Strand-batterij bij El Araisch.Strand-batterij bij El Araisch.
Strand-batterij bij El Araisch.
Strand-batterij bij El Araisch.
El Araisch is ook een van de sterk achteruitgegane plaatsen van Marokko, en weer trof mij het middeleeuwsche karakter der stad. Mijn aankomst trok er sterk de aandacht. Europeesche bezoekers zijn hier schaarsch en vooral in deze tijden van onrust werden ze bijna niet gezien. Wij moesten over de rivier de Wadi el Koes gezet worden, om tot de stad te naderen, en met de eerste boot, die van de stad naar de overzijde kwam; waar ik met mijn dieren wachtte, zond ik dadelijk een paar regels aan een spaanschen koopman, aan wien de duitsche postdirecteur in Tanger mij had gerecommandeerd, om van hem raad te vragen, waar ik het best mijn tenten zou opslaan.
Het heen en weer gaan van de kleine booten, die altijd slechts één of twee van mijn lastdieren konden overzetten, duurde geruimen tijd. Toen ik eindelijk als laatste mijner karavaan aan de stadszijde der rivier was afgezet, begroette mij een Europeaan, die mij tot mijn verbazing in het Duitsch aanspraak. Hij was de eenige Duitscher in de plaats, een oudmachinist van de keizerlijke marine, die hier als kapitein van een der booten van den sultan tegelijk de plichten van een havenmeester vervult.
Onder alle steden van Marokko is El Araisch bekend om het mooiste marktplein. Het is inderdaad een echt oostersche markt, veel schilderachtiger dan alle andere, die ik tot nog toe in Marokko had gezien. Maar ook zij draagt den stempel der vergankelijkheid, alle kenteekenen van niet meer te passen in den tegenwoordigen tijd, zooals met zooveel dingen in deze vervallende atlantische havens het geval is, waar maar geen nieuw leven uit de ruïnen wil opbloeien. Wat deze soek of markt van alle andere onderscheidt, is de lange rij van mooie gewelfde zuilengalerijen, die aan twee zijden het plein begrenzen en zulk een geschikte lijst vormen voor het bonte beeld van kleinsteedsch handelsverkeer dat zij omsluiten. Er zijn wel bijna honderd van die nauwe kooiachtige stalletjes, die van Noordwest-Afrika tot in Midden-Azië de plaats van onze winkels innemen. Alle zijn ze naar één model naast elkaâr gezet en met even hooge koepels bekroond.
Een moorsche Rue de Rivoli, maar voor de schitterende étalages van de parijsche winkels krijgt men hier de moorsche kooplui zelf te midden van een bescheiden hoopje alledaagsche goederen, die duidelijk genoeg toonen, dat men voor pracht hier geld heeft noch waardeering. Vier moskeeën steken boven het plein op; aan de oostzij wordt het door een prachtige, oude poort afgesloten en naar het Westen door denBladzijde 261vestingachtigen ingang naar de kasba, den burcht van den stadhouder, welks geweldige muren uit den tijd der Spanjaarden in de 16de eeuw nog versterkt zijn. Zooals de Portugeezen in Asaila hebben de Spanjaarden in El Araisch getracht, door de havens te behouden, hun gezag in het land te handhaven. Maar reeds in 1691 maakte sultan Mulei Ismaël met behulp van fransche fregatten een einde aan de spaansche heerschappij.
Voor de kleine spaansche gemeente, die nog heden in El Araisch woont, moet het smartelijk zijn, al die getuigen van voorbijgegane spaansche grootheid steeds voor oogen te hebben. Het sterkst krijgt men dien indruk van troosteloos verval, als men van de zeezijde de forsche vestingwerken aanschouwt. En ’s morgens, als ik mijn bad nam, zaten dan als getuigen van het belachelijke heden mijn soldaat en mijn Berber als levende bewijzen van den zwaktetoestand der tegenwoordige sultansheerschappij, die het niet waagt, zich flink tegen een oproerigen onderdaan en zijn aanhang te verweren. Alsof het hier buiten aan het eenzame strand van bloeddorstige aanhangers van Boe Hamara wemelde of een sluipmoordenaar achter elk rotsblok zich verschool, zaten daar de wakkere beschermers van mijn leven, de mokhasni met zijn oud verroest geweer, en de Berber met in de eene hand een knuppel en in de andere een klein vuursteenpistool, dat misschien na den tijd van den dertigjarigen oorlog niet meer was gebruikt.
Marabout voor Fez.Marabout voor Fez.
Marabout voor Fez.
Marabout voor Fez.
Van El Araisch naar El Ksar el Kbir, de volgende stad, die ik wilde bezoeken, was slechts een weg van 33 kilometer door vlak land met slechts een enkelen rivierovergang. Men had mij telkens willen tegenhouden om de gevaren, die het oproer meebracht, maar gelukkig had ik mij niet laten terughouden. Als dit het “vlammend oproer” was, dat Marokko in brand had gezet, dan moeten marokkaansche opstanden toch al heel weinig beteekenen en niet met woelingen in andere landen te vergelijken zijn.
Een bloeiend landschap, heuvelachtig weideland vol bloemen, vreedzaam voorttrekkende karavanen met trotsche kameelen, vlugge muildieren en zingende drijvers, mooie kudden glad rundvee, wollige schapen en langharige geiten, slechts door een enkelen grijsaard bewaakt of door een paar halfnaakte, bruine kinderen, was dat een land, bedreigd door burgeroorlog en bestuurswisseling, waar dreigende moordenaars huishielden? Waar waren toch de rookende dorpen, de verwoeste oogsten, de met lijken bedekte wegen, die ons voor twee jaren in China hadden geleerd, wat opstand en burgeroorlog beteekenen? In andere deelen van het rijk was het mogelijk erger; bij de noordkust en aan de algerijnsche grens, maar hier was het land rustig en de kalmte ongestoord.
Toch leek het eerst nog, of er zich bezwaren zouden voordoen, want reizigers, die pas den weg waren gegaan, berichtten dat regenbuien hem onbegaanbaar hadden gemaakt en de rivier hadden doen zwellen. Dus wilde ik eerst nog een kamp opslaan in een niet ver van El Araisch gelegen dorp. Meestal zocht de mokhasni de plaats voor het kamp uit en wel op een plaats, waar hij goede bekenden had en een goed onderkomen kon vinden, natuurlijk kosteloos, opdat hem de anderhalven doero kostgeld, die ik hem volgens onze overeenkomst dagelijks moest betalen, als zuivere winst ten deel vielen.
Dezen keer echter was er geen tijd om lang te zoeken en onverwijld moest hij met den schout van het naaste dorp onderhandelen. Het trof mij, dat deBladzijde 262plek een arabische doear was, een tentdorp, zooals de nomadische Arabieren in Marokko plegen op te richten, waar zij een merkwaardig middending zijn tusschen hun voorvaderen, die nomaden waren in de arabische woestijn, en de burgerlijk levende Berbers, wier land zij voor een deel bezet hebben. Zulk een doear ziet eruit als een kamp, dat op weg is een dorp te worden. Vorm en maaksel der woningen zijn nog geheel die der kampen, lage, lange hallen van gerstestroo en geitenhaar, zwartbruin en onaanzienlijk. Ook de inwendige inrichting, die eigenlijk door afwezigheid schittert en alleen het allernoodzakelijkste keukengerei vertoont, herinnert nog aan de tent van een zwervend volk, sterke tegenstelling dus tot de in de steden wonende Mooren, die zoo verweekelijkt zijn, zich graag met pracht en praal omgeven en zich in den laatsten tijd al druk amuseeren met photografietoestellen, speeldoozen en grammophonen.
Om de een of andere reden en, naar ik uit de verklaringen van mijn tolk meende te begrijpen, wegens oude stamvijandschap, weigerden de bewoners van dit jammerlijke dorp mijn mannen het verlof, om den nacht op hun grond door te brengen. Tegen mij als vreemdeling en ongeloovige hadden zij, merkwaardig genoeg, niets in te brengen. Mijn Berbers van den stam der Andsjera scheen men geen gastvrijheid te willen verleenen. Zoo kwam het tot heftige woorden en dreigende gebaren, en ten overvloede heette het, dat men ons met geweld verdrijven zou.
Ik beproefde het eenige verzoeningsmiddel, dat de reiziger in zulke gevallen heeft, dat krachtiger werkt dan alle wetten of alle goedheid, namelijk den snooden Mammon in den vorm van goede betaling voor alle moreele of politieke bedenkingen. Juist op dat oogenblik kwamen echter de uit de velden en weiden naar huis gedreven kudden aan. Lustig springend kwamen de jonge stieren binnenhuppelen in volle vrijheid. De jonge lammeren dartelden ertusschen, en ten laatste kwamen de merries met hun veulens, die zich dicht tegen hun voedingsbron aandrukten. Onze hengsten bleven niet onverschillig en waren bijna niet te houden en het algemeen tumult, dat daarbij ontstond, wekte een soort van verbroedering onder de menschen. Tegen goed geld kregen wij een plaats voor ons kamp, en de nacht verliep in alle kalmte. Den volgenden dag brachten wij een kort bezoek aan El Ksar, een zeer vuile stad, die onder de marokkaansche steden als de vuilste bekend is, hetgeen niet weinig wil zeggen. De nauwe, donkere straten lagen dik onder een vettig slijk; de zoogenaamde markt geleek een mesthoop.
Nu lag vóór ons een groot tafelland vol kloven, waar de insnijdingen weinig water voerden zelfs in den regentijd. Maar wij moesten op den weg naar Fez nog drie vrij belangrijke rivieren passeeren, de Wargha, de Seboe en de Sgota, eer we eindelijk weer op den eigenlijken reisweg, den van Tanger naar Fez leidenden karavaanweg, belandden. Het doorwaden der rivieren was telkens met veel last en moeite verbonden. Het water schoot zoo snel en krachtig door de bedding, die vol kleine eilandjes en hoopen steenen en afschuivingen van den oever lag, dat men wel hulp moest hebben bij den overtocht. En zelfs als ieder dier door een met de rivier bekend persoon aan den teugel gevoerd werd, terwijl die persoon geheel naakt zich een weg baande door den sterken stroom, was het nog een kunststuk, de geheele karavaan veilig over te brengen. De onder den buik der paarden met razende snelheid voortbruisende stroom werkte zoo verwarrend op mensch en dier, dat men er duizelig en half bedwelmd van werd en zich willoos overgaf aan de leiding der vooruitloopende, met het water worstelende mannen.
Reeds bij den overgang over de Seboe hadden zich bij mijn kleine karavaan veel andere reizigers aangesloten. Ofschoon ik deze rivier, die ondanks haar betrekkelijk korten loop van ongeveer 500 K.M. de belangrijkste, niet alleen van geheel Marokko, maar van geheel Noordwest-Afrika is, niet overging bij het kruispunt met den grooten karavaanweg, toonde toch de beweging aan de oevers, dat wij weer in meer bezochte oorden kwamen en dichter tot de hoofdstad waren genaderd. Inderdaad scheiden zich hier in den oostelijken hoek der groote, vruchtbare kustvlakte, die zich als een driehoek tusschen de rivieren Seboe en Boe Regrag uitstrekt, talrijke karavaanwegen, die alle zich naar Fez richten. En daar bij het bekende gebrek aan bruggen en veren ook de meest ervaren reizigers aangewezen zijn op de hulp en de kennis der inboorlingen, die met de doorwaadbare plaatsen vertrouwd zijn, kan men bij het wachten op de gidsen aan de oevers altijd een echt bont tooneel van oostersch karavaanleven aanschouwen.
Lange reeksen van zwaarbeladen, langzaam en gelijkmatig voortgaande kameelen, grootere en kleinere groepen muildieren en ezels met luid schreeuwende drijvers, trotsche en slecht gehumeurde ruiters met lange geweren en bescheiden voetgangers, allen zonder onderscheid moeten aan de steile hellingen der bedding wachten, terwijl de rivier vuilbruine golven haastig voortstuwt, tot eindelijk de gidsen weer van de overzij komen aanzetten. Men laat de dieren in de nabijheid grazen, verbetert eens wat aan de schikking der lasten op den rug der beladen beesten en gaat dan in het gras zitten, om een praatje te maken met den eerste den beste. Natuurlijk werden er tooneelen opgehangen van roof- en moordpartijen, terwijl de lust in fabeltjes vertellen, zoo sterk in dit oostersche land, bij ieder verhaal den spreker zelf in ’t middelpunt der handeling plaatste en hem pochen deed op heldendaden en met moed doorgestane gevaren.
Van dit oogenblik af waren wij bijna nimmer meer alleen op marsch. Er zal geen uur verloopen zijn, waarin wij niet met andere reizigers of ten minste in het gezicht van andere groepjes langs den weg trokken, en ook deze zelfs liet het bespeuren, dat wij nader kwamen tot het doel, de groote hoofdstad en het handelsmiddelpunt van het land.
Zelfs de dieren schenen vlugger en beter de aanmoedigende woorden te begrijpen, ook zij ruiken het einde van de reis. Verwachting en ongeduld nemen toe, en de laatste mijlen worden een kwelling. Sommigen gaan vooruit, om te zien, of er nog altijd niets te bespeuren is van de schitterende sprookjesstad, keert dan weer naar de lastdieren terug, om hunBladzijde 263gelijkmatigen reistred te bespoedigen door een ongeduldig bevel.
Eindelijk, eindelijk, daar ontdekken wij dikke, bruingrijze, lage stadsmuren met breede poorten, witte huizenblokken en lange, gelijkvormige rijen en daarboven oprijzend eenige minarets en een paar populieren en dadelpalmen. Alles is intusschen vlak en gedrukt, weinig zich verheffend boven de vlakte, niets, dat aan een hoofdstad of een residentie herinnert. De tolk tracht mij voor mijn teleurstelling te troosten en zegt, dat dit slechts het nieuwe onbeduidende deel van Fez is, dat wij, uit het Westen komend, het eerst te zien krijgen. De werkelijke stad, de Medina, met het beroemde heiligdom van Moelei Idris en de groote moskee, ligt verborgen en is van hier niet te zien. Het doffe, donkere, regenweêr doet met zijn nuchtere, grijze tinten het overige en zoo blijft er wel degelijk een gevoel van teleurstelling over, waarmee ik op den middag van mijn twee-en-twintigsten reisdag door de westelijke stadspoort, Bab es Segma, de heilige hoofdstad van den sjerif van Marokko binnenrijd.
Natuurlijk zou ik een bezoek aan het hof brengen en een uitnoodiging liet zich dan ook niet lang wachten. Ik was zelf afwezig, toen de bode van den sultan mij een invitatie bracht. Den dag daarna verscheen nog eens een afgezant van Moelei Abdul Aziz, dezen keer de aan het hof in groot aanzien zijnde engelsche instructeur der troepen kaïd Sir Harry de Vere Maclean, om mij nog eens in optima forma uit te noodigen. Ik was er zeer verbaasd over, daar ik opzettelijk vermeden had, mij gewoon voor een audiëntie aan te melden, ofschoon zij veelal de hartewensch is der talrijke reizigers, die Fez in de laatste jaren bezocht hebben.
Vooral de republikeinsche Amerikanen doen daar sterk aan; zij rusten niet, eer zij hun trotschen, vrijen burgerrug voor Zijne Sjerifiaansche Majesteit gebogen hebben. Sir Harry zegt mij, dat de sultan mij onlangs heeft gezien en naar den nieuwen Europeaan geïnformeerd heeft bij den minister van buitenlandsche zaken, die mij, dank zij een aanbevelingsbrief van onzen gezant, vrijheer van Mentzingen in Tanger, reeds kende. Z.M. had nu bevolen, dat ik aan hem voorgesteld zou worden. Er waren toen juist slechts zeer weinig Europeanen in de stad; men had om de woelige tijden, zooveel mogelijk, vreemdelingen geweerd.
De stad zag er intusschen levendig genoeg uit. De maand Rebia el Uwwel, de eerste lentemaand, was in het land gekomen en daarmee was de reeks van feestdagen begonnen, die de Mohammedaan ter eere van zijn Profeet viert, omdat de verjaardag van den godsdienststichter in die maand valt. Naar een oud gebruik brengen de onderworpen stammen hun schatting en hun eeregeschenken voor den sultan, en de gezantschappen worden door den sultan in persoon ontvangen. De ontvangst en het uitgeleide van die gezantschappen hebben telkens met grooten luister plaats. De lijfwacht van den vorst en alle in de hoofdstad aanwezige troepen worden in gala ontboden, het geheele hof is aanwezig, en een zeer breede kring van toeschouwers in feestkleedij omlijst het bonte tooneel, dat voor de beste gelegenheid doorgaat, om het sjerifiaansche hof in volle pracht te aanschouwen.
Om mij in elk geval van den aanblik dezer grootheid te verzekeren, was ik al den eersten dag in gezelschap van mijn soldaat Embarik naar het paleis gegaan en had de ontvangst der Kabylengezantschappen mee aangezien. Daarbij had de sultan mij opgemerkt, ofschoon ik niet te paard was, maar naast mijn rijdier stond. Maar buiten de officieren der vreemde gezantschappen was geen Europeaan aanwezig, en dus was hem de verschijning van den nieuweling dadelijk opgevallen. Toen hij bij het einde van het feest in het inwendige van het paleis zich terugtrok, kwam hij vrij dicht langs mijn standplaats, wierp mij een langen onderzoekenden blik toe, en het mishaagde hem, zooals mij kaïd Maclean mededeelde, dat ik hem niet groette. Ik wist inderdaad op dat oogenblik niet, hoe ik groeten moest. De kotau zal Z.M. toch wel niet verwacht hebben, den hoed afnemen is in mohammedaansche landen ver van een eerbewijs en ongeveer op twintig pas afstands een paar hoffelijke buigingen te maken, zou mijzelf zoo belachelijk zijn voorgekomen, dat ik ze toch niet in ernst had kunnen volvoeren. Zoo had ik mij uit dezeembarras de richessevan groetmogelijkheden gered, door eenvoudig niets van dat alles te doen, maar den heerscher recht in ’t gelaat te zien, wat wel de aanleiding tot mijn audiëntie bij Moelei Abdul Aziz zal geweest zijn.
Den volgenden dag reed ik op het aangegeven uur weer het paleis binnen en begaf mij naar het feestterrein, deMeschwar. Daar steeg ik af en wachtte op de dingen, die komen zouden, mijn feestgewaad onder een langen stofmantel verbergend. Het geweldig groote plein ligt in het noordelijk deel van het zeer uitgebreide paleis en was thans door een dichte menschenmenigte omgeven, die zelve weer een lijst vormde om den in ’t midden opengestelden vierhoek van soldaten. In het midden van het voorste gelid der eene lange zijde zag ik reeds in de verte den engelschen chef-instructeur in bovenaardsche pracht stralen. Hij droeg een vuurroode galajas, van boven tot beneden met zware gouden tressen bezet, ongeveer ter dubbele breedte van die der diplomatenuniform. Op het hoofd droeg hij de hooge, scharlakenroode sjasjia van de moorsche askari’s, omwikkeld met een schitterend witten tulband, en om de schouders had hij, als bij de oude kruisridders, een wijden mantel zonder mouwen geslagen, gemaakt van ’t fijnste, witte mousseline.
Toen na lang wachten de sultan zich vertoonde, door een schitterenden hofstoet omgeven, klonk uit de rijen der soldaten den krijgsroep: “Allah moge onzen heer de zege verschaffen!”allah ianssar ssidna, die altijd wordt geuit, zoodra de sultan verschijnt. Statig reed de vorst over het plein, en de engelsche chef-instructeur wenkte mij, hem binnen het regeeringsgebouw te volgen.
Daar had ik een kort onderhoud met den vorst, waarbij Sir Harry Maclean als tolk optrad. Het was een ongedwongen praatje, dat op aardrijks- en staatkundig gebied bleef. Ik maakte mijn verontschuldigingen over mijn niet-groeten, en het trof mij, hoe eenvoudig en waardig het optreden van den sultan was. Vriendelijk weerde hij mijn excuses af met hetBladzijde 264woord, dat men van den eersten dag van zijn verblijf in Marokko kan hooren uit den mond van hoog- en laaggeplaatsten:la bass, la bassd.i. het doet er niet toe.
Dr. Genthe’s Reisbrieven zijn in 1904 in de Kölnische Zeitung verschenen, en toen de laatste er van het licht zag, was de schrijver reeds niet meer onder de levenden. Hij heeft op droevige wijze in Marokko den dood gevonden.
In Maart 1904 was hij op het punt, Fez vaarwel te zeggen; den 10den zou hij opbreken naar de kust. Het had lang en zwaar geregend, en de doctor had zijn gewonen namiddagrit eenige dagen moeten missen. Den achtsten nu lokte hem een heerlijke voorjaarsdag naar buiten, en op zijn mooie Benni-Hassan-hengst reed hij tegen drie uur in den namiddag de westpoort uit, om niet weer terug te keeren. Hij was voor dat rijden alleen dikwijls gewaarschuwd, maar zijn kamers in Fez waren eng en benauwd, en er waren zooveel dingen geweest, waarvoor men hem had gewaarschuwd en die toch goed waren afgeloopen, dat men hem het niet euvel kan duiden, wanneer hij soms een raad in den wind sloeg.
Parade voor den Sultan in Fez.Parade voor den Sultan in Fez.
Parade voor den Sultan in Fez.
Parade voor den Sultan in Fez.
Er was hem wel door de regeering een bereden soldaat toegevoegd; maar Genthe reed veelal zeer snel, om het geleide kwijt te raken en de regeering had, om haar paarden te sparen, reeds bepaald, dat hij alleen te voet gaande, begeleid zou worden. Zoo bleef ook toen de soldaat achter, en den 9den kwam de man op het duitsche consulaat melden, dat zijn heer niet terug was gekeerd.
Waarschijnlijk heeft de reiziger den dood gevonden onder moordenaarshand, en hebben roovers hem uitgeplunderd en daarna het lijk verduisterd. Er is wel in de Seboe in het laatst van April een lijk gevonden, dat als van een Europeaan voor het zijne is gehouden, maar het was gewond en geheel naakt, en met zekerheid heeft niemand het als het lijk van den Duitscher kunnen herkennen.
De weg, dien hij uitgereden was, is vooral in den regentijd zeer eenzaam, en het schijnt, dat een slecht befaamd individu El Chammar de daad heeft bedreven, niet onmogelijk met medeweten van Dr. Genthe’s persoonlijken bediende. Allerlei nasporingen werden in het werk gesteld; het paard werd nog in September bij den stam der Beni Mtir teruggevonden en daaraan werden nieuwe onderzoekingen vastgeknoopt; maar volkomen opgehelderd is de zaak nooit.
Toch heeft men getracht, het rechtsgevoel bevrediging te schenken, ’t geen vooral noodig werd, toen des keizers bezoek in Marokko was aangekondigd. De door de publieke opinie als moordenaars aangewezenen werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, en de marokkaansche regeering betaalde een som van 40.000 mark als schadeloosstelling voor de bloedverwanten van den vermoorde. Op die wijze wordt in den laatsten tijd vaker Marokko’s schatkist aangesproken. Voor eenige maanden is de Franschman Charbonnier er vermoord, en in ’t begin van Juli heeft het machzen in 100.000 francs schadevergoeding bewilligd.
1Dit uittreksel is ontleend aan: Marokko, Reiseschilderungen von Dr. Siegfried Genthe. 2e aufl. Berlin, Allgem. Verein für Deutsche Literatur 1906.
1Dit uittreksel is ontleend aan: Marokko, Reiseschilderungen von Dr. Siegfried Genthe. 2e aufl. Berlin, Allgem. Verein für Deutsche Literatur 1906.