Dessa.

(66)Burman, de uitgever van hetAmboinsch Kruydboek, heeft waarschijnlijk niet veel van de inlandsche talen van den Archipel geweten, en dienvolgens in het H. S. verkeerd gelezen. Men kan niet aannemen, datRumphiuszelf nu eens pela, dan eens pala zal geschreven hebben.

(66)Burman, de uitgever van hetAmboinsch Kruydboek, heeft waarschijnlijk niet veel van de inlandsche talen van den Archipel geweten, en dienvolgens in het H. S. verkeerd gelezen. Men kan niet aannemen, datRumphiuszelf nu eens pela, dan eens pala zal geschreven hebben.

Gewone uitspraak der Europeanen van het Javaanschedésô, dorp, dat afkomstig schijnt van het Sanskrietschedésja, oord, streek. In het hoog-Javaansch gebruikt men voordésôden vormdoesoen, die overigens eigen is aan het Maleisch. De naamdessakan niet op de dorpen van andere eilanden van den Archipel worden overgedragen, daar de Javaansche dessa een bijzonder karakter heeft, samenhangend met haren Hindoeschen oorsprong. Zij is steeds de hoofdplaats en het middelpunt van eenepadésanof mark, deels uit bebouwde en duurzaam of tijdelijk tusschen de bewoners verdeelde, deels uit gemeenschappelijke, voor gemeene weide en inzameling van boschproducten bestemde gronden bestaande, en bestuurd door een dorpshoofd, dat met zijne assessoren, door de bevolking wordt gekozen. Strikt genomen mag men zelfs de dorpen der Soenda-landen geen dessa's noemen. Zij heetenlemboersen zijn in verschillende opzichten anders ingericht. Echter zijn de dorpsinstellingen in vele gedeelten van Java door den tijd en den invloed van het Europeesch gezag verbasterd, zoodat ook het genoemde verschil niet meer streng is vast te houden, en ook in West-Java van dessa's gesproken wordt.

Het woord dessa is zoozeer Nederlandsch geworden, dat het met tal van Nederlandsche woordenis samengesteld. Men vindt dit b. v. in dessabestuur, dessahoofd, dessapriester, dessagrond, dessagebied en vele andere.

KampongofKampoengis Javaansch, Soendaasch en Maleisch en beteekent eenomheind erf, een kleine verzameling van inlandsche woningen door paalwerk of heggen omgeven, een gehucht, buurt of wijk. In de groote steden, die de middelpunten der Europeesche kolonisten zijn, zooals Batavia, Samarang, Soerabaja, Pasoeroean vindt men tusschen of naast de Europeesche gedeelten een groot aantal inlandsche kampongs verspreid; ook de voornamere inlandsche plaatsen, zetels van regenten, districtshoofden en andere groote dessa's zijn in verschillende kampongs gesplitst; maar als het geheele dorp uit eene enkele kampong bestaat, verdwijnt het onderscheid tusschen kampong en dorp en worden die uitdrukkingen synoniem. Inzonderheid is dit vaak het geval in de Soendalanden, waar de lemboers gewoonlijk zeer klein zijn, en meestal een aantal lemboers onder het bestuur van een enkelen loerah vereenigd zijn tot de grootere eenheid van eenkaloerahan, die veel overeenkomst heeft met die vereeniging van een aantal dorpen, welke men in de provincie Frieslandgrietenijplacht te noemen, en die werkelijkniet is opgeheven, schoon men thans den grietman burgemeester noemt.

Volgens oude, reeds lang voor de komst der Europeanen ingevoerde bepalingen, moesten de Chineezen en andere vreemde Oosterlingen steeds in afzonderlijke wijken en onder hoofden hunner eigen natie bijeenwonen. Deze bepalingen zijn nu eens met meer, dan met minder gestrengheid tot heden gehandhaafd, en de Indische Regeeringsalmanak bevat in de laatste jaren eene lange lijst der plaatsen waar wijken voor Chineezen en andere vreemde Oosterlingen zijn aangewezen. Men vindt die wijken doorgaans aangeduid door de namen: het Chineesche kamp, het Arabische kamp en zou daardoor, als men niet beter wist, den indruk krijgen alsof die vreemde Oosterlingen daar geene vaste woningen houden, maar in tenten als gekampeerd waren. Die voorstelling zou echter zeer verkeerd zijn, enkampzal hier wel eenvoudig een Europeesche afkorting van kampong wezen. Men zou dus, naar het schijnt, beter doen, althansdeChineesche kamp, in plaats van het Chineesche kamp te schrijven; doch de kwade gewoonte is zoo diep ingeworteld, dat zij moeielijk zal zijn uitteroeien.

Het getal der Javaansche, Maleische en andere inlandsche woorden, dat door de Europeanen in Indië in het dagelijksch gesprek wordt ingevlochten, is uit den aard der zaak onbegrensd en het zou een ijdel pogen zijn eene lijst te willen geven, waarin men nooit te vergeefs zou zoeken, terwijl zij met den dag vermeerderen. Zulk eene volledigheid is dan ook in deze lijst noch ten opzichte van deze, noch ten aanzien van eenige andere klasse van vreemde woorden beoogd. Eene scherpe grenslijn te trekken tusschen hetgeen al en hetgeen niet moest worden opgenomen, was ook in strijd met den aard dezer verzameling, die met geen bepaald plan is aangelegd, maar uit ware adversaria bestaat, zaken die mij ongezocht en als van zelf tegemoettraden. Ik maak dus geene verontschuldiging over iets, dat ik mocht verzuimd hebben; maar eindig deze lange lijst met een woord, dat in de laatste jaren zoo algemeen onder ons gebruikt en toch door de meesten zoo weinig verstaan wordt, dat eene korte opheldering er wel aan besteed schijnt te zijn.

Kraton, samengetrokken uitKaraton, is een Javaansch woord, volkomen regelmatig gevormd vanRatoe, d. i. Vorst, en beteekent vorstenverblijf. Het woord wordt behalve van verschillendeandere vorstenverblijven op Java, waarvan de plaats veelal nog aan eenige ruïnes kenbaar is, gebruikt van de verblijven van den Soesoehoenan van Soerakarta, van den Sultan van Jogjakarta, van de onafhankelijke prinsen Mangkoe Negara en Pakoe alam. Ook de vorstenverblijven te Bangkalan en Soemenep op Madoera worden kratons genoemd. In het Maleisch is het woord uit den vreemde ingedrongen, en wellicht is het alleen aan de Europeanen toe te schrijven, dat het voormalig verblijf der vorsten van Atjeh gewoonlijk deKratongenoemd wordt. Nevens Kraton of Karaton bestaat er in het Javaansch nog een tweede woord van denzelfden grammaticalen vorm en ongeveer gelijke beteekenis, t. w.KedatonofKadaton, afgeleid vanDatoe, dat in beteekenis niet kennelijk vanRatoeverschilt. Het spraakgebruik heeft echter gewild, dat Kadaton gewoonlijk gebruikt wordt van dat deel van den Kraton, waarin de vorst zelf met zijne vrouwen en kinderen verblijf houdt. Men vertaalt het gevoegelijk doorbinnenhof. De Kraton in zijn geheel is eene aanzienlijke ruimte omringd door muren, voorzien van poorten, en bedekt door een groot aantal gebouwen en pleinen, straten en wegen, kanalen en vijvers, kampongs en lusthoven; want schier allen wonen in den Kraton die, al is het ook slechts als werklieden, tot het hof in eenige betrekking staan. De Kraton van den Sultan van Jogjakartaheeft meer dan een uur in omtrek en zijne bevolking wordt op wel 15000 zielen geschat. De Kraton van Soerakarta, ons minder nauwkeurig bekend, zal voor dien van het kleinere rijk wel niet onderdoen.

Voor den hoofdingang van den kraton ligt altijd een uitgestrekt plein, bestemd voor openbare plechtigheden en feesten,aloen-aloengenoemd. Een tweede, maar veel kleinere aloen-aloen vindt men ook aan de achterzijde der kratons van de Javaansche hoofdsteden. Het woordaloen-aloenis echter niet tot de voorhoven der kratons beperkt. Het wordt ook gebruikt van de dorpspleinen, die in eigenlijk Java worden aangetroffen op alle plaatsen waar regenten hun zetel hebben, en nog algemeener zijn in de Soendalanden, waar ze in iedere hoofdplaats eener kaloerahan (zie opKampong) worden aangetroffen. De aloen-aloen bevindt zich altijd vóór de woning des vertegenwoordigers van het gezag, en het teeken van het gezag is de daarop geplantewaringin-boom, waarvoor op de aloen van een Vorst, vaak ook op die van een Regent, een tweetal dezer boomen, ieder afzonderlijk door een sierlijk hek omsloten, in de plaats komt.

Oudere schrijvers verwarden de aloen-aloen wel eens met de daarop voorkomende open gehoorzaal,paseibangenoemd, waar de Javaansche ambtenaren ambtshalve met hunne hoofden samenkomen en waar de terechtzittingen gehoudenworden. Dat woord stamt vanséwaofséba, waarvan de beteekenis is zijn opwachting maken aan een vorst of hooger ambtenaar tot behandeling van dienstzaken. De verbastering van dit woord totPasseerbaan, waarvan reeds in hetart.Kaalkopgewag werd gemaakt, hangt waarschijnlijk met die verwarring samen; want de aloen-aloen was dikwijls het tooneel van tornooien of steekspelen en werd daarom als eenerenbaanbeschouwd. In„Batavia en derzelver gelegenheid”, D. I, bl. 22, wordt de aloen-aloen van 't Keizerlijk Hof te Kartasoera beschreven als: eene zeer grooteRenbaan, in welke alle Maandagen door de rijksgrooten en den Keizer zelven, met de lancie, vermaakshalve wordt gestreden, om elkander uit den zadel te ligten, of voorbij te rennen.

De waringin- of tjaringin-boom is debaniaanboom, de beroemde heilige boom der Hindoes, welks naam, totbenjaminverbasterd (zie wederomart.Kaalkop) hetFicus BenjaminavanLinnaeus, hetUrostigma Benjaminumder hedendaagsche botanici heeft voortgebracht. Intusschen worden ook andere nauw verwanteUrostigma-soorten (Microcarpum,nitidumenz.) vaak onder den naam vanwaringinbegrepen. De waringin is de schoonste en reusachtigste boom van Java en krijgt door hetuitschietenvan luchtwortels, die weder in den grond dringen, bijstammen welke hem in staat stellen een loofkroon te dragen van verbazenden omvang, zoodat hij zich als een berg van groenvertoont. Het is deze boom van wienMiltonzingt:

„Branching so broad and long that in the ground,„The bending twigs take root, and daughters grow,„About the mother-tree, a pillared shade—„High overarched with echoing walks between”

„Branching so broad and long that in the ground,„The bending twigs take root, and daughters grow,„About the mother-tree, a pillared shade—„High overarched with echoing walks between”

„Branching so broad and long that in the ground,

„The bending twigs take root, and daughters grow,

„About the mother-tree, a pillared shade—

„High overarched with echoing walks between”

welke verzen ik elders(67)gewaagd heb dus te vertalen:

„Zoo lang en breed strekt hij zijn takken uit„Tot 't nederhangend twijgje wortel schiet,„En rond den moederboom de dochters groeien,„Tot de echo van des wandlaars stap weerklinkt„In de gewelfde schaûw, die pijlers dragen.”

„Zoo lang en breed strekt hij zijn takken uit„Tot 't nederhangend twijgje wortel schiet,„En rond den moederboom de dochters groeien,„Tot de echo van des wandlaars stap weerklinkt„In de gewelfde schaûw, die pijlers dragen.”

„Zoo lang en breed strekt hij zijn takken uit

„Tot 't nederhangend twijgje wortel schiet,

„En rond den moederboom de dochters groeien,

„Tot de echo van des wandlaars stap weerklinkt

„In de gewelfde schaûw, die pijlers dragen.”

(67)In mijne schets „Een waringin”, in „Insulinde, twaalf tafereelen uit Nederlandsch-Indië, volgens teekeningen en studiën naar de natuur, door A. de Grijs, geëtst door C. L. van Kesteren, met tekst van P. J. Veth.”

(67)In mijne schets „Een waringin”, in „Insulinde, twaalf tafereelen uit Nederlandsch-Indië, volgens teekeningen en studiën naar de natuur, door A. de Grijs, geëtst door C. L. van Kesteren, met tekst van P. J. Veth.”


Back to IndexNext