Achttiende hoofdstuk.Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet.Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude heeren: de raadsheer, de bakker en de molenaar en, als tot sieraad, ook mijnheer de kamerdienaar; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth op den voorsten zak, en op den anderen zak Hendrik en Fieken, terwijl Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen.Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te spreken. “Zie zoo!” zeide hij: “uit die val zijn wij gelukkig ontkomen.” “Ja wel, raadsheer,” antwoordde de oude bakker Witt, “en dat hebben we toch aan onzen baljuw en aan onzen burgemeester, maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken. “Al naar dat men het aanziet, baas Witt,” hernam oom. “Ik, voor mijn persoon, heb niets tegen die drie, en dat de “chasseur” terecht gekomen is, heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor de deur heeft gesproken?” “Ja, mijnheer.” “Nu, laat mij u dan zeggen, indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig gehad, dan zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze weggebracht hebben.” “Dat mag de drommel weten!” riep de oude bakker, en keek den raadsheer zoo’n beetje van ter zijde aan.—Mijn oom zeide niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker behoorlijk wilde laten werken.—Dit mislukte echter; het hoofd van den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadsheers woorden er eenvoudig maar langs druppelden; hij zeide niets.—“Baas Witt,” hernam de raadsheer, na een poosje, “’k wou dat ik in Stemhagen was.”—Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide dus: “Dat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden.” “Zoo meen ik het niet,” sprak mijnheer de raadsheer, “ik meen wegens onze ontvangst.” Nu liep de pint bij den bakker weêr over. “Hoe zoo?” vroeg hij. “Ik meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort.” Nu druipt het uit de maat tappelings op den grond. “Ontvangst?—Eerepoort?—Hoe zoo?—Komt onze hertog dan?”—“Baas Witt,diekomt niet; maarwijkomen.”—Doch nu was ’t bij den ouden Witt juist alsof iemand hem, terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles door elkaâr draaide. Dit was een geluk, want nu kon de uitlegging van den raadsheer eene plaats krijgen. “Baas Witt, ik zeg: wij komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijkonzestad is, niet even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een hertog? Maar, wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die denken er niet aan!—Of zoudt ge meenen, de oude rector, omdat hij eens zoo’n ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook naar! Of de oude Metz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden, baas Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van den toren blazen kan hij; verder niets.—Ja, alsiker was!”—“Maar, mijnheer Herse,” zeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens bedaard werd, “in dit jaargetijde! Waar moeten ze bloemen en groen vandaan halen?”—“Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe heeft de stad Stemhagen dan de denneboompjes in het stadsbosch doen zetten?”—”’t Is waar,” sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel en al vol. “Wat zegt gij, molenaar Voss?” vroeg de raadsheer.—“Ikzeg volstrekt niets, mijnheer de raadsheer,” zeide de molenaar, terwijl hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er een toegetrokken tabakszak over zijn’ schouder keek; “ik zeg volstrekt niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bramborg heenreed, was ik niet best te moede; en vandaag, nu ik weêr van Bramborg terugrijd, heb ik weêr maagpijn in mijn hoofd.”—“Hoe dat zoo?” vroeg mijn oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met Itzig.—“Hm,” zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af, zijn aangezicht langs, tot aan de kin; verder kwam de hand niet, daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte naar beneden, de mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar ’t was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet heen.Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar hij had een zacht gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart; hij moest een goed werk tot stand brengen. “Baas Witt,” sprak hij, “ga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier komen; ik heb wat met hem te praten.”Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak zeer zacht met den molenaar. “Molenaar Voss,” zeide mijn oom, “ik help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een geheim, waar niemand verder meê te maken heeft; maar, wat moois is ’t niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor u blijven, en morgen kom ik buiten bij u, en zie al uwe papieren na en neem de zaak in handen, want, ziet gij”—en, dit zeggende haalde hij het cachet van zijn horlogeketting te voorschijn,—“ik ben er toe gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche letters verkeerd lezen?”—De oude molenaar antwoordde, dat hij ze noch recht, noch verkeerd lezen kon.—“Nu, het komt er ook niet op aan. Hier staat:Not. Pub. Im. Caes.dat beteekent, ik benNotarius publicus, enIm. Caes.beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden baljuw. De zaak blijft geheim.”—Dat beloofde de molenaar dan ook.Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht, juist zooals op den eersten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den achtersten, waar Fieken en Hendrik op zaten, zeer zacht; en ik behoef niet te vertellen, wat zij met elkaâr spraken; want, Frederik lag immers achter in ’t afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde woord voor woord; en die zal er wel ter goeder ure meê voor den dag komen.Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann, die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep: “Zij komen, zij komen!” Hij had op den molenberg al twee uren op post gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem gescheld en was op ’t laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan.“Zij komen!” riep de bengel.—“Is ’t waar, jongen?” vroeg de oude Rickert, die klokluider was.—“Ja, vader Rickert, ze zijn al op de weide.”—En de oude Rickert zeide bij zich zelven: “Dan is ’t niet anders, dan moet ik er het mijne aan doen!”—Hij ging naar den toren en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon, trok hij aan de brandklok. Nu kwam alles op de been, en de deuren uitloopen. “Zij komen!—Zij komen!”—“Wie komt?”—“De raadsheer Herse, en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!”—“Hoera!” riep Bank, de schoenmaker en zwaaide zijn’ arm in de lucht, maar hij had vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had.—“Hoera!” riepTröpner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op. “Maar, kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!” en hij stiet de vrouw van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist bij mamsel Westphalen gehaald had.—“Oera!” riep mijnheer Droi, die met de berenmuts op de straat kwam, maar anders “in negligé,” en achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuwden: “Vive l’empereur!” toen juist de raadsheer, op den eersten wagen, door den volkshoop kwam aanrijden.Hij zat echter op zijn’ zak, en hield de geheele straat langs, de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: “Voss, dit doet mij de eerepoort vergeten.”—En de oude molenaar keek den raadsheer aan, om te zien, hoediehet deed, en toen deed hij ’t ook zoo, en hij antwoordde mijn’ oom: “Ja, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan Itzig.”—De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen, waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmenschelijke wijze; en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den wagen af: “Goeden dag, oude!—Goeden dag, Bank; hoe maakt het je bochel?—Goeden dag, Johan!—Goeden dag, Strüwing!—Wel?—Alles wel?—Hoe is ’t met de varkens?”Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in ’t hart van oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven overstroomde en het water hem tot in de oogen spatte. “Tante,” zeide hij, half overluid;—“tante!”—want hij noemt zijne eigene vrouw altijd “tante,” en zij noemt hem daarom “oom,”—“tante, ik kan uwen wenk niet opvolgen, want deze beide dagen hebben met mij als openbaar persoon en niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden.—Bakker Witt,” riep hij, en daarbij drukte hij zijn’ driekanten hoed dieper in de oogen; “naar ’t raadhuis!” De raadsheer had over den huisvader en oom de zege behaald.Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis! Alles, wat in keuken en kelder voor de Franschen verborgen was geworden, werd voor den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van hetslot. Marieken Wienk dekte eene lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken, om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die nog niet genoegzaam hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt.—Mamsel Westphalen stond aan de hoekkast en perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit allerlei flesschen van alles opgegoten, en de theeketel ging steeds van de keuken naar de kamer, en uit de kamer naar de keuken, en mijnheer de baljuw stond daarbij en was altijd aan ’t proeven, en schudde het hoofd en goot er dan ook wel eens wat bij en ten laatste knikte hij en zeide: “Mamsel Westphalen, zóó is ’t goed!” En hij keert zich om en zegt tot mijne moeder: “Kindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn zin eens laten: de punch geef ik.” Mijn vader was met den kurketrekker aan ’t werk, en Luth zorgde voor ’t schenken, en de kamerdienaar stond bij de kachel en schudde bij al die toebereidselen altijd met het hoofd en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren schoot.—Ja, ’t was een schoone avond. Frederik stond aan de deur, paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem en verroerde en bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk, of als hij even naar buiten ging en op de gang zijn’ neus snoot. En Fieken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg: “Zult ge ook zooveel van mij houden?”—Mijnheer de baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak met hem in ’t geheim.—Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Voss in ’t geheim te spreken?—De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte zich zelven ook af, en toen hij begreep, dat het over ’t proces was, zeide hij tot Witt: “Zoo! met het princes heb ik het nu in orde; nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal ’k van avond in de punch soppen.” “Daar brengt ge mij op een denkbeeld, Voss,” zegt de bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. “Met uwe permissie, mijnheer de burgemeester, ’k woû graag mijn deel aan het traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier, mevrouw, is mijne dochter; neem ’t mij niet kwalijk, zij had zoo’n grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen.”Maar, wat beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn’ oom Herse te beurt viel. Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in volle uniform, en allen stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn’ mantel beveiligd had; mijne moeder, omdat hij daardoor mijn’ vader had helpen ontvluchten; mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide, dat zij ’t nooit zou vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren; en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch, rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen; hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: “Ik weet waarlijk niet, waar mijne goede tante blijft.”—Bij de woorden van den molenaar kwam hem in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt zich tot den baljuw en zegt: “Mijnheer de baljuw, ik heb met u een paar woorden onder vier oogen te spreken in eene bijzonder geheime aangelegenheid.” En daarop trok hij den baljuw in een’ hoek.—Wij, mijne lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die hoek praten kon, en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde, dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en de tegenwoordige rijke Jozef Casper, die toen een kleine jodenjongen was. En tante Herse had een’ krans van groene laurierbladen in de hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte; en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem meê. Tante ging naar oom toe, en gaf hem een kus en plaatste hem den krans op het hoofd, zoodat de roode linten langs zijn’ rug hingen, en zij sprak eenige zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker Witt viel te vroeg met zijn: “hoerah!” in, en de molenaar met zijn: “vivat, de raadsheer leve!” En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen.Ja, ’t was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in de gedachte, want juist zóó stond de lauwerkrans, behalve dat mijn oom heel wat vriendelijker en voller in ’t aangezicht was, dan die stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van bakker Witt, en ik prijs ze ook nu nog; men kon er zeer veel van eten en kreeg er nooit maagpijn van.Negentiende hoofdstuk.Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en, waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop worden.Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen uit het bed was gekropen, zat hij weder met het hoofd in de hand, en keek mijmerend in zijne laars. “Moeder,” vroeg hij eindelijk, “heb ik gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?” “Och, kom, vader!” antwoordde zijne vrouw: “ge hebt hem immers gedurig omhelsd en hem “je lieve zoon” genoemd, en Frederik hebt ge veel geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudtwezen, en dat zou niet heel lang meer duren.” “Moeder, dan heb ik al heel gekke praat gepraat.”—“Dat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou je dat niet bekennen.” “De hemel zal me bewaren!” riep de molenaar, “ik kom, geloof ik, nooit van mijne dwaasheden af!”Frederik kwam binnen. “Goeden morgen, baas; goeden morgen, vrouw! Ik kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak nagedacht heb; ik wil het geld, dat gij mij gisteren avond hebt beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het noodig zal hebben.”—“Hm!” roept de oude molenaar, op zijn’ stoel heen en weêr schuivende. “Ja,” zeide Frederik;“maar ik had nog een ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken, ofschoon het buitenstijds is?” “Waarom? Wat ben je van plan?” “Ik wou gaan trouwen!” “Wat, jij, trouwen?” “Ja, baas; ik wou gaan trouwen met Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient; en als Hendrik Voss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht, konden wij wel op éénen dag bruiloft houden.”—Dit was den ouden molenaar dan toch al te kras. “Jou, bedelaar...” riep hij opspringende en greep naar de ééne laars. “Bedaar, baas!” zeide Frederik, zich hoog oprichtende; “die uitdrukking past niet op mij, en past niet voor u. Hoe ’t met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe ’t metHendriken onsFiekengesteld is, weet ik sedert gisteren middag; ik lag achter hen in den wagen en ’k heb alles aangehoord.”—“Vader,” riep de molenaarsvrouw, “dat zou nog zoo kwaad niet wezen!” “Daar heb jij geen verstand van!” riep de oude man en liep vreeselijk driftig door de kamer. “Nu, baas,” zeide Frederik, de deur uitgaande, “overleg de zaak maar eens; mijn schoonvader loopt ook sedert eergisterenavond rond, om te overleggen.” “Je kunt je getuigschrift krijgen,” riep de molenaar hem achterna, “maar eerst tegen St. Jan.”Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht, dat Hendrik en zijn Fieken voor elkander wel geschikt waren; hij zelf had hem gisteren “zijn lieven zoon” genoemd,—maar, dat was ’t juist! Gisterenavond had depunchhem tot een’ rijk man gemaakt, envandaagkeek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig uitstel van executie. “Vader,” sprak de molenaarsvrouw, “’t is het beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen.” “Moeder,” hernam de oude man, en ’t was een geluk, dat hij nog geene laarzen aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestamptvoet hebben; “ik zeg je, dat jij daar geen verstand van hebt!—Wat?—’k Zou den zoon van Jochem Voss, die met mij in princes ligt, en die met een’ grooten zak geld in ’t land rondreist, mijn kind geven,—mijn beste, liefste kind!—en ’k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meêgeven kan ik haar niets, want ik ben een bedelaar!—Neen, moeder, neen! ’k Zou de vodden moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken, voor ’t altaar zou staan!—Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden doen wezen!”Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor iemand, zoodat hij ’t maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopen tijden gesmeed, zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den molenaar was zijn proces, en ook wel zijnslechtebeheer in vroegere tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn leven lang het eind der ketenen door de wereld meêslepen, gelijk een weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet.’t Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek iedereen, en was geheel alleen aan ’t werk, in den molen en in den stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele jaren verzuimd had. Endelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam aan, doch heden in burgerkleeding. “Goeden dag, Voss!” riep hij hem toe. “Nu, onze zaak is in orde!”—Maar de oude molenaar was heden niet lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: “Ja, als ’t maar waar was, mijnheer Herse.”—“Als ik het zeg, vriend Voss,” hernam de raadsheer en haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar in de kamer, “dan moet gij ’t gelooven, want ik ben van daag hier alsnotarius publicus.”—“Moeder,” zeide de molenaar, laat ons alleen, en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan.” Dat was nu juist niet noodig, want het was klaarlichte dag; maar de oude man had gezien, dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had branden, en hij wilde ’t ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was, daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar ’t kwam hem toch zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beter inzicht in de dingen had; en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen er bij.Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse, tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: “Wat zegt ge nu, kameraad?”—De molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van “hm” en “nu ja!” en “maar” en krabt zijn hoofd.—“Vrind Voss,” zeide mijn oom, die knorrig werd, “wat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder,—kijk maar, hier!—een gierststengel, omdat ik “Herse” heet; ’k had er ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in ’t Fransch “herse” beteekent; maar ’k ben niet voor de Fransozen,—en hier, er om heen, staat mijne authorisatie:not: pub: im: caes:en hier staat de onderteekening van den jood:Itzig; en wat geschreven is, is geschreven.” “Dat zegt mijnheer de baljuw ook,” zeide de molenaar en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: “wat geschreven is, is geschreven.” “Watdiezegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss,ikben er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften metmijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen uit alle verlegenheid.” “Ja, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar watdan?”—Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. “Hm!Wat dan?—Ja!—Nu!—Nu, vriend Voss,”—en zijn goedhartig aangezicht zette zijne geheele ambtsdeftigheid vannotarius publicuster zijde en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den ouden molenaar en de gansche wereld vriendelijk aan,—“nu, vriend Voss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde brengen. Maar, daartoe is ’t noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden vertelt en al uwe papieren toont.” Dat zag de molenaar dan ook in en hij vertelde en vertelde, zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden; mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las alles met geduld, maar niet met voordeel voor zijne plannen. “Vriend Voss!” vroeg hij eindelijk, “is dat alles?” “Ja, mijnheer,” sprak de molenaar, en liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland, als de nachtvorst er over heengegaan is, “en dit is nog mijn kontrakt met het Stemhager rechtsgebied.”—Mijn oom nam het kontrakt, las het zoo ter loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel; maar, eensklaps sprong hij op, uitroepende: “Wat is dat? Daar zijn we meê geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een millionnair! ’t Gansche Stemhager gebied moet de rechten op ’t gemaal betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf vier, en wat zegt paragraaf vijf: “voor elk schepel, dat de molenaar maalt, kan gij wettelijkeen schepelals maalloon eischen.”—“Een maat, mijnheer Herse!” riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong, “van elk schepel eenemaat!”—“Neen!Een schepel!—Hier staat: voor iederschepeleenschepelals maalloon; en wat geschreven is, is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel onder gezet.” “Mijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait: dat is toch maar eene vergissing.” “Vergist is ook verspeeld, en wat geschreven is, is geschreven: dat heeft de oude baljuw u immers zelf gezegd. “Dat heeft hij, mijnheer,” zeide de molenaar, “ja, dat heeft hij; daar kan ik op zweren.”Thans opende zich voor den molenaar een uitzicht op verlossing uit de handen der joden, en een uitzicht op vele, vele schepels koren, en op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de rechten op ’t gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. “Mijnheer,”riep hij,“dat zal helpen!—Maar... maar...” “Voss,” zeide mijn oom knorrig, “wat hebt ge nu weêr voor bezwaren! Die zaak is klaar en duidelijk.”—“Ja, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan met de zakken gaan?”“Met de zakken? Met wat voor zakken?”“Met de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg ik, maar wie krijgt de zakken?” “Hm,” zeide mijn oom,“dat is eene moeilijke rechtsvraag, Voss! daaraan heb ik nog niet gedacht, en in ’t kontrakt staat niets daarvan; alsiku echter raden moet, behoud ze dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel:beati possidentes; dat beteekent: hebben is hebben!—Vriend Voss, nu heb ik u uit alles geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over die zaak met niemand hoegenaamd gesproken; verstaat gij!—met niemand hoegenaamd!—Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van geld aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan, Voss....” “En dan, mijnheer Herse?”—“Dan komt het surplus. Maar, Voss, de zaak blijft geheim!”De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit het rijtuig den ouden man toeknikte en de vinger op den mond legde.“Fieken,” zeide Hendrik, “mij is ’t niet gegeven, om geheimen te hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hem hoe ’t alles is.” “Doe dat,”zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoe ’t met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben, dat hij nog wat moest wachten.Met den ouden molenaar was ’t al heel wonderlijk gesteld. Heden morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig kind behoefde niet iedereen zoo maar te nemen; zij kon eene dame worden, zoo goed als iemand anders. Voor zijn hoofd was de overgang te schielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was; daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was, als het hoorde, en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden zou, niet recht en billijk was. “Maar” zeide hij dan weder bij zich zelven: “de baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven; en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik.”Was hij in rustige, gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te krijgen, zoo was ’t in dit oogenblik in ’t geheel niet mogelijk. Toen Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen, begon hij van het proces te spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij eengeruïneerdman was; velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde nu, dat hij ’t goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat wou hij wel gelooven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest “hei!” roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door iederen wijsneus beet nemen, en allerminst, door zoo’n jongen knaap, als Hendrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen!—Zulk eene taal was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was; ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen toon, dat de molenaar “ja!” of “neen!” zeggen moest, of hij hem zijne dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om, keek uit het venster en zeide: “neen!” Hendrik keerde zich ook om en ging de kamer uit, en een half uur later hield Frederik met het rijtuigvan Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij Hendrik riep, kwam die met Fieken juist in den tuin. Fieken zag er heel bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: “Hendrik, het woord, dat ik je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!” Hij knikte met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw, die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op den wagen en reed zachtjes weg.Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen, en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en vroeg: “Hendrik, waar rijdt gij heen?” “Naar Stemhagen.” “Blijft gij daar van nacht?” “Ja, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken.” “Dat moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is.” Hendrik beloofde, op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan.Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een’ vracht koren naar den molen reed en zeide: “Wel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met den avond ben ik weêr t’huis, dan praten we een beetje samen.”Wel ja! wel ja! ’t Was al lang avond, en de bakker was al lang t’huis; maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot zijne dochter: “Je zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen, want die heeft de tranen gauw bij de hand; maar, dat Fieken, bij al het schelden en bij al de dwaasheden van haren vader, stil haren gang gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs worden! Toen ik hem vroeg: “Wel Voss, wanneer kan ik het meel komen halen?” zeide hij: “Daar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien.” En toen ik zei, dat ik het meel toekomende week hoog noodig had, zeî hij, dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan, die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij ’t goedvond. “Wel, dat ’s toch gek,” zeide vrouw Strüwing.Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in de rede en vroeg: “Baas Witt, zoudt gij mij een genoegen willen doen?” “Waarom niet?” hernam de bakker. “Bij u komen veel menschen, en gij hebt ook plaats in uw’ stal; ik wou mijn paard en mijn’ wagen verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?” “Waarom niet?” vroeg Witt. “Maar Hendrik,” liet hij er na een poos op volgen, en ’t was hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaâr knoopte, waaraan hij het gesprek wilde voortzetten, “maar, Hendrik, dat heeft immers tijd.—De paarden—de paarden—zijn nu zoo goedkoop; waarom?—Wel, wat weet ik ’t! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is, dat de Fransoos ze hem ’s nachts niet uit den stal haalt; maar, de paarden,—ge zult zien,—zij worden duur,—want—ge zult zien:—in den tijd van een paar weken marcheert alles tegen den Fransoos.” “Dat heb ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden, baas Witt, maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. “Ja,” viel Frederik hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was; “ja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden zal veel gevraag zijn, als ’t aan den gang gaat, en naar de vrouwlui weinig en als ’t voorbij is en de helft der jongelieden doodgeschoten zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruid had geroken; die zeide tot mij: naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij.—Ik zei, dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag behoef ik mij niet te bedenken. Ik ben van de Pruisen gedeserteerd: maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas Witt, ik heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij hoort, dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn goed. En nu, adjuus! ’k moet van avond weer op den molen zijn.”Daarop vertrok hij.—Hendrik ging hem na. “Frederik, wat beteekent dit?” vroeg hij. “Wat dit beteekent?” hernam Frederik. “Dat zal ik u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijn Fieken lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, ’t komt er ook niet op aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een uil is, is voor den ander een nachtegaal.” “Frederik,” gaf Hendrik hem zacht ten antwoord, “spreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden, en ik ook.” “Wat, gij?” “Stil!—Ja, ik ook. Ik heb geene familie en ik sta alleen in de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en mijn paard en wagen verkoop ik.” “Hoera!” riep Frederik. “Geef mij de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je ’t al dadelijk den eersten morgen aan, dat er een soldaat in je stak.”—“Ja?” zeî Hendrik, “dat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het volbrengen?” “Broeder! als iemand wat slechts in den zin heeft, dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons de rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor ’t vaderland. Zie, ik kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar een deftigen man met een grijzen snorbaard en een litteeken op de rechterwang,—ge zult hem wel vinden—en meld u en mij bij hem aan: “Frederik Schult,” en ’k had al gediend, maar ge behoeft niet te zeggen, dat ik eens van ’t kinderwiegen gedeserteerd ben.En als ge ’t in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik.” “Dat zal gebeuren!” riep Hendrik. “En Frederik, groet jelui Fieken nog van mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden.” “Dat zal ik waarnemen, en nu goeden nacht!” “Goeden nacht!”—En toen Hendrik zoo bleef staan en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek, bij de apotheek, nog: “Dumouriez! Vervloekte patriotten!”Twintigste hoofdstuk.Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in ’t molenaarshuis bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen rijden en waarom Fieken hen volgt.De Franschen kwamen niet weder in onze streken; doch daarom werd het er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen hadden slechts pieken,—alleen de rektor Schäfer had door den smid Tröpner een hellebaard laten maken,—mijn oom Herse richtte een korps scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien, dat zóó’n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó’n tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Franschen zou dien geheelen troep uit elkaâr gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: ’t Is mogelijk, zeg ik; maar den geest zouden zenietverjaagd hebben; over enkele kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd niemand, zelfs Bonaparte niet.Op één en denzelfden dag klonk door geheel Nederduitschland, van denWeichseltot aan deElbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: “de Franschen komen!”—Men zegt thans, dat zulks opzettelijk werd gedaan, om te zien, wat Nederduitschland doen zou. Indien het waarheid is, dan hebben zij ’t te zien gekregen: Nederduitschland stond de proef door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat ééne Fransche regiment had lange beenen moeten hebben, zoo ’t overal te gelijk den storm had willen stillen.De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen; in Nieuw-Strelitz zouden de Franschen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen; in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, ’t was een verward huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kompagniën ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in ’t eerste stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem, bij ’t vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van ’t geweer in de korte ribben duwde, en dat kon hij niet verdragen. Mijn oom Herse was steeds in de paardenkoppels aan ’t exerceeren in ’t volle vuur, met deéén-en-twintigjachtgeweren, altijd allen te gelijk. Zijn hoofdkommando was: “roef! roef!”—dan moesten zij allen op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen; toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lukow werd doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow, de snijder, het gedaan had, maar ’t is niet bewezen geworden. Eindelijk waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow kommandeerde: “links zwenken!” kwamen zij ook werkelijk allen de Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit; en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij marcheerden één voor één achter elkaâr, zooals de ganzen in de gerst.Bij den Uilenberg werd halt gehouden; zij wachtten op hunnen kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen, en paardrijden kon hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen hij aankwam, werd hij met “Vivat!” door zijne troepen ontvangen; hij hield daarop eene aanspraak en zeide: “Kinderen! Soldaten zijn wij niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maar, dat komt er niet op aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. Wij willen slechts onzen plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien, dat wij op onzen post zijn. Doch ’t is erg, dat ik niets van de krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien, die daarin ervaren is.—Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan moet worden.—Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts, voor ’t vaderland!” “Hoera!” riep zijn volk, en voorwaarts ging het, den vijand te gemoet.De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurnsdorp en Kittendorp kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich aan. “Johan Heinz,” zeide mijn oom Herse tot zijn’ adjudant, “dit zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed te gebruiken, zooals wij ’t bij de kozakken gezien hebben, maar zij brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom goed op een hoop, en, als ’t er op losgaat, dan maar altijd “roef!””De kavalerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude inspektor Bräsig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden pistolen: zij schoten nu en dan, waarschijnlijk om de Franschen bang te maken, en zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen geen Franschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij: “Kinderen! mij dunkt, ’t is voor vandaag genoeg, en als wij nu omkeeren, komen wij nog met den dag thuis.”—De inval was goed; kapitein Grischow kommandeerde in dien geest en alles ging naar huis, uitgezonderd eene halve kompagnie pieken en twee jachtgeweren, die in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden.Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw en vroeg: “Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel eenbeetje in uw’ wagen leggen?” “Zeer gaarne, mijn vriend.” En nu kwamen de schoenmaker Deichert en de kleêrmaker Zutow, en nog velen kwamen, allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer de baljuw de poort te Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit als eene oorlogsmachine of een sikkelwagen uit den tijd der Perzen.De raadsheer Herse liet nog driemaal “roef, roef!” op de markt schieten, en iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen was verdrietig. “Johan Heinz!” sprak hij tot zijn adjudant: “daar kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den windmolen in brand steken?”Ging het in de wereld bont door elkander toe, zoo ging ’t op den Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den zolder neêrgelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en telkens als hij van den molen wegreed, zeide de molenaar: “Gode zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!” al naar dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij hem was geweest en hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan en had allemanspraats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien, en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk, met tranen in de oogen, hem vroeg: “Vader, wat scheelt u eigenlijk? Wat heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?” dan was ’t verschillend, wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren, en dat hij moest weten, wat hij te doen had.’t Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist, en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren, om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordeelige dagen, maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam op den hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór paschen kwam Itzig en haalde het laatste voer koren en de molenaar zeide bij ’t middageten tot zijne vrouw en Fieken: “Zie zoo! van hem zijn wij af; hij heeft zijn geld.”—Zijne vrouw en Fieken zwegen stil, en de molenaar vierde geen recht paaschfeest in zijn hart, want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en hij vroeg ook naar Frederik, en toen die kwam, zeide hij tot hem, dat hij ook bij den baljuw moest komen. “Als ’k wil,” antwoordde Frederik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den baljuw kwam hem in de gedachte: “dat zal ik niet vergeten, wat ge gedaan hebt.”—“Als gij niet komt,” zeide de veldwachter, “dan is dat voor uwe eigene verantwoording.”—“Die heeren denken altijd,” hernam Frederik, lachende, “dat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want mijn tijd bij den molenaar is om.”—“Je zult je wel bedenken!” bromde de molenaar; “tot Sint-Jan heb ik je gehuurd.”Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Geen van beiden sprak een woord. Toen zij op de markt kwamen, wilde Frederik naar bakker Witt heendraaien.—“Halt,” riep de molenaar, “daar wil ik niet heen; ik rijd bij Guhl aan.”—“Wel, baas,” zeide Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp, “rijd er dan zelf naar toe, want ik ga bij Witt.” En dit zeggende, ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet hebben, zelfs, hoewel ’t Frederik was; heden zeide hij niets: hij was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor de deur, stapte af zonder binnen te treden en ging naar het huis van den raadsheer aan den overkant.Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof af, toen Fieken, in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de kachel zat te schreien. “Moeder,” sprak zij, “ik kan ’t niet helpen, ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal, ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is....”—“Hij heeft het in zijn onverstand gedaan!” riep de molenaarsvrouw haar toe. “En daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden, of zijne vrouw, of iemand anders,—ik weet het ook nog niet,—de goede God zal mij immers wel den weg wijzen en de woorden ingeven.” “Ga, mijn Fieken,” sprak hare moeder.Fieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van Witt; zij vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de kamer in; daar zat Frederik en sprak met een soldaat, die een rood buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Frederik sprong op: “Dumouriez! Fieken, waar komt gijvandaan?”—De soldaat sprong ook op. Lieve hemel! Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar Hendrik?—Ja, hij was ’t, hij legde zijn arm om haar heen en zeide: “Fieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?”—O, zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: “Hendrik, Hendrik; jij onder de soldaten?” “Nu,” riep Frederik haar toe; “Fieken, gij houdt u goed! Waar hoort eene flinke kerel tegenwoordig anders, dan onder de soldaten?” Fieken luisterde niet naar ’t geen hij sprak, zij had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij de woorden: “Ach, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! Wat is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?”“Fieken,” zeide Hendrik, “om mijnent wille behoeft hij zich geene verwijtingen te doen, en indien ik in ’t eerst ook maar weg wilde,—’t was mij ’t zelfde waarheen of waartoe;—nu is dat anders, nu weet ik eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek; nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat eenkamerraad>kameraadzijn kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor ’t vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar, als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet nemen; ik moet meê; maar je hart neem ik met mij.” “Zoo spreekt een kerel!” riep Frederik uit. “Goed, Hendrik!” zeide Fieken, “je hebt gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer zoeken; het ongeluk hangt ons boven ’t hoofd, en wie weet, hoe kort de molen ons nog huisvesting geven zal.” “Och, kom Fieken!” zeide Frederik; “je vader heeft zich zelf onaangenaamheden berokkend; hij is, tot aan den hals toe, in ’t water gegaan, maar daarom is ’t nog niet noodig, dat de golven hem over ’t hoofd klotsen; hij heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken.” “Wie kan hem helpen?” zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in haren schoot zinken. Niemand weet wat hij zich in het hoofd gezet heeft.” “O,” hernam Frederik, “Hendrik weet erwatvan, hij heeft er van morgen zoo wat van hooren praten; en laat hij u dat maar eens vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw.”
Achttiende hoofdstuk.Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet.Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude heeren: de raadsheer, de bakker en de molenaar en, als tot sieraad, ook mijnheer de kamerdienaar; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth op den voorsten zak, en op den anderen zak Hendrik en Fieken, terwijl Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen.Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te spreken. “Zie zoo!” zeide hij: “uit die val zijn wij gelukkig ontkomen.” “Ja wel, raadsheer,” antwoordde de oude bakker Witt, “en dat hebben we toch aan onzen baljuw en aan onzen burgemeester, maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken. “Al naar dat men het aanziet, baas Witt,” hernam oom. “Ik, voor mijn persoon, heb niets tegen die drie, en dat de “chasseur” terecht gekomen is, heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor de deur heeft gesproken?” “Ja, mijnheer.” “Nu, laat mij u dan zeggen, indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig gehad, dan zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze weggebracht hebben.” “Dat mag de drommel weten!” riep de oude bakker, en keek den raadsheer zoo’n beetje van ter zijde aan.—Mijn oom zeide niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker behoorlijk wilde laten werken.—Dit mislukte echter; het hoofd van den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadsheers woorden er eenvoudig maar langs druppelden; hij zeide niets.—“Baas Witt,” hernam de raadsheer, na een poosje, “’k wou dat ik in Stemhagen was.”—Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide dus: “Dat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden.” “Zoo meen ik het niet,” sprak mijnheer de raadsheer, “ik meen wegens onze ontvangst.” Nu liep de pint bij den bakker weêr over. “Hoe zoo?” vroeg hij. “Ik meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort.” Nu druipt het uit de maat tappelings op den grond. “Ontvangst?—Eerepoort?—Hoe zoo?—Komt onze hertog dan?”—“Baas Witt,diekomt niet; maarwijkomen.”—Doch nu was ’t bij den ouden Witt juist alsof iemand hem, terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles door elkaâr draaide. Dit was een geluk, want nu kon de uitlegging van den raadsheer eene plaats krijgen. “Baas Witt, ik zeg: wij komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijkonzestad is, niet even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een hertog? Maar, wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die denken er niet aan!—Of zoudt ge meenen, de oude rector, omdat hij eens zoo’n ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook naar! Of de oude Metz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden, baas Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van den toren blazen kan hij; verder niets.—Ja, alsiker was!”—“Maar, mijnheer Herse,” zeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens bedaard werd, “in dit jaargetijde! Waar moeten ze bloemen en groen vandaan halen?”—“Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe heeft de stad Stemhagen dan de denneboompjes in het stadsbosch doen zetten?”—”’t Is waar,” sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel en al vol. “Wat zegt gij, molenaar Voss?” vroeg de raadsheer.—“Ikzeg volstrekt niets, mijnheer de raadsheer,” zeide de molenaar, terwijl hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er een toegetrokken tabakszak over zijn’ schouder keek; “ik zeg volstrekt niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bramborg heenreed, was ik niet best te moede; en vandaag, nu ik weêr van Bramborg terugrijd, heb ik weêr maagpijn in mijn hoofd.”—“Hoe dat zoo?” vroeg mijn oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met Itzig.—“Hm,” zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af, zijn aangezicht langs, tot aan de kin; verder kwam de hand niet, daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte naar beneden, de mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar ’t was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet heen.Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar hij had een zacht gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart; hij moest een goed werk tot stand brengen. “Baas Witt,” sprak hij, “ga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier komen; ik heb wat met hem te praten.”Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak zeer zacht met den molenaar. “Molenaar Voss,” zeide mijn oom, “ik help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een geheim, waar niemand verder meê te maken heeft; maar, wat moois is ’t niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor u blijven, en morgen kom ik buiten bij u, en zie al uwe papieren na en neem de zaak in handen, want, ziet gij”—en, dit zeggende haalde hij het cachet van zijn horlogeketting te voorschijn,—“ik ben er toe gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche letters verkeerd lezen?”—De oude molenaar antwoordde, dat hij ze noch recht, noch verkeerd lezen kon.—“Nu, het komt er ook niet op aan. Hier staat:Not. Pub. Im. Caes.dat beteekent, ik benNotarius publicus, enIm. Caes.beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden baljuw. De zaak blijft geheim.”—Dat beloofde de molenaar dan ook.Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht, juist zooals op den eersten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den achtersten, waar Fieken en Hendrik op zaten, zeer zacht; en ik behoef niet te vertellen, wat zij met elkaâr spraken; want, Frederik lag immers achter in ’t afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde woord voor woord; en die zal er wel ter goeder ure meê voor den dag komen.Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann, die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep: “Zij komen, zij komen!” Hij had op den molenberg al twee uren op post gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem gescheld en was op ’t laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan.“Zij komen!” riep de bengel.—“Is ’t waar, jongen?” vroeg de oude Rickert, die klokluider was.—“Ja, vader Rickert, ze zijn al op de weide.”—En de oude Rickert zeide bij zich zelven: “Dan is ’t niet anders, dan moet ik er het mijne aan doen!”—Hij ging naar den toren en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon, trok hij aan de brandklok. Nu kwam alles op de been, en de deuren uitloopen. “Zij komen!—Zij komen!”—“Wie komt?”—“De raadsheer Herse, en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!”—“Hoera!” riep Bank, de schoenmaker en zwaaide zijn’ arm in de lucht, maar hij had vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had.—“Hoera!” riepTröpner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op. “Maar, kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!” en hij stiet de vrouw van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist bij mamsel Westphalen gehaald had.—“Oera!” riep mijnheer Droi, die met de berenmuts op de straat kwam, maar anders “in negligé,” en achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuwden: “Vive l’empereur!” toen juist de raadsheer, op den eersten wagen, door den volkshoop kwam aanrijden.Hij zat echter op zijn’ zak, en hield de geheele straat langs, de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: “Voss, dit doet mij de eerepoort vergeten.”—En de oude molenaar keek den raadsheer aan, om te zien, hoediehet deed, en toen deed hij ’t ook zoo, en hij antwoordde mijn’ oom: “Ja, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan Itzig.”—De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen, waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmenschelijke wijze; en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den wagen af: “Goeden dag, oude!—Goeden dag, Bank; hoe maakt het je bochel?—Goeden dag, Johan!—Goeden dag, Strüwing!—Wel?—Alles wel?—Hoe is ’t met de varkens?”Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in ’t hart van oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven overstroomde en het water hem tot in de oogen spatte. “Tante,” zeide hij, half overluid;—“tante!”—want hij noemt zijne eigene vrouw altijd “tante,” en zij noemt hem daarom “oom,”—“tante, ik kan uwen wenk niet opvolgen, want deze beide dagen hebben met mij als openbaar persoon en niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden.—Bakker Witt,” riep hij, en daarbij drukte hij zijn’ driekanten hoed dieper in de oogen; “naar ’t raadhuis!” De raadsheer had over den huisvader en oom de zege behaald.Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis! Alles, wat in keuken en kelder voor de Franschen verborgen was geworden, werd voor den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van hetslot. Marieken Wienk dekte eene lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken, om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die nog niet genoegzaam hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt.—Mamsel Westphalen stond aan de hoekkast en perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit allerlei flesschen van alles opgegoten, en de theeketel ging steeds van de keuken naar de kamer, en uit de kamer naar de keuken, en mijnheer de baljuw stond daarbij en was altijd aan ’t proeven, en schudde het hoofd en goot er dan ook wel eens wat bij en ten laatste knikte hij en zeide: “Mamsel Westphalen, zóó is ’t goed!” En hij keert zich om en zegt tot mijne moeder: “Kindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn zin eens laten: de punch geef ik.” Mijn vader was met den kurketrekker aan ’t werk, en Luth zorgde voor ’t schenken, en de kamerdienaar stond bij de kachel en schudde bij al die toebereidselen altijd met het hoofd en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren schoot.—Ja, ’t was een schoone avond. Frederik stond aan de deur, paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem en verroerde en bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk, of als hij even naar buiten ging en op de gang zijn’ neus snoot. En Fieken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg: “Zult ge ook zooveel van mij houden?”—Mijnheer de baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak met hem in ’t geheim.—Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Voss in ’t geheim te spreken?—De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte zich zelven ook af, en toen hij begreep, dat het over ’t proces was, zeide hij tot Witt: “Zoo! met het princes heb ik het nu in orde; nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal ’k van avond in de punch soppen.” “Daar brengt ge mij op een denkbeeld, Voss,” zegt de bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. “Met uwe permissie, mijnheer de burgemeester, ’k woû graag mijn deel aan het traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier, mevrouw, is mijne dochter; neem ’t mij niet kwalijk, zij had zoo’n grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen.”Maar, wat beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn’ oom Herse te beurt viel. Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in volle uniform, en allen stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn’ mantel beveiligd had; mijne moeder, omdat hij daardoor mijn’ vader had helpen ontvluchten; mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide, dat zij ’t nooit zou vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren; en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch, rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen; hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: “Ik weet waarlijk niet, waar mijne goede tante blijft.”—Bij de woorden van den molenaar kwam hem in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt zich tot den baljuw en zegt: “Mijnheer de baljuw, ik heb met u een paar woorden onder vier oogen te spreken in eene bijzonder geheime aangelegenheid.” En daarop trok hij den baljuw in een’ hoek.—Wij, mijne lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die hoek praten kon, en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde, dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en de tegenwoordige rijke Jozef Casper, die toen een kleine jodenjongen was. En tante Herse had een’ krans van groene laurierbladen in de hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte; en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem meê. Tante ging naar oom toe, en gaf hem een kus en plaatste hem den krans op het hoofd, zoodat de roode linten langs zijn’ rug hingen, en zij sprak eenige zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker Witt viel te vroeg met zijn: “hoerah!” in, en de molenaar met zijn: “vivat, de raadsheer leve!” En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen.Ja, ’t was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in de gedachte, want juist zóó stond de lauwerkrans, behalve dat mijn oom heel wat vriendelijker en voller in ’t aangezicht was, dan die stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van bakker Witt, en ik prijs ze ook nu nog; men kon er zeer veel van eten en kreeg er nooit maagpijn van.Negentiende hoofdstuk.Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en, waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop worden.Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen uit het bed was gekropen, zat hij weder met het hoofd in de hand, en keek mijmerend in zijne laars. “Moeder,” vroeg hij eindelijk, “heb ik gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?” “Och, kom, vader!” antwoordde zijne vrouw: “ge hebt hem immers gedurig omhelsd en hem “je lieve zoon” genoemd, en Frederik hebt ge veel geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudtwezen, en dat zou niet heel lang meer duren.” “Moeder, dan heb ik al heel gekke praat gepraat.”—“Dat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou je dat niet bekennen.” “De hemel zal me bewaren!” riep de molenaar, “ik kom, geloof ik, nooit van mijne dwaasheden af!”Frederik kwam binnen. “Goeden morgen, baas; goeden morgen, vrouw! Ik kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak nagedacht heb; ik wil het geld, dat gij mij gisteren avond hebt beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het noodig zal hebben.”—“Hm!” roept de oude molenaar, op zijn’ stoel heen en weêr schuivende. “Ja,” zeide Frederik;“maar ik had nog een ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken, ofschoon het buitenstijds is?” “Waarom? Wat ben je van plan?” “Ik wou gaan trouwen!” “Wat, jij, trouwen?” “Ja, baas; ik wou gaan trouwen met Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient; en als Hendrik Voss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht, konden wij wel op éénen dag bruiloft houden.”—Dit was den ouden molenaar dan toch al te kras. “Jou, bedelaar...” riep hij opspringende en greep naar de ééne laars. “Bedaar, baas!” zeide Frederik, zich hoog oprichtende; “die uitdrukking past niet op mij, en past niet voor u. Hoe ’t met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe ’t metHendriken onsFiekengesteld is, weet ik sedert gisteren middag; ik lag achter hen in den wagen en ’k heb alles aangehoord.”—“Vader,” riep de molenaarsvrouw, “dat zou nog zoo kwaad niet wezen!” “Daar heb jij geen verstand van!” riep de oude man en liep vreeselijk driftig door de kamer. “Nu, baas,” zeide Frederik, de deur uitgaande, “overleg de zaak maar eens; mijn schoonvader loopt ook sedert eergisterenavond rond, om te overleggen.” “Je kunt je getuigschrift krijgen,” riep de molenaar hem achterna, “maar eerst tegen St. Jan.”Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht, dat Hendrik en zijn Fieken voor elkander wel geschikt waren; hij zelf had hem gisteren “zijn lieven zoon” genoemd,—maar, dat was ’t juist! Gisterenavond had depunchhem tot een’ rijk man gemaakt, envandaagkeek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig uitstel van executie. “Vader,” sprak de molenaarsvrouw, “’t is het beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen.” “Moeder,” hernam de oude man, en ’t was een geluk, dat hij nog geene laarzen aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestamptvoet hebben; “ik zeg je, dat jij daar geen verstand van hebt!—Wat?—’k Zou den zoon van Jochem Voss, die met mij in princes ligt, en die met een’ grooten zak geld in ’t land rondreist, mijn kind geven,—mijn beste, liefste kind!—en ’k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meêgeven kan ik haar niets, want ik ben een bedelaar!—Neen, moeder, neen! ’k Zou de vodden moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken, voor ’t altaar zou staan!—Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden doen wezen!”Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor iemand, zoodat hij ’t maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopen tijden gesmeed, zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den molenaar was zijn proces, en ook wel zijnslechtebeheer in vroegere tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn leven lang het eind der ketenen door de wereld meêslepen, gelijk een weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet.’t Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek iedereen, en was geheel alleen aan ’t werk, in den molen en in den stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele jaren verzuimd had. Endelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam aan, doch heden in burgerkleeding. “Goeden dag, Voss!” riep hij hem toe. “Nu, onze zaak is in orde!”—Maar de oude molenaar was heden niet lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: “Ja, als ’t maar waar was, mijnheer Herse.”—“Als ik het zeg, vriend Voss,” hernam de raadsheer en haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar in de kamer, “dan moet gij ’t gelooven, want ik ben van daag hier alsnotarius publicus.”—“Moeder,” zeide de molenaar, laat ons alleen, en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan.” Dat was nu juist niet noodig, want het was klaarlichte dag; maar de oude man had gezien, dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had branden, en hij wilde ’t ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was, daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar ’t kwam hem toch zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beter inzicht in de dingen had; en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen er bij.Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse, tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: “Wat zegt ge nu, kameraad?”—De molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van “hm” en “nu ja!” en “maar” en krabt zijn hoofd.—“Vrind Voss,” zeide mijn oom, die knorrig werd, “wat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder,—kijk maar, hier!—een gierststengel, omdat ik “Herse” heet; ’k had er ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in ’t Fransch “herse” beteekent; maar ’k ben niet voor de Fransozen,—en hier, er om heen, staat mijne authorisatie:not: pub: im: caes:en hier staat de onderteekening van den jood:Itzig; en wat geschreven is, is geschreven.” “Dat zegt mijnheer de baljuw ook,” zeide de molenaar en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: “wat geschreven is, is geschreven.” “Watdiezegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss,ikben er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften metmijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen uit alle verlegenheid.” “Ja, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar watdan?”—Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. “Hm!Wat dan?—Ja!—Nu!—Nu, vriend Voss,”—en zijn goedhartig aangezicht zette zijne geheele ambtsdeftigheid vannotarius publicuster zijde en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den ouden molenaar en de gansche wereld vriendelijk aan,—“nu, vriend Voss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde brengen. Maar, daartoe is ’t noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden vertelt en al uwe papieren toont.” Dat zag de molenaar dan ook in en hij vertelde en vertelde, zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden; mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las alles met geduld, maar niet met voordeel voor zijne plannen. “Vriend Voss!” vroeg hij eindelijk, “is dat alles?” “Ja, mijnheer,” sprak de molenaar, en liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland, als de nachtvorst er over heengegaan is, “en dit is nog mijn kontrakt met het Stemhager rechtsgebied.”—Mijn oom nam het kontrakt, las het zoo ter loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel; maar, eensklaps sprong hij op, uitroepende: “Wat is dat? Daar zijn we meê geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een millionnair! ’t Gansche Stemhager gebied moet de rechten op ’t gemaal betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf vier, en wat zegt paragraaf vijf: “voor elk schepel, dat de molenaar maalt, kan gij wettelijkeen schepelals maalloon eischen.”—“Een maat, mijnheer Herse!” riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong, “van elk schepel eenemaat!”—“Neen!Een schepel!—Hier staat: voor iederschepeleenschepelals maalloon; en wat geschreven is, is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel onder gezet.” “Mijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait: dat is toch maar eene vergissing.” “Vergist is ook verspeeld, en wat geschreven is, is geschreven: dat heeft de oude baljuw u immers zelf gezegd. “Dat heeft hij, mijnheer,” zeide de molenaar, “ja, dat heeft hij; daar kan ik op zweren.”Thans opende zich voor den molenaar een uitzicht op verlossing uit de handen der joden, en een uitzicht op vele, vele schepels koren, en op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de rechten op ’t gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. “Mijnheer,”riep hij,“dat zal helpen!—Maar... maar...” “Voss,” zeide mijn oom knorrig, “wat hebt ge nu weêr voor bezwaren! Die zaak is klaar en duidelijk.”—“Ja, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan met de zakken gaan?”“Met de zakken? Met wat voor zakken?”“Met de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg ik, maar wie krijgt de zakken?” “Hm,” zeide mijn oom,“dat is eene moeilijke rechtsvraag, Voss! daaraan heb ik nog niet gedacht, en in ’t kontrakt staat niets daarvan; alsiku echter raden moet, behoud ze dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel:beati possidentes; dat beteekent: hebben is hebben!—Vriend Voss, nu heb ik u uit alles geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over die zaak met niemand hoegenaamd gesproken; verstaat gij!—met niemand hoegenaamd!—Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van geld aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan, Voss....” “En dan, mijnheer Herse?”—“Dan komt het surplus. Maar, Voss, de zaak blijft geheim!”De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit het rijtuig den ouden man toeknikte en de vinger op den mond legde.“Fieken,” zeide Hendrik, “mij is ’t niet gegeven, om geheimen te hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hem hoe ’t alles is.” “Doe dat,”zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoe ’t met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben, dat hij nog wat moest wachten.Met den ouden molenaar was ’t al heel wonderlijk gesteld. Heden morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig kind behoefde niet iedereen zoo maar te nemen; zij kon eene dame worden, zoo goed als iemand anders. Voor zijn hoofd was de overgang te schielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was; daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was, als het hoorde, en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden zou, niet recht en billijk was. “Maar” zeide hij dan weder bij zich zelven: “de baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven; en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik.”Was hij in rustige, gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te krijgen, zoo was ’t in dit oogenblik in ’t geheel niet mogelijk. Toen Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen, begon hij van het proces te spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij eengeruïneerdman was; velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde nu, dat hij ’t goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat wou hij wel gelooven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest “hei!” roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door iederen wijsneus beet nemen, en allerminst, door zoo’n jongen knaap, als Hendrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen!—Zulk eene taal was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was; ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen toon, dat de molenaar “ja!” of “neen!” zeggen moest, of hij hem zijne dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om, keek uit het venster en zeide: “neen!” Hendrik keerde zich ook om en ging de kamer uit, en een half uur later hield Frederik met het rijtuigvan Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij Hendrik riep, kwam die met Fieken juist in den tuin. Fieken zag er heel bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: “Hendrik, het woord, dat ik je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!” Hij knikte met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw, die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op den wagen en reed zachtjes weg.Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen, en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en vroeg: “Hendrik, waar rijdt gij heen?” “Naar Stemhagen.” “Blijft gij daar van nacht?” “Ja, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken.” “Dat moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is.” Hendrik beloofde, op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan.Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een’ vracht koren naar den molen reed en zeide: “Wel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met den avond ben ik weêr t’huis, dan praten we een beetje samen.”Wel ja! wel ja! ’t Was al lang avond, en de bakker was al lang t’huis; maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot zijne dochter: “Je zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen, want die heeft de tranen gauw bij de hand; maar, dat Fieken, bij al het schelden en bij al de dwaasheden van haren vader, stil haren gang gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs worden! Toen ik hem vroeg: “Wel Voss, wanneer kan ik het meel komen halen?” zeide hij: “Daar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien.” En toen ik zei, dat ik het meel toekomende week hoog noodig had, zeî hij, dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan, die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij ’t goedvond. “Wel, dat ’s toch gek,” zeide vrouw Strüwing.Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in de rede en vroeg: “Baas Witt, zoudt gij mij een genoegen willen doen?” “Waarom niet?” hernam de bakker. “Bij u komen veel menschen, en gij hebt ook plaats in uw’ stal; ik wou mijn paard en mijn’ wagen verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?” “Waarom niet?” vroeg Witt. “Maar Hendrik,” liet hij er na een poos op volgen, en ’t was hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaâr knoopte, waaraan hij het gesprek wilde voortzetten, “maar, Hendrik, dat heeft immers tijd.—De paarden—de paarden—zijn nu zoo goedkoop; waarom?—Wel, wat weet ik ’t! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is, dat de Fransoos ze hem ’s nachts niet uit den stal haalt; maar, de paarden,—ge zult zien,—zij worden duur,—want—ge zult zien:—in den tijd van een paar weken marcheert alles tegen den Fransoos.” “Dat heb ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden, baas Witt, maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. “Ja,” viel Frederik hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was; “ja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden zal veel gevraag zijn, als ’t aan den gang gaat, en naar de vrouwlui weinig en als ’t voorbij is en de helft der jongelieden doodgeschoten zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruid had geroken; die zeide tot mij: naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij.—Ik zei, dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag behoef ik mij niet te bedenken. Ik ben van de Pruisen gedeserteerd: maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas Witt, ik heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij hoort, dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn goed. En nu, adjuus! ’k moet van avond weer op den molen zijn.”Daarop vertrok hij.—Hendrik ging hem na. “Frederik, wat beteekent dit?” vroeg hij. “Wat dit beteekent?” hernam Frederik. “Dat zal ik u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijn Fieken lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, ’t komt er ook niet op aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een uil is, is voor den ander een nachtegaal.” “Frederik,” gaf Hendrik hem zacht ten antwoord, “spreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden, en ik ook.” “Wat, gij?” “Stil!—Ja, ik ook. Ik heb geene familie en ik sta alleen in de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en mijn paard en wagen verkoop ik.” “Hoera!” riep Frederik. “Geef mij de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je ’t al dadelijk den eersten morgen aan, dat er een soldaat in je stak.”—“Ja?” zeî Hendrik, “dat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het volbrengen?” “Broeder! als iemand wat slechts in den zin heeft, dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons de rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor ’t vaderland. Zie, ik kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar een deftigen man met een grijzen snorbaard en een litteeken op de rechterwang,—ge zult hem wel vinden—en meld u en mij bij hem aan: “Frederik Schult,” en ’k had al gediend, maar ge behoeft niet te zeggen, dat ik eens van ’t kinderwiegen gedeserteerd ben.En als ge ’t in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik.” “Dat zal gebeuren!” riep Hendrik. “En Frederik, groet jelui Fieken nog van mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden.” “Dat zal ik waarnemen, en nu goeden nacht!” “Goeden nacht!”—En toen Hendrik zoo bleef staan en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek, bij de apotheek, nog: “Dumouriez! Vervloekte patriotten!”Twintigste hoofdstuk.Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in ’t molenaarshuis bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen rijden en waarom Fieken hen volgt.De Franschen kwamen niet weder in onze streken; doch daarom werd het er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen hadden slechts pieken,—alleen de rektor Schäfer had door den smid Tröpner een hellebaard laten maken,—mijn oom Herse richtte een korps scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien, dat zóó’n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó’n tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Franschen zou dien geheelen troep uit elkaâr gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: ’t Is mogelijk, zeg ik; maar den geest zouden zenietverjaagd hebben; over enkele kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd niemand, zelfs Bonaparte niet.Op één en denzelfden dag klonk door geheel Nederduitschland, van denWeichseltot aan deElbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: “de Franschen komen!”—Men zegt thans, dat zulks opzettelijk werd gedaan, om te zien, wat Nederduitschland doen zou. Indien het waarheid is, dan hebben zij ’t te zien gekregen: Nederduitschland stond de proef door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat ééne Fransche regiment had lange beenen moeten hebben, zoo ’t overal te gelijk den storm had willen stillen.De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen; in Nieuw-Strelitz zouden de Franschen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen; in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, ’t was een verward huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kompagniën ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in ’t eerste stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem, bij ’t vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van ’t geweer in de korte ribben duwde, en dat kon hij niet verdragen. Mijn oom Herse was steeds in de paardenkoppels aan ’t exerceeren in ’t volle vuur, met deéén-en-twintigjachtgeweren, altijd allen te gelijk. Zijn hoofdkommando was: “roef! roef!”—dan moesten zij allen op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen; toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lukow werd doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow, de snijder, het gedaan had, maar ’t is niet bewezen geworden. Eindelijk waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow kommandeerde: “links zwenken!” kwamen zij ook werkelijk allen de Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit; en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij marcheerden één voor één achter elkaâr, zooals de ganzen in de gerst.Bij den Uilenberg werd halt gehouden; zij wachtten op hunnen kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen, en paardrijden kon hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen hij aankwam, werd hij met “Vivat!” door zijne troepen ontvangen; hij hield daarop eene aanspraak en zeide: “Kinderen! Soldaten zijn wij niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maar, dat komt er niet op aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. Wij willen slechts onzen plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien, dat wij op onzen post zijn. Doch ’t is erg, dat ik niets van de krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien, die daarin ervaren is.—Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan moet worden.—Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts, voor ’t vaderland!” “Hoera!” riep zijn volk, en voorwaarts ging het, den vijand te gemoet.De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurnsdorp en Kittendorp kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich aan. “Johan Heinz,” zeide mijn oom Herse tot zijn’ adjudant, “dit zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed te gebruiken, zooals wij ’t bij de kozakken gezien hebben, maar zij brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom goed op een hoop, en, als ’t er op losgaat, dan maar altijd “roef!””De kavalerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude inspektor Bräsig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden pistolen: zij schoten nu en dan, waarschijnlijk om de Franschen bang te maken, en zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen geen Franschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij: “Kinderen! mij dunkt, ’t is voor vandaag genoeg, en als wij nu omkeeren, komen wij nog met den dag thuis.”—De inval was goed; kapitein Grischow kommandeerde in dien geest en alles ging naar huis, uitgezonderd eene halve kompagnie pieken en twee jachtgeweren, die in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden.Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw en vroeg: “Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel eenbeetje in uw’ wagen leggen?” “Zeer gaarne, mijn vriend.” En nu kwamen de schoenmaker Deichert en de kleêrmaker Zutow, en nog velen kwamen, allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer de baljuw de poort te Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit als eene oorlogsmachine of een sikkelwagen uit den tijd der Perzen.De raadsheer Herse liet nog driemaal “roef, roef!” op de markt schieten, en iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen was verdrietig. “Johan Heinz!” sprak hij tot zijn adjudant: “daar kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den windmolen in brand steken?”Ging het in de wereld bont door elkander toe, zoo ging ’t op den Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den zolder neêrgelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en telkens als hij van den molen wegreed, zeide de molenaar: “Gode zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!” al naar dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij hem was geweest en hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan en had allemanspraats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien, en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk, met tranen in de oogen, hem vroeg: “Vader, wat scheelt u eigenlijk? Wat heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?” dan was ’t verschillend, wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren, en dat hij moest weten, wat hij te doen had.’t Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist, en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren, om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordeelige dagen, maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam op den hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór paschen kwam Itzig en haalde het laatste voer koren en de molenaar zeide bij ’t middageten tot zijne vrouw en Fieken: “Zie zoo! van hem zijn wij af; hij heeft zijn geld.”—Zijne vrouw en Fieken zwegen stil, en de molenaar vierde geen recht paaschfeest in zijn hart, want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en hij vroeg ook naar Frederik, en toen die kwam, zeide hij tot hem, dat hij ook bij den baljuw moest komen. “Als ’k wil,” antwoordde Frederik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den baljuw kwam hem in de gedachte: “dat zal ik niet vergeten, wat ge gedaan hebt.”—“Als gij niet komt,” zeide de veldwachter, “dan is dat voor uwe eigene verantwoording.”—“Die heeren denken altijd,” hernam Frederik, lachende, “dat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want mijn tijd bij den molenaar is om.”—“Je zult je wel bedenken!” bromde de molenaar; “tot Sint-Jan heb ik je gehuurd.”Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Geen van beiden sprak een woord. Toen zij op de markt kwamen, wilde Frederik naar bakker Witt heendraaien.—“Halt,” riep de molenaar, “daar wil ik niet heen; ik rijd bij Guhl aan.”—“Wel, baas,” zeide Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp, “rijd er dan zelf naar toe, want ik ga bij Witt.” En dit zeggende, ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet hebben, zelfs, hoewel ’t Frederik was; heden zeide hij niets: hij was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor de deur, stapte af zonder binnen te treden en ging naar het huis van den raadsheer aan den overkant.Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof af, toen Fieken, in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de kachel zat te schreien. “Moeder,” sprak zij, “ik kan ’t niet helpen, ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal, ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is....”—“Hij heeft het in zijn onverstand gedaan!” riep de molenaarsvrouw haar toe. “En daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden, of zijne vrouw, of iemand anders,—ik weet het ook nog niet,—de goede God zal mij immers wel den weg wijzen en de woorden ingeven.” “Ga, mijn Fieken,” sprak hare moeder.Fieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van Witt; zij vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de kamer in; daar zat Frederik en sprak met een soldaat, die een rood buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Frederik sprong op: “Dumouriez! Fieken, waar komt gijvandaan?”—De soldaat sprong ook op. Lieve hemel! Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar Hendrik?—Ja, hij was ’t, hij legde zijn arm om haar heen en zeide: “Fieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?”—O, zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: “Hendrik, Hendrik; jij onder de soldaten?” “Nu,” riep Frederik haar toe; “Fieken, gij houdt u goed! Waar hoort eene flinke kerel tegenwoordig anders, dan onder de soldaten?” Fieken luisterde niet naar ’t geen hij sprak, zij had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij de woorden: “Ach, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! Wat is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?”“Fieken,” zeide Hendrik, “om mijnent wille behoeft hij zich geene verwijtingen te doen, en indien ik in ’t eerst ook maar weg wilde,—’t was mij ’t zelfde waarheen of waartoe;—nu is dat anders, nu weet ik eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek; nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat eenkamerraad>kameraadzijn kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor ’t vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar, als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet nemen; ik moet meê; maar je hart neem ik met mij.” “Zoo spreekt een kerel!” riep Frederik uit. “Goed, Hendrik!” zeide Fieken, “je hebt gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer zoeken; het ongeluk hangt ons boven ’t hoofd, en wie weet, hoe kort de molen ons nog huisvesting geven zal.” “Och, kom Fieken!” zeide Frederik; “je vader heeft zich zelf onaangenaamheden berokkend; hij is, tot aan den hals toe, in ’t water gegaan, maar daarom is ’t nog niet noodig, dat de golven hem over ’t hoofd klotsen; hij heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken.” “Wie kan hem helpen?” zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in haren schoot zinken. Niemand weet wat hij zich in het hoofd gezet heeft.” “O,” hernam Frederik, “Hendrik weet erwatvan, hij heeft er van morgen zoo wat van hooren praten; en laat hij u dat maar eens vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw.”
Achttiende hoofdstuk.Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet.Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude heeren: de raadsheer, de bakker en de molenaar en, als tot sieraad, ook mijnheer de kamerdienaar; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth op den voorsten zak, en op den anderen zak Hendrik en Fieken, terwijl Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen.Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te spreken. “Zie zoo!” zeide hij: “uit die val zijn wij gelukkig ontkomen.” “Ja wel, raadsheer,” antwoordde de oude bakker Witt, “en dat hebben we toch aan onzen baljuw en aan onzen burgemeester, maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken. “Al naar dat men het aanziet, baas Witt,” hernam oom. “Ik, voor mijn persoon, heb niets tegen die drie, en dat de “chasseur” terecht gekomen is, heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor de deur heeft gesproken?” “Ja, mijnheer.” “Nu, laat mij u dan zeggen, indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig gehad, dan zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze weggebracht hebben.” “Dat mag de drommel weten!” riep de oude bakker, en keek den raadsheer zoo’n beetje van ter zijde aan.—Mijn oom zeide niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker behoorlijk wilde laten werken.—Dit mislukte echter; het hoofd van den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadsheers woorden er eenvoudig maar langs druppelden; hij zeide niets.—“Baas Witt,” hernam de raadsheer, na een poosje, “’k wou dat ik in Stemhagen was.”—Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide dus: “Dat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden.” “Zoo meen ik het niet,” sprak mijnheer de raadsheer, “ik meen wegens onze ontvangst.” Nu liep de pint bij den bakker weêr over. “Hoe zoo?” vroeg hij. “Ik meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort.” Nu druipt het uit de maat tappelings op den grond. “Ontvangst?—Eerepoort?—Hoe zoo?—Komt onze hertog dan?”—“Baas Witt,diekomt niet; maarwijkomen.”—Doch nu was ’t bij den ouden Witt juist alsof iemand hem, terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles door elkaâr draaide. Dit was een geluk, want nu kon de uitlegging van den raadsheer eene plaats krijgen. “Baas Witt, ik zeg: wij komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijkonzestad is, niet even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een hertog? Maar, wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die denken er niet aan!—Of zoudt ge meenen, de oude rector, omdat hij eens zoo’n ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook naar! Of de oude Metz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden, baas Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van den toren blazen kan hij; verder niets.—Ja, alsiker was!”—“Maar, mijnheer Herse,” zeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens bedaard werd, “in dit jaargetijde! Waar moeten ze bloemen en groen vandaan halen?”—“Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe heeft de stad Stemhagen dan de denneboompjes in het stadsbosch doen zetten?”—”’t Is waar,” sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel en al vol. “Wat zegt gij, molenaar Voss?” vroeg de raadsheer.—“Ikzeg volstrekt niets, mijnheer de raadsheer,” zeide de molenaar, terwijl hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er een toegetrokken tabakszak over zijn’ schouder keek; “ik zeg volstrekt niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bramborg heenreed, was ik niet best te moede; en vandaag, nu ik weêr van Bramborg terugrijd, heb ik weêr maagpijn in mijn hoofd.”—“Hoe dat zoo?” vroeg mijn oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met Itzig.—“Hm,” zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af, zijn aangezicht langs, tot aan de kin; verder kwam de hand niet, daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte naar beneden, de mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar ’t was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet heen.Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar hij had een zacht gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart; hij moest een goed werk tot stand brengen. “Baas Witt,” sprak hij, “ga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier komen; ik heb wat met hem te praten.”Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak zeer zacht met den molenaar. “Molenaar Voss,” zeide mijn oom, “ik help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een geheim, waar niemand verder meê te maken heeft; maar, wat moois is ’t niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor u blijven, en morgen kom ik buiten bij u, en zie al uwe papieren na en neem de zaak in handen, want, ziet gij”—en, dit zeggende haalde hij het cachet van zijn horlogeketting te voorschijn,—“ik ben er toe gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche letters verkeerd lezen?”—De oude molenaar antwoordde, dat hij ze noch recht, noch verkeerd lezen kon.—“Nu, het komt er ook niet op aan. Hier staat:Not. Pub. Im. Caes.dat beteekent, ik benNotarius publicus, enIm. Caes.beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden baljuw. De zaak blijft geheim.”—Dat beloofde de molenaar dan ook.Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht, juist zooals op den eersten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den achtersten, waar Fieken en Hendrik op zaten, zeer zacht; en ik behoef niet te vertellen, wat zij met elkaâr spraken; want, Frederik lag immers achter in ’t afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde woord voor woord; en die zal er wel ter goeder ure meê voor den dag komen.Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann, die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep: “Zij komen, zij komen!” Hij had op den molenberg al twee uren op post gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem gescheld en was op ’t laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan.“Zij komen!” riep de bengel.—“Is ’t waar, jongen?” vroeg de oude Rickert, die klokluider was.—“Ja, vader Rickert, ze zijn al op de weide.”—En de oude Rickert zeide bij zich zelven: “Dan is ’t niet anders, dan moet ik er het mijne aan doen!”—Hij ging naar den toren en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon, trok hij aan de brandklok. Nu kwam alles op de been, en de deuren uitloopen. “Zij komen!—Zij komen!”—“Wie komt?”—“De raadsheer Herse, en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!”—“Hoera!” riep Bank, de schoenmaker en zwaaide zijn’ arm in de lucht, maar hij had vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had.—“Hoera!” riepTröpner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op. “Maar, kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!” en hij stiet de vrouw van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist bij mamsel Westphalen gehaald had.—“Oera!” riep mijnheer Droi, die met de berenmuts op de straat kwam, maar anders “in negligé,” en achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuwden: “Vive l’empereur!” toen juist de raadsheer, op den eersten wagen, door den volkshoop kwam aanrijden.Hij zat echter op zijn’ zak, en hield de geheele straat langs, de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: “Voss, dit doet mij de eerepoort vergeten.”—En de oude molenaar keek den raadsheer aan, om te zien, hoediehet deed, en toen deed hij ’t ook zoo, en hij antwoordde mijn’ oom: “Ja, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan Itzig.”—De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen, waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmenschelijke wijze; en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den wagen af: “Goeden dag, oude!—Goeden dag, Bank; hoe maakt het je bochel?—Goeden dag, Johan!—Goeden dag, Strüwing!—Wel?—Alles wel?—Hoe is ’t met de varkens?”Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in ’t hart van oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven overstroomde en het water hem tot in de oogen spatte. “Tante,” zeide hij, half overluid;—“tante!”—want hij noemt zijne eigene vrouw altijd “tante,” en zij noemt hem daarom “oom,”—“tante, ik kan uwen wenk niet opvolgen, want deze beide dagen hebben met mij als openbaar persoon en niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden.—Bakker Witt,” riep hij, en daarbij drukte hij zijn’ driekanten hoed dieper in de oogen; “naar ’t raadhuis!” De raadsheer had over den huisvader en oom de zege behaald.Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis! Alles, wat in keuken en kelder voor de Franschen verborgen was geworden, werd voor den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van hetslot. Marieken Wienk dekte eene lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken, om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die nog niet genoegzaam hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt.—Mamsel Westphalen stond aan de hoekkast en perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit allerlei flesschen van alles opgegoten, en de theeketel ging steeds van de keuken naar de kamer, en uit de kamer naar de keuken, en mijnheer de baljuw stond daarbij en was altijd aan ’t proeven, en schudde het hoofd en goot er dan ook wel eens wat bij en ten laatste knikte hij en zeide: “Mamsel Westphalen, zóó is ’t goed!” En hij keert zich om en zegt tot mijne moeder: “Kindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn zin eens laten: de punch geef ik.” Mijn vader was met den kurketrekker aan ’t werk, en Luth zorgde voor ’t schenken, en de kamerdienaar stond bij de kachel en schudde bij al die toebereidselen altijd met het hoofd en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren schoot.—Ja, ’t was een schoone avond. Frederik stond aan de deur, paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem en verroerde en bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk, of als hij even naar buiten ging en op de gang zijn’ neus snoot. En Fieken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg: “Zult ge ook zooveel van mij houden?”—Mijnheer de baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak met hem in ’t geheim.—Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Voss in ’t geheim te spreken?—De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte zich zelven ook af, en toen hij begreep, dat het over ’t proces was, zeide hij tot Witt: “Zoo! met het princes heb ik het nu in orde; nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal ’k van avond in de punch soppen.” “Daar brengt ge mij op een denkbeeld, Voss,” zegt de bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. “Met uwe permissie, mijnheer de burgemeester, ’k woû graag mijn deel aan het traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier, mevrouw, is mijne dochter; neem ’t mij niet kwalijk, zij had zoo’n grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen.”Maar, wat beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn’ oom Herse te beurt viel. Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in volle uniform, en allen stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn’ mantel beveiligd had; mijne moeder, omdat hij daardoor mijn’ vader had helpen ontvluchten; mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide, dat zij ’t nooit zou vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren; en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch, rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen; hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: “Ik weet waarlijk niet, waar mijne goede tante blijft.”—Bij de woorden van den molenaar kwam hem in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt zich tot den baljuw en zegt: “Mijnheer de baljuw, ik heb met u een paar woorden onder vier oogen te spreken in eene bijzonder geheime aangelegenheid.” En daarop trok hij den baljuw in een’ hoek.—Wij, mijne lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die hoek praten kon, en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde, dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en de tegenwoordige rijke Jozef Casper, die toen een kleine jodenjongen was. En tante Herse had een’ krans van groene laurierbladen in de hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte; en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem meê. Tante ging naar oom toe, en gaf hem een kus en plaatste hem den krans op het hoofd, zoodat de roode linten langs zijn’ rug hingen, en zij sprak eenige zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker Witt viel te vroeg met zijn: “hoerah!” in, en de molenaar met zijn: “vivat, de raadsheer leve!” En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen.Ja, ’t was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in de gedachte, want juist zóó stond de lauwerkrans, behalve dat mijn oom heel wat vriendelijker en voller in ’t aangezicht was, dan die stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van bakker Witt, en ik prijs ze ook nu nog; men kon er zeer veel van eten en kreeg er nooit maagpijn van.Negentiende hoofdstuk.Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en, waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop worden.Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen uit het bed was gekropen, zat hij weder met het hoofd in de hand, en keek mijmerend in zijne laars. “Moeder,” vroeg hij eindelijk, “heb ik gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?” “Och, kom, vader!” antwoordde zijne vrouw: “ge hebt hem immers gedurig omhelsd en hem “je lieve zoon” genoemd, en Frederik hebt ge veel geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudtwezen, en dat zou niet heel lang meer duren.” “Moeder, dan heb ik al heel gekke praat gepraat.”—“Dat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou je dat niet bekennen.” “De hemel zal me bewaren!” riep de molenaar, “ik kom, geloof ik, nooit van mijne dwaasheden af!”Frederik kwam binnen. “Goeden morgen, baas; goeden morgen, vrouw! Ik kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak nagedacht heb; ik wil het geld, dat gij mij gisteren avond hebt beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het noodig zal hebben.”—“Hm!” roept de oude molenaar, op zijn’ stoel heen en weêr schuivende. “Ja,” zeide Frederik;“maar ik had nog een ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken, ofschoon het buitenstijds is?” “Waarom? Wat ben je van plan?” “Ik wou gaan trouwen!” “Wat, jij, trouwen?” “Ja, baas; ik wou gaan trouwen met Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient; en als Hendrik Voss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht, konden wij wel op éénen dag bruiloft houden.”—Dit was den ouden molenaar dan toch al te kras. “Jou, bedelaar...” riep hij opspringende en greep naar de ééne laars. “Bedaar, baas!” zeide Frederik, zich hoog oprichtende; “die uitdrukking past niet op mij, en past niet voor u. Hoe ’t met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe ’t metHendriken onsFiekengesteld is, weet ik sedert gisteren middag; ik lag achter hen in den wagen en ’k heb alles aangehoord.”—“Vader,” riep de molenaarsvrouw, “dat zou nog zoo kwaad niet wezen!” “Daar heb jij geen verstand van!” riep de oude man en liep vreeselijk driftig door de kamer. “Nu, baas,” zeide Frederik, de deur uitgaande, “overleg de zaak maar eens; mijn schoonvader loopt ook sedert eergisterenavond rond, om te overleggen.” “Je kunt je getuigschrift krijgen,” riep de molenaar hem achterna, “maar eerst tegen St. Jan.”Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht, dat Hendrik en zijn Fieken voor elkander wel geschikt waren; hij zelf had hem gisteren “zijn lieven zoon” genoemd,—maar, dat was ’t juist! Gisterenavond had depunchhem tot een’ rijk man gemaakt, envandaagkeek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig uitstel van executie. “Vader,” sprak de molenaarsvrouw, “’t is het beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen.” “Moeder,” hernam de oude man, en ’t was een geluk, dat hij nog geene laarzen aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestamptvoet hebben; “ik zeg je, dat jij daar geen verstand van hebt!—Wat?—’k Zou den zoon van Jochem Voss, die met mij in princes ligt, en die met een’ grooten zak geld in ’t land rondreist, mijn kind geven,—mijn beste, liefste kind!—en ’k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meêgeven kan ik haar niets, want ik ben een bedelaar!—Neen, moeder, neen! ’k Zou de vodden moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken, voor ’t altaar zou staan!—Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden doen wezen!”Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor iemand, zoodat hij ’t maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopen tijden gesmeed, zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den molenaar was zijn proces, en ook wel zijnslechtebeheer in vroegere tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn leven lang het eind der ketenen door de wereld meêslepen, gelijk een weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet.’t Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek iedereen, en was geheel alleen aan ’t werk, in den molen en in den stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele jaren verzuimd had. Endelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam aan, doch heden in burgerkleeding. “Goeden dag, Voss!” riep hij hem toe. “Nu, onze zaak is in orde!”—Maar de oude molenaar was heden niet lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: “Ja, als ’t maar waar was, mijnheer Herse.”—“Als ik het zeg, vriend Voss,” hernam de raadsheer en haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar in de kamer, “dan moet gij ’t gelooven, want ik ben van daag hier alsnotarius publicus.”—“Moeder,” zeide de molenaar, laat ons alleen, en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan.” Dat was nu juist niet noodig, want het was klaarlichte dag; maar de oude man had gezien, dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had branden, en hij wilde ’t ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was, daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar ’t kwam hem toch zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beter inzicht in de dingen had; en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen er bij.Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse, tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: “Wat zegt ge nu, kameraad?”—De molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van “hm” en “nu ja!” en “maar” en krabt zijn hoofd.—“Vrind Voss,” zeide mijn oom, die knorrig werd, “wat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder,—kijk maar, hier!—een gierststengel, omdat ik “Herse” heet; ’k had er ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in ’t Fransch “herse” beteekent; maar ’k ben niet voor de Fransozen,—en hier, er om heen, staat mijne authorisatie:not: pub: im: caes:en hier staat de onderteekening van den jood:Itzig; en wat geschreven is, is geschreven.” “Dat zegt mijnheer de baljuw ook,” zeide de molenaar en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: “wat geschreven is, is geschreven.” “Watdiezegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss,ikben er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften metmijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen uit alle verlegenheid.” “Ja, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar watdan?”—Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. “Hm!Wat dan?—Ja!—Nu!—Nu, vriend Voss,”—en zijn goedhartig aangezicht zette zijne geheele ambtsdeftigheid vannotarius publicuster zijde en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den ouden molenaar en de gansche wereld vriendelijk aan,—“nu, vriend Voss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde brengen. Maar, daartoe is ’t noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden vertelt en al uwe papieren toont.” Dat zag de molenaar dan ook in en hij vertelde en vertelde, zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden; mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las alles met geduld, maar niet met voordeel voor zijne plannen. “Vriend Voss!” vroeg hij eindelijk, “is dat alles?” “Ja, mijnheer,” sprak de molenaar, en liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland, als de nachtvorst er over heengegaan is, “en dit is nog mijn kontrakt met het Stemhager rechtsgebied.”—Mijn oom nam het kontrakt, las het zoo ter loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel; maar, eensklaps sprong hij op, uitroepende: “Wat is dat? Daar zijn we meê geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een millionnair! ’t Gansche Stemhager gebied moet de rechten op ’t gemaal betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf vier, en wat zegt paragraaf vijf: “voor elk schepel, dat de molenaar maalt, kan gij wettelijkeen schepelals maalloon eischen.”—“Een maat, mijnheer Herse!” riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong, “van elk schepel eenemaat!”—“Neen!Een schepel!—Hier staat: voor iederschepeleenschepelals maalloon; en wat geschreven is, is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel onder gezet.” “Mijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait: dat is toch maar eene vergissing.” “Vergist is ook verspeeld, en wat geschreven is, is geschreven: dat heeft de oude baljuw u immers zelf gezegd. “Dat heeft hij, mijnheer,” zeide de molenaar, “ja, dat heeft hij; daar kan ik op zweren.”Thans opende zich voor den molenaar een uitzicht op verlossing uit de handen der joden, en een uitzicht op vele, vele schepels koren, en op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de rechten op ’t gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. “Mijnheer,”riep hij,“dat zal helpen!—Maar... maar...” “Voss,” zeide mijn oom knorrig, “wat hebt ge nu weêr voor bezwaren! Die zaak is klaar en duidelijk.”—“Ja, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan met de zakken gaan?”“Met de zakken? Met wat voor zakken?”“Met de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg ik, maar wie krijgt de zakken?” “Hm,” zeide mijn oom,“dat is eene moeilijke rechtsvraag, Voss! daaraan heb ik nog niet gedacht, en in ’t kontrakt staat niets daarvan; alsiku echter raden moet, behoud ze dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel:beati possidentes; dat beteekent: hebben is hebben!—Vriend Voss, nu heb ik u uit alles geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over die zaak met niemand hoegenaamd gesproken; verstaat gij!—met niemand hoegenaamd!—Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van geld aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan, Voss....” “En dan, mijnheer Herse?”—“Dan komt het surplus. Maar, Voss, de zaak blijft geheim!”De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit het rijtuig den ouden man toeknikte en de vinger op den mond legde.“Fieken,” zeide Hendrik, “mij is ’t niet gegeven, om geheimen te hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hem hoe ’t alles is.” “Doe dat,”zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoe ’t met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben, dat hij nog wat moest wachten.Met den ouden molenaar was ’t al heel wonderlijk gesteld. Heden morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig kind behoefde niet iedereen zoo maar te nemen; zij kon eene dame worden, zoo goed als iemand anders. Voor zijn hoofd was de overgang te schielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was; daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was, als het hoorde, en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden zou, niet recht en billijk was. “Maar” zeide hij dan weder bij zich zelven: “de baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven; en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik.”Was hij in rustige, gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te krijgen, zoo was ’t in dit oogenblik in ’t geheel niet mogelijk. Toen Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen, begon hij van het proces te spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij eengeruïneerdman was; velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde nu, dat hij ’t goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat wou hij wel gelooven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest “hei!” roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door iederen wijsneus beet nemen, en allerminst, door zoo’n jongen knaap, als Hendrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen!—Zulk eene taal was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was; ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen toon, dat de molenaar “ja!” of “neen!” zeggen moest, of hij hem zijne dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om, keek uit het venster en zeide: “neen!” Hendrik keerde zich ook om en ging de kamer uit, en een half uur later hield Frederik met het rijtuigvan Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij Hendrik riep, kwam die met Fieken juist in den tuin. Fieken zag er heel bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: “Hendrik, het woord, dat ik je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!” Hij knikte met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw, die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op den wagen en reed zachtjes weg.Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen, en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en vroeg: “Hendrik, waar rijdt gij heen?” “Naar Stemhagen.” “Blijft gij daar van nacht?” “Ja, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken.” “Dat moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is.” Hendrik beloofde, op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan.Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een’ vracht koren naar den molen reed en zeide: “Wel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met den avond ben ik weêr t’huis, dan praten we een beetje samen.”Wel ja! wel ja! ’t Was al lang avond, en de bakker was al lang t’huis; maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot zijne dochter: “Je zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen, want die heeft de tranen gauw bij de hand; maar, dat Fieken, bij al het schelden en bij al de dwaasheden van haren vader, stil haren gang gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs worden! Toen ik hem vroeg: “Wel Voss, wanneer kan ik het meel komen halen?” zeide hij: “Daar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien.” En toen ik zei, dat ik het meel toekomende week hoog noodig had, zeî hij, dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan, die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij ’t goedvond. “Wel, dat ’s toch gek,” zeide vrouw Strüwing.Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in de rede en vroeg: “Baas Witt, zoudt gij mij een genoegen willen doen?” “Waarom niet?” hernam de bakker. “Bij u komen veel menschen, en gij hebt ook plaats in uw’ stal; ik wou mijn paard en mijn’ wagen verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?” “Waarom niet?” vroeg Witt. “Maar Hendrik,” liet hij er na een poos op volgen, en ’t was hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaâr knoopte, waaraan hij het gesprek wilde voortzetten, “maar, Hendrik, dat heeft immers tijd.—De paarden—de paarden—zijn nu zoo goedkoop; waarom?—Wel, wat weet ik ’t! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is, dat de Fransoos ze hem ’s nachts niet uit den stal haalt; maar, de paarden,—ge zult zien,—zij worden duur,—want—ge zult zien:—in den tijd van een paar weken marcheert alles tegen den Fransoos.” “Dat heb ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden, baas Witt, maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. “Ja,” viel Frederik hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was; “ja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden zal veel gevraag zijn, als ’t aan den gang gaat, en naar de vrouwlui weinig en als ’t voorbij is en de helft der jongelieden doodgeschoten zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruid had geroken; die zeide tot mij: naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij.—Ik zei, dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag behoef ik mij niet te bedenken. Ik ben van de Pruisen gedeserteerd: maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas Witt, ik heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij hoort, dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn goed. En nu, adjuus! ’k moet van avond weer op den molen zijn.”Daarop vertrok hij.—Hendrik ging hem na. “Frederik, wat beteekent dit?” vroeg hij. “Wat dit beteekent?” hernam Frederik. “Dat zal ik u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijn Fieken lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, ’t komt er ook niet op aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een uil is, is voor den ander een nachtegaal.” “Frederik,” gaf Hendrik hem zacht ten antwoord, “spreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden, en ik ook.” “Wat, gij?” “Stil!—Ja, ik ook. Ik heb geene familie en ik sta alleen in de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en mijn paard en wagen verkoop ik.” “Hoera!” riep Frederik. “Geef mij de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je ’t al dadelijk den eersten morgen aan, dat er een soldaat in je stak.”—“Ja?” zeî Hendrik, “dat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het volbrengen?” “Broeder! als iemand wat slechts in den zin heeft, dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons de rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor ’t vaderland. Zie, ik kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar een deftigen man met een grijzen snorbaard en een litteeken op de rechterwang,—ge zult hem wel vinden—en meld u en mij bij hem aan: “Frederik Schult,” en ’k had al gediend, maar ge behoeft niet te zeggen, dat ik eens van ’t kinderwiegen gedeserteerd ben.En als ge ’t in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik.” “Dat zal gebeuren!” riep Hendrik. “En Frederik, groet jelui Fieken nog van mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden.” “Dat zal ik waarnemen, en nu goeden nacht!” “Goeden nacht!”—En toen Hendrik zoo bleef staan en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek, bij de apotheek, nog: “Dumouriez! Vervloekte patriotten!”Twintigste hoofdstuk.Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in ’t molenaarshuis bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen rijden en waarom Fieken hen volgt.De Franschen kwamen niet weder in onze streken; doch daarom werd het er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen hadden slechts pieken,—alleen de rektor Schäfer had door den smid Tröpner een hellebaard laten maken,—mijn oom Herse richtte een korps scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien, dat zóó’n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó’n tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Franschen zou dien geheelen troep uit elkaâr gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: ’t Is mogelijk, zeg ik; maar den geest zouden zenietverjaagd hebben; over enkele kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd niemand, zelfs Bonaparte niet.Op één en denzelfden dag klonk door geheel Nederduitschland, van denWeichseltot aan deElbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: “de Franschen komen!”—Men zegt thans, dat zulks opzettelijk werd gedaan, om te zien, wat Nederduitschland doen zou. Indien het waarheid is, dan hebben zij ’t te zien gekregen: Nederduitschland stond de proef door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat ééne Fransche regiment had lange beenen moeten hebben, zoo ’t overal te gelijk den storm had willen stillen.De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen; in Nieuw-Strelitz zouden de Franschen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen; in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, ’t was een verward huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kompagniën ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in ’t eerste stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem, bij ’t vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van ’t geweer in de korte ribben duwde, en dat kon hij niet verdragen. Mijn oom Herse was steeds in de paardenkoppels aan ’t exerceeren in ’t volle vuur, met deéén-en-twintigjachtgeweren, altijd allen te gelijk. Zijn hoofdkommando was: “roef! roef!”—dan moesten zij allen op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen; toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lukow werd doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow, de snijder, het gedaan had, maar ’t is niet bewezen geworden. Eindelijk waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow kommandeerde: “links zwenken!” kwamen zij ook werkelijk allen de Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit; en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij marcheerden één voor één achter elkaâr, zooals de ganzen in de gerst.Bij den Uilenberg werd halt gehouden; zij wachtten op hunnen kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen, en paardrijden kon hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen hij aankwam, werd hij met “Vivat!” door zijne troepen ontvangen; hij hield daarop eene aanspraak en zeide: “Kinderen! Soldaten zijn wij niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maar, dat komt er niet op aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. Wij willen slechts onzen plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien, dat wij op onzen post zijn. Doch ’t is erg, dat ik niets van de krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien, die daarin ervaren is.—Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan moet worden.—Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts, voor ’t vaderland!” “Hoera!” riep zijn volk, en voorwaarts ging het, den vijand te gemoet.De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurnsdorp en Kittendorp kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich aan. “Johan Heinz,” zeide mijn oom Herse tot zijn’ adjudant, “dit zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed te gebruiken, zooals wij ’t bij de kozakken gezien hebben, maar zij brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom goed op een hoop, en, als ’t er op losgaat, dan maar altijd “roef!””De kavalerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude inspektor Bräsig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden pistolen: zij schoten nu en dan, waarschijnlijk om de Franschen bang te maken, en zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen geen Franschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij: “Kinderen! mij dunkt, ’t is voor vandaag genoeg, en als wij nu omkeeren, komen wij nog met den dag thuis.”—De inval was goed; kapitein Grischow kommandeerde in dien geest en alles ging naar huis, uitgezonderd eene halve kompagnie pieken en twee jachtgeweren, die in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden.Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw en vroeg: “Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel eenbeetje in uw’ wagen leggen?” “Zeer gaarne, mijn vriend.” En nu kwamen de schoenmaker Deichert en de kleêrmaker Zutow, en nog velen kwamen, allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer de baljuw de poort te Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit als eene oorlogsmachine of een sikkelwagen uit den tijd der Perzen.De raadsheer Herse liet nog driemaal “roef, roef!” op de markt schieten, en iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen was verdrietig. “Johan Heinz!” sprak hij tot zijn adjudant: “daar kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den windmolen in brand steken?”Ging het in de wereld bont door elkander toe, zoo ging ’t op den Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den zolder neêrgelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en telkens als hij van den molen wegreed, zeide de molenaar: “Gode zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!” al naar dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij hem was geweest en hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan en had allemanspraats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien, en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk, met tranen in de oogen, hem vroeg: “Vader, wat scheelt u eigenlijk? Wat heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?” dan was ’t verschillend, wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren, en dat hij moest weten, wat hij te doen had.’t Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist, en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren, om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordeelige dagen, maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam op den hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór paschen kwam Itzig en haalde het laatste voer koren en de molenaar zeide bij ’t middageten tot zijne vrouw en Fieken: “Zie zoo! van hem zijn wij af; hij heeft zijn geld.”—Zijne vrouw en Fieken zwegen stil, en de molenaar vierde geen recht paaschfeest in zijn hart, want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en hij vroeg ook naar Frederik, en toen die kwam, zeide hij tot hem, dat hij ook bij den baljuw moest komen. “Als ’k wil,” antwoordde Frederik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den baljuw kwam hem in de gedachte: “dat zal ik niet vergeten, wat ge gedaan hebt.”—“Als gij niet komt,” zeide de veldwachter, “dan is dat voor uwe eigene verantwoording.”—“Die heeren denken altijd,” hernam Frederik, lachende, “dat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want mijn tijd bij den molenaar is om.”—“Je zult je wel bedenken!” bromde de molenaar; “tot Sint-Jan heb ik je gehuurd.”Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Geen van beiden sprak een woord. Toen zij op de markt kwamen, wilde Frederik naar bakker Witt heendraaien.—“Halt,” riep de molenaar, “daar wil ik niet heen; ik rijd bij Guhl aan.”—“Wel, baas,” zeide Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp, “rijd er dan zelf naar toe, want ik ga bij Witt.” En dit zeggende, ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet hebben, zelfs, hoewel ’t Frederik was; heden zeide hij niets: hij was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor de deur, stapte af zonder binnen te treden en ging naar het huis van den raadsheer aan den overkant.Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof af, toen Fieken, in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de kachel zat te schreien. “Moeder,” sprak zij, “ik kan ’t niet helpen, ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal, ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is....”—“Hij heeft het in zijn onverstand gedaan!” riep de molenaarsvrouw haar toe. “En daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden, of zijne vrouw, of iemand anders,—ik weet het ook nog niet,—de goede God zal mij immers wel den weg wijzen en de woorden ingeven.” “Ga, mijn Fieken,” sprak hare moeder.Fieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van Witt; zij vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de kamer in; daar zat Frederik en sprak met een soldaat, die een rood buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Frederik sprong op: “Dumouriez! Fieken, waar komt gijvandaan?”—De soldaat sprong ook op. Lieve hemel! Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar Hendrik?—Ja, hij was ’t, hij legde zijn arm om haar heen en zeide: “Fieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?”—O, zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: “Hendrik, Hendrik; jij onder de soldaten?” “Nu,” riep Frederik haar toe; “Fieken, gij houdt u goed! Waar hoort eene flinke kerel tegenwoordig anders, dan onder de soldaten?” Fieken luisterde niet naar ’t geen hij sprak, zij had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij de woorden: “Ach, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! Wat is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?”“Fieken,” zeide Hendrik, “om mijnent wille behoeft hij zich geene verwijtingen te doen, en indien ik in ’t eerst ook maar weg wilde,—’t was mij ’t zelfde waarheen of waartoe;—nu is dat anders, nu weet ik eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek; nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat eenkamerraad>kameraadzijn kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor ’t vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar, als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet nemen; ik moet meê; maar je hart neem ik met mij.” “Zoo spreekt een kerel!” riep Frederik uit. “Goed, Hendrik!” zeide Fieken, “je hebt gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer zoeken; het ongeluk hangt ons boven ’t hoofd, en wie weet, hoe kort de molen ons nog huisvesting geven zal.” “Och, kom Fieken!” zeide Frederik; “je vader heeft zich zelf onaangenaamheden berokkend; hij is, tot aan den hals toe, in ’t water gegaan, maar daarom is ’t nog niet noodig, dat de golven hem over ’t hoofd klotsen; hij heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken.” “Wie kan hem helpen?” zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in haren schoot zinken. Niemand weet wat hij zich in het hoofd gezet heeft.” “O,” hernam Frederik, “Hendrik weet erwatvan, hij heeft er van morgen zoo wat van hooren praten; en laat hij u dat maar eens vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw.”
Achttiende hoofdstuk.Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet.Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude heeren: de raadsheer, de bakker en de molenaar en, als tot sieraad, ook mijnheer de kamerdienaar; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth op den voorsten zak, en op den anderen zak Hendrik en Fieken, terwijl Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen.Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te spreken. “Zie zoo!” zeide hij: “uit die val zijn wij gelukkig ontkomen.” “Ja wel, raadsheer,” antwoordde de oude bakker Witt, “en dat hebben we toch aan onzen baljuw en aan onzen burgemeester, maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken. “Al naar dat men het aanziet, baas Witt,” hernam oom. “Ik, voor mijn persoon, heb niets tegen die drie, en dat de “chasseur” terecht gekomen is, heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor de deur heeft gesproken?” “Ja, mijnheer.” “Nu, laat mij u dan zeggen, indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig gehad, dan zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze weggebracht hebben.” “Dat mag de drommel weten!” riep de oude bakker, en keek den raadsheer zoo’n beetje van ter zijde aan.—Mijn oom zeide niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker behoorlijk wilde laten werken.—Dit mislukte echter; het hoofd van den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadsheers woorden er eenvoudig maar langs druppelden; hij zeide niets.—“Baas Witt,” hernam de raadsheer, na een poosje, “’k wou dat ik in Stemhagen was.”—Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide dus: “Dat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden.” “Zoo meen ik het niet,” sprak mijnheer de raadsheer, “ik meen wegens onze ontvangst.” Nu liep de pint bij den bakker weêr over. “Hoe zoo?” vroeg hij. “Ik meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort.” Nu druipt het uit de maat tappelings op den grond. “Ontvangst?—Eerepoort?—Hoe zoo?—Komt onze hertog dan?”—“Baas Witt,diekomt niet; maarwijkomen.”—Doch nu was ’t bij den ouden Witt juist alsof iemand hem, terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles door elkaâr draaide. Dit was een geluk, want nu kon de uitlegging van den raadsheer eene plaats krijgen. “Baas Witt, ik zeg: wij komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijkonzestad is, niet even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een hertog? Maar, wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die denken er niet aan!—Of zoudt ge meenen, de oude rector, omdat hij eens zoo’n ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook naar! Of de oude Metz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden, baas Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van den toren blazen kan hij; verder niets.—Ja, alsiker was!”—“Maar, mijnheer Herse,” zeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens bedaard werd, “in dit jaargetijde! Waar moeten ze bloemen en groen vandaan halen?”—“Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe heeft de stad Stemhagen dan de denneboompjes in het stadsbosch doen zetten?”—”’t Is waar,” sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel en al vol. “Wat zegt gij, molenaar Voss?” vroeg de raadsheer.—“Ikzeg volstrekt niets, mijnheer de raadsheer,” zeide de molenaar, terwijl hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er een toegetrokken tabakszak over zijn’ schouder keek; “ik zeg volstrekt niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bramborg heenreed, was ik niet best te moede; en vandaag, nu ik weêr van Bramborg terugrijd, heb ik weêr maagpijn in mijn hoofd.”—“Hoe dat zoo?” vroeg mijn oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met Itzig.—“Hm,” zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af, zijn aangezicht langs, tot aan de kin; verder kwam de hand niet, daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte naar beneden, de mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar ’t was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet heen.Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar hij had een zacht gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart; hij moest een goed werk tot stand brengen. “Baas Witt,” sprak hij, “ga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier komen; ik heb wat met hem te praten.”Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak zeer zacht met den molenaar. “Molenaar Voss,” zeide mijn oom, “ik help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een geheim, waar niemand verder meê te maken heeft; maar, wat moois is ’t niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor u blijven, en morgen kom ik buiten bij u, en zie al uwe papieren na en neem de zaak in handen, want, ziet gij”—en, dit zeggende haalde hij het cachet van zijn horlogeketting te voorschijn,—“ik ben er toe gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche letters verkeerd lezen?”—De oude molenaar antwoordde, dat hij ze noch recht, noch verkeerd lezen kon.—“Nu, het komt er ook niet op aan. Hier staat:Not. Pub. Im. Caes.dat beteekent, ik benNotarius publicus, enIm. Caes.beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden baljuw. De zaak blijft geheim.”—Dat beloofde de molenaar dan ook.Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht, juist zooals op den eersten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den achtersten, waar Fieken en Hendrik op zaten, zeer zacht; en ik behoef niet te vertellen, wat zij met elkaâr spraken; want, Frederik lag immers achter in ’t afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde woord voor woord; en die zal er wel ter goeder ure meê voor den dag komen.Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann, die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep: “Zij komen, zij komen!” Hij had op den molenberg al twee uren op post gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem gescheld en was op ’t laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan.“Zij komen!” riep de bengel.—“Is ’t waar, jongen?” vroeg de oude Rickert, die klokluider was.—“Ja, vader Rickert, ze zijn al op de weide.”—En de oude Rickert zeide bij zich zelven: “Dan is ’t niet anders, dan moet ik er het mijne aan doen!”—Hij ging naar den toren en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon, trok hij aan de brandklok. Nu kwam alles op de been, en de deuren uitloopen. “Zij komen!—Zij komen!”—“Wie komt?”—“De raadsheer Herse, en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!”—“Hoera!” riep Bank, de schoenmaker en zwaaide zijn’ arm in de lucht, maar hij had vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had.—“Hoera!” riepTröpner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op. “Maar, kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!” en hij stiet de vrouw van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist bij mamsel Westphalen gehaald had.—“Oera!” riep mijnheer Droi, die met de berenmuts op de straat kwam, maar anders “in negligé,” en achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuwden: “Vive l’empereur!” toen juist de raadsheer, op den eersten wagen, door den volkshoop kwam aanrijden.Hij zat echter op zijn’ zak, en hield de geheele straat langs, de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: “Voss, dit doet mij de eerepoort vergeten.”—En de oude molenaar keek den raadsheer aan, om te zien, hoediehet deed, en toen deed hij ’t ook zoo, en hij antwoordde mijn’ oom: “Ja, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan Itzig.”—De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen, waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmenschelijke wijze; en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den wagen af: “Goeden dag, oude!—Goeden dag, Bank; hoe maakt het je bochel?—Goeden dag, Johan!—Goeden dag, Strüwing!—Wel?—Alles wel?—Hoe is ’t met de varkens?”Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in ’t hart van oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven overstroomde en het water hem tot in de oogen spatte. “Tante,” zeide hij, half overluid;—“tante!”—want hij noemt zijne eigene vrouw altijd “tante,” en zij noemt hem daarom “oom,”—“tante, ik kan uwen wenk niet opvolgen, want deze beide dagen hebben met mij als openbaar persoon en niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden.—Bakker Witt,” riep hij, en daarbij drukte hij zijn’ driekanten hoed dieper in de oogen; “naar ’t raadhuis!” De raadsheer had over den huisvader en oom de zege behaald.Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis! Alles, wat in keuken en kelder voor de Franschen verborgen was geworden, werd voor den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van hetslot. Marieken Wienk dekte eene lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken, om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die nog niet genoegzaam hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt.—Mamsel Westphalen stond aan de hoekkast en perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit allerlei flesschen van alles opgegoten, en de theeketel ging steeds van de keuken naar de kamer, en uit de kamer naar de keuken, en mijnheer de baljuw stond daarbij en was altijd aan ’t proeven, en schudde het hoofd en goot er dan ook wel eens wat bij en ten laatste knikte hij en zeide: “Mamsel Westphalen, zóó is ’t goed!” En hij keert zich om en zegt tot mijne moeder: “Kindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn zin eens laten: de punch geef ik.” Mijn vader was met den kurketrekker aan ’t werk, en Luth zorgde voor ’t schenken, en de kamerdienaar stond bij de kachel en schudde bij al die toebereidselen altijd met het hoofd en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren schoot.—Ja, ’t was een schoone avond. Frederik stond aan de deur, paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem en verroerde en bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk, of als hij even naar buiten ging en op de gang zijn’ neus snoot. En Fieken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg: “Zult ge ook zooveel van mij houden?”—Mijnheer de baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak met hem in ’t geheim.—Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Voss in ’t geheim te spreken?—De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte zich zelven ook af, en toen hij begreep, dat het over ’t proces was, zeide hij tot Witt: “Zoo! met het princes heb ik het nu in orde; nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal ’k van avond in de punch soppen.” “Daar brengt ge mij op een denkbeeld, Voss,” zegt de bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. “Met uwe permissie, mijnheer de burgemeester, ’k woû graag mijn deel aan het traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier, mevrouw, is mijne dochter; neem ’t mij niet kwalijk, zij had zoo’n grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen.”Maar, wat beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn’ oom Herse te beurt viel. Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in volle uniform, en allen stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn’ mantel beveiligd had; mijne moeder, omdat hij daardoor mijn’ vader had helpen ontvluchten; mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide, dat zij ’t nooit zou vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren; en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch, rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen; hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: “Ik weet waarlijk niet, waar mijne goede tante blijft.”—Bij de woorden van den molenaar kwam hem in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt zich tot den baljuw en zegt: “Mijnheer de baljuw, ik heb met u een paar woorden onder vier oogen te spreken in eene bijzonder geheime aangelegenheid.” En daarop trok hij den baljuw in een’ hoek.—Wij, mijne lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die hoek praten kon, en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde, dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en de tegenwoordige rijke Jozef Casper, die toen een kleine jodenjongen was. En tante Herse had een’ krans van groene laurierbladen in de hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte; en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem meê. Tante ging naar oom toe, en gaf hem een kus en plaatste hem den krans op het hoofd, zoodat de roode linten langs zijn’ rug hingen, en zij sprak eenige zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker Witt viel te vroeg met zijn: “hoerah!” in, en de molenaar met zijn: “vivat, de raadsheer leve!” En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen.Ja, ’t was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in de gedachte, want juist zóó stond de lauwerkrans, behalve dat mijn oom heel wat vriendelijker en voller in ’t aangezicht was, dan die stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van bakker Witt, en ik prijs ze ook nu nog; men kon er zeer veel van eten en kreeg er nooit maagpijn van.
Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet.
Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet.
Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude heeren: de raadsheer, de bakker en de molenaar en, als tot sieraad, ook mijnheer de kamerdienaar; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth op den voorsten zak, en op den anderen zak Hendrik en Fieken, terwijl Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen.
Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te spreken. “Zie zoo!” zeide hij: “uit die val zijn wij gelukkig ontkomen.” “Ja wel, raadsheer,” antwoordde de oude bakker Witt, “en dat hebben we toch aan onzen baljuw en aan onzen burgemeester, maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken. “Al naar dat men het aanziet, baas Witt,” hernam oom. “Ik, voor mijn persoon, heb niets tegen die drie, en dat de “chasseur” terecht gekomen is, heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor de deur heeft gesproken?” “Ja, mijnheer.” “Nu, laat mij u dan zeggen, indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig gehad, dan zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze weggebracht hebben.” “Dat mag de drommel weten!” riep de oude bakker, en keek den raadsheer zoo’n beetje van ter zijde aan.—Mijn oom zeide niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker behoorlijk wilde laten werken.—Dit mislukte echter; het hoofd van den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadsheers woorden er eenvoudig maar langs druppelden; hij zeide niets.—“Baas Witt,” hernam de raadsheer, na een poosje, “’k wou dat ik in Stemhagen was.”—Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide dus: “Dat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden.” “Zoo meen ik het niet,” sprak mijnheer de raadsheer, “ik meen wegens onze ontvangst.” Nu liep de pint bij den bakker weêr over. “Hoe zoo?” vroeg hij. “Ik meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort.” Nu druipt het uit de maat tappelings op den grond. “Ontvangst?—Eerepoort?—Hoe zoo?—Komt onze hertog dan?”—“Baas Witt,diekomt niet; maarwijkomen.”—Doch nu was ’t bij den ouden Witt juist alsof iemand hem, terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles door elkaâr draaide. Dit was een geluk, want nu kon de uitlegging van den raadsheer eene plaats krijgen. “Baas Witt, ik zeg: wij komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijkonzestad is, niet even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een hertog? Maar, wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die denken er niet aan!—Of zoudt ge meenen, de oude rector, omdat hij eens zoo’n ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook naar! Of de oude Metz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden, baas Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van den toren blazen kan hij; verder niets.—Ja, alsiker was!”—“Maar, mijnheer Herse,” zeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens bedaard werd, “in dit jaargetijde! Waar moeten ze bloemen en groen vandaan halen?”—“Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe heeft de stad Stemhagen dan de denneboompjes in het stadsbosch doen zetten?”—”’t Is waar,” sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel en al vol. “Wat zegt gij, molenaar Voss?” vroeg de raadsheer.—“Ikzeg volstrekt niets, mijnheer de raadsheer,” zeide de molenaar, terwijl hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er een toegetrokken tabakszak over zijn’ schouder keek; “ik zeg volstrekt niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bramborg heenreed, was ik niet best te moede; en vandaag, nu ik weêr van Bramborg terugrijd, heb ik weêr maagpijn in mijn hoofd.”—“Hoe dat zoo?” vroeg mijn oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met Itzig.—“Hm,” zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af, zijn aangezicht langs, tot aan de kin; verder kwam de hand niet, daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte naar beneden, de mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar ’t was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet heen.
Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar hij had een zacht gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart; hij moest een goed werk tot stand brengen. “Baas Witt,” sprak hij, “ga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier komen; ik heb wat met hem te praten.”
Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak zeer zacht met den molenaar. “Molenaar Voss,” zeide mijn oom, “ik help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een geheim, waar niemand verder meê te maken heeft; maar, wat moois is ’t niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor u blijven, en morgen kom ik buiten bij u, en zie al uwe papieren na en neem de zaak in handen, want, ziet gij”—en, dit zeggende haalde hij het cachet van zijn horlogeketting te voorschijn,—“ik ben er toe gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche letters verkeerd lezen?”—De oude molenaar antwoordde, dat hij ze noch recht, noch verkeerd lezen kon.—“Nu, het komt er ook niet op aan. Hier staat:Not. Pub. Im. Caes.dat beteekent, ik benNotarius publicus, enIm. Caes.beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden baljuw. De zaak blijft geheim.”—Dat beloofde de molenaar dan ook.
Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht, juist zooals op den eersten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den achtersten, waar Fieken en Hendrik op zaten, zeer zacht; en ik behoef niet te vertellen, wat zij met elkaâr spraken; want, Frederik lag immers achter in ’t afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde woord voor woord; en die zal er wel ter goeder ure meê voor den dag komen.
Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann, die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep: “Zij komen, zij komen!” Hij had op den molenberg al twee uren op post gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem gescheld en was op ’t laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan.
“Zij komen!” riep de bengel.—“Is ’t waar, jongen?” vroeg de oude Rickert, die klokluider was.—“Ja, vader Rickert, ze zijn al op de weide.”—En de oude Rickert zeide bij zich zelven: “Dan is ’t niet anders, dan moet ik er het mijne aan doen!”—Hij ging naar den toren en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon, trok hij aan de brandklok. Nu kwam alles op de been, en de deuren uitloopen. “Zij komen!—Zij komen!”—“Wie komt?”—“De raadsheer Herse, en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!”—“Hoera!” riep Bank, de schoenmaker en zwaaide zijn’ arm in de lucht, maar hij had vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had.—“Hoera!” riepTröpner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op. “Maar, kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!” en hij stiet de vrouw van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist bij mamsel Westphalen gehaald had.—“Oera!” riep mijnheer Droi, die met de berenmuts op de straat kwam, maar anders “in negligé,” en achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuwden: “Vive l’empereur!” toen juist de raadsheer, op den eersten wagen, door den volkshoop kwam aanrijden.
Hij zat echter op zijn’ zak, en hield de geheele straat langs, de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: “Voss, dit doet mij de eerepoort vergeten.”—En de oude molenaar keek den raadsheer aan, om te zien, hoediehet deed, en toen deed hij ’t ook zoo, en hij antwoordde mijn’ oom: “Ja, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan Itzig.”—De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen, waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmenschelijke wijze; en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den wagen af: “Goeden dag, oude!—Goeden dag, Bank; hoe maakt het je bochel?—Goeden dag, Johan!—Goeden dag, Strüwing!—Wel?—Alles wel?—Hoe is ’t met de varkens?”
Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in ’t hart van oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven overstroomde en het water hem tot in de oogen spatte. “Tante,” zeide hij, half overluid;—“tante!”—want hij noemt zijne eigene vrouw altijd “tante,” en zij noemt hem daarom “oom,”—“tante, ik kan uwen wenk niet opvolgen, want deze beide dagen hebben met mij als openbaar persoon en niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden.—Bakker Witt,” riep hij, en daarbij drukte hij zijn’ driekanten hoed dieper in de oogen; “naar ’t raadhuis!” De raadsheer had over den huisvader en oom de zege behaald.
Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis! Alles, wat in keuken en kelder voor de Franschen verborgen was geworden, werd voor den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van hetslot. Marieken Wienk dekte eene lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken, om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die nog niet genoegzaam hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt.—Mamsel Westphalen stond aan de hoekkast en perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit allerlei flesschen van alles opgegoten, en de theeketel ging steeds van de keuken naar de kamer, en uit de kamer naar de keuken, en mijnheer de baljuw stond daarbij en was altijd aan ’t proeven, en schudde het hoofd en goot er dan ook wel eens wat bij en ten laatste knikte hij en zeide: “Mamsel Westphalen, zóó is ’t goed!” En hij keert zich om en zegt tot mijne moeder: “Kindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn zin eens laten: de punch geef ik.” Mijn vader was met den kurketrekker aan ’t werk, en Luth zorgde voor ’t schenken, en de kamerdienaar stond bij de kachel en schudde bij al die toebereidselen altijd met het hoofd en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren schoot.—Ja, ’t was een schoone avond. Frederik stond aan de deur, paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem en verroerde en bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk, of als hij even naar buiten ging en op de gang zijn’ neus snoot. En Fieken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg: “Zult ge ook zooveel van mij houden?”—Mijnheer de baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak met hem in ’t geheim.—Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Voss in ’t geheim te spreken?—De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte zich zelven ook af, en toen hij begreep, dat het over ’t proces was, zeide hij tot Witt: “Zoo! met het princes heb ik het nu in orde; nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal ’k van avond in de punch soppen.” “Daar brengt ge mij op een denkbeeld, Voss,” zegt de bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. “Met uwe permissie, mijnheer de burgemeester, ’k woû graag mijn deel aan het traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier, mevrouw, is mijne dochter; neem ’t mij niet kwalijk, zij had zoo’n grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen.”
Maar, wat beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn’ oom Herse te beurt viel. Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in volle uniform, en allen stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn’ mantel beveiligd had; mijne moeder, omdat hij daardoor mijn’ vader had helpen ontvluchten; mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide, dat zij ’t nooit zou vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren; en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch, rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen; hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: “Ik weet waarlijk niet, waar mijne goede tante blijft.”—Bij de woorden van den molenaar kwam hem in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt zich tot den baljuw en zegt: “Mijnheer de baljuw, ik heb met u een paar woorden onder vier oogen te spreken in eene bijzonder geheime aangelegenheid.” En daarop trok hij den baljuw in een’ hoek.—Wij, mijne lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die hoek praten kon, en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde, dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en de tegenwoordige rijke Jozef Casper, die toen een kleine jodenjongen was. En tante Herse had een’ krans van groene laurierbladen in de hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte; en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem meê. Tante ging naar oom toe, en gaf hem een kus en plaatste hem den krans op het hoofd, zoodat de roode linten langs zijn’ rug hingen, en zij sprak eenige zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker Witt viel te vroeg met zijn: “hoerah!” in, en de molenaar met zijn: “vivat, de raadsheer leve!” En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen.
Ja, ’t was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in de gedachte, want juist zóó stond de lauwerkrans, behalve dat mijn oom heel wat vriendelijker en voller in ’t aangezicht was, dan die stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van bakker Witt, en ik prijs ze ook nu nog; men kon er zeer veel van eten en kreeg er nooit maagpijn van.
Negentiende hoofdstuk.Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en, waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop worden.Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen uit het bed was gekropen, zat hij weder met het hoofd in de hand, en keek mijmerend in zijne laars. “Moeder,” vroeg hij eindelijk, “heb ik gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?” “Och, kom, vader!” antwoordde zijne vrouw: “ge hebt hem immers gedurig omhelsd en hem “je lieve zoon” genoemd, en Frederik hebt ge veel geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudtwezen, en dat zou niet heel lang meer duren.” “Moeder, dan heb ik al heel gekke praat gepraat.”—“Dat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou je dat niet bekennen.” “De hemel zal me bewaren!” riep de molenaar, “ik kom, geloof ik, nooit van mijne dwaasheden af!”Frederik kwam binnen. “Goeden morgen, baas; goeden morgen, vrouw! Ik kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak nagedacht heb; ik wil het geld, dat gij mij gisteren avond hebt beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het noodig zal hebben.”—“Hm!” roept de oude molenaar, op zijn’ stoel heen en weêr schuivende. “Ja,” zeide Frederik;“maar ik had nog een ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken, ofschoon het buitenstijds is?” “Waarom? Wat ben je van plan?” “Ik wou gaan trouwen!” “Wat, jij, trouwen?” “Ja, baas; ik wou gaan trouwen met Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient; en als Hendrik Voss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht, konden wij wel op éénen dag bruiloft houden.”—Dit was den ouden molenaar dan toch al te kras. “Jou, bedelaar...” riep hij opspringende en greep naar de ééne laars. “Bedaar, baas!” zeide Frederik, zich hoog oprichtende; “die uitdrukking past niet op mij, en past niet voor u. Hoe ’t met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe ’t metHendriken onsFiekengesteld is, weet ik sedert gisteren middag; ik lag achter hen in den wagen en ’k heb alles aangehoord.”—“Vader,” riep de molenaarsvrouw, “dat zou nog zoo kwaad niet wezen!” “Daar heb jij geen verstand van!” riep de oude man en liep vreeselijk driftig door de kamer. “Nu, baas,” zeide Frederik, de deur uitgaande, “overleg de zaak maar eens; mijn schoonvader loopt ook sedert eergisterenavond rond, om te overleggen.” “Je kunt je getuigschrift krijgen,” riep de molenaar hem achterna, “maar eerst tegen St. Jan.”Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht, dat Hendrik en zijn Fieken voor elkander wel geschikt waren; hij zelf had hem gisteren “zijn lieven zoon” genoemd,—maar, dat was ’t juist! Gisterenavond had depunchhem tot een’ rijk man gemaakt, envandaagkeek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig uitstel van executie. “Vader,” sprak de molenaarsvrouw, “’t is het beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen.” “Moeder,” hernam de oude man, en ’t was een geluk, dat hij nog geene laarzen aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestamptvoet hebben; “ik zeg je, dat jij daar geen verstand van hebt!—Wat?—’k Zou den zoon van Jochem Voss, die met mij in princes ligt, en die met een’ grooten zak geld in ’t land rondreist, mijn kind geven,—mijn beste, liefste kind!—en ’k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meêgeven kan ik haar niets, want ik ben een bedelaar!—Neen, moeder, neen! ’k Zou de vodden moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken, voor ’t altaar zou staan!—Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden doen wezen!”Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor iemand, zoodat hij ’t maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopen tijden gesmeed, zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den molenaar was zijn proces, en ook wel zijnslechtebeheer in vroegere tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn leven lang het eind der ketenen door de wereld meêslepen, gelijk een weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet.’t Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek iedereen, en was geheel alleen aan ’t werk, in den molen en in den stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele jaren verzuimd had. Endelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam aan, doch heden in burgerkleeding. “Goeden dag, Voss!” riep hij hem toe. “Nu, onze zaak is in orde!”—Maar de oude molenaar was heden niet lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: “Ja, als ’t maar waar was, mijnheer Herse.”—“Als ik het zeg, vriend Voss,” hernam de raadsheer en haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar in de kamer, “dan moet gij ’t gelooven, want ik ben van daag hier alsnotarius publicus.”—“Moeder,” zeide de molenaar, laat ons alleen, en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan.” Dat was nu juist niet noodig, want het was klaarlichte dag; maar de oude man had gezien, dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had branden, en hij wilde ’t ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was, daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar ’t kwam hem toch zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beter inzicht in de dingen had; en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen er bij.Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse, tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: “Wat zegt ge nu, kameraad?”—De molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van “hm” en “nu ja!” en “maar” en krabt zijn hoofd.—“Vrind Voss,” zeide mijn oom, die knorrig werd, “wat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder,—kijk maar, hier!—een gierststengel, omdat ik “Herse” heet; ’k had er ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in ’t Fransch “herse” beteekent; maar ’k ben niet voor de Fransozen,—en hier, er om heen, staat mijne authorisatie:not: pub: im: caes:en hier staat de onderteekening van den jood:Itzig; en wat geschreven is, is geschreven.” “Dat zegt mijnheer de baljuw ook,” zeide de molenaar en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: “wat geschreven is, is geschreven.” “Watdiezegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss,ikben er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften metmijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen uit alle verlegenheid.” “Ja, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar watdan?”—Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. “Hm!Wat dan?—Ja!—Nu!—Nu, vriend Voss,”—en zijn goedhartig aangezicht zette zijne geheele ambtsdeftigheid vannotarius publicuster zijde en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den ouden molenaar en de gansche wereld vriendelijk aan,—“nu, vriend Voss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde brengen. Maar, daartoe is ’t noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden vertelt en al uwe papieren toont.” Dat zag de molenaar dan ook in en hij vertelde en vertelde, zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden; mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las alles met geduld, maar niet met voordeel voor zijne plannen. “Vriend Voss!” vroeg hij eindelijk, “is dat alles?” “Ja, mijnheer,” sprak de molenaar, en liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland, als de nachtvorst er over heengegaan is, “en dit is nog mijn kontrakt met het Stemhager rechtsgebied.”—Mijn oom nam het kontrakt, las het zoo ter loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel; maar, eensklaps sprong hij op, uitroepende: “Wat is dat? Daar zijn we meê geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een millionnair! ’t Gansche Stemhager gebied moet de rechten op ’t gemaal betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf vier, en wat zegt paragraaf vijf: “voor elk schepel, dat de molenaar maalt, kan gij wettelijkeen schepelals maalloon eischen.”—“Een maat, mijnheer Herse!” riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong, “van elk schepel eenemaat!”—“Neen!Een schepel!—Hier staat: voor iederschepeleenschepelals maalloon; en wat geschreven is, is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel onder gezet.” “Mijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait: dat is toch maar eene vergissing.” “Vergist is ook verspeeld, en wat geschreven is, is geschreven: dat heeft de oude baljuw u immers zelf gezegd. “Dat heeft hij, mijnheer,” zeide de molenaar, “ja, dat heeft hij; daar kan ik op zweren.”Thans opende zich voor den molenaar een uitzicht op verlossing uit de handen der joden, en een uitzicht op vele, vele schepels koren, en op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de rechten op ’t gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. “Mijnheer,”riep hij,“dat zal helpen!—Maar... maar...” “Voss,” zeide mijn oom knorrig, “wat hebt ge nu weêr voor bezwaren! Die zaak is klaar en duidelijk.”—“Ja, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan met de zakken gaan?”“Met de zakken? Met wat voor zakken?”“Met de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg ik, maar wie krijgt de zakken?” “Hm,” zeide mijn oom,“dat is eene moeilijke rechtsvraag, Voss! daaraan heb ik nog niet gedacht, en in ’t kontrakt staat niets daarvan; alsiku echter raden moet, behoud ze dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel:beati possidentes; dat beteekent: hebben is hebben!—Vriend Voss, nu heb ik u uit alles geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over die zaak met niemand hoegenaamd gesproken; verstaat gij!—met niemand hoegenaamd!—Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van geld aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan, Voss....” “En dan, mijnheer Herse?”—“Dan komt het surplus. Maar, Voss, de zaak blijft geheim!”De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit het rijtuig den ouden man toeknikte en de vinger op den mond legde.“Fieken,” zeide Hendrik, “mij is ’t niet gegeven, om geheimen te hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hem hoe ’t alles is.” “Doe dat,”zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoe ’t met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben, dat hij nog wat moest wachten.Met den ouden molenaar was ’t al heel wonderlijk gesteld. Heden morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig kind behoefde niet iedereen zoo maar te nemen; zij kon eene dame worden, zoo goed als iemand anders. Voor zijn hoofd was de overgang te schielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was; daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was, als het hoorde, en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden zou, niet recht en billijk was. “Maar” zeide hij dan weder bij zich zelven: “de baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven; en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik.”Was hij in rustige, gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te krijgen, zoo was ’t in dit oogenblik in ’t geheel niet mogelijk. Toen Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen, begon hij van het proces te spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij eengeruïneerdman was; velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde nu, dat hij ’t goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat wou hij wel gelooven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest “hei!” roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door iederen wijsneus beet nemen, en allerminst, door zoo’n jongen knaap, als Hendrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen!—Zulk eene taal was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was; ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen toon, dat de molenaar “ja!” of “neen!” zeggen moest, of hij hem zijne dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om, keek uit het venster en zeide: “neen!” Hendrik keerde zich ook om en ging de kamer uit, en een half uur later hield Frederik met het rijtuigvan Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij Hendrik riep, kwam die met Fieken juist in den tuin. Fieken zag er heel bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: “Hendrik, het woord, dat ik je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!” Hij knikte met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw, die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op den wagen en reed zachtjes weg.Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen, en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en vroeg: “Hendrik, waar rijdt gij heen?” “Naar Stemhagen.” “Blijft gij daar van nacht?” “Ja, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken.” “Dat moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is.” Hendrik beloofde, op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan.Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een’ vracht koren naar den molen reed en zeide: “Wel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met den avond ben ik weêr t’huis, dan praten we een beetje samen.”Wel ja! wel ja! ’t Was al lang avond, en de bakker was al lang t’huis; maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot zijne dochter: “Je zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen, want die heeft de tranen gauw bij de hand; maar, dat Fieken, bij al het schelden en bij al de dwaasheden van haren vader, stil haren gang gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs worden! Toen ik hem vroeg: “Wel Voss, wanneer kan ik het meel komen halen?” zeide hij: “Daar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien.” En toen ik zei, dat ik het meel toekomende week hoog noodig had, zeî hij, dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan, die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij ’t goedvond. “Wel, dat ’s toch gek,” zeide vrouw Strüwing.Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in de rede en vroeg: “Baas Witt, zoudt gij mij een genoegen willen doen?” “Waarom niet?” hernam de bakker. “Bij u komen veel menschen, en gij hebt ook plaats in uw’ stal; ik wou mijn paard en mijn’ wagen verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?” “Waarom niet?” vroeg Witt. “Maar Hendrik,” liet hij er na een poos op volgen, en ’t was hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaâr knoopte, waaraan hij het gesprek wilde voortzetten, “maar, Hendrik, dat heeft immers tijd.—De paarden—de paarden—zijn nu zoo goedkoop; waarom?—Wel, wat weet ik ’t! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is, dat de Fransoos ze hem ’s nachts niet uit den stal haalt; maar, de paarden,—ge zult zien,—zij worden duur,—want—ge zult zien:—in den tijd van een paar weken marcheert alles tegen den Fransoos.” “Dat heb ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden, baas Witt, maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. “Ja,” viel Frederik hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was; “ja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden zal veel gevraag zijn, als ’t aan den gang gaat, en naar de vrouwlui weinig en als ’t voorbij is en de helft der jongelieden doodgeschoten zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruid had geroken; die zeide tot mij: naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij.—Ik zei, dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag behoef ik mij niet te bedenken. Ik ben van de Pruisen gedeserteerd: maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas Witt, ik heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij hoort, dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn goed. En nu, adjuus! ’k moet van avond weer op den molen zijn.”Daarop vertrok hij.—Hendrik ging hem na. “Frederik, wat beteekent dit?” vroeg hij. “Wat dit beteekent?” hernam Frederik. “Dat zal ik u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijn Fieken lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, ’t komt er ook niet op aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een uil is, is voor den ander een nachtegaal.” “Frederik,” gaf Hendrik hem zacht ten antwoord, “spreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden, en ik ook.” “Wat, gij?” “Stil!—Ja, ik ook. Ik heb geene familie en ik sta alleen in de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en mijn paard en wagen verkoop ik.” “Hoera!” riep Frederik. “Geef mij de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je ’t al dadelijk den eersten morgen aan, dat er een soldaat in je stak.”—“Ja?” zeî Hendrik, “dat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het volbrengen?” “Broeder! als iemand wat slechts in den zin heeft, dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons de rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor ’t vaderland. Zie, ik kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar een deftigen man met een grijzen snorbaard en een litteeken op de rechterwang,—ge zult hem wel vinden—en meld u en mij bij hem aan: “Frederik Schult,” en ’k had al gediend, maar ge behoeft niet te zeggen, dat ik eens van ’t kinderwiegen gedeserteerd ben.En als ge ’t in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik.” “Dat zal gebeuren!” riep Hendrik. “En Frederik, groet jelui Fieken nog van mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden.” “Dat zal ik waarnemen, en nu goeden nacht!” “Goeden nacht!”—En toen Hendrik zoo bleef staan en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek, bij de apotheek, nog: “Dumouriez! Vervloekte patriotten!”
Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en, waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop worden.
Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en, waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop worden.
Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen uit het bed was gekropen, zat hij weder met het hoofd in de hand, en keek mijmerend in zijne laars. “Moeder,” vroeg hij eindelijk, “heb ik gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?” “Och, kom, vader!” antwoordde zijne vrouw: “ge hebt hem immers gedurig omhelsd en hem “je lieve zoon” genoemd, en Frederik hebt ge veel geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudtwezen, en dat zou niet heel lang meer duren.” “Moeder, dan heb ik al heel gekke praat gepraat.”—“Dat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou je dat niet bekennen.” “De hemel zal me bewaren!” riep de molenaar, “ik kom, geloof ik, nooit van mijne dwaasheden af!”
Frederik kwam binnen. “Goeden morgen, baas; goeden morgen, vrouw! Ik kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak nagedacht heb; ik wil het geld, dat gij mij gisteren avond hebt beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het noodig zal hebben.”—“Hm!” roept de oude molenaar, op zijn’ stoel heen en weêr schuivende. “Ja,” zeide Frederik;“maar ik had nog een ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken, ofschoon het buitenstijds is?” “Waarom? Wat ben je van plan?” “Ik wou gaan trouwen!” “Wat, jij, trouwen?” “Ja, baas; ik wou gaan trouwen met Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient; en als Hendrik Voss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht, konden wij wel op éénen dag bruiloft houden.”—Dit was den ouden molenaar dan toch al te kras. “Jou, bedelaar...” riep hij opspringende en greep naar de ééne laars. “Bedaar, baas!” zeide Frederik, zich hoog oprichtende; “die uitdrukking past niet op mij, en past niet voor u. Hoe ’t met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe ’t metHendriken onsFiekengesteld is, weet ik sedert gisteren middag; ik lag achter hen in den wagen en ’k heb alles aangehoord.”—“Vader,” riep de molenaarsvrouw, “dat zou nog zoo kwaad niet wezen!” “Daar heb jij geen verstand van!” riep de oude man en liep vreeselijk driftig door de kamer. “Nu, baas,” zeide Frederik, de deur uitgaande, “overleg de zaak maar eens; mijn schoonvader loopt ook sedert eergisterenavond rond, om te overleggen.” “Je kunt je getuigschrift krijgen,” riep de molenaar hem achterna, “maar eerst tegen St. Jan.”
Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht, dat Hendrik en zijn Fieken voor elkander wel geschikt waren; hij zelf had hem gisteren “zijn lieven zoon” genoemd,—maar, dat was ’t juist! Gisterenavond had depunchhem tot een’ rijk man gemaakt, envandaagkeek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig uitstel van executie. “Vader,” sprak de molenaarsvrouw, “’t is het beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen.” “Moeder,” hernam de oude man, en ’t was een geluk, dat hij nog geene laarzen aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestamptvoet hebben; “ik zeg je, dat jij daar geen verstand van hebt!—Wat?—’k Zou den zoon van Jochem Voss, die met mij in princes ligt, en die met een’ grooten zak geld in ’t land rondreist, mijn kind geven,—mijn beste, liefste kind!—en ’k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meêgeven kan ik haar niets, want ik ben een bedelaar!—Neen, moeder, neen! ’k Zou de vodden moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken, voor ’t altaar zou staan!—Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden doen wezen!”
Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor iemand, zoodat hij ’t maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopen tijden gesmeed, zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den molenaar was zijn proces, en ook wel zijnslechtebeheer in vroegere tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn leven lang het eind der ketenen door de wereld meêslepen, gelijk een weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet.
’t Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek iedereen, en was geheel alleen aan ’t werk, in den molen en in den stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele jaren verzuimd had. Endelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam aan, doch heden in burgerkleeding. “Goeden dag, Voss!” riep hij hem toe. “Nu, onze zaak is in orde!”—Maar de oude molenaar was heden niet lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: “Ja, als ’t maar waar was, mijnheer Herse.”—“Als ik het zeg, vriend Voss,” hernam de raadsheer en haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar in de kamer, “dan moet gij ’t gelooven, want ik ben van daag hier alsnotarius publicus.”—“Moeder,” zeide de molenaar, laat ons alleen, en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan.” Dat was nu juist niet noodig, want het was klaarlichte dag; maar de oude man had gezien, dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had branden, en hij wilde ’t ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was, daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar ’t kwam hem toch zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beter inzicht in de dingen had; en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen er bij.
Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse, tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: “Wat zegt ge nu, kameraad?”—De molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van “hm” en “nu ja!” en “maar” en krabt zijn hoofd.—“Vrind Voss,” zeide mijn oom, die knorrig werd, “wat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder,—kijk maar, hier!—een gierststengel, omdat ik “Herse” heet; ’k had er ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in ’t Fransch “herse” beteekent; maar ’k ben niet voor de Fransozen,—en hier, er om heen, staat mijne authorisatie:not: pub: im: caes:en hier staat de onderteekening van den jood:Itzig; en wat geschreven is, is geschreven.” “Dat zegt mijnheer de baljuw ook,” zeide de molenaar en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: “wat geschreven is, is geschreven.” “Watdiezegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss,ikben er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften metmijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen uit alle verlegenheid.” “Ja, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar watdan?”—Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. “Hm!Wat dan?—Ja!—Nu!—Nu, vriend Voss,”—en zijn goedhartig aangezicht zette zijne geheele ambtsdeftigheid vannotarius publicuster zijde en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den ouden molenaar en de gansche wereld vriendelijk aan,—“nu, vriend Voss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde brengen. Maar, daartoe is ’t noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden vertelt en al uwe papieren toont.” Dat zag de molenaar dan ook in en hij vertelde en vertelde, zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden; mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las alles met geduld, maar niet met voordeel voor zijne plannen. “Vriend Voss!” vroeg hij eindelijk, “is dat alles?” “Ja, mijnheer,” sprak de molenaar, en liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland, als de nachtvorst er over heengegaan is, “en dit is nog mijn kontrakt met het Stemhager rechtsgebied.”—Mijn oom nam het kontrakt, las het zoo ter loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel; maar, eensklaps sprong hij op, uitroepende: “Wat is dat? Daar zijn we meê geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een millionnair! ’t Gansche Stemhager gebied moet de rechten op ’t gemaal betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf vier, en wat zegt paragraaf vijf: “voor elk schepel, dat de molenaar maalt, kan gij wettelijkeen schepelals maalloon eischen.”—“Een maat, mijnheer Herse!” riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong, “van elk schepel eenemaat!”—“Neen!Een schepel!—Hier staat: voor iederschepeleenschepelals maalloon; en wat geschreven is, is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel onder gezet.” “Mijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait: dat is toch maar eene vergissing.” “Vergist is ook verspeeld, en wat geschreven is, is geschreven: dat heeft de oude baljuw u immers zelf gezegd. “Dat heeft hij, mijnheer,” zeide de molenaar, “ja, dat heeft hij; daar kan ik op zweren.”
Thans opende zich voor den molenaar een uitzicht op verlossing uit de handen der joden, en een uitzicht op vele, vele schepels koren, en op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de rechten op ’t gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. “Mijnheer,”riep hij,“dat zal helpen!—Maar... maar...” “Voss,” zeide mijn oom knorrig, “wat hebt ge nu weêr voor bezwaren! Die zaak is klaar en duidelijk.”—“Ja, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan met de zakken gaan?”“Met de zakken? Met wat voor zakken?”“Met de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg ik, maar wie krijgt de zakken?” “Hm,” zeide mijn oom,“dat is eene moeilijke rechtsvraag, Voss! daaraan heb ik nog niet gedacht, en in ’t kontrakt staat niets daarvan; alsiku echter raden moet, behoud ze dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel:beati possidentes; dat beteekent: hebben is hebben!—Vriend Voss, nu heb ik u uit alles geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over die zaak met niemand hoegenaamd gesproken; verstaat gij!—met niemand hoegenaamd!—Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van geld aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan, Voss....” “En dan, mijnheer Herse?”—“Dan komt het surplus. Maar, Voss, de zaak blijft geheim!”
De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit het rijtuig den ouden man toeknikte en de vinger op den mond legde.
“Fieken,” zeide Hendrik, “mij is ’t niet gegeven, om geheimen te hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hem hoe ’t alles is.” “Doe dat,”zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoe ’t met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben, dat hij nog wat moest wachten.
Met den ouden molenaar was ’t al heel wonderlijk gesteld. Heden morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig kind behoefde niet iedereen zoo maar te nemen; zij kon eene dame worden, zoo goed als iemand anders. Voor zijn hoofd was de overgang te schielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was; daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was, als het hoorde, en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden zou, niet recht en billijk was. “Maar” zeide hij dan weder bij zich zelven: “de baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven; en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik.”
Was hij in rustige, gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te krijgen, zoo was ’t in dit oogenblik in ’t geheel niet mogelijk. Toen Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen, begon hij van het proces te spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij eengeruïneerdman was; velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde nu, dat hij ’t goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat wou hij wel gelooven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest “hei!” roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door iederen wijsneus beet nemen, en allerminst, door zoo’n jongen knaap, als Hendrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen!—Zulk eene taal was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was; ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen toon, dat de molenaar “ja!” of “neen!” zeggen moest, of hij hem zijne dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om, keek uit het venster en zeide: “neen!” Hendrik keerde zich ook om en ging de kamer uit, en een half uur later hield Frederik met het rijtuigvan Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij Hendrik riep, kwam die met Fieken juist in den tuin. Fieken zag er heel bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: “Hendrik, het woord, dat ik je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!” Hij knikte met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw, die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op den wagen en reed zachtjes weg.
Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen, en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en vroeg: “Hendrik, waar rijdt gij heen?” “Naar Stemhagen.” “Blijft gij daar van nacht?” “Ja, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken.” “Dat moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is.” Hendrik beloofde, op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan.
Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een’ vracht koren naar den molen reed en zeide: “Wel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met den avond ben ik weêr t’huis, dan praten we een beetje samen.”
Wel ja! wel ja! ’t Was al lang avond, en de bakker was al lang t’huis; maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot zijne dochter: “Je zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen, want die heeft de tranen gauw bij de hand; maar, dat Fieken, bij al het schelden en bij al de dwaasheden van haren vader, stil haren gang gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs worden! Toen ik hem vroeg: “Wel Voss, wanneer kan ik het meel komen halen?” zeide hij: “Daar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien.” En toen ik zei, dat ik het meel toekomende week hoog noodig had, zeî hij, dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan, die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij ’t goedvond. “Wel, dat ’s toch gek,” zeide vrouw Strüwing.
Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in de rede en vroeg: “Baas Witt, zoudt gij mij een genoegen willen doen?” “Waarom niet?” hernam de bakker. “Bij u komen veel menschen, en gij hebt ook plaats in uw’ stal; ik wou mijn paard en mijn’ wagen verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?” “Waarom niet?” vroeg Witt. “Maar Hendrik,” liet hij er na een poos op volgen, en ’t was hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaâr knoopte, waaraan hij het gesprek wilde voortzetten, “maar, Hendrik, dat heeft immers tijd.—De paarden—de paarden—zijn nu zoo goedkoop; waarom?—Wel, wat weet ik ’t! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is, dat de Fransoos ze hem ’s nachts niet uit den stal haalt; maar, de paarden,—ge zult zien,—zij worden duur,—want—ge zult zien:—in den tijd van een paar weken marcheert alles tegen den Fransoos.” “Dat heb ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden, baas Witt, maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. “Ja,” viel Frederik hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was; “ja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden zal veel gevraag zijn, als ’t aan den gang gaat, en naar de vrouwlui weinig en als ’t voorbij is en de helft der jongelieden doodgeschoten zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruid had geroken; die zeide tot mij: naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij.—Ik zei, dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag behoef ik mij niet te bedenken. Ik ben van de Pruisen gedeserteerd: maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas Witt, ik heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij hoort, dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn goed. En nu, adjuus! ’k moet van avond weer op den molen zijn.”
Daarop vertrok hij.—Hendrik ging hem na. “Frederik, wat beteekent dit?” vroeg hij. “Wat dit beteekent?” hernam Frederik. “Dat zal ik u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijn Fieken lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, ’t komt er ook niet op aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een uil is, is voor den ander een nachtegaal.” “Frederik,” gaf Hendrik hem zacht ten antwoord, “spreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden, en ik ook.” “Wat, gij?” “Stil!—Ja, ik ook. Ik heb geene familie en ik sta alleen in de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en mijn paard en wagen verkoop ik.” “Hoera!” riep Frederik. “Geef mij de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je ’t al dadelijk den eersten morgen aan, dat er een soldaat in je stak.”—“Ja?” zeî Hendrik, “dat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het volbrengen?” “Broeder! als iemand wat slechts in den zin heeft, dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons de rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor ’t vaderland. Zie, ik kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar een deftigen man met een grijzen snorbaard en een litteeken op de rechterwang,—ge zult hem wel vinden—en meld u en mij bij hem aan: “Frederik Schult,” en ’k had al gediend, maar ge behoeft niet te zeggen, dat ik eens van ’t kinderwiegen gedeserteerd ben.En als ge ’t in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik.” “Dat zal gebeuren!” riep Hendrik. “En Frederik, groet jelui Fieken nog van mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden.” “Dat zal ik waarnemen, en nu goeden nacht!” “Goeden nacht!”—En toen Hendrik zoo bleef staan en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek, bij de apotheek, nog: “Dumouriez! Vervloekte patriotten!”
Twintigste hoofdstuk.Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in ’t molenaarshuis bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen rijden en waarom Fieken hen volgt.De Franschen kwamen niet weder in onze streken; doch daarom werd het er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen hadden slechts pieken,—alleen de rektor Schäfer had door den smid Tröpner een hellebaard laten maken,—mijn oom Herse richtte een korps scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien, dat zóó’n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó’n tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Franschen zou dien geheelen troep uit elkaâr gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: ’t Is mogelijk, zeg ik; maar den geest zouden zenietverjaagd hebben; over enkele kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd niemand, zelfs Bonaparte niet.Op één en denzelfden dag klonk door geheel Nederduitschland, van denWeichseltot aan deElbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: “de Franschen komen!”—Men zegt thans, dat zulks opzettelijk werd gedaan, om te zien, wat Nederduitschland doen zou. Indien het waarheid is, dan hebben zij ’t te zien gekregen: Nederduitschland stond de proef door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat ééne Fransche regiment had lange beenen moeten hebben, zoo ’t overal te gelijk den storm had willen stillen.De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen; in Nieuw-Strelitz zouden de Franschen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen; in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, ’t was een verward huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kompagniën ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in ’t eerste stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem, bij ’t vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van ’t geweer in de korte ribben duwde, en dat kon hij niet verdragen. Mijn oom Herse was steeds in de paardenkoppels aan ’t exerceeren in ’t volle vuur, met deéén-en-twintigjachtgeweren, altijd allen te gelijk. Zijn hoofdkommando was: “roef! roef!”—dan moesten zij allen op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen; toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lukow werd doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow, de snijder, het gedaan had, maar ’t is niet bewezen geworden. Eindelijk waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow kommandeerde: “links zwenken!” kwamen zij ook werkelijk allen de Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit; en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij marcheerden één voor één achter elkaâr, zooals de ganzen in de gerst.Bij den Uilenberg werd halt gehouden; zij wachtten op hunnen kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen, en paardrijden kon hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen hij aankwam, werd hij met “Vivat!” door zijne troepen ontvangen; hij hield daarop eene aanspraak en zeide: “Kinderen! Soldaten zijn wij niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maar, dat komt er niet op aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. Wij willen slechts onzen plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien, dat wij op onzen post zijn. Doch ’t is erg, dat ik niets van de krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien, die daarin ervaren is.—Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan moet worden.—Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts, voor ’t vaderland!” “Hoera!” riep zijn volk, en voorwaarts ging het, den vijand te gemoet.De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurnsdorp en Kittendorp kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich aan. “Johan Heinz,” zeide mijn oom Herse tot zijn’ adjudant, “dit zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed te gebruiken, zooals wij ’t bij de kozakken gezien hebben, maar zij brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom goed op een hoop, en, als ’t er op losgaat, dan maar altijd “roef!””De kavalerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude inspektor Bräsig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden pistolen: zij schoten nu en dan, waarschijnlijk om de Franschen bang te maken, en zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen geen Franschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij: “Kinderen! mij dunkt, ’t is voor vandaag genoeg, en als wij nu omkeeren, komen wij nog met den dag thuis.”—De inval was goed; kapitein Grischow kommandeerde in dien geest en alles ging naar huis, uitgezonderd eene halve kompagnie pieken en twee jachtgeweren, die in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden.Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw en vroeg: “Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel eenbeetje in uw’ wagen leggen?” “Zeer gaarne, mijn vriend.” En nu kwamen de schoenmaker Deichert en de kleêrmaker Zutow, en nog velen kwamen, allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer de baljuw de poort te Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit als eene oorlogsmachine of een sikkelwagen uit den tijd der Perzen.De raadsheer Herse liet nog driemaal “roef, roef!” op de markt schieten, en iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen was verdrietig. “Johan Heinz!” sprak hij tot zijn adjudant: “daar kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den windmolen in brand steken?”Ging het in de wereld bont door elkander toe, zoo ging ’t op den Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den zolder neêrgelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en telkens als hij van den molen wegreed, zeide de molenaar: “Gode zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!” al naar dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij hem was geweest en hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan en had allemanspraats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien, en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk, met tranen in de oogen, hem vroeg: “Vader, wat scheelt u eigenlijk? Wat heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?” dan was ’t verschillend, wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren, en dat hij moest weten, wat hij te doen had.’t Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist, en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren, om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordeelige dagen, maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam op den hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór paschen kwam Itzig en haalde het laatste voer koren en de molenaar zeide bij ’t middageten tot zijne vrouw en Fieken: “Zie zoo! van hem zijn wij af; hij heeft zijn geld.”—Zijne vrouw en Fieken zwegen stil, en de molenaar vierde geen recht paaschfeest in zijn hart, want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en hij vroeg ook naar Frederik, en toen die kwam, zeide hij tot hem, dat hij ook bij den baljuw moest komen. “Als ’k wil,” antwoordde Frederik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den baljuw kwam hem in de gedachte: “dat zal ik niet vergeten, wat ge gedaan hebt.”—“Als gij niet komt,” zeide de veldwachter, “dan is dat voor uwe eigene verantwoording.”—“Die heeren denken altijd,” hernam Frederik, lachende, “dat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want mijn tijd bij den molenaar is om.”—“Je zult je wel bedenken!” bromde de molenaar; “tot Sint-Jan heb ik je gehuurd.”Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Geen van beiden sprak een woord. Toen zij op de markt kwamen, wilde Frederik naar bakker Witt heendraaien.—“Halt,” riep de molenaar, “daar wil ik niet heen; ik rijd bij Guhl aan.”—“Wel, baas,” zeide Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp, “rijd er dan zelf naar toe, want ik ga bij Witt.” En dit zeggende, ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet hebben, zelfs, hoewel ’t Frederik was; heden zeide hij niets: hij was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor de deur, stapte af zonder binnen te treden en ging naar het huis van den raadsheer aan den overkant.Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof af, toen Fieken, in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de kachel zat te schreien. “Moeder,” sprak zij, “ik kan ’t niet helpen, ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal, ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is....”—“Hij heeft het in zijn onverstand gedaan!” riep de molenaarsvrouw haar toe. “En daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden, of zijne vrouw, of iemand anders,—ik weet het ook nog niet,—de goede God zal mij immers wel den weg wijzen en de woorden ingeven.” “Ga, mijn Fieken,” sprak hare moeder.Fieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van Witt; zij vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de kamer in; daar zat Frederik en sprak met een soldaat, die een rood buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Frederik sprong op: “Dumouriez! Fieken, waar komt gijvandaan?”—De soldaat sprong ook op. Lieve hemel! Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar Hendrik?—Ja, hij was ’t, hij legde zijn arm om haar heen en zeide: “Fieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?”—O, zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: “Hendrik, Hendrik; jij onder de soldaten?” “Nu,” riep Frederik haar toe; “Fieken, gij houdt u goed! Waar hoort eene flinke kerel tegenwoordig anders, dan onder de soldaten?” Fieken luisterde niet naar ’t geen hij sprak, zij had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij de woorden: “Ach, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! Wat is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?”“Fieken,” zeide Hendrik, “om mijnent wille behoeft hij zich geene verwijtingen te doen, en indien ik in ’t eerst ook maar weg wilde,—’t was mij ’t zelfde waarheen of waartoe;—nu is dat anders, nu weet ik eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek; nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat eenkamerraad>kameraadzijn kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor ’t vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar, als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet nemen; ik moet meê; maar je hart neem ik met mij.” “Zoo spreekt een kerel!” riep Frederik uit. “Goed, Hendrik!” zeide Fieken, “je hebt gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer zoeken; het ongeluk hangt ons boven ’t hoofd, en wie weet, hoe kort de molen ons nog huisvesting geven zal.” “Och, kom Fieken!” zeide Frederik; “je vader heeft zich zelf onaangenaamheden berokkend; hij is, tot aan den hals toe, in ’t water gegaan, maar daarom is ’t nog niet noodig, dat de golven hem over ’t hoofd klotsen; hij heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken.” “Wie kan hem helpen?” zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in haren schoot zinken. Niemand weet wat hij zich in het hoofd gezet heeft.” “O,” hernam Frederik, “Hendrik weet erwatvan, hij heeft er van morgen zoo wat van hooren praten; en laat hij u dat maar eens vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw.”
Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in ’t molenaarshuis bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen rijden en waarom Fieken hen volgt.
Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in ’t molenaarshuis bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen rijden en waarom Fieken hen volgt.
De Franschen kwamen niet weder in onze streken; doch daarom werd het er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen hadden slechts pieken,—alleen de rektor Schäfer had door den smid Tröpner een hellebaard laten maken,—mijn oom Herse richtte een korps scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien, dat zóó’n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó’n tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Franschen zou dien geheelen troep uit elkaâr gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: ’t Is mogelijk, zeg ik; maar den geest zouden zenietverjaagd hebben; over enkele kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd niemand, zelfs Bonaparte niet.
Op één en denzelfden dag klonk door geheel Nederduitschland, van denWeichseltot aan deElbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: “de Franschen komen!”—Men zegt thans, dat zulks opzettelijk werd gedaan, om te zien, wat Nederduitschland doen zou. Indien het waarheid is, dan hebben zij ’t te zien gekregen: Nederduitschland stond de proef door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat ééne Fransche regiment had lange beenen moeten hebben, zoo ’t overal te gelijk den storm had willen stillen.
De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen; in Nieuw-Strelitz zouden de Franschen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen; in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, ’t was een verward huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kompagniën ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in ’t eerste stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem, bij ’t vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van ’t geweer in de korte ribben duwde, en dat kon hij niet verdragen. Mijn oom Herse was steeds in de paardenkoppels aan ’t exerceeren in ’t volle vuur, met deéén-en-twintigjachtgeweren, altijd allen te gelijk. Zijn hoofdkommando was: “roef! roef!”—dan moesten zij allen op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen; toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lukow werd doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow, de snijder, het gedaan had, maar ’t is niet bewezen geworden. Eindelijk waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow kommandeerde: “links zwenken!” kwamen zij ook werkelijk allen de Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit; en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij marcheerden één voor één achter elkaâr, zooals de ganzen in de gerst.
Bij den Uilenberg werd halt gehouden; zij wachtten op hunnen kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen, en paardrijden kon hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen hij aankwam, werd hij met “Vivat!” door zijne troepen ontvangen; hij hield daarop eene aanspraak en zeide: “Kinderen! Soldaten zijn wij niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maar, dat komt er niet op aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. Wij willen slechts onzen plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien, dat wij op onzen post zijn. Doch ’t is erg, dat ik niets van de krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien, die daarin ervaren is.—Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan moet worden.—Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts, voor ’t vaderland!” “Hoera!” riep zijn volk, en voorwaarts ging het, den vijand te gemoet.
De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurnsdorp en Kittendorp kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich aan. “Johan Heinz,” zeide mijn oom Herse tot zijn’ adjudant, “dit zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed te gebruiken, zooals wij ’t bij de kozakken gezien hebben, maar zij brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom goed op een hoop, en, als ’t er op losgaat, dan maar altijd “roef!””
De kavalerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude inspektor Bräsig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden pistolen: zij schoten nu en dan, waarschijnlijk om de Franschen bang te maken, en zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen geen Franschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij: “Kinderen! mij dunkt, ’t is voor vandaag genoeg, en als wij nu omkeeren, komen wij nog met den dag thuis.”—De inval was goed; kapitein Grischow kommandeerde in dien geest en alles ging naar huis, uitgezonderd eene halve kompagnie pieken en twee jachtgeweren, die in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden.
Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw en vroeg: “Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel eenbeetje in uw’ wagen leggen?” “Zeer gaarne, mijn vriend.” En nu kwamen de schoenmaker Deichert en de kleêrmaker Zutow, en nog velen kwamen, allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer de baljuw de poort te Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit als eene oorlogsmachine of een sikkelwagen uit den tijd der Perzen.
De raadsheer Herse liet nog driemaal “roef, roef!” op de markt schieten, en iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen was verdrietig. “Johan Heinz!” sprak hij tot zijn adjudant: “daar kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den windmolen in brand steken?”
Ging het in de wereld bont door elkander toe, zoo ging ’t op den Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den zolder neêrgelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en telkens als hij van den molen wegreed, zeide de molenaar: “Gode zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!” al naar dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij hem was geweest en hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan en had allemanspraats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien, en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk, met tranen in de oogen, hem vroeg: “Vader, wat scheelt u eigenlijk? Wat heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?” dan was ’t verschillend, wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren, en dat hij moest weten, wat hij te doen had.
’t Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist, en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren, om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordeelige dagen, maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam op den hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór paschen kwam Itzig en haalde het laatste voer koren en de molenaar zeide bij ’t middageten tot zijne vrouw en Fieken: “Zie zoo! van hem zijn wij af; hij heeft zijn geld.”—Zijne vrouw en Fieken zwegen stil, en de molenaar vierde geen recht paaschfeest in zijn hart, want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en hij vroeg ook naar Frederik, en toen die kwam, zeide hij tot hem, dat hij ook bij den baljuw moest komen. “Als ’k wil,” antwoordde Frederik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den baljuw kwam hem in de gedachte: “dat zal ik niet vergeten, wat ge gedaan hebt.”—“Als gij niet komt,” zeide de veldwachter, “dan is dat voor uwe eigene verantwoording.”—“Die heeren denken altijd,” hernam Frederik, lachende, “dat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want mijn tijd bij den molenaar is om.”—“Je zult je wel bedenken!” bromde de molenaar; “tot Sint-Jan heb ik je gehuurd.”
Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Geen van beiden sprak een woord. Toen zij op de markt kwamen, wilde Frederik naar bakker Witt heendraaien.—“Halt,” riep de molenaar, “daar wil ik niet heen; ik rijd bij Guhl aan.”—“Wel, baas,” zeide Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp, “rijd er dan zelf naar toe, want ik ga bij Witt.” En dit zeggende, ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet hebben, zelfs, hoewel ’t Frederik was; heden zeide hij niets: hij was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor de deur, stapte af zonder binnen te treden en ging naar het huis van den raadsheer aan den overkant.
Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof af, toen Fieken, in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de kachel zat te schreien. “Moeder,” sprak zij, “ik kan ’t niet helpen, ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal, ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is....”—“Hij heeft het in zijn onverstand gedaan!” riep de molenaarsvrouw haar toe. “En daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden, of zijne vrouw, of iemand anders,—ik weet het ook nog niet,—de goede God zal mij immers wel den weg wijzen en de woorden ingeven.” “Ga, mijn Fieken,” sprak hare moeder.
Fieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van Witt; zij vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de kamer in; daar zat Frederik en sprak met een soldaat, die een rood buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Frederik sprong op: “Dumouriez! Fieken, waar komt gijvandaan?”—De soldaat sprong ook op. Lieve hemel! Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar Hendrik?—Ja, hij was ’t, hij legde zijn arm om haar heen en zeide: “Fieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?”—O, zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: “Hendrik, Hendrik; jij onder de soldaten?” “Nu,” riep Frederik haar toe; “Fieken, gij houdt u goed! Waar hoort eene flinke kerel tegenwoordig anders, dan onder de soldaten?” Fieken luisterde niet naar ’t geen hij sprak, zij had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij de woorden: “Ach, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! Wat is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?”
“Fieken,” zeide Hendrik, “om mijnent wille behoeft hij zich geene verwijtingen te doen, en indien ik in ’t eerst ook maar weg wilde,—’t was mij ’t zelfde waarheen of waartoe;—nu is dat anders, nu weet ik eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek; nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat eenkamerraad>kameraadzijn kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor ’t vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar, als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet nemen; ik moet meê; maar je hart neem ik met mij.” “Zoo spreekt een kerel!” riep Frederik uit. “Goed, Hendrik!” zeide Fieken, “je hebt gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer zoeken; het ongeluk hangt ons boven ’t hoofd, en wie weet, hoe kort de molen ons nog huisvesting geven zal.” “Och, kom Fieken!” zeide Frederik; “je vader heeft zich zelf onaangenaamheden berokkend; hij is, tot aan den hals toe, in ’t water gegaan, maar daarom is ’t nog niet noodig, dat de golven hem over ’t hoofd klotsen; hij heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken.” “Wie kan hem helpen?” zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in haren schoot zinken. Niemand weet wat hij zich in het hoofd gezet heeft.” “O,” hernam Frederik, “Hendrik weet erwatvan, hij heeft er van morgen zoo wat van hooren praten; en laat hij u dat maar eens vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw.”