(13)In Amerika wordtbugdikwijls van kevers gebezigd. Zoo noemt men er b. v. den Colorado-keverPotato-bug.
(13)In Amerika wordtbugdikwijls van kevers gebezigd. Zoo noemt men er b. v. den Colorado-keverPotato-bug.
(14)Men vindt deze bijzonderheden ook vermeld in het pas verschenen tweede gedeelte van „De Dieren in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik”, door mr. L. A. J. W. baron Sloet, bl. 389.
(14)Men vindt deze bijzonderheden ook vermeld in het pas verschenen tweede gedeelte van „De Dieren in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik”, door mr. L. A. J. W. baron Sloet, bl. 389.
(15)In het bovenaangehaalde werk van baron Sloet, bl. 387, wordt gezegd dat het vliegend hert in verband met Thor staat, omdat het op den aan Thor gewijden eikeboom leeft, en dat het als drager van het hemelvuur als de oorzaak van brand wordt beschouwd.
(15)In het bovenaangehaalde werk van baron Sloet, bl. 387, wordt gezegd dat het vliegend hert in verband met Thor staat, omdat het op den aan Thor gewijden eikeboom leeft, en dat het als drager van het hemelvuur als de oorzaak van brand wordt beschouwd.
Muskiet, zeldzamer, ofschoon juister,moskietgeschreven, is bij de Nederlanders in Oost- en West-Indië de algemeene naam voor alle stekende en den mensch aanvallende muggen, en is ook in het moederland gebruikelijk, wanneer van Oost- en Westindische muggen sprake is. Het is weder een woord dat wij in de koloniën van de Portugeezen of Spanjaarden hebben overgenomen. In de taal van beide volken ismosquitoeen verkleinvorm vanmosca, het Latijnschemusca, en beteekent eigenlijkkleine vlieg, maar toch ookkleine mug, daar het volk deze verwante diertjes, beide evenzeer tot de diptera of tweevleugelige insecten behoorend, niet altijd nauwkeurig onderscheidt.
Van dit woord zegt Weiland: „de benaming is ontleend van Japan, een Rijk beoosten China, derhalve een kleed in navolging van de Japanners. Vanhier ookjaponsch: eenjaponscherok, eenjaponsche,japanschedeken.” Zeker is het dat onze schrijvers ook welJaponenJaponschofJapoenschschreven, gelijk men nog in het Franschle Japonzegt. Toch acht ik de hier gegeven verklaring van onsjapongeheel verwerpelijk. Ik betwist niet dat men oudtijdsjaponsche rokzeide voor hetgeen men thans een Japanschen kabaai zou noemen; maar de verkorting vanjaponsche roktot enkeljaponis moeilijk te verklaren, en dat men eenvoudig den naam van een Aziatisch Keizerrijk aan een vrouwengewaad zou hebben toegekend, is nauw denkbaar. Maar wat meer weegt, er is een woord van Arabischen oorsprong, in verschillende vormen tot schier alle talen van Europa doorgedrongen, dat hetzelfde of een verwant kleedingstuk aanduidt, en waarvan het inderdaad zeer bevreemdend zou wezen, indien onze vaderen alleen den toegang daaraan geweigerd hadden, te meer dewijl dit woord vooral ook in het Fransch voorkomt, uit welke taal de namen van mode-artikelen van oudsher tot ons plachten over te waaien. Het woord dat ik bedoel is het Arabischedjobbah, waardoor een groot,ruim kleed, doorgaans met wijde mouwen, veel gelijkende op onze kamerjaponnen, wordt aangeduid. Men zie daarover Dozy's „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements chez les Arabes”, die o. a. opmerkt:„Du mot Arabedjobbahles Espagnols ont fait:aljuba,juba,chupa,jubon, les Portugaisaljuba, les Italiensgiuppa,giupponeet les Françaisjupe,jupon.”Maar hier is nog slechts een klein deel der talrijke nakomelingschap van het woorddjobbahgenoemd. BijLittrévond ik nog als Italiaanschgiubbaengiubbone, als Portugeeschgibâo, als Provençaalschjupa,jupon,jupio, als Normandischjupin, als Bourgondischgipon, als oud-Franschjupelenjupeaugenoemd. In het Hoogduitsch behooren tot deze familiejupa,jope,juppe,juppel,joppelen misschien ookschuba,schaube, in het Engelschjippo, in het Nederlandsch de bijKiliaanvoorkomende namenjupeenjuype. Tot deze laatste stondjapon, alsjupontotjupe, alsgiupponetotgiuppa, namelijk als verkleinvorm, en daar door de aanhechting der verkleinende lettergreep, deuinjupetoonloos werd, kon ze gemakkelijk in een stommeeof korteaovergaan. Dat menjaponis gaan schrijven, kan misschien ook aan den invloed van bovengemelde verkeerde afleiding worden toegeschreven, die intusschen zooveel gezag heeft erlangd, dat ze ook door Franck is aangenomen, en de waarschijnlijke oorzaak is waarom Dozy in zijne„Oosterlingen” aanJapongeene plaats heeft ingeruimd.
Sarong(van het Mal. en Jav.Saroeng) noemen wij gewoonlijk den op Java en elders in Nederlandsch-Indië bij de inlanders gebruikelijken rok, welke ook bij ons te lande door vele dames, die vroeger in Indië hebben gewoond, als huisgewaad wordt gedragen, en welke in onze vaderlandsche katoenfabrieken op groote schaal ten behoeve van Indië wordt vervaardigd. Evenwel wordt aan het woord, in dien algemeenen zin gebruikt, eene ruimere beteekenis gegeven, dan het oorspronkelijk bezit. Wat in den strikten zin een sarong is, zal ik hier kortelijk uiteenzetten.
Het woordsaroengbeteekent eigenlijkscheedeofkoker, en inderdaad bestaat de sarong uit een lap katoen op de bepaalde grootte geweven, waarvan de beide einden zijn aaneengenaaid, zoodat men er de beenen door moet steken. Een sarong is dus strikt genomen overgesteld aan eenkain pandjangofkain lepas, d. i. eenlange doekoflosse doek, waarvan de einden niet aaneen zijn gehecht, en die om het lichaam gewonden en ingestoken wordt. Zulk een lange doek heet in het Javaansch in de lage taaldjarik(in den mond des volks veelal verbasterd totdjarit) eninde hooge taalsiendjang. Zoowel de sarong als de kain pandjang worden op het smalle inlandsche weefgetouw slechts op de halve breedte geweven, zoodat twee banen in de lengte worden aaneengezet. De Europeesche industrie weeft ze echter op de volle breedte. Beide worden door beide seksen gedragen. De saroeng, ooksampinggeheeten, is meer in West-Java of de Soendalanden, dedjarik, die als kleed der mannenbĕbĕd, als vrouwenroktapihheet, in het eigenlijk Java te huis. Op de volle breedte wordt voor de sarong een lap van ten hoogste twee meter, voor een djarik van ten hoogste 2½ meter vereischt. Beide worden meestal om den middel bevestigd door een gordel, die door een gesp wordt vastgehouden.
Zoowel de sarong als de djarik kunnen bestaan uit doeken die wit geweven en later effen geverfd of gebatikt (met figuren beschilderd) worden, en uit doeken die van vooraf geverfde draden in ruiten of strepen worden geweven. De gebatikte stoffen komen met onze gedrukte katoenen, de geruite en gestreepte met onze gekleurde weefgoederen overeen. Geruite katoenen (kainpolèng) zijn, nevens effen gekleurde, meer in trek in West-Java; gestreepte katoenen (kainloerik) genieten, nevens de gebatikte stoffen, in Midden- en Oost-Java de voorkeur. Voor de gebatikte is de inlandsche nijverheid het meest door de Europeesche verdrongen.
In de inlandsche gebruiken en drachten is veel aan vaste regelen onderworpen, waarin een willekeurig ingrijpen van luim of mode niet gaarne wordt gezien. De sarong, die zich als een meer afgewerkt en afgerond geheel voordoet, moet met de beide aaneengenaaide einden volkomen aaneensluiten. Aan beide einden van het doek wordt een zoogenaamd hoofd (kapala) gemaakt. De beide vereenigde hoofden, die te zamen ongeveer een vierde van het geheele doek uitmaken, verschillen geheel van het grondpatroon. Bij de in kleuren gewevene hebben deze vereenigde hoofden een effen grondkleur, met een aantal evenwijdige, verschillend gekleurde strepen, bij de gebatikte vormen de kapala's altijd twee reeksen van met de punt naar elkander gekeerde spitsen of zoogenaamde torens. De djarik mist in den regel de kapala's; slechts Chineesche vrouwen ziet men wel eens djariks met kapala's dragen.
Indien men het gebruik van het woord sarong door de Europeanen, niet slechts in het moederland, maar ook in Indië, aan de hier opgegeven eischen van eene echte sarong toetst, zal men waarschijnlijk bevinden, dat het zeer dikwijls verkeerd aangewend wordt. Ook in mijn werk over Java zijn in de beschrijving vansarongendjarik(D. I, bl. 601–603) eenige misstellingen ingeslopen, die ik hier volgens de mededeelingen van den heer van Musschenbroek over de inlandsche katoennijverheid en volgens de aanteekeningenop mijn werk van wijlen Tjondro Negoro, den Regent van Brebes, heb verbeterd.
Baadje, d. i. buis, wambuis, nietbuisje, zooals van Dale zegt, wantbaadjeis geen verkleinwoord. Afgaande op een, mijns inziens, geheel verkeerde etymologie, schreven Weiland, de „Woordenlijst” van de Vries en te Winkel en de eerste uitgaven van het „Nieuw Woordenboek der Ned. taal” van van Dale allenbaaitje. Vreemder nog is het dat Franck de goede spelling met de slechte afleiding verbindt. „Baadje”, schrijft hij, „minder juist voorbaatje, een door syncope derigewijzigden vorm vanbaaitje, wambuis van baai of andere grove stof, het verkleinwoord vanbaai(wollen stof); vgl.katoentjevankatoen”. In Manhave'snieuwe uitgave van van Daleleest men terecht: „Baadje. Vroeger schreef men verkeerdelijkbaaitje. Het woord komt niet vanbaai, zooals men vroeger meende, maar is aan het Maleisch ontleend”. Ik heb dezelfde meening reeds voorgestaan in mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” in „de Gids” en ben er sedert steeds meer in bevestigd. Ja ik zou durven verklaren, dat indien er één woord in onze taal is waarvan de afkomst uit het Maleisch zeker is te achten, dat welbaadjemoetzijn, en dat dit aan onze lexicographen bij eenige meerdere bekendheid met den Maleischen taalstam en met de literatuur over Ned.-Indië zeker niet zou zijn ontgaan. Zij zouden dan geweten hebben, dat bij de volken van Insulinde algemeen een kleedingstuk in gebruik is, dat in het Javaansch, Maleisch, Makassaarsch(16), Bataksch en Dajaksch den naam vanbadjoedraagt; dat dit bestaat uit een wijd, loshangend, tot op de heupen reikend buis, om den hals sluitend met een opstaanden kraag, en met ruime mouwen die slechts tot even over den elboog reiken; dat er echter eenige verscheidenheden in den vorm voorkomen, die zich door bijzondere namen onderscheiden; dat de stof doorgaans wit of blauw gestreept katoen, in sommige gevallen ook laken, fluweel of zijde is; en dat de naam van dit kleedingstuk ook bij de Nederlanders in Indië algemeen in gebruik is, en door henbaadjeofbaatjewordt uitgesproken. Bij oudere schrijvers vindt men nog wel den oorspronkelijken vormbadjoe(b. v. Valentijn,VI, 1, bl. 54: „die wat meer van staat zijn dragen wel een zijde of ander fraai wambuis of badjoe”); maar die vorm is allengs inbaadjeovergegaan (b. v. van Rees,„Toontje Poland”, I, bl. 19: „slavenmeiden met korte en halfopenbaadjes”). En daar dedj(eigenlijk eene enkele letter, die aan dedjimofdjôvan het Maleisch-Javaansche alfabet beantwoordt) door ons in d–j wordt opgelost, deddus sluitletter eener lettergreep wordt, en als zoodanig in het Hollandsch (dat b. v. laadje, naadje evenzoo uitspreekt als maatje, staatje) de waarde vantkrijgt, wordt ditbaadjeook dikwijls doorbaatjevervangen (zooals bij Gevers Deynoot, „Herinneringen”, bl. 57: „mannen en vrouwen... in ligtkleurige katoenenbaatjes”). Ja zelfs den vormbaaitjevindt men bij sommige onzer oudere Indische schrijvers, b. v. Canter Visscher, „Malabaarsche brieven”, bl. 46: „daarover hebben zij eenbaaitjevan fijn lijnwaad”. Maar dat het woord ook in deze schrijfwijze in geen verband metbaaistaat, wat gelijk ieder weet een wollen stof is, blijkt reeds daaruit, dat alsdan eenbaaitjevanlijnwaadeencontradictio in terminiszou wezen. Ditbaaitjewijst, zooals het mij toeschijnt, slechts op eene zekere eigenaardigheid van uitspraak, zooals men ook wellaaitje(17)hoort, en is verder van geen gewicht.
Schippers en matrozen dragen niet zelden een baadje, en het is zeer mogelijk dat door hen vooral zoowel de snit als de naam van dit kleedingstuk uit Indië is overgebracht. De meeste Maleische woorden in onze taal danken wij aan de zeelieden. Maar ik geloof, dat men zich vergist, wanneer men meent dat het matrozenbaadje gewoonlijk van baai is gemaakt. Bedrieg ik mij niet, dan geldt dit veel meer van den boezeroen, waarover het baadje vaak wordt aangeschoten. Is dit juist, dan vervalt zelfs de mogelijkheid om baadje van baai af te leiden. Ook heeft men de opmerking gemaakt, dat, indien baadje eigenlijk een verkleinvorm vanbaaiwas, men in die Nederlandsche gewesten die het verkleinwoord metkevormen,baaikezou moeten zeggen, welke vorm echter geheel onbekend schijnt.
(16)'t Boegineesch heeftwadjoe.
(16)'t Boegineesch heeftwadjoe.
(17)Laaitjeis eigenlijk het deminutief vanlaai, een nieuwen vorm uitladeontstaan, door de verweeking derdtotj(als in goeje of goeije voor goede, dooien of dooijen voor dooden enz.), evenalskaaiuitkade.Baaitjeverkeert dus niet in geheel hetzelfde geval alslaaitjeenkaaitje; mijne meening is slechts dat het door analogie met deze vormen ontstaan is.
(17)Laaitjeis eigenlijk het deminutief vanlaai, een nieuwen vorm uitladeontstaan, door de verweeking derdtotj(als in goeje of goeije voor goede, dooien of dooijen voor dooden enz.), evenalskaaiuitkade.Baaitjeverkeert dus niet in geheel hetzelfde geval alslaaitjeenkaaitje; mijne meening is slechts dat het door analogie met deze vormen ontstaan is.
Pampoesjeszijn onder onze varensgasten eene soort van schoenen van zeildoek, die men b. v. te Amsterdam in de winkels van scheepsbehoeften ziet uitgestald. Dit woord doet ons denken aan het Jav.pampoes, schoenen zonder hakken of met lage hakken, vervaardigd van stof of zacht leer. Volgens eene lijst van vreemde woorden in het Maleisch der Minahassa, door den heer de Clercq, voorkomende in het„Tijdschr. voor Ned.-Indië”,Jg. 1870, D. I, bl. 364, beteekentpampoesin de Minahassa pantoffels of damesschoenen.
Hetpampoesjesonzer varensgasten, waarmede men ook nog het Eng.pumpsvoordansschoenenkan vergelijken, kan zeer wel aan het Javaanschepampoes,waarmede het demvóór depgemeen heeft, ontleend zijn, maar stellig is ditpampoesafkomstig van het Perzischepapoesj, door de Arabierenbaboesjuitgesproken, en waarvan de Franschenbabouchehebben gemaakt. De ingevoegdemis van denzelfden aard als die inAmfioen. Zie opdat woord.
Depapoesjesder Oosterlingen worden in de „Reizen van Cornelis de Bruyn door de voornaamste deelen van Klein-Asia”, enz., bl. 95, aldus beschreven: „Als een goed Musulman aan de reinigingen voldaan heeft, moet hij met nedergeslagen gezicht tempelwaarts gaan, en, gedenkende wat eerbiedigheid hij aan die plaats schuldig is, zijne schoenen aan de deur uittrekken, weshalven de Oosterlingen, dewijl zij er zoo menigmaal daags toe gehouden zijn, een zoort van schoenen hebben uitgevonden, bekwaam om 'er zonder het lighaam eens te buigen of 'er het behulp der handen toe van nooden te hebben, met gemak te kunnen uittreden. Zij noemen zePabouches(18)en [deze] mogen eer voor een slagvan pantoffels of muilen, als voor schoenen te boek gesteld worden. De kleur is verscheiden, geel, rood, paars, swart, enz. De Turken en Franken draagen ze gemeenlijk geel, d'Armeniërs rood, de Grieken paars en de Jooden swart, maar niemand van alle deze natiën vermag ze, zolang als ze in het gebied van den Grooten Heer woonen, groen te draagen, gelijk al de wereld in Perziën mag doen. 't Zou een Christen, die in Turkije woonde, tot een misdaad gerekend worden, een koleur aan de voeten te draagen, welke bij de Mahometaanen door de genegentheid welke hun Propheet tot deselve had, voor heilig werd gehouden.” Elders, bl. 131, voegt de Bruyn er nog bij, dat de Pabouches „bijna van maaksel als muilen zijn, de hiel met het overige der zool gelijk, doch beslagen met een halfrond ijzertje van gedaante als een hoefijzer.”
Dozy,„Dict. détaillé des noms des vêtements”, etc. heeft een aantal plaatsen van reizigers in het Oosten over de baboesjes bijeengebracht, maar de beschrijving bij de Bruyn is hem ontgaan.
(18)Deze spelling is blijkens het voorgaande onnauwkeurig; maar juist zoo wordt ook het woord geschreven doorSir Walter Scott, „St. Ronans well,” chapt. XXX.
(18)Deze spelling is blijkens het voorgaande onnauwkeurig; maar juist zoo wordt ook het woord geschreven doorSir Walter Scott, „St. Ronans well,” chapt. XXX.
„Slendangs”, zegt van Dale „Nieuw Ned. Woordenb.”op het woord, „zekere geweven stof”. Klaarblijkelijk kent hij het woord slechts van prijscouranten van fabrieken of dergelijke stukken, en kon dus voor eene bijzondere stof houden wat eigenlijk een bijzondere soort van kleedingstuk is. Men zou meenen dat deslendangofselendanggenoeg bekend is door het gebruik dat onze uit Indië gekomen dames en hare bedienden er maken, en door de veelvuldige vermelding in alle geschriften uit en over Ned.-Indië, om althans eene juiste opgave der beteekenis te waarborgen. De inlandsche vrouwen dragen den slendang als sieraad (of ook om er een kind of iets anders in meê te voeren) over hunne overige kleedingstukken. Het is een lange, smal opgevouwen, veelal gebatikte(19)doek, die, dubbel toegeslagen, zoo over de schouders wordt gelegd, dat aan de rechterzijde de beide slippen lang van voren afhangen. Soms wordt ook de slendang over het hoofd gedragen. Het woord is aan het Maleisch en Javaansch gemeen.
(19)Zie opbatikken.
(19)Zie opbatikken.
Guingamp, eene kleine Fransche stad in Bretagne (Dep. Côtes du Nord), is sedert lang bekend door hare weverijen. In hetAardrijkskundigWoordenboekvan Kramers lezen wij, dat zij fabrieken heeft vangingang, linnen en garen, en volgens den „Dictionnaire” vanLittré, is de oorsprong van het woordgingang(ginggang), in het Franschguingangeschreven, in den naam dezer stad te zoeken. Hier is op taalkundige gronden niets tegen in te brengen. Bekend is het dat vele fabrikaten, door verkorte spreekwijze, eenvoudig den naam dragen van de plaatsen, waarvan zij afkomstig zijn. Zoo spreekt men vanManchester, Oxford,Florence,Orleans, Valenciennes,Nankin enz., om de van die plaatsen afkomstige stoffen aan te duiden.
Desniettemin wordt door vele schrijversgingang(ofginggang) als een product der Aziatische weefgetouwen beschouwd. Van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” en Kramers en Bonte „Kunstwoordentolk”, toonen door hunne verwijzing naar een Maleisch of Javaansch woordginggang, dat in die talengestreeptzou beduiden, dat zij den oorsprong in den Indischen Archipel zoeken. Naar den vorm (reduplicatie met veranderden klinker) kan zekerginggangzeer wel een Javaansch of Maleisch woord zijn, ja het komt in het Javaansch voor met de beteekenis vanafwijken,uiteengaan, waarvan men desnoods die vangescheiden zijnofuiteenstaan, zooals strepen van zekere kleur die door een andere kleur gescheiden worden, zou kunnen afleiden. Evenwel wordt die wijziging der beteekenis vanginggang, zoover ik weet, doorgeen enkel woordenboek van de Javaansche en verwante talen bevestigd. In het „Jav. Handwdbk.” van Prof. Roorda wordtgingganggenoemd: „een soort van gestreept of geruit Oostindisch lijnwaad, geen Javaansch fabrikaat”, terwijl in de jongste uitgaaf Prof. Vreede ten overvloede herinnert, dat de Javaansche gestreepte lijnwadenloerikheeten. In het „Soendaasch Wdbk.” van den heer Oosting lezen wij opginggang: „benaming van een soort van geruit of gestreept goed,dat op Java wordt ingevoerd.” In Klinkert's „Supplement op het Maleisch-Ned. Wdbk.” van Dr. Pijnappel lezen wij opginggang: „geruit hessen- of kielengoed. Op Riouwtjélé, dochginggangwordt ook verstaan.” Dat men op Riouw, het centrum als het ware der Maleischsprekende bevolkingen van Insulinde,ginggangternauwernood verstaat, begunstigt stellig niet de meening dat het een echt Maleisch woord zou zijn.
Ik moet nog opmerken, dat de aangehaalde plaatsen volstrekt niet pleiten voor de bewering dat ginggang eigenlijkgestreept goedzou wezen. Het wordt nu eensgestreept of geruit, dan eens bepaaldelijkgeruitgoed genoemd. Hierbij mag evenwel aan den anderen kant niet verzwegen worden, dat in de katoennijverheid soms een onderscheid tusschenginggangofgingham(den Engelschen vorm van het woord) entjéléwordt gemaakt, en dat, waar dit in acht wordt genomen, werkelijk ginggang degestreepteen tjélédegeruitestof aanduidt. De heer Ekker (firma T. C. Stork te Hengelo) schrijft mij: „Voor Makassar en de Molukken wordt de stof steeds bij ons aangevraagd onder den naamgingham, wanneer zijgestreept, onder dien vantjéleeofcotonnetten, als zijgeruitmoet zijn. De eigenlijke beteekenis van gingham zal dus naar mijn inziengestreept weefselzijn. Ook voor Engelsch-Indië wordt bij onsgestreeptgoed onder den naam vanginghamaangevraagd,geruitdaarentegen onder dien vanchecks.” Men begrijpt hieruit hoe de meening ontstaan is datginggangbepaaldelijkgestreeptzou beteekenen. Inderdaad schijnen echter de woordenginggangentjélésynoniem te zijn en het onderscheid tusschen beide gemaakt slechts op een handelsusantie te berusten.
Er kan na al het gezegde weinig twijfel zijn, ofginggangentjélézijn in den Indischen Archipel oorspronkelijk uitheemsche namen voor uit den vreemde ingevoerde goederen. Wij zullen dus de meening moeten opgeven, dat ginggang eigenlijk een Maleisch of Javaansch woord is. Dit maakt echter de afkomst uit het Fransch wel waarschijnlijker, maar nog geenszins zeker. Wij zagen reeds dat de ontkenning dat ginggang een Javaansch fabrikaat is, niet buitensluit, dat het toch van Indischen oorsprong, namelijk van het vasteland van Indië (of van Ceilon) afkomstig kan zijn. En dit wordt zeer aanbevolen door de volgende doorLittréaangehaalde plaats uit de„Histoire philosophique des Deux-Indes” vanRaynal(het eerst in 1771 uitgegeven):„Une centaine de balles de mouchoirs, de pagnes et deguingansd'un très-beau rouge, que les Malabares fabriquent à Gaffanapatnam(20), où ils sont établis depuis très-longtemps.”
Nauwkeurig bezien is zelfs deze plaats den aanspraken vanGuingampop de eerste productie der ginggangs en het geven van zijn naam aan die stof zeer vijandig. In den tijd waarin Raynal dit schreef werd nog Europa door de Engelsche en Nederlandsche O.-I. Comp. op groote schaal van de schoone voortbrengselen der Indische weefgetouwen voorzien, en begon de Europeesche katoennijverheid pas hare vleugelen uit te slaan. Ofschoon thans de namen van vele in Europa vervaardigde stoffen algemeen in Indië bekend zijn, is het moeilijk te gelooven, dat reeds vóór 1770 zulk een naam in de inlandsche talen aldaar het burgerrecht heeft erlangd.(21)
Ik geloof derhalve niet dat ginggang iets metGuingampte maken heeft, maar acht de overeenkomst der beide namen bloot toevallig.Littrézegt ook niet uitdrukkelijk, dat teGuingampginggans gemaakt worden, maar slechts in het algemeen dat er„fabriques de tissus”bestaan, en wanneer anderen nu daarvan bepaald ginggang-fabrieken maken, is het wellicht alleen een besluit uit den eenmaal aangenomen samenhang van ginggang enGuingampgetrokken.
Bepaald en duidelijk te zeggen wat eigenlijk ginggang is, of door welke kenmerken het zich onderscheidt, is zeer moeilijk. Alle voortbrengselen der nijverheid zijn aan gedurige wijziging, namaak in geringer qualiteit of vervalsching onderhevig, terwijl de naam alleen blijft. Dat alles wat men later ginggang heeft genoemd of nog dien naam draagt, volkomen aan het oorspronkelijk dus genoemde fabrikaat gelijk is, zal zeker niemand durven beweren. Volgens het „Nederlandsch Handelsmagazijn” (Amsterdam, Diederichs, 1843) zijn de gingans, ginggans of ginghams bontgestreepte of bontgeruite geweven stoffen, nu eens geheel uit linnen of katoenen garens, dan eens uit katoen gemengd hetzij met linnen, hetzij met zijde, hetzij met schors vervaardigd. Terwijl vroeger de ginggangs, zoo ik meen, steeds als zeer fijne weefsels genoemd werden, verzekert mij de heer Ekker dat zij thans geweven worden in verschillende, grove zoowel als fijne, qualiteiten. Zij schijnen zelfs gewoonlijk van groverqualiteit te zijn, want terwijl de heerKlinkert, zooals wij zagen, ze hessen- of kielengoed noemt, schrijft mij de heer Ekker, dat zij voornamelijk gebruikt worden voor arbeidersbroeken of -baadjes.
Vervolgens moet ik nog opmerken dat in den manufactuurhandel, de artikelen niet enkel genoemd en onderscheiden worden naar de grondstof, de kleur, het patroon, den aard en de fijnheid van het weefsel, maar ook nog naar de wijze van opmaken of verpakken. Saroengs, kain-pandjangs, slendangs, zijn, onafhankelijk van alle andere omstandigheden, in den manufactuurhandel lappen of doeken die op een bepaalde maat geweven zijn, en wel zoo dat ze juist de grootte en den vorm hebben die voor een saroeng, een kain-pandjang, een slendang vereischt wordt, terwijl ze verhandeld worden percorge(22), d. i. per pak dat 20 doeken bevat. Daarentegen behooren de ginggangs tot de zoogenoemde stukgoederen; zij zijn aan één stuk geweven tot eene lengte van 12 tot 24 yards, bij eene breedte van 24 tot 36 inches, waarvan men afsnijdt naarmate van de behoefte.
De Engelsche vormgingham, waarvan men zich in den katoenhandel gewoonlijk bedient, zoowel als de gebruikelijke opgave van lengte en breedte in Engelsche maat, bewijzen dat onze inlandsche ginggang-fabrikatie, ofschoon een belangrijke takvan onze katoen-nijverheid, op Engelschen grondslag rust en zich naar Engelsche voorbeelden moet richten. Ik geloof echter dat, waar men niet door handelsusantiën gedwongen is, de schrijfwijze die in het Maleisch, Javaansch en Soendaasch wordt gebezigd, nam.ginggang, voor ons de beste is te achten.
Ofschoon dit artikel omtrent den oorsprong en de rechte schrijfwijze van den naam tot geene zekerheid leidt, mag ik het toch niet eindigen zonder mijn dank te betuigen aan de heeren F. Driessen te Leiden en H. J. Ekker te Hengelo voor de mij zoo welwillend verschafte inlichtingen.
(20)D. i. Jafnapatnam op Ceilon, door Malabaren van de kust van Hindostan gekoloniseerd.
(20)D. i. Jafnapatnam op Ceilon, door Malabaren van de kust van Hindostan gekoloniseerd.
(21)Het zou mij niet verwonderen, datbij opzettelijke nasporingen wel meer sporenvan den hoogeren ouderdom van het woordginggangzouden gevonden worden. Het zijn toevallige vonden, geen vruchten van systematisch onderzoek, die ik in deze artikelen den lezer aanbied.
(21)Het zou mij niet verwonderen, datbij opzettelijke nasporingen wel meer sporenvan den hoogeren ouderdom van het woordginggangzouden gevonden worden. Het zijn toevallige vonden, geen vruchten van systematisch onderzoek, die ik in deze artikelen den lezer aanbied.
(22)De oorsprong van dit woord corge is te onzeker om er iets van te zeggen.
(22)De oorsprong van dit woord corge is te onzeker om er iets van te zeggen.
Gevormd van het Javaanschebatik, op de wijze die reedsinart.Soebattenwerd ter sprake gebracht.Batikbeteekent in het Javaansch met figuren beteekende of beschilderde (gebatikte) katoenen stof, in tegenstelling met de uit gekleurde draden in ruiten of strepen gewevene. De gebatikte stoffen nemen dus in de inlandsche katoen-industrie de plaats in onzergedruktekatoenen, maar de wijze waarop ze vervaardigd worden is oneindig veel omslachtiger en kostbaarder. Het geschiedt niet in fabrieken, maar behoort tot den huiselijken arbeid der Javaansche vrouwen. (Van Rees,„Herinneringen”, II, bl. 85: „Is dat werk verricht,dan zet zij zich nevens haar man, om uit te rusten, een oud kleed te herstellen of een nieuw te batikken.”) Elke gebatikte doek wordt afzonderlijk uit de hand bewerkt, door eerst de omtrekken van het patroon aan te geven, en daarna de verschillende kleuren ieder afzonderlijk op het doek te brengen, eenigermate op de wijze onzer chromolithographie. Gelijk bij deze de vereischte teekening wordt verkregen door achtereenvolgens afdrukken van even zoovele met kleuren beteekende steenen als er kleuren in de plaat moeten voorkomen, zoo geschiedt dit bij het batikken door achtereenvolgende indompeling van het weefsel in elk van de kleurstoffen, door wier samenstelling de voorgenomen teekening wordt gevormd. Natuurlijk moet gezorgd worden, dat bij elke dier indompelingen slechts die gedeelten van het doek met de verfstof in aanraking komen, die hare kleur moeten aannemen. Deze uitkomst wordt verkregen door vóór elke indompeling het doek in al die deelen, waarop de kleurstof die aan de beurt is niet mag inwerken, aan beide zijden met een mengsel van was en hars te bedekken. Deze bewerking, die schrijven of teekenen (serat) wordt genoemd, wordt verricht met een scheppertje met langen tuit, bevestigd in een bamboe, die als een schrijfpen in de hand wordt gehouden. Door dit tuitje laat de batikster het kokend mengsel op het doek vloeien dat vóór haar op een raam is uitgespannen. Daar dezebewerking voor iedere kleur moet herhaald worden, is het gemakkelijk na te gaan, hoeveel tijd en geduld voor het batikken, vooral bij meer samengestelde patronen, gevorderd wordt. Wie de bewerking, die ik hier slechts in vluchtige omtrekken mocht schetsen, meer in bijzonderheden wenscht te leeren kennen, kan zijn weetlust bevredigen door de raadpleging der geschriften van den heer van Musschenbroek, den grooten kenner der inlandsche nijverheid van Insulinde. Zie zijn werkje„Iets over de inlandsche wijze van katoenverwen op Midden-Java”, (Leiden 1878) en zijne inleiding opGroep II, 10e klasse, G. Nijverheid, in den Catalogus der Ned. Kol. Afd. van de Amst. Tentoonstelling 1883, bl. 228, v. v.
De Europeesche nijverheid heeft door de gewone procédé's van het katoendrukken de gebatikte stoffen zoo goed mogelijk nagebootst, maar ofschoon het haar, wat de patronen betreft, gelukt is den inlandschen smaak vrij wel te bevredigen, baart de fabriekmatige bewerking eene stijfheid en hardheid der omtrekken, die den Javaan dadelijk den vreemden oorsprong doet erkennen en zijne voorkeur voor de lossere teekening en zachter uitvloeiende kleuren van het werk der inlandsche vrouwen in stand houdt. Alleen de geringe prijs heeft aan debatik tiron, denagemaakte batik, ingang verschaft en zelfs de Javanen genoopt, op hunne beurt, pogingen aan te wenden om de Europeesche gedrukte stoffen met gebrekkigehulpmiddelen na te bootsen. Zie mijn„Java”, D. I, bl. 541.
Een merkwaardig Nederlandsch-Indisch woord, dat uit het Hollandscheooren het totkrabafgekorte Maleischekraboeis samengesteld. Men gebruikt ook den verkleinvormoorkrabbetje. Het gewone oorsieraad der Maleische en Javaansche vrouwen, in laag-Javaansch of NgokoSoeweng, in hoog-Jav. of KrômôSengkanggeheeten, is geen ring noch aan een ring gehangen, maar bestaat uit een spil of schroef, die sluit in een vrij groot in de oorlel gemaakt gat, waarin aan de voorzijde de knop of schijf, die het eigenlijke pronkstuk vormt, wordt bevestigd, terwijl een plaatje of moer, aan de achterzijde aangebracht, het uitvallen verhindert.
Men onderscheidt vele soorten van oorkrabben, die in de inlandsche talen ieder haar eigennaamhebben. Zij verschillen in grootte, vorm, materiaal en versiering. De grootste worden gedragen op Sumatra, waar eene soort voorkomt waarvan de schijf dikwijls een middellijn heeft van elf centimeter en de wangen geheel bedekt. Zie wat de Sumatraansche oorsieraden betreft,„Midden-Sumatra”, III, Volksbeschrijving, bl. 8 v., 17 v. en Pl. XX–XXII van den Atlas. Van de Javaanscheoorkrabben vindt men de nauwkeurigste beschrijving bij Poensen, „Iets over de kleeding der Javanen”, in„Mededeelingen van wege het Ned. Zendelinggenootschap”, D. XXI, bl. 15, waaraan ik de volgende plaats ontleen: „De oorkrabben kunnen soms vrij kostbare voorwerpen zijn; doch men ziet ze ook dragen, die van luttel waarde zijn. Men draagt ze van goud en zilver, met edelgesteenten, van been, hout, koper, enz. Het plaatje van goud enz. in den knop van een oorkrab, daar het rosetje van juweelen op vastgemaakt wordt, heetdjadam; vandaarsoewĕng-djadam, d. i. een oorkrab met een djadam.”
Dit woord was door Engelmann opgenomen in de eerste uitgave van het „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe”, maar zonder andere verklaring dan:„espèce de guarance, rubia seca”,en voorts met een vraagteeken er achter, omdat hij den oorsprong niet kende. Prof. Dozy voegde hieraan in de tweede uitgave niets toe, maar nam in zijn „Oosterlingen”Alizariwortelop, met de opmerking dat ook hem de oorsprong vanalizarionbekend was; dat het woord er wel-is-waar Arabisch uitzag, maar dat in het Arabisch de meekrap andere namen heeft. Prof. Land slaat in den „Nederl.Spectator”, 1867, voor,alizarite beschouwen als samengesteld uit het Arabisch lidwoordalen eene verbastering van het Griekscheisatis, welk woord wel-is-waar niet de beteekenis had vanmeekrap, maar dewouw(isatis tinctoriaL.) aanduidde, doch, zegt hij, lichtelijk bij vergissing op eene andere verfplant kan zijn overgedragen, zooals dat meermalen met oud-Grieksche plantennamen is gebeurd. Zeer aannemelijk is die verklaring zeker niet. Al wil men over het verschil in beteekenis en de verbinding van een Grieksch naamwoord met het Arabisch lidwoord heenstappen, dan blijft nog als grootste struikelblok de verwisseling vantmetrover, die zelfs als verbastering bezwaarlijk kan worden aangenomen. Veel waarschijnlijker is de verklaring vanMarcel Devicin zijn „Dictionnaire étymologique des mots d'origine orientale”, geplaatst achter hetSupplement op den„Dictionnaire de la langue Française”vanLittré. Volgens dien schrijver isalizarisamengesteld uit het Arab. lidw. en het eveneens Arabischeʾaçárah[waarschijnlijk ook welʾiçarahuitgesproken], welk woord, van den wortelʾaçara, persen, afgeleid, alle uitgeperste plantensappen aanduidt (vgl. de Sacy,„Chrestomatie Arabe”, 2e ed., T. III, p. 451). Devic geeft een voorbeeld, waarin het gebruikt wordt van de kleurstof der pastel of weede, en toont ook aan dat in den handel de Levantsche meekrapazalaofizari(d. i. dusalizarizonder het lidw.) genoemd werd. De letterçadvan het Arabische alfabet gaat in de talen van Zuid-Europa gewoonlijk inzover. (Zie Engelmann en Dozy, „Glossaire”, p. 18). Het is zeer denkbaar dat het handelsgebruik een woord met de algemeene beteekenis van uitgeperst plantensap allengs, bij wijze van verkorte uitdrukking, tot een bijzonder gewichtig artikel van dien aard beperkt heeft.(23)
Behalve in de toch ook niet zeer gewone samenstellingalizariwortel, isalizariin onze taal niet gebruikelijk, maar des te meer in den laatsten tijd het daarvan afgeleidealizarine. Terwijl alizari een handelsnaam van de meekrap is, verstaat men door alizarine de kleurstof die de scheikunde uit de meekrap trekt, maar die in de laatste jaren ook verkregen wordt uit steenkolenteer, eene uitvinding die aan de meekrapteelt veel afbreuk heeft gedaan. Ook wordt eene inktsoort, waarin meekrap als bestanddeel voorkomt,en die blauwgroen van kleur is, maar op het papier donkerzwart wordt,alizarine-inktgenoemd.
(23)Het schijnt mij toe, dat op soortgelijke wijzeheulsapin onze taal een synoniem voor opium is geworden, ofschoon het oorspronkelijk elk sap beteekende, waarbij men heul, verzachting van smart en pijnen, vond. Ofschoon deze gissing geheel van het gewone gevoelen afwijkt, bleek mij uit een brief van den heer van der Tuuk, waarin hij ook dehasjîsjofbangeenheulsapnoemt, dat ik in dit gevoelen niet alleen sta.
(23)Het schijnt mij toe, dat op soortgelijke wijzeheulsapin onze taal een synoniem voor opium is geworden, ofschoon het oorspronkelijk elk sap beteekende, waarbij men heul, verzachting van smart en pijnen, vond. Ofschoon deze gissing geheel van het gewone gevoelen afwijkt, bleek mij uit een brief van den heer van der Tuuk, waarin hij ook dehasjîsjofbangeenheulsapnoemt, dat ik in dit gevoelen niet alleen sta.
Henna, soms met het Arabische lidwoordalhennageschreven, is eigenlijk hetzelfde woord alskannaofalkanna, dat voornamelijk in den laatsten vorm gebruikelijk is. Het zijn verschillende wijzen van uitspraak van het Arabische woordhennáofhinná, den naam van het roodachtig gele of donker oranjekleurige sap, geperst uit de bladeren eener altijd groene struik, die de botaniciLawsonia inermisofLawsonia albanoemen. Maar ofschoonhennaenalkannain den grond hetzelfde woord zijn, verschilt het gebruik, daar het laatste slechts van een surrogaat der echtehennawordt gebezigd. De henna wordt in het Oosten algemeen door de vrouwen aangewend om de nagels en eenige andere deelen van handen en voeten te beschilderen. De wijze dezer bewerking kan men het best leeren kennen door de uitvoerige beschrijving en afbeelding inLane's„Modern Egyptians”, 5th edit., p. 38. Hetzelfde gebruik komt ook voor in den Indischen Archipel, althans op Sumatra, waar de henna (in het Maleisch)íneiheet.Miquel, „Sumatra”,bl. 100: „Met het uitgekookte sap van de bladenvan de inei of henna kleuren de inlanders de nagels van handen en voeten rood.” (Vgl. ook Filet,„Plantkundig Woordenboek”, 2e uitg., no. 1747).
OnderAlkanna(Eng.Alkanet) verstaat men de plant, eertijdsAnchiusa tinctoriaenLithospermum tinctorium, thans gewoonlijkAlkanna tinctoriageheeten, en hier endaar in Midden- en Zuid-Europa gekweekt. De bruinroode kleur die zij oplevert wordt door de apothekers tot het kleuren van zalven en tincturen, door de ververs tot het nabootsen der kleuren en vlammen van rozenhout (d. i. het hout vanDalbergia nigra) en andere Zuidamerikaansche boomen, eindelijk door de wijnhandelaars als kleurmiddel bij het vervalschen van portwijn gebruikt.
Het is eenigszins bevreemdend dat Prof. Dozy aan dit woord geene plaats heeft gegeven in zijne „Oosterlingen”, daar het stellig van Semietische afkomst is, en een bekend handelsartikel aanduidt. Het echtemannais eene in kleine, gele, doorzichtige korrels voorkomende zelfstandigheid, verhard uit het taaie en zoete sap, dat uit een zekere in Arabië menigvuldig voorkomende struik, deTamarix mannifera, vloeit, tengevolge van tallooze voor het bloote oog onzichtbare wondjes,door den steek van een insect,Coccus manniparus, teweeggebracht. Deze stof is, daargelaten het wonderbare gelegen in den verbazenden overvloed waarin ze zich voordeed tijdens de omzwervingen der Israëlieten in de woestijn vanArabia Petraea, en in de omstandigheden waaronder ze zich vertoonde, hoogstwaarschijnlijk niet verschillend van dat hemelsch brood, dat inExodus XVIonder den naam vanmanwordt vermeld.Mannais daarvan de gewone vorm, gebezigd in het Arameesch dialect dat ten tijde van de opkomst des Christendoms in Palestina werd gesproken, en daarom ook, bij aanvoering van woorden in de landstaal, in het N. Testament wordt gebruikt (Joh. VI: 31, 49, 58;Hebr. IX: 4;Openb. II: 17). Het woordmanbeteekent in het Arabisch eengeschenk, eenegave, en wanneer de Arabische schrijvers het boven beschreven mannamannoe's-samáï, d. i.gave des hemels, noemen, dan schijnen ook zij aan een wonderbaren oorsprong te denken, hetzij alleen omdat de herkomst dezer stof ook voor hen in het duister school, hetzij omdat de kennis van de wonderbare spijziging der Israëlieten in de woestijn ook tot hen was doorgedrongen. Voor dit laatste pleit de overeenkomst met de uitdrukkingenhemelsch broodenhemelsch koorn, diePs. CV: 40enLXXVIII: 24worden aangetroffen. Bij de nauwe verwantschap tusschen de Hebreeuwsche en Arabische talen, is er volstrekt geen reden om bezwaar te maken, ook inhet Hebreeuwsch de beteekenis vangaveaan het woord manna toe te kennen. En wanneer wij danExod. XVI: 15lezen, dat de Israëlieten, het manna ziende, en niet wetende wat het was, tot elkander zeiden: „man hoe,” dan is er geen reden om dit anders dan met „dit is een gave” te verklaren. Vers 31 wil dan ook zeker slechts te kennen geven, datman, d. i. gave, sedert de naam bleef van dit van den hemel nedergedaald geschenk. Er bestaat wel eene andere verklaring van die uitdrukkingman hoe, aan de Grieksche vertaling der LXX ontleend, volgens welke die woorden op vragenden toon moeten worden uitgesproken en vertaald worden:wat is dat?zoodat, tengevolge dier vraag,Watde naam der onbekende stof zou gebleven zijn. Maarmanals vragend voornaamwoord komt wel voor in de latere Aramaïseerende taal van Palestina, maar is in het echte Hebreeuwsch onbekend(24).
De naammannais later ook aan andere soortgelijke in den handel voorkomende stoffen gegeven, zooals aan het manna vanFraxinus ornus, welks uitvloeiing mede door den steek van een insect,Cicada orni, wordt bevorderd, of dat vanHedysarum Alhagi, eene struik op wier takken en bladeren zich korrels als gekristalliseerde suiker vormen, die men tegen het najaar op ieder uur van den dag kan inzamelen. Van deze gewassen komt het eerstgenoemde vooral in Italië, het andere, behalve in Perzië, ook in Arabië voor.