[Inhoud]Hoofdstuk IX.Hoofdstuk IX.November is gekomen en daarmee regen en wind, zelfs storm. Constant en Arthur loopen door alle weer en wind en ze worden sterk en gezond en onvermoeid, en als Grootmoeder Mung en Moeder Kemper soms medelijden hebben, lachen de jongens en zeggen:„Dat is juist leuk.”Eens op een morgen in het laatst van November, ligt er ’s morgens een laagje sneeuw en de lucht is grijs en altijd door blijft de sneeuw vallen. Het is de eerste keer dat Arthur sneeuw ziet. Wat vindt hij dat aardig, hij loopt dadelijk met zijn bloote hoofd naar buiten, neemt wat sneeuw in de hand, steekt zijn armen ver uit en kijkt naar de lucht. Grootmoeder heeft intusschen een vergrootglas uit de kast gekregen en komt met een rood fluweelen kussen op de stoep staan.[107]„Wat gaat u doen Grootmoeder?”„Zie eens hier mijn jongen, kijk eens naar die vlokken door het vergrootglas.”„Hé wat mooi, allemaal sterren en figuren, wat zou dat prachtig zijn in een microscoop. Oom Bantam heeft er een, dien zal ik het vragen, ik dacht niet dat sneeuw zoo mooi was.”Nu steekt Arthur zijn tong uit, totdat er een dikke vlok op valt.„Hè, lekker koud!”Hij gaat naar de buitenvensterbank en neemt van de zuivere sneeuw in zijn mond en dan maakt hij voor het eerst van zijn leven een sneeuwbal en gooit er mee naar Pandoer, die heen en weer holt en in de sneeuw rolt.„Ziezoo, nu ontbijten,” zegt Grootmoeder.„He,” zegt Arthur na het ontbijt, terwijl hij zijn boeken stevig inpakt, „wat zullen we heerlijk met sneeuwballen gooien, ik ga gauw op weg, dan kunnen we vóór schooltijd nog beginnen; ik zal Amalia inzeepen, dat hooren en zien haar vergaat.”„Foei Arthur,” zegt Grootmoeder, „geen meisjes, dat is niet ridderlijk.”[108]„O, andere meisjes niet, maar Amalia heeft wat op haar kerfstok.”„Ja? wat dan?”„Och, ze is nietaardiggeweest, maar ik zeg liever niet wat.”„Goed jongen, dat behoeft ook niet, maar maak het niet te erg.”„Neen Grootmoeder, alles met mate, zei de meester en hij sloeg den jongen met den meterstok. Dag Grootmoeder! Zou er vandaag een mailbrief komen?”„Ja, ik denk het wel.”„Legt u hem dan onder mijn servet?”„Ja jongen, denk je aan je overschoenen? anders zit je den heelen dag met natte voeten.”„Die vervelende dingen!” zegt Arthur, maar hij doet ze toch aan, neemt hartelijk afscheid van Grootmoeder en Pandoer, die het tegenwoordig vreeselijk saai vindt en gaat moedig op weg.De jongens verwelkomen elkaar met eenige sneeuwballen, als ze bij het huis van Jacob Drieman samen komen en loopen dan vroolijk pratend naar de stad. Het is niet de dag waarop Jacob[109]boodschappen moet doen, maar morgen, dan moet de arme stakker door de sneeuw.„We zullen Jacob morgen goed moeten helpen,” zegt Arthur, „hij was gisteren zoo kortademig. Wat zou hij graag een ezel hebben, hij heeft er al zoo lang voor gespaard, maar hij heeft nog niet genoeg. Als er veel sneeuw komt, zal hij er in ’t geheel niet door kunnen met zijn kar.”„Neen, maar hij heeft een slede,” zegt Constant, „dat heeft hij me verteld. Overhoor mij nu eerst de geschiedenis, hier heb je mijn boek, dan zal ik jou overhooren.”Als ze de poort naderen, zien ze op de torenklok, dat het op slag van negen is.„Doossie! wat is het laat, ik dacht dat we zoo vroeg waren,” zegt Arthur.„Dat komt door de sneeuw, we hebben zeker niet zoo hard geloopen, vooruit! op een draf!”De concierge wil juist de deur sluiten als de jongens komen aanrennen. Om 12 uur haasten ze zich met koffiedrinken om zoo lang mogelijk sneeuwballen te kunnen gooien. Er is veel sneeuw bij gekomen en het sneeuwt nog altijd door met[110]dikke vlokken. David en Johannes Bredero zijn bezig een sneeuwpop te maken op het plein, vóor deH. B. S.Johannes rolt handig een bal en daar de sneeuw goed pakt, wordt die spoedig heel groot.„Nu overeind,” zegt David, „zoo, dat is zijn éene been, rol nu nog zoo’n ding, ik zal het fatsoeneeren; het moet een groot standbeeld worden. Nu zijn andere been, mooi! maar je hebt het veel langer gemaakt en dikker, nu, dat hindert niet, we zetten hier nog een stuk bij. Nu de romp, wacht, ik zal je helpen rollen; hè, daarwordje warm van; rol hem nu naar de plaats; nu overeind sapperloot, wat is dat ding zwaar; hei! Constant! help ons een handje,”Constant komt dadelijk en met hem Arthur en Gerard Bunte. Ze krijgen er allen plezier in. Met vereende krachten beuren ze het groote stuk boven op de twee beenen.David gaat op eenigen afstand staan om het te bekijken.„Er moet nog een stuk boven op,” zegt hij.„’t Is tijd,” zegt de concierge.[111]„Hé wat saai; nu, morgen zullen we hem verder opbouwen.”Daar komt Amalia aan; nu hebben de jongens geen tijd om haar in te zeepen, maar ze krijgt in de gauwigheid toch nog twee sneeuwballen midden in haar gezicht.Na schooltijd is het al bijna donker en de jongens haasten zich om thuis te komen. Het sneeuwt nog altijd door, de lucht is effen grijs en er ligt een dik pak.Met moeite en heel warm komen de jongens thuis; Grootmoeder was al ongerust omdat het zoo vroeg donker was.„Is er geen brief?”„Neen jongen, misschien morgen. Ik hoop dat het nu gauw op zal houden met sneeuwen, hoe kun je er anders morgen door?”„O Grootmoeder, dat is juist prettig, we maken een prachtige sneeuwpop op het plein, morgen moeten we hem verder afmaken.”„Ja maar jongen, de weg zal zoo moeielijk te begaan zijn.”„O Grootmoeder, we zijn sterke jongens, daar zien we niet tegen op.”[112]Den volgenden dag heeft de baas een pad gemaakt met een klein sneeuwploegje tot aan het hek. Er ligt veel sneeuw en het sneeuwt nog altijd door.Juist als Arthur bij het hek is, ziet hij den grooten sneeuwploeg komen. Vier paarden zijn er vóor gespannen. Verscheiden mannen en jongens zitten er op om den ploeg te verzwaren en Arthur krijgt ook permissie er op te gaan.Dat treft hij, als nu Constant ook maar op tijd is. Daar ziet hij hem aankomen, hij loopt zoo hard hij kan en dat is niet gauw door die dikke sneeuw en haalt gelukkig den ploeg in en gaat er bij op zitten. Juist als ze voorbij het huis van Jacob Drieman gaan, zien ze de vrouw en het oudste meisje met een slede tegen den hoogen weg opschuiven. Maar het gaat niet, de sneeuw is zoo dik, ze zwoegen en spannen zich in zoo veel zij kunnen, maar het is te zwaar.„We moeten helpen,” zegt Constant en hij en Arthur springen van den ploeg, waarop zij zoo prettig vooruit kwamen.„Waar is Jacob?” vraagt Arthur.[113]„Mijn man is ziek,” zegt de vrouw, terwijl ze steeds voortgaat zich in te spannen.Nu komen de jongens te hulp en met vereende krachten trekken ze de slede op den weg, die nu gebaand is door den ploeg.„Wat scheelt Jacob?” vraagt Constant.„Ik ben bang dat ie longontsteking heeft,” zegt de vrouw, terwijl dikke tranen over haar wangen loopen.De jongens zien elkaar verschrikt aan en hebben diep medelijden met de arme vrouw.„Och jongeheeren, je weet niet wat mien man van nacht getobd heeft over de boodschappen in de stad; als ze niet gedaan worden zijn de menschen verlegen en dan gaan ze naar een ander, je weet wel, dien Jannes Trot, die doet toch al zoo’n moeite om er ons uut te dringen. Mien arme man, hie werkt zich dood en ie gaat nooit naar de herberg en ie heeft alles gespaard om een ezel te kunnen koopen en noe ie het geld haast bie mekaar heeft, noe zal hie dood gaan!”De vrouw snikt en kan niet voortgaan met spreken. De jongens weten niet wat ze zeggen[114]zullen, maar ze duwen zoo hard ze kunnen en de slede rijdt flink over den weg.„Wie past nu op je man?” vraagt eindelijk Arthur.„De kleine Gerrit.”„Hoe oud is die?”„Vief jaar.”„Waarom niet een van de grooten?”„Die moeten naar school en Jentje moest met mie mee, omdat zie de boodschappen weet, zie is met Vader dikwijls met ewest.”Aan de poort nemen de jongens afscheid van vrouw Drieman, die hen vriendelijk bedankt en ze zijn beiden stil en denken over den zieken Jacob.Vóor de school zijn reeds eenige jongens bezig met sneeuwballen gooien en ze kijken uit of Amalia nog niet komt, maar die komt heel wijsop het laatste nippertje. De sneeuwpop is in den nacht gegroeid en prachtig, donzig wit geworden. Na de koffie gaan ze weer aan ’t werk, maar het is intusschen gaan waaien, de sneeuw waait aan hoopen tegen de hekken der verschillende tuintjes en in de deur- en raamkozijnen en overal zijn menschen aan het vegen.[115]De sneeuwpop heeft nu een stevig bovenlijf gekregen en David heeft een bankje aan den concierge gevraagd om er bij te klimmen.„Geef me nu zijn hoofd, ik zal het er op zetten,” zegt hij.Johannes reikt hem een grooten, zwaren bal toe en als David dien wil aannemen, rolt de bal op den grond en breekt.Dadelijk zijn verscheiden jongens bereid een nieuw hoofd te rollen en te zamen tillen zij het op den romp.„Ziezoo,” zegt David, „nu ga ik aan het boetseeren.”Hij kneedt en slaat met de vlakke hand en strijkt de schouders van het standbeeld glad en maakt een stevigen hals en nek, en als hij het hoofd goed ovaal rond heeft gemaakt en vast in elkaar gekneed, neemt hij zijn mes en begint te krabben en af te snijden en zie, daar komt de neus te voorschijn en de oogen en de wangen en de kin.„Mooi!” roepen de jongens, „prachtig! precies de neus van den Dirrik.”[116]„Die moet het ook worden,” zegt David, „ik wil een mooi standbeeld voor hem oprichten.”„Pas op, als hij het ziet,” zegt Gerard.„Waarom?” zegt David, „dat mag hij best, ik maak het niet bespottelijk, neen, het wordt echt mooi, dat heeft hij wel verdiend, is ’t waar of niet?”„Ja,” zegt Arthur, „’t is een kranige vent, hij kan goed orde houden, hij is wel streng maar rechtvaardig, ja, hij heeft een mooi standbeeld verdiend.”„Wie heeft een standbeeld verdiend?” vraagt de Directeur, die juist om den hoek is gekomen.Arthur krijgt een kleur als vuur en al de jongens staan verbluft te kijken.De directeur bekijkt het standbeeld: hij is een groote, breede man met een flinken kop; een groote neus en een hoog breed voorhoofd, een snor en sikje.„Te drommel,” zegt de directeur, „dat is knap gedaan, maar hij heeft nog geen ooren. Heb jij dat gedaan, kleine David?”„Ja mijnheer,” zegt deze een beetje verlegen, maar hij plakt toch gauw een paar ooren aan het hoofd.[117]Daar komen de andere heeren aan en allen bekijken het beeld en allen beginnen te glimlachen en ze kijken naar den directeur en dan weer naar het beeld en eindelijk zegt de grappige leeraar:„Directeur, er krijgen niet veel menschen een standbeeld bij hun leven.”De directeur heeft ook zich zelf herkend en nu roept David en dan al de anderen:„Lang leve de directeur!”Als de jongens ’s middags uit school komen, zien ze naar de lucht.„Dat ziet er niet best uit,” zegt Arthur, „wat wordt het donker en het sneeuwt zoo dicht en het waait alles op hoopen. Laten we ons haasten om thuis te komen.”De jongens gaan in vluggen pas de poort uit. Op sommige plaatsen is de sneeuw hoog opgewaaid tegen huizen en hekken links van den weg.„We moeten rechts houden,” zegt Constant, „bij het boschje aan den rechterkant zal de sneeuw niet opgewaaid zijn.„Daar zal ze wel dik liggen, hier is het niet erg,” zegt Arthur, „hier is bijna alles weg gewaaid,[118]maar hoe zal het bij het laatste boschje links zijn? daar komt al de sneeuw van de bouwlanden tegen aan waaien.”„Ja, dat zal een toer zijn; vooruit maar, hoe eerder we thuis zijn hoe beter.”De jongens loopen zoo hard ze kunnen en ze worden van top tot teen wit.„We lijken wel sneeuwpoppen; het was toch een mooi standbeeld, dat we gemaakt hebben, ik heb nog nooit zoo’n mooi gezien.”„Kijk, daar gaat vrouw Drieman, och die stumper, gauw helpen, een, twee, drie! Hola, hier! heb je een touw? we zullen je helpen,” roept Arthur.Wat is vrouw Drieman blij! Ze kon ook al haast niet meer vooruit komen en ze is zoo bang, dat ze de boodschappen niet veilig thuis zal krijgen en daarbij is zij zoo ongerust over haar man.„Jongeheer,” zegt ze tegen Arthur, „zou je Grootmoeder erg verlegen zijn om de citroenen en de kaas? anders moet ik ze nu nog brengen.”„Geef ze mij maar mee, hier, onder mijn jas in mijn blouse, daar kan een heele vracht in. Grootmoeder zou niet willen, dat je daar van avond[119]nog mee naar Conifera kwaamt door die dikke sneeuw. Ik hoop dat Jacob gauw beter wordt, groet hem.”„Van mij ook,” zegt Constant als ze de slede veilig voor de deur hebben gezet.„Kom Arthur, haast je, neen, ga niet naar binnen, het wordt veel te donker, je kunt toch den weg al haast niet meer onderscheiden en nu komt het boschje. Drommels! hoe komen we daar door? als de sneeuw hooger komt dan je knieën, kun je er niet door.”„Hier,” zegt Arthur, die zoo veel mogelijk rechts houdt.„Pas op, loop niet in de sloot, je zoudt diep in de sneeuw zakken; je kunt niet zien waar die vervelende droge sloot begint, alles is gelijk.”De jongens komen met moeite op het punt waar ze moeten scheiden en daar is de weg nog al duidelijk. Een boer, die hen tegen komt, zegt:„Haast je wat, het wordt gevaarlijk in het duister.”„Ja,” zegt Arthur, „we zijn gelukkig gauw thuis. Adi! tot morgen.”[120]„Goeie reis! pas maar op!” zegt Constant, terwijl hij zoo snel mogelijk naar het dorp loopt.Arthur komt zonder al te veel hindernis tot aan het hek van Conifera, maar nu zal het eerst lastig worden. Links is veel laag struikgewas, rechts zijn hoog opgaande eiken, waaronder de wind de sneeuw in vliegende vaart opjaagt en ophoopt tegen de struiken.Moedig stapt Arthur voorwaarts en waadt door de sneeuw en hoe langer hoe dieper zakken zijn beenen er in. Wat is het vermoeiend, de voeten telkens zoo hoog op te tillen. Daar komt hij bij een bocht van den weg, als hij daar maar voorbij was, dan zou hij het licht van Conifera kunnen zien.Daar staat Arthur plotseling stil, hij kan niet verder; de sneeuw reikt boven zijn knieën, Wat nu te doen? Hij probeert vooruit te komen, maar daar is het nog dieper, achteruit gaat ook niet. Nu wordt hij een beetje bang, eventjes maar en dan kijkt hij naar boven, naar de donkere lucht en krijgt sneeuwvlokken in zijn oogen, maar hij ziet juist boven zijn hoofd een dikken tak van een eik. Hij grijpt dien en trekt zich wat naar[121]boven. Dat helpt; hij slingert zich in de hoogte en laat zich neervallen meer naar rechts. Mooi, dat is minder diep; een paar passen kan hij voortgaan, maar o wee, nu wordt het nog erger en geen tak om zich aan op te trekken. Hij baant zich met de handen een weg, maar dat kan hij niet lang volhouden, ook weet hij niet goed de richting meer.„Hallo! Pandoer! Hallo!”Arthur fluit en roept uit alle macht. Daar hoort hij in de verte iets roepen en het blaffen van Pandoer, het komt nader bij.„Pandoer! Pandoer! hier ben ik! maar pas op, och wat ben ik dom geweest, dat arme dier, hij zal er nog minder door kunnen dan ik.”„Hier jongeheer! hier heen, ik zal een weg maken; hei! Jannes! help me gauw, heb je de schop? hier!”Nu gaat Arthur met nieuwen moed aan het werk, hij ziet het licht van een lantaren en hij heeft de stem van Hein herkend, gelukkig dat ze hem komen helpen, hij had er zonder hulp niet door kunnen komen.[122]„Ziezoo, nu kun je er door,” zegt Hein, terwijl hij even de schop neerzet en Arthur bij het licht van de lantaren bekijkt; het is intusschen heel donker geworden.„Waar is Pandoer? Pandoertje waar ben je?” en Arthur tracht in de duisternis te ontdekken, waar zijn trouwe hond gebleven is. Hij hoort hem janken en spartelen en als Hein het licht van de lantaren rond laat gaan, zien ze het arme dier worstelen door de diepe sneeuw.Dadelijk banen ze met Jannes een weg er heen en daar komt de hond bij Arthur en schudt zich uit en springt luid keffend tegen zijn baas op.„Nu gauw naar je Grootmoeder,” zegt Hein, „gauw, ze is zoo ongerust.”Wat zijn Grootmoeder en Arthur beide blij, als ze elkaar in de vestibule omhelzen. De sneeuwvlokken zitten in Grootmoeders sneeuwwit haar en ook op haar lieve, zachte wangen. Arthur is zoo’n wilde, onstuimige jongen, bijna even wild als Pandoer, die zich terdege uitschudt, zoodat de sneeuw tegen den barometer en de wijzerplaat van de klok aankleeft.[123]„Wat heb je daar voor dikte?” vraagt Grootmoeder, als Arthur zijn jas uittrekt.„O, dat zijn de citroenen en de kaas van vrouw Drieman; hè, wat ben ik blij dat ik ze meegenomen heb, anders was de stumper misschien in de sneeuw blijven steken.”Grootmoeder ziet hem liefdevol aan en zegt:„Kijk nu eens onder je servet.”„Ha! een brief!” juicht Arthur en terwijl Grootmoeder de soep opschept, kan hij niet laten gauw den brief te openen en te zien of ze in Indië allen gezond zijn. Grootmoeder laat het oogluikend toe, want zij is zoo erg verlangend iets te hooren over hare dierbaren, daar ginder, zoo heel ver weg over de zee.„Moeder schrijft, dat ze allen weer beter zijn, zus is het ergst geweest, maar nu allemaal goed, gelukkig!”„Gelukkig!” zegt Grootmoeder, „laten we nu eerst gaan eten en den brief voor het dessert bewaren.”Arthur vertelt, hoe hij tegen den sneeuwstorm geworsteld heeft en Grootmoeder zegt, dat zij niet geweten heeft dat het zoo erg was.[124]„Daar ben ik blij om,” zegt Arthur, „u zou dan zeker erg ongerust zijn geweest. Maar Grootmoeder, Jacob Drieman is erg ziek, zijn vrouw en Jentje moesten de boodschappen doen, de kleine Gerrit was alleen bij Jacob thuis.”„We zullen er dadelijk morgen naar laten hooren en hulp verschaffen, dat kan zoo niet,” zegt Grootmoeder.Aan het dessert magArthurden brief lezen.„Beste Arthur,Gisteren ontvingen we je brief, waarin je ons schrijft over den eersten dag op school. Vader en ik zijn heel blij, dat je er plezier in hebt en ook, dat je een aardigen kameraad hebt gevonden om mee samen te loopen en te werken. Dat treft al heel gelukkig, nu heb je altijd gezelschap op je wandeling van en naar de school en je kunt elkaar zoo prettig de lessen overhooren. Ik hoop, dat je alle klassen samen door zult maken en goede vrienden zult blijven. Vader zal je een postwissel zenden voor den ezelpot; Constant Kemper zal het ook wel prettig vinden, als jij gauw een ezel kunt koopen. We hebben erg getobd met malaria[125]en Carolientje heeft erg knokkelkoorts gehad, het arme kind voelde zich heel ziek en pijnlijk. De tuinen zijn prachtig en de kleintjes vinden het hier heerlijk; maar ik verlang erg naar Holland. We hebben met de vorige mail een kistje verzonden, dat kun je dus binnenkort ontvangen. Ben je lief en gehoorzaam voor Grootmoeder? ben je niet te wild en te druk? denk er om dat Grootmoeder al een beetje oud is. Omhels haar eens voor mij en zeg haar, dat ik zoo blij ben, dat mijn lieve jongen bij haar kan zijn. Vader en de zusjes zenden veel groetjes. Vader schrijft met de volgende mail aan Grootmoeder.In gedachten een omhelzing vanje zoo liefhebbendeMoessie.”Arthur leest den brief nog eens over en zegt:„Ik vind het zoo prettig in Indië, maar als Vader en Moeder hier komen, zal ik er niet zoo erg meer naar verlangen als den eersten tijd. Ik begin nu al veel van Holland te houden.”[126]
[Inhoud]Hoofdstuk IX.Hoofdstuk IX.November is gekomen en daarmee regen en wind, zelfs storm. Constant en Arthur loopen door alle weer en wind en ze worden sterk en gezond en onvermoeid, en als Grootmoeder Mung en Moeder Kemper soms medelijden hebben, lachen de jongens en zeggen:„Dat is juist leuk.”Eens op een morgen in het laatst van November, ligt er ’s morgens een laagje sneeuw en de lucht is grijs en altijd door blijft de sneeuw vallen. Het is de eerste keer dat Arthur sneeuw ziet. Wat vindt hij dat aardig, hij loopt dadelijk met zijn bloote hoofd naar buiten, neemt wat sneeuw in de hand, steekt zijn armen ver uit en kijkt naar de lucht. Grootmoeder heeft intusschen een vergrootglas uit de kast gekregen en komt met een rood fluweelen kussen op de stoep staan.[107]„Wat gaat u doen Grootmoeder?”„Zie eens hier mijn jongen, kijk eens naar die vlokken door het vergrootglas.”„Hé wat mooi, allemaal sterren en figuren, wat zou dat prachtig zijn in een microscoop. Oom Bantam heeft er een, dien zal ik het vragen, ik dacht niet dat sneeuw zoo mooi was.”Nu steekt Arthur zijn tong uit, totdat er een dikke vlok op valt.„Hè, lekker koud!”Hij gaat naar de buitenvensterbank en neemt van de zuivere sneeuw in zijn mond en dan maakt hij voor het eerst van zijn leven een sneeuwbal en gooit er mee naar Pandoer, die heen en weer holt en in de sneeuw rolt.„Ziezoo, nu ontbijten,” zegt Grootmoeder.„He,” zegt Arthur na het ontbijt, terwijl hij zijn boeken stevig inpakt, „wat zullen we heerlijk met sneeuwballen gooien, ik ga gauw op weg, dan kunnen we vóór schooltijd nog beginnen; ik zal Amalia inzeepen, dat hooren en zien haar vergaat.”„Foei Arthur,” zegt Grootmoeder, „geen meisjes, dat is niet ridderlijk.”[108]„O, andere meisjes niet, maar Amalia heeft wat op haar kerfstok.”„Ja? wat dan?”„Och, ze is nietaardiggeweest, maar ik zeg liever niet wat.”„Goed jongen, dat behoeft ook niet, maar maak het niet te erg.”„Neen Grootmoeder, alles met mate, zei de meester en hij sloeg den jongen met den meterstok. Dag Grootmoeder! Zou er vandaag een mailbrief komen?”„Ja, ik denk het wel.”„Legt u hem dan onder mijn servet?”„Ja jongen, denk je aan je overschoenen? anders zit je den heelen dag met natte voeten.”„Die vervelende dingen!” zegt Arthur, maar hij doet ze toch aan, neemt hartelijk afscheid van Grootmoeder en Pandoer, die het tegenwoordig vreeselijk saai vindt en gaat moedig op weg.De jongens verwelkomen elkaar met eenige sneeuwballen, als ze bij het huis van Jacob Drieman samen komen en loopen dan vroolijk pratend naar de stad. Het is niet de dag waarop Jacob[109]boodschappen moet doen, maar morgen, dan moet de arme stakker door de sneeuw.„We zullen Jacob morgen goed moeten helpen,” zegt Arthur, „hij was gisteren zoo kortademig. Wat zou hij graag een ezel hebben, hij heeft er al zoo lang voor gespaard, maar hij heeft nog niet genoeg. Als er veel sneeuw komt, zal hij er in ’t geheel niet door kunnen met zijn kar.”„Neen, maar hij heeft een slede,” zegt Constant, „dat heeft hij me verteld. Overhoor mij nu eerst de geschiedenis, hier heb je mijn boek, dan zal ik jou overhooren.”Als ze de poort naderen, zien ze op de torenklok, dat het op slag van negen is.„Doossie! wat is het laat, ik dacht dat we zoo vroeg waren,” zegt Arthur.„Dat komt door de sneeuw, we hebben zeker niet zoo hard geloopen, vooruit! op een draf!”De concierge wil juist de deur sluiten als de jongens komen aanrennen. Om 12 uur haasten ze zich met koffiedrinken om zoo lang mogelijk sneeuwballen te kunnen gooien. Er is veel sneeuw bij gekomen en het sneeuwt nog altijd door met[110]dikke vlokken. David en Johannes Bredero zijn bezig een sneeuwpop te maken op het plein, vóor deH. B. S.Johannes rolt handig een bal en daar de sneeuw goed pakt, wordt die spoedig heel groot.„Nu overeind,” zegt David, „zoo, dat is zijn éene been, rol nu nog zoo’n ding, ik zal het fatsoeneeren; het moet een groot standbeeld worden. Nu zijn andere been, mooi! maar je hebt het veel langer gemaakt en dikker, nu, dat hindert niet, we zetten hier nog een stuk bij. Nu de romp, wacht, ik zal je helpen rollen; hè, daarwordje warm van; rol hem nu naar de plaats; nu overeind sapperloot, wat is dat ding zwaar; hei! Constant! help ons een handje,”Constant komt dadelijk en met hem Arthur en Gerard Bunte. Ze krijgen er allen plezier in. Met vereende krachten beuren ze het groote stuk boven op de twee beenen.David gaat op eenigen afstand staan om het te bekijken.„Er moet nog een stuk boven op,” zegt hij.„’t Is tijd,” zegt de concierge.[111]„Hé wat saai; nu, morgen zullen we hem verder opbouwen.”Daar komt Amalia aan; nu hebben de jongens geen tijd om haar in te zeepen, maar ze krijgt in de gauwigheid toch nog twee sneeuwballen midden in haar gezicht.Na schooltijd is het al bijna donker en de jongens haasten zich om thuis te komen. Het sneeuwt nog altijd door, de lucht is effen grijs en er ligt een dik pak.Met moeite en heel warm komen de jongens thuis; Grootmoeder was al ongerust omdat het zoo vroeg donker was.„Is er geen brief?”„Neen jongen, misschien morgen. Ik hoop dat het nu gauw op zal houden met sneeuwen, hoe kun je er anders morgen door?”„O Grootmoeder, dat is juist prettig, we maken een prachtige sneeuwpop op het plein, morgen moeten we hem verder afmaken.”„Ja maar jongen, de weg zal zoo moeielijk te begaan zijn.”„O Grootmoeder, we zijn sterke jongens, daar zien we niet tegen op.”[112]Den volgenden dag heeft de baas een pad gemaakt met een klein sneeuwploegje tot aan het hek. Er ligt veel sneeuw en het sneeuwt nog altijd door.Juist als Arthur bij het hek is, ziet hij den grooten sneeuwploeg komen. Vier paarden zijn er vóor gespannen. Verscheiden mannen en jongens zitten er op om den ploeg te verzwaren en Arthur krijgt ook permissie er op te gaan.Dat treft hij, als nu Constant ook maar op tijd is. Daar ziet hij hem aankomen, hij loopt zoo hard hij kan en dat is niet gauw door die dikke sneeuw en haalt gelukkig den ploeg in en gaat er bij op zitten. Juist als ze voorbij het huis van Jacob Drieman gaan, zien ze de vrouw en het oudste meisje met een slede tegen den hoogen weg opschuiven. Maar het gaat niet, de sneeuw is zoo dik, ze zwoegen en spannen zich in zoo veel zij kunnen, maar het is te zwaar.„We moeten helpen,” zegt Constant en hij en Arthur springen van den ploeg, waarop zij zoo prettig vooruit kwamen.„Waar is Jacob?” vraagt Arthur.[113]„Mijn man is ziek,” zegt de vrouw, terwijl ze steeds voortgaat zich in te spannen.Nu komen de jongens te hulp en met vereende krachten trekken ze de slede op den weg, die nu gebaand is door den ploeg.„Wat scheelt Jacob?” vraagt Constant.„Ik ben bang dat ie longontsteking heeft,” zegt de vrouw, terwijl dikke tranen over haar wangen loopen.De jongens zien elkaar verschrikt aan en hebben diep medelijden met de arme vrouw.„Och jongeheeren, je weet niet wat mien man van nacht getobd heeft over de boodschappen in de stad; als ze niet gedaan worden zijn de menschen verlegen en dan gaan ze naar een ander, je weet wel, dien Jannes Trot, die doet toch al zoo’n moeite om er ons uut te dringen. Mien arme man, hie werkt zich dood en ie gaat nooit naar de herberg en ie heeft alles gespaard om een ezel te kunnen koopen en noe ie het geld haast bie mekaar heeft, noe zal hie dood gaan!”De vrouw snikt en kan niet voortgaan met spreken. De jongens weten niet wat ze zeggen[114]zullen, maar ze duwen zoo hard ze kunnen en de slede rijdt flink over den weg.„Wie past nu op je man?” vraagt eindelijk Arthur.„De kleine Gerrit.”„Hoe oud is die?”„Vief jaar.”„Waarom niet een van de grooten?”„Die moeten naar school en Jentje moest met mie mee, omdat zie de boodschappen weet, zie is met Vader dikwijls met ewest.”Aan de poort nemen de jongens afscheid van vrouw Drieman, die hen vriendelijk bedankt en ze zijn beiden stil en denken over den zieken Jacob.Vóor de school zijn reeds eenige jongens bezig met sneeuwballen gooien en ze kijken uit of Amalia nog niet komt, maar die komt heel wijsop het laatste nippertje. De sneeuwpop is in den nacht gegroeid en prachtig, donzig wit geworden. Na de koffie gaan ze weer aan ’t werk, maar het is intusschen gaan waaien, de sneeuw waait aan hoopen tegen de hekken der verschillende tuintjes en in de deur- en raamkozijnen en overal zijn menschen aan het vegen.[115]De sneeuwpop heeft nu een stevig bovenlijf gekregen en David heeft een bankje aan den concierge gevraagd om er bij te klimmen.„Geef me nu zijn hoofd, ik zal het er op zetten,” zegt hij.Johannes reikt hem een grooten, zwaren bal toe en als David dien wil aannemen, rolt de bal op den grond en breekt.Dadelijk zijn verscheiden jongens bereid een nieuw hoofd te rollen en te zamen tillen zij het op den romp.„Ziezoo,” zegt David, „nu ga ik aan het boetseeren.”Hij kneedt en slaat met de vlakke hand en strijkt de schouders van het standbeeld glad en maakt een stevigen hals en nek, en als hij het hoofd goed ovaal rond heeft gemaakt en vast in elkaar gekneed, neemt hij zijn mes en begint te krabben en af te snijden en zie, daar komt de neus te voorschijn en de oogen en de wangen en de kin.„Mooi!” roepen de jongens, „prachtig! precies de neus van den Dirrik.”[116]„Die moet het ook worden,” zegt David, „ik wil een mooi standbeeld voor hem oprichten.”„Pas op, als hij het ziet,” zegt Gerard.„Waarom?” zegt David, „dat mag hij best, ik maak het niet bespottelijk, neen, het wordt echt mooi, dat heeft hij wel verdiend, is ’t waar of niet?”„Ja,” zegt Arthur, „’t is een kranige vent, hij kan goed orde houden, hij is wel streng maar rechtvaardig, ja, hij heeft een mooi standbeeld verdiend.”„Wie heeft een standbeeld verdiend?” vraagt de Directeur, die juist om den hoek is gekomen.Arthur krijgt een kleur als vuur en al de jongens staan verbluft te kijken.De directeur bekijkt het standbeeld: hij is een groote, breede man met een flinken kop; een groote neus en een hoog breed voorhoofd, een snor en sikje.„Te drommel,” zegt de directeur, „dat is knap gedaan, maar hij heeft nog geen ooren. Heb jij dat gedaan, kleine David?”„Ja mijnheer,” zegt deze een beetje verlegen, maar hij plakt toch gauw een paar ooren aan het hoofd.[117]Daar komen de andere heeren aan en allen bekijken het beeld en allen beginnen te glimlachen en ze kijken naar den directeur en dan weer naar het beeld en eindelijk zegt de grappige leeraar:„Directeur, er krijgen niet veel menschen een standbeeld bij hun leven.”De directeur heeft ook zich zelf herkend en nu roept David en dan al de anderen:„Lang leve de directeur!”Als de jongens ’s middags uit school komen, zien ze naar de lucht.„Dat ziet er niet best uit,” zegt Arthur, „wat wordt het donker en het sneeuwt zoo dicht en het waait alles op hoopen. Laten we ons haasten om thuis te komen.”De jongens gaan in vluggen pas de poort uit. Op sommige plaatsen is de sneeuw hoog opgewaaid tegen huizen en hekken links van den weg.„We moeten rechts houden,” zegt Constant, „bij het boschje aan den rechterkant zal de sneeuw niet opgewaaid zijn.„Daar zal ze wel dik liggen, hier is het niet erg,” zegt Arthur, „hier is bijna alles weg gewaaid,[118]maar hoe zal het bij het laatste boschje links zijn? daar komt al de sneeuw van de bouwlanden tegen aan waaien.”„Ja, dat zal een toer zijn; vooruit maar, hoe eerder we thuis zijn hoe beter.”De jongens loopen zoo hard ze kunnen en ze worden van top tot teen wit.„We lijken wel sneeuwpoppen; het was toch een mooi standbeeld, dat we gemaakt hebben, ik heb nog nooit zoo’n mooi gezien.”„Kijk, daar gaat vrouw Drieman, och die stumper, gauw helpen, een, twee, drie! Hola, hier! heb je een touw? we zullen je helpen,” roept Arthur.Wat is vrouw Drieman blij! Ze kon ook al haast niet meer vooruit komen en ze is zoo bang, dat ze de boodschappen niet veilig thuis zal krijgen en daarbij is zij zoo ongerust over haar man.„Jongeheer,” zegt ze tegen Arthur, „zou je Grootmoeder erg verlegen zijn om de citroenen en de kaas? anders moet ik ze nu nog brengen.”„Geef ze mij maar mee, hier, onder mijn jas in mijn blouse, daar kan een heele vracht in. Grootmoeder zou niet willen, dat je daar van avond[119]nog mee naar Conifera kwaamt door die dikke sneeuw. Ik hoop dat Jacob gauw beter wordt, groet hem.”„Van mij ook,” zegt Constant als ze de slede veilig voor de deur hebben gezet.„Kom Arthur, haast je, neen, ga niet naar binnen, het wordt veel te donker, je kunt toch den weg al haast niet meer onderscheiden en nu komt het boschje. Drommels! hoe komen we daar door? als de sneeuw hooger komt dan je knieën, kun je er niet door.”„Hier,” zegt Arthur, die zoo veel mogelijk rechts houdt.„Pas op, loop niet in de sloot, je zoudt diep in de sneeuw zakken; je kunt niet zien waar die vervelende droge sloot begint, alles is gelijk.”De jongens komen met moeite op het punt waar ze moeten scheiden en daar is de weg nog al duidelijk. Een boer, die hen tegen komt, zegt:„Haast je wat, het wordt gevaarlijk in het duister.”„Ja,” zegt Arthur, „we zijn gelukkig gauw thuis. Adi! tot morgen.”[120]„Goeie reis! pas maar op!” zegt Constant, terwijl hij zoo snel mogelijk naar het dorp loopt.Arthur komt zonder al te veel hindernis tot aan het hek van Conifera, maar nu zal het eerst lastig worden. Links is veel laag struikgewas, rechts zijn hoog opgaande eiken, waaronder de wind de sneeuw in vliegende vaart opjaagt en ophoopt tegen de struiken.Moedig stapt Arthur voorwaarts en waadt door de sneeuw en hoe langer hoe dieper zakken zijn beenen er in. Wat is het vermoeiend, de voeten telkens zoo hoog op te tillen. Daar komt hij bij een bocht van den weg, als hij daar maar voorbij was, dan zou hij het licht van Conifera kunnen zien.Daar staat Arthur plotseling stil, hij kan niet verder; de sneeuw reikt boven zijn knieën, Wat nu te doen? Hij probeert vooruit te komen, maar daar is het nog dieper, achteruit gaat ook niet. Nu wordt hij een beetje bang, eventjes maar en dan kijkt hij naar boven, naar de donkere lucht en krijgt sneeuwvlokken in zijn oogen, maar hij ziet juist boven zijn hoofd een dikken tak van een eik. Hij grijpt dien en trekt zich wat naar[121]boven. Dat helpt; hij slingert zich in de hoogte en laat zich neervallen meer naar rechts. Mooi, dat is minder diep; een paar passen kan hij voortgaan, maar o wee, nu wordt het nog erger en geen tak om zich aan op te trekken. Hij baant zich met de handen een weg, maar dat kan hij niet lang volhouden, ook weet hij niet goed de richting meer.„Hallo! Pandoer! Hallo!”Arthur fluit en roept uit alle macht. Daar hoort hij in de verte iets roepen en het blaffen van Pandoer, het komt nader bij.„Pandoer! Pandoer! hier ben ik! maar pas op, och wat ben ik dom geweest, dat arme dier, hij zal er nog minder door kunnen dan ik.”„Hier jongeheer! hier heen, ik zal een weg maken; hei! Jannes! help me gauw, heb je de schop? hier!”Nu gaat Arthur met nieuwen moed aan het werk, hij ziet het licht van een lantaren en hij heeft de stem van Hein herkend, gelukkig dat ze hem komen helpen, hij had er zonder hulp niet door kunnen komen.[122]„Ziezoo, nu kun je er door,” zegt Hein, terwijl hij even de schop neerzet en Arthur bij het licht van de lantaren bekijkt; het is intusschen heel donker geworden.„Waar is Pandoer? Pandoertje waar ben je?” en Arthur tracht in de duisternis te ontdekken, waar zijn trouwe hond gebleven is. Hij hoort hem janken en spartelen en als Hein het licht van de lantaren rond laat gaan, zien ze het arme dier worstelen door de diepe sneeuw.Dadelijk banen ze met Jannes een weg er heen en daar komt de hond bij Arthur en schudt zich uit en springt luid keffend tegen zijn baas op.„Nu gauw naar je Grootmoeder,” zegt Hein, „gauw, ze is zoo ongerust.”Wat zijn Grootmoeder en Arthur beide blij, als ze elkaar in de vestibule omhelzen. De sneeuwvlokken zitten in Grootmoeders sneeuwwit haar en ook op haar lieve, zachte wangen. Arthur is zoo’n wilde, onstuimige jongen, bijna even wild als Pandoer, die zich terdege uitschudt, zoodat de sneeuw tegen den barometer en de wijzerplaat van de klok aankleeft.[123]„Wat heb je daar voor dikte?” vraagt Grootmoeder, als Arthur zijn jas uittrekt.„O, dat zijn de citroenen en de kaas van vrouw Drieman; hè, wat ben ik blij dat ik ze meegenomen heb, anders was de stumper misschien in de sneeuw blijven steken.”Grootmoeder ziet hem liefdevol aan en zegt:„Kijk nu eens onder je servet.”„Ha! een brief!” juicht Arthur en terwijl Grootmoeder de soep opschept, kan hij niet laten gauw den brief te openen en te zien of ze in Indië allen gezond zijn. Grootmoeder laat het oogluikend toe, want zij is zoo erg verlangend iets te hooren over hare dierbaren, daar ginder, zoo heel ver weg over de zee.„Moeder schrijft, dat ze allen weer beter zijn, zus is het ergst geweest, maar nu allemaal goed, gelukkig!”„Gelukkig!” zegt Grootmoeder, „laten we nu eerst gaan eten en den brief voor het dessert bewaren.”Arthur vertelt, hoe hij tegen den sneeuwstorm geworsteld heeft en Grootmoeder zegt, dat zij niet geweten heeft dat het zoo erg was.[124]„Daar ben ik blij om,” zegt Arthur, „u zou dan zeker erg ongerust zijn geweest. Maar Grootmoeder, Jacob Drieman is erg ziek, zijn vrouw en Jentje moesten de boodschappen doen, de kleine Gerrit was alleen bij Jacob thuis.”„We zullen er dadelijk morgen naar laten hooren en hulp verschaffen, dat kan zoo niet,” zegt Grootmoeder.Aan het dessert magArthurden brief lezen.„Beste Arthur,Gisteren ontvingen we je brief, waarin je ons schrijft over den eersten dag op school. Vader en ik zijn heel blij, dat je er plezier in hebt en ook, dat je een aardigen kameraad hebt gevonden om mee samen te loopen en te werken. Dat treft al heel gelukkig, nu heb je altijd gezelschap op je wandeling van en naar de school en je kunt elkaar zoo prettig de lessen overhooren. Ik hoop, dat je alle klassen samen door zult maken en goede vrienden zult blijven. Vader zal je een postwissel zenden voor den ezelpot; Constant Kemper zal het ook wel prettig vinden, als jij gauw een ezel kunt koopen. We hebben erg getobd met malaria[125]en Carolientje heeft erg knokkelkoorts gehad, het arme kind voelde zich heel ziek en pijnlijk. De tuinen zijn prachtig en de kleintjes vinden het hier heerlijk; maar ik verlang erg naar Holland. We hebben met de vorige mail een kistje verzonden, dat kun je dus binnenkort ontvangen. Ben je lief en gehoorzaam voor Grootmoeder? ben je niet te wild en te druk? denk er om dat Grootmoeder al een beetje oud is. Omhels haar eens voor mij en zeg haar, dat ik zoo blij ben, dat mijn lieve jongen bij haar kan zijn. Vader en de zusjes zenden veel groetjes. Vader schrijft met de volgende mail aan Grootmoeder.In gedachten een omhelzing vanje zoo liefhebbendeMoessie.”Arthur leest den brief nog eens over en zegt:„Ik vind het zoo prettig in Indië, maar als Vader en Moeder hier komen, zal ik er niet zoo erg meer naar verlangen als den eersten tijd. Ik begin nu al veel van Holland te houden.”[126]
Hoofdstuk IX.Hoofdstuk IX.
Hoofdstuk IX.
November is gekomen en daarmee regen en wind, zelfs storm. Constant en Arthur loopen door alle weer en wind en ze worden sterk en gezond en onvermoeid, en als Grootmoeder Mung en Moeder Kemper soms medelijden hebben, lachen de jongens en zeggen:„Dat is juist leuk.”Eens op een morgen in het laatst van November, ligt er ’s morgens een laagje sneeuw en de lucht is grijs en altijd door blijft de sneeuw vallen. Het is de eerste keer dat Arthur sneeuw ziet. Wat vindt hij dat aardig, hij loopt dadelijk met zijn bloote hoofd naar buiten, neemt wat sneeuw in de hand, steekt zijn armen ver uit en kijkt naar de lucht. Grootmoeder heeft intusschen een vergrootglas uit de kast gekregen en komt met een rood fluweelen kussen op de stoep staan.[107]„Wat gaat u doen Grootmoeder?”„Zie eens hier mijn jongen, kijk eens naar die vlokken door het vergrootglas.”„Hé wat mooi, allemaal sterren en figuren, wat zou dat prachtig zijn in een microscoop. Oom Bantam heeft er een, dien zal ik het vragen, ik dacht niet dat sneeuw zoo mooi was.”Nu steekt Arthur zijn tong uit, totdat er een dikke vlok op valt.„Hè, lekker koud!”Hij gaat naar de buitenvensterbank en neemt van de zuivere sneeuw in zijn mond en dan maakt hij voor het eerst van zijn leven een sneeuwbal en gooit er mee naar Pandoer, die heen en weer holt en in de sneeuw rolt.„Ziezoo, nu ontbijten,” zegt Grootmoeder.„He,” zegt Arthur na het ontbijt, terwijl hij zijn boeken stevig inpakt, „wat zullen we heerlijk met sneeuwballen gooien, ik ga gauw op weg, dan kunnen we vóór schooltijd nog beginnen; ik zal Amalia inzeepen, dat hooren en zien haar vergaat.”„Foei Arthur,” zegt Grootmoeder, „geen meisjes, dat is niet ridderlijk.”[108]„O, andere meisjes niet, maar Amalia heeft wat op haar kerfstok.”„Ja? wat dan?”„Och, ze is nietaardiggeweest, maar ik zeg liever niet wat.”„Goed jongen, dat behoeft ook niet, maar maak het niet te erg.”„Neen Grootmoeder, alles met mate, zei de meester en hij sloeg den jongen met den meterstok. Dag Grootmoeder! Zou er vandaag een mailbrief komen?”„Ja, ik denk het wel.”„Legt u hem dan onder mijn servet?”„Ja jongen, denk je aan je overschoenen? anders zit je den heelen dag met natte voeten.”„Die vervelende dingen!” zegt Arthur, maar hij doet ze toch aan, neemt hartelijk afscheid van Grootmoeder en Pandoer, die het tegenwoordig vreeselijk saai vindt en gaat moedig op weg.De jongens verwelkomen elkaar met eenige sneeuwballen, als ze bij het huis van Jacob Drieman samen komen en loopen dan vroolijk pratend naar de stad. Het is niet de dag waarop Jacob[109]boodschappen moet doen, maar morgen, dan moet de arme stakker door de sneeuw.„We zullen Jacob morgen goed moeten helpen,” zegt Arthur, „hij was gisteren zoo kortademig. Wat zou hij graag een ezel hebben, hij heeft er al zoo lang voor gespaard, maar hij heeft nog niet genoeg. Als er veel sneeuw komt, zal hij er in ’t geheel niet door kunnen met zijn kar.”„Neen, maar hij heeft een slede,” zegt Constant, „dat heeft hij me verteld. Overhoor mij nu eerst de geschiedenis, hier heb je mijn boek, dan zal ik jou overhooren.”Als ze de poort naderen, zien ze op de torenklok, dat het op slag van negen is.„Doossie! wat is het laat, ik dacht dat we zoo vroeg waren,” zegt Arthur.„Dat komt door de sneeuw, we hebben zeker niet zoo hard geloopen, vooruit! op een draf!”De concierge wil juist de deur sluiten als de jongens komen aanrennen. Om 12 uur haasten ze zich met koffiedrinken om zoo lang mogelijk sneeuwballen te kunnen gooien. Er is veel sneeuw bij gekomen en het sneeuwt nog altijd door met[110]dikke vlokken. David en Johannes Bredero zijn bezig een sneeuwpop te maken op het plein, vóor deH. B. S.Johannes rolt handig een bal en daar de sneeuw goed pakt, wordt die spoedig heel groot.„Nu overeind,” zegt David, „zoo, dat is zijn éene been, rol nu nog zoo’n ding, ik zal het fatsoeneeren; het moet een groot standbeeld worden. Nu zijn andere been, mooi! maar je hebt het veel langer gemaakt en dikker, nu, dat hindert niet, we zetten hier nog een stuk bij. Nu de romp, wacht, ik zal je helpen rollen; hè, daarwordje warm van; rol hem nu naar de plaats; nu overeind sapperloot, wat is dat ding zwaar; hei! Constant! help ons een handje,”Constant komt dadelijk en met hem Arthur en Gerard Bunte. Ze krijgen er allen plezier in. Met vereende krachten beuren ze het groote stuk boven op de twee beenen.David gaat op eenigen afstand staan om het te bekijken.„Er moet nog een stuk boven op,” zegt hij.„’t Is tijd,” zegt de concierge.[111]„Hé wat saai; nu, morgen zullen we hem verder opbouwen.”Daar komt Amalia aan; nu hebben de jongens geen tijd om haar in te zeepen, maar ze krijgt in de gauwigheid toch nog twee sneeuwballen midden in haar gezicht.Na schooltijd is het al bijna donker en de jongens haasten zich om thuis te komen. Het sneeuwt nog altijd door, de lucht is effen grijs en er ligt een dik pak.Met moeite en heel warm komen de jongens thuis; Grootmoeder was al ongerust omdat het zoo vroeg donker was.„Is er geen brief?”„Neen jongen, misschien morgen. Ik hoop dat het nu gauw op zal houden met sneeuwen, hoe kun je er anders morgen door?”„O Grootmoeder, dat is juist prettig, we maken een prachtige sneeuwpop op het plein, morgen moeten we hem verder afmaken.”„Ja maar jongen, de weg zal zoo moeielijk te begaan zijn.”„O Grootmoeder, we zijn sterke jongens, daar zien we niet tegen op.”[112]Den volgenden dag heeft de baas een pad gemaakt met een klein sneeuwploegje tot aan het hek. Er ligt veel sneeuw en het sneeuwt nog altijd door.Juist als Arthur bij het hek is, ziet hij den grooten sneeuwploeg komen. Vier paarden zijn er vóor gespannen. Verscheiden mannen en jongens zitten er op om den ploeg te verzwaren en Arthur krijgt ook permissie er op te gaan.Dat treft hij, als nu Constant ook maar op tijd is. Daar ziet hij hem aankomen, hij loopt zoo hard hij kan en dat is niet gauw door die dikke sneeuw en haalt gelukkig den ploeg in en gaat er bij op zitten. Juist als ze voorbij het huis van Jacob Drieman gaan, zien ze de vrouw en het oudste meisje met een slede tegen den hoogen weg opschuiven. Maar het gaat niet, de sneeuw is zoo dik, ze zwoegen en spannen zich in zoo veel zij kunnen, maar het is te zwaar.„We moeten helpen,” zegt Constant en hij en Arthur springen van den ploeg, waarop zij zoo prettig vooruit kwamen.„Waar is Jacob?” vraagt Arthur.[113]„Mijn man is ziek,” zegt de vrouw, terwijl ze steeds voortgaat zich in te spannen.Nu komen de jongens te hulp en met vereende krachten trekken ze de slede op den weg, die nu gebaand is door den ploeg.„Wat scheelt Jacob?” vraagt Constant.„Ik ben bang dat ie longontsteking heeft,” zegt de vrouw, terwijl dikke tranen over haar wangen loopen.De jongens zien elkaar verschrikt aan en hebben diep medelijden met de arme vrouw.„Och jongeheeren, je weet niet wat mien man van nacht getobd heeft over de boodschappen in de stad; als ze niet gedaan worden zijn de menschen verlegen en dan gaan ze naar een ander, je weet wel, dien Jannes Trot, die doet toch al zoo’n moeite om er ons uut te dringen. Mien arme man, hie werkt zich dood en ie gaat nooit naar de herberg en ie heeft alles gespaard om een ezel te kunnen koopen en noe ie het geld haast bie mekaar heeft, noe zal hie dood gaan!”De vrouw snikt en kan niet voortgaan met spreken. De jongens weten niet wat ze zeggen[114]zullen, maar ze duwen zoo hard ze kunnen en de slede rijdt flink over den weg.„Wie past nu op je man?” vraagt eindelijk Arthur.„De kleine Gerrit.”„Hoe oud is die?”„Vief jaar.”„Waarom niet een van de grooten?”„Die moeten naar school en Jentje moest met mie mee, omdat zie de boodschappen weet, zie is met Vader dikwijls met ewest.”Aan de poort nemen de jongens afscheid van vrouw Drieman, die hen vriendelijk bedankt en ze zijn beiden stil en denken over den zieken Jacob.Vóor de school zijn reeds eenige jongens bezig met sneeuwballen gooien en ze kijken uit of Amalia nog niet komt, maar die komt heel wijsop het laatste nippertje. De sneeuwpop is in den nacht gegroeid en prachtig, donzig wit geworden. Na de koffie gaan ze weer aan ’t werk, maar het is intusschen gaan waaien, de sneeuw waait aan hoopen tegen de hekken der verschillende tuintjes en in de deur- en raamkozijnen en overal zijn menschen aan het vegen.[115]De sneeuwpop heeft nu een stevig bovenlijf gekregen en David heeft een bankje aan den concierge gevraagd om er bij te klimmen.„Geef me nu zijn hoofd, ik zal het er op zetten,” zegt hij.Johannes reikt hem een grooten, zwaren bal toe en als David dien wil aannemen, rolt de bal op den grond en breekt.Dadelijk zijn verscheiden jongens bereid een nieuw hoofd te rollen en te zamen tillen zij het op den romp.„Ziezoo,” zegt David, „nu ga ik aan het boetseeren.”Hij kneedt en slaat met de vlakke hand en strijkt de schouders van het standbeeld glad en maakt een stevigen hals en nek, en als hij het hoofd goed ovaal rond heeft gemaakt en vast in elkaar gekneed, neemt hij zijn mes en begint te krabben en af te snijden en zie, daar komt de neus te voorschijn en de oogen en de wangen en de kin.„Mooi!” roepen de jongens, „prachtig! precies de neus van den Dirrik.”[116]„Die moet het ook worden,” zegt David, „ik wil een mooi standbeeld voor hem oprichten.”„Pas op, als hij het ziet,” zegt Gerard.„Waarom?” zegt David, „dat mag hij best, ik maak het niet bespottelijk, neen, het wordt echt mooi, dat heeft hij wel verdiend, is ’t waar of niet?”„Ja,” zegt Arthur, „’t is een kranige vent, hij kan goed orde houden, hij is wel streng maar rechtvaardig, ja, hij heeft een mooi standbeeld verdiend.”„Wie heeft een standbeeld verdiend?” vraagt de Directeur, die juist om den hoek is gekomen.Arthur krijgt een kleur als vuur en al de jongens staan verbluft te kijken.De directeur bekijkt het standbeeld: hij is een groote, breede man met een flinken kop; een groote neus en een hoog breed voorhoofd, een snor en sikje.„Te drommel,” zegt de directeur, „dat is knap gedaan, maar hij heeft nog geen ooren. Heb jij dat gedaan, kleine David?”„Ja mijnheer,” zegt deze een beetje verlegen, maar hij plakt toch gauw een paar ooren aan het hoofd.[117]Daar komen de andere heeren aan en allen bekijken het beeld en allen beginnen te glimlachen en ze kijken naar den directeur en dan weer naar het beeld en eindelijk zegt de grappige leeraar:„Directeur, er krijgen niet veel menschen een standbeeld bij hun leven.”De directeur heeft ook zich zelf herkend en nu roept David en dan al de anderen:„Lang leve de directeur!”Als de jongens ’s middags uit school komen, zien ze naar de lucht.„Dat ziet er niet best uit,” zegt Arthur, „wat wordt het donker en het sneeuwt zoo dicht en het waait alles op hoopen. Laten we ons haasten om thuis te komen.”De jongens gaan in vluggen pas de poort uit. Op sommige plaatsen is de sneeuw hoog opgewaaid tegen huizen en hekken links van den weg.„We moeten rechts houden,” zegt Constant, „bij het boschje aan den rechterkant zal de sneeuw niet opgewaaid zijn.„Daar zal ze wel dik liggen, hier is het niet erg,” zegt Arthur, „hier is bijna alles weg gewaaid,[118]maar hoe zal het bij het laatste boschje links zijn? daar komt al de sneeuw van de bouwlanden tegen aan waaien.”„Ja, dat zal een toer zijn; vooruit maar, hoe eerder we thuis zijn hoe beter.”De jongens loopen zoo hard ze kunnen en ze worden van top tot teen wit.„We lijken wel sneeuwpoppen; het was toch een mooi standbeeld, dat we gemaakt hebben, ik heb nog nooit zoo’n mooi gezien.”„Kijk, daar gaat vrouw Drieman, och die stumper, gauw helpen, een, twee, drie! Hola, hier! heb je een touw? we zullen je helpen,” roept Arthur.Wat is vrouw Drieman blij! Ze kon ook al haast niet meer vooruit komen en ze is zoo bang, dat ze de boodschappen niet veilig thuis zal krijgen en daarbij is zij zoo ongerust over haar man.„Jongeheer,” zegt ze tegen Arthur, „zou je Grootmoeder erg verlegen zijn om de citroenen en de kaas? anders moet ik ze nu nog brengen.”„Geef ze mij maar mee, hier, onder mijn jas in mijn blouse, daar kan een heele vracht in. Grootmoeder zou niet willen, dat je daar van avond[119]nog mee naar Conifera kwaamt door die dikke sneeuw. Ik hoop dat Jacob gauw beter wordt, groet hem.”„Van mij ook,” zegt Constant als ze de slede veilig voor de deur hebben gezet.„Kom Arthur, haast je, neen, ga niet naar binnen, het wordt veel te donker, je kunt toch den weg al haast niet meer onderscheiden en nu komt het boschje. Drommels! hoe komen we daar door? als de sneeuw hooger komt dan je knieën, kun je er niet door.”„Hier,” zegt Arthur, die zoo veel mogelijk rechts houdt.„Pas op, loop niet in de sloot, je zoudt diep in de sneeuw zakken; je kunt niet zien waar die vervelende droge sloot begint, alles is gelijk.”De jongens komen met moeite op het punt waar ze moeten scheiden en daar is de weg nog al duidelijk. Een boer, die hen tegen komt, zegt:„Haast je wat, het wordt gevaarlijk in het duister.”„Ja,” zegt Arthur, „we zijn gelukkig gauw thuis. Adi! tot morgen.”[120]„Goeie reis! pas maar op!” zegt Constant, terwijl hij zoo snel mogelijk naar het dorp loopt.Arthur komt zonder al te veel hindernis tot aan het hek van Conifera, maar nu zal het eerst lastig worden. Links is veel laag struikgewas, rechts zijn hoog opgaande eiken, waaronder de wind de sneeuw in vliegende vaart opjaagt en ophoopt tegen de struiken.Moedig stapt Arthur voorwaarts en waadt door de sneeuw en hoe langer hoe dieper zakken zijn beenen er in. Wat is het vermoeiend, de voeten telkens zoo hoog op te tillen. Daar komt hij bij een bocht van den weg, als hij daar maar voorbij was, dan zou hij het licht van Conifera kunnen zien.Daar staat Arthur plotseling stil, hij kan niet verder; de sneeuw reikt boven zijn knieën, Wat nu te doen? Hij probeert vooruit te komen, maar daar is het nog dieper, achteruit gaat ook niet. Nu wordt hij een beetje bang, eventjes maar en dan kijkt hij naar boven, naar de donkere lucht en krijgt sneeuwvlokken in zijn oogen, maar hij ziet juist boven zijn hoofd een dikken tak van een eik. Hij grijpt dien en trekt zich wat naar[121]boven. Dat helpt; hij slingert zich in de hoogte en laat zich neervallen meer naar rechts. Mooi, dat is minder diep; een paar passen kan hij voortgaan, maar o wee, nu wordt het nog erger en geen tak om zich aan op te trekken. Hij baant zich met de handen een weg, maar dat kan hij niet lang volhouden, ook weet hij niet goed de richting meer.„Hallo! Pandoer! Hallo!”Arthur fluit en roept uit alle macht. Daar hoort hij in de verte iets roepen en het blaffen van Pandoer, het komt nader bij.„Pandoer! Pandoer! hier ben ik! maar pas op, och wat ben ik dom geweest, dat arme dier, hij zal er nog minder door kunnen dan ik.”„Hier jongeheer! hier heen, ik zal een weg maken; hei! Jannes! help me gauw, heb je de schop? hier!”Nu gaat Arthur met nieuwen moed aan het werk, hij ziet het licht van een lantaren en hij heeft de stem van Hein herkend, gelukkig dat ze hem komen helpen, hij had er zonder hulp niet door kunnen komen.[122]„Ziezoo, nu kun je er door,” zegt Hein, terwijl hij even de schop neerzet en Arthur bij het licht van de lantaren bekijkt; het is intusschen heel donker geworden.„Waar is Pandoer? Pandoertje waar ben je?” en Arthur tracht in de duisternis te ontdekken, waar zijn trouwe hond gebleven is. Hij hoort hem janken en spartelen en als Hein het licht van de lantaren rond laat gaan, zien ze het arme dier worstelen door de diepe sneeuw.Dadelijk banen ze met Jannes een weg er heen en daar komt de hond bij Arthur en schudt zich uit en springt luid keffend tegen zijn baas op.„Nu gauw naar je Grootmoeder,” zegt Hein, „gauw, ze is zoo ongerust.”Wat zijn Grootmoeder en Arthur beide blij, als ze elkaar in de vestibule omhelzen. De sneeuwvlokken zitten in Grootmoeders sneeuwwit haar en ook op haar lieve, zachte wangen. Arthur is zoo’n wilde, onstuimige jongen, bijna even wild als Pandoer, die zich terdege uitschudt, zoodat de sneeuw tegen den barometer en de wijzerplaat van de klok aankleeft.[123]„Wat heb je daar voor dikte?” vraagt Grootmoeder, als Arthur zijn jas uittrekt.„O, dat zijn de citroenen en de kaas van vrouw Drieman; hè, wat ben ik blij dat ik ze meegenomen heb, anders was de stumper misschien in de sneeuw blijven steken.”Grootmoeder ziet hem liefdevol aan en zegt:„Kijk nu eens onder je servet.”„Ha! een brief!” juicht Arthur en terwijl Grootmoeder de soep opschept, kan hij niet laten gauw den brief te openen en te zien of ze in Indië allen gezond zijn. Grootmoeder laat het oogluikend toe, want zij is zoo erg verlangend iets te hooren over hare dierbaren, daar ginder, zoo heel ver weg over de zee.„Moeder schrijft, dat ze allen weer beter zijn, zus is het ergst geweest, maar nu allemaal goed, gelukkig!”„Gelukkig!” zegt Grootmoeder, „laten we nu eerst gaan eten en den brief voor het dessert bewaren.”Arthur vertelt, hoe hij tegen den sneeuwstorm geworsteld heeft en Grootmoeder zegt, dat zij niet geweten heeft dat het zoo erg was.[124]„Daar ben ik blij om,” zegt Arthur, „u zou dan zeker erg ongerust zijn geweest. Maar Grootmoeder, Jacob Drieman is erg ziek, zijn vrouw en Jentje moesten de boodschappen doen, de kleine Gerrit was alleen bij Jacob thuis.”„We zullen er dadelijk morgen naar laten hooren en hulp verschaffen, dat kan zoo niet,” zegt Grootmoeder.Aan het dessert magArthurden brief lezen.„Beste Arthur,Gisteren ontvingen we je brief, waarin je ons schrijft over den eersten dag op school. Vader en ik zijn heel blij, dat je er plezier in hebt en ook, dat je een aardigen kameraad hebt gevonden om mee samen te loopen en te werken. Dat treft al heel gelukkig, nu heb je altijd gezelschap op je wandeling van en naar de school en je kunt elkaar zoo prettig de lessen overhooren. Ik hoop, dat je alle klassen samen door zult maken en goede vrienden zult blijven. Vader zal je een postwissel zenden voor den ezelpot; Constant Kemper zal het ook wel prettig vinden, als jij gauw een ezel kunt koopen. We hebben erg getobd met malaria[125]en Carolientje heeft erg knokkelkoorts gehad, het arme kind voelde zich heel ziek en pijnlijk. De tuinen zijn prachtig en de kleintjes vinden het hier heerlijk; maar ik verlang erg naar Holland. We hebben met de vorige mail een kistje verzonden, dat kun je dus binnenkort ontvangen. Ben je lief en gehoorzaam voor Grootmoeder? ben je niet te wild en te druk? denk er om dat Grootmoeder al een beetje oud is. Omhels haar eens voor mij en zeg haar, dat ik zoo blij ben, dat mijn lieve jongen bij haar kan zijn. Vader en de zusjes zenden veel groetjes. Vader schrijft met de volgende mail aan Grootmoeder.In gedachten een omhelzing vanje zoo liefhebbendeMoessie.”Arthur leest den brief nog eens over en zegt:„Ik vind het zoo prettig in Indië, maar als Vader en Moeder hier komen, zal ik er niet zoo erg meer naar verlangen als den eersten tijd. Ik begin nu al veel van Holland te houden.”[126]
November is gekomen en daarmee regen en wind, zelfs storm. Constant en Arthur loopen door alle weer en wind en ze worden sterk en gezond en onvermoeid, en als Grootmoeder Mung en Moeder Kemper soms medelijden hebben, lachen de jongens en zeggen:
„Dat is juist leuk.”
Eens op een morgen in het laatst van November, ligt er ’s morgens een laagje sneeuw en de lucht is grijs en altijd door blijft de sneeuw vallen. Het is de eerste keer dat Arthur sneeuw ziet. Wat vindt hij dat aardig, hij loopt dadelijk met zijn bloote hoofd naar buiten, neemt wat sneeuw in de hand, steekt zijn armen ver uit en kijkt naar de lucht. Grootmoeder heeft intusschen een vergrootglas uit de kast gekregen en komt met een rood fluweelen kussen op de stoep staan.[107]
„Wat gaat u doen Grootmoeder?”
„Zie eens hier mijn jongen, kijk eens naar die vlokken door het vergrootglas.”
„Hé wat mooi, allemaal sterren en figuren, wat zou dat prachtig zijn in een microscoop. Oom Bantam heeft er een, dien zal ik het vragen, ik dacht niet dat sneeuw zoo mooi was.”
Nu steekt Arthur zijn tong uit, totdat er een dikke vlok op valt.
„Hè, lekker koud!”
Hij gaat naar de buitenvensterbank en neemt van de zuivere sneeuw in zijn mond en dan maakt hij voor het eerst van zijn leven een sneeuwbal en gooit er mee naar Pandoer, die heen en weer holt en in de sneeuw rolt.
„Ziezoo, nu ontbijten,” zegt Grootmoeder.
„He,” zegt Arthur na het ontbijt, terwijl hij zijn boeken stevig inpakt, „wat zullen we heerlijk met sneeuwballen gooien, ik ga gauw op weg, dan kunnen we vóór schooltijd nog beginnen; ik zal Amalia inzeepen, dat hooren en zien haar vergaat.”
„Foei Arthur,” zegt Grootmoeder, „geen meisjes, dat is niet ridderlijk.”[108]
„O, andere meisjes niet, maar Amalia heeft wat op haar kerfstok.”
„Ja? wat dan?”
„Och, ze is nietaardiggeweest, maar ik zeg liever niet wat.”
„Goed jongen, dat behoeft ook niet, maar maak het niet te erg.”
„Neen Grootmoeder, alles met mate, zei de meester en hij sloeg den jongen met den meterstok. Dag Grootmoeder! Zou er vandaag een mailbrief komen?”
„Ja, ik denk het wel.”
„Legt u hem dan onder mijn servet?”
„Ja jongen, denk je aan je overschoenen? anders zit je den heelen dag met natte voeten.”
„Die vervelende dingen!” zegt Arthur, maar hij doet ze toch aan, neemt hartelijk afscheid van Grootmoeder en Pandoer, die het tegenwoordig vreeselijk saai vindt en gaat moedig op weg.
De jongens verwelkomen elkaar met eenige sneeuwballen, als ze bij het huis van Jacob Drieman samen komen en loopen dan vroolijk pratend naar de stad. Het is niet de dag waarop Jacob[109]boodschappen moet doen, maar morgen, dan moet de arme stakker door de sneeuw.
„We zullen Jacob morgen goed moeten helpen,” zegt Arthur, „hij was gisteren zoo kortademig. Wat zou hij graag een ezel hebben, hij heeft er al zoo lang voor gespaard, maar hij heeft nog niet genoeg. Als er veel sneeuw komt, zal hij er in ’t geheel niet door kunnen met zijn kar.”
„Neen, maar hij heeft een slede,” zegt Constant, „dat heeft hij me verteld. Overhoor mij nu eerst de geschiedenis, hier heb je mijn boek, dan zal ik jou overhooren.”
Als ze de poort naderen, zien ze op de torenklok, dat het op slag van negen is.
„Doossie! wat is het laat, ik dacht dat we zoo vroeg waren,” zegt Arthur.
„Dat komt door de sneeuw, we hebben zeker niet zoo hard geloopen, vooruit! op een draf!”
De concierge wil juist de deur sluiten als de jongens komen aanrennen. Om 12 uur haasten ze zich met koffiedrinken om zoo lang mogelijk sneeuwballen te kunnen gooien. Er is veel sneeuw bij gekomen en het sneeuwt nog altijd door met[110]dikke vlokken. David en Johannes Bredero zijn bezig een sneeuwpop te maken op het plein, vóor deH. B. S.Johannes rolt handig een bal en daar de sneeuw goed pakt, wordt die spoedig heel groot.
„Nu overeind,” zegt David, „zoo, dat is zijn éene been, rol nu nog zoo’n ding, ik zal het fatsoeneeren; het moet een groot standbeeld worden. Nu zijn andere been, mooi! maar je hebt het veel langer gemaakt en dikker, nu, dat hindert niet, we zetten hier nog een stuk bij. Nu de romp, wacht, ik zal je helpen rollen; hè, daarwordje warm van; rol hem nu naar de plaats; nu overeind sapperloot, wat is dat ding zwaar; hei! Constant! help ons een handje,”
Constant komt dadelijk en met hem Arthur en Gerard Bunte. Ze krijgen er allen plezier in. Met vereende krachten beuren ze het groote stuk boven op de twee beenen.
David gaat op eenigen afstand staan om het te bekijken.
„Er moet nog een stuk boven op,” zegt hij.
„’t Is tijd,” zegt de concierge.[111]
„Hé wat saai; nu, morgen zullen we hem verder opbouwen.”
Daar komt Amalia aan; nu hebben de jongens geen tijd om haar in te zeepen, maar ze krijgt in de gauwigheid toch nog twee sneeuwballen midden in haar gezicht.
Na schooltijd is het al bijna donker en de jongens haasten zich om thuis te komen. Het sneeuwt nog altijd door, de lucht is effen grijs en er ligt een dik pak.
Met moeite en heel warm komen de jongens thuis; Grootmoeder was al ongerust omdat het zoo vroeg donker was.
„Is er geen brief?”
„Neen jongen, misschien morgen. Ik hoop dat het nu gauw op zal houden met sneeuwen, hoe kun je er anders morgen door?”
„O Grootmoeder, dat is juist prettig, we maken een prachtige sneeuwpop op het plein, morgen moeten we hem verder afmaken.”
„Ja maar jongen, de weg zal zoo moeielijk te begaan zijn.”
„O Grootmoeder, we zijn sterke jongens, daar zien we niet tegen op.”[112]
Den volgenden dag heeft de baas een pad gemaakt met een klein sneeuwploegje tot aan het hek. Er ligt veel sneeuw en het sneeuwt nog altijd door.
Juist als Arthur bij het hek is, ziet hij den grooten sneeuwploeg komen. Vier paarden zijn er vóor gespannen. Verscheiden mannen en jongens zitten er op om den ploeg te verzwaren en Arthur krijgt ook permissie er op te gaan.
Dat treft hij, als nu Constant ook maar op tijd is. Daar ziet hij hem aankomen, hij loopt zoo hard hij kan en dat is niet gauw door die dikke sneeuw en haalt gelukkig den ploeg in en gaat er bij op zitten. Juist als ze voorbij het huis van Jacob Drieman gaan, zien ze de vrouw en het oudste meisje met een slede tegen den hoogen weg opschuiven. Maar het gaat niet, de sneeuw is zoo dik, ze zwoegen en spannen zich in zoo veel zij kunnen, maar het is te zwaar.
„We moeten helpen,” zegt Constant en hij en Arthur springen van den ploeg, waarop zij zoo prettig vooruit kwamen.
„Waar is Jacob?” vraagt Arthur.[113]
„Mijn man is ziek,” zegt de vrouw, terwijl ze steeds voortgaat zich in te spannen.
Nu komen de jongens te hulp en met vereende krachten trekken ze de slede op den weg, die nu gebaand is door den ploeg.
„Wat scheelt Jacob?” vraagt Constant.
„Ik ben bang dat ie longontsteking heeft,” zegt de vrouw, terwijl dikke tranen over haar wangen loopen.
De jongens zien elkaar verschrikt aan en hebben diep medelijden met de arme vrouw.
„Och jongeheeren, je weet niet wat mien man van nacht getobd heeft over de boodschappen in de stad; als ze niet gedaan worden zijn de menschen verlegen en dan gaan ze naar een ander, je weet wel, dien Jannes Trot, die doet toch al zoo’n moeite om er ons uut te dringen. Mien arme man, hie werkt zich dood en ie gaat nooit naar de herberg en ie heeft alles gespaard om een ezel te kunnen koopen en noe ie het geld haast bie mekaar heeft, noe zal hie dood gaan!”
De vrouw snikt en kan niet voortgaan met spreken. De jongens weten niet wat ze zeggen[114]zullen, maar ze duwen zoo hard ze kunnen en de slede rijdt flink over den weg.
„Wie past nu op je man?” vraagt eindelijk Arthur.
„De kleine Gerrit.”
„Hoe oud is die?”
„Vief jaar.”
„Waarom niet een van de grooten?”
„Die moeten naar school en Jentje moest met mie mee, omdat zie de boodschappen weet, zie is met Vader dikwijls met ewest.”
Aan de poort nemen de jongens afscheid van vrouw Drieman, die hen vriendelijk bedankt en ze zijn beiden stil en denken over den zieken Jacob.
Vóor de school zijn reeds eenige jongens bezig met sneeuwballen gooien en ze kijken uit of Amalia nog niet komt, maar die komt heel wijsop het laatste nippertje. De sneeuwpop is in den nacht gegroeid en prachtig, donzig wit geworden. Na de koffie gaan ze weer aan ’t werk, maar het is intusschen gaan waaien, de sneeuw waait aan hoopen tegen de hekken der verschillende tuintjes en in de deur- en raamkozijnen en overal zijn menschen aan het vegen.[115]
De sneeuwpop heeft nu een stevig bovenlijf gekregen en David heeft een bankje aan den concierge gevraagd om er bij te klimmen.
„Geef me nu zijn hoofd, ik zal het er op zetten,” zegt hij.
Johannes reikt hem een grooten, zwaren bal toe en als David dien wil aannemen, rolt de bal op den grond en breekt.
Dadelijk zijn verscheiden jongens bereid een nieuw hoofd te rollen en te zamen tillen zij het op den romp.
„Ziezoo,” zegt David, „nu ga ik aan het boetseeren.”
Hij kneedt en slaat met de vlakke hand en strijkt de schouders van het standbeeld glad en maakt een stevigen hals en nek, en als hij het hoofd goed ovaal rond heeft gemaakt en vast in elkaar gekneed, neemt hij zijn mes en begint te krabben en af te snijden en zie, daar komt de neus te voorschijn en de oogen en de wangen en de kin.
„Mooi!” roepen de jongens, „prachtig! precies de neus van den Dirrik.”[116]
„Die moet het ook worden,” zegt David, „ik wil een mooi standbeeld voor hem oprichten.”
„Pas op, als hij het ziet,” zegt Gerard.
„Waarom?” zegt David, „dat mag hij best, ik maak het niet bespottelijk, neen, het wordt echt mooi, dat heeft hij wel verdiend, is ’t waar of niet?”
„Ja,” zegt Arthur, „’t is een kranige vent, hij kan goed orde houden, hij is wel streng maar rechtvaardig, ja, hij heeft een mooi standbeeld verdiend.”
„Wie heeft een standbeeld verdiend?” vraagt de Directeur, die juist om den hoek is gekomen.
Arthur krijgt een kleur als vuur en al de jongens staan verbluft te kijken.
De directeur bekijkt het standbeeld: hij is een groote, breede man met een flinken kop; een groote neus en een hoog breed voorhoofd, een snor en sikje.
„Te drommel,” zegt de directeur, „dat is knap gedaan, maar hij heeft nog geen ooren. Heb jij dat gedaan, kleine David?”
„Ja mijnheer,” zegt deze een beetje verlegen, maar hij plakt toch gauw een paar ooren aan het hoofd.[117]
Daar komen de andere heeren aan en allen bekijken het beeld en allen beginnen te glimlachen en ze kijken naar den directeur en dan weer naar het beeld en eindelijk zegt de grappige leeraar:
„Directeur, er krijgen niet veel menschen een standbeeld bij hun leven.”
De directeur heeft ook zich zelf herkend en nu roept David en dan al de anderen:
„Lang leve de directeur!”
Als de jongens ’s middags uit school komen, zien ze naar de lucht.
„Dat ziet er niet best uit,” zegt Arthur, „wat wordt het donker en het sneeuwt zoo dicht en het waait alles op hoopen. Laten we ons haasten om thuis te komen.”
De jongens gaan in vluggen pas de poort uit. Op sommige plaatsen is de sneeuw hoog opgewaaid tegen huizen en hekken links van den weg.
„We moeten rechts houden,” zegt Constant, „bij het boschje aan den rechterkant zal de sneeuw niet opgewaaid zijn.
„Daar zal ze wel dik liggen, hier is het niet erg,” zegt Arthur, „hier is bijna alles weg gewaaid,[118]maar hoe zal het bij het laatste boschje links zijn? daar komt al de sneeuw van de bouwlanden tegen aan waaien.”
„Ja, dat zal een toer zijn; vooruit maar, hoe eerder we thuis zijn hoe beter.”
De jongens loopen zoo hard ze kunnen en ze worden van top tot teen wit.
„We lijken wel sneeuwpoppen; het was toch een mooi standbeeld, dat we gemaakt hebben, ik heb nog nooit zoo’n mooi gezien.”
„Kijk, daar gaat vrouw Drieman, och die stumper, gauw helpen, een, twee, drie! Hola, hier! heb je een touw? we zullen je helpen,” roept Arthur.
Wat is vrouw Drieman blij! Ze kon ook al haast niet meer vooruit komen en ze is zoo bang, dat ze de boodschappen niet veilig thuis zal krijgen en daarbij is zij zoo ongerust over haar man.
„Jongeheer,” zegt ze tegen Arthur, „zou je Grootmoeder erg verlegen zijn om de citroenen en de kaas? anders moet ik ze nu nog brengen.”
„Geef ze mij maar mee, hier, onder mijn jas in mijn blouse, daar kan een heele vracht in. Grootmoeder zou niet willen, dat je daar van avond[119]nog mee naar Conifera kwaamt door die dikke sneeuw. Ik hoop dat Jacob gauw beter wordt, groet hem.”
„Van mij ook,” zegt Constant als ze de slede veilig voor de deur hebben gezet.
„Kom Arthur, haast je, neen, ga niet naar binnen, het wordt veel te donker, je kunt toch den weg al haast niet meer onderscheiden en nu komt het boschje. Drommels! hoe komen we daar door? als de sneeuw hooger komt dan je knieën, kun je er niet door.”
„Hier,” zegt Arthur, die zoo veel mogelijk rechts houdt.
„Pas op, loop niet in de sloot, je zoudt diep in de sneeuw zakken; je kunt niet zien waar die vervelende droge sloot begint, alles is gelijk.”
De jongens komen met moeite op het punt waar ze moeten scheiden en daar is de weg nog al duidelijk. Een boer, die hen tegen komt, zegt:
„Haast je wat, het wordt gevaarlijk in het duister.”
„Ja,” zegt Arthur, „we zijn gelukkig gauw thuis. Adi! tot morgen.”[120]
„Goeie reis! pas maar op!” zegt Constant, terwijl hij zoo snel mogelijk naar het dorp loopt.
Arthur komt zonder al te veel hindernis tot aan het hek van Conifera, maar nu zal het eerst lastig worden. Links is veel laag struikgewas, rechts zijn hoog opgaande eiken, waaronder de wind de sneeuw in vliegende vaart opjaagt en ophoopt tegen de struiken.
Moedig stapt Arthur voorwaarts en waadt door de sneeuw en hoe langer hoe dieper zakken zijn beenen er in. Wat is het vermoeiend, de voeten telkens zoo hoog op te tillen. Daar komt hij bij een bocht van den weg, als hij daar maar voorbij was, dan zou hij het licht van Conifera kunnen zien.
Daar staat Arthur plotseling stil, hij kan niet verder; de sneeuw reikt boven zijn knieën, Wat nu te doen? Hij probeert vooruit te komen, maar daar is het nog dieper, achteruit gaat ook niet. Nu wordt hij een beetje bang, eventjes maar en dan kijkt hij naar boven, naar de donkere lucht en krijgt sneeuwvlokken in zijn oogen, maar hij ziet juist boven zijn hoofd een dikken tak van een eik. Hij grijpt dien en trekt zich wat naar[121]boven. Dat helpt; hij slingert zich in de hoogte en laat zich neervallen meer naar rechts. Mooi, dat is minder diep; een paar passen kan hij voortgaan, maar o wee, nu wordt het nog erger en geen tak om zich aan op te trekken. Hij baant zich met de handen een weg, maar dat kan hij niet lang volhouden, ook weet hij niet goed de richting meer.
„Hallo! Pandoer! Hallo!”
Arthur fluit en roept uit alle macht. Daar hoort hij in de verte iets roepen en het blaffen van Pandoer, het komt nader bij.
„Pandoer! Pandoer! hier ben ik! maar pas op, och wat ben ik dom geweest, dat arme dier, hij zal er nog minder door kunnen dan ik.”
„Hier jongeheer! hier heen, ik zal een weg maken; hei! Jannes! help me gauw, heb je de schop? hier!”
Nu gaat Arthur met nieuwen moed aan het werk, hij ziet het licht van een lantaren en hij heeft de stem van Hein herkend, gelukkig dat ze hem komen helpen, hij had er zonder hulp niet door kunnen komen.[122]
„Ziezoo, nu kun je er door,” zegt Hein, terwijl hij even de schop neerzet en Arthur bij het licht van de lantaren bekijkt; het is intusschen heel donker geworden.
„Waar is Pandoer? Pandoertje waar ben je?” en Arthur tracht in de duisternis te ontdekken, waar zijn trouwe hond gebleven is. Hij hoort hem janken en spartelen en als Hein het licht van de lantaren rond laat gaan, zien ze het arme dier worstelen door de diepe sneeuw.
Dadelijk banen ze met Jannes een weg er heen en daar komt de hond bij Arthur en schudt zich uit en springt luid keffend tegen zijn baas op.
„Nu gauw naar je Grootmoeder,” zegt Hein, „gauw, ze is zoo ongerust.”
Wat zijn Grootmoeder en Arthur beide blij, als ze elkaar in de vestibule omhelzen. De sneeuwvlokken zitten in Grootmoeders sneeuwwit haar en ook op haar lieve, zachte wangen. Arthur is zoo’n wilde, onstuimige jongen, bijna even wild als Pandoer, die zich terdege uitschudt, zoodat de sneeuw tegen den barometer en de wijzerplaat van de klok aankleeft.[123]
„Wat heb je daar voor dikte?” vraagt Grootmoeder, als Arthur zijn jas uittrekt.
„O, dat zijn de citroenen en de kaas van vrouw Drieman; hè, wat ben ik blij dat ik ze meegenomen heb, anders was de stumper misschien in de sneeuw blijven steken.”
Grootmoeder ziet hem liefdevol aan en zegt:
„Kijk nu eens onder je servet.”
„Ha! een brief!” juicht Arthur en terwijl Grootmoeder de soep opschept, kan hij niet laten gauw den brief te openen en te zien of ze in Indië allen gezond zijn. Grootmoeder laat het oogluikend toe, want zij is zoo erg verlangend iets te hooren over hare dierbaren, daar ginder, zoo heel ver weg over de zee.
„Moeder schrijft, dat ze allen weer beter zijn, zus is het ergst geweest, maar nu allemaal goed, gelukkig!”
„Gelukkig!” zegt Grootmoeder, „laten we nu eerst gaan eten en den brief voor het dessert bewaren.”
Arthur vertelt, hoe hij tegen den sneeuwstorm geworsteld heeft en Grootmoeder zegt, dat zij niet geweten heeft dat het zoo erg was.[124]
„Daar ben ik blij om,” zegt Arthur, „u zou dan zeker erg ongerust zijn geweest. Maar Grootmoeder, Jacob Drieman is erg ziek, zijn vrouw en Jentje moesten de boodschappen doen, de kleine Gerrit was alleen bij Jacob thuis.”
„We zullen er dadelijk morgen naar laten hooren en hulp verschaffen, dat kan zoo niet,” zegt Grootmoeder.
Aan het dessert magArthurden brief lezen.
„Beste Arthur,Gisteren ontvingen we je brief, waarin je ons schrijft over den eersten dag op school. Vader en ik zijn heel blij, dat je er plezier in hebt en ook, dat je een aardigen kameraad hebt gevonden om mee samen te loopen en te werken. Dat treft al heel gelukkig, nu heb je altijd gezelschap op je wandeling van en naar de school en je kunt elkaar zoo prettig de lessen overhooren. Ik hoop, dat je alle klassen samen door zult maken en goede vrienden zult blijven. Vader zal je een postwissel zenden voor den ezelpot; Constant Kemper zal het ook wel prettig vinden, als jij gauw een ezel kunt koopen. We hebben erg getobd met malaria[125]en Carolientje heeft erg knokkelkoorts gehad, het arme kind voelde zich heel ziek en pijnlijk. De tuinen zijn prachtig en de kleintjes vinden het hier heerlijk; maar ik verlang erg naar Holland. We hebben met de vorige mail een kistje verzonden, dat kun je dus binnenkort ontvangen. Ben je lief en gehoorzaam voor Grootmoeder? ben je niet te wild en te druk? denk er om dat Grootmoeder al een beetje oud is. Omhels haar eens voor mij en zeg haar, dat ik zoo blij ben, dat mijn lieve jongen bij haar kan zijn. Vader en de zusjes zenden veel groetjes. Vader schrijft met de volgende mail aan Grootmoeder.In gedachten een omhelzing vanje zoo liefhebbendeMoessie.”
„Beste Arthur,
Gisteren ontvingen we je brief, waarin je ons schrijft over den eersten dag op school. Vader en ik zijn heel blij, dat je er plezier in hebt en ook, dat je een aardigen kameraad hebt gevonden om mee samen te loopen en te werken. Dat treft al heel gelukkig, nu heb je altijd gezelschap op je wandeling van en naar de school en je kunt elkaar zoo prettig de lessen overhooren. Ik hoop, dat je alle klassen samen door zult maken en goede vrienden zult blijven. Vader zal je een postwissel zenden voor den ezelpot; Constant Kemper zal het ook wel prettig vinden, als jij gauw een ezel kunt koopen. We hebben erg getobd met malaria[125]en Carolientje heeft erg knokkelkoorts gehad, het arme kind voelde zich heel ziek en pijnlijk. De tuinen zijn prachtig en de kleintjes vinden het hier heerlijk; maar ik verlang erg naar Holland. We hebben met de vorige mail een kistje verzonden, dat kun je dus binnenkort ontvangen. Ben je lief en gehoorzaam voor Grootmoeder? ben je niet te wild en te druk? denk er om dat Grootmoeder al een beetje oud is. Omhels haar eens voor mij en zeg haar, dat ik zoo blij ben, dat mijn lieve jongen bij haar kan zijn. Vader en de zusjes zenden veel groetjes. Vader schrijft met de volgende mail aan Grootmoeder.
In gedachten een omhelzing van
je zoo liefhebbendeMoessie.”
Arthur leest den brief nog eens over en zegt:
„Ik vind het zoo prettig in Indië, maar als Vader en Moeder hier komen, zal ik er niet zoo erg meer naar verlangen als den eersten tijd. Ik begin nu al veel van Holland te houden.”[126]