkvrouw, ik bewees u dezen dienst,—19Schoon alles, wat uw dienaar doet, u niets is;—Ik waagde ’t leven en ontrukte u hemDie eer en liefde u zou ontwrongen hebben.Gun mij als loon een enk’len teed’ren blik;Om kleiner gunst kan ik u toch niet smeeken,En minder nog dan dit kunt gij niet geven.Valentijn(ter zijde).Is dit een droom, wat ik daar zie en hoor?Leen, Liefde, mij ’t geduld om kalm te blijven.Silvia.Ellendige en onzaal’ge, die ik ben!Proteus.Ellendig waart gij, jonkvrouw, eer ik kwam;Doch door mijn komst heb ik u heil gebracht.Silvia.Eerst ùw nabijheid maakt mij recht ellendig.Julia(ter zijde).En mij, wanneer hij u nabij wil zijn.Silvia.Had mij een uitgevaste leeuw gegrepen,’k Had liever ’t ondier tot ontbijt gestrekt,Dan dat de valsche Proteus mij bevrijdde.Tuig, Hemel, hoe ik Valentijn bemin,Wiens leven ik zou koest’ren als mijn ziele;En evenzoo,—daar meer onmooglijk is,—Haat ik den valschen, eedvergeten Proteus.Daarom, ga heen; houd niet meer bij mij aan.Proteus.Wat waagstuk zou ik, hoe de dood ook dreigde,Niet voor een enk’len zachten blik bestaan!O oude vloek der liefde, dat den manDe vrouw, die hij bemint, niet minnen kan!Silvia.Dat Proteus, die hem mint, niet minnen kan!Doorlees van Julia ’t hart, uw eerstbeminde;Om haar hebt gij uw trouw in duizend stukken,Die ge eeden noemt, verdeeld; en elken eedVerkeert ge in meineed en zweert dien aan mij.U rest geen trouw, of wel, gij hebt twee trouwen,Wat erger is dan geen; veel beter geen,Dan trouw in ’t meervoud; altijd één te veel.Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!Proteus.Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!Wie kent,Waar ’t liefde geldt, een vriend?Silvia.Waar ’t liefde geldt, een vriend?Slechts Proteus niet.Proteus.Nu, zoo der overreding zachte geestU niet tot zachtheid stemmen kan, zoo wil ikOp krijgsmanswijs u met mijn arm veroov’ren,U tegen liefdes innigst wezen minnen,U dwingen,—59Silvia.U dwingen,Hemel!Proteus.U dwingen, Hemel!Dwingen, mijn te zijn.Valentijn(vooruittredend).Ellend’ling, weg van haar die ruwe hand!Gij vriend van boos gehalte!Proteus.Gij vriend van boos gehalte!Valentijn!Valentijn.Gij lage vriend, gij zonder trouw of liefde,—Ja, zoo is nu een vriend,—gij aartsverrader!Gij hebt mijn hoop bedrogen; slechts mijn oogKon me overtuigen. Nooit meer kan ik zeggen:“Ik heb een vriend”; gij zoudt mij logenstraffen.Wie is betrouwbaar, als de rechterhandMeineedig wordt aan ’t harte? Proteus,Mij grieft, dat ik u nooit meer mag vertrouwen,Doch heel de wereld vreemd’ling mij moet zijn.O diepe zielswond! diepstvervloekte tijd,Dat gij, een vriend, mijn ergste vijand zijt!Proteus.Vernietigd ben ik door mijn schande en schuld.—Vergeef mij, Valentijn! Zoo diep berouwAls losgeld voor zoo zware schuld volstaat,Dan bied ik ’t hier; voorwaar mijn smart is groot,Zoo groot als mijn vergrijp.Valentijn.Zoo groot als mijn vergrijp.Ik ben voldaan;En reken u op nieuw een eerlijk man.Wien boete niet verzoent, behoort ten hemelNoch aarde; beide kan berouw verteed’ren,En de Eeuw’ge heft hen op, die zich verneed’ren.En, dat ik u weer vriend acht, blijke u nu:Al wat in Silvia mijn was, schenk ik u.Julia.O, ik onzaal’ge!(Zij zijgt neder.)Proteus.O, ik onzaal’ge!Zie, wat schort mijn knaap?Valentijn.Wat, knaap! hé schelmpje! wat moet dit beteek’nen?Zie op, en spreek!Julia.Zie op, en spreek!O heer, mijn meester gaf mijEen ring, om jonkvrouw Silvia dien te brengen;En ik verzuimde ’t uit onachtzaamheid.Proteus.Waar is die ring, knaap?Julia.Waar is die ring, knaap?Hier, hier is hij, heer.(Zij geeft hem een ring.)Proteus.Geef, laat mij zien.Dat is de ring, dien ik aan Julia gaf.93Julia.O heer, vergeef mij; ’k gaf u den verkeerden;Hier is de ring, dien gij aan Silvia zondt.(Zij toont een anderen ring.)Proteus.Doch hoe kwaamt gij aan dezen ring?Ik gaf hem Julia bij het afscheidnemen.Julia.En Julia zelf heeft hem aan mij gegeven,En Julia zelf heeft hem hierheen gebracht.Proteus.Wat! Julia!Julia.Ja, zie haar hier, het doel van al uw eeden,Die ze alle diep in ’t harte heeft bewaard;Hoe vaak hebt gij het diep gekliefd door meineed!O Proteus, deze kleeding doe u blozen;Schaam gij u, dat ik in onvoegzaam kleedMij hullen moest, indien ten minste schaamteBij valsche liefde woont!Bloost Zedigheid, verzaakt de vrouw haar kleed,Het grieft haar meer, verzaakt de man zijn eed.Proteus.De man zijn eed! ’t is waar; o was de manSteeds trouw, hij waar’ volmaakt; die eene feilWekt tal van zonden, maakt hem ziende blind;Ontrouw valt af, eer ’t minnen recht begint.Wat schoon siert Silvia, dat mijn oog thans niet,Weer trouw, veel schooner nog in Julia ziet?Valentijn.Komt, elk van u reik’ mij de hand!Gun mij ’t geluk, dat ik den heilvreê sluit;De haat van zulk een vriendenpaar hebbe uit.Proteus.Tuig, Hemel, ’k ben aan ’t einddoel mijner wenschen!Julia.En ik der mijne!(Bandieten komen op, met den Hertog enThurio.)Bandieten.Een vangst, een vangst! een vangst!Valentijn.Laat af! laat af! De hertog is ’t, de vorst!—Sta uw genade een man in ongenadeEen welkomst toe, den balling Valentijn.Hertog.Wat, Valentijn!Thurio.Wat, Valentijn!Mijn Silvia daar! de mijne!Valentijn.Thurio, terug, of gij omarmt den dood.Blijf buiten het bereik van mijnen toorn.Noem Silvia de uwe niet, want, zoo gij ’t waagt,Geheel Milaan beschermt u niet. Hier staat zij;Nu, waag het, roer haar met een vinger aan,Mijn liefste met een enk’len ademtocht!Thurio.Heer Valentijn, zij is mij onverschillig.Ik reken hem een dwaas, die voor een meisje,Dat hem verwerpt, zijn leven wagen wil;Ik maak geen aanspraak op haar; zij is u.Hertog.Des te nietswaardiger en laag zijt gij,Eerst zoo naar haar te staan, als gij het deedt,En dan op zulk een wijs haar op te geven.Voorwaar, bij de eere van mijn voorgeslacht,Ik juich uw moed toe, Valentijn, en rekenDe liefde u waardig van een keizerin.Daarom, al wat mij griefde zij vergeten;Mijn wrok vervloog; ik roep u weer terug.Uw onbetwistb’re waarde geeft u aanspraakOp nieuwen rang; dies zeg ik: Valentijn,Gij zijt een edelman van besten bloede;Neem gij uw Silvia, want gij zijt haar waard.Valentijn.Ik dank u, vorst, uw gift maakt mij gelukkig.Ik bid u thans, ter wille van uw dochter,Verleen mij ééne gunst, die ik u vraag.Hertog.’k Verleen u, wat ge ook wenscht, om uwentwil.Valentijn.Die mannen hier, met wie ik heb geleefd,Zijn ballingen van stand en van bekwaamheid.Vergeef hun, wat zij hier misdreven hebben,En roep hen uit hun ballingschap terug.Zij zijn verbeterd, welgezind, beschaafd,Voor hooge posten bruikbaar, edel vorst.Hertog.Gij wint uw pleit, als u vergeef ik hun;Geef hun een werkkring zooals gij hen kent.Doch gaan wij; ied’re wanklank zij verdoofdDoor blij gejuich en ongekende feesten.Valentijn.En onderweg beproeve mijn verhaalBij uw genade een glimlach uit te lokken.Wat dunkt u van deze’ edelknaap, mijn vorst?Hertog.De knaap is recht bevallig; zie, hij bloost.Valentijn.Ik zeg u, heer, bevallig eer, dan knaap.Hertog.Wat wilt gij daarmee zeggen?Valentijn.Behaagt het u, dan deel ik onder ’t gaanU zaken mee, die u verbazen zullen.—Kom, Proteus, dit moog’ heel uw boete zijn,De onthulling van uw liefdes aan te hooren;Dan moet mijn huwlijksdag ook de uwe zijn;Één feest, één huis, één onderling geluk.(Allen af.)Aanteekeningen.Van dit stuk is geen oudere druk bekend dan die in de Folio-uitgave van 1623 te vinden is; dat het reeds vóór 1598 was opgevoerd, blijkt uit de vermelding er van doorFrancis Meresin zijnPalladis Tamia(zie boven blz. 47 en 120). Maar ongetwijfeld is het stuk eenige jaren ouder. Let men op den ganschen bouw er van, op den versbouw, het veelvuldig voorkomen van het rijm en van knuppelverzen, op de woordspelingen, op de wijze waarop de twee dienaren als Clowns optreden, op de overeenstemming met gedachten, in “Venus en Adonis” en in Sonnetten uitgedrukt, dan wordt men hiervan ten stelligste overtuigd. Het vermoeden, dat het stuk van 1591 dagteekent, komt zeker der waarheid zeer nabij. Of het ouder of jonger is dan “de Klucht der vergissingen” en “Veel gemin, geen gewin” is ondertusschen niet wel uit te maken.Voor zoover wij kunnen oordeelen, heeft Shakespeare het plan voor dit stuk geheel zelf ontworpen en niet aan een novelle of iets dergelijks ontleend, al moge dit met enkele bijzonderheden wel het geval zijn. De geschiedenis van Proteus en Julia vertoont namelijk in enkele punten vrij groote overeenkomst met die van Don Felix en Felismena in den herdersromanLa Diana, van den Spaanschen dichter Jorge de Montemayor1, een werk, dat in 1598 in het Engelsch verscheen en veel opgang maakte, maar vele jaren vroeger vertaald en als handschrift door velen gelezen was; reeds in 1584 schijnt uit dezen roman een blijspel,The history of Felix and Philiomena, getrokken en ten hove opgevoerd te zijn.—Wie juist weten wil, wat Shakespeare aan dezen roman ontleend kan hebben, vindt de hiertoe noodige uittreksels in Delius’ Shakespeare-uitgave.Bij de poging om dit stuk te beoordeelen, stuit men op groote moeilijkheden, zooals wel uit het zeer verschillend oordeel van uitgevers en critici blijken kan, waaromtrent men Knight in zijn Imperial edition van Shakespeare moge naslaan. Terwijl men, het geheele stuk door, den dichter aan zijn zeggingskracht, zijn versbouw, zijn rijkdom van gedachten, zijn wijze om de personen te karakteriseeren herkent, treft men in het beloop van het stuk zooveel tegenstrijdigheden aan, dat men tot het besluit moet komen, een verminkt en door onbevoegde hand gewijzigd stuk van Shakespeare voor zich te hebben. Men oordeele. Valentijn en Proteus worden naar het hof des keizers gezonden, maar komen bij een naamloozen hertog te Milaan aan; van een schoonen ridder Eglamour wordt in Verona verteld, dat hij naar Julia’s hand dingt, en in Milaan wordt van Eglamour getuigd, dat hij, om de nagedachtenis zijner gestorven geliefde in eere te houden, de gelofte van eeuwige kuischheid heeft afgelegd; hij wordt door Silvia gekenschetst als ridder zonder smet of blaam en door haar als beschermer gekozen op haar reis, maar weet, door roovers overvallen, verbazend snel beenen te maken; Julia heeft in het eerste bedrijf een vader, maar geeft, als zij haar tocht gaat ondernemen, het beheer van haar vermogen, landerijen enz. aan haar kamerjuffer en vertrouwde over; als Proteus een poos met Silvia gekeuveld heeft, zegt hij: “Ik heb nog alleen hare beeltenis gezien”; Julia geeft aan Silvia eerst een verkeerden brief en daarna den rechten, maar van den eersten hoort men niets meer; Silvia ontmoet volgens afspraak den ridder Eglamour bij de cel van broeder Patricius, en toch zegt later haar vader, dat zij er niet geweest is; Valentijn zucht in het bosch om Silvia, ontrukt haar aan de handen van zijn trouweloozen vriend Proteus, die door Silvia verafschuwd wordt, maar staat, zoodra Proteus schuld belijdt en berouw toont, hem zijn Silvia oogenblikkelijk af, en deze heeft niets hiertegen te zeggen.Bij nauwkeurige beschouwing vindt men enkele bijzonderheden, die ons vermoeden, dat het stuk gewijzigd is geworden, zeer versterken. Waarschijnlijk kwamen Valentijn en Proteus wel aan ’s keizers hof aan, en is de keizer tot hertog gedegradeerd; want tot tweemaal toe zegt de hertog, eerst van Proteus, daarna van Valentijn, dat zij de liefde eenerkeizerinwaardig zijn; van den laatste, dat hij in den raad eenskeizersop zijn plaats zou wezen; de omgang van Valentijn met Silvia getuigt van een zeer groot verschil in stand; daarmede strookt de hoogheid van de verwijten des hertogs aan Valentijn, die van hetkoninklijkhof verbannen wordt; de omgang van Valentijn met Silvia was ongetwijfeld door den keizer argeloos toegelaten, omdat het verschil in rang zeer groot was.—Dat de keizer tot een hertog wordt, die de wenschen van een minnaar als Thurio begunstigt, is zeker aan een lateren bewerker te danken.—In het oorspronkelijk stuk was Silvia’s portret zeker van meer beteekenis en werd door Proteus gezien en bewonderd, vóór hij haar zelf zag. Eglamour was waarschijnlijk ook een ander persoon; misschien had Valentijn de reis van Silvia met Eglamour en beider vertrouwelijken omgang verkeerd opgevat en zijn geliefde voor trouweloos gehouden, zoodat hij daarom bereid is, haar aan Proteus af te staan.—Julia zal waarschijnlijk een brief van Proteus, die aan haarzelf gericht was, aan Silvia overhandigd hebben en zich daardoor aan deze bekend gemaakt.—Wat er van dit alles zij, zooveel kan uit het bovenstaande blijken, dat het stuk, ons door de Folio-uitgave van 1623 bewaard gebleven, vermoedelijk aanmerkelijk afwijkt van wat de dichter geschreven heeft; de leemten, die wij er in opmerken, kunnen niet wel aan een plan- of gedachteloosheid des dichters zijn toe te schrijven. Het is dus hoogstwaarschijnlijk, dat het oorspronkelijk stuk door een omwerker is gewijzigd; misschien was het verminkt geraakt of verloren gegaan, en heeft een onbevoegde hand het met behulp van gedeeltelijke handschriften of uitgeschreven rollen weder trachten samen te stellen.I. 1. 2.Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen.Die niet verder ziet dan de muren van zijn huis. In ’t Engelsch:Homekeeping youth have ever homely wits.I. 1. 17.Want ik wil voor u bidden, Valentijn.For I will be thy beadsman, Valentine.Een man die aangesteld is om gebeden voor iemand te doen.I. 1. 27.Wat, laarzen?enz. In ’t Engelsch is hier een drievoudige woordspeling metboots, laarzen,to give the boots, belachelijk maken, ento boot, baten, bevoordeelen.—De Spaansche laarzen, hier genoemd, zijn het bekende foltertuig.I. 1. 53.Want aan de haven wachtenz. In ’t Engelsch staatat the road, aan de reede; men zou dus zeggen, dat Verona hier als een zeestad beschouwd moet worden. Er zijn bewijzengenoeg, dat Shakespeare met de geographie van Italië zeer goed vertrouwd was; men behoeft hem volstrekt niet van onwetendheid te verdenken. De toeschouwers waren Londenaars; bij grootere reizen naar een anderen staat moesten waterwegen gevolgd worden; de dichter maakt er voor zijn personen daarom ook gebruik van en stelt hiermede de reis zijn toeschouwers aanschouwelijk voor oogen; al ontleent hij de namen van personen en plaatsen aan Italië, Engelsche toestanden staan hem voor den geest; hier geeft hem een oogenblik later het nagenoeg eveneens klinken vanshipensheep(schip en schaap) aanleiding tot een woordspeling; later wil Lans (II. 3. 58.) het stroombed met tranen vullen, waarbij den toeschouwers de Theems voor den geest kwam; bij struikroovers dachten deze terstond aan de bekende roovers van Sherwoodforest, bij wie broeder Tuck kapelaan was; daarom laat de dichter (IV. 1. 36.) Italiaansche roovers bij de geschoren kruin van dien pater zweren. Zulk een dichterlijke vrijheid, die de voorgestelde zaken recht aanschouwelijk maakte, veroorloofden zich in de middeleeuwen de dichters algemeen, en dit gebruik was tot den tijd van Shakespeare in zwang gebleven. Aan onwetendheid des dichters behoeft men niet te denken.I. 1. 101.Ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, een verkoren schaap.In ’t Engelsch:I, a lost mutton, gave your letter to her, a laced mutton.Een woordspeling metlostenlaced, waarbij men bedenke, dat in Sh.’s tijd deainlacednog niet met den e-klank werd uitgesproken, zoodat de overeenkomst vanlostenlacedtoen grooter was dan thans.Lacedbeteekent eigenlijk gevangen of vastgehouden, daar het substantieflaceofstrik(in ’t Latijnlaqueus) of ook eennetbeteekent, zoodatlacedeen goede tegenstelling metlostvormt. Men denke dus niet aan een met kanten behangen jonkvrouw en veel minder geve menlaced muttonde beteekenis van “licht vrouwspersoon”,—want al is Flink, die woedend is, dat hij geen fooi ontvangen heeft, brutaal genoeg om zich zulk een uitdrukking ten opzichte van de geliefde zijns meesters te veroorloven, zijn heer zou toch zeker zulk een gezegde niet zoo kalm aanhooren.I. 1. 110.U te schutten, enz. Dit geheele gesprek van Proteus met zijn dienaar is vol woordspelingen. Hij gebruikt hier het woordpoundin de beteekenis van in de schutskooi steken, zooals men verdwaald vee doet. Flink vat het op als een pond sterling en splitst daarna het woordpinfold, schaapskooi, inpin, een speld, een waardeloos ding, enfold. Daarop volgt weer de samenvoeging vannod, knikken, met het voornaamwoordI, ik, of het bevestigendeay, ja, totnoddy, onnoozele bloed.—In het origineel voegde Theobald achter het zeggen:But what said she?als waarschijnlijk uitgevallen, de woorden:Did she nod?welke op blz. 160 ook in de vertaling zijn opgenomen; zoo kon het onvertaalbarenoddydoor een andere woordspeling vervangen worden.I. 1. 152.De grootte uwer mildheidenz. Hier heeft het Engelsch een woordspeling mettestify, betuigen, entestern, met eentester,—een geldstukje van een halven shilling waarde, waar een kop,testa,tête, op gestempeld was,—begiftigen, een woord van Sh.’s maaksel.I. 1. 156.Gij zijt de veiligheid van ’t schip.Op het zeggen, dat wie voor de galg bestemd is, niet verdrinkt, zinspeelt Sh. ook in den “Storm”, I. 1. 30.I. 2. 55.Meisjes zeggen zedig neen.Een Engelsch spreekwoord zegt:Maids say nay, and take it, “meisjes zeggen neen en tasten toe”.I. 2. 83.Luchte liefde.Een lied, “Light o’ love” beginnend, waarop gedanst werd; zooals men toen gewoon was te doen; dezelfde wijs wordt genoemd in “Veel leven om niets”, III. 4. 44, waar gezegd wordt: “zing gij het, dan zal ik dansen”.—In het volgende worden allerlei uitdrukkingen, voor muziek gebruikelijk, tevens in een anderen zin opgevat; zoo beteekentburdenzoowel “refrein” als “last”,base“basstem” en tevens een op het land gebruikelijk krijgertjesspel, ookprison baseofprison barsgeheeten, waarbijto bid the base, het uittarten is van den speler, dat hij niet gekregen kan worden; men zie “Venus en Adonis” reg. 303 en “Cymbeline” V 3. 19.I. 2. 114.Mijn boezem zij uw bed.De dames hadden voor aan haar keurs een zakje voor het bergen van brieven; meermalen wordt hierop gezinspeeld, men zie bijv. in dit stuk III. 1. 144 en 250.I. 2. 137.Dat gij ze diep vereert.Er staat:you have a month mind to them, gij zijt er zeer belust op, zooals een vrouw soms heftige, voorbijgaandeverlangensheeft.II. 1. 2.Die hoort mij niet.In ’t Engelsch is een woordspeling metonenone, wat toen tamelijk gelijk werd uitgesproken.II. 1. 26.Als een bedelaar op Allerheiligen.Op Allerheiligen liepen bedelaars, zacht zingende, de huizen af en ontvingen dan zielekoeken,soulcakes, als het loon hunner gebeden voor de dooden.—Voor hetstappen als een leeuwstaat in ’t oorspronkelijke: “als een der leeuwen”, waardoor de dichter zijn gehoor de leeuwen van den Tower voor den geest bracht.II. 1. 79.Zijn hoosbanden.Het vergeten der hoosbanden wordt door Shakespeare meermalen als een teeken van verliefdheid aangehaald, zie “Elk wat wils” (As you like it), III. 2. 397; men vergelijke ook “Hamlet” II. 1. 80.—Flink overdrijft nu nog, en zegt, dat Valentijn zelfs vergat zijn hozen aan te trekken.II. 1. 106.Heer Valentijn, mijn dienaar.In Sh.’s tijd werden de vereerders of minnaars eener schoone of gebiedster,MadamofMistress, vaakservantgenoemd, wat dus nagenoeg hetzelfde beteekent alslover.II. 3. 4.De verloopen zoon.In ’t Engelsch zegt Lansprodigiousvoorprodigalenimperialsvooremperor’sofimperial.—De naam van den hond,Crab, beteekent wilde appel.II. 3. 39.Het tij verloopt.Het Engelsch heeft hier een woordspeling mettide, “getij” entied, de vastgebondene (de hond).II. 4. 152.Een macht, een overheid.Van een hoogen rang in de engelenschaar; zie Paulus’ Brief aan de Romeinen, VIII. 38.II. 4. 192.Gelijk een gloed een and’ren gloed verdringt.Men vindt dezelfde beelden in “Coriolanus”, IV. 7. 54.II. 4. 196.Is ’t nu mijn oog.Het Engelsch is hier onvolledig;Is it mine orenz. Het is waarschijnlijker dat hier gelezen moet worden met Warburton:Is it mine eye orenz. dan, met Malone,Is it her mien orenz.II. 4. 201.Zooals een wassen beeld bij ’t vuur.Men vergelijke “Koning Jan” V. 4. 24. Er wordt gedacht aan wassen beelden, die door toovenaars bij het vuur werden gehouden, om door smelten van het beeld de persoon, die er door werd voorgesteld, te doen wegkwijnen.II. 5. 1.Welkom in Milaan.In den tekst der folio-uitgave staat Padua, zooals inIII. 1. 81enV. 4. 129. Verona voor Milaan. Het is mogelijk, dat Shakespeare zelf zoo geschreven heeft, voor hij vast bepaald had, waar hij het stuk zou laten spelen, maar ’t kan ook aan een omwerker liggen.II. 5. 61.Dat gij een Christenmensch een glas bier gunt.In ’t Engelsch:As to go to the ale with a Christian.“Ale” beteekentbier, maar ook een christelijk volksfeest, waarop, vóór de hervorming, het door de geestelijken gebrouwen bier verkocht werd, aan het volk op het kerkhof, aan de aanzienlijken in de kerk zelf; de opbrengst was voor het onderhoud der kerken bestemd. Naar de plaats en het jaargetijde droeg het bier verschillende namen:Lamb-ale,Bride-ale,Church-ale,Whitesun-ale.—Als Flink met Lans niet naar eenAle, naar zulk een kerkelijk feest, wil gaan, is hij geen christenmensch.II. 7. 53.Met een klep.In ’t Engelsch staat:with a codpiece, wat aldus verklaard kan worden: “a part of the male dress, very indelicately conspicuous in the poet’s time”. Het werd nog al sterk opgevuld, zoodat het wel als een speldenkussen dienst kon doen, waarom er ook in andere comedies van dien tijd de draak mee gestoken wordt. Men bezigde dit deel ook wel als zak om de beurs in te bergen, zie “Winteravondsprookje”, IV. 4. 623.III. 1. 81.Hier in deze stad.In den tekst staat:in Verona here.III. 1. 153.Gij Phaëton, gij and’re Merops-zoon.De vertaling is hier niet letterlijk; er staat eigenlijk: “Wat! Phaëton,—want gij zijt Merops’ zoon”.—Phaëton was de zoon van Helios, den Zonnegod, en van Clymene, die met den koning Merops, in Aethiopië, gehuwd was; deze was dus Phaëton’s aardsche vader te noemen. De tusschenzinwantenz. kan eenvoudig beteekenen: “want gijzijtinderdaad een Phaëton”, en dan is de vertaling op blz. 175 zeer juist. Wil men er uit lezen: “want gij zijt een zoon van Merops, niet van den zonnegod, maar van een mensch, dus van een lage afkomst”,—dan moet de hier gegeven, meer letterlijke vertaling gevolgd worden; deze verklaring komt mij echter vrij gezocht voor en het “want”,for, past er slecht bij; de eerste schijnt mij de ware te zijn.III. 1. 263.Dubbele schurk.In meer dan één opzicht een schurk.III. 1. 300.Toon door Sint Nikolaas u flink.Sint Nikolaas was de beschermheilige der scholieren en moest daarom Flink in ’t lezen bijstaan. De legende verhaalt, dat hij reeds als knaap bisschop werd.III. 1. 307.Zij kan naaien.In ’t Engelsch:she can sew, waarvoor in de folio-uitgavesowegeschreven wordt, zoodat de volgende vraagcan she sohet woord herhaalt. Hier moest de vertaler zich anders helpen; evenzoo bij het volgende, waar het woordstockeerst in de beteekenis van “kapitaal”, “geld”, daarna in die van “sok”, wordt opgevat.IV. 1. 36.Bij Robin Hood’senz. De bandiet zweert bij de kale kruin van broeder Tuck, den priester en biechtvader van den gevierden roover en wilddief Robin Hood, van Sherwoodforest, die aan iederen Engelschman bekend was en die ook in Scott’s Ivanhoe voorkomt. Zie boven blz.190.IV. 2. 76.Dat de kerfstok vol is.Dat het niet meer te berekenen is.IV. 4. 39.Toen ik van jonkvrouw Silvia afscheid nam.Steevens achtte het beter hier Julia te lezen in plaats van Silvia. Het schijnt inderdaad, dat Lans aan een vroeger afscheid dacht.IV. 4. 60.Door de knapen van den hondenslager.Er staat eigenlijk “door de knapen van den beul”, “the hangman’s boys”. Sommigen verkiezenthe hangman boys, waarbijhangmanals adjectief beschouwd wordt, zoodat het beteekenen zou: de ellendige, schurkachtige jongens, de galgenbrokken.V. 4. 129.Geheel Milaan beschermt u niet.In ’t Engelsch staat:Verona shall not hold thee.Zie boven deaanteekeningopII. 5. 1.1Bij de verbranding van de boeken van Don Quichotte wordt deze roman gevonden, maar blijft, op aanraden van den geestelijke, gespaard.
Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Milaan.Een klooster.Eglamourkomt op.Eglamour.De zon verguldt den westerhemel reeds,En ’t is omstreeks dit uur, dat Silvia mijBij broeder Patrick’s cel ontmoeten zou.Zij blijft niet uit; verliefden houden woord,Alleenlijk plegen zij te vroeg te komen;Zoo zeer drijft ongeduld hen aan tot spoed.(Silviakomt op.)Daar komt zij reeds.—Mejonkvrouw, goeden avond!Silvia.Dank, amen, amen! Thans, vriend Eglamour,Terstond door de achterpoort van ’t klooster voort;Bespieders, ducht ik, gaan mijn gangen na.Eglamour.Ducht niets; wij spoeden ons naar ’t woud, en daar,Geen drie mijl ver, bedreigt ons geen gevaar.(Beiden af.)Tweede Tooneel.Aldaar.Een kamer in ’s Hertogs paleis.Thurio,ProteusenJuliakomen op.Thurio.Heer, wat zegt Silvia van mijn aanzoek thans?Proteus.Ik vond haar zachter, heer, dan vroeger, maarZij vindt aan uw persoon vrij wat te gispen.Thurio.Wat? dat mijn been te lang is?Proteus.Wat? dat mijn been te lang is?Neen, te dun.Thurio.Dan draag ik laarzen, die het ronder maken.Julia(ter zijde).Tot wat zij haat, laat liefde zich niet sporen.Thurio.Hoe vindt zij mijn gelaat?Proteus.Hoe vindt zij mijn gelaat?Als blank papier.Thurio.Dat liegt het schelmpje; mijn gelaat is zwart.10Proteus.Doch paar’len noemt men blank; en ’t zeggen is,Een zwart man is een paarl in ’t oog der schoonen.Julia(ter zijde).Ja, van die parels, die het oog verduistren,Die ’k niet wil zien, en waar ik ’t oog voor sluit.Thurio.En hoe bevalt haar mijn gesprek?Proteus.Slecht, als gij over oorlog spreekt.Thurio.Doch goed, als ik van liefde spreek en vrede?Julia(ter zijde).Nog beter, als gij haar met vrede laat.Thurio.Wat zegt zij van mijn moed?Proteus.O, heer, daarover is zij niet in twijfel.Julia(ter zijde).Waarom ook, als zij weet, hoe laf hij is.Thurio.Wat zegt zij van mijn afkomst?Proteus.Dat gij van hoogen rang zijt afgedaald.Julia(ter zijde).Van edelman tot zotskap, ja voorwaar.Thurio.En spreekt zij van mijn landerijen?Proteus.Ja, maar met leedbetuiging.Thurio.Ja, maar met leedbetuiging.En waarom?Julia(ter zijde).Dat zulk een ezel die bezit.Proteus.Dat gij niet zelf er woont, maar die verpacht.Julia.Daar komt de hertog.(De Hertog komt op.)Hertog.Hoe is ’t, heer Proteus? en hoe gaat het, Thurio?Wie uwer zag sinds kort heer Eglamour?Thurio.Ik niet.Proteus.Ik niet.Noch ik.Hertog.Ik niet. Noch ik.En mijne dochter?Proteus.Ik niet. Noch ik. En mijne dochter?Ook niet.Hertog.Nu, dan,Dan vlood zij tot dien kinkel Valentijn,En dan is Eglamour haar metgezel.Ja, broeder Laurens heeft hen saam ontmoet,Toen hij door ’t woud ging en gebeden las;Hem kende hij, en dacht dat zij het was,Doch, daar ze een masker droeg, was hij niet zeker;Ook gaf zij voor, in Patricks cel deze’ avondTer biecht te willen gaan, maar was er niet.Dit alles saam bevestigt hare vlucht.Stijgt daarom, bid ik, zonder overwegen,Terstond te paard, en vindt mij aan den voetDes bergs, waar langs zijn helling zich de wegNaar Mantua wendt, want daarheen vloden zij.Maakt, beste heeren, spoed, en volgt mij ras.(De Hertog af.)Thurio.Dat noem ik toch een dwaze deerne, die’t Geluk ontvliedt, wanneer het haar vervolgt.Ik volg, veel meer op Eglamour gebeten,Dan op de dolle Silvia nog verliefd.(Thurioaf.)Proteus.Ik volg, veel meer op Silvia steeds verliefd,Dan op haar helper Eglamour verbitterd.(Proteusaf.)Julia. En ik volg mee, en ik bestrijd die liefde;Maar Silvia haat ik niet, zij vlood uit liefde.(Juliaaf.)Derde Tooneel.Het woud tusschenMilaanenMantua.Bandieten komen op, metSilvia.Eerste Bandiet.Kom, kom;Bedaard! wij brengen u tot onzen hoofdman.Silvia.Mij leerden duizend andere ongevallenOok dit nu met gelatenheid te dragen.Tweede Bandiet.Komt, brengt haar weg.Eerste Bandiet.Waar is die edelman, die bij haar was?Derde Bandiet.Hij was zoo vlug ter been, dat hij ontsnapte;Doch Mozes en Valerius volgen hem.Breng gij haar tot den hoofdman, aan den westzoomVan ’t woud; laat ons den vlucht’ling achtervolgen;Het bosch is afgezet; hij kan niet weg.Eerste Bandiet.Kom, naar de grot des hoofdmans breng ik u.Vrees niets; grootmoedig is hij; en geen vrouw,Die hij ooit smaad of schande lijden deed.Silvia.O Valentijn, om u draag ik dit leed.(Allen af.)Vierde Tooneel.Een ander gedeelte van ’t woud.Valentijnkomt op.Valentijn.Wat maakt gewoonte ras den mensch iets eigen!Deez’ donkere eenzaamheid, dit stille woud,Behaagt mij meer dan rijke woel’ge steden.Hier kan ik eenzaam zitten, ongezien,Om aan het klagend lied des nachtegaalsMijn jammertonen en mijn wee te huwen.O gij, wier woning in mijn boezem is,Laat uwe huizing niet zoo lang verlaten,Dat ze in verval raak en tot puinhoop wordt,Zoodat geen spoor meer blijft van wat zij was.O schenk mij, Silvia, door uw bijzijn kracht!Gij, zoete nimf, troost uw verlaten herder!—Doch wat gedruisch, wat kreten zijn dat heden?Mijn makkers, die hun wil als wet beschouwen,Zijn wis een armen zwerver op het spoor,Ik word van hen bemind; toch valt het zwaar,Altijd hun lust tot ruw geweld te teug’len.Verberg u, Valentijn; wie kan daar zijn?(Hij wijkt ter zijde.)(Proteus,SilviaenJuliakomen op.)Proteus.Mejonkvrouw, ik bewees u dezen dienst,—19Schoon alles, wat uw dienaar doet, u niets is;—Ik waagde ’t leven en ontrukte u hemDie eer en liefde u zou ontwrongen hebben.Gun mij als loon een enk’len teed’ren blik;Om kleiner gunst kan ik u toch niet smeeken,En minder nog dan dit kunt gij niet geven.Valentijn(ter zijde).Is dit een droom, wat ik daar zie en hoor?Leen, Liefde, mij ’t geduld om kalm te blijven.Silvia.Ellendige en onzaal’ge, die ik ben!Proteus.Ellendig waart gij, jonkvrouw, eer ik kwam;Doch door mijn komst heb ik u heil gebracht.Silvia.Eerst ùw nabijheid maakt mij recht ellendig.Julia(ter zijde).En mij, wanneer hij u nabij wil zijn.Silvia.Had mij een uitgevaste leeuw gegrepen,’k Had liever ’t ondier tot ontbijt gestrekt,Dan dat de valsche Proteus mij bevrijdde.Tuig, Hemel, hoe ik Valentijn bemin,Wiens leven ik zou koest’ren als mijn ziele;En evenzoo,—daar meer onmooglijk is,—Haat ik den valschen, eedvergeten Proteus.Daarom, ga heen; houd niet meer bij mij aan.Proteus.Wat waagstuk zou ik, hoe de dood ook dreigde,Niet voor een enk’len zachten blik bestaan!O oude vloek der liefde, dat den manDe vrouw, die hij bemint, niet minnen kan!Silvia.Dat Proteus, die hem mint, niet minnen kan!Doorlees van Julia ’t hart, uw eerstbeminde;Om haar hebt gij uw trouw in duizend stukken,Die ge eeden noemt, verdeeld; en elken eedVerkeert ge in meineed en zweert dien aan mij.U rest geen trouw, of wel, gij hebt twee trouwen,Wat erger is dan geen; veel beter geen,Dan trouw in ’t meervoud; altijd één te veel.Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!Proteus.Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!Wie kent,Waar ’t liefde geldt, een vriend?Silvia.Waar ’t liefde geldt, een vriend?Slechts Proteus niet.Proteus.Nu, zoo der overreding zachte geestU niet tot zachtheid stemmen kan, zoo wil ikOp krijgsmanswijs u met mijn arm veroov’ren,U tegen liefdes innigst wezen minnen,U dwingen,—59Silvia.U dwingen,Hemel!Proteus.U dwingen, Hemel!Dwingen, mijn te zijn.Valentijn(vooruittredend).Ellend’ling, weg van haar die ruwe hand!Gij vriend van boos gehalte!Proteus.Gij vriend van boos gehalte!Valentijn!Valentijn.Gij lage vriend, gij zonder trouw of liefde,—Ja, zoo is nu een vriend,—gij aartsverrader!Gij hebt mijn hoop bedrogen; slechts mijn oogKon me overtuigen. Nooit meer kan ik zeggen:“Ik heb een vriend”; gij zoudt mij logenstraffen.Wie is betrouwbaar, als de rechterhandMeineedig wordt aan ’t harte? Proteus,Mij grieft, dat ik u nooit meer mag vertrouwen,Doch heel de wereld vreemd’ling mij moet zijn.O diepe zielswond! diepstvervloekte tijd,Dat gij, een vriend, mijn ergste vijand zijt!Proteus.Vernietigd ben ik door mijn schande en schuld.—Vergeef mij, Valentijn! Zoo diep berouwAls losgeld voor zoo zware schuld volstaat,Dan bied ik ’t hier; voorwaar mijn smart is groot,Zoo groot als mijn vergrijp.Valentijn.Zoo groot als mijn vergrijp.Ik ben voldaan;En reken u op nieuw een eerlijk man.Wien boete niet verzoent, behoort ten hemelNoch aarde; beide kan berouw verteed’ren,En de Eeuw’ge heft hen op, die zich verneed’ren.En, dat ik u weer vriend acht, blijke u nu:Al wat in Silvia mijn was, schenk ik u.Julia.O, ik onzaal’ge!(Zij zijgt neder.)Proteus.O, ik onzaal’ge!Zie, wat schort mijn knaap?Valentijn.Wat, knaap! hé schelmpje! wat moet dit beteek’nen?Zie op, en spreek!Julia.Zie op, en spreek!O heer, mijn meester gaf mijEen ring, om jonkvrouw Silvia dien te brengen;En ik verzuimde ’t uit onachtzaamheid.Proteus.Waar is die ring, knaap?Julia.Waar is die ring, knaap?Hier, hier is hij, heer.(Zij geeft hem een ring.)Proteus.Geef, laat mij zien.Dat is de ring, dien ik aan Julia gaf.93Julia.O heer, vergeef mij; ’k gaf u den verkeerden;Hier is de ring, dien gij aan Silvia zondt.(Zij toont een anderen ring.)Proteus.Doch hoe kwaamt gij aan dezen ring?Ik gaf hem Julia bij het afscheidnemen.Julia.En Julia zelf heeft hem aan mij gegeven,En Julia zelf heeft hem hierheen gebracht.Proteus.Wat! Julia!Julia.Ja, zie haar hier, het doel van al uw eeden,Die ze alle diep in ’t harte heeft bewaard;Hoe vaak hebt gij het diep gekliefd door meineed!O Proteus, deze kleeding doe u blozen;Schaam gij u, dat ik in onvoegzaam kleedMij hullen moest, indien ten minste schaamteBij valsche liefde woont!Bloost Zedigheid, verzaakt de vrouw haar kleed,Het grieft haar meer, verzaakt de man zijn eed.Proteus.De man zijn eed! ’t is waar; o was de manSteeds trouw, hij waar’ volmaakt; die eene feilWekt tal van zonden, maakt hem ziende blind;Ontrouw valt af, eer ’t minnen recht begint.Wat schoon siert Silvia, dat mijn oog thans niet,Weer trouw, veel schooner nog in Julia ziet?Valentijn.Komt, elk van u reik’ mij de hand!Gun mij ’t geluk, dat ik den heilvreê sluit;De haat van zulk een vriendenpaar hebbe uit.Proteus.Tuig, Hemel, ’k ben aan ’t einddoel mijner wenschen!Julia.En ik der mijne!(Bandieten komen op, met den Hertog enThurio.)Bandieten.Een vangst, een vangst! een vangst!Valentijn.Laat af! laat af! De hertog is ’t, de vorst!—Sta uw genade een man in ongenadeEen welkomst toe, den balling Valentijn.Hertog.Wat, Valentijn!Thurio.Wat, Valentijn!Mijn Silvia daar! de mijne!Valentijn.Thurio, terug, of gij omarmt den dood.Blijf buiten het bereik van mijnen toorn.Noem Silvia de uwe niet, want, zoo gij ’t waagt,Geheel Milaan beschermt u niet. Hier staat zij;Nu, waag het, roer haar met een vinger aan,Mijn liefste met een enk’len ademtocht!Thurio.Heer Valentijn, zij is mij onverschillig.Ik reken hem een dwaas, die voor een meisje,Dat hem verwerpt, zijn leven wagen wil;Ik maak geen aanspraak op haar; zij is u.Hertog.Des te nietswaardiger en laag zijt gij,Eerst zoo naar haar te staan, als gij het deedt,En dan op zulk een wijs haar op te geven.Voorwaar, bij de eere van mijn voorgeslacht,Ik juich uw moed toe, Valentijn, en rekenDe liefde u waardig van een keizerin.Daarom, al wat mij griefde zij vergeten;Mijn wrok vervloog; ik roep u weer terug.Uw onbetwistb’re waarde geeft u aanspraakOp nieuwen rang; dies zeg ik: Valentijn,Gij zijt een edelman van besten bloede;Neem gij uw Silvia, want gij zijt haar waard.Valentijn.Ik dank u, vorst, uw gift maakt mij gelukkig.Ik bid u thans, ter wille van uw dochter,Verleen mij ééne gunst, die ik u vraag.Hertog.’k Verleen u, wat ge ook wenscht, om uwentwil.Valentijn.Die mannen hier, met wie ik heb geleefd,Zijn ballingen van stand en van bekwaamheid.Vergeef hun, wat zij hier misdreven hebben,En roep hen uit hun ballingschap terug.Zij zijn verbeterd, welgezind, beschaafd,Voor hooge posten bruikbaar, edel vorst.Hertog.Gij wint uw pleit, als u vergeef ik hun;Geef hun een werkkring zooals gij hen kent.Doch gaan wij; ied’re wanklank zij verdoofdDoor blij gejuich en ongekende feesten.Valentijn.En onderweg beproeve mijn verhaalBij uw genade een glimlach uit te lokken.Wat dunkt u van deze’ edelknaap, mijn vorst?Hertog.De knaap is recht bevallig; zie, hij bloost.Valentijn.Ik zeg u, heer, bevallig eer, dan knaap.Hertog.Wat wilt gij daarmee zeggen?Valentijn.Behaagt het u, dan deel ik onder ’t gaanU zaken mee, die u verbazen zullen.—Kom, Proteus, dit moog’ heel uw boete zijn,De onthulling van uw liefdes aan te hooren;Dan moet mijn huwlijksdag ook de uwe zijn;Één feest, één huis, één onderling geluk.(Allen af.)Aanteekeningen.Van dit stuk is geen oudere druk bekend dan die in de Folio-uitgave van 1623 te vinden is; dat het reeds vóór 1598 was opgevoerd, blijkt uit de vermelding er van doorFrancis Meresin zijnPalladis Tamia(zie boven blz. 47 en 120). Maar ongetwijfeld is het stuk eenige jaren ouder. Let men op den ganschen bouw er van, op den versbouw, het veelvuldig voorkomen van het rijm en van knuppelverzen, op de woordspelingen, op de wijze waarop de twee dienaren als Clowns optreden, op de overeenstemming met gedachten, in “Venus en Adonis” en in Sonnetten uitgedrukt, dan wordt men hiervan ten stelligste overtuigd. Het vermoeden, dat het stuk van 1591 dagteekent, komt zeker der waarheid zeer nabij. Of het ouder of jonger is dan “de Klucht der vergissingen” en “Veel gemin, geen gewin” is ondertusschen niet wel uit te maken.Voor zoover wij kunnen oordeelen, heeft Shakespeare het plan voor dit stuk geheel zelf ontworpen en niet aan een novelle of iets dergelijks ontleend, al moge dit met enkele bijzonderheden wel het geval zijn. De geschiedenis van Proteus en Julia vertoont namelijk in enkele punten vrij groote overeenkomst met die van Don Felix en Felismena in den herdersromanLa Diana, van den Spaanschen dichter Jorge de Montemayor1, een werk, dat in 1598 in het Engelsch verscheen en veel opgang maakte, maar vele jaren vroeger vertaald en als handschrift door velen gelezen was; reeds in 1584 schijnt uit dezen roman een blijspel,The history of Felix and Philiomena, getrokken en ten hove opgevoerd te zijn.—Wie juist weten wil, wat Shakespeare aan dezen roman ontleend kan hebben, vindt de hiertoe noodige uittreksels in Delius’ Shakespeare-uitgave.Bij de poging om dit stuk te beoordeelen, stuit men op groote moeilijkheden, zooals wel uit het zeer verschillend oordeel van uitgevers en critici blijken kan, waaromtrent men Knight in zijn Imperial edition van Shakespeare moge naslaan. Terwijl men, het geheele stuk door, den dichter aan zijn zeggingskracht, zijn versbouw, zijn rijkdom van gedachten, zijn wijze om de personen te karakteriseeren herkent, treft men in het beloop van het stuk zooveel tegenstrijdigheden aan, dat men tot het besluit moet komen, een verminkt en door onbevoegde hand gewijzigd stuk van Shakespeare voor zich te hebben. Men oordeele. Valentijn en Proteus worden naar het hof des keizers gezonden, maar komen bij een naamloozen hertog te Milaan aan; van een schoonen ridder Eglamour wordt in Verona verteld, dat hij naar Julia’s hand dingt, en in Milaan wordt van Eglamour getuigd, dat hij, om de nagedachtenis zijner gestorven geliefde in eere te houden, de gelofte van eeuwige kuischheid heeft afgelegd; hij wordt door Silvia gekenschetst als ridder zonder smet of blaam en door haar als beschermer gekozen op haar reis, maar weet, door roovers overvallen, verbazend snel beenen te maken; Julia heeft in het eerste bedrijf een vader, maar geeft, als zij haar tocht gaat ondernemen, het beheer van haar vermogen, landerijen enz. aan haar kamerjuffer en vertrouwde over; als Proteus een poos met Silvia gekeuveld heeft, zegt hij: “Ik heb nog alleen hare beeltenis gezien”; Julia geeft aan Silvia eerst een verkeerden brief en daarna den rechten, maar van den eersten hoort men niets meer; Silvia ontmoet volgens afspraak den ridder Eglamour bij de cel van broeder Patricius, en toch zegt later haar vader, dat zij er niet geweest is; Valentijn zucht in het bosch om Silvia, ontrukt haar aan de handen van zijn trouweloozen vriend Proteus, die door Silvia verafschuwd wordt, maar staat, zoodra Proteus schuld belijdt en berouw toont, hem zijn Silvia oogenblikkelijk af, en deze heeft niets hiertegen te zeggen.Bij nauwkeurige beschouwing vindt men enkele bijzonderheden, die ons vermoeden, dat het stuk gewijzigd is geworden, zeer versterken. Waarschijnlijk kwamen Valentijn en Proteus wel aan ’s keizers hof aan, en is de keizer tot hertog gedegradeerd; want tot tweemaal toe zegt de hertog, eerst van Proteus, daarna van Valentijn, dat zij de liefde eenerkeizerinwaardig zijn; van den laatste, dat hij in den raad eenskeizersop zijn plaats zou wezen; de omgang van Valentijn met Silvia getuigt van een zeer groot verschil in stand; daarmede strookt de hoogheid van de verwijten des hertogs aan Valentijn, die van hetkoninklijkhof verbannen wordt; de omgang van Valentijn met Silvia was ongetwijfeld door den keizer argeloos toegelaten, omdat het verschil in rang zeer groot was.—Dat de keizer tot een hertog wordt, die de wenschen van een minnaar als Thurio begunstigt, is zeker aan een lateren bewerker te danken.—In het oorspronkelijk stuk was Silvia’s portret zeker van meer beteekenis en werd door Proteus gezien en bewonderd, vóór hij haar zelf zag. Eglamour was waarschijnlijk ook een ander persoon; misschien had Valentijn de reis van Silvia met Eglamour en beider vertrouwelijken omgang verkeerd opgevat en zijn geliefde voor trouweloos gehouden, zoodat hij daarom bereid is, haar aan Proteus af te staan.—Julia zal waarschijnlijk een brief van Proteus, die aan haarzelf gericht was, aan Silvia overhandigd hebben en zich daardoor aan deze bekend gemaakt.—Wat er van dit alles zij, zooveel kan uit het bovenstaande blijken, dat het stuk, ons door de Folio-uitgave van 1623 bewaard gebleven, vermoedelijk aanmerkelijk afwijkt van wat de dichter geschreven heeft; de leemten, die wij er in opmerken, kunnen niet wel aan een plan- of gedachteloosheid des dichters zijn toe te schrijven. Het is dus hoogstwaarschijnlijk, dat het oorspronkelijk stuk door een omwerker is gewijzigd; misschien was het verminkt geraakt of verloren gegaan, en heeft een onbevoegde hand het met behulp van gedeeltelijke handschriften of uitgeschreven rollen weder trachten samen te stellen.I. 1. 2.Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen.Die niet verder ziet dan de muren van zijn huis. In ’t Engelsch:Homekeeping youth have ever homely wits.I. 1. 17.Want ik wil voor u bidden, Valentijn.For I will be thy beadsman, Valentine.Een man die aangesteld is om gebeden voor iemand te doen.I. 1. 27.Wat, laarzen?enz. In ’t Engelsch is hier een drievoudige woordspeling metboots, laarzen,to give the boots, belachelijk maken, ento boot, baten, bevoordeelen.—De Spaansche laarzen, hier genoemd, zijn het bekende foltertuig.I. 1. 53.Want aan de haven wachtenz. In ’t Engelsch staatat the road, aan de reede; men zou dus zeggen, dat Verona hier als een zeestad beschouwd moet worden. Er zijn bewijzengenoeg, dat Shakespeare met de geographie van Italië zeer goed vertrouwd was; men behoeft hem volstrekt niet van onwetendheid te verdenken. De toeschouwers waren Londenaars; bij grootere reizen naar een anderen staat moesten waterwegen gevolgd worden; de dichter maakt er voor zijn personen daarom ook gebruik van en stelt hiermede de reis zijn toeschouwers aanschouwelijk voor oogen; al ontleent hij de namen van personen en plaatsen aan Italië, Engelsche toestanden staan hem voor den geest; hier geeft hem een oogenblik later het nagenoeg eveneens klinken vanshipensheep(schip en schaap) aanleiding tot een woordspeling; later wil Lans (II. 3. 58.) het stroombed met tranen vullen, waarbij den toeschouwers de Theems voor den geest kwam; bij struikroovers dachten deze terstond aan de bekende roovers van Sherwoodforest, bij wie broeder Tuck kapelaan was; daarom laat de dichter (IV. 1. 36.) Italiaansche roovers bij de geschoren kruin van dien pater zweren. Zulk een dichterlijke vrijheid, die de voorgestelde zaken recht aanschouwelijk maakte, veroorloofden zich in de middeleeuwen de dichters algemeen, en dit gebruik was tot den tijd van Shakespeare in zwang gebleven. Aan onwetendheid des dichters behoeft men niet te denken.I. 1. 101.Ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, een verkoren schaap.In ’t Engelsch:I, a lost mutton, gave your letter to her, a laced mutton.Een woordspeling metlostenlaced, waarbij men bedenke, dat in Sh.’s tijd deainlacednog niet met den e-klank werd uitgesproken, zoodat de overeenkomst vanlostenlacedtoen grooter was dan thans.Lacedbeteekent eigenlijk gevangen of vastgehouden, daar het substantieflaceofstrik(in ’t Latijnlaqueus) of ook eennetbeteekent, zoodatlacedeen goede tegenstelling metlostvormt. Men denke dus niet aan een met kanten behangen jonkvrouw en veel minder geve menlaced muttonde beteekenis van “licht vrouwspersoon”,—want al is Flink, die woedend is, dat hij geen fooi ontvangen heeft, brutaal genoeg om zich zulk een uitdrukking ten opzichte van de geliefde zijns meesters te veroorloven, zijn heer zou toch zeker zulk een gezegde niet zoo kalm aanhooren.I. 1. 110.U te schutten, enz. Dit geheele gesprek van Proteus met zijn dienaar is vol woordspelingen. Hij gebruikt hier het woordpoundin de beteekenis van in de schutskooi steken, zooals men verdwaald vee doet. Flink vat het op als een pond sterling en splitst daarna het woordpinfold, schaapskooi, inpin, een speld, een waardeloos ding, enfold. Daarop volgt weer de samenvoeging vannod, knikken, met het voornaamwoordI, ik, of het bevestigendeay, ja, totnoddy, onnoozele bloed.—In het origineel voegde Theobald achter het zeggen:But what said she?als waarschijnlijk uitgevallen, de woorden:Did she nod?welke op blz. 160 ook in de vertaling zijn opgenomen; zoo kon het onvertaalbarenoddydoor een andere woordspeling vervangen worden.I. 1. 152.De grootte uwer mildheidenz. Hier heeft het Engelsch een woordspeling mettestify, betuigen, entestern, met eentester,—een geldstukje van een halven shilling waarde, waar een kop,testa,tête, op gestempeld was,—begiftigen, een woord van Sh.’s maaksel.I. 1. 156.Gij zijt de veiligheid van ’t schip.Op het zeggen, dat wie voor de galg bestemd is, niet verdrinkt, zinspeelt Sh. ook in den “Storm”, I. 1. 30.I. 2. 55.Meisjes zeggen zedig neen.Een Engelsch spreekwoord zegt:Maids say nay, and take it, “meisjes zeggen neen en tasten toe”.I. 2. 83.Luchte liefde.Een lied, “Light o’ love” beginnend, waarop gedanst werd; zooals men toen gewoon was te doen; dezelfde wijs wordt genoemd in “Veel leven om niets”, III. 4. 44, waar gezegd wordt: “zing gij het, dan zal ik dansen”.—In het volgende worden allerlei uitdrukkingen, voor muziek gebruikelijk, tevens in een anderen zin opgevat; zoo beteekentburdenzoowel “refrein” als “last”,base“basstem” en tevens een op het land gebruikelijk krijgertjesspel, ookprison baseofprison barsgeheeten, waarbijto bid the base, het uittarten is van den speler, dat hij niet gekregen kan worden; men zie “Venus en Adonis” reg. 303 en “Cymbeline” V 3. 19.I. 2. 114.Mijn boezem zij uw bed.De dames hadden voor aan haar keurs een zakje voor het bergen van brieven; meermalen wordt hierop gezinspeeld, men zie bijv. in dit stuk III. 1. 144 en 250.I. 2. 137.Dat gij ze diep vereert.Er staat:you have a month mind to them, gij zijt er zeer belust op, zooals een vrouw soms heftige, voorbijgaandeverlangensheeft.II. 1. 2.Die hoort mij niet.In ’t Engelsch is een woordspeling metonenone, wat toen tamelijk gelijk werd uitgesproken.II. 1. 26.Als een bedelaar op Allerheiligen.Op Allerheiligen liepen bedelaars, zacht zingende, de huizen af en ontvingen dan zielekoeken,soulcakes, als het loon hunner gebeden voor de dooden.—Voor hetstappen als een leeuwstaat in ’t oorspronkelijke: “als een der leeuwen”, waardoor de dichter zijn gehoor de leeuwen van den Tower voor den geest bracht.II. 1. 79.Zijn hoosbanden.Het vergeten der hoosbanden wordt door Shakespeare meermalen als een teeken van verliefdheid aangehaald, zie “Elk wat wils” (As you like it), III. 2. 397; men vergelijke ook “Hamlet” II. 1. 80.—Flink overdrijft nu nog, en zegt, dat Valentijn zelfs vergat zijn hozen aan te trekken.II. 1. 106.Heer Valentijn, mijn dienaar.In Sh.’s tijd werden de vereerders of minnaars eener schoone of gebiedster,MadamofMistress, vaakservantgenoemd, wat dus nagenoeg hetzelfde beteekent alslover.II. 3. 4.De verloopen zoon.In ’t Engelsch zegt Lansprodigiousvoorprodigalenimperialsvooremperor’sofimperial.—De naam van den hond,Crab, beteekent wilde appel.II. 3. 39.Het tij verloopt.Het Engelsch heeft hier een woordspeling mettide, “getij” entied, de vastgebondene (de hond).II. 4. 152.Een macht, een overheid.Van een hoogen rang in de engelenschaar; zie Paulus’ Brief aan de Romeinen, VIII. 38.II. 4. 192.Gelijk een gloed een and’ren gloed verdringt.Men vindt dezelfde beelden in “Coriolanus”, IV. 7. 54.II. 4. 196.Is ’t nu mijn oog.Het Engelsch is hier onvolledig;Is it mine orenz. Het is waarschijnlijker dat hier gelezen moet worden met Warburton:Is it mine eye orenz. dan, met Malone,Is it her mien orenz.II. 4. 201.Zooals een wassen beeld bij ’t vuur.Men vergelijke “Koning Jan” V. 4. 24. Er wordt gedacht aan wassen beelden, die door toovenaars bij het vuur werden gehouden, om door smelten van het beeld de persoon, die er door werd voorgesteld, te doen wegkwijnen.II. 5. 1.Welkom in Milaan.In den tekst der folio-uitgave staat Padua, zooals inIII. 1. 81enV. 4. 129. Verona voor Milaan. Het is mogelijk, dat Shakespeare zelf zoo geschreven heeft, voor hij vast bepaald had, waar hij het stuk zou laten spelen, maar ’t kan ook aan een omwerker liggen.II. 5. 61.Dat gij een Christenmensch een glas bier gunt.In ’t Engelsch:As to go to the ale with a Christian.“Ale” beteekentbier, maar ook een christelijk volksfeest, waarop, vóór de hervorming, het door de geestelijken gebrouwen bier verkocht werd, aan het volk op het kerkhof, aan de aanzienlijken in de kerk zelf; de opbrengst was voor het onderhoud der kerken bestemd. Naar de plaats en het jaargetijde droeg het bier verschillende namen:Lamb-ale,Bride-ale,Church-ale,Whitesun-ale.—Als Flink met Lans niet naar eenAle, naar zulk een kerkelijk feest, wil gaan, is hij geen christenmensch.II. 7. 53.Met een klep.In ’t Engelsch staat:with a codpiece, wat aldus verklaard kan worden: “a part of the male dress, very indelicately conspicuous in the poet’s time”. Het werd nog al sterk opgevuld, zoodat het wel als een speldenkussen dienst kon doen, waarom er ook in andere comedies van dien tijd de draak mee gestoken wordt. Men bezigde dit deel ook wel als zak om de beurs in te bergen, zie “Winteravondsprookje”, IV. 4. 623.III. 1. 81.Hier in deze stad.In den tekst staat:in Verona here.III. 1. 153.Gij Phaëton, gij and’re Merops-zoon.De vertaling is hier niet letterlijk; er staat eigenlijk: “Wat! Phaëton,—want gij zijt Merops’ zoon”.—Phaëton was de zoon van Helios, den Zonnegod, en van Clymene, die met den koning Merops, in Aethiopië, gehuwd was; deze was dus Phaëton’s aardsche vader te noemen. De tusschenzinwantenz. kan eenvoudig beteekenen: “want gijzijtinderdaad een Phaëton”, en dan is de vertaling op blz. 175 zeer juist. Wil men er uit lezen: “want gij zijt een zoon van Merops, niet van den zonnegod, maar van een mensch, dus van een lage afkomst”,—dan moet de hier gegeven, meer letterlijke vertaling gevolgd worden; deze verklaring komt mij echter vrij gezocht voor en het “want”,for, past er slecht bij; de eerste schijnt mij de ware te zijn.III. 1. 263.Dubbele schurk.In meer dan één opzicht een schurk.III. 1. 300.Toon door Sint Nikolaas u flink.Sint Nikolaas was de beschermheilige der scholieren en moest daarom Flink in ’t lezen bijstaan. De legende verhaalt, dat hij reeds als knaap bisschop werd.III. 1. 307.Zij kan naaien.In ’t Engelsch:she can sew, waarvoor in de folio-uitgavesowegeschreven wordt, zoodat de volgende vraagcan she sohet woord herhaalt. Hier moest de vertaler zich anders helpen; evenzoo bij het volgende, waar het woordstockeerst in de beteekenis van “kapitaal”, “geld”, daarna in die van “sok”, wordt opgevat.IV. 1. 36.Bij Robin Hood’senz. De bandiet zweert bij de kale kruin van broeder Tuck, den priester en biechtvader van den gevierden roover en wilddief Robin Hood, van Sherwoodforest, die aan iederen Engelschman bekend was en die ook in Scott’s Ivanhoe voorkomt. Zie boven blz.190.IV. 2. 76.Dat de kerfstok vol is.Dat het niet meer te berekenen is.IV. 4. 39.Toen ik van jonkvrouw Silvia afscheid nam.Steevens achtte het beter hier Julia te lezen in plaats van Silvia. Het schijnt inderdaad, dat Lans aan een vroeger afscheid dacht.IV. 4. 60.Door de knapen van den hondenslager.Er staat eigenlijk “door de knapen van den beul”, “the hangman’s boys”. Sommigen verkiezenthe hangman boys, waarbijhangmanals adjectief beschouwd wordt, zoodat het beteekenen zou: de ellendige, schurkachtige jongens, de galgenbrokken.V. 4. 129.Geheel Milaan beschermt u niet.In ’t Engelsch staat:Verona shall not hold thee.Zie boven deaanteekeningopII. 5. 1.1Bij de verbranding van de boeken van Don Quichotte wordt deze roman gevonden, maar blijft, op aanraden van den geestelijke, gespaard.
Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Milaan.Een klooster.Eglamourkomt op.Eglamour.De zon verguldt den westerhemel reeds,En ’t is omstreeks dit uur, dat Silvia mijBij broeder Patrick’s cel ontmoeten zou.Zij blijft niet uit; verliefden houden woord,Alleenlijk plegen zij te vroeg te komen;Zoo zeer drijft ongeduld hen aan tot spoed.(Silviakomt op.)Daar komt zij reeds.—Mejonkvrouw, goeden avond!Silvia.Dank, amen, amen! Thans, vriend Eglamour,Terstond door de achterpoort van ’t klooster voort;Bespieders, ducht ik, gaan mijn gangen na.Eglamour.Ducht niets; wij spoeden ons naar ’t woud, en daar,Geen drie mijl ver, bedreigt ons geen gevaar.(Beiden af.)Tweede Tooneel.Aldaar.Een kamer in ’s Hertogs paleis.Thurio,ProteusenJuliakomen op.Thurio.Heer, wat zegt Silvia van mijn aanzoek thans?Proteus.Ik vond haar zachter, heer, dan vroeger, maarZij vindt aan uw persoon vrij wat te gispen.Thurio.Wat? dat mijn been te lang is?Proteus.Wat? dat mijn been te lang is?Neen, te dun.Thurio.Dan draag ik laarzen, die het ronder maken.Julia(ter zijde).Tot wat zij haat, laat liefde zich niet sporen.Thurio.Hoe vindt zij mijn gelaat?Proteus.Hoe vindt zij mijn gelaat?Als blank papier.Thurio.Dat liegt het schelmpje; mijn gelaat is zwart.10Proteus.Doch paar’len noemt men blank; en ’t zeggen is,Een zwart man is een paarl in ’t oog der schoonen.Julia(ter zijde).Ja, van die parels, die het oog verduistren,Die ’k niet wil zien, en waar ik ’t oog voor sluit.Thurio.En hoe bevalt haar mijn gesprek?Proteus.Slecht, als gij over oorlog spreekt.Thurio.Doch goed, als ik van liefde spreek en vrede?Julia(ter zijde).Nog beter, als gij haar met vrede laat.Thurio.Wat zegt zij van mijn moed?Proteus.O, heer, daarover is zij niet in twijfel.Julia(ter zijde).Waarom ook, als zij weet, hoe laf hij is.Thurio.Wat zegt zij van mijn afkomst?Proteus.Dat gij van hoogen rang zijt afgedaald.Julia(ter zijde).Van edelman tot zotskap, ja voorwaar.Thurio.En spreekt zij van mijn landerijen?Proteus.Ja, maar met leedbetuiging.Thurio.Ja, maar met leedbetuiging.En waarom?Julia(ter zijde).Dat zulk een ezel die bezit.Proteus.Dat gij niet zelf er woont, maar die verpacht.Julia.Daar komt de hertog.(De Hertog komt op.)Hertog.Hoe is ’t, heer Proteus? en hoe gaat het, Thurio?Wie uwer zag sinds kort heer Eglamour?Thurio.Ik niet.Proteus.Ik niet.Noch ik.Hertog.Ik niet. Noch ik.En mijne dochter?Proteus.Ik niet. Noch ik. En mijne dochter?Ook niet.Hertog.Nu, dan,Dan vlood zij tot dien kinkel Valentijn,En dan is Eglamour haar metgezel.Ja, broeder Laurens heeft hen saam ontmoet,Toen hij door ’t woud ging en gebeden las;Hem kende hij, en dacht dat zij het was,Doch, daar ze een masker droeg, was hij niet zeker;Ook gaf zij voor, in Patricks cel deze’ avondTer biecht te willen gaan, maar was er niet.Dit alles saam bevestigt hare vlucht.Stijgt daarom, bid ik, zonder overwegen,Terstond te paard, en vindt mij aan den voetDes bergs, waar langs zijn helling zich de wegNaar Mantua wendt, want daarheen vloden zij.Maakt, beste heeren, spoed, en volgt mij ras.(De Hertog af.)Thurio.Dat noem ik toch een dwaze deerne, die’t Geluk ontvliedt, wanneer het haar vervolgt.Ik volg, veel meer op Eglamour gebeten,Dan op de dolle Silvia nog verliefd.(Thurioaf.)Proteus.Ik volg, veel meer op Silvia steeds verliefd,Dan op haar helper Eglamour verbitterd.(Proteusaf.)Julia. En ik volg mee, en ik bestrijd die liefde;Maar Silvia haat ik niet, zij vlood uit liefde.(Juliaaf.)Derde Tooneel.Het woud tusschenMilaanenMantua.Bandieten komen op, metSilvia.Eerste Bandiet.Kom, kom;Bedaard! wij brengen u tot onzen hoofdman.Silvia.Mij leerden duizend andere ongevallenOok dit nu met gelatenheid te dragen.Tweede Bandiet.Komt, brengt haar weg.Eerste Bandiet.Waar is die edelman, die bij haar was?Derde Bandiet.Hij was zoo vlug ter been, dat hij ontsnapte;Doch Mozes en Valerius volgen hem.Breng gij haar tot den hoofdman, aan den westzoomVan ’t woud; laat ons den vlucht’ling achtervolgen;Het bosch is afgezet; hij kan niet weg.Eerste Bandiet.Kom, naar de grot des hoofdmans breng ik u.Vrees niets; grootmoedig is hij; en geen vrouw,Die hij ooit smaad of schande lijden deed.Silvia.O Valentijn, om u draag ik dit leed.(Allen af.)Vierde Tooneel.Een ander gedeelte van ’t woud.Valentijnkomt op.Valentijn.Wat maakt gewoonte ras den mensch iets eigen!Deez’ donkere eenzaamheid, dit stille woud,Behaagt mij meer dan rijke woel’ge steden.Hier kan ik eenzaam zitten, ongezien,Om aan het klagend lied des nachtegaalsMijn jammertonen en mijn wee te huwen.O gij, wier woning in mijn boezem is,Laat uwe huizing niet zoo lang verlaten,Dat ze in verval raak en tot puinhoop wordt,Zoodat geen spoor meer blijft van wat zij was.O schenk mij, Silvia, door uw bijzijn kracht!Gij, zoete nimf, troost uw verlaten herder!—Doch wat gedruisch, wat kreten zijn dat heden?Mijn makkers, die hun wil als wet beschouwen,Zijn wis een armen zwerver op het spoor,Ik word van hen bemind; toch valt het zwaar,Altijd hun lust tot ruw geweld te teug’len.Verberg u, Valentijn; wie kan daar zijn?(Hij wijkt ter zijde.)(Proteus,SilviaenJuliakomen op.)Proteus.Mejonkvrouw, ik bewees u dezen dienst,—19Schoon alles, wat uw dienaar doet, u niets is;—Ik waagde ’t leven en ontrukte u hemDie eer en liefde u zou ontwrongen hebben.Gun mij als loon een enk’len teed’ren blik;Om kleiner gunst kan ik u toch niet smeeken,En minder nog dan dit kunt gij niet geven.Valentijn(ter zijde).Is dit een droom, wat ik daar zie en hoor?Leen, Liefde, mij ’t geduld om kalm te blijven.Silvia.Ellendige en onzaal’ge, die ik ben!Proteus.Ellendig waart gij, jonkvrouw, eer ik kwam;Doch door mijn komst heb ik u heil gebracht.Silvia.Eerst ùw nabijheid maakt mij recht ellendig.Julia(ter zijde).En mij, wanneer hij u nabij wil zijn.Silvia.Had mij een uitgevaste leeuw gegrepen,’k Had liever ’t ondier tot ontbijt gestrekt,Dan dat de valsche Proteus mij bevrijdde.Tuig, Hemel, hoe ik Valentijn bemin,Wiens leven ik zou koest’ren als mijn ziele;En evenzoo,—daar meer onmooglijk is,—Haat ik den valschen, eedvergeten Proteus.Daarom, ga heen; houd niet meer bij mij aan.Proteus.Wat waagstuk zou ik, hoe de dood ook dreigde,Niet voor een enk’len zachten blik bestaan!O oude vloek der liefde, dat den manDe vrouw, die hij bemint, niet minnen kan!Silvia.Dat Proteus, die hem mint, niet minnen kan!Doorlees van Julia ’t hart, uw eerstbeminde;Om haar hebt gij uw trouw in duizend stukken,Die ge eeden noemt, verdeeld; en elken eedVerkeert ge in meineed en zweert dien aan mij.U rest geen trouw, of wel, gij hebt twee trouwen,Wat erger is dan geen; veel beter geen,Dan trouw in ’t meervoud; altijd één te veel.Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!Proteus.Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!Wie kent,Waar ’t liefde geldt, een vriend?Silvia.Waar ’t liefde geldt, een vriend?Slechts Proteus niet.Proteus.Nu, zoo der overreding zachte geestU niet tot zachtheid stemmen kan, zoo wil ikOp krijgsmanswijs u met mijn arm veroov’ren,U tegen liefdes innigst wezen minnen,U dwingen,—59Silvia.U dwingen,Hemel!Proteus.U dwingen, Hemel!Dwingen, mijn te zijn.Valentijn(vooruittredend).Ellend’ling, weg van haar die ruwe hand!Gij vriend van boos gehalte!Proteus.Gij vriend van boos gehalte!Valentijn!Valentijn.Gij lage vriend, gij zonder trouw of liefde,—Ja, zoo is nu een vriend,—gij aartsverrader!Gij hebt mijn hoop bedrogen; slechts mijn oogKon me overtuigen. Nooit meer kan ik zeggen:“Ik heb een vriend”; gij zoudt mij logenstraffen.Wie is betrouwbaar, als de rechterhandMeineedig wordt aan ’t harte? Proteus,Mij grieft, dat ik u nooit meer mag vertrouwen,Doch heel de wereld vreemd’ling mij moet zijn.O diepe zielswond! diepstvervloekte tijd,Dat gij, een vriend, mijn ergste vijand zijt!Proteus.Vernietigd ben ik door mijn schande en schuld.—Vergeef mij, Valentijn! Zoo diep berouwAls losgeld voor zoo zware schuld volstaat,Dan bied ik ’t hier; voorwaar mijn smart is groot,Zoo groot als mijn vergrijp.Valentijn.Zoo groot als mijn vergrijp.Ik ben voldaan;En reken u op nieuw een eerlijk man.Wien boete niet verzoent, behoort ten hemelNoch aarde; beide kan berouw verteed’ren,En de Eeuw’ge heft hen op, die zich verneed’ren.En, dat ik u weer vriend acht, blijke u nu:Al wat in Silvia mijn was, schenk ik u.Julia.O, ik onzaal’ge!(Zij zijgt neder.)Proteus.O, ik onzaal’ge!Zie, wat schort mijn knaap?Valentijn.Wat, knaap! hé schelmpje! wat moet dit beteek’nen?Zie op, en spreek!Julia.Zie op, en spreek!O heer, mijn meester gaf mijEen ring, om jonkvrouw Silvia dien te brengen;En ik verzuimde ’t uit onachtzaamheid.Proteus.Waar is die ring, knaap?Julia.Waar is die ring, knaap?Hier, hier is hij, heer.(Zij geeft hem een ring.)Proteus.Geef, laat mij zien.Dat is de ring, dien ik aan Julia gaf.93Julia.O heer, vergeef mij; ’k gaf u den verkeerden;Hier is de ring, dien gij aan Silvia zondt.(Zij toont een anderen ring.)Proteus.Doch hoe kwaamt gij aan dezen ring?Ik gaf hem Julia bij het afscheidnemen.Julia.En Julia zelf heeft hem aan mij gegeven,En Julia zelf heeft hem hierheen gebracht.Proteus.Wat! Julia!Julia.Ja, zie haar hier, het doel van al uw eeden,Die ze alle diep in ’t harte heeft bewaard;Hoe vaak hebt gij het diep gekliefd door meineed!O Proteus, deze kleeding doe u blozen;Schaam gij u, dat ik in onvoegzaam kleedMij hullen moest, indien ten minste schaamteBij valsche liefde woont!Bloost Zedigheid, verzaakt de vrouw haar kleed,Het grieft haar meer, verzaakt de man zijn eed.Proteus.De man zijn eed! ’t is waar; o was de manSteeds trouw, hij waar’ volmaakt; die eene feilWekt tal van zonden, maakt hem ziende blind;Ontrouw valt af, eer ’t minnen recht begint.Wat schoon siert Silvia, dat mijn oog thans niet,Weer trouw, veel schooner nog in Julia ziet?Valentijn.Komt, elk van u reik’ mij de hand!Gun mij ’t geluk, dat ik den heilvreê sluit;De haat van zulk een vriendenpaar hebbe uit.Proteus.Tuig, Hemel, ’k ben aan ’t einddoel mijner wenschen!Julia.En ik der mijne!(Bandieten komen op, met den Hertog enThurio.)Bandieten.Een vangst, een vangst! een vangst!Valentijn.Laat af! laat af! De hertog is ’t, de vorst!—Sta uw genade een man in ongenadeEen welkomst toe, den balling Valentijn.Hertog.Wat, Valentijn!Thurio.Wat, Valentijn!Mijn Silvia daar! de mijne!Valentijn.Thurio, terug, of gij omarmt den dood.Blijf buiten het bereik van mijnen toorn.Noem Silvia de uwe niet, want, zoo gij ’t waagt,Geheel Milaan beschermt u niet. Hier staat zij;Nu, waag het, roer haar met een vinger aan,Mijn liefste met een enk’len ademtocht!Thurio.Heer Valentijn, zij is mij onverschillig.Ik reken hem een dwaas, die voor een meisje,Dat hem verwerpt, zijn leven wagen wil;Ik maak geen aanspraak op haar; zij is u.Hertog.Des te nietswaardiger en laag zijt gij,Eerst zoo naar haar te staan, als gij het deedt,En dan op zulk een wijs haar op te geven.Voorwaar, bij de eere van mijn voorgeslacht,Ik juich uw moed toe, Valentijn, en rekenDe liefde u waardig van een keizerin.Daarom, al wat mij griefde zij vergeten;Mijn wrok vervloog; ik roep u weer terug.Uw onbetwistb’re waarde geeft u aanspraakOp nieuwen rang; dies zeg ik: Valentijn,Gij zijt een edelman van besten bloede;Neem gij uw Silvia, want gij zijt haar waard.Valentijn.Ik dank u, vorst, uw gift maakt mij gelukkig.Ik bid u thans, ter wille van uw dochter,Verleen mij ééne gunst, die ik u vraag.Hertog.’k Verleen u, wat ge ook wenscht, om uwentwil.Valentijn.Die mannen hier, met wie ik heb geleefd,Zijn ballingen van stand en van bekwaamheid.Vergeef hun, wat zij hier misdreven hebben,En roep hen uit hun ballingschap terug.Zij zijn verbeterd, welgezind, beschaafd,Voor hooge posten bruikbaar, edel vorst.Hertog.Gij wint uw pleit, als u vergeef ik hun;Geef hun een werkkring zooals gij hen kent.Doch gaan wij; ied’re wanklank zij verdoofdDoor blij gejuich en ongekende feesten.Valentijn.En onderweg beproeve mijn verhaalBij uw genade een glimlach uit te lokken.Wat dunkt u van deze’ edelknaap, mijn vorst?Hertog.De knaap is recht bevallig; zie, hij bloost.Valentijn.Ik zeg u, heer, bevallig eer, dan knaap.Hertog.Wat wilt gij daarmee zeggen?Valentijn.Behaagt het u, dan deel ik onder ’t gaanU zaken mee, die u verbazen zullen.—Kom, Proteus, dit moog’ heel uw boete zijn,De onthulling van uw liefdes aan te hooren;Dan moet mijn huwlijksdag ook de uwe zijn;Één feest, één huis, één onderling geluk.(Allen af.)
Eerste Tooneel.Milaan.Een klooster.Eglamourkomt op.Eglamour.De zon verguldt den westerhemel reeds,En ’t is omstreeks dit uur, dat Silvia mijBij broeder Patrick’s cel ontmoeten zou.Zij blijft niet uit; verliefden houden woord,Alleenlijk plegen zij te vroeg te komen;Zoo zeer drijft ongeduld hen aan tot spoed.(Silviakomt op.)Daar komt zij reeds.—Mejonkvrouw, goeden avond!Silvia.Dank, amen, amen! Thans, vriend Eglamour,Terstond door de achterpoort van ’t klooster voort;Bespieders, ducht ik, gaan mijn gangen na.Eglamour.Ducht niets; wij spoeden ons naar ’t woud, en daar,Geen drie mijl ver, bedreigt ons geen gevaar.(Beiden af.)
Milaan.Een klooster.
Eglamourkomt op.
Eglamour.De zon verguldt den westerhemel reeds,En ’t is omstreeks dit uur, dat Silvia mijBij broeder Patrick’s cel ontmoeten zou.Zij blijft niet uit; verliefden houden woord,Alleenlijk plegen zij te vroeg te komen;Zoo zeer drijft ongeduld hen aan tot spoed.
Eglamour.
De zon verguldt den westerhemel reeds,
En ’t is omstreeks dit uur, dat Silvia mij
Bij broeder Patrick’s cel ontmoeten zou.
Zij blijft niet uit; verliefden houden woord,
Alleenlijk plegen zij te vroeg te komen;
Zoo zeer drijft ongeduld hen aan tot spoed.
(Silviakomt op.)
Daar komt zij reeds.—Mejonkvrouw, goeden avond!
Daar komt zij reeds.—Mejonkvrouw, goeden avond!
Silvia.Dank, amen, amen! Thans, vriend Eglamour,Terstond door de achterpoort van ’t klooster voort;Bespieders, ducht ik, gaan mijn gangen na.
Silvia.
Dank, amen, amen! Thans, vriend Eglamour,
Terstond door de achterpoort van ’t klooster voort;
Bespieders, ducht ik, gaan mijn gangen na.
Eglamour.Ducht niets; wij spoeden ons naar ’t woud, en daar,Geen drie mijl ver, bedreigt ons geen gevaar.
Eglamour.
Ducht niets; wij spoeden ons naar ’t woud, en daar,
Geen drie mijl ver, bedreigt ons geen gevaar.
(Beiden af.)
Tweede Tooneel.Aldaar.Een kamer in ’s Hertogs paleis.Thurio,ProteusenJuliakomen op.Thurio.Heer, wat zegt Silvia van mijn aanzoek thans?Proteus.Ik vond haar zachter, heer, dan vroeger, maarZij vindt aan uw persoon vrij wat te gispen.Thurio.Wat? dat mijn been te lang is?Proteus.Wat? dat mijn been te lang is?Neen, te dun.Thurio.Dan draag ik laarzen, die het ronder maken.Julia(ter zijde).Tot wat zij haat, laat liefde zich niet sporen.Thurio.Hoe vindt zij mijn gelaat?Proteus.Hoe vindt zij mijn gelaat?Als blank papier.Thurio.Dat liegt het schelmpje; mijn gelaat is zwart.10Proteus.Doch paar’len noemt men blank; en ’t zeggen is,Een zwart man is een paarl in ’t oog der schoonen.Julia(ter zijde).Ja, van die parels, die het oog verduistren,Die ’k niet wil zien, en waar ik ’t oog voor sluit.Thurio.En hoe bevalt haar mijn gesprek?Proteus.Slecht, als gij over oorlog spreekt.Thurio.Doch goed, als ik van liefde spreek en vrede?Julia(ter zijde).Nog beter, als gij haar met vrede laat.Thurio.Wat zegt zij van mijn moed?Proteus.O, heer, daarover is zij niet in twijfel.Julia(ter zijde).Waarom ook, als zij weet, hoe laf hij is.Thurio.Wat zegt zij van mijn afkomst?Proteus.Dat gij van hoogen rang zijt afgedaald.Julia(ter zijde).Van edelman tot zotskap, ja voorwaar.Thurio.En spreekt zij van mijn landerijen?Proteus.Ja, maar met leedbetuiging.Thurio.Ja, maar met leedbetuiging.En waarom?Julia(ter zijde).Dat zulk een ezel die bezit.Proteus.Dat gij niet zelf er woont, maar die verpacht.Julia.Daar komt de hertog.(De Hertog komt op.)Hertog.Hoe is ’t, heer Proteus? en hoe gaat het, Thurio?Wie uwer zag sinds kort heer Eglamour?Thurio.Ik niet.Proteus.Ik niet.Noch ik.Hertog.Ik niet. Noch ik.En mijne dochter?Proteus.Ik niet. Noch ik. En mijne dochter?Ook niet.Hertog.Nu, dan,Dan vlood zij tot dien kinkel Valentijn,En dan is Eglamour haar metgezel.Ja, broeder Laurens heeft hen saam ontmoet,Toen hij door ’t woud ging en gebeden las;Hem kende hij, en dacht dat zij het was,Doch, daar ze een masker droeg, was hij niet zeker;Ook gaf zij voor, in Patricks cel deze’ avondTer biecht te willen gaan, maar was er niet.Dit alles saam bevestigt hare vlucht.Stijgt daarom, bid ik, zonder overwegen,Terstond te paard, en vindt mij aan den voetDes bergs, waar langs zijn helling zich de wegNaar Mantua wendt, want daarheen vloden zij.Maakt, beste heeren, spoed, en volgt mij ras.(De Hertog af.)Thurio.Dat noem ik toch een dwaze deerne, die’t Geluk ontvliedt, wanneer het haar vervolgt.Ik volg, veel meer op Eglamour gebeten,Dan op de dolle Silvia nog verliefd.(Thurioaf.)Proteus.Ik volg, veel meer op Silvia steeds verliefd,Dan op haar helper Eglamour verbitterd.(Proteusaf.)Julia. En ik volg mee, en ik bestrijd die liefde;Maar Silvia haat ik niet, zij vlood uit liefde.(Juliaaf.)
Aldaar.Een kamer in ’s Hertogs paleis.
Thurio,ProteusenJuliakomen op.
Thurio.Heer, wat zegt Silvia van mijn aanzoek thans?
Thurio.
Heer, wat zegt Silvia van mijn aanzoek thans?
Proteus.Ik vond haar zachter, heer, dan vroeger, maarZij vindt aan uw persoon vrij wat te gispen.
Proteus.
Ik vond haar zachter, heer, dan vroeger, maar
Zij vindt aan uw persoon vrij wat te gispen.
Thurio.Wat? dat mijn been te lang is?
Thurio.
Wat? dat mijn been te lang is?
Proteus.Wat? dat mijn been te lang is?Neen, te dun.
Proteus.
Wat? dat mijn been te lang is?Neen, te dun.
Thurio.Dan draag ik laarzen, die het ronder maken.
Thurio.
Dan draag ik laarzen, die het ronder maken.
Julia(ter zijde).Tot wat zij haat, laat liefde zich niet sporen.
Julia
(ter zijde).Tot wat zij haat, laat liefde zich niet sporen.
Thurio.Hoe vindt zij mijn gelaat?
Thurio.
Hoe vindt zij mijn gelaat?
Proteus.Hoe vindt zij mijn gelaat?Als blank papier.
Proteus.
Hoe vindt zij mijn gelaat?Als blank papier.
Thurio.Dat liegt het schelmpje; mijn gelaat is zwart.10
Thurio.
Dat liegt het schelmpje; mijn gelaat is zwart.10
Proteus.Doch paar’len noemt men blank; en ’t zeggen is,Een zwart man is een paarl in ’t oog der schoonen.
Proteus.
Doch paar’len noemt men blank; en ’t zeggen is,
Een zwart man is een paarl in ’t oog der schoonen.
Julia(ter zijde).Ja, van die parels, die het oog verduistren,Die ’k niet wil zien, en waar ik ’t oog voor sluit.
Julia
(ter zijde).Ja, van die parels, die het oog verduistren,
Die ’k niet wil zien, en waar ik ’t oog voor sluit.
Thurio.En hoe bevalt haar mijn gesprek?
Thurio.
En hoe bevalt haar mijn gesprek?
Proteus.Slecht, als gij over oorlog spreekt.
Proteus.
Slecht, als gij over oorlog spreekt.
Thurio.Doch goed, als ik van liefde spreek en vrede?
Thurio.
Doch goed, als ik van liefde spreek en vrede?
Julia(ter zijde).Nog beter, als gij haar met vrede laat.
Julia
(ter zijde).Nog beter, als gij haar met vrede laat.
Thurio.Wat zegt zij van mijn moed?
Thurio.
Wat zegt zij van mijn moed?
Proteus.O, heer, daarover is zij niet in twijfel.
Proteus.
O, heer, daarover is zij niet in twijfel.
Julia(ter zijde).Waarom ook, als zij weet, hoe laf hij is.
Julia
(ter zijde).Waarom ook, als zij weet, hoe laf hij is.
Thurio.Wat zegt zij van mijn afkomst?
Thurio.
Wat zegt zij van mijn afkomst?
Proteus.Dat gij van hoogen rang zijt afgedaald.
Proteus.
Dat gij van hoogen rang zijt afgedaald.
Julia(ter zijde).Van edelman tot zotskap, ja voorwaar.
Julia
(ter zijde).Van edelman tot zotskap, ja voorwaar.
Thurio.En spreekt zij van mijn landerijen?
Thurio.
En spreekt zij van mijn landerijen?
Proteus.Ja, maar met leedbetuiging.
Proteus.
Ja, maar met leedbetuiging.
Thurio.Ja, maar met leedbetuiging.En waarom?
Thurio.
Ja, maar met leedbetuiging.En waarom?
Julia(ter zijde).Dat zulk een ezel die bezit.
Julia
(ter zijde).Dat zulk een ezel die bezit.
Proteus.Dat gij niet zelf er woont, maar die verpacht.
Proteus.
Dat gij niet zelf er woont, maar die verpacht.
Julia.Daar komt de hertog.
Julia.
Daar komt de hertog.
(De Hertog komt op.)
Hertog.Hoe is ’t, heer Proteus? en hoe gaat het, Thurio?Wie uwer zag sinds kort heer Eglamour?
Hertog.
Hoe is ’t, heer Proteus? en hoe gaat het, Thurio?
Wie uwer zag sinds kort heer Eglamour?
Thurio.Ik niet.
Thurio.
Ik niet.
Proteus.Ik niet.Noch ik.
Proteus.
Ik niet.Noch ik.
Hertog.Ik niet. Noch ik.En mijne dochter?
Hertog.
Ik niet. Noch ik.En mijne dochter?
Proteus.Ik niet. Noch ik. En mijne dochter?Ook niet.
Proteus.
Ik niet. Noch ik. En mijne dochter?Ook niet.
Hertog.Nu, dan,Dan vlood zij tot dien kinkel Valentijn,En dan is Eglamour haar metgezel.Ja, broeder Laurens heeft hen saam ontmoet,Toen hij door ’t woud ging en gebeden las;Hem kende hij, en dacht dat zij het was,Doch, daar ze een masker droeg, was hij niet zeker;Ook gaf zij voor, in Patricks cel deze’ avondTer biecht te willen gaan, maar was er niet.Dit alles saam bevestigt hare vlucht.Stijgt daarom, bid ik, zonder overwegen,Terstond te paard, en vindt mij aan den voetDes bergs, waar langs zijn helling zich de wegNaar Mantua wendt, want daarheen vloden zij.Maakt, beste heeren, spoed, en volgt mij ras.
Hertog.
Nu, dan,
Dan vlood zij tot dien kinkel Valentijn,
En dan is Eglamour haar metgezel.
Ja, broeder Laurens heeft hen saam ontmoet,
Toen hij door ’t woud ging en gebeden las;
Hem kende hij, en dacht dat zij het was,
Doch, daar ze een masker droeg, was hij niet zeker;
Ook gaf zij voor, in Patricks cel deze’ avond
Ter biecht te willen gaan, maar was er niet.
Dit alles saam bevestigt hare vlucht.
Stijgt daarom, bid ik, zonder overwegen,
Terstond te paard, en vindt mij aan den voet
Des bergs, waar langs zijn helling zich de weg
Naar Mantua wendt, want daarheen vloden zij.
Maakt, beste heeren, spoed, en volgt mij ras.
(De Hertog af.)
Thurio.Dat noem ik toch een dwaze deerne, die’t Geluk ontvliedt, wanneer het haar vervolgt.Ik volg, veel meer op Eglamour gebeten,Dan op de dolle Silvia nog verliefd.
Thurio.
Dat noem ik toch een dwaze deerne, die
’t Geluk ontvliedt, wanneer het haar vervolgt.
Ik volg, veel meer op Eglamour gebeten,
Dan op de dolle Silvia nog verliefd.
(Thurioaf.)
Proteus.Ik volg, veel meer op Silvia steeds verliefd,Dan op haar helper Eglamour verbitterd.
Proteus.
Ik volg, veel meer op Silvia steeds verliefd,
Dan op haar helper Eglamour verbitterd.
(Proteusaf.)
Julia. En ik volg mee, en ik bestrijd die liefde;Maar Silvia haat ik niet, zij vlood uit liefde.
Julia. En ik volg mee, en ik bestrijd die liefde;
Maar Silvia haat ik niet, zij vlood uit liefde.
(Juliaaf.)
Derde Tooneel.Het woud tusschenMilaanenMantua.Bandieten komen op, metSilvia.Eerste Bandiet.Kom, kom;Bedaard! wij brengen u tot onzen hoofdman.Silvia.Mij leerden duizend andere ongevallenOok dit nu met gelatenheid te dragen.Tweede Bandiet.Komt, brengt haar weg.Eerste Bandiet.Waar is die edelman, die bij haar was?Derde Bandiet.Hij was zoo vlug ter been, dat hij ontsnapte;Doch Mozes en Valerius volgen hem.Breng gij haar tot den hoofdman, aan den westzoomVan ’t woud; laat ons den vlucht’ling achtervolgen;Het bosch is afgezet; hij kan niet weg.Eerste Bandiet.Kom, naar de grot des hoofdmans breng ik u.Vrees niets; grootmoedig is hij; en geen vrouw,Die hij ooit smaad of schande lijden deed.Silvia.O Valentijn, om u draag ik dit leed.(Allen af.)
Het woud tusschenMilaanenMantua.
Bandieten komen op, metSilvia.
Eerste Bandiet.Kom, kom;Bedaard! wij brengen u tot onzen hoofdman.
Eerste Bandiet.
Kom, kom;
Bedaard! wij brengen u tot onzen hoofdman.
Silvia.Mij leerden duizend andere ongevallenOok dit nu met gelatenheid te dragen.
Silvia.
Mij leerden duizend andere ongevallen
Ook dit nu met gelatenheid te dragen.
Tweede Bandiet.Komt, brengt haar weg.
Tweede Bandiet.
Komt, brengt haar weg.
Eerste Bandiet.Waar is die edelman, die bij haar was?
Eerste Bandiet.
Waar is die edelman, die bij haar was?
Derde Bandiet.Hij was zoo vlug ter been, dat hij ontsnapte;Doch Mozes en Valerius volgen hem.Breng gij haar tot den hoofdman, aan den westzoomVan ’t woud; laat ons den vlucht’ling achtervolgen;Het bosch is afgezet; hij kan niet weg.
Derde Bandiet.
Hij was zoo vlug ter been, dat hij ontsnapte;
Doch Mozes en Valerius volgen hem.
Breng gij haar tot den hoofdman, aan den westzoom
Van ’t woud; laat ons den vlucht’ling achtervolgen;
Het bosch is afgezet; hij kan niet weg.
Eerste Bandiet.Kom, naar de grot des hoofdmans breng ik u.Vrees niets; grootmoedig is hij; en geen vrouw,Die hij ooit smaad of schande lijden deed.
Eerste Bandiet.
Kom, naar de grot des hoofdmans breng ik u.
Vrees niets; grootmoedig is hij; en geen vrouw,
Die hij ooit smaad of schande lijden deed.
Silvia.O Valentijn, om u draag ik dit leed.
Silvia.
O Valentijn, om u draag ik dit leed.
(Allen af.)
Vierde Tooneel.Een ander gedeelte van ’t woud.Valentijnkomt op.Valentijn.Wat maakt gewoonte ras den mensch iets eigen!Deez’ donkere eenzaamheid, dit stille woud,Behaagt mij meer dan rijke woel’ge steden.Hier kan ik eenzaam zitten, ongezien,Om aan het klagend lied des nachtegaalsMijn jammertonen en mijn wee te huwen.O gij, wier woning in mijn boezem is,Laat uwe huizing niet zoo lang verlaten,Dat ze in verval raak en tot puinhoop wordt,Zoodat geen spoor meer blijft van wat zij was.O schenk mij, Silvia, door uw bijzijn kracht!Gij, zoete nimf, troost uw verlaten herder!—Doch wat gedruisch, wat kreten zijn dat heden?Mijn makkers, die hun wil als wet beschouwen,Zijn wis een armen zwerver op het spoor,Ik word van hen bemind; toch valt het zwaar,Altijd hun lust tot ruw geweld te teug’len.Verberg u, Valentijn; wie kan daar zijn?(Hij wijkt ter zijde.)(Proteus,SilviaenJuliakomen op.)Proteus.Mejonkvrouw, ik bewees u dezen dienst,—19Schoon alles, wat uw dienaar doet, u niets is;—Ik waagde ’t leven en ontrukte u hemDie eer en liefde u zou ontwrongen hebben.Gun mij als loon een enk’len teed’ren blik;Om kleiner gunst kan ik u toch niet smeeken,En minder nog dan dit kunt gij niet geven.Valentijn(ter zijde).Is dit een droom, wat ik daar zie en hoor?Leen, Liefde, mij ’t geduld om kalm te blijven.Silvia.Ellendige en onzaal’ge, die ik ben!Proteus.Ellendig waart gij, jonkvrouw, eer ik kwam;Doch door mijn komst heb ik u heil gebracht.Silvia.Eerst ùw nabijheid maakt mij recht ellendig.Julia(ter zijde).En mij, wanneer hij u nabij wil zijn.Silvia.Had mij een uitgevaste leeuw gegrepen,’k Had liever ’t ondier tot ontbijt gestrekt,Dan dat de valsche Proteus mij bevrijdde.Tuig, Hemel, hoe ik Valentijn bemin,Wiens leven ik zou koest’ren als mijn ziele;En evenzoo,—daar meer onmooglijk is,—Haat ik den valschen, eedvergeten Proteus.Daarom, ga heen; houd niet meer bij mij aan.Proteus.Wat waagstuk zou ik, hoe de dood ook dreigde,Niet voor een enk’len zachten blik bestaan!O oude vloek der liefde, dat den manDe vrouw, die hij bemint, niet minnen kan!Silvia.Dat Proteus, die hem mint, niet minnen kan!Doorlees van Julia ’t hart, uw eerstbeminde;Om haar hebt gij uw trouw in duizend stukken,Die ge eeden noemt, verdeeld; en elken eedVerkeert ge in meineed en zweert dien aan mij.U rest geen trouw, of wel, gij hebt twee trouwen,Wat erger is dan geen; veel beter geen,Dan trouw in ’t meervoud; altijd één te veel.Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!Proteus.Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!Wie kent,Waar ’t liefde geldt, een vriend?Silvia.Waar ’t liefde geldt, een vriend?Slechts Proteus niet.Proteus.Nu, zoo der overreding zachte geestU niet tot zachtheid stemmen kan, zoo wil ikOp krijgsmanswijs u met mijn arm veroov’ren,U tegen liefdes innigst wezen minnen,U dwingen,—59Silvia.U dwingen,Hemel!Proteus.U dwingen, Hemel!Dwingen, mijn te zijn.Valentijn(vooruittredend).Ellend’ling, weg van haar die ruwe hand!Gij vriend van boos gehalte!Proteus.Gij vriend van boos gehalte!Valentijn!Valentijn.Gij lage vriend, gij zonder trouw of liefde,—Ja, zoo is nu een vriend,—gij aartsverrader!Gij hebt mijn hoop bedrogen; slechts mijn oogKon me overtuigen. Nooit meer kan ik zeggen:“Ik heb een vriend”; gij zoudt mij logenstraffen.Wie is betrouwbaar, als de rechterhandMeineedig wordt aan ’t harte? Proteus,Mij grieft, dat ik u nooit meer mag vertrouwen,Doch heel de wereld vreemd’ling mij moet zijn.O diepe zielswond! diepstvervloekte tijd,Dat gij, een vriend, mijn ergste vijand zijt!Proteus.Vernietigd ben ik door mijn schande en schuld.—Vergeef mij, Valentijn! Zoo diep berouwAls losgeld voor zoo zware schuld volstaat,Dan bied ik ’t hier; voorwaar mijn smart is groot,Zoo groot als mijn vergrijp.Valentijn.Zoo groot als mijn vergrijp.Ik ben voldaan;En reken u op nieuw een eerlijk man.Wien boete niet verzoent, behoort ten hemelNoch aarde; beide kan berouw verteed’ren,En de Eeuw’ge heft hen op, die zich verneed’ren.En, dat ik u weer vriend acht, blijke u nu:Al wat in Silvia mijn was, schenk ik u.Julia.O, ik onzaal’ge!(Zij zijgt neder.)Proteus.O, ik onzaal’ge!Zie, wat schort mijn knaap?Valentijn.Wat, knaap! hé schelmpje! wat moet dit beteek’nen?Zie op, en spreek!Julia.Zie op, en spreek!O heer, mijn meester gaf mijEen ring, om jonkvrouw Silvia dien te brengen;En ik verzuimde ’t uit onachtzaamheid.Proteus.Waar is die ring, knaap?Julia.Waar is die ring, knaap?Hier, hier is hij, heer.(Zij geeft hem een ring.)Proteus.Geef, laat mij zien.Dat is de ring, dien ik aan Julia gaf.93Julia.O heer, vergeef mij; ’k gaf u den verkeerden;Hier is de ring, dien gij aan Silvia zondt.(Zij toont een anderen ring.)Proteus.Doch hoe kwaamt gij aan dezen ring?Ik gaf hem Julia bij het afscheidnemen.Julia.En Julia zelf heeft hem aan mij gegeven,En Julia zelf heeft hem hierheen gebracht.Proteus.Wat! Julia!Julia.Ja, zie haar hier, het doel van al uw eeden,Die ze alle diep in ’t harte heeft bewaard;Hoe vaak hebt gij het diep gekliefd door meineed!O Proteus, deze kleeding doe u blozen;Schaam gij u, dat ik in onvoegzaam kleedMij hullen moest, indien ten minste schaamteBij valsche liefde woont!Bloost Zedigheid, verzaakt de vrouw haar kleed,Het grieft haar meer, verzaakt de man zijn eed.Proteus.De man zijn eed! ’t is waar; o was de manSteeds trouw, hij waar’ volmaakt; die eene feilWekt tal van zonden, maakt hem ziende blind;Ontrouw valt af, eer ’t minnen recht begint.Wat schoon siert Silvia, dat mijn oog thans niet,Weer trouw, veel schooner nog in Julia ziet?Valentijn.Komt, elk van u reik’ mij de hand!Gun mij ’t geluk, dat ik den heilvreê sluit;De haat van zulk een vriendenpaar hebbe uit.Proteus.Tuig, Hemel, ’k ben aan ’t einddoel mijner wenschen!Julia.En ik der mijne!(Bandieten komen op, met den Hertog enThurio.)Bandieten.Een vangst, een vangst! een vangst!Valentijn.Laat af! laat af! De hertog is ’t, de vorst!—Sta uw genade een man in ongenadeEen welkomst toe, den balling Valentijn.Hertog.Wat, Valentijn!Thurio.Wat, Valentijn!Mijn Silvia daar! de mijne!Valentijn.Thurio, terug, of gij omarmt den dood.Blijf buiten het bereik van mijnen toorn.Noem Silvia de uwe niet, want, zoo gij ’t waagt,Geheel Milaan beschermt u niet. Hier staat zij;Nu, waag het, roer haar met een vinger aan,Mijn liefste met een enk’len ademtocht!Thurio.Heer Valentijn, zij is mij onverschillig.Ik reken hem een dwaas, die voor een meisje,Dat hem verwerpt, zijn leven wagen wil;Ik maak geen aanspraak op haar; zij is u.Hertog.Des te nietswaardiger en laag zijt gij,Eerst zoo naar haar te staan, als gij het deedt,En dan op zulk een wijs haar op te geven.Voorwaar, bij de eere van mijn voorgeslacht,Ik juich uw moed toe, Valentijn, en rekenDe liefde u waardig van een keizerin.Daarom, al wat mij griefde zij vergeten;Mijn wrok vervloog; ik roep u weer terug.Uw onbetwistb’re waarde geeft u aanspraakOp nieuwen rang; dies zeg ik: Valentijn,Gij zijt een edelman van besten bloede;Neem gij uw Silvia, want gij zijt haar waard.Valentijn.Ik dank u, vorst, uw gift maakt mij gelukkig.Ik bid u thans, ter wille van uw dochter,Verleen mij ééne gunst, die ik u vraag.Hertog.’k Verleen u, wat ge ook wenscht, om uwentwil.Valentijn.Die mannen hier, met wie ik heb geleefd,Zijn ballingen van stand en van bekwaamheid.Vergeef hun, wat zij hier misdreven hebben,En roep hen uit hun ballingschap terug.Zij zijn verbeterd, welgezind, beschaafd,Voor hooge posten bruikbaar, edel vorst.Hertog.Gij wint uw pleit, als u vergeef ik hun;Geef hun een werkkring zooals gij hen kent.Doch gaan wij; ied’re wanklank zij verdoofdDoor blij gejuich en ongekende feesten.Valentijn.En onderweg beproeve mijn verhaalBij uw genade een glimlach uit te lokken.Wat dunkt u van deze’ edelknaap, mijn vorst?Hertog.De knaap is recht bevallig; zie, hij bloost.Valentijn.Ik zeg u, heer, bevallig eer, dan knaap.Hertog.Wat wilt gij daarmee zeggen?Valentijn.Behaagt het u, dan deel ik onder ’t gaanU zaken mee, die u verbazen zullen.—Kom, Proteus, dit moog’ heel uw boete zijn,De onthulling van uw liefdes aan te hooren;Dan moet mijn huwlijksdag ook de uwe zijn;Één feest, één huis, één onderling geluk.(Allen af.)
Een ander gedeelte van ’t woud.
Valentijnkomt op.
Valentijn.Wat maakt gewoonte ras den mensch iets eigen!Deez’ donkere eenzaamheid, dit stille woud,Behaagt mij meer dan rijke woel’ge steden.Hier kan ik eenzaam zitten, ongezien,Om aan het klagend lied des nachtegaalsMijn jammertonen en mijn wee te huwen.O gij, wier woning in mijn boezem is,Laat uwe huizing niet zoo lang verlaten,Dat ze in verval raak en tot puinhoop wordt,Zoodat geen spoor meer blijft van wat zij was.O schenk mij, Silvia, door uw bijzijn kracht!Gij, zoete nimf, troost uw verlaten herder!—Doch wat gedruisch, wat kreten zijn dat heden?Mijn makkers, die hun wil als wet beschouwen,Zijn wis een armen zwerver op het spoor,Ik word van hen bemind; toch valt het zwaar,Altijd hun lust tot ruw geweld te teug’len.Verberg u, Valentijn; wie kan daar zijn?
Valentijn.
Wat maakt gewoonte ras den mensch iets eigen!
Deez’ donkere eenzaamheid, dit stille woud,
Behaagt mij meer dan rijke woel’ge steden.
Hier kan ik eenzaam zitten, ongezien,
Om aan het klagend lied des nachtegaals
Mijn jammertonen en mijn wee te huwen.
O gij, wier woning in mijn boezem is,
Laat uwe huizing niet zoo lang verlaten,
Dat ze in verval raak en tot puinhoop wordt,
Zoodat geen spoor meer blijft van wat zij was.
O schenk mij, Silvia, door uw bijzijn kracht!
Gij, zoete nimf, troost uw verlaten herder!—
Doch wat gedruisch, wat kreten zijn dat heden?
Mijn makkers, die hun wil als wet beschouwen,
Zijn wis een armen zwerver op het spoor,
Ik word van hen bemind; toch valt het zwaar,
Altijd hun lust tot ruw geweld te teug’len.
Verberg u, Valentijn; wie kan daar zijn?
(Hij wijkt ter zijde.)
(Proteus,SilviaenJuliakomen op.)
Proteus.Mejonkvrouw, ik bewees u dezen dienst,—19Schoon alles, wat uw dienaar doet, u niets is;—Ik waagde ’t leven en ontrukte u hemDie eer en liefde u zou ontwrongen hebben.Gun mij als loon een enk’len teed’ren blik;Om kleiner gunst kan ik u toch niet smeeken,En minder nog dan dit kunt gij niet geven.
Proteus.
Mejonkvrouw, ik bewees u dezen dienst,—19
Schoon alles, wat uw dienaar doet, u niets is;—
Ik waagde ’t leven en ontrukte u hem
Die eer en liefde u zou ontwrongen hebben.
Gun mij als loon een enk’len teed’ren blik;
Om kleiner gunst kan ik u toch niet smeeken,
En minder nog dan dit kunt gij niet geven.
Valentijn(ter zijde).Is dit een droom, wat ik daar zie en hoor?Leen, Liefde, mij ’t geduld om kalm te blijven.
Valentijn
(ter zijde).Is dit een droom, wat ik daar zie en hoor?
Leen, Liefde, mij ’t geduld om kalm te blijven.
Silvia.Ellendige en onzaal’ge, die ik ben!
Silvia.
Ellendige en onzaal’ge, die ik ben!
Proteus.Ellendig waart gij, jonkvrouw, eer ik kwam;Doch door mijn komst heb ik u heil gebracht.
Proteus.
Ellendig waart gij, jonkvrouw, eer ik kwam;
Doch door mijn komst heb ik u heil gebracht.
Silvia.Eerst ùw nabijheid maakt mij recht ellendig.
Silvia.
Eerst ùw nabijheid maakt mij recht ellendig.
Julia(ter zijde).En mij, wanneer hij u nabij wil zijn.
Julia
(ter zijde).En mij, wanneer hij u nabij wil zijn.
Silvia.Had mij een uitgevaste leeuw gegrepen,’k Had liever ’t ondier tot ontbijt gestrekt,Dan dat de valsche Proteus mij bevrijdde.Tuig, Hemel, hoe ik Valentijn bemin,Wiens leven ik zou koest’ren als mijn ziele;En evenzoo,—daar meer onmooglijk is,—Haat ik den valschen, eedvergeten Proteus.Daarom, ga heen; houd niet meer bij mij aan.
Silvia.
Had mij een uitgevaste leeuw gegrepen,
’k Had liever ’t ondier tot ontbijt gestrekt,
Dan dat de valsche Proteus mij bevrijdde.
Tuig, Hemel, hoe ik Valentijn bemin,
Wiens leven ik zou koest’ren als mijn ziele;
En evenzoo,—daar meer onmooglijk is,—
Haat ik den valschen, eedvergeten Proteus.
Daarom, ga heen; houd niet meer bij mij aan.
Proteus.Wat waagstuk zou ik, hoe de dood ook dreigde,Niet voor een enk’len zachten blik bestaan!O oude vloek der liefde, dat den manDe vrouw, die hij bemint, niet minnen kan!
Proteus.
Wat waagstuk zou ik, hoe de dood ook dreigde,
Niet voor een enk’len zachten blik bestaan!
O oude vloek der liefde, dat den man
De vrouw, die hij bemint, niet minnen kan!
Silvia.Dat Proteus, die hem mint, niet minnen kan!Doorlees van Julia ’t hart, uw eerstbeminde;Om haar hebt gij uw trouw in duizend stukken,Die ge eeden noemt, verdeeld; en elken eedVerkeert ge in meineed en zweert dien aan mij.U rest geen trouw, of wel, gij hebt twee trouwen,Wat erger is dan geen; veel beter geen,Dan trouw in ’t meervoud; altijd één te veel.Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!
Silvia.
Dat Proteus, die hem mint, niet minnen kan!
Doorlees van Julia ’t hart, uw eerstbeminde;
Om haar hebt gij uw trouw in duizend stukken,
Die ge eeden noemt, verdeeld; en elken eed
Verkeert ge in meineed en zweert dien aan mij.
U rest geen trouw, of wel, gij hebt twee trouwen,
Wat erger is dan geen; veel beter geen,
Dan trouw in ’t meervoud; altijd één te veel.
Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!
Proteus.Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!Wie kent,Waar ’t liefde geldt, een vriend?
Proteus.
Gij huich’laar bij uw trouwsten vriend!Wie kent,
Waar ’t liefde geldt, een vriend?
Silvia.Waar ’t liefde geldt, een vriend?Slechts Proteus niet.
Silvia.
Waar ’t liefde geldt, een vriend?Slechts Proteus niet.
Proteus.Nu, zoo der overreding zachte geestU niet tot zachtheid stemmen kan, zoo wil ikOp krijgsmanswijs u met mijn arm veroov’ren,U tegen liefdes innigst wezen minnen,U dwingen,—59
Proteus.
Nu, zoo der overreding zachte geest
U niet tot zachtheid stemmen kan, zoo wil ik
Op krijgsmanswijs u met mijn arm veroov’ren,
U tegen liefdes innigst wezen minnen,
U dwingen,—59
Silvia.U dwingen,Hemel!
Silvia.
U dwingen,Hemel!
Proteus.U dwingen, Hemel!Dwingen, mijn te zijn.
Proteus.
U dwingen, Hemel!Dwingen, mijn te zijn.
Valentijn(vooruittredend).Ellend’ling, weg van haar die ruwe hand!Gij vriend van boos gehalte!
Valentijn
(vooruittredend).Ellend’ling, weg van haar die ruwe hand!
Gij vriend van boos gehalte!
Proteus.Gij vriend van boos gehalte!Valentijn!
Proteus.
Gij vriend van boos gehalte!Valentijn!
Valentijn.Gij lage vriend, gij zonder trouw of liefde,—Ja, zoo is nu een vriend,—gij aartsverrader!Gij hebt mijn hoop bedrogen; slechts mijn oogKon me overtuigen. Nooit meer kan ik zeggen:“Ik heb een vriend”; gij zoudt mij logenstraffen.Wie is betrouwbaar, als de rechterhandMeineedig wordt aan ’t harte? Proteus,Mij grieft, dat ik u nooit meer mag vertrouwen,Doch heel de wereld vreemd’ling mij moet zijn.O diepe zielswond! diepstvervloekte tijd,Dat gij, een vriend, mijn ergste vijand zijt!
Valentijn.
Gij lage vriend, gij zonder trouw of liefde,—
Ja, zoo is nu een vriend,—gij aartsverrader!
Gij hebt mijn hoop bedrogen; slechts mijn oog
Kon me overtuigen. Nooit meer kan ik zeggen:
“Ik heb een vriend”; gij zoudt mij logenstraffen.
Wie is betrouwbaar, als de rechterhand
Meineedig wordt aan ’t harte? Proteus,
Mij grieft, dat ik u nooit meer mag vertrouwen,
Doch heel de wereld vreemd’ling mij moet zijn.
O diepe zielswond! diepstvervloekte tijd,
Dat gij, een vriend, mijn ergste vijand zijt!
Proteus.Vernietigd ben ik door mijn schande en schuld.—Vergeef mij, Valentijn! Zoo diep berouwAls losgeld voor zoo zware schuld volstaat,Dan bied ik ’t hier; voorwaar mijn smart is groot,Zoo groot als mijn vergrijp.
Proteus.
Vernietigd ben ik door mijn schande en schuld.—
Vergeef mij, Valentijn! Zoo diep berouw
Als losgeld voor zoo zware schuld volstaat,
Dan bied ik ’t hier; voorwaar mijn smart is groot,
Zoo groot als mijn vergrijp.
Valentijn.Zoo groot als mijn vergrijp.Ik ben voldaan;En reken u op nieuw een eerlijk man.Wien boete niet verzoent, behoort ten hemelNoch aarde; beide kan berouw verteed’ren,En de Eeuw’ge heft hen op, die zich verneed’ren.En, dat ik u weer vriend acht, blijke u nu:Al wat in Silvia mijn was, schenk ik u.
Valentijn.
Zoo groot als mijn vergrijp.Ik ben voldaan;
En reken u op nieuw een eerlijk man.
Wien boete niet verzoent, behoort ten hemel
Noch aarde; beide kan berouw verteed’ren,
En de Eeuw’ge heft hen op, die zich verneed’ren.
En, dat ik u weer vriend acht, blijke u nu:
Al wat in Silvia mijn was, schenk ik u.
Julia.O, ik onzaal’ge!
Julia.
O, ik onzaal’ge!
(Zij zijgt neder.)
Proteus.O, ik onzaal’ge!Zie, wat schort mijn knaap?
Proteus.
O, ik onzaal’ge!Zie, wat schort mijn knaap?
Valentijn.Wat, knaap! hé schelmpje! wat moet dit beteek’nen?Zie op, en spreek!
Valentijn.
Wat, knaap! hé schelmpje! wat moet dit beteek’nen?
Zie op, en spreek!
Julia.Zie op, en spreek!O heer, mijn meester gaf mijEen ring, om jonkvrouw Silvia dien te brengen;En ik verzuimde ’t uit onachtzaamheid.
Julia.
Zie op, en spreek!O heer, mijn meester gaf mij
Een ring, om jonkvrouw Silvia dien te brengen;
En ik verzuimde ’t uit onachtzaamheid.
Proteus.Waar is die ring, knaap?
Proteus.
Waar is die ring, knaap?
Julia.Waar is die ring, knaap?Hier, hier is hij, heer.
Julia.
Waar is die ring, knaap?Hier, hier is hij, heer.
(Zij geeft hem een ring.)
Proteus.Geef, laat mij zien.Dat is de ring, dien ik aan Julia gaf.93
Proteus.
Geef, laat mij zien.
Dat is de ring, dien ik aan Julia gaf.93
Julia.O heer, vergeef mij; ’k gaf u den verkeerden;Hier is de ring, dien gij aan Silvia zondt.
Julia.
O heer, vergeef mij; ’k gaf u den verkeerden;
Hier is de ring, dien gij aan Silvia zondt.
(Zij toont een anderen ring.)
Proteus.Doch hoe kwaamt gij aan dezen ring?Ik gaf hem Julia bij het afscheidnemen.
Proteus.
Doch hoe kwaamt gij aan dezen ring?
Ik gaf hem Julia bij het afscheidnemen.
Julia.En Julia zelf heeft hem aan mij gegeven,En Julia zelf heeft hem hierheen gebracht.
Julia.
En Julia zelf heeft hem aan mij gegeven,
En Julia zelf heeft hem hierheen gebracht.
Proteus.Wat! Julia!
Proteus.
Wat! Julia!
Julia.Ja, zie haar hier, het doel van al uw eeden,Die ze alle diep in ’t harte heeft bewaard;Hoe vaak hebt gij het diep gekliefd door meineed!O Proteus, deze kleeding doe u blozen;Schaam gij u, dat ik in onvoegzaam kleedMij hullen moest, indien ten minste schaamteBij valsche liefde woont!Bloost Zedigheid, verzaakt de vrouw haar kleed,Het grieft haar meer, verzaakt de man zijn eed.
Julia.
Ja, zie haar hier, het doel van al uw eeden,
Die ze alle diep in ’t harte heeft bewaard;
Hoe vaak hebt gij het diep gekliefd door meineed!
O Proteus, deze kleeding doe u blozen;
Schaam gij u, dat ik in onvoegzaam kleed
Mij hullen moest, indien ten minste schaamte
Bij valsche liefde woont!
Bloost Zedigheid, verzaakt de vrouw haar kleed,
Het grieft haar meer, verzaakt de man zijn eed.
Proteus.De man zijn eed! ’t is waar; o was de manSteeds trouw, hij waar’ volmaakt; die eene feilWekt tal van zonden, maakt hem ziende blind;Ontrouw valt af, eer ’t minnen recht begint.Wat schoon siert Silvia, dat mijn oog thans niet,Weer trouw, veel schooner nog in Julia ziet?
Proteus.
De man zijn eed! ’t is waar; o was de man
Steeds trouw, hij waar’ volmaakt; die eene feil
Wekt tal van zonden, maakt hem ziende blind;
Ontrouw valt af, eer ’t minnen recht begint.
Wat schoon siert Silvia, dat mijn oog thans niet,
Weer trouw, veel schooner nog in Julia ziet?
Valentijn.Komt, elk van u reik’ mij de hand!Gun mij ’t geluk, dat ik den heilvreê sluit;De haat van zulk een vriendenpaar hebbe uit.
Valentijn.
Komt, elk van u reik’ mij de hand!
Gun mij ’t geluk, dat ik den heilvreê sluit;
De haat van zulk een vriendenpaar hebbe uit.
Proteus.Tuig, Hemel, ’k ben aan ’t einddoel mijner wenschen!
Proteus.
Tuig, Hemel, ’k ben aan ’t einddoel mijner wenschen!
Julia.En ik der mijne!
Julia.
En ik der mijne!
(Bandieten komen op, met den Hertog enThurio.)
Bandieten.Een vangst, een vangst! een vangst!
Bandieten.
Een vangst, een vangst! een vangst!
Valentijn.Laat af! laat af! De hertog is ’t, de vorst!—Sta uw genade een man in ongenadeEen welkomst toe, den balling Valentijn.
Valentijn.
Laat af! laat af! De hertog is ’t, de vorst!—
Sta uw genade een man in ongenade
Een welkomst toe, den balling Valentijn.
Hertog.Wat, Valentijn!
Hertog.
Wat, Valentijn!
Thurio.Wat, Valentijn!Mijn Silvia daar! de mijne!
Thurio.
Wat, Valentijn!Mijn Silvia daar! de mijne!
Valentijn.Thurio, terug, of gij omarmt den dood.Blijf buiten het bereik van mijnen toorn.Noem Silvia de uwe niet, want, zoo gij ’t waagt,Geheel Milaan beschermt u niet. Hier staat zij;Nu, waag het, roer haar met een vinger aan,Mijn liefste met een enk’len ademtocht!
Valentijn.
Thurio, terug, of gij omarmt den dood.
Blijf buiten het bereik van mijnen toorn.
Noem Silvia de uwe niet, want, zoo gij ’t waagt,
Geheel Milaan beschermt u niet. Hier staat zij;
Nu, waag het, roer haar met een vinger aan,
Mijn liefste met een enk’len ademtocht!
Thurio.Heer Valentijn, zij is mij onverschillig.Ik reken hem een dwaas, die voor een meisje,Dat hem verwerpt, zijn leven wagen wil;Ik maak geen aanspraak op haar; zij is u.
Thurio.
Heer Valentijn, zij is mij onverschillig.
Ik reken hem een dwaas, die voor een meisje,
Dat hem verwerpt, zijn leven wagen wil;
Ik maak geen aanspraak op haar; zij is u.
Hertog.Des te nietswaardiger en laag zijt gij,Eerst zoo naar haar te staan, als gij het deedt,En dan op zulk een wijs haar op te geven.Voorwaar, bij de eere van mijn voorgeslacht,Ik juich uw moed toe, Valentijn, en rekenDe liefde u waardig van een keizerin.Daarom, al wat mij griefde zij vergeten;Mijn wrok vervloog; ik roep u weer terug.Uw onbetwistb’re waarde geeft u aanspraakOp nieuwen rang; dies zeg ik: Valentijn,Gij zijt een edelman van besten bloede;Neem gij uw Silvia, want gij zijt haar waard.
Hertog.
Des te nietswaardiger en laag zijt gij,
Eerst zoo naar haar te staan, als gij het deedt,
En dan op zulk een wijs haar op te geven.
Voorwaar, bij de eere van mijn voorgeslacht,
Ik juich uw moed toe, Valentijn, en reken
De liefde u waardig van een keizerin.
Daarom, al wat mij griefde zij vergeten;
Mijn wrok vervloog; ik roep u weer terug.
Uw onbetwistb’re waarde geeft u aanspraak
Op nieuwen rang; dies zeg ik: Valentijn,
Gij zijt een edelman van besten bloede;
Neem gij uw Silvia, want gij zijt haar waard.
Valentijn.Ik dank u, vorst, uw gift maakt mij gelukkig.Ik bid u thans, ter wille van uw dochter,Verleen mij ééne gunst, die ik u vraag.
Valentijn.
Ik dank u, vorst, uw gift maakt mij gelukkig.
Ik bid u thans, ter wille van uw dochter,
Verleen mij ééne gunst, die ik u vraag.
Hertog.’k Verleen u, wat ge ook wenscht, om uwentwil.
Hertog.
’k Verleen u, wat ge ook wenscht, om uwentwil.
Valentijn.Die mannen hier, met wie ik heb geleefd,Zijn ballingen van stand en van bekwaamheid.Vergeef hun, wat zij hier misdreven hebben,En roep hen uit hun ballingschap terug.Zij zijn verbeterd, welgezind, beschaafd,Voor hooge posten bruikbaar, edel vorst.
Valentijn.
Die mannen hier, met wie ik heb geleefd,
Zijn ballingen van stand en van bekwaamheid.
Vergeef hun, wat zij hier misdreven hebben,
En roep hen uit hun ballingschap terug.
Zij zijn verbeterd, welgezind, beschaafd,
Voor hooge posten bruikbaar, edel vorst.
Hertog.Gij wint uw pleit, als u vergeef ik hun;Geef hun een werkkring zooals gij hen kent.Doch gaan wij; ied’re wanklank zij verdoofdDoor blij gejuich en ongekende feesten.
Hertog.
Gij wint uw pleit, als u vergeef ik hun;
Geef hun een werkkring zooals gij hen kent.
Doch gaan wij; ied’re wanklank zij verdoofd
Door blij gejuich en ongekende feesten.
Valentijn.En onderweg beproeve mijn verhaalBij uw genade een glimlach uit te lokken.Wat dunkt u van deze’ edelknaap, mijn vorst?
Valentijn.
En onderweg beproeve mijn verhaal
Bij uw genade een glimlach uit te lokken.
Wat dunkt u van deze’ edelknaap, mijn vorst?
Hertog.De knaap is recht bevallig; zie, hij bloost.
Hertog.
De knaap is recht bevallig; zie, hij bloost.
Valentijn.Ik zeg u, heer, bevallig eer, dan knaap.
Valentijn.
Ik zeg u, heer, bevallig eer, dan knaap.
Hertog.Wat wilt gij daarmee zeggen?
Hertog.
Wat wilt gij daarmee zeggen?
Valentijn.Behaagt het u, dan deel ik onder ’t gaanU zaken mee, die u verbazen zullen.—Kom, Proteus, dit moog’ heel uw boete zijn,De onthulling van uw liefdes aan te hooren;Dan moet mijn huwlijksdag ook de uwe zijn;Één feest, één huis, één onderling geluk.
Valentijn.
Behaagt het u, dan deel ik onder ’t gaan
U zaken mee, die u verbazen zullen.—
Kom, Proteus, dit moog’ heel uw boete zijn,
De onthulling van uw liefdes aan te hooren;
Dan moet mijn huwlijksdag ook de uwe zijn;
Één feest, één huis, één onderling geluk.
(Allen af.)
Aanteekeningen.Van dit stuk is geen oudere druk bekend dan die in de Folio-uitgave van 1623 te vinden is; dat het reeds vóór 1598 was opgevoerd, blijkt uit de vermelding er van doorFrancis Meresin zijnPalladis Tamia(zie boven blz. 47 en 120). Maar ongetwijfeld is het stuk eenige jaren ouder. Let men op den ganschen bouw er van, op den versbouw, het veelvuldig voorkomen van het rijm en van knuppelverzen, op de woordspelingen, op de wijze waarop de twee dienaren als Clowns optreden, op de overeenstemming met gedachten, in “Venus en Adonis” en in Sonnetten uitgedrukt, dan wordt men hiervan ten stelligste overtuigd. Het vermoeden, dat het stuk van 1591 dagteekent, komt zeker der waarheid zeer nabij. Of het ouder of jonger is dan “de Klucht der vergissingen” en “Veel gemin, geen gewin” is ondertusschen niet wel uit te maken.Voor zoover wij kunnen oordeelen, heeft Shakespeare het plan voor dit stuk geheel zelf ontworpen en niet aan een novelle of iets dergelijks ontleend, al moge dit met enkele bijzonderheden wel het geval zijn. De geschiedenis van Proteus en Julia vertoont namelijk in enkele punten vrij groote overeenkomst met die van Don Felix en Felismena in den herdersromanLa Diana, van den Spaanschen dichter Jorge de Montemayor1, een werk, dat in 1598 in het Engelsch verscheen en veel opgang maakte, maar vele jaren vroeger vertaald en als handschrift door velen gelezen was; reeds in 1584 schijnt uit dezen roman een blijspel,The history of Felix and Philiomena, getrokken en ten hove opgevoerd te zijn.—Wie juist weten wil, wat Shakespeare aan dezen roman ontleend kan hebben, vindt de hiertoe noodige uittreksels in Delius’ Shakespeare-uitgave.Bij de poging om dit stuk te beoordeelen, stuit men op groote moeilijkheden, zooals wel uit het zeer verschillend oordeel van uitgevers en critici blijken kan, waaromtrent men Knight in zijn Imperial edition van Shakespeare moge naslaan. Terwijl men, het geheele stuk door, den dichter aan zijn zeggingskracht, zijn versbouw, zijn rijkdom van gedachten, zijn wijze om de personen te karakteriseeren herkent, treft men in het beloop van het stuk zooveel tegenstrijdigheden aan, dat men tot het besluit moet komen, een verminkt en door onbevoegde hand gewijzigd stuk van Shakespeare voor zich te hebben. Men oordeele. Valentijn en Proteus worden naar het hof des keizers gezonden, maar komen bij een naamloozen hertog te Milaan aan; van een schoonen ridder Eglamour wordt in Verona verteld, dat hij naar Julia’s hand dingt, en in Milaan wordt van Eglamour getuigd, dat hij, om de nagedachtenis zijner gestorven geliefde in eere te houden, de gelofte van eeuwige kuischheid heeft afgelegd; hij wordt door Silvia gekenschetst als ridder zonder smet of blaam en door haar als beschermer gekozen op haar reis, maar weet, door roovers overvallen, verbazend snel beenen te maken; Julia heeft in het eerste bedrijf een vader, maar geeft, als zij haar tocht gaat ondernemen, het beheer van haar vermogen, landerijen enz. aan haar kamerjuffer en vertrouwde over; als Proteus een poos met Silvia gekeuveld heeft, zegt hij: “Ik heb nog alleen hare beeltenis gezien”; Julia geeft aan Silvia eerst een verkeerden brief en daarna den rechten, maar van den eersten hoort men niets meer; Silvia ontmoet volgens afspraak den ridder Eglamour bij de cel van broeder Patricius, en toch zegt later haar vader, dat zij er niet geweest is; Valentijn zucht in het bosch om Silvia, ontrukt haar aan de handen van zijn trouweloozen vriend Proteus, die door Silvia verafschuwd wordt, maar staat, zoodra Proteus schuld belijdt en berouw toont, hem zijn Silvia oogenblikkelijk af, en deze heeft niets hiertegen te zeggen.Bij nauwkeurige beschouwing vindt men enkele bijzonderheden, die ons vermoeden, dat het stuk gewijzigd is geworden, zeer versterken. Waarschijnlijk kwamen Valentijn en Proteus wel aan ’s keizers hof aan, en is de keizer tot hertog gedegradeerd; want tot tweemaal toe zegt de hertog, eerst van Proteus, daarna van Valentijn, dat zij de liefde eenerkeizerinwaardig zijn; van den laatste, dat hij in den raad eenskeizersop zijn plaats zou wezen; de omgang van Valentijn met Silvia getuigt van een zeer groot verschil in stand; daarmede strookt de hoogheid van de verwijten des hertogs aan Valentijn, die van hetkoninklijkhof verbannen wordt; de omgang van Valentijn met Silvia was ongetwijfeld door den keizer argeloos toegelaten, omdat het verschil in rang zeer groot was.—Dat de keizer tot een hertog wordt, die de wenschen van een minnaar als Thurio begunstigt, is zeker aan een lateren bewerker te danken.—In het oorspronkelijk stuk was Silvia’s portret zeker van meer beteekenis en werd door Proteus gezien en bewonderd, vóór hij haar zelf zag. Eglamour was waarschijnlijk ook een ander persoon; misschien had Valentijn de reis van Silvia met Eglamour en beider vertrouwelijken omgang verkeerd opgevat en zijn geliefde voor trouweloos gehouden, zoodat hij daarom bereid is, haar aan Proteus af te staan.—Julia zal waarschijnlijk een brief van Proteus, die aan haarzelf gericht was, aan Silvia overhandigd hebben en zich daardoor aan deze bekend gemaakt.—Wat er van dit alles zij, zooveel kan uit het bovenstaande blijken, dat het stuk, ons door de Folio-uitgave van 1623 bewaard gebleven, vermoedelijk aanmerkelijk afwijkt van wat de dichter geschreven heeft; de leemten, die wij er in opmerken, kunnen niet wel aan een plan- of gedachteloosheid des dichters zijn toe te schrijven. Het is dus hoogstwaarschijnlijk, dat het oorspronkelijk stuk door een omwerker is gewijzigd; misschien was het verminkt geraakt of verloren gegaan, en heeft een onbevoegde hand het met behulp van gedeeltelijke handschriften of uitgeschreven rollen weder trachten samen te stellen.I. 1. 2.Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen.Die niet verder ziet dan de muren van zijn huis. In ’t Engelsch:Homekeeping youth have ever homely wits.I. 1. 17.Want ik wil voor u bidden, Valentijn.For I will be thy beadsman, Valentine.Een man die aangesteld is om gebeden voor iemand te doen.I. 1. 27.Wat, laarzen?enz. In ’t Engelsch is hier een drievoudige woordspeling metboots, laarzen,to give the boots, belachelijk maken, ento boot, baten, bevoordeelen.—De Spaansche laarzen, hier genoemd, zijn het bekende foltertuig.I. 1. 53.Want aan de haven wachtenz. In ’t Engelsch staatat the road, aan de reede; men zou dus zeggen, dat Verona hier als een zeestad beschouwd moet worden. Er zijn bewijzengenoeg, dat Shakespeare met de geographie van Italië zeer goed vertrouwd was; men behoeft hem volstrekt niet van onwetendheid te verdenken. De toeschouwers waren Londenaars; bij grootere reizen naar een anderen staat moesten waterwegen gevolgd worden; de dichter maakt er voor zijn personen daarom ook gebruik van en stelt hiermede de reis zijn toeschouwers aanschouwelijk voor oogen; al ontleent hij de namen van personen en plaatsen aan Italië, Engelsche toestanden staan hem voor den geest; hier geeft hem een oogenblik later het nagenoeg eveneens klinken vanshipensheep(schip en schaap) aanleiding tot een woordspeling; later wil Lans (II. 3. 58.) het stroombed met tranen vullen, waarbij den toeschouwers de Theems voor den geest kwam; bij struikroovers dachten deze terstond aan de bekende roovers van Sherwoodforest, bij wie broeder Tuck kapelaan was; daarom laat de dichter (IV. 1. 36.) Italiaansche roovers bij de geschoren kruin van dien pater zweren. Zulk een dichterlijke vrijheid, die de voorgestelde zaken recht aanschouwelijk maakte, veroorloofden zich in de middeleeuwen de dichters algemeen, en dit gebruik was tot den tijd van Shakespeare in zwang gebleven. Aan onwetendheid des dichters behoeft men niet te denken.I. 1. 101.Ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, een verkoren schaap.In ’t Engelsch:I, a lost mutton, gave your letter to her, a laced mutton.Een woordspeling metlostenlaced, waarbij men bedenke, dat in Sh.’s tijd deainlacednog niet met den e-klank werd uitgesproken, zoodat de overeenkomst vanlostenlacedtoen grooter was dan thans.Lacedbeteekent eigenlijk gevangen of vastgehouden, daar het substantieflaceofstrik(in ’t Latijnlaqueus) of ook eennetbeteekent, zoodatlacedeen goede tegenstelling metlostvormt. Men denke dus niet aan een met kanten behangen jonkvrouw en veel minder geve menlaced muttonde beteekenis van “licht vrouwspersoon”,—want al is Flink, die woedend is, dat hij geen fooi ontvangen heeft, brutaal genoeg om zich zulk een uitdrukking ten opzichte van de geliefde zijns meesters te veroorloven, zijn heer zou toch zeker zulk een gezegde niet zoo kalm aanhooren.I. 1. 110.U te schutten, enz. Dit geheele gesprek van Proteus met zijn dienaar is vol woordspelingen. Hij gebruikt hier het woordpoundin de beteekenis van in de schutskooi steken, zooals men verdwaald vee doet. Flink vat het op als een pond sterling en splitst daarna het woordpinfold, schaapskooi, inpin, een speld, een waardeloos ding, enfold. Daarop volgt weer de samenvoeging vannod, knikken, met het voornaamwoordI, ik, of het bevestigendeay, ja, totnoddy, onnoozele bloed.—In het origineel voegde Theobald achter het zeggen:But what said she?als waarschijnlijk uitgevallen, de woorden:Did she nod?welke op blz. 160 ook in de vertaling zijn opgenomen; zoo kon het onvertaalbarenoddydoor een andere woordspeling vervangen worden.I. 1. 152.De grootte uwer mildheidenz. Hier heeft het Engelsch een woordspeling mettestify, betuigen, entestern, met eentester,—een geldstukje van een halven shilling waarde, waar een kop,testa,tête, op gestempeld was,—begiftigen, een woord van Sh.’s maaksel.I. 1. 156.Gij zijt de veiligheid van ’t schip.Op het zeggen, dat wie voor de galg bestemd is, niet verdrinkt, zinspeelt Sh. ook in den “Storm”, I. 1. 30.I. 2. 55.Meisjes zeggen zedig neen.Een Engelsch spreekwoord zegt:Maids say nay, and take it, “meisjes zeggen neen en tasten toe”.I. 2. 83.Luchte liefde.Een lied, “Light o’ love” beginnend, waarop gedanst werd; zooals men toen gewoon was te doen; dezelfde wijs wordt genoemd in “Veel leven om niets”, III. 4. 44, waar gezegd wordt: “zing gij het, dan zal ik dansen”.—In het volgende worden allerlei uitdrukkingen, voor muziek gebruikelijk, tevens in een anderen zin opgevat; zoo beteekentburdenzoowel “refrein” als “last”,base“basstem” en tevens een op het land gebruikelijk krijgertjesspel, ookprison baseofprison barsgeheeten, waarbijto bid the base, het uittarten is van den speler, dat hij niet gekregen kan worden; men zie “Venus en Adonis” reg. 303 en “Cymbeline” V 3. 19.I. 2. 114.Mijn boezem zij uw bed.De dames hadden voor aan haar keurs een zakje voor het bergen van brieven; meermalen wordt hierop gezinspeeld, men zie bijv. in dit stuk III. 1. 144 en 250.I. 2. 137.Dat gij ze diep vereert.Er staat:you have a month mind to them, gij zijt er zeer belust op, zooals een vrouw soms heftige, voorbijgaandeverlangensheeft.II. 1. 2.Die hoort mij niet.In ’t Engelsch is een woordspeling metonenone, wat toen tamelijk gelijk werd uitgesproken.II. 1. 26.Als een bedelaar op Allerheiligen.Op Allerheiligen liepen bedelaars, zacht zingende, de huizen af en ontvingen dan zielekoeken,soulcakes, als het loon hunner gebeden voor de dooden.—Voor hetstappen als een leeuwstaat in ’t oorspronkelijke: “als een der leeuwen”, waardoor de dichter zijn gehoor de leeuwen van den Tower voor den geest bracht.II. 1. 79.Zijn hoosbanden.Het vergeten der hoosbanden wordt door Shakespeare meermalen als een teeken van verliefdheid aangehaald, zie “Elk wat wils” (As you like it), III. 2. 397; men vergelijke ook “Hamlet” II. 1. 80.—Flink overdrijft nu nog, en zegt, dat Valentijn zelfs vergat zijn hozen aan te trekken.II. 1. 106.Heer Valentijn, mijn dienaar.In Sh.’s tijd werden de vereerders of minnaars eener schoone of gebiedster,MadamofMistress, vaakservantgenoemd, wat dus nagenoeg hetzelfde beteekent alslover.II. 3. 4.De verloopen zoon.In ’t Engelsch zegt Lansprodigiousvoorprodigalenimperialsvooremperor’sofimperial.—De naam van den hond,Crab, beteekent wilde appel.II. 3. 39.Het tij verloopt.Het Engelsch heeft hier een woordspeling mettide, “getij” entied, de vastgebondene (de hond).II. 4. 152.Een macht, een overheid.Van een hoogen rang in de engelenschaar; zie Paulus’ Brief aan de Romeinen, VIII. 38.II. 4. 192.Gelijk een gloed een and’ren gloed verdringt.Men vindt dezelfde beelden in “Coriolanus”, IV. 7. 54.II. 4. 196.Is ’t nu mijn oog.Het Engelsch is hier onvolledig;Is it mine orenz. Het is waarschijnlijker dat hier gelezen moet worden met Warburton:Is it mine eye orenz. dan, met Malone,Is it her mien orenz.II. 4. 201.Zooals een wassen beeld bij ’t vuur.Men vergelijke “Koning Jan” V. 4. 24. Er wordt gedacht aan wassen beelden, die door toovenaars bij het vuur werden gehouden, om door smelten van het beeld de persoon, die er door werd voorgesteld, te doen wegkwijnen.II. 5. 1.Welkom in Milaan.In den tekst der folio-uitgave staat Padua, zooals inIII. 1. 81enV. 4. 129. Verona voor Milaan. Het is mogelijk, dat Shakespeare zelf zoo geschreven heeft, voor hij vast bepaald had, waar hij het stuk zou laten spelen, maar ’t kan ook aan een omwerker liggen.II. 5. 61.Dat gij een Christenmensch een glas bier gunt.In ’t Engelsch:As to go to the ale with a Christian.“Ale” beteekentbier, maar ook een christelijk volksfeest, waarop, vóór de hervorming, het door de geestelijken gebrouwen bier verkocht werd, aan het volk op het kerkhof, aan de aanzienlijken in de kerk zelf; de opbrengst was voor het onderhoud der kerken bestemd. Naar de plaats en het jaargetijde droeg het bier verschillende namen:Lamb-ale,Bride-ale,Church-ale,Whitesun-ale.—Als Flink met Lans niet naar eenAle, naar zulk een kerkelijk feest, wil gaan, is hij geen christenmensch.II. 7. 53.Met een klep.In ’t Engelsch staat:with a codpiece, wat aldus verklaard kan worden: “a part of the male dress, very indelicately conspicuous in the poet’s time”. Het werd nog al sterk opgevuld, zoodat het wel als een speldenkussen dienst kon doen, waarom er ook in andere comedies van dien tijd de draak mee gestoken wordt. Men bezigde dit deel ook wel als zak om de beurs in te bergen, zie “Winteravondsprookje”, IV. 4. 623.III. 1. 81.Hier in deze stad.In den tekst staat:in Verona here.III. 1. 153.Gij Phaëton, gij and’re Merops-zoon.De vertaling is hier niet letterlijk; er staat eigenlijk: “Wat! Phaëton,—want gij zijt Merops’ zoon”.—Phaëton was de zoon van Helios, den Zonnegod, en van Clymene, die met den koning Merops, in Aethiopië, gehuwd was; deze was dus Phaëton’s aardsche vader te noemen. De tusschenzinwantenz. kan eenvoudig beteekenen: “want gijzijtinderdaad een Phaëton”, en dan is de vertaling op blz. 175 zeer juist. Wil men er uit lezen: “want gij zijt een zoon van Merops, niet van den zonnegod, maar van een mensch, dus van een lage afkomst”,—dan moet de hier gegeven, meer letterlijke vertaling gevolgd worden; deze verklaring komt mij echter vrij gezocht voor en het “want”,for, past er slecht bij; de eerste schijnt mij de ware te zijn.III. 1. 263.Dubbele schurk.In meer dan één opzicht een schurk.III. 1. 300.Toon door Sint Nikolaas u flink.Sint Nikolaas was de beschermheilige der scholieren en moest daarom Flink in ’t lezen bijstaan. De legende verhaalt, dat hij reeds als knaap bisschop werd.III. 1. 307.Zij kan naaien.In ’t Engelsch:she can sew, waarvoor in de folio-uitgavesowegeschreven wordt, zoodat de volgende vraagcan she sohet woord herhaalt. Hier moest de vertaler zich anders helpen; evenzoo bij het volgende, waar het woordstockeerst in de beteekenis van “kapitaal”, “geld”, daarna in die van “sok”, wordt opgevat.IV. 1. 36.Bij Robin Hood’senz. De bandiet zweert bij de kale kruin van broeder Tuck, den priester en biechtvader van den gevierden roover en wilddief Robin Hood, van Sherwoodforest, die aan iederen Engelschman bekend was en die ook in Scott’s Ivanhoe voorkomt. Zie boven blz.190.IV. 2. 76.Dat de kerfstok vol is.Dat het niet meer te berekenen is.IV. 4. 39.Toen ik van jonkvrouw Silvia afscheid nam.Steevens achtte het beter hier Julia te lezen in plaats van Silvia. Het schijnt inderdaad, dat Lans aan een vroeger afscheid dacht.IV. 4. 60.Door de knapen van den hondenslager.Er staat eigenlijk “door de knapen van den beul”, “the hangman’s boys”. Sommigen verkiezenthe hangman boys, waarbijhangmanals adjectief beschouwd wordt, zoodat het beteekenen zou: de ellendige, schurkachtige jongens, de galgenbrokken.V. 4. 129.Geheel Milaan beschermt u niet.In ’t Engelsch staat:Verona shall not hold thee.Zie boven deaanteekeningopII. 5. 1.1Bij de verbranding van de boeken van Don Quichotte wordt deze roman gevonden, maar blijft, op aanraden van den geestelijke, gespaard.
Van dit stuk is geen oudere druk bekend dan die in de Folio-uitgave van 1623 te vinden is; dat het reeds vóór 1598 was opgevoerd, blijkt uit de vermelding er van doorFrancis Meresin zijnPalladis Tamia(zie boven blz. 47 en 120). Maar ongetwijfeld is het stuk eenige jaren ouder. Let men op den ganschen bouw er van, op den versbouw, het veelvuldig voorkomen van het rijm en van knuppelverzen, op de woordspelingen, op de wijze waarop de twee dienaren als Clowns optreden, op de overeenstemming met gedachten, in “Venus en Adonis” en in Sonnetten uitgedrukt, dan wordt men hiervan ten stelligste overtuigd. Het vermoeden, dat het stuk van 1591 dagteekent, komt zeker der waarheid zeer nabij. Of het ouder of jonger is dan “de Klucht der vergissingen” en “Veel gemin, geen gewin” is ondertusschen niet wel uit te maken.
Voor zoover wij kunnen oordeelen, heeft Shakespeare het plan voor dit stuk geheel zelf ontworpen en niet aan een novelle of iets dergelijks ontleend, al moge dit met enkele bijzonderheden wel het geval zijn. De geschiedenis van Proteus en Julia vertoont namelijk in enkele punten vrij groote overeenkomst met die van Don Felix en Felismena in den herdersromanLa Diana, van den Spaanschen dichter Jorge de Montemayor1, een werk, dat in 1598 in het Engelsch verscheen en veel opgang maakte, maar vele jaren vroeger vertaald en als handschrift door velen gelezen was; reeds in 1584 schijnt uit dezen roman een blijspel,The history of Felix and Philiomena, getrokken en ten hove opgevoerd te zijn.—Wie juist weten wil, wat Shakespeare aan dezen roman ontleend kan hebben, vindt de hiertoe noodige uittreksels in Delius’ Shakespeare-uitgave.
Bij de poging om dit stuk te beoordeelen, stuit men op groote moeilijkheden, zooals wel uit het zeer verschillend oordeel van uitgevers en critici blijken kan, waaromtrent men Knight in zijn Imperial edition van Shakespeare moge naslaan. Terwijl men, het geheele stuk door, den dichter aan zijn zeggingskracht, zijn versbouw, zijn rijkdom van gedachten, zijn wijze om de personen te karakteriseeren herkent, treft men in het beloop van het stuk zooveel tegenstrijdigheden aan, dat men tot het besluit moet komen, een verminkt en door onbevoegde hand gewijzigd stuk van Shakespeare voor zich te hebben. Men oordeele. Valentijn en Proteus worden naar het hof des keizers gezonden, maar komen bij een naamloozen hertog te Milaan aan; van een schoonen ridder Eglamour wordt in Verona verteld, dat hij naar Julia’s hand dingt, en in Milaan wordt van Eglamour getuigd, dat hij, om de nagedachtenis zijner gestorven geliefde in eere te houden, de gelofte van eeuwige kuischheid heeft afgelegd; hij wordt door Silvia gekenschetst als ridder zonder smet of blaam en door haar als beschermer gekozen op haar reis, maar weet, door roovers overvallen, verbazend snel beenen te maken; Julia heeft in het eerste bedrijf een vader, maar geeft, als zij haar tocht gaat ondernemen, het beheer van haar vermogen, landerijen enz. aan haar kamerjuffer en vertrouwde over; als Proteus een poos met Silvia gekeuveld heeft, zegt hij: “Ik heb nog alleen hare beeltenis gezien”; Julia geeft aan Silvia eerst een verkeerden brief en daarna den rechten, maar van den eersten hoort men niets meer; Silvia ontmoet volgens afspraak den ridder Eglamour bij de cel van broeder Patricius, en toch zegt later haar vader, dat zij er niet geweest is; Valentijn zucht in het bosch om Silvia, ontrukt haar aan de handen van zijn trouweloozen vriend Proteus, die door Silvia verafschuwd wordt, maar staat, zoodra Proteus schuld belijdt en berouw toont, hem zijn Silvia oogenblikkelijk af, en deze heeft niets hiertegen te zeggen.
Bij nauwkeurige beschouwing vindt men enkele bijzonderheden, die ons vermoeden, dat het stuk gewijzigd is geworden, zeer versterken. Waarschijnlijk kwamen Valentijn en Proteus wel aan ’s keizers hof aan, en is de keizer tot hertog gedegradeerd; want tot tweemaal toe zegt de hertog, eerst van Proteus, daarna van Valentijn, dat zij de liefde eenerkeizerinwaardig zijn; van den laatste, dat hij in den raad eenskeizersop zijn plaats zou wezen; de omgang van Valentijn met Silvia getuigt van een zeer groot verschil in stand; daarmede strookt de hoogheid van de verwijten des hertogs aan Valentijn, die van hetkoninklijkhof verbannen wordt; de omgang van Valentijn met Silvia was ongetwijfeld door den keizer argeloos toegelaten, omdat het verschil in rang zeer groot was.—Dat de keizer tot een hertog wordt, die de wenschen van een minnaar als Thurio begunstigt, is zeker aan een lateren bewerker te danken.—In het oorspronkelijk stuk was Silvia’s portret zeker van meer beteekenis en werd door Proteus gezien en bewonderd, vóór hij haar zelf zag. Eglamour was waarschijnlijk ook een ander persoon; misschien had Valentijn de reis van Silvia met Eglamour en beider vertrouwelijken omgang verkeerd opgevat en zijn geliefde voor trouweloos gehouden, zoodat hij daarom bereid is, haar aan Proteus af te staan.—Julia zal waarschijnlijk een brief van Proteus, die aan haarzelf gericht was, aan Silvia overhandigd hebben en zich daardoor aan deze bekend gemaakt.—Wat er van dit alles zij, zooveel kan uit het bovenstaande blijken, dat het stuk, ons door de Folio-uitgave van 1623 bewaard gebleven, vermoedelijk aanmerkelijk afwijkt van wat de dichter geschreven heeft; de leemten, die wij er in opmerken, kunnen niet wel aan een plan- of gedachteloosheid des dichters zijn toe te schrijven. Het is dus hoogstwaarschijnlijk, dat het oorspronkelijk stuk door een omwerker is gewijzigd; misschien was het verminkt geraakt of verloren gegaan, en heeft een onbevoegde hand het met behulp van gedeeltelijke handschriften of uitgeschreven rollen weder trachten samen te stellen.
I. 1. 2.Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen.Die niet verder ziet dan de muren van zijn huis. In ’t Engelsch:Homekeeping youth have ever homely wits.
I. 1. 17.Want ik wil voor u bidden, Valentijn.For I will be thy beadsman, Valentine.Een man die aangesteld is om gebeden voor iemand te doen.
I. 1. 27.Wat, laarzen?enz. In ’t Engelsch is hier een drievoudige woordspeling metboots, laarzen,to give the boots, belachelijk maken, ento boot, baten, bevoordeelen.—De Spaansche laarzen, hier genoemd, zijn het bekende foltertuig.
I. 1. 53.Want aan de haven wachtenz. In ’t Engelsch staatat the road, aan de reede; men zou dus zeggen, dat Verona hier als een zeestad beschouwd moet worden. Er zijn bewijzengenoeg, dat Shakespeare met de geographie van Italië zeer goed vertrouwd was; men behoeft hem volstrekt niet van onwetendheid te verdenken. De toeschouwers waren Londenaars; bij grootere reizen naar een anderen staat moesten waterwegen gevolgd worden; de dichter maakt er voor zijn personen daarom ook gebruik van en stelt hiermede de reis zijn toeschouwers aanschouwelijk voor oogen; al ontleent hij de namen van personen en plaatsen aan Italië, Engelsche toestanden staan hem voor den geest; hier geeft hem een oogenblik later het nagenoeg eveneens klinken vanshipensheep(schip en schaap) aanleiding tot een woordspeling; later wil Lans (II. 3. 58.) het stroombed met tranen vullen, waarbij den toeschouwers de Theems voor den geest kwam; bij struikroovers dachten deze terstond aan de bekende roovers van Sherwoodforest, bij wie broeder Tuck kapelaan was; daarom laat de dichter (IV. 1. 36.) Italiaansche roovers bij de geschoren kruin van dien pater zweren. Zulk een dichterlijke vrijheid, die de voorgestelde zaken recht aanschouwelijk maakte, veroorloofden zich in de middeleeuwen de dichters algemeen, en dit gebruik was tot den tijd van Shakespeare in zwang gebleven. Aan onwetendheid des dichters behoeft men niet te denken.
I. 1. 101.Ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, een verkoren schaap.In ’t Engelsch:I, a lost mutton, gave your letter to her, a laced mutton.Een woordspeling metlostenlaced, waarbij men bedenke, dat in Sh.’s tijd deainlacednog niet met den e-klank werd uitgesproken, zoodat de overeenkomst vanlostenlacedtoen grooter was dan thans.Lacedbeteekent eigenlijk gevangen of vastgehouden, daar het substantieflaceofstrik(in ’t Latijnlaqueus) of ook eennetbeteekent, zoodatlacedeen goede tegenstelling metlostvormt. Men denke dus niet aan een met kanten behangen jonkvrouw en veel minder geve menlaced muttonde beteekenis van “licht vrouwspersoon”,—want al is Flink, die woedend is, dat hij geen fooi ontvangen heeft, brutaal genoeg om zich zulk een uitdrukking ten opzichte van de geliefde zijns meesters te veroorloven, zijn heer zou toch zeker zulk een gezegde niet zoo kalm aanhooren.
I. 1. 110.U te schutten, enz. Dit geheele gesprek van Proteus met zijn dienaar is vol woordspelingen. Hij gebruikt hier het woordpoundin de beteekenis van in de schutskooi steken, zooals men verdwaald vee doet. Flink vat het op als een pond sterling en splitst daarna het woordpinfold, schaapskooi, inpin, een speld, een waardeloos ding, enfold. Daarop volgt weer de samenvoeging vannod, knikken, met het voornaamwoordI, ik, of het bevestigendeay, ja, totnoddy, onnoozele bloed.—In het origineel voegde Theobald achter het zeggen:But what said she?als waarschijnlijk uitgevallen, de woorden:Did she nod?welke op blz. 160 ook in de vertaling zijn opgenomen; zoo kon het onvertaalbarenoddydoor een andere woordspeling vervangen worden.
I. 1. 152.De grootte uwer mildheidenz. Hier heeft het Engelsch een woordspeling mettestify, betuigen, entestern, met eentester,—een geldstukje van een halven shilling waarde, waar een kop,testa,tête, op gestempeld was,—begiftigen, een woord van Sh.’s maaksel.
I. 1. 156.Gij zijt de veiligheid van ’t schip.Op het zeggen, dat wie voor de galg bestemd is, niet verdrinkt, zinspeelt Sh. ook in den “Storm”, I. 1. 30.
I. 2. 55.Meisjes zeggen zedig neen.Een Engelsch spreekwoord zegt:Maids say nay, and take it, “meisjes zeggen neen en tasten toe”.
I. 2. 83.Luchte liefde.Een lied, “Light o’ love” beginnend, waarop gedanst werd; zooals men toen gewoon was te doen; dezelfde wijs wordt genoemd in “Veel leven om niets”, III. 4. 44, waar gezegd wordt: “zing gij het, dan zal ik dansen”.—In het volgende worden allerlei uitdrukkingen, voor muziek gebruikelijk, tevens in een anderen zin opgevat; zoo beteekentburdenzoowel “refrein” als “last”,base“basstem” en tevens een op het land gebruikelijk krijgertjesspel, ookprison baseofprison barsgeheeten, waarbijto bid the base, het uittarten is van den speler, dat hij niet gekregen kan worden; men zie “Venus en Adonis” reg. 303 en “Cymbeline” V 3. 19.
I. 2. 114.Mijn boezem zij uw bed.De dames hadden voor aan haar keurs een zakje voor het bergen van brieven; meermalen wordt hierop gezinspeeld, men zie bijv. in dit stuk III. 1. 144 en 250.
I. 2. 137.Dat gij ze diep vereert.Er staat:you have a month mind to them, gij zijt er zeer belust op, zooals een vrouw soms heftige, voorbijgaandeverlangensheeft.
II. 1. 2.Die hoort mij niet.In ’t Engelsch is een woordspeling metonenone, wat toen tamelijk gelijk werd uitgesproken.
II. 1. 26.Als een bedelaar op Allerheiligen.Op Allerheiligen liepen bedelaars, zacht zingende, de huizen af en ontvingen dan zielekoeken,soulcakes, als het loon hunner gebeden voor de dooden.—Voor hetstappen als een leeuwstaat in ’t oorspronkelijke: “als een der leeuwen”, waardoor de dichter zijn gehoor de leeuwen van den Tower voor den geest bracht.
II. 1. 79.Zijn hoosbanden.Het vergeten der hoosbanden wordt door Shakespeare meermalen als een teeken van verliefdheid aangehaald, zie “Elk wat wils” (As you like it), III. 2. 397; men vergelijke ook “Hamlet” II. 1. 80.—Flink overdrijft nu nog, en zegt, dat Valentijn zelfs vergat zijn hozen aan te trekken.
II. 1. 106.Heer Valentijn, mijn dienaar.In Sh.’s tijd werden de vereerders of minnaars eener schoone of gebiedster,MadamofMistress, vaakservantgenoemd, wat dus nagenoeg hetzelfde beteekent alslover.
II. 3. 4.De verloopen zoon.In ’t Engelsch zegt Lansprodigiousvoorprodigalenimperialsvooremperor’sofimperial.—De naam van den hond,Crab, beteekent wilde appel.
II. 3. 39.Het tij verloopt.Het Engelsch heeft hier een woordspeling mettide, “getij” entied, de vastgebondene (de hond).
II. 4. 152.Een macht, een overheid.Van een hoogen rang in de engelenschaar; zie Paulus’ Brief aan de Romeinen, VIII. 38.
II. 4. 192.Gelijk een gloed een and’ren gloed verdringt.Men vindt dezelfde beelden in “Coriolanus”, IV. 7. 54.
II. 4. 196.Is ’t nu mijn oog.Het Engelsch is hier onvolledig;Is it mine orenz. Het is waarschijnlijker dat hier gelezen moet worden met Warburton:Is it mine eye orenz. dan, met Malone,Is it her mien orenz.
II. 4. 201.Zooals een wassen beeld bij ’t vuur.Men vergelijke “Koning Jan” V. 4. 24. Er wordt gedacht aan wassen beelden, die door toovenaars bij het vuur werden gehouden, om door smelten van het beeld de persoon, die er door werd voorgesteld, te doen wegkwijnen.
II. 5. 1.Welkom in Milaan.In den tekst der folio-uitgave staat Padua, zooals inIII. 1. 81enV. 4. 129. Verona voor Milaan. Het is mogelijk, dat Shakespeare zelf zoo geschreven heeft, voor hij vast bepaald had, waar hij het stuk zou laten spelen, maar ’t kan ook aan een omwerker liggen.
II. 5. 61.Dat gij een Christenmensch een glas bier gunt.In ’t Engelsch:As to go to the ale with a Christian.“Ale” beteekentbier, maar ook een christelijk volksfeest, waarop, vóór de hervorming, het door de geestelijken gebrouwen bier verkocht werd, aan het volk op het kerkhof, aan de aanzienlijken in de kerk zelf; de opbrengst was voor het onderhoud der kerken bestemd. Naar de plaats en het jaargetijde droeg het bier verschillende namen:Lamb-ale,Bride-ale,Church-ale,Whitesun-ale.—Als Flink met Lans niet naar eenAle, naar zulk een kerkelijk feest, wil gaan, is hij geen christenmensch.
II. 7. 53.Met een klep.In ’t Engelsch staat:with a codpiece, wat aldus verklaard kan worden: “a part of the male dress, very indelicately conspicuous in the poet’s time”. Het werd nog al sterk opgevuld, zoodat het wel als een speldenkussen dienst kon doen, waarom er ook in andere comedies van dien tijd de draak mee gestoken wordt. Men bezigde dit deel ook wel als zak om de beurs in te bergen, zie “Winteravondsprookje”, IV. 4. 623.
III. 1. 81.Hier in deze stad.In den tekst staat:in Verona here.
III. 1. 153.Gij Phaëton, gij and’re Merops-zoon.De vertaling is hier niet letterlijk; er staat eigenlijk: “Wat! Phaëton,—want gij zijt Merops’ zoon”.—Phaëton was de zoon van Helios, den Zonnegod, en van Clymene, die met den koning Merops, in Aethiopië, gehuwd was; deze was dus Phaëton’s aardsche vader te noemen. De tusschenzinwantenz. kan eenvoudig beteekenen: “want gijzijtinderdaad een Phaëton”, en dan is de vertaling op blz. 175 zeer juist. Wil men er uit lezen: “want gij zijt een zoon van Merops, niet van den zonnegod, maar van een mensch, dus van een lage afkomst”,—dan moet de hier gegeven, meer letterlijke vertaling gevolgd worden; deze verklaring komt mij echter vrij gezocht voor en het “want”,for, past er slecht bij; de eerste schijnt mij de ware te zijn.
III. 1. 263.Dubbele schurk.In meer dan één opzicht een schurk.
III. 1. 300.Toon door Sint Nikolaas u flink.Sint Nikolaas was de beschermheilige der scholieren en moest daarom Flink in ’t lezen bijstaan. De legende verhaalt, dat hij reeds als knaap bisschop werd.
III. 1. 307.Zij kan naaien.In ’t Engelsch:she can sew, waarvoor in de folio-uitgavesowegeschreven wordt, zoodat de volgende vraagcan she sohet woord herhaalt. Hier moest de vertaler zich anders helpen; evenzoo bij het volgende, waar het woordstockeerst in de beteekenis van “kapitaal”, “geld”, daarna in die van “sok”, wordt opgevat.
IV. 1. 36.Bij Robin Hood’senz. De bandiet zweert bij de kale kruin van broeder Tuck, den priester en biechtvader van den gevierden roover en wilddief Robin Hood, van Sherwoodforest, die aan iederen Engelschman bekend was en die ook in Scott’s Ivanhoe voorkomt. Zie boven blz.190.
IV. 2. 76.Dat de kerfstok vol is.Dat het niet meer te berekenen is.
IV. 4. 39.Toen ik van jonkvrouw Silvia afscheid nam.Steevens achtte het beter hier Julia te lezen in plaats van Silvia. Het schijnt inderdaad, dat Lans aan een vroeger afscheid dacht.
IV. 4. 60.Door de knapen van den hondenslager.Er staat eigenlijk “door de knapen van den beul”, “the hangman’s boys”. Sommigen verkiezenthe hangman boys, waarbijhangmanals adjectief beschouwd wordt, zoodat het beteekenen zou: de ellendige, schurkachtige jongens, de galgenbrokken.
V. 4. 129.Geheel Milaan beschermt u niet.In ’t Engelsch staat:Verona shall not hold thee.Zie boven deaanteekeningopII. 5. 1.
1Bij de verbranding van de boeken van Don Quichotte wordt deze roman gevonden, maar blijft, op aanraden van den geestelijke, gespaard.
1Bij de verbranding van de boeken van Don Quichotte wordt deze roman gevonden, maar blijft, op aanraden van den geestelijke, gespaard.