Een eerlijk man.

Een eerlijk man.De Franschen hadden, te midden van allerlei gruwelen, hun Koning, Lodewijk XVI, op het schavot doen sterven, en vormden thans een Republiek, die verschrikking over Europa bracht. Wel trachtten de Vorsten van andere landen dien machtigen stroom des opstands te keeren, doch geen macht was er tegen bestand.Overal zwierven de Fransche, Republikeinsche legers rond en, waar zij heengingen daar lieten ze de droevige sporen van hun verblijf achter.Zoo naderde ook een leger Sans-culotten,—spotnaam aan de Fransche soldaten gegeven,—het gebied van den Vorst van Hessen-Kassel, en daar deze zeer goed begreep, dat hij tegen hen niet bestand was, ontvlood hij zijn hoofdstad en nam alleen zijn draagbare bezittingen mede.Maar, waar zou hij deze laten?Zou hij ze overal medenemen, waar hij henentoog?Hij wist niet eens, waar hij belanden zou, en of hij op den duur wel uit de handen der Sans-culotten zou kunnen blijven.Op zijn vlucht naderde hij de oude stad Frankfort a|d Main.„Wacht,” denkt hij, „in Frankfort woont een Israëlitisch bankier, van wien ik veel goeds gehoord heb. Als ik mijn kostbaarheden en mijn geld hem eens in bewaring gaf? Wil hij er den oneerlijken mee spelen en mij later niets teruggeven, in vrede, als ik dat alles bij mij houd, verlies ik het toch op den een of anderen dag!”Hij besloot dus den bankier op te zoeken, en toen hij dezen vond, stelde hij hem vóór, den schat zoo lang te bewarentot hij weer in veiligheid naar zijn Staten kon terugkeeren.De bankier had er niet veel zin in, doch toen de Vorst bleef aanhouden, stemde hij eindelijk toe en nam alles in ontvangst, en nauwelijks was de voortvluchtige Vorst vertrokken, of de bankier begroef de schat, die eenige millioenen guldens waarde had, in een hoek van zijn tuin.Kort daarop kwamen de Sans-culotten aan, en, wie er ook van een bezoek verschoond mocht blijven, al vast niet de Joodsche bankier. Dat deze dat nu maar zoo bedaard toeliet, zou te veel gezegd zijn, integendeel hij ging erg te keer en bezwoer hen, dat hij zulke plunderaars, die een eerlijk man tot den bedelstaf brachten, bij den bevelvoerenden Generaal zou aanklagen.De ruwe gasten lachten hem echter wat uit. Ze wisten wel, dat hij bij den Generaal toch geen hulp vinden zou. Geen kast lieten ze ondoorzocht. Ze namen alles mee, en toen de bankier in de verte de trommels van het aftrekkende leger hoorde klinken, dacht hij: „Mij hebben ze van alles, wat ik had, beroofd; maar de schat van Zijne Doorluchtigheid is er toch nog!”De Sans-culotten hadden zoo ongeveer honderdtwintig duizend gulden van hem meegenomen.Toen de bankier begreep, dat de plunderaars niet weer zouden terugkeeren, hervatte hij zijn zaken, en daar hij hiertoe geld noodig had, nam hij een gedeelte van den verborgen schat.Om evenwel geen argwaan te wekken, begon hij in het klein, doch langzamerhand breidde hij zijn handel uit, en maakte zich weldra tot een der meest bekende en grootste bankiers van Duitschland.In het jaar 1802 keerde de Vorst naar zijn Staten terug en nam zijn weg over Frankfort.Hij zag er tegenop den bankier te bezoeken; want hij begreep wel, dat, als de Franschen nog iets overgelaten hadden, de eerlijkheid van den bankier toch niet bestand zou geweest zijn tegen de verzoeking, dat geld, als het zijne te gebruiken. En als hij dat gedaan had, dan viel er nogniets aan te doen; want hij had zelfs geen enkel bewijs, dat de bankier zijn schat in bewaring had.Toch ging hij er heen, en toen hij in de binnenkamer van den bankier gekomen was, riep hij op een luchtigen toon, die zooveel zeggen wilde, als dat hij zich over zijn verlies heengezet had: „Nu ik hier tòch in Frankfort ben, Mijnheer, is het natuurlijk, dat ik even bij u aankom, hoewel ik reeds vooraf weet, dat ik toch voor niemendal kom. Hebben de schelmen alles mee genomen?”„Geen thaler, Uwe Doorluchtigheid,” was het kalme antwoord.„Wat zegt gij daar?” riep de Vorst. „En in alle couranten stond dat de Sans-culotten alle kasten en kisten bij u opengebroken en u tot bedelaar gemaakt hadden!”„Dat hebben ze ook gedaan, Uwe Doorluchtigheid! Maar ik was dezen lieden toch nog te slim af. Ik liet hen mijn klein kapitaal stelen om uw groot te bewaren. Zoo ik ook mijn bezittingen verborgen had, zouden de roovers vast overal aan het zoeken gegaan zijn en zeker alles gevonden hebben. Het waren slimme knapen, die Sans-culotten. Enkelen mijner kennissen en buren hadden alles geborgen, en als die uitgeslapen schelmen in een groot huis kwamen en niets van waarde vonden, begrepen zij wel, dat men hen trachtte te misleiden. En hoe legden ze het aan om de verborgen schatten te vinden? Ze stortten emmers vol water over de gemetselde vloeren en in de tuinen, en de plaats, waar het water het eerst in de grond zonk, werd dadelijk opgegraven; want dit was hun een teeken, dat de grond pas opgedolven, of het metselwerk pas gelegd was. Ik had, zooals ik uwe Doorluchtigheid reeds gezegd heb, niets van datgene, wat het mijne was, verborgen. Ze namen dus ook alles mee en toen ze vertrokken waren, was er geen penning van mijne bezittingen overgebleven. Toen Frankfort geplunderd was, trokken de roovers af om elders op dezelfde wijze te werk te gaan. Had ik nu maar geld gehad, dan zou ik goede zaken gemaakt hebben; want de kooplieden waren om geld verlegen en boden een hoogen intrest. Maar, ik had geen geld!Eens echter, dat ik in den tuin liep en mijn gedachten over alles gaan liet, kwam ik ook in den hoek waar uw schat verborgen lag.„Als ik dit geld eens gebruikte!” dacht ik.„Het is het uwe niet! Ge hebt er geen beschikking over!” zei mijn geweten.Ik ging naar huis en ontvlood de gevaarlijke plek; maar dat hielp niet veel, want dag en nacht waren die schatten in mijn gedachten.Eindelijk werd de verleiding mij te sterk. Ik groef alles op, borg uw edelgesteenten en gouden sieraden in een ijzeren doos en gebruikte het losse geld om mijn handel voort te zetten.Ik was meer dan gelukkig en thans ben ik instaat u niet alleen uw geld, maar ook vijf percent intrest te geven van den dag af, dat ik uw geld gebruikt heb!”„Hartelijk dank, mijn goede vriend,” antwoordde de Vorst, „voor de groote zorg aan mijn geld en mijn kostbaarheden bewezen. Wat den intrest betreft, dien gij mij geven wilt, houd dien en beschouw hem, als een vergoeding voor hetgeen de Sans-culotten u ontroofd hebben!”De oogen van den eerlijken Israëliet glinsterden van vreugd, doch eer hij hiervoor zijn Vorstelijken geldschieter bedanken kon, vervolgde deze: „En wat het kapitaal betreft, dat ge zoo uitmuntend beheerd hebt, ik kan het aan geen betere handen toevertrouwen. Houd het gedurende twintig jaar tegen een intrest van twee percent onder u! Ik vertrouw, dat ik er mij niet over beklagen zal, en dat de gelden u tot voordeel zullen zijn!”Een eenvoudige schuldbekentenis, dat de bankier dat kapitaal van hem in gebruik had, was den Vorst voldoende, en toen hij dit in handen had, vertrok hij.Gedurende de vergaderingen van de Congres-leden te Weenen in 1814 deed de erkentelijke Vorst alle mogelijke pogingen om te bewerken, dat de Mogendheden, indien ze een leening wilden sluiten, de voorkeur zouden geven aan den „eerlijken jood van Frankfort a|d Main”.—En die pogingen werden met een gunstigen uitslag bekroond.Van dien tijd af steeg het aanzien van den Israëliet dermate, dat hij weldra de eerste bankier van heel Europa werd. Zonder hem sloot geen Staat een geldleening.En zijn naam?Zijn naam was Mozes Rothschild, en hij was de Stamvader van de Heeren Rothschild, die thans nog in Weenen, Parijs, Frankfort en Londen leven, en die met recht den titel van „Geldvorsten” mogen dragen.Lang niet altijd wordt eerlijkheid zóó beloond; maar toch kan ik u, mijn jonge vriendjes, gerust den raad geven: „Weest altijd even eerlijk, als de oude Mozes Rothschild!”

Een eerlijk man.De Franschen hadden, te midden van allerlei gruwelen, hun Koning, Lodewijk XVI, op het schavot doen sterven, en vormden thans een Republiek, die verschrikking over Europa bracht. Wel trachtten de Vorsten van andere landen dien machtigen stroom des opstands te keeren, doch geen macht was er tegen bestand.Overal zwierven de Fransche, Republikeinsche legers rond en, waar zij heengingen daar lieten ze de droevige sporen van hun verblijf achter.Zoo naderde ook een leger Sans-culotten,—spotnaam aan de Fransche soldaten gegeven,—het gebied van den Vorst van Hessen-Kassel, en daar deze zeer goed begreep, dat hij tegen hen niet bestand was, ontvlood hij zijn hoofdstad en nam alleen zijn draagbare bezittingen mede.Maar, waar zou hij deze laten?Zou hij ze overal medenemen, waar hij henentoog?Hij wist niet eens, waar hij belanden zou, en of hij op den duur wel uit de handen der Sans-culotten zou kunnen blijven.Op zijn vlucht naderde hij de oude stad Frankfort a|d Main.„Wacht,” denkt hij, „in Frankfort woont een Israëlitisch bankier, van wien ik veel goeds gehoord heb. Als ik mijn kostbaarheden en mijn geld hem eens in bewaring gaf? Wil hij er den oneerlijken mee spelen en mij later niets teruggeven, in vrede, als ik dat alles bij mij houd, verlies ik het toch op den een of anderen dag!”Hij besloot dus den bankier op te zoeken, en toen hij dezen vond, stelde hij hem vóór, den schat zoo lang te bewarentot hij weer in veiligheid naar zijn Staten kon terugkeeren.De bankier had er niet veel zin in, doch toen de Vorst bleef aanhouden, stemde hij eindelijk toe en nam alles in ontvangst, en nauwelijks was de voortvluchtige Vorst vertrokken, of de bankier begroef de schat, die eenige millioenen guldens waarde had, in een hoek van zijn tuin.Kort daarop kwamen de Sans-culotten aan, en, wie er ook van een bezoek verschoond mocht blijven, al vast niet de Joodsche bankier. Dat deze dat nu maar zoo bedaard toeliet, zou te veel gezegd zijn, integendeel hij ging erg te keer en bezwoer hen, dat hij zulke plunderaars, die een eerlijk man tot den bedelstaf brachten, bij den bevelvoerenden Generaal zou aanklagen.De ruwe gasten lachten hem echter wat uit. Ze wisten wel, dat hij bij den Generaal toch geen hulp vinden zou. Geen kast lieten ze ondoorzocht. Ze namen alles mee, en toen de bankier in de verte de trommels van het aftrekkende leger hoorde klinken, dacht hij: „Mij hebben ze van alles, wat ik had, beroofd; maar de schat van Zijne Doorluchtigheid is er toch nog!”De Sans-culotten hadden zoo ongeveer honderdtwintig duizend gulden van hem meegenomen.Toen de bankier begreep, dat de plunderaars niet weer zouden terugkeeren, hervatte hij zijn zaken, en daar hij hiertoe geld noodig had, nam hij een gedeelte van den verborgen schat.Om evenwel geen argwaan te wekken, begon hij in het klein, doch langzamerhand breidde hij zijn handel uit, en maakte zich weldra tot een der meest bekende en grootste bankiers van Duitschland.In het jaar 1802 keerde de Vorst naar zijn Staten terug en nam zijn weg over Frankfort.Hij zag er tegenop den bankier te bezoeken; want hij begreep wel, dat, als de Franschen nog iets overgelaten hadden, de eerlijkheid van den bankier toch niet bestand zou geweest zijn tegen de verzoeking, dat geld, als het zijne te gebruiken. En als hij dat gedaan had, dan viel er nogniets aan te doen; want hij had zelfs geen enkel bewijs, dat de bankier zijn schat in bewaring had.Toch ging hij er heen, en toen hij in de binnenkamer van den bankier gekomen was, riep hij op een luchtigen toon, die zooveel zeggen wilde, als dat hij zich over zijn verlies heengezet had: „Nu ik hier tòch in Frankfort ben, Mijnheer, is het natuurlijk, dat ik even bij u aankom, hoewel ik reeds vooraf weet, dat ik toch voor niemendal kom. Hebben de schelmen alles mee genomen?”„Geen thaler, Uwe Doorluchtigheid,” was het kalme antwoord.„Wat zegt gij daar?” riep de Vorst. „En in alle couranten stond dat de Sans-culotten alle kasten en kisten bij u opengebroken en u tot bedelaar gemaakt hadden!”„Dat hebben ze ook gedaan, Uwe Doorluchtigheid! Maar ik was dezen lieden toch nog te slim af. Ik liet hen mijn klein kapitaal stelen om uw groot te bewaren. Zoo ik ook mijn bezittingen verborgen had, zouden de roovers vast overal aan het zoeken gegaan zijn en zeker alles gevonden hebben. Het waren slimme knapen, die Sans-culotten. Enkelen mijner kennissen en buren hadden alles geborgen, en als die uitgeslapen schelmen in een groot huis kwamen en niets van waarde vonden, begrepen zij wel, dat men hen trachtte te misleiden. En hoe legden ze het aan om de verborgen schatten te vinden? Ze stortten emmers vol water over de gemetselde vloeren en in de tuinen, en de plaats, waar het water het eerst in de grond zonk, werd dadelijk opgegraven; want dit was hun een teeken, dat de grond pas opgedolven, of het metselwerk pas gelegd was. Ik had, zooals ik uwe Doorluchtigheid reeds gezegd heb, niets van datgene, wat het mijne was, verborgen. Ze namen dus ook alles mee en toen ze vertrokken waren, was er geen penning van mijne bezittingen overgebleven. Toen Frankfort geplunderd was, trokken de roovers af om elders op dezelfde wijze te werk te gaan. Had ik nu maar geld gehad, dan zou ik goede zaken gemaakt hebben; want de kooplieden waren om geld verlegen en boden een hoogen intrest. Maar, ik had geen geld!Eens echter, dat ik in den tuin liep en mijn gedachten over alles gaan liet, kwam ik ook in den hoek waar uw schat verborgen lag.„Als ik dit geld eens gebruikte!” dacht ik.„Het is het uwe niet! Ge hebt er geen beschikking over!” zei mijn geweten.Ik ging naar huis en ontvlood de gevaarlijke plek; maar dat hielp niet veel, want dag en nacht waren die schatten in mijn gedachten.Eindelijk werd de verleiding mij te sterk. Ik groef alles op, borg uw edelgesteenten en gouden sieraden in een ijzeren doos en gebruikte het losse geld om mijn handel voort te zetten.Ik was meer dan gelukkig en thans ben ik instaat u niet alleen uw geld, maar ook vijf percent intrest te geven van den dag af, dat ik uw geld gebruikt heb!”„Hartelijk dank, mijn goede vriend,” antwoordde de Vorst, „voor de groote zorg aan mijn geld en mijn kostbaarheden bewezen. Wat den intrest betreft, dien gij mij geven wilt, houd dien en beschouw hem, als een vergoeding voor hetgeen de Sans-culotten u ontroofd hebben!”De oogen van den eerlijken Israëliet glinsterden van vreugd, doch eer hij hiervoor zijn Vorstelijken geldschieter bedanken kon, vervolgde deze: „En wat het kapitaal betreft, dat ge zoo uitmuntend beheerd hebt, ik kan het aan geen betere handen toevertrouwen. Houd het gedurende twintig jaar tegen een intrest van twee percent onder u! Ik vertrouw, dat ik er mij niet over beklagen zal, en dat de gelden u tot voordeel zullen zijn!”Een eenvoudige schuldbekentenis, dat de bankier dat kapitaal van hem in gebruik had, was den Vorst voldoende, en toen hij dit in handen had, vertrok hij.Gedurende de vergaderingen van de Congres-leden te Weenen in 1814 deed de erkentelijke Vorst alle mogelijke pogingen om te bewerken, dat de Mogendheden, indien ze een leening wilden sluiten, de voorkeur zouden geven aan den „eerlijken jood van Frankfort a|d Main”.—En die pogingen werden met een gunstigen uitslag bekroond.Van dien tijd af steeg het aanzien van den Israëliet dermate, dat hij weldra de eerste bankier van heel Europa werd. Zonder hem sloot geen Staat een geldleening.En zijn naam?Zijn naam was Mozes Rothschild, en hij was de Stamvader van de Heeren Rothschild, die thans nog in Weenen, Parijs, Frankfort en Londen leven, en die met recht den titel van „Geldvorsten” mogen dragen.Lang niet altijd wordt eerlijkheid zóó beloond; maar toch kan ik u, mijn jonge vriendjes, gerust den raad geven: „Weest altijd even eerlijk, als de oude Mozes Rothschild!”

Een eerlijk man.

De Franschen hadden, te midden van allerlei gruwelen, hun Koning, Lodewijk XVI, op het schavot doen sterven, en vormden thans een Republiek, die verschrikking over Europa bracht. Wel trachtten de Vorsten van andere landen dien machtigen stroom des opstands te keeren, doch geen macht was er tegen bestand.Overal zwierven de Fransche, Republikeinsche legers rond en, waar zij heengingen daar lieten ze de droevige sporen van hun verblijf achter.Zoo naderde ook een leger Sans-culotten,—spotnaam aan de Fransche soldaten gegeven,—het gebied van den Vorst van Hessen-Kassel, en daar deze zeer goed begreep, dat hij tegen hen niet bestand was, ontvlood hij zijn hoofdstad en nam alleen zijn draagbare bezittingen mede.Maar, waar zou hij deze laten?Zou hij ze overal medenemen, waar hij henentoog?Hij wist niet eens, waar hij belanden zou, en of hij op den duur wel uit de handen der Sans-culotten zou kunnen blijven.Op zijn vlucht naderde hij de oude stad Frankfort a|d Main.„Wacht,” denkt hij, „in Frankfort woont een Israëlitisch bankier, van wien ik veel goeds gehoord heb. Als ik mijn kostbaarheden en mijn geld hem eens in bewaring gaf? Wil hij er den oneerlijken mee spelen en mij later niets teruggeven, in vrede, als ik dat alles bij mij houd, verlies ik het toch op den een of anderen dag!”Hij besloot dus den bankier op te zoeken, en toen hij dezen vond, stelde hij hem vóór, den schat zoo lang te bewarentot hij weer in veiligheid naar zijn Staten kon terugkeeren.De bankier had er niet veel zin in, doch toen de Vorst bleef aanhouden, stemde hij eindelijk toe en nam alles in ontvangst, en nauwelijks was de voortvluchtige Vorst vertrokken, of de bankier begroef de schat, die eenige millioenen guldens waarde had, in een hoek van zijn tuin.Kort daarop kwamen de Sans-culotten aan, en, wie er ook van een bezoek verschoond mocht blijven, al vast niet de Joodsche bankier. Dat deze dat nu maar zoo bedaard toeliet, zou te veel gezegd zijn, integendeel hij ging erg te keer en bezwoer hen, dat hij zulke plunderaars, die een eerlijk man tot den bedelstaf brachten, bij den bevelvoerenden Generaal zou aanklagen.De ruwe gasten lachten hem echter wat uit. Ze wisten wel, dat hij bij den Generaal toch geen hulp vinden zou. Geen kast lieten ze ondoorzocht. Ze namen alles mee, en toen de bankier in de verte de trommels van het aftrekkende leger hoorde klinken, dacht hij: „Mij hebben ze van alles, wat ik had, beroofd; maar de schat van Zijne Doorluchtigheid is er toch nog!”De Sans-culotten hadden zoo ongeveer honderdtwintig duizend gulden van hem meegenomen.Toen de bankier begreep, dat de plunderaars niet weer zouden terugkeeren, hervatte hij zijn zaken, en daar hij hiertoe geld noodig had, nam hij een gedeelte van den verborgen schat.Om evenwel geen argwaan te wekken, begon hij in het klein, doch langzamerhand breidde hij zijn handel uit, en maakte zich weldra tot een der meest bekende en grootste bankiers van Duitschland.In het jaar 1802 keerde de Vorst naar zijn Staten terug en nam zijn weg over Frankfort.Hij zag er tegenop den bankier te bezoeken; want hij begreep wel, dat, als de Franschen nog iets overgelaten hadden, de eerlijkheid van den bankier toch niet bestand zou geweest zijn tegen de verzoeking, dat geld, als het zijne te gebruiken. En als hij dat gedaan had, dan viel er nogniets aan te doen; want hij had zelfs geen enkel bewijs, dat de bankier zijn schat in bewaring had.Toch ging hij er heen, en toen hij in de binnenkamer van den bankier gekomen was, riep hij op een luchtigen toon, die zooveel zeggen wilde, als dat hij zich over zijn verlies heengezet had: „Nu ik hier tòch in Frankfort ben, Mijnheer, is het natuurlijk, dat ik even bij u aankom, hoewel ik reeds vooraf weet, dat ik toch voor niemendal kom. Hebben de schelmen alles mee genomen?”„Geen thaler, Uwe Doorluchtigheid,” was het kalme antwoord.„Wat zegt gij daar?” riep de Vorst. „En in alle couranten stond dat de Sans-culotten alle kasten en kisten bij u opengebroken en u tot bedelaar gemaakt hadden!”„Dat hebben ze ook gedaan, Uwe Doorluchtigheid! Maar ik was dezen lieden toch nog te slim af. Ik liet hen mijn klein kapitaal stelen om uw groot te bewaren. Zoo ik ook mijn bezittingen verborgen had, zouden de roovers vast overal aan het zoeken gegaan zijn en zeker alles gevonden hebben. Het waren slimme knapen, die Sans-culotten. Enkelen mijner kennissen en buren hadden alles geborgen, en als die uitgeslapen schelmen in een groot huis kwamen en niets van waarde vonden, begrepen zij wel, dat men hen trachtte te misleiden. En hoe legden ze het aan om de verborgen schatten te vinden? Ze stortten emmers vol water over de gemetselde vloeren en in de tuinen, en de plaats, waar het water het eerst in de grond zonk, werd dadelijk opgegraven; want dit was hun een teeken, dat de grond pas opgedolven, of het metselwerk pas gelegd was. Ik had, zooals ik uwe Doorluchtigheid reeds gezegd heb, niets van datgene, wat het mijne was, verborgen. Ze namen dus ook alles mee en toen ze vertrokken waren, was er geen penning van mijne bezittingen overgebleven. Toen Frankfort geplunderd was, trokken de roovers af om elders op dezelfde wijze te werk te gaan. Had ik nu maar geld gehad, dan zou ik goede zaken gemaakt hebben; want de kooplieden waren om geld verlegen en boden een hoogen intrest. Maar, ik had geen geld!Eens echter, dat ik in den tuin liep en mijn gedachten over alles gaan liet, kwam ik ook in den hoek waar uw schat verborgen lag.„Als ik dit geld eens gebruikte!” dacht ik.„Het is het uwe niet! Ge hebt er geen beschikking over!” zei mijn geweten.Ik ging naar huis en ontvlood de gevaarlijke plek; maar dat hielp niet veel, want dag en nacht waren die schatten in mijn gedachten.Eindelijk werd de verleiding mij te sterk. Ik groef alles op, borg uw edelgesteenten en gouden sieraden in een ijzeren doos en gebruikte het losse geld om mijn handel voort te zetten.Ik was meer dan gelukkig en thans ben ik instaat u niet alleen uw geld, maar ook vijf percent intrest te geven van den dag af, dat ik uw geld gebruikt heb!”„Hartelijk dank, mijn goede vriend,” antwoordde de Vorst, „voor de groote zorg aan mijn geld en mijn kostbaarheden bewezen. Wat den intrest betreft, dien gij mij geven wilt, houd dien en beschouw hem, als een vergoeding voor hetgeen de Sans-culotten u ontroofd hebben!”De oogen van den eerlijken Israëliet glinsterden van vreugd, doch eer hij hiervoor zijn Vorstelijken geldschieter bedanken kon, vervolgde deze: „En wat het kapitaal betreft, dat ge zoo uitmuntend beheerd hebt, ik kan het aan geen betere handen toevertrouwen. Houd het gedurende twintig jaar tegen een intrest van twee percent onder u! Ik vertrouw, dat ik er mij niet over beklagen zal, en dat de gelden u tot voordeel zullen zijn!”Een eenvoudige schuldbekentenis, dat de bankier dat kapitaal van hem in gebruik had, was den Vorst voldoende, en toen hij dit in handen had, vertrok hij.Gedurende de vergaderingen van de Congres-leden te Weenen in 1814 deed de erkentelijke Vorst alle mogelijke pogingen om te bewerken, dat de Mogendheden, indien ze een leening wilden sluiten, de voorkeur zouden geven aan den „eerlijken jood van Frankfort a|d Main”.—En die pogingen werden met een gunstigen uitslag bekroond.Van dien tijd af steeg het aanzien van den Israëliet dermate, dat hij weldra de eerste bankier van heel Europa werd. Zonder hem sloot geen Staat een geldleening.En zijn naam?Zijn naam was Mozes Rothschild, en hij was de Stamvader van de Heeren Rothschild, die thans nog in Weenen, Parijs, Frankfort en Londen leven, en die met recht den titel van „Geldvorsten” mogen dragen.Lang niet altijd wordt eerlijkheid zóó beloond; maar toch kan ik u, mijn jonge vriendjes, gerust den raad geven: „Weest altijd even eerlijk, als de oude Mozes Rothschild!”

De Franschen hadden, te midden van allerlei gruwelen, hun Koning, Lodewijk XVI, op het schavot doen sterven, en vormden thans een Republiek, die verschrikking over Europa bracht. Wel trachtten de Vorsten van andere landen dien machtigen stroom des opstands te keeren, doch geen macht was er tegen bestand.

Overal zwierven de Fransche, Republikeinsche legers rond en, waar zij heengingen daar lieten ze de droevige sporen van hun verblijf achter.

Zoo naderde ook een leger Sans-culotten,—spotnaam aan de Fransche soldaten gegeven,—het gebied van den Vorst van Hessen-Kassel, en daar deze zeer goed begreep, dat hij tegen hen niet bestand was, ontvlood hij zijn hoofdstad en nam alleen zijn draagbare bezittingen mede.

Maar, waar zou hij deze laten?

Zou hij ze overal medenemen, waar hij henentoog?

Hij wist niet eens, waar hij belanden zou, en of hij op den duur wel uit de handen der Sans-culotten zou kunnen blijven.

Op zijn vlucht naderde hij de oude stad Frankfort a|d Main.

„Wacht,” denkt hij, „in Frankfort woont een Israëlitisch bankier, van wien ik veel goeds gehoord heb. Als ik mijn kostbaarheden en mijn geld hem eens in bewaring gaf? Wil hij er den oneerlijken mee spelen en mij later niets teruggeven, in vrede, als ik dat alles bij mij houd, verlies ik het toch op den een of anderen dag!”

Hij besloot dus den bankier op te zoeken, en toen hij dezen vond, stelde hij hem vóór, den schat zoo lang te bewarentot hij weer in veiligheid naar zijn Staten kon terugkeeren.

De bankier had er niet veel zin in, doch toen de Vorst bleef aanhouden, stemde hij eindelijk toe en nam alles in ontvangst, en nauwelijks was de voortvluchtige Vorst vertrokken, of de bankier begroef de schat, die eenige millioenen guldens waarde had, in een hoek van zijn tuin.

Kort daarop kwamen de Sans-culotten aan, en, wie er ook van een bezoek verschoond mocht blijven, al vast niet de Joodsche bankier. Dat deze dat nu maar zoo bedaard toeliet, zou te veel gezegd zijn, integendeel hij ging erg te keer en bezwoer hen, dat hij zulke plunderaars, die een eerlijk man tot den bedelstaf brachten, bij den bevelvoerenden Generaal zou aanklagen.

De ruwe gasten lachten hem echter wat uit. Ze wisten wel, dat hij bij den Generaal toch geen hulp vinden zou. Geen kast lieten ze ondoorzocht. Ze namen alles mee, en toen de bankier in de verte de trommels van het aftrekkende leger hoorde klinken, dacht hij: „Mij hebben ze van alles, wat ik had, beroofd; maar de schat van Zijne Doorluchtigheid is er toch nog!”

De Sans-culotten hadden zoo ongeveer honderdtwintig duizend gulden van hem meegenomen.

Toen de bankier begreep, dat de plunderaars niet weer zouden terugkeeren, hervatte hij zijn zaken, en daar hij hiertoe geld noodig had, nam hij een gedeelte van den verborgen schat.

Om evenwel geen argwaan te wekken, begon hij in het klein, doch langzamerhand breidde hij zijn handel uit, en maakte zich weldra tot een der meest bekende en grootste bankiers van Duitschland.

In het jaar 1802 keerde de Vorst naar zijn Staten terug en nam zijn weg over Frankfort.

Hij zag er tegenop den bankier te bezoeken; want hij begreep wel, dat, als de Franschen nog iets overgelaten hadden, de eerlijkheid van den bankier toch niet bestand zou geweest zijn tegen de verzoeking, dat geld, als het zijne te gebruiken. En als hij dat gedaan had, dan viel er nogniets aan te doen; want hij had zelfs geen enkel bewijs, dat de bankier zijn schat in bewaring had.

Toch ging hij er heen, en toen hij in de binnenkamer van den bankier gekomen was, riep hij op een luchtigen toon, die zooveel zeggen wilde, als dat hij zich over zijn verlies heengezet had: „Nu ik hier tòch in Frankfort ben, Mijnheer, is het natuurlijk, dat ik even bij u aankom, hoewel ik reeds vooraf weet, dat ik toch voor niemendal kom. Hebben de schelmen alles mee genomen?”

„Geen thaler, Uwe Doorluchtigheid,” was het kalme antwoord.

„Wat zegt gij daar?” riep de Vorst. „En in alle couranten stond dat de Sans-culotten alle kasten en kisten bij u opengebroken en u tot bedelaar gemaakt hadden!”

„Dat hebben ze ook gedaan, Uwe Doorluchtigheid! Maar ik was dezen lieden toch nog te slim af. Ik liet hen mijn klein kapitaal stelen om uw groot te bewaren. Zoo ik ook mijn bezittingen verborgen had, zouden de roovers vast overal aan het zoeken gegaan zijn en zeker alles gevonden hebben. Het waren slimme knapen, die Sans-culotten. Enkelen mijner kennissen en buren hadden alles geborgen, en als die uitgeslapen schelmen in een groot huis kwamen en niets van waarde vonden, begrepen zij wel, dat men hen trachtte te misleiden. En hoe legden ze het aan om de verborgen schatten te vinden? Ze stortten emmers vol water over de gemetselde vloeren en in de tuinen, en de plaats, waar het water het eerst in de grond zonk, werd dadelijk opgegraven; want dit was hun een teeken, dat de grond pas opgedolven, of het metselwerk pas gelegd was. Ik had, zooals ik uwe Doorluchtigheid reeds gezegd heb, niets van datgene, wat het mijne was, verborgen. Ze namen dus ook alles mee en toen ze vertrokken waren, was er geen penning van mijne bezittingen overgebleven. Toen Frankfort geplunderd was, trokken de roovers af om elders op dezelfde wijze te werk te gaan. Had ik nu maar geld gehad, dan zou ik goede zaken gemaakt hebben; want de kooplieden waren om geld verlegen en boden een hoogen intrest. Maar, ik had geen geld!

Eens echter, dat ik in den tuin liep en mijn gedachten over alles gaan liet, kwam ik ook in den hoek waar uw schat verborgen lag.

„Als ik dit geld eens gebruikte!” dacht ik.

„Het is het uwe niet! Ge hebt er geen beschikking over!” zei mijn geweten.

Ik ging naar huis en ontvlood de gevaarlijke plek; maar dat hielp niet veel, want dag en nacht waren die schatten in mijn gedachten.

Eindelijk werd de verleiding mij te sterk. Ik groef alles op, borg uw edelgesteenten en gouden sieraden in een ijzeren doos en gebruikte het losse geld om mijn handel voort te zetten.

Ik was meer dan gelukkig en thans ben ik instaat u niet alleen uw geld, maar ook vijf percent intrest te geven van den dag af, dat ik uw geld gebruikt heb!”

„Hartelijk dank, mijn goede vriend,” antwoordde de Vorst, „voor de groote zorg aan mijn geld en mijn kostbaarheden bewezen. Wat den intrest betreft, dien gij mij geven wilt, houd dien en beschouw hem, als een vergoeding voor hetgeen de Sans-culotten u ontroofd hebben!”

De oogen van den eerlijken Israëliet glinsterden van vreugd, doch eer hij hiervoor zijn Vorstelijken geldschieter bedanken kon, vervolgde deze: „En wat het kapitaal betreft, dat ge zoo uitmuntend beheerd hebt, ik kan het aan geen betere handen toevertrouwen. Houd het gedurende twintig jaar tegen een intrest van twee percent onder u! Ik vertrouw, dat ik er mij niet over beklagen zal, en dat de gelden u tot voordeel zullen zijn!”

Een eenvoudige schuldbekentenis, dat de bankier dat kapitaal van hem in gebruik had, was den Vorst voldoende, en toen hij dit in handen had, vertrok hij.

Gedurende de vergaderingen van de Congres-leden te Weenen in 1814 deed de erkentelijke Vorst alle mogelijke pogingen om te bewerken, dat de Mogendheden, indien ze een leening wilden sluiten, de voorkeur zouden geven aan den „eerlijken jood van Frankfort a|d Main”.—En die pogingen werden met een gunstigen uitslag bekroond.

Van dien tijd af steeg het aanzien van den Israëliet dermate, dat hij weldra de eerste bankier van heel Europa werd. Zonder hem sloot geen Staat een geldleening.

En zijn naam?

Zijn naam was Mozes Rothschild, en hij was de Stamvader van de Heeren Rothschild, die thans nog in Weenen, Parijs, Frankfort en Londen leven, en die met recht den titel van „Geldvorsten” mogen dragen.

Lang niet altijd wordt eerlijkheid zóó beloond; maar toch kan ik u, mijn jonge vriendjes, gerust den raad geven: „Weest altijd even eerlijk, als de oude Mozes Rothschild!”


Back to IndexNext