[Inhoud]Hoofdstuk XII.Hoofdstuk XII.Een kleine week vóór Kerstmis komt er een brief op Conifera voor Mevrouw Mung. Hij ligt naast haar bord als zij aan het ontbijt komt.„Een brief van tante Nina,” zegt Grootmoeder.„Van Beukenwoud?” vraagt Arthur, terwijl hij zijn boterham doorsnijdt.„Ja, van tante Colesberg; wat zou tante schrijven?”Grootmoeder zet den bril op en leest en zegt dan eensklaps:„Hoe aardig, ja, dat zou ik wel heel prettig vinden.”„Wat? Grootmoeder.”„Tante Nina vraagt, of wij met ons beidjes in de Kerstdagen bij haar willen komen logeeren.”„Op Beukenwoud? o Grootmoeder, is het heusch waar? heerlijk! nu zal ik Beukenwoud voor het[144]eerst zien, Lili heeft er zoo veel van verteld.”„En weet je wat prettig is? Oom en Tante Bantam en Lili zijn ook gevraagd.”Nu springt Arthur op van zijn stoel en de stoel valt achterover op den grond, gelukkig niet kapot en Arthur danst door de kamer en juicht:„O Grootmoeder, wat is dat heerlijk! wat ben ik blij, u ook?”„Ja jongen, ik vind het heel prettig, maar ik kan niet meer zoo dansen en springen en stoelen omgooien om mijn plezier te toonen.”„O, Grootmoeder, neem mij niet kwalijk; wat zullen Vader en Moeder blij zijn als ze het hooren. Hé, ik wou dat Constant het ook zoo prettig had.”„Ik denk dat hij het wel heel prettig zal hebben met de zusjes; ze krijgen immers een kerstboom?”„Ja, dat is waar, Constant verheugt er zich erg op.”Arthur pakt zijn boeken in en zegt:„Ziezoo, dat is de laatste dag vóor de vacantie; van middag breng ik het rapport mee.”[145]„Ik hoop dat het goed zal zijn,” zegt Grootmoeder.„Ja,” zegt Arthur, „ik zal na de vacantie nog beter mijn werk nazien, ik heb er nog wel eens stomme fouten in gelaten.”„Dat is jammer.”„Ja, Grootmoe, maar het zal u nog wel een beetje meevallen, hoop ik.”„Dat hoop ik ook, maar ik heb een heel goede verwachting van je.”„O doossie! dan zal het tegenvallen. Dag Grootmoe, tot van middag!”„Jongen, jongen! niet zoo wild! kijk nu mijn muts, heelemaal scheef.”En Grootmoeder zet haar muts weer recht en ziet Arthur lachend na.Het is al heelemaal donker als Arthur kwart voor vijf thuiskomt. Grootmoeder hoort hem al van verre het Transvaalsche volkslied fluiten. Pandoer springt uit zijn mand achter de kachel, rekt zich eens flink uit en vraagt aan Grootmoeder, of hij als ’t je blieft naar buiten mag. Grootmoeder kent zijn taaltje wel, legt de breikous op[146]tafel en laat den hond de voordeur uit, kijkt hem na over de witte sneeuw en hoort weldra Arthur’s stem:„Pandoertje! ben je daar! beste hond, bedaar een beetje, kom, gauw naar Grootmoeder.” En daar komt hij aan, vroolijk en met schitterende oogen.Haastig knoopt hij zijn jas los, haalt een boekje uit zijn blouse en terwijl hij Grootmoeder omhelst, zegt hij:„Dat is voor u!”Grootmoeder gaat naar binnen, houdt het boekje bij de lamp en leest:„Negen, acht, negen, negen, zeven …”„Ja,” zegt Arthur, „daar zou ik ook wel een negen voor gehad hebben, als die vervelende Amalia.”„Wat Amalia?”„O ja, u weet het niet, we hebben op een keer heelemaal niet geluisterd op de rekenles en toen hebben we een onvoldoende gekregen. Constant heeft bijna dezelfde cijfers gekregen, sommige nog mooier, hij is zoo knap, als ik hem niet altijd bij me had, zou ik zeker niet zoo’n mooi rapport hebben.”[147]„Nu mijn jongen, dat is een groot geluk, prettig om naar huis te schrijven. Wat zullen Vader en Moeder blij zijn.”’s Avonds schrijft Arthur een langen brief; hij weet zooveel te schrijven en hij doet er ook een briefje bij voor zijn zusjes.Op een Maandagmorgen gaat Arthur met Hein en Constant, den ezel wegbrengen naar Jacob Drieman. Grootmoeder kijkt hem na en denkt: „die goede jongen, zijn grootste plezier is om anderen gelukkig te zien.”Jentje staat voor het huis en als zij hem ziet aankomen, loopt zij haastig naar binnen en ze hooren haar roepen: „Vader! Moeder! kom es kieken!”Daar komen ze, en achter hen aan, al de kinderen; wat zien ze er blij uit, ze glimmen van plezier.„Daar kump ie!” juicht kleine Gerrit en in een oogwenk staan allen om den ezel heen en streelen hem over zijn neus, zijn nek en zijn rug. De ezel snuffelt aan het buisje van Gerrit en deze wordt een beetje bang, maar Jentje zegt:„Hie ruukt et, daj een stuk brood in oe zak hebt.”En Gerrit haalt het stuk roggebrood, dat hij[148]voor den ezel bewaard heeft, voor den dag en Hein zegt, dat hij het aan kleine stukjes moet breken en van zijn vlakke hand moet laten eten, en zie, kleine Gerritman, is niets bang meer en zegt: „hie lust nog meer.”Nu wordt de ezel naar de schuur gebracht; er is een nette stal afgeschoten en op den grond liggen droge heideplaggen en in de krib is zuiver hooi; Jentje brengt een emmer water en zegt:„Zolle ook dorst hebben?”„Ik denk dat hij het hier wel goed zal hebben,” zegt Constant.Jacob staat in zijn handen te wrijven en als ze uit de schuur komen en om het huis heen loopen, zegt hij:„Warentig, ik kan me noe veurstellen da’k op een buutenplaats woon, jongens ik heb zoo’n schik.”„Dan moet je de buitenplaats ook een naam geven,” zegt Arthur, „wat zou je denken van Ezelsoord?”„Dat zou effectief mooi zijn,” en Jacob staat te grinnikenvanplezier en Hein zegt:„Menige rijke mijnheer is op zijn buitenplaats niet zóo tevreden als Jacob op zijn Ezelsoord.”[149]
[Inhoud]Hoofdstuk XII.Hoofdstuk XII.Een kleine week vóór Kerstmis komt er een brief op Conifera voor Mevrouw Mung. Hij ligt naast haar bord als zij aan het ontbijt komt.„Een brief van tante Nina,” zegt Grootmoeder.„Van Beukenwoud?” vraagt Arthur, terwijl hij zijn boterham doorsnijdt.„Ja, van tante Colesberg; wat zou tante schrijven?”Grootmoeder zet den bril op en leest en zegt dan eensklaps:„Hoe aardig, ja, dat zou ik wel heel prettig vinden.”„Wat? Grootmoeder.”„Tante Nina vraagt, of wij met ons beidjes in de Kerstdagen bij haar willen komen logeeren.”„Op Beukenwoud? o Grootmoeder, is het heusch waar? heerlijk! nu zal ik Beukenwoud voor het[144]eerst zien, Lili heeft er zoo veel van verteld.”„En weet je wat prettig is? Oom en Tante Bantam en Lili zijn ook gevraagd.”Nu springt Arthur op van zijn stoel en de stoel valt achterover op den grond, gelukkig niet kapot en Arthur danst door de kamer en juicht:„O Grootmoeder, wat is dat heerlijk! wat ben ik blij, u ook?”„Ja jongen, ik vind het heel prettig, maar ik kan niet meer zoo dansen en springen en stoelen omgooien om mijn plezier te toonen.”„O, Grootmoeder, neem mij niet kwalijk; wat zullen Vader en Moeder blij zijn als ze het hooren. Hé, ik wou dat Constant het ook zoo prettig had.”„Ik denk dat hij het wel heel prettig zal hebben met de zusjes; ze krijgen immers een kerstboom?”„Ja, dat is waar, Constant verheugt er zich erg op.”Arthur pakt zijn boeken in en zegt:„Ziezoo, dat is de laatste dag vóor de vacantie; van middag breng ik het rapport mee.”[145]„Ik hoop dat het goed zal zijn,” zegt Grootmoeder.„Ja,” zegt Arthur, „ik zal na de vacantie nog beter mijn werk nazien, ik heb er nog wel eens stomme fouten in gelaten.”„Dat is jammer.”„Ja, Grootmoe, maar het zal u nog wel een beetje meevallen, hoop ik.”„Dat hoop ik ook, maar ik heb een heel goede verwachting van je.”„O doossie! dan zal het tegenvallen. Dag Grootmoe, tot van middag!”„Jongen, jongen! niet zoo wild! kijk nu mijn muts, heelemaal scheef.”En Grootmoeder zet haar muts weer recht en ziet Arthur lachend na.Het is al heelemaal donker als Arthur kwart voor vijf thuiskomt. Grootmoeder hoort hem al van verre het Transvaalsche volkslied fluiten. Pandoer springt uit zijn mand achter de kachel, rekt zich eens flink uit en vraagt aan Grootmoeder, of hij als ’t je blieft naar buiten mag. Grootmoeder kent zijn taaltje wel, legt de breikous op[146]tafel en laat den hond de voordeur uit, kijkt hem na over de witte sneeuw en hoort weldra Arthur’s stem:„Pandoertje! ben je daar! beste hond, bedaar een beetje, kom, gauw naar Grootmoeder.” En daar komt hij aan, vroolijk en met schitterende oogen.Haastig knoopt hij zijn jas los, haalt een boekje uit zijn blouse en terwijl hij Grootmoeder omhelst, zegt hij:„Dat is voor u!”Grootmoeder gaat naar binnen, houdt het boekje bij de lamp en leest:„Negen, acht, negen, negen, zeven …”„Ja,” zegt Arthur, „daar zou ik ook wel een negen voor gehad hebben, als die vervelende Amalia.”„Wat Amalia?”„O ja, u weet het niet, we hebben op een keer heelemaal niet geluisterd op de rekenles en toen hebben we een onvoldoende gekregen. Constant heeft bijna dezelfde cijfers gekregen, sommige nog mooier, hij is zoo knap, als ik hem niet altijd bij me had, zou ik zeker niet zoo’n mooi rapport hebben.”[147]„Nu mijn jongen, dat is een groot geluk, prettig om naar huis te schrijven. Wat zullen Vader en Moeder blij zijn.”’s Avonds schrijft Arthur een langen brief; hij weet zooveel te schrijven en hij doet er ook een briefje bij voor zijn zusjes.Op een Maandagmorgen gaat Arthur met Hein en Constant, den ezel wegbrengen naar Jacob Drieman. Grootmoeder kijkt hem na en denkt: „die goede jongen, zijn grootste plezier is om anderen gelukkig te zien.”Jentje staat voor het huis en als zij hem ziet aankomen, loopt zij haastig naar binnen en ze hooren haar roepen: „Vader! Moeder! kom es kieken!”Daar komen ze, en achter hen aan, al de kinderen; wat zien ze er blij uit, ze glimmen van plezier.„Daar kump ie!” juicht kleine Gerrit en in een oogwenk staan allen om den ezel heen en streelen hem over zijn neus, zijn nek en zijn rug. De ezel snuffelt aan het buisje van Gerrit en deze wordt een beetje bang, maar Jentje zegt:„Hie ruukt et, daj een stuk brood in oe zak hebt.”En Gerrit haalt het stuk roggebrood, dat hij[148]voor den ezel bewaard heeft, voor den dag en Hein zegt, dat hij het aan kleine stukjes moet breken en van zijn vlakke hand moet laten eten, en zie, kleine Gerritman, is niets bang meer en zegt: „hie lust nog meer.”Nu wordt de ezel naar de schuur gebracht; er is een nette stal afgeschoten en op den grond liggen droge heideplaggen en in de krib is zuiver hooi; Jentje brengt een emmer water en zegt:„Zolle ook dorst hebben?”„Ik denk dat hij het hier wel goed zal hebben,” zegt Constant.Jacob staat in zijn handen te wrijven en als ze uit de schuur komen en om het huis heen loopen, zegt hij:„Warentig, ik kan me noe veurstellen da’k op een buutenplaats woon, jongens ik heb zoo’n schik.”„Dan moet je de buitenplaats ook een naam geven,” zegt Arthur, „wat zou je denken van Ezelsoord?”„Dat zou effectief mooi zijn,” en Jacob staat te grinnikenvanplezier en Hein zegt:„Menige rijke mijnheer is op zijn buitenplaats niet zóo tevreden als Jacob op zijn Ezelsoord.”[149]
Hoofdstuk XII.Hoofdstuk XII.
Hoofdstuk XII.
Een kleine week vóór Kerstmis komt er een brief op Conifera voor Mevrouw Mung. Hij ligt naast haar bord als zij aan het ontbijt komt.„Een brief van tante Nina,” zegt Grootmoeder.„Van Beukenwoud?” vraagt Arthur, terwijl hij zijn boterham doorsnijdt.„Ja, van tante Colesberg; wat zou tante schrijven?”Grootmoeder zet den bril op en leest en zegt dan eensklaps:„Hoe aardig, ja, dat zou ik wel heel prettig vinden.”„Wat? Grootmoeder.”„Tante Nina vraagt, of wij met ons beidjes in de Kerstdagen bij haar willen komen logeeren.”„Op Beukenwoud? o Grootmoeder, is het heusch waar? heerlijk! nu zal ik Beukenwoud voor het[144]eerst zien, Lili heeft er zoo veel van verteld.”„En weet je wat prettig is? Oom en Tante Bantam en Lili zijn ook gevraagd.”Nu springt Arthur op van zijn stoel en de stoel valt achterover op den grond, gelukkig niet kapot en Arthur danst door de kamer en juicht:„O Grootmoeder, wat is dat heerlijk! wat ben ik blij, u ook?”„Ja jongen, ik vind het heel prettig, maar ik kan niet meer zoo dansen en springen en stoelen omgooien om mijn plezier te toonen.”„O, Grootmoeder, neem mij niet kwalijk; wat zullen Vader en Moeder blij zijn als ze het hooren. Hé, ik wou dat Constant het ook zoo prettig had.”„Ik denk dat hij het wel heel prettig zal hebben met de zusjes; ze krijgen immers een kerstboom?”„Ja, dat is waar, Constant verheugt er zich erg op.”Arthur pakt zijn boeken in en zegt:„Ziezoo, dat is de laatste dag vóor de vacantie; van middag breng ik het rapport mee.”[145]„Ik hoop dat het goed zal zijn,” zegt Grootmoeder.„Ja,” zegt Arthur, „ik zal na de vacantie nog beter mijn werk nazien, ik heb er nog wel eens stomme fouten in gelaten.”„Dat is jammer.”„Ja, Grootmoe, maar het zal u nog wel een beetje meevallen, hoop ik.”„Dat hoop ik ook, maar ik heb een heel goede verwachting van je.”„O doossie! dan zal het tegenvallen. Dag Grootmoe, tot van middag!”„Jongen, jongen! niet zoo wild! kijk nu mijn muts, heelemaal scheef.”En Grootmoeder zet haar muts weer recht en ziet Arthur lachend na.Het is al heelemaal donker als Arthur kwart voor vijf thuiskomt. Grootmoeder hoort hem al van verre het Transvaalsche volkslied fluiten. Pandoer springt uit zijn mand achter de kachel, rekt zich eens flink uit en vraagt aan Grootmoeder, of hij als ’t je blieft naar buiten mag. Grootmoeder kent zijn taaltje wel, legt de breikous op[146]tafel en laat den hond de voordeur uit, kijkt hem na over de witte sneeuw en hoort weldra Arthur’s stem:„Pandoertje! ben je daar! beste hond, bedaar een beetje, kom, gauw naar Grootmoeder.” En daar komt hij aan, vroolijk en met schitterende oogen.Haastig knoopt hij zijn jas los, haalt een boekje uit zijn blouse en terwijl hij Grootmoeder omhelst, zegt hij:„Dat is voor u!”Grootmoeder gaat naar binnen, houdt het boekje bij de lamp en leest:„Negen, acht, negen, negen, zeven …”„Ja,” zegt Arthur, „daar zou ik ook wel een negen voor gehad hebben, als die vervelende Amalia.”„Wat Amalia?”„O ja, u weet het niet, we hebben op een keer heelemaal niet geluisterd op de rekenles en toen hebben we een onvoldoende gekregen. Constant heeft bijna dezelfde cijfers gekregen, sommige nog mooier, hij is zoo knap, als ik hem niet altijd bij me had, zou ik zeker niet zoo’n mooi rapport hebben.”[147]„Nu mijn jongen, dat is een groot geluk, prettig om naar huis te schrijven. Wat zullen Vader en Moeder blij zijn.”’s Avonds schrijft Arthur een langen brief; hij weet zooveel te schrijven en hij doet er ook een briefje bij voor zijn zusjes.Op een Maandagmorgen gaat Arthur met Hein en Constant, den ezel wegbrengen naar Jacob Drieman. Grootmoeder kijkt hem na en denkt: „die goede jongen, zijn grootste plezier is om anderen gelukkig te zien.”Jentje staat voor het huis en als zij hem ziet aankomen, loopt zij haastig naar binnen en ze hooren haar roepen: „Vader! Moeder! kom es kieken!”Daar komen ze, en achter hen aan, al de kinderen; wat zien ze er blij uit, ze glimmen van plezier.„Daar kump ie!” juicht kleine Gerrit en in een oogwenk staan allen om den ezel heen en streelen hem over zijn neus, zijn nek en zijn rug. De ezel snuffelt aan het buisje van Gerrit en deze wordt een beetje bang, maar Jentje zegt:„Hie ruukt et, daj een stuk brood in oe zak hebt.”En Gerrit haalt het stuk roggebrood, dat hij[148]voor den ezel bewaard heeft, voor den dag en Hein zegt, dat hij het aan kleine stukjes moet breken en van zijn vlakke hand moet laten eten, en zie, kleine Gerritman, is niets bang meer en zegt: „hie lust nog meer.”Nu wordt de ezel naar de schuur gebracht; er is een nette stal afgeschoten en op den grond liggen droge heideplaggen en in de krib is zuiver hooi; Jentje brengt een emmer water en zegt:„Zolle ook dorst hebben?”„Ik denk dat hij het hier wel goed zal hebben,” zegt Constant.Jacob staat in zijn handen te wrijven en als ze uit de schuur komen en om het huis heen loopen, zegt hij:„Warentig, ik kan me noe veurstellen da’k op een buutenplaats woon, jongens ik heb zoo’n schik.”„Dan moet je de buitenplaats ook een naam geven,” zegt Arthur, „wat zou je denken van Ezelsoord?”„Dat zou effectief mooi zijn,” en Jacob staat te grinnikenvanplezier en Hein zegt:„Menige rijke mijnheer is op zijn buitenplaats niet zóo tevreden als Jacob op zijn Ezelsoord.”[149]
Een kleine week vóór Kerstmis komt er een brief op Conifera voor Mevrouw Mung. Hij ligt naast haar bord als zij aan het ontbijt komt.
„Een brief van tante Nina,” zegt Grootmoeder.
„Van Beukenwoud?” vraagt Arthur, terwijl hij zijn boterham doorsnijdt.
„Ja, van tante Colesberg; wat zou tante schrijven?”
Grootmoeder zet den bril op en leest en zegt dan eensklaps:
„Hoe aardig, ja, dat zou ik wel heel prettig vinden.”
„Wat? Grootmoeder.”
„Tante Nina vraagt, of wij met ons beidjes in de Kerstdagen bij haar willen komen logeeren.”
„Op Beukenwoud? o Grootmoeder, is het heusch waar? heerlijk! nu zal ik Beukenwoud voor het[144]eerst zien, Lili heeft er zoo veel van verteld.”
„En weet je wat prettig is? Oom en Tante Bantam en Lili zijn ook gevraagd.”
Nu springt Arthur op van zijn stoel en de stoel valt achterover op den grond, gelukkig niet kapot en Arthur danst door de kamer en juicht:
„O Grootmoeder, wat is dat heerlijk! wat ben ik blij, u ook?”
„Ja jongen, ik vind het heel prettig, maar ik kan niet meer zoo dansen en springen en stoelen omgooien om mijn plezier te toonen.”
„O, Grootmoeder, neem mij niet kwalijk; wat zullen Vader en Moeder blij zijn als ze het hooren. Hé, ik wou dat Constant het ook zoo prettig had.”
„Ik denk dat hij het wel heel prettig zal hebben met de zusjes; ze krijgen immers een kerstboom?”
„Ja, dat is waar, Constant verheugt er zich erg op.”
Arthur pakt zijn boeken in en zegt:
„Ziezoo, dat is de laatste dag vóor de vacantie; van middag breng ik het rapport mee.”[145]
„Ik hoop dat het goed zal zijn,” zegt Grootmoeder.
„Ja,” zegt Arthur, „ik zal na de vacantie nog beter mijn werk nazien, ik heb er nog wel eens stomme fouten in gelaten.”
„Dat is jammer.”
„Ja, Grootmoe, maar het zal u nog wel een beetje meevallen, hoop ik.”
„Dat hoop ik ook, maar ik heb een heel goede verwachting van je.”
„O doossie! dan zal het tegenvallen. Dag Grootmoe, tot van middag!”
„Jongen, jongen! niet zoo wild! kijk nu mijn muts, heelemaal scheef.”
En Grootmoeder zet haar muts weer recht en ziet Arthur lachend na.
Het is al heelemaal donker als Arthur kwart voor vijf thuiskomt. Grootmoeder hoort hem al van verre het Transvaalsche volkslied fluiten. Pandoer springt uit zijn mand achter de kachel, rekt zich eens flink uit en vraagt aan Grootmoeder, of hij als ’t je blieft naar buiten mag. Grootmoeder kent zijn taaltje wel, legt de breikous op[146]tafel en laat den hond de voordeur uit, kijkt hem na over de witte sneeuw en hoort weldra Arthur’s stem:
„Pandoertje! ben je daar! beste hond, bedaar een beetje, kom, gauw naar Grootmoeder.” En daar komt hij aan, vroolijk en met schitterende oogen.
Haastig knoopt hij zijn jas los, haalt een boekje uit zijn blouse en terwijl hij Grootmoeder omhelst, zegt hij:
„Dat is voor u!”
Grootmoeder gaat naar binnen, houdt het boekje bij de lamp en leest:
„Negen, acht, negen, negen, zeven …”
„Ja,” zegt Arthur, „daar zou ik ook wel een negen voor gehad hebben, als die vervelende Amalia.”
„Wat Amalia?”
„O ja, u weet het niet, we hebben op een keer heelemaal niet geluisterd op de rekenles en toen hebben we een onvoldoende gekregen. Constant heeft bijna dezelfde cijfers gekregen, sommige nog mooier, hij is zoo knap, als ik hem niet altijd bij me had, zou ik zeker niet zoo’n mooi rapport hebben.”[147]
„Nu mijn jongen, dat is een groot geluk, prettig om naar huis te schrijven. Wat zullen Vader en Moeder blij zijn.”
’s Avonds schrijft Arthur een langen brief; hij weet zooveel te schrijven en hij doet er ook een briefje bij voor zijn zusjes.
Op een Maandagmorgen gaat Arthur met Hein en Constant, den ezel wegbrengen naar Jacob Drieman. Grootmoeder kijkt hem na en denkt: „die goede jongen, zijn grootste plezier is om anderen gelukkig te zien.”
Jentje staat voor het huis en als zij hem ziet aankomen, loopt zij haastig naar binnen en ze hooren haar roepen: „Vader! Moeder! kom es kieken!”
Daar komen ze, en achter hen aan, al de kinderen; wat zien ze er blij uit, ze glimmen van plezier.
„Daar kump ie!” juicht kleine Gerrit en in een oogwenk staan allen om den ezel heen en streelen hem over zijn neus, zijn nek en zijn rug. De ezel snuffelt aan het buisje van Gerrit en deze wordt een beetje bang, maar Jentje zegt:
„Hie ruukt et, daj een stuk brood in oe zak hebt.”
En Gerrit haalt het stuk roggebrood, dat hij[148]voor den ezel bewaard heeft, voor den dag en Hein zegt, dat hij het aan kleine stukjes moet breken en van zijn vlakke hand moet laten eten, en zie, kleine Gerritman, is niets bang meer en zegt: „hie lust nog meer.”
Nu wordt de ezel naar de schuur gebracht; er is een nette stal afgeschoten en op den grond liggen droge heideplaggen en in de krib is zuiver hooi; Jentje brengt een emmer water en zegt:
„Zolle ook dorst hebben?”
„Ik denk dat hij het hier wel goed zal hebben,” zegt Constant.
Jacob staat in zijn handen te wrijven en als ze uit de schuur komen en om het huis heen loopen, zegt hij:
„Warentig, ik kan me noe veurstellen da’k op een buutenplaats woon, jongens ik heb zoo’n schik.”
„Dan moet je de buitenplaats ook een naam geven,” zegt Arthur, „wat zou je denken van Ezelsoord?”
„Dat zou effectief mooi zijn,” en Jacob staat te grinnikenvanplezier en Hein zegt:
„Menige rijke mijnheer is op zijn buitenplaats niet zóo tevreden als Jacob op zijn Ezelsoord.”[149]