(31)Vgl. Baldaeus, „Afgoderye der Heydenen”, bl. 23, waar hij eene mythe verhaalt, waaruit verklaard wordt, „dat den Kokos een gedaante en aangezichte heeft als een mensch.”
(31)Vgl. Baldaeus, „Afgoderye der Heydenen”, bl. 23, waar hij eene mythe verhaalt, waaruit verklaard wordt, „dat den Kokos een gedaante en aangezichte heeft als een mensch.”
(32)De overeenkomst vankokosmetkoekienkoïx, namen voorkomende in de„Historia plantarum”vanTheophrastus, is o. a. opgemerkt in Kramers-Bonte „Kunstwoordentolk”.Koïxheeft zeker niets te maken met deCoïx lacrymader hedendaagsche botanici, maar schijnt deHyphaeneof Doempalm van Opper-Egypte aan te duiden. Zie Fraas,„Synopsis plantarum Florae classicae”,p. 278. Dit is althans een palm, en wel een palm welks vruchten door de arme bevolking gegeten worden; maar de overeenkomst met den kokosboom, dien de Grieken niet kenden, is zeer gering. Men heeft ook nog gewezen op de overeenkomst met het Gr.kokkos, de pit of kern eener vrucht, soms ook de geheele bes.
(32)De overeenkomst vankokosmetkoekienkoïx, namen voorkomende in de„Historia plantarum”vanTheophrastus, is o. a. opgemerkt in Kramers-Bonte „Kunstwoordentolk”.Koïxheeft zeker niets te maken met deCoïx lacrymader hedendaagsche botanici, maar schijnt deHyphaeneof Doempalm van Opper-Egypte aan te duiden. Zie Fraas,„Synopsis plantarum Florae classicae”,p. 278. Dit is althans een palm, en wel een palm welks vruchten door de arme bevolking gegeten worden; maar de overeenkomst met den kokosboom, dien de Grieken niet kenden, is zeer gering. Men heeft ook nog gewezen op de overeenkomst met het Gr.kokkos, de pit of kern eener vrucht, soms ook de geheele bes.
Areekheet dikwijls bij onze oude schrijvers de noot van den Pinangpalm (Areca Catechu) of zoogenaamde betelnoot, die door de bewoners van den Indischen Archipel en andere Indische volken met het betelblad gekauwd wordt. (Zie opBetel). Ik bepaal mij tot een paar voorbeelden. Baldaeus, „Afgoderije der Heydenen”, bl. 15: „daar is ook een zoort van Bramines, haar onthoudende van betel te eten, zijnde een groen blad met drooge areek ofte jonge genomen ende met kalk 'tzamen gemaakt.” Rijklof van Goens bij Valentijn, „Ceilon”, bl. 243: „Men bouwde op Coetsjin een schip, om met peper en areek naPorto Novoverzonden te worden”.
Dit woord schijnt van Malabaarschen oorsprong te zijn, maar is van de Malabaren overgegaantot de Portugeezen, en van de Portugeezen tot ons, ofschoon men thans in Indië, ook onder Europeanen, de betelnoot gewoonlijk met den Maleischen naampinangnoemt. In de botanie isArecade naam geworden van het geheele geslacht palmen waartoe de pinangpalm behoort. Bij Rumphius,„Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 28, lezen wij over dezen naam het volgende: „In Guseratten en Decan heet de betelnootSuppari, te Goa en overal daar de Portugeesche taal gebruikt werd,heet ze, zoowel de groene als de drooge,ArequaofArecaen den boomArequero... Ik zelfs heb ze van de Mallabaren horen noemen, de jonge en groenePaynga, de oudeAreecenPac.”
Dat de naamAreekook nu nog niet geheel verouderd is, zien wij uit de vermelding van areek-noten in Ritter's „Indische herinneringen”, bl. 262.
Deze bij de Europeanen gewone naam voor desirihder Maleiers, d. i. voor het geurige, roodsappige en bittere blad, dat zij gewoon zijn met een stukje pinangnoot en een weinig fijne kalk, dikwijls ook met een gambirkoekje, te kauwen, zou, volgens Bontius, in het aanhangsel op Piso,„de Indiae utriusque re naturali et medica”,p. 90, Javaansch zijn. Maar hoe vreemd ons zulk eene dwaling in een te Batavia gevestigd geneesheer ook schijnen moge, het is zeker dat hij zich vergist, daar de betel in het Javaansch in de lage taalsoeroeh, in de hooge taalsĕdahheet. Vandaar ook de naam der residentiePasoeroehhanofPasoeroewan, in de hooge taalPasĕdahhan, diebeteltuinbeteekent.
Toen ik in„de Gids” voor Maart 1876mijne aankondiging van Prof. Dozy's „Oosterlingen” schreef, was de oorsprong van het woordbetelmij niet bekend; maar onze beroemde linguist Neubronner van der Tuuk schreef mij daarover het volgende: „Betelis door 't Portugeesch heen tot ons gekomen uit het Tamiel, waar het wettilei is (zieRöttger's Wdbk., bl. 236, r. 1.). Het wordt in het Tamielwerrileigespeld, maar twee r's worden alstuitgesproken”. Ik vind in de Portugeesche woordenboeken de vormenbetele,betelle,betel,bethelenbetre. Van Linschoten „Itinerario”, bl. 84, schrijftbetteleofbethre. Bontius gebruikt den vormbetele, die ook het naast komt aan dien gebezigd inChavica betle, den botanischen naam der plant. De Portugeezen hebben zeker het betel-kauwen het eerst leeren kennen op de kust van Malabar, waar het Tamiel te huis behoort. Daarom zegt ookMoraes Silvain zijnPortugeesch Woordenboek, art.betele: „Herva trepadeira aromatica, que os Malabares mascâo ordinariamente,”d. i. „eene geurigeklimplant, die de Malabaren gewoonlijk kauwen.”
Onder de veelvuldige samenstellingen, zooalsbetelblad,beteldoos,betelpeper,betelpruimenz., verdientbetelnootopmerking, omdat daardoor niet de vrucht van de sirih- of betelplant, maar de met het betelblad gekauwde pinangnoot of areek wordt aangeduid. Zie opAreek.
Met dezen naam noemt men thans in Nederlandsch-Indië algemeen denangka, de vrucht vanArtocarpus integrifolia. Dat hij echter zeer ongepast is, kan blijken uit iedere goede beschrijving der vrucht, b.v. uit de volgende bij Valentijn,III, 1, bl. 160: „Deze vrugt is van groote en dikte als een lange watermeloen, zijnde omtrent anderhalve voet en ook wel langer, en wel zoo dik als een man boven aan zijn dije is... Zij smaken zeerzoet, ten deele als zoete limoenen en ook wel wat na honig.” Heeft dus al de vorm van de vrucht eenige overeenkomst met een zak, er is geen enkele reden om haarzuurzak te noemen.
Doch bij onze oude schrijvers leest men ook nietZuurzak, maarSoorsak, en wij schijnen hier wederom een voorbeeld te hebben van die verbastering van vreemde woorden, om zeeen meer Nederlandsch voorkomen te geven, waaraan wijklappervoorkalapaen een aantal dergelijke (zie opkaalkop) verschuldigd zijn. Valentijn, t. a. p., bl. 159, noemt deArtocarpus integrifoliadenSoorsakboom, schrijftsoorsakcursief als een vreemd woord, noemt als soorten deBiloelang-soorsaken deBrij-soorsak(de laatste dus genoemd omdat zij papachtig is), en geeft niet de minste aanleiding om te denken, dat hijsoorsakvoor een Ned. woord houdt. Anders echter Rumphius,„Amboinsch Kruydboek”, Dl. I, bl. 105, die van deze vrucht sprekende zegt: „Naam, in 't Latijn,Saccus arboreus major, bij onze Duitschesoorzakofschorzakken, omdat ze wel een schorre of ruige zak gelijken.” Doch in deze verklaring schijnt Rumphius mij der taal in twee opzichten geweld aan te doen; vooreerst doorsoor, zonder opheldering, metschorte verwisselen; ten andere door aanschorin het algemeen de beteekenis vanruw,ruig, toe te kennen, terwijl het, voor zoover ik weet, alleen in de uitdrukkingschorre(d. i. ruwe, kale, steile)kusten, een zeemansterm, in het dagelijksch leven onbekend, eene beteekenis heeft die daarnaar zweemt.Soorsakheeft een geheel on-Nederlandsch aanzien, en daar alle pogingen om het woord in eenige taal of dialect van Insulinde weêr te vinden, tot hiertoe vruchteloos zijn gebleven, ligt het voor de hand te gissen, dat de naam uit Hindostan zal afkomstig zijn.DeMalabaarschenaam dezer vrucht is echterJakaofJakka, waarvan het EngelscheJack,jackfruit. Ook deze naamJakakomt bij onze oude schrijvers voor, b. v. bij v. Linschoten, „Itinerario”, bl. 73 (dieIaquaofIaaccaschrijft); Nieuhoff,„Gezandschap aan den grooten Tatarischen Khan”,D.II, bl. 146;„Batavia in derzelver gelegenheid”, D. IV, bl. 39.
Het verdient uit dien hoofde opmerking, dat de Engelschen de uit West-Indië afkomstige Anona's, die sedert lang naar Oost-Indië zijn overgebracht, onderscheiden incustard-apple(Anona squamosa),sweet-sop(Anona reticulata), ensour-sop(Anona muricata). ZieDrury,„Useful plants of India”, p. 44. Als eenigszins overeenkomende met de inlandsche Nangka, maar door de Hollanders ingevoerd, noemt men deAnona muricatain IndiëNangka welandaofhollanda(Hollandsche nangka). De naamsoursop, verbasterd totsoorsak, en vervolgens totzuurzak, schijnt door Rumphius, Valentijn en hunne opvolgers op de ware inlandsche Nangka te zijn overgebracht. De vrucht vanAnona muricataheeft werkelijk een zuursappig, verfrisschend vleesch. Zie Bisschop Grevelink, „Planten van Ned.-Indië”, bl. 28.
Deze om haar heerlijke vruchten bekende plant, deAnanassa sativa, wordt in geheel Indië, zoo op het vasteland als op de eilanden, in talrijke verscheidenheden gekweekt. Algemeen wordt thans erkend dat deze plant uit Brazilië of Peru afkomstig is, ofschoon de ouderdom harer cultuur en hare verwildering op de eilanden van den Archipel Rumphius aan haren Amerikaanschen oorsprong deden twijfelen. Zoowel als de plant is ook haar naam uit Amerika afkomstig. Ik lees in„The Treasury of Botany”vanLindleyenMoore, p. 60, dat deze plant het eerst aan de Europeanen bekend werd in Peru, dat zij daar te landenanasheet, en dat zij onder dezen naam in 1555 beschreven werd door den monnik André Thevet. Paludanus, in de aanteekeningen op v. Linschoten's „Itinerario”, schrijft (bl. 72) „Ananas, van die Canarijnsananasageheeten, van die Brasilianennanaen van anderen in Hispaniolaiaiama, van die Spangiaerden in Brasylpinas, om eenighe ghelijkenisse die deze vrucht heeft met die pijnappel(33), is uyt die provincie vanSante Croceeerst in Brasiliën, vandaer in Spaensch-Indiënende volgens in Oost-Indiën gebracht.” Piso,„de Indiae utriusque re naturali et medica”,zegt, p. 194, dat de plant bij de Brazilianennanaen bij de Portugeezenananasheet, en hetPortugeesch Woordenboek vanda Costa e Sázegt opAnanas: „fruto e planta do Brasil”. Ook S. de Vries, „Curieuse aenmerkinghen”, I, bl. 231, bevestigt datnanade Braziliaansche naam is. Wij mogen dus niet twijfelen of plant en naam beide zijn door de Portugeezen uit Amerika naar Oost-Indië overgebracht.
Het is duidelijk dat ook wij den naam dezer plant van de Portugeezen hebben overgenomen, terwijl in het Javaansche en Maleischenanas, op wat wijze dan ook, de oorspronkelijke Amerikaansche vorm van dien naam is bewaard of hersteld. Aan de volken van den Archipel moest het toeschijnen dat deze naam door reduplicatie, ontstaan was; vandaar dat hij in sommige talen (Bataksch, Dajaksch, Soendasch) de vormenhonas,kĕnas,kanas, kon aannemen, waardoor hij meer bepaald tot nom. subst. is gestempeld. Merkwaardig is de Menangkabausche naampisang ănas, die zich kwalijk met den aard der vrucht laat rijmen.
Ofschoon ik in de gelegenheid was, alvorens dit stukje ter perse ging, het (nog niet afgedrukte) art.ananasin hetWoordenboek van de Vries en te Winkelte raadplegen, heb ik gemeend niets aan dit artikel te moeten veranderen. Bijvergelijking zal bevonden worden dat beide elkander bevestigen en aanvullen.
(33)Men herinnert zich datpineapplede gewone naam der ananas is in het Engelsch.
(33)Men herinnert zich datpineapplede gewone naam der ananas is in het Engelsch.
Ofschoon dit product, dat tot de orchideeën behoort, uit Amerika afkomstig is, moet de naam niet uit eenige Amerikaansche taal, maar uit het Spaansch worden verklaard. Hij luidt in die taalvaynilla, een verkleinvorm vanvayna, het Latijnschevagina.Vaynabeteekent in het algemeen eenescheede, en inzonderheid de scheede die het zaad van sommige planten bevat, de zaaddoos, peul of hauw. De vruchten der vanielje (vanilla aromatica) bestaan werkelijk uit kleine, lange hauwen, zoodat de reden van den naam geheel voor de hand ligt. De Mexicaansche naam der vanielje is Tlilxochitl. Zie Piso, „Mantissa aromatica”, p. 200.
Agar-agaris de gewone Maleische naam van dePlocaria (Gracilaria) candida, thansSphaerococcus lichenoïdes, eene soort van eetbare zeewier, soms bij Nederlandsche schrijverszeedruivengenoemd, ofschoon ook bij henagar-agarde gebruikelijke naam is. Deze wier komt voor langsde stranden van meest alle eilanden van den Archipel en van Ceilon, en vormt een belangrijk artikel van uitvoer naar China. Om ze te eten kookt men ze tot eene gelei, die door de Chineezen ook als lijm of vernis wordt gebruikt. Te Singapore ziet men overal op de straten venters van water, groenten, vruchten, soep en agar-agar. ZieWallace, „Insulinde”, I, bl. 39. Zie verder Filet, „Plantk. Wdbk.”, no. 20 en 21; v. d. Burg,„de Geneesheer in Indië”, D. III, bl. 79; Miquel, „Sumatra”, bl. 42.
Bamboesis in onze taal de naam van het botanisch geslachtBambusa, dat, vooral in de soortBambusa vulgaris, in een groot aantal verscheidenheden zoowel in Hindostan als in den Indischen Archipel voorkomt. Andere soorten vindt men in West-Indië en Midden-Afrika, en voor de bewoners der tropische gewesten is er geen andere plant, die het bamboesriet in nuttigheid evenaart. Om een denkbeeld te erlangen van het eindeloos verschillend gebruik dat van deze plant en al hare deelen gemaakt wordt, raadplege men b. v.Wallace's„Insulinde”, D. I, bl. 129–135.
Het woordbamboes, mv.bamboezen, dat ook in vele samenstellingen, b. v.bamboesriet,bamboesstok,bamboeskokerenz. voorkomt, wordt in onze taalniet enkel van de geheele plant, maar soms ook van enkele harer deelen gebruikt. Zoo vindt men b. v. bij Gevers Deynoot, „Reis naar Oost-Indië”, op bl. 79bamboezenin de beteekenis van de door een knoop gescheiden leden der bamboesplant („de inlander die eenige gelden verzameld heeft begraaft deze in bamboezen onder den grond”), op bl. 105 in die van bamboesstokken („puntige bamboezen werden in het werk gesteld om den tijger en den karbouw met elkander te doen strijden”). Ook wordt vanbamboeshet stoffelijk bijv. nw.bamboezengevormd, b.v. bamboezen huisjes, bamboezen kooi, bij denzelfden schrijver, bl. 78 en 105.
Ons woordbamboesis door toevoeging eenersgevormd vanbamboe, aan welken laatsten vorm thans sommige schrijvers uit een streven naar nauwkeurigheid de voorkeur geven. In den Indischen Archipel is de naambamboeniet onbekend, maar hij is er door de vreemde, Aziatische of Europeesche, handelaars ingevoerd. De inlandsche naam van dit riet isboeloeh(Maleisch) ofwoeloeh(34)(Javaansch). De naambamboe, waarvoor men ookmamboezegt, stamt uit Hindostan.„Oock is”, zegt v. Linschoten „Itinerario” bl. 82, „op alle de custe van Malabar veel dick riet, en principaelijk aan de custe van Choromandel, welck riet wordt van de Indianenmambugenaempt, en van de Portugesenbambu”. In de Portugeesche woordenboeken vind ik de vormenbambu, mv.bambuz, enbambuz, mv.bambuzes. Het kan nauwelijks aan twijfel onderhevig zijn of wij hebben ook dit woord van de Portugeezen overgenomen en onsbamboesis naarbambuzgevormd.
(34)Woeloehis de Jav. uitspraak vanboeloeh, maar wordt volgens de woordenboeken slechts van eene bijzondere soort, deBambusa excelsa, gebezigd. De algemeene Javaansche naam van de bamboes ispring, in de hooge taaldĕling.
(34)Woeloehis de Jav. uitspraak vanboeloeh, maar wordt volgens de woordenboeken slechts van eene bijzondere soort, deBambusa excelsa, gebezigd. De algemeene Javaansche naam van de bamboes ispring, in de hooge taaldĕling.
Rottingis, volgens Weiland, „eigenlijk een rietachtig plantgewas, dat bij de kruidkenners den naam vanrottangvoert en verschillende soorten heeft, en in het gebruik een staf, van dat plantgewas genomen.” Deze verklaring is weder zeer gebrekkig; voor eene juiste zijn weinig meer woorden, maar wat meer zaakkennis noodig. Onsrottingen het Engelscherattanzijn verbasteringen van het Maleischerotan, hetwelk de algemeene naam is van de rietpalmen, behoorende tot de botanische geslachtenCalamusenDaemonorops, en in een verbazend aantal soorten in de bosschen van den Indischen Archipel voorkomende. Over den oorsprong van het Maleische woord zelf uit te weiden ligt buiten mijn bestek;men zie daarover v. d. Tuuk,„Bataksch leesboek”, D. IV, bl. 119; maar wel is het van belang op te merken, dat reeds in onderscheidene dialecten van den Indischen Archipel zelven, in plaats van de finalen, in dit woord de neusklanknggehoord wordt, zooals in het Makassaarscheraoekang, het Batakschehotang, het Daïrischekĕtang.(35)In de talen van Insulinde gaat de finalenzeer licht inngover en meenen de Europeanen deze laatste letter dikwijls ook daar te hooren, waar de inboorlingen de enkelenschrijven. Zoo b. v. in het gewonekojangvoor het Maleischekojan, inorang oetangv.o. oetan. (zie ophet woord), inBintang, zooals de Europeanen den naam van het eilandBintanuitspreken enz. Vgl. ook opTang. En zoo hebben de Europeanen vanrotanveelalrotanggemaakt, b. v. in den botanischen soortnaamCalamus rotang.
Eene andere opmerking tot verklaring van het verbasterderottingis, dat de Europeanen, daarvoor grond vindende in de inlandsche uitspraak, geneigd zijn in Maleische en Javaansche woorden detusschen twee vokalen, waarvan de voorafgaande betoond is, geplaatste medeklinkers te verdubbelen of tusschen de beide lettergrepen te verdeelen, zooals in dammer, pagger, passer, slokkan, dessa en andere.Rotanwerd dusrottang, en de toonloozeain de laatste lettergreep, door de versterking der voorlaatste nog meer verkort, ging in dammar, paggar, passar in ĕ, in rottang in de nagenoeg evenzoo luidende ĭ over.(36)Men schreef dusrotting, welke vorm reeds zeer oud is en o. a. voorkomt bij Baldaeus, „Ceilon”, bl. 88.
Rotting is geheel een Nederlandsch woord geworden, zooals blijkt uit de vele daarmede gevormde samenstellingen, b.v. rottingknop, rottingband, rottingolie enz. In den handel onderscheidt men handrotting (zwaardere stukken op bepaalde maat gesneden voor wandelstokken) en bindrotting (lange, dunne stukken voor bindmiddel en vervaardiging van matten en meubelen gebruikt.)
(35)De Bataksche vormen doen echter de hier aangenomen afleiding vanraoet, metanals vormingslettergreep, in twijfel trekken en eer denken aan den grondklanktang, die het begrip van rekbaarheid en buigbaarheid schijnt uit te drukken. Mocht dit juist zijn, dan is dengoorspronkelijk.
(35)De Bataksche vormen doen echter de hier aangenomen afleiding vanraoet, metanals vormingslettergreep, in twijfel trekken en eer denken aan den grondklanktang, die het begrip van rekbaarheid en buigbaarheid schijnt uit te drukken. Mocht dit juist zijn, dan is dengoorspronkelijk.
(36)Indien menrottengin plaats vanrottingschreef, zou de uitspraak niet wezenlijk verschillen.
(36)Indien menrottengin plaats vanrottingschreef, zou de uitspraak niet wezenlijk verschillen.
Batatenofpataten(patatten) is de met de plant zelve uit Amerika afkomstige naam eener Convolvulacee, die door de botaniciBatatas edulisgenoemd wordt, en wier eetbare, vleezige en zoet smakende knollen onder de voedingstoffen der tropische gewesten eene belangrijke plaats innemen. VolgensNieremberg,„Hist. Nat.” l. XV, c. 90, aangehaald bij Rumphius,„Amboinsch Kruydboek”, D. V, bl. 369, zou het woordbatattauit Haïti afkomstig zijn, hetgeen het door Rumphius eenigszins in twijfel getrokken gevoelen bevestigen zou, dat dit knolgewas door Spanjaarden en Portugeezen uit Amerika naar Manilla en vandaar naar de Molukken en andere gewesten van den Indischen Archipel is overgebracht. Het voorkomen der bataten in het wild, zelfs op eilanden waar nooit geregelde vestiging van Europeanen plaats had, is hiertegen, blijkens vele soortgelijke gevallen, geen afdoend bewijs. Ook Piso, „de Indiae utriusque re nat. et med.”, p. 254, beschrijft debatatenals een Amerikaansch gewas, waarvan hij de Peruaansche en Braziliaansche namen opgeeft.
De naambataten, Port. en Sp.batáta, is ongetwijfeld weder door de Spanjaarden en Portugeezen tegelijk met de plant zelve verspreid en door de Nederlanders in Indië, gelijk ook door de Maleiers (zie Rumphius, t. a. p., bl. 368) van hen overgenomen. Ook is hij in den vormBatatasde botanische naam geworden van het geslacht, waartoe deze plant behoort.
Men noemt de bataten dikwijls ook „zoete aardappelen” en inderdaad hebben zij met degewone aardappelen,Solanum tuberosum, veel overeenkomst. Vanhier dat, toen de aardappelen, die in de bergen van Peru en Chili in het wild wassen, maar reeds in overoude tijden door cultuur over Amerika verspreid zijn, het eerst in Engeland bekend werden, zij daar, als uit Virginië ingevoerd, met den naam vanBatatas Virginianabestempeld werden. Hieruit laat zich ook verklaren datpotatoes, eene verbastering vanbatatas, de gewone naam der aardappelen in het Engelsch is gebleven. Evenzoo heeten in het Zweedsch de aardappelen doorgaanspotatesofpotäter, en ook in andere talen wordt dit knolgewas nog wel eensbatatenofpatatengenoemd.
Van Dale, „Nieuw Ned. Woordenb.” verklaartbatatendoor „groene aardappelen”. Ik denk dat dit eene verschrijving is voor „zoete aardappelen”, onder welken naam de bataten algemeen bekend zijn. Er bestaan zooveel ik weet geene andere groene aardappelen dan die welke, boven den grond groeiende en daardoor aan de lucht blootgesteld, eene groene kleur hebben aangenomen. Doch het is ondenkbaar dat men aan deze, die niets dan gewone aardappelen zijn, den naam zou gegeven hebben van eene plant, die tot eene geheel andere plantenfamilie en tot de voortbrengselen der tropische gewesten behoort.
Deze plant is aan Oost- en West-Indië, of, om juister te spreken, aan de tropische gewesten van Azië, Afrika en Amerika gemeen. Men heeft zelfs vroeger aangenomen dat zij, evenals de maïs en eenige andere planten, in beide halfronden oorspronkelijk was; doch zulke voorstellingen worden door de tegenwoordige wetenschap gewraakt. Wat de banaan betreft, gelooft men thans algemeen dat zij in de oude wereld te huis behoort, en vermoedt men dat zij in den allereersten tijd der ontdekkingsreizen van Portugeezen en Spanjaarden door hen naar de nieuwe wereld is overgebracht. En hiervoor pleit ook de getuigenis van Oviedus,„Hist. Indic.”, l. 8, c. 1, dat deplatanodoor de Spanjaarden en Portugeezen uit Groot-Kanarië het eerst naar de Nieuwe Wereld gebracht is en zich daar later vermenigvuldigd heeft.
Deze plant, die bij verschillende volken eene belangrijke plaats onder de voedingstoffen inneemt, heeft ook een aantal zeer uiteenloopende namen. In het Arabisch heet zijmauz, waarvan de botanische geslachtsnaamMusaafkomstig is. In den Indischen Archipel heeft zij bijna zooveel namen als er talen gesproken worden; ik noem slechtspisangin het Maleisch en hoog-Javaansch,gĕdangin het laag Javaansch,tjaoein het Soendaasch,oentiin het Makassaarsch, als voorbeelden. Zonderling is de Spaansche naamplatanoofplantano; want het eerste is in het Spaansch ook de naam van denplataanboom, die niet in het minst op de banaanplant gelijkt, enplantanoschijnt eer eene verbastering vanplatano, door de in den volksmond zoo vaak voorkomende inlassching der liquida (zie bijamfioenenpampoesjes)(37), dan omgekeerd. Intusschen is vanplantanode gewone Engelsche naamplantaingevormd. De meest verbreide naam dezer plant is echterbanaan, zoo het schijnt door de Portugeezen in den vormbanánategelijk met de plant uit Afrika naar Brazilië overgebracht, zoodat Dapper,„Beschrijving van het Keizerrijk Sina”, bl. 221, terecht kon schrijven, datbananasde naam dezer vrucht is bij de Brazilianen. Evenwel worden door Piso,„de Indiae utriusque re nat. et medica”,p. 154, geheel andere namen als voor de pisangs in Brazilië gebruikelijk opgegeven, namelijkpacobuçuenpacobeté.Pacobuçuis de naam van de soort die de botaniciMusa sapientumnoemen, enpacobetéde naam van deMusa paradisiaca, die in Surinamebakkove(eldersbaccovo,pacoba) wordt geheeten. Men beschouwt in die gewesten deM. sapientumsoms als de echte typische banaan, en stelt ze als zoodanig tegenover deM. paradisiaca, die kleiner en overvloediger vruchten draagt. Echter worden, als men algemeen spreekt, de bakkove's onder den naam van banaan begrepen. Zegt men dus, gelijk men zoo dikwijls leest, dat inWest-Indiëde banaan nevens de bakkeljauw het hoofdvoedsel van de negerslaven placht te wezen, dan is daarmede niet beslist of menMusa sapientumofMusa paradisiacabedoelt; het was zelfs doorgaans de bakkove, die aan de negers verstrekt werd.
Ik deed reeds opmerken, dat de naam banaan door de Portugeezen uit Afrika naar Amerika werd overgebracht. Inderdaad schijntbanaanoorspronkelijk Afrikaansch te zijn. Volgens Rumphius is banaan een naam die in Guinee te huis behoort; Th. Tromp, in zijne „Herinneringen”, bl. 50, zegt mede dat men in Afrika de pisangsbananennoemt. Overigens hebben de Franschenen Duitschers algemeen den naam banaan aangenomen, en zelfs onder de Nederlanders, die in vroeger tijd met de minder afgelegene en meer door Europeanen gekoloniseerde Westindische bezittingen, veel meer dan met de door het monopolie der Compagnie voor den ondernemingsgeest der particulieren gesloten gewesten van Insulinde bekend waren, was de naam banaan veel meer dan die van pisang bekend. In de laatste jaren, nu men Insulinde zooveel meer heeft leeren kennen en waardeeren en zoovele familiën na veeljarig verblijf in Indië zich weder metterwoon in het moederland vestigen, wordt in den dagelijkschen omgang het woordbanaanmeer en meer door pisang verdrongen, en is, zelfsde ware pisangeene spreekwoordelijke uitdrukking geworden. Sommigen willen denpisangvan debanaanonderscheiden. Daarin eene zoo wijd verspreide cultuurplant natuurlijk een verbazend aantal verscheidenheden ontstaan zijn, kan men met het verschil van namen ook lichtelijk het denkbeeld van eenig soortverschil verbinden; maar bepaalde verscheidenheden, waaraan men den naam van pisang in onderscheiding met dien van banaan zou kunnen toekennen, zijn niet aan te wijzen. Alle gekweekte variëteiten in Indië schijnen tot dezelfde beide soorten als de Amerikaansche:Musa sapientumenMusa paradisiacate moeten gebracht worden. Zelfs in Afrika worden pisang en banaan hier en daar door elkander gebezigd.Zoo leest men b. v. in Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch Idioticon,” op het woordPisang: „algemeene Kaapsche naam voorde verschillende banaansoorten”, terwijl de Marrée, in zijne„Beschrijving der Goudkust”, II, bl. 199, zelfs vanpisangboomenals een product dier kust gewaagt.
Naar aanleiding van dit woordpisangboommerk ik hier ten slotte nog op, dat het niet zeer juist is de pisangplant een boom te noemen. De stam is geheel kruidachtig en wordt slechts door de vast om elkander gerolde bladscheeden gevormd.
(37)Naar mijn inzien wordt de liquida eerder ingevoegd dan uitgestooten, waarom ik ook geneigd benlaternavoor den oorspronkelijken,lanterna(waarvan onslantaarn) voor den verbasterden vorm te houden. Evenzoo istaggerijnouder dantangerijn. Zie Dozy's „Oosterlingen” op dit woord, waar de vergelijking der uitspraak van de dubbelegalsngin het Grieksch mij minder gepast schijnt. Rumphius,„Amb. Kruydb.”, D. V, bl. 128, houdt in de beteekenis van „banaan”plantanovoor den waren vorm en wil dien afleiden vanplanta; maar hoe dan den uitganganote verklaren?
(37)Naar mijn inzien wordt de liquida eerder ingevoegd dan uitgestooten, waarom ik ook geneigd benlaternavoor den oorspronkelijken,lanterna(waarvan onslantaarn) voor den verbasterden vorm te houden. Evenzoo istaggerijnouder dantangerijn. Zie Dozy's „Oosterlingen” op dit woord, waar de vergelijking der uitspraak van de dubbelegalsngin het Grieksch mij minder gepast schijnt. Rumphius,„Amb. Kruydb.”, D. V, bl. 128, houdt in de beteekenis van „banaan”plantanovoor den waren vorm en wil dien afleiden vanplanta; maar hoe dan den uitganganote verklaren?
Anemoonis de naam van een bekend geslacht van planten, met fraaie bloemen, behoorende tot de familie der Ranunculaceeën, en ook bij de botaniciAnemonegeheeten.
Omtrent den oorsprong van den naam dezer bloem bestaat eene Arabische legende, die doorCaussin de Perceval,„Essai sur l'histoire des Arabes”, II, p. 156, aldus verhaald wordt.„Une prairie voisine de Hira produisait beaucoup d'anemones. Le roi Nòman affectionnait, dit-on, cet endroit; il le prit sous sa protection, c'est à dire, qu'il en interdit l'approche au public. Les fleurs qui y naissaient, furent appellées pour cette raison chakaïk-an-Nòmân, fleurs de Nòmân.”Men gevoelt dat de bedoeling is anemoon van„an-Nòmân”af te leiden, en deze afleiding heeft o. a. bijval gevonden bij Engelmann, „Glossaire des mots Espagnols” enz. Zij is echter ongetwijfeld onjuist, gelijk Prof. Dozy in detweede zeer vermeerderde uitgave van ditglossaire, p. 373, heeft aangetoond.Anemoonis toch zonder eenigen twijfel het Griekscheanemōné, dat reeds bij Hippocrates voorkomt, terwijl Theophrastus en Dioskorides reeds de soorten onderscheiden die nu nogAnemone coronaria,hortensis,Apenninagenoemd worden. Zie Fraas, „Synopsis plantarum Florae classicae”, p. 130.
En toch is het volstrekt niet onmogelijk datanemoonin den grond van Semietischen oorsprong is, gelijk er in het Grieksch zoovele andere woorden zijn die van de Phoeniciërs en andere volken van het Oosten zijn overgenomen.Movers,„Phönizier,” I, p. 217, heeft reeds gegist dat anemōné het Hebr. of Phenicischehan-naäman, d. i. de liefelijke, zou wezen, en met Prof. de Goeje, die daarop in zijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” heeft opmerkzaam gemaakt, acht ik dit verre van onwaarschijnlijk.
Een bekende gele, harde en blinkende, als verfstof en als geneesmiddel gebruikte soort vangom of hars, die men verkrijgt van verschillende Indische boomen van de familie der Clusiaceeën. Ofschoon de guttegom thans meest van Ceilon wordt aangevoerd, waar ze doorgaans vanStalagmites ovalifoliuswordt verkregen, is echter de ware van oudsher bekende guttegomboom deGarcinia Cambogia(Cambogia guttaL.), die mede op Ceilon en, vandaar ingevoerd, op Java voorkomt. Doch de naamCambogiawijst op het gewest, dat men (waarschijnlijk niet te onrecht) voor het eigenlijk vaderland van dezen boom hield, namelijk Kambodja in Achter-Indië. De Engelsche naam der guttegom,gamboge, laat zich daaruit gereedelijk verklaren.
In het Spaansch en Portugeesch, uit welke talen wij de namen van zoovele Indische handelswaren hebben overgenomen, komen voor de guttegom de volgende namen voor:
1o.Gomma rom. Port. Hier is het tweede lid van den naam het Maleischerong, waarmede in die taal de guttegom wordt aangeduid.
2o.Gomma gambo. Sp. Hier is het tweede lid naar allen schijn een verbasterde of verminkte vorm van Kambodja of Gamboge.
3o.Gomma gutta. Sp. en Port. (ook in 't Franschgomme gutte). Hier isguttahet gewone Maleische woord voor gom,gĕtah, dat in denzelfden vorm ook ingutta perchavoorkomt. Zie hetvolg. art.Misschien heeft het Latijnschegutta, droppel (de gom vloeitdroppelsgewijs uit de boomen), op deEuropeesche schrijfwijze van dezen Maleischen naam invloed gehad. Hoe het zij,gomma guttabeteekent gom-gom. Beide leden van den naam beduiden hetzelfde in verschillende talen. Toch is daaruit door eenvoudige omzetting onsguttegomontstaan, dat in ieder geval verkieslijk is bovengittegom, zooals soms wordt geschreven en uitgesproken.
Gutta-perchaheet het in de lucht tot eene lederachtige stof verharde melksap van zekeren boom, die op het Maleisch Schiereiland, Sumatra, Borneo en andere eilanden van den Ind. Archipel veel voorkomt,—eene stof die, daar ze lucht- en waterdicht is, eene groote plaats in de hedendaagsche industrie inneemt en tot ontelbare doeleinden wordt aangewend. Voor de uitspraak van het woord is het van belang op te merken, dat wij het van de Engelschen hebben overgenomen, en dat dus dechinperchamoet worden uitgesproken als in het Eng. inchurchofcharity. Inderdaad vertegenwoordigt ze detjavan het Maleische Alphabet. Beide bestanddeelen vangutta-perchazijn Maleisch.Guttais, evenals in guttegom (zie opdat woord) het Maleischegĕtah, gom.Percha, in het Maleisch met eenhop het einde en dus naar onze gewone wijze van transscriptiepertjahofpertsjahte schrijven, is de naam van den boom die deze gom oplevert, deIsonandra guttader botanici, ofschoon deze wel de voornaamste, maar niet de eenige boom is, waarvan de in den handel gebrachte gutta-percha wordt verkregen.
Pertja(doch zonder dehop het einde) is in de verbindingPoelo Pertjaook een Maleische naam van Sumatra of een deel van dat eiland. Wat in dien naampertjaeigenlijk beteekent is onzeker. Ik voer hem hier alleen aan, omdat vele Europeanenpertjahenpertjaverward hebben, en daarom gutta-percha doorgom van Sumatraverklaren. Zoo b. v. Kramers-Bonte in hun „Kunstwoordentolk”, en van Dale in het „Nieuw Ned. Wdbk.”, welke laatste niet heeft opgemerkt, dat hij met zijne eigen verklaring in strijd is, wanneer hij vervolgens van het verharde melksap van denpercha-boomspreekt.Perchamoet ingutta-perchaòf het eiland Sumatra, òf den pertjaboom, maar kan niet beide te gelijk beteekenen.
Het woordgonjelas ik op een uithangbord op de Oude Schans te Amsterdam, en bij onderzoek vernam ik dat daaronder verstaan wordt een soort van grove zakken tot verpakking van sommige handelswaren gebezigd. Dit deed mij dadelijk aangoeni-zakken denken. Ik herkende toch ingonjegemakkelijk een vernederlandschten vorm vangoniofgoeni, op dezelfde wijze gevormd alskatjevankatti,pitjesvanpitis.
Degoenibestaat uit de vezelen der tot de Tiliaceeën behoorende en in Bengalen veelvuldig gekweekte plantenCorchorus capsularisenCorchorus olitorius. De uit deze vezelen geweven ruwe stof dient tot vervaardiging van de zoogenaamde goeni-zakken tot verpakking van suiker en koffie, welk laatste product vooral geacht wordt daarin beveiligd te zijn tegen schadelijke invloeden, anders op de zeereis te duchten. Zie de Sturler, „Handboek voor den landbouw in N. O.-I.”, bl. 151. Daar de Corchorus-planten, ofschoon op sommige eilanden van den Archipel in het wild groeiende, daar niet gekweekt noch tot vervaardiging vangoeniaangewend worden, is het nauwlijks te denken dat het woordgoenioorspronkelijk Maleisch zou zijn, en is zijne afkomst eer in Bengalen te zoeken. De Engelschen noemen de zakkengunnyofgunney, de vezelsjute(vandaar ook bij ons soms jute-vlas) en de plantpaat, alles vermoedelijk woorden van inlandschen oorsprong.
In Ned.-Indië wordt de naamgoeniook tot andere gelijksoortige vezelstoffen uitgebreid. „Weleer,” zegt de heer de Sturler, t. a. p., bl. 152, „waren wij voor de verpakking der koffie cijnsbaar aan Bengalen, totdat men op het denkbeeldkwam om de vezelen van de uitgebreide familiën derMalvaceaeenTiliaceae(38)daaraan dienstbaar te maken.” Hieruit laat zich verklaren, dat de heer de Hollander,„Land- en Volkenk. van Ned. Indië”, 3e uitg., D. I, bl. 104, opgeeft, dat het goeni-touw en de goeni-zakken vervaardigd worden van de vezelen van den Genitri-boom(39); want deze is eene op Java en in de Molukken veelvuldig voorkomende tiliacee, deElaeocarpus serratusen de nauw aan deze verwanteElaeocarpus angustifoliusder botanici. Doch de heer de Hollander vergist zich geheel als hij t. a. p. deGenitrieen palm noemt.
Ook deCrotalaria juncea, eene Papilionacee, door de EngelschenSunofSunngenoemd, en zoowel in den Indischen Archipel als in Bengalen gekweekt, levert eene stof op, de Indische hennip, die als surrogaat voor degoenigebezigd en vaak onder dien naam begrepen wordt.
Het woordgonjewordt in ons land ook veelvuldig gebruikt om eene van grove, sterke vezels vervaardigde, zeer duurzame soort van tapijten aan te duiden. Waarschijnlijk waren die gonje-tapijtenoorspronkelijk vervaardigd uit dezelfde stof als de goeni-zakken, d. i. uit de vezelen van denCorchorusof een zijner surrogaten. Het woordgonjemoest in de Nederlandsche woordenboeken niet ontbreken.
(38)De heer de Sturler drukt zich hier niet nauwkeurig uit, daar ookCorchorustot de tiliaceeën behoort.
(38)De heer de Sturler drukt zich hier niet nauwkeurig uit, daar ookCorchorustot de tiliaceeën behoort.
(39)OfGanitri. Zie Filet, „Plantk. Wdbk.”, no. 2430. Op Amboina heet de boomAi-manoek. Zie ald. no. 104.
(39)OfGanitri. Zie Filet, „Plantk. Wdbk.”, no. 2430. Op Amboina heet de boomAi-manoek. Zie ald. no. 104.
Men zegt en schrijft ten onzent gewoonlijkkranjang, maar niets zou nog beletten den waren vormkrandjang(ofkĕrandjang) van het Maleisch en Javaansch te herstellen. Van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.” verklaartkranjang: „matwerk of gevlochten riet, waarin suiker uit Oost-Indië verzonden wordt, baal”. In hetJav. Wdbk.van Prof. Roorda wordtkrandjangverklaard: „een meer of min groote, grof gevlochtene, lange, ronde mand, gewoonlijk van bamboe, tot verpakking en vervoer van goederen.” Uit de Sturler's „Handboek voor den landbouw in N. O.-I.”, bl. 496, blijkt dat de krandjang ook wel van klapperbladeren (d. z. kokosbladeren) wordt gemaakt. Bij ons zijn de krandjangs het meest bekend door het gebruik om stukken van oude suikerbalen in onze tuinen tot beschutting van teederder gewassen te gebruiken.
Op Java isgaladagofgladag, door de Europeanengladakuitgesproken, de gewone naam van den dienst der vervoermiddelen en transporten. Zoo heeten b. v. de lastdragerswong gladag, de lastpaardendjaran gladag, enz. De paarden voor de transportdiensten gebruikt hebben veel te lijden en verliezen spoedig alle schoonheid en goede hoedanigheden. Vandaar beteekent onder de Nederlanders op Java eengladakkereen slecht, versleten paard, een knol. Maar die naam wordt vervolgens ook overgedragen op alles wat leelijk en gemeen is. Zoo worden b. v. de leelijke honden, die, zonder meester, in de dessa's rondloopen, zoo bekend uit van Rees,„Herinneringen uit de loopbaan van een Ind. officier”, 3e druk, Dl. II, bl. 22, dikwijlsgladakshondengenoemd. Maar vooral ook wordtgladakker(bij ten Brink,„O.I. Dames en Heeren,” altijdgladakgeschreven) gebezigd voor een gemeen en liederlijk persoon, die door fatsoenlijke lieden geschuwd wordt.
De Chineezen die pas uit hun vaderland in den Indischen Archipel komen, worden daar aangeduid door den naamSin-kĕ, d. i.nieuw-gast,en in het algemeen worden de Chineezen van zuivere afkomst van de in Indië uit de kolonisten geboren bastaard-Chineezen, die den naam vanpĕranakan(40)dragen, door den naamKĕ(ofKeh), d. i.gast, onderscheiden. Die naam wordt echter door de Europeanen vaak als een soort van schimpnaam gebezigd. Van Rees,„Herinneringen”, II, bl. 16: „Het kostte ons altijd moeite den groet der Chineezen niet onheusch te beantwoorden, en een „dag, leelijke kee!” was het minste dat zij moesten hooren.”
De massa der Chineezen die in den Indischen Archipel komen, behoort tot het ruwe, maar krachtige ras der bergvolken, die in het gebergte langs de noordelijke grenzen van Koeang-tong (Canton) en Koeang-si wonen. Men vindt er echter ook sommigen van een meer verfijnd ras, dat in Amoy (Hiamen) en de naburige streken te huis behoort. Men geeft aan deze laatsten een bijzonderen naam, die zeer verschillend wordt uitgesproken. De heer van Lynden,„Nat. T. v. N.-I.”, D. II,bl.602, van de Chineezen op Borneo sprekende, zegt: „De Chineezen te Pontianak, Mandor en in de bovenlanden zijn meestal Keh's en slechts zeer weinigenOllo's”. De heer Tobias in de„Ned. Hermes”, Jg. III, no. 12, bl. 36, spreekt van twee Chineesche kampongs te Pontianak, waarvande kleinere alleen door Chineezen uit de provinciën Emoi (Amoy) enHolybewoond wordt, die, zooals hij er bijvoegt, veel fijner en beschaafder van zeden zijn dan de andere klasse van Chineezen en van dezen een afkeer hebben. Deze onderscheiding wordt ook bevestigd door hetgeen de reizigers omtrent Riouw berichten. Zoo b. v. de Bruyn Kops in„Nat. T. v. N.-I,” D. IV, bl. 69: „De Chineezen (te Riouw) worden naar hunne afkomst onderscheiden in Canton- en Emoyer-Chineezen, welke afzonderlijke kampongs bewonen en afzonderlijke hoofden hebben. Tusschen deze beide afdeelingen bestaat een voortdurende naijver, die somwijlen in twist uitbreekt. De Chineezen van Canton zijn zware, sterke menschen; de Emoyers zijn in het algemeen veel minder gespierd en houden zich meer uitsluitend met den handel bezig.”
Zijn nu de Chineezen, die van Lynden Ollo's noemt, dezelfde als de Chineezen van Amoy, die door de Bruyn Kops op dezelfde wijze tegen die van Canton worden overgesteld? Dat die vraag bevestigend moet beantwoord worden, kan dunkt mij niet twijfelachtig zijn, vooral wanneer men acht geeft op de woorden van den heer Tobias, die de Chineezen van Amoy en Holy bijeenstelt, om ze gezamenlijk aan de Canton-Chineezen over te stellen. Er woont namelijk in de nabijheid van Amoy, op de grenzen tusschen Fokiën en Canton, volgens eene mededeeling die ik van Prof. G.Schlegel ontving, een kleine stam, welks naam deze geleerdeHok-loschrijft, en hij voegt er uitdrukkelijk bij dat vele Hok-lo Chineezen te Riouw wonen. Ollo en Holy zijn dus andere transscriptiën, of verbasteringen, voor Hok-lo, en Tobias drukt zich ongewoon nauwkeurig uit, wanneer hij de Chineezen van Emoi (Amoy) en Holy (Hok-lo) nog verder van elkander onderscheidt. Zij wonen dicht bij elkander, schijnen in zeden en levenswijze overeen te komen, en worden gewoonlijk als ééne klasse beschouwd, die nu eens Amoy-,dan eens Hok-lo of Ollo-Chineezen genoemd worden.
Uit de boven aangehaalde plaats van den heer van Lynden, die de Kĕh's en Ollo's tegenover elkander stelt, zou men opmaken dat alleen de Canton-Chineezen Kĕh worden genoemd. Dit wordt echter door geene andere mij bekende getuigenis bevestigd, en is zelfs eenigermate in strijd met de volgende taalkundige opheldering omtrent het woord Kĕ, mij door wijlen Prof. Hoffman verstrekt: „De Chineezen op Java beschouwen zich zelven als Thang-Kĕ, d. i. gasten (Kĕ) uit Thang, een vroegeren naam van China, dus als gasten uit China, en noemen de nieuwe aankomelingen „nieuwe gasten”,sin kĕ. In China zelf gaan ook reizende kooplieden, marskramersenz.voor gasten (kĕ) door, en men noemt b. v. de reizigers die de tee-districten bezoeken en tee opkoopen „tee-gasten”,tscha-kĕ, terwijl ook de winkelierzijne klanten alskĕ'sbeschouwt. Het woordkĕsluit het begrip vanvreemdelingin. In het Canton-dialect luidt hethak.”
Hieruit volgt: 1o. datkĕsoms te onrecht als een verkorting vansin-kĕwordt beschouwd.Kĕis een vreemde, d. i. eenechteChinees in het algemeen, enSin-kĕeen pas aangekomene, een nieuweling, een baar. Dit blijkt ook reeds uit hetgeen over deze benamingen werd opgemerkt door Prof. Hoffmann in„Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenk. van N.-I.”, D. IV, bl. 280, waar hij ten slotte nog opmerkt: „Het ChineescheKĕheeft al de schakeeringen van beteekenis, die wij aan ons woordgasthechten, en daar het ook eenvreemdelingbeteekent, die ter plaatse waar hij zich bevindt niet te huis behoort, is het in den mond van niet-Chineezen geen aangename groet voor een Chinees op Java.”
2o. Dat in het woordkĕop zichzelf niets ligt, waarom het niet even goed op Amoy- als op Canton-Chineezen zou toepasselijk zijn.