Graaf en hondenjongen.

Graaf en hondenjongen.Graaf en hondenjongen.Het was den 28sten Juni van het jaar onzes Heeren 1297, dat er in den Buitenhof van het Grafelijke jachtslot in „Die Haghe” zich een bonte menigte bewoog. Opgetuigde paarden liepen aan de hand van stalknechts op en neer, en gaven dikwijls zulke krachtige bewijzen van hun ongeduld, dat de knechts wel beide handen noodig hadden om de dartele dieren in toom te houden. Valkeniers, pluimgraven, hondenjongens, jagers, hofhoorigen van allerlei bedrijf en ambacht,—lijfeigenen, boeren, ambachtslieden, schildknapen, Ridders en Edelen, alles liep in de bontste wanorde, die men zich maar voorstellen kan, door elkander en scheen ten laatste in het ongeduld der trappelende en snuivende rossen te deelen.Wat was er te doen?De dorpers van Rijswijk, Voorburg en Leydschendam hadden reeds gedurende verscheidene dagen geklaagd, dat de omstreken door een reusachtigen wolf zeer onveilig gemaakt werden, doch daar dit dier zich meestal schuil hield op het jachtgebied van den Graaf, hadden ze den moed niet, het dier daar op te zoeken en te dooden. Nu stond er voor hen geen andere weg open dan den Graaf er kennis van te geven, dan kon deze, als hij het goed vond, zelf op de jacht gaan en het dier dooden, of anders de Edelen uitnoodigen, het Grafelijke Hout van dien vreeselijken bewoner te verlossen. Had hij hiertoe geen lust, welnu, dan kon hij toestaan, dat de bewoners der genoemde plaatsen opdit dier in het bosch een drijfjacht hielden. Iets in hun voordeel zou er gebeuren, dat wisten die lieden zeker, want al was de Genadige Graaf Jan, „der Keerlen God,” niet, hij was er toch een zoon van, en al liep de jonge man ook nog zoo aan den leiband van den heerschzuchtigen, ruwen, wreeden en onbeschoften Zeeuwschen Edelman Wolfaerd van Borselen, toch zou de Graaf hier uitkomst brengen. Het kon niet anders.De jonge en zwakke Graaf, die zich zoo beheerschen liet was een groot liefhebber van de jacht, en daarom had hij besloten een algemeene drijfjacht op het roofdier te houden. Dit nu was de oorzaak, dat er reeds van den vroegen morgen af een ongewone drukte en bedrijvigheid heerschte in den Buitenhof van het jachtslot, waar het in den laatsten tijd niet heel levendig geweest was.Ondertusschen scheen men ongeduldiger te worden naarmate de schaduwen langer werden. Een uur na den noen was men bescheiden, en nu wees de zonnewijzer op den linkertoren van het slot reeds één uur. Als ge dat vreemd vindt, dat ongeduld namelijk, dan dient ge te weten, dat het middagmaal in die tijden zoo ongeveer tegen elf uur in den voormiddag gehouden werd, en dat men nooit sprak van een noenmaal of noen. Al vroeg in den morgen, des zomers zeker om zes uur, ontbeet men.Het ongeduld van die bonte menigte, die in de heete zomerzon op den kalen Buiten- en Binnenhof geblakerd en geschroeid werd, valt dus wel te verklaren.Er had daar binnen in het Slot zeker iets plaats gehad.Wat?Graaf Jan, wiens opvoeding aan het Hof van den Engelschen Koning Eduard zeer veel te wenschen had overgelaten, was voor de Hollanders zoo goed als een vreemdeling, daarenboven jong, zeer onervaren en geheel tegen de richting van zijn Vader. Een sterk gestel had hij ook niet, en veel moest er hem niet in den weg komen, of hij was boos en onhandelbaar.Het wegblijven van den Graaf werd door de ongeduldigemenigte dan ook aan de meest verschillende redenen toegeschreven.Doch laat mij u eerst een stukje geschiedenis vertellen.Den vorigen dag was het juist een jaar geleden, dat Floris V door de wraakzuchtige Edelen vermoord was geworden.Dat was een slag geweest voor de Poorters en de Dorpers! Beter Graaf dan „der Keerlen God” had er nooit geleefd. Altijd even gul en minzaam, ja, en altijd even rechtvaardig, onverschillig of hij een trotsch Baanderheer, een eenvoudig Edelman, een vlijtig Poorter, een nederig Dorper of een arm Lijfeigene voor zich had. Meer dan veertig vrije Poorters en Dorpers had hij tot den Adelstand verheven, omdat ze op de een of andere wijze getoond hadden, dat ze, waar het de belangen van het Graafschap gold, voor de Edelen niet onderdeden. Zoo iets maakte Floris bij de minderen bemind en geliefd, doch bij de oude Edelen gehaat. Maar Floris stoorde zich hieraan niet en ging zijnsweegs. Intusschen hadden die oude Edelen hun nood geklaagd aan Eduard, Koning van Engeland, die ook al geen vriend van den machtigen Hollandschen Graaf was, niettegenstaande des Graven zoon Jan verloofd was met Eduards dochter, Elisabeth, en sedert 1287 aan het Engelsche Hof verkeerde om daar zijn opvoeding te ontvangen. Dat opvoeden aan het Hof van Koning Eduard was misschien wel meer een list dan goede zorg van den Koning geweest; want eens, dat Floris iets gedaan had, dat niet in het voordeel van Engeland was, liet Eduard aan Floris vragen, of deze wel wist, dat hij zijn zoon in zijn macht had. „Welzeker weet ik dat,” antwoordde Floris, „maar dat zal mij niet beletten anders te handelen. Als Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland heb ik ook nog andere plichten te vervullen!”—Dat was mooi geantwoord, niet waar? Maar toch zou Graaf Floris misschien wel anders gesproken hebben, als hij nog niet een voorzoon gehad had van wien hij meer hield dan van Jan. Deze zoon heette Witte, en diens Moeder was een dochter van Heer Jan van Heusden. Witte nu wasin alles het evenbeeld van zijn Vader, en de Hollanders hielden zielsveel van hem, en waren er grootsch op, dat Graaf Floris hem „Jonker Witte van Holland” liet noemen. Later gaf hij hem de Heerlijkheid Haamstede en van dien tijd af wordt hij meestal Witte van Haamstede genoemd. Dezen Witte nu had Graaf Floris gaarne tot zijn opvolger in de Graafschappen benoemd, en eens heeft hij er zelfs zeer ernstig over gedacht. Toen Koning Eduard dit vernam, besloot hij wat water in zijn wijn te doen en voorzichtiger te zijn; want hij begreep wel, dat de Hollanders veel liever Witte tot Graaf zouden willen hebben, omdat zij hem kenden en beminden, dan Jan, dien ze niet kenden, en van wien ze alleen wisten, dat hij niet sterk en ook niet dapper of verstandig was. In stilte echter stookte Eduard de ontevreden Hollandsche en Zeeuwsche Edelen op, en dit gelukte hem volkomen. Zoover had hij het weten te brengen, dat zij besloten Graaf Floris heimelijk gevangen te nemen, en toen ze dit beproefden en zulks niet gelukte, was de wreede Gerard van Velsen met nog een paar andere Edelen, slecht genoeg, den Graaf te vermoorden. Die moord was eigenlijk bij ongeluk geschied; ze hadden niet gemeend zoo ver te gaan, en velen, die over Graaf Floris ontevreden waren, hadden nu veel spijt, dat de zaak zoo treurig afgeloopen was. Doch gedane zaken nemen geen keer, en daar de verbonden Edelen wel begrepen, dat ze er slecht zouden afkomen, als ze in handen van het volk vielen, beproefden ze de vlucht te nemen. Velen gelukte dit. Zoodra nu Koning Eduard hoorde, dat de zaak zulk een treurig einde genomen had, liet hij zijn schoonzoon Jan voor zich komen en zeide: „Jan, uw Vader heeft zijn roekelooze handelingen met den dood moeten bekoopen. Sommige Edelen hebben hem per ongeluk moeten dooden, inplaats van hem aanvankelijk naar Engeland over te voeren, zooals ons plan was. Thans zijt gij Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland!”Nu was Jan geen slecht mensch, maar aan het Hof van Koning Eduard had hij zooveel kwaads hooren vertellen van zijn Vader, dien hij nauwelijks meer zou gekend hebben, dat hij op deze droeve tijding niet heel erg ontroerde.De Koning vervolgde daarom: „Gij zijt nog jong, Jan, en als gij in Holland komt, zullen de oude vrienden van uw Vader u trachten wijs te maken, dat gij de moordenaars streng straffen moet. Een hoop poorters en dorpers, met uw halfbroeder Witte aan het hoofd, zullen den baas over u willen spelen, doch ik raad u ernstig aan: houd dat volkje op een afstand, anders loopt ge nog gevaar, dat ze u op den eenen of anderen dag wegjagen, om dien Witten Graaf te maken.”Graaf Jan’s oogen fonkelden. Ja, hij had inderdaad ook wel eens gehoord welke plannen zijn Vader met dien Witte had gehad, en daarom beloofde hij gaarne, dat hij Witte en zijn aanhang zoo min mogelijk aan het Hof dulden zou.Eduard hoorde dat met welbehagen aan en hernam: „Ik wil u gelooven, mijn zoon, maar gij zijt nog zoo jong, en ge kunt u misschien nog laten overhalen om anders te doen, dan wat ge nu van plan zijt. Ik zal u twee trouwe vrienden naar Holland medegeven, en wel de Heeren Reinoud Ferrer en Richard de Havering. Beloof mij nu bij al, wat u lief en dierbaar is, dat gij deze twee tot uw raadslieden zult aannemen, en altijd doen wat zij u zeggen, dat het beste is. Bedenk het, mijn zoon, dat mijne lieve dochter Elisabeth uw vrouw is!”Zonder recht na te denken, wat hij deed, beloofde Jan dit, en zóó kwam de jonge Graaf in Holland met een onstandvastig karakter, een haat tegen vele Edellieden, een minachting voor Poorters en Dorpers, een trotsche, Engelsche vrouw en twee Engelsche vrienden, die hij blindelings gehoorzaamde.Was het wonder, dat de Hollanders niet met hem ingenomen waren? Ja, zelfs de oude vijanden van Floris wenschten nu dat „der Keerlen God” nog maar leven mocht! Doch dat wenschen kwam te laat.Tot hiertoe de geschiedenis, en nu weer ons verhaal.Wat was er den vorigen dag gebeurd?Met den verjaardag van den moord op Graaf Floris, was Witte van Haamstede aan het Hof van zijn broeder gekomen, om hem over het verlies zijns Vaders te troosten,en Witte had dit zoo hartelijk gedaan, dat Jan hem uitnoodigde dien nacht op het slot te blijven om dan den volgenden dag aan de drijfjacht deel te nemen. Witte had die uitnoodiging gaarne gehoor gegeven, doch zie, terwijl de jagers al in den Buitenhof op en neer liepen, was Witte met een verstoord gelaat uit het slot getreden, en had bevolen van hem en zijn schildknaap terstond de paarden te zadelen. Een kwartier uurs later sloegen ze in gestrekten draf den weg naar Vlaardingen op.„Begrijp jij er wat van, Lein?” vroeg lange Melis, de pluimgraaf, aan een breedgeschouderden hondenjongen met zwarte, guitachtige oogen in het hoofd.„Yes, sir, I haveer alles van begrepen!” antwoordde deze.„Och, loop met je mondvol Engelsch naar de Noren, en zeg me liever in het goede Hollandsch van den vromen Melis Stoke, wat je er van weet!” hernam Melis.„Ja, zoo’n domme gans van een kippenkoning, als jij bent, kan niet verdragen, dat ik Engelsch spreek. Maar dat neem ik je volstrekt niet kwalijk. Je kippen, eenden en varkens zijn allemaal hier uit Holland en verstaan alleen Hollandsch; maar mijn honden zijn niet hier vandaan; de een is uit Wales, de ander uit Engeland en een derde weer uit Schotland, zoodat ze geen stom spreekje Hollandsch verstaan, en ik wel Engelsch spreken moet, omdat …”Pats! daar kreeg Lein een draai om zijn ooren, dat hij heelemaal achterstevoren keerde, en vlak voor een Engelschen paardenknecht van Sir Richard de Havering kwam te staan.„You had better work, sluggard!” („Je zoudt beter doen, als je werkte, luiwammes!”) zei de Engelschman.„Yes, sir, I, I,… shall … I,…I …”„What, I!” bromde de man, en, „flap!” daar had Lein er op het andere oor ook een beet.Nauwelijks was de Engelschman weg, of Melis kwam lachend uit zijn hoekje en zei: „Have you hadeen paar opstoppers? Wat is „opstopper” in het Engelsch, zeg, Lein?”„Ik wilde wel, dat jij er ook zoo’n paar gekregen hadt,”bromde Lein. „Het is eigenlijk alleen jouw schuld: jijhieldme immers aan den praat!”„Dat is waar, jongen, dat is waar! Maar weet je, wat je doet? Als die Vos met zijn mooien, rooden krullebol terug komt, dan moet je maar op zijn Engelsch zeggen: „Sir, geef die opstoppers nu maar aan den pluimgraaf!” maar op zijn Engelsch; hoor!” sarde Melis.„Als je niet ophoudt met plagen, dan stuur ik de honden op je af, lange boonstaak van een varkensvader,” riep Lein, doch schoot onwillekeurig in den lach toen hij die „mooie” woorden uitsprak.„Zoo, zoo, nu is alles weer effen! Vertel me nu maar wat jij er van begrijpt, dat Jonker Witte zoo schielijk vertrokken is, en dat de Graaf ons zoo laat wachten!” zei Melis.„Dat kan ik gauw zeggen,” gaf Lein ten antwoord. „Onze goede Jonker heeft vanmorgen in de vroegte al hooge woorden gehad met Sir Reinoud Ferrer, en deze werd zoo boos, dat hij de hand aan zijn zwaard sloeg; maar de Jonker was niet bang voor hem; hij lachte even en zei: „Boaster!”„Wat wil dat zeggen, Lein?”„Ja, ik wist het ook niet; maar de keukenmeester, die het aan Mien, de kamermeid van Vrouwe Elisabeth, verteld heeft, zei dat „boaster” zooveel wil zeggen, als „windzak.” Hoe vind-je dat, Melis?”„o, Kostelijk, kostelijk! Van nu af noem ik iederen Engelschman, met jou te beginnen, „boaster.”—Zijn je honden al gevoerd,boaster?”„Hoor eens, Melis, doe me nu het genoegen en noem me zoo niet meer! Ik wil geen Engelschman meer zijn en ik zal voortaan Hollandsch spreken. Maar je weet nog niet alles. Toen Jonker Witte hem dan „boaster” genoemd had, liep Sir Reinoud Ferrer zoo hard weg, als hij kon, om zulk een Hollandschen praatsmaker bij den Graaf aan te klagen. Nu lag Graaf Jan nog te bed, en eerst tegen den noen is hij opgestaan. Sir Reinoud Ferrer was er dadelijk bij om Jonker Witte aan te klagen, en het gevolg hiervan was, dat de Graaf zijn broeder roepen liet om hem den mantel eensuit te borstelen. Maar Jonker Witte is geen sloddervos; hij draagt altijd groote zorg voor zijn kleeren, zoodat hij niet dulden kon, dat zijn broeder hem in bijzijn van die twee Engelsche heeren en de Genadige Vrouw, den mantel uitborstelde. Toen Graaf Jan uitgesproken had, ging Jonker Witte voor hem staan en zei: „Het staat u wonderfraai, Heer Graaf, den vreemdeling boven uw broeder voor te spreken. Maar luister goed toe, wat ik u voorspel. Ge zult zóó lang aan den leiband van deze twee mannen loopen, tot ze u heelemaal naar hun hand gezet en u van de goede Hollanders vervreemd hebben. Enis heteenmaal zoover gekomen, dan sta ik u, Heer Graaf, voor de gevolgen niet in!”„Dat wil ik wel gelooven,” had toen de Havering gezegd, „je wilt zelf veel te graag Graaf worden!”Hierop keerde Witte zich tot den Engelschman en zei: „Zoo als ik vanmorgen je vriend Ferrer genoemd heb, zoo noem ik jou ook: „boaster!” En als je nog wat te vertellen mocht hebben, ik ben Jonker Witte van Holland en woon op mijn kasteel te Haamstede op Schouwen!”Hierop keerde Jonker Witte zich om, ging het slot uit, den stal in, liet de paarden zadelen en reed met zijn schildknaap heen.„Wat zeg je er van?”„o, Man, kostelijk, kostelijk! Wat zal die de Havering leelijk op zijn langen neus gekeken hebben. Maar hoe weet je dat zoo netjes?”„Wel, de keukenmeester heeft alles onder het open raam staan afluisteren, en het daarna aan zijn zuster Mien verteld. Nu kan ik bij Mien nog al in de kas, omdat ik haar wel eens wat help, en zij heeft het mij verteld.”„Hoor eens, ik ben blij dat ik het weet. Ik houd nu nog veel meer van Jonker Witte dan vroeger, maar, dat stilletjes staan luisteren van den keukenmeester, dat bevalt me toch niet, en nu weet ik, wat het beteekent, als ze zeggen, dat de muren soms ooren hebben!”Als Melis een sermoen ging houden, dan was hij in het eerste half uur nooit klaar, dat wist Lein ook wel, en daarom verheugde hij zich, dat er op eens een heele opschudding op den Buitenhof plaats greep.Graaf Jan had eindelijk besloten het geduld der Heeren jagers niet langer op de proef te stellen, maar toch wilde hij hen eerst nog eens beet nebben. De jagers wisten niet beter of men zou te paard uitgaan, en zie, daar verscheen de Graaf in een eenvoudig jachtgewaad en te voet. Een boog met pijlkoker slingerde op zijn rug, en naast hem liep zijn geliefde jachthond Diaan, dien hij op zijn Engelsch „Dy” noemde.„I am ready,” („ik ben gereed,”) had hij tot den Hofmaarschalk gezegd, en toen deze hem verwonderd aankeek, omdat hij zonder paard uitging, zei hij in slecht Hollandsch: „ja, een jacht te voet!”Dat gaf eerst nog een verwarring! De paarden werden weggeleid, en de Heeren jagers haastten zich andere wapenen te halen. Graaf Jan was dan ook al lang vooruit gegaan en stapte juist voorbij het valkenhuis, waar Melis en Lein met de honden gereed stonden.„Wat een verschil met zijn Vader!” fluisterde Melis. „Ik geloof nooit, dat hij lang leven zal!”„Men kan wel zien, dat de tijd der klitten er nog niet is,” meesmuilde Lein.„Wat klitten?” vroeg Melis.„Wel, je kent toch die bollekens wel, die langs den weg groeien en die aan de kleeren blijven hangen, als men ze er op gooit?”„Nu ja, maar wat zou dat?”„Wel, ik noem de Heeren Ferrer en de Havering nu eens klitten, omdat ze anders overal en altijd bij hem zijn. Dezen keer zijn ze niet bij hem. Ik wenschte wel, om ik weet niet wat, dat ze maar weer weg waren!”„Jawel, maar dáár komt een andere klit, en die heeft dorens,” hernam Melis, en wees met de oogen op een forschen Ridder van onaangenaam voorkomen. „Dien Heer Wolfaerd van Borselen vertrouw ik ook al geen zier, evenmin als dien Jonker Willem van Henegouwen, den zoon van Graaf Jan van Avennes, die daar achteraan komt slenteren, en het zou me niet verwonderen, of die Wolfaerd knikkert de Engelsche Heeren nog eens van de baan!”„Dat zou ik wel prettig vinden,” antwoordde Lein.„Ei, zou je dat? Och, dan toch! Maar ik geef er niet om, of ik door de poes of door den kater gebeten word. Begrepen?”„Wat bedoel je daarmede?”„Wel, die Heer Wolfaerd is ook al een best vriend van Koning Eduard, dat heb ik al lang geleden gehoord toen onze goede Graaf nog leefde. En wat dien Jonker Willem betreft, ja, dat schijnt een beste jongen te zijn, maar zijn Vader is Graaf van Henegouwen en dien vertrouw ik in het geheel niet. Hij is zoo wat een neefje van onzen Graaf, en als onze Graaf Jan kinderloos stierf, dan zou hij zeggen: „Ziezoo, Henegouwen is zoo groot niet of Holland, Zeeland en Westfriesland kunnen er nog wel bij!”Lein staarde den pluimgraaf met groote oogen aan en zei: „Heb jij óók kennis aan Mien, de kamermaagd?”„Loop heen, die weet alleen schandalen te vertellen, die in het Slot voorvallen, als haar broeder er zijn neus in gestoken heeft. Neen, maat, ik heb om zulke dingen te weten, betere kennissen. Ken je Aernout den Loosduiner?”„Dien dikken schildknaap van Jonker Witte?”„Juist, dezelfde. Nu, die Aernout heeft het mij verteld en Jonker Witte heeft geen geheimen voor hem!”Terwijl Melis en Lein, om de waarheid te zeggen, zoo hun tijd stonden te verbabbelen, kwam de paardenknecht van Sir Richard de Havering weer onverwachts aan, en ….flap! flap! twee draaien om de ooren en een: „Begone, babbler!” („voort, babbelaar,”) volgde.Lein keerde zich thans woedend om en met oogen, die glinsterden van kwaadheid, siste hij tusschen de tanden: „Boaster!”Nauwelijks had de Engelschman dat woord gehoord, of hij lichtte zijn vuist op om die op Leins hoofd te doen neerkomen, doch eer het zóó ver kwam, pakte de lange Melis den van kwaadheid schuimbekkenden man beet en smeet hem den stal uit, roepende: „Als je bakkeleien wilt, hier, ik ben je man!”Dat kon de Engelschman niet verdragen. Als een dollestier, met het hoofd voorover gebukt, kwam hij op Melis af, doch deze sprong wat op zij, en …. bons!…. de woedende kerel liep zoo hard met het hoofd tegen de staldeur, dat hij, als een gedolde os, op den grond tuimelde.„Wel mag je dat bekomen, kameraad,” riep Melis lachend, en den man latende liggen, waar hij lag, ging hij met Lein den jachtstoet achterna.Het ging den kant naar Rijswijk uit, en nog altijd scheen men te twijfelen, welken weg men nemen zou.Lein en Melis bleven dus bij elkander, en eenmaal op weg zijnde, gingen hunne monden weer, als Lazaruskleppen, tot Melis opeens vroeg: „Heb jij al eens een wolf gezien, Lein?”„Ja, verleden voorjaar te Haarlem. Daar was een man, die een wolf in een ijzeren kooi had. Maar, jongen, wat zijn de honden op zoo’n dier gebeten. Ik had wat moeite de twee hazewinden van onzen goeden Graaf in bedwang te houden!”„Wat is er toch van die hazewinden geworden?”„Wel, dat moest zoo’n vertrouwd vriend van Aernout den Loosduiner toch weten, dunkt me!”„Heeft Jonker Witte ze dan?”„Welja, wie anders? Je weet, dat de Kennemers deze trouwe dieren bij Graaf Floris in de sloot vonden. Stomme beesten, ze likten zijn wonden af, alsof ze hem zóó weer levend wilden maken!”„Ja, dat weet ik; maar toen?”„Wel, toen zijn ze mee naar Alkmaar gegaan, en ze zouden daar op het graf van den goeden Graaf van honger en dorst gestorven zijn, als Jonker Witte er niet tijdig nog een schotje voor geschoten had!”„Liet de koster van die kerk de arme dieren dan zoo maar aan hun lot over? o, Dat is zeker nog zoo’n koppige Westfries, die nu de honden van den Graaf kwaad deed, omdat hij den Graaf niet aandurfde toen deze nog leefde. Die Westfriezen vertrouw ik geen van allen!”„Foei, nu praat je de tong voorbij, Melis! Ja, de koster zorgde wel voor de dieren, maar ze wilden niet eten of drinken,en alleen aan Jonker Witte is het gelukt hen aan een zacht snoerken mede te nemen! Maar stil, daar komt Gilles de Henegouwer, die heeft zeker wat te zeggen!”Lein had goed geraden. Gilles de Henegouwer, een knecht van Jonker Willem, kwam zeggen, dat Melis hem met een koppel honden volgen moest, en dat Lein zich in het bosch van den Heer van den Brinckhorst moest begeven. De beide vrienden scheidden van elkander en, na zich over den Vliet te hebben laten zetten, ging Lein het bosch in. Om nu te zeggen, dat hij op zijn gemak was, dat gaat niet aan; want zoo alleen in dat bosch, dat zich heel ver uitstrekte, rond te dolen, dat was juist zulk een begeerlijk baantje niet. „Als je den jachthoorn hoort, moet je met je honden komen,” had Gilles gezegd; maar hier zag hij tusschen de hooge eiken en beuken geen enkelen jager, en hij zou nu wel eens willen weten, als er geen jagers waren, wie er dan op den hoorn blazen moest. En dan, als de wolf hier eens verscholen was, wat zou hij aanvangen? De honden zouden hem wel helpen, ja, maar als de wolf de honden eens verscheurd had? Daar ritselde wat in de lage struiken. Angstig zag hij er heen! Eensklaps staken de honden de ooren op en … brrr, Lein rolde van schrik op den grond en werd door de honden, die hij niet loslaten kon, een eindweegs mede gesleept. Eindelijk krabbelde hij op en had nog even tijd om te zien, dat het vreeselijke dier, dat hem daar voorbij gerend was, niets anders was dan een groote haas.Ondertusschen werd het langzamerhand later en, naar zijn maag te oordeelen, meende Lein dat het zoo omstreeks zes uur zou zijn.En nog altijd geen jagers te zien, en nog altijd geen hoorngeschal te hooren!Als ze hem hier in dit groote bosch maar niet vergaten!„Weet je wat,” dacht hij, „ik ga hier een oogenblik op het gras zitten en mijn maal doen. Ik zie scheel van den honger!”Zoodra hij dit gezegd had, zette hij zich op het gras, haalde den knapzak, die op zijn rug hing te bengelen, kreeg er een stuk grauw brood met spek uit, en begon een muizenmaaltjete doen; want water zag hij nergens.„Moeder had wel kunnen zorgen, dat er aan dat spek niet zulk een groot stuk zwoord zat,” bromde hij, en begon nu met beide handen te trekken om nog wat spek er af te krijgen. Maar toen hij zoo trok, en zooveel moeite deed om van het spek te halen, wat er van te halen was, dacht hij niet aan de honden, die hij in het geheel niet meer vast had, en of het werk zoo sprak, als op een afgesproken teeken, snelden beide dieren, vreeselijk blaffend het kreupelhout in.„Tijl, Grijp, kom hier!” riep Lein; maar jawel, de honden stoorden zich nergens aan en lieten hun jongen meester roepen en fluiten zooveel hij wilde.„Hier zit ik nu, verlaten als een hoornbeest (oorwurm) op een koolblad!” zuchtte hij, en borg het overschot van brood en spek in den knapzak.„Als er nu eens op den hoorn geblazen werd!”„Wof—wof—wof!” klonk het uit de verte en een oogenblik later: „Wof—wof—wof!” in de nabijheid.„Kom hier, Tijl! Kom hier, Grijp! Satansche beesten, ben-je behekst? Ik zeg, kom hier! Fu-u-u-u-u-ut!”„Wof—wof—wof!” nu kon hij ze nog even hooren en, hopende, dat ze weer naderbij zouden komen, bleef hij nog een poosje staan luisteren, maar te vergeefs. De honden waren weg en bleven weg.Lein werd treurig en stond daar met den vinger in den mond, als een jongen, die zijn laatsten Zondagspenning versnoept had.O, jongens, als de wolf nu toch eens kwam, wat moest hij dan doen? Hij had niets bij zich dan een hondenzweep en een zakmes.Zou hij verder gaan en zien, dat hij het bosch uitkwam? Zoo denkende en dwalende kwam hij bij een reusachtigen eik. Deze boom had eenige voeten boven den grond een aantal knoestige takken en een paar bulten, waaraan verscheidene kleinere takjes zaten. Lein zag zeer goed, dat men in dien boom gemakkelijk wegkruipen kon, zonder door iemand gezien te worden.Als hij het maar eens deed! Wanneer hij iemand hoorde,zou hij er uitkomen, als ze even verder gegaan waren en hen dan stil volgen.Zoo gedacht, zoo gedaan.In een oogwenk zat hij in den boom, en kon nu rustig en wel overdenken, wat hij doen moest.Toen hij daar zat, keek hij eens naar boven, en zag dat, wat hooger, de boom nog zoo’n zonderlinge verbreeding van takken had en, naar het scheen, kon men daar ook gemakkelijker zitten. Zijn besluit was gauw genomen en geen vijf minuten later, zat hij boven in den boom. Het leek daar wel een groot ooievaarsnest, waarvan hij de ooievaar was.Onder het klimmen was zijn knapzak aan een tak blijven hangen, en daarna op zijn borst geslingerd. Het scheen wel dat hij daar hing om nu leeggegeten te worden. Althans Lein legde dat zoo uit, en begon zijn maal voor den tweeden keer.—Hij had daar boven geen ruim uitzicht; want de boom geleek van beneden gezien veel meer dan hij werkelijk was, en hij had wel wat gelijkenis met Aernout den Loosduiner, die was ook in de dikte gegroeid en wel twee hoofden kleiner dan Jonker Witte was.Intusschen, de boterham was op, en juist wilde hij den knapzak oprollen en in den zak van zijn wambuis steken, toen hij beneden zich een voetstap hoorde. Een mooie jachthond kwam uit het hout en sprong op tegen iemand, dien Lein nog niet zien kon.„Still, Dy, still!” klonk het, en Lein herkende de stem van Graaf Jan, die, na wat rondgezien te hebben, zich onder den boom, waarin de knaap verborgen was, neerzette.„Ziezoo,” dacht Lein, „als de wolf nu komt, dan ben ik alvast niet alleen. Zou de Graaf slapen? Het wordt daar beneden zoo stil!”Ja, het werd daar beneden stil, maar het begon ook in het bosch stiller te worden. De zon begon al aardig te dalen, en nog een groot uur, dan zou ze onder zijn! En hoe vervelend voor Lein om doodstil boven in een boom te zitten! Als de vogeltjes hem zagen, vlogen ze verschrikt weg, en menigmaal dacht de knaap: „Was ik maar een vogel!” Doch door dat stil zitten was het, alsof zijn oogen zeer gingendoen. Zou dat slaap zijn? Neen, slapen wilde hij niet, dan kon de Graaf weggaan zonder dat hij het wist. Hij zou voor tijdverdrijf een poppeken snijden. Hout was hier in overvloed en zijn mes was scherp! En daar ging het, links, rechts, nu eens onder, dan eens boven, ziezoo, de ronde bol van den kop was klaar. Maar aan dien bol moest een neus en mond zijn. Fijn werk, ja!—„Wacht,” mompelde hij, „ik zal hem een neus geven, als den Eerwaarden Vader Melis Stoke, die heeft een neus als … maar die oogen, die oogen! Kijk, nu sneed hij weer verkeerd! De neus stond toch niet overdwars op een gezicht.—Hij zou.. hij zou.. ja, hij zou er nu maar een mond van.. van maken. Maar Melis Stoke had toch den neus niet beneden den mond … staan! Dat was … nu.. Melis …. zou lachen …. en die Melis, de.. lange.. lange.. Melis weet.. je.. niet.. die.. bo..boaster.. neen.. die.. die d …. d …”Zoo sliep Lein en hij droomde, dat hij bij Egbert den Grijze zat. Egbert de Grijze was schildknaap geweest bij Floris’ Vader, den Roomsch-koning Willem. Die man kon wat vertellen! Van den brand te Brunswijk, waar Willem bijna met zijn jonge vrouw in de vlammen omgekomen was; van de Westfriezen, die Willem op het zwakke ijs lokten en hem daar vermoordden; van Floris’ krijgstochten tegen de Vlamingen; van tournooien hier en steekspelen daar. Als Egbert aan het vertellen was, dan liep zijn huisje vol, en iedereen luisterde met de grootste aandacht. En nu vertelde hij van een jacht, de honden blaften zoo hard ze konden: wof—wof! en …. wof—wof! wof—wof!—Lein schrikte wakker; hij droomde, dat een wild zwijn hem nazat, en … wof—wof—wof! neen, dat was geen verbeelding, dat was werkelijk blaffen en wel onder aan den boom. De zon was ondertusschen ondergegaan en de maan gaf een te zwak licht om door de bladeren heen te kunnen schijnen.—Zou de Graaf er ook nog zijn? Maar stil, daar hoort hij iets. Het schijnt wel, dat men in den boom klimt! Als dat de wolf eens was! Maar wolven kunnen niet klimmen! Het is dus wat anders. Lein ziet thans nauwlettend toe en meent een hoofd te zien met een baret waarop een witteveder staat. Ja, zulk een baret had Graaf Jan op toen hij des middags uitging. Meer en meer wordt de gestalte zichtbaar en … het is de Graaf, dat ziet hij nu duidelijk. De hond gaat vreeselijk tekeer. Daar hoort hij iets kraken! Maar Dy is alleen en de wolf is een reus onder zijn makkers. Eer het arme dier het weet, ligt het met afgebeten strot op den grond! Als razend springt thans de wolf tegen den boom op. Heel de omtrek davert van zijn woest gehuil, doch al de pogingen, die hij aanwendt om in den boom te komen, zijn gelukkig te vergeefs. De Graaf zit veilig, en hij, de hondenjongen, daar boven in den boom ook.Doch wat zou Lein doen? Zou hij den Graaf toeroepen, dat hij ook in den boom zit? Maar dan zal de Graaf vragen, wat hij daar doet en hoe hij er in gekomen is.En wat zou hij dan moeten zeggen?De Graaf was ook in den boom gevlucht, dat was waar, maar niet vóór de wolf er was, en hij klom er al in toen er nog geen wolf op veld of wegen te ontdekken was. Neen, hij zal blijven, waar hij zit, en stil ook; want als de Graaf hem ontdekte, dan ….Maar hoor me dien wolf eens een geweld maken!Hij wroet de aarde om den boom los, en zijn groote tanden knarsen op de harde wortels!Lieve deugd, als het ondier den boom eens los kon graven, dan vielen de Graaf en hij in zijn klauwen!Maar waarom blaast de Graaf niet op zijn hoorn; hij heeft dien toch bij zich! Waarom tracht hij den wolf niet dood te schieten! hij heeft toch pijl en boog bij zich!Waarom ….?Neen, maar hoor eens, als hij de Graaf was, dan zou hij toeteren, dat iemand hooren en zien verging. Ze zouden het eindelijk toch wel ergens hooren! In den nacht klinkt het geluid van een hoorn wel een uur ver. Toen hij verleden jaar op het kasteel te Voorschoten was, kon hij des nachts den torenwachter van Leiden hooren, en Voorschoten lag toch nog meer dan een half uur van Leiden af. Zie, als de Graaf nu maar eens flink blies, dan konden ze het op den Brinckhorst te Voorburg of Rijswijk, ja, misschien wel inDie Haghe hooren. Ze zouden den Graaf toch wel zoeken, als hij niet thuis kwam! Wie weet waren zij, die hem zochten, niet reeds in de nabijheid!Zoo dacht de knaap, en zoo wenschte hij dat het geschieden mocht; want het zitten in den boom op de takken begon hem lastig te vallen. Hij durfde zich niet verroeren uit vrees, dat de Graaf hem ontdekken zou. En dat wilde hij niet; want hij wilde niet doorgaan voor een bangen knaap, die al aan het loopen gegaan was toen er geen gevaar bestond.Had Lein echter eens even kunnen weten, wat de Graaf zooal dacht, en waarom hij niet op zijn hoorn blies om zoodoende hulp te ontvangen, dan zou hij niet zoo lang hebben zitten mijmeren.Men had het Graaf Jan nog nooit gezegd, dat men aan zijn moed twijfelde, doch een ander behoeft ons nog niet altijd te zeggen, hoe hij over ons denkt. Men kan dat zoo wel zien. En de Graaf had al lang ontdekt, dat men hem, zooal niet voor een lafaard, dan toch voor iemand hield, die al heel weinig moed had. En als hij nu om hulp riep en men ontdekte hem zoo in den boom, wat zou men dan zeggen?„Ziet,” zouden de „lompe” dorpers en de „drieste” poorters, die door zijn Vader zoo verwend waren, uitroepen, „ziet, dat is nu onze Graaf, die in een boom vlucht uit vrees voor een wolf! Bijlo, een kleinzoon van een groot Vader!”Neen, dat vermaak zou hij dien lieden niet gunnen! Dan liever den geheelen nacht in den boom gebleven en den morgen afgewacht. De nachten duurden in dezen tijd toch zoo lang niet, en als het licht was, kon men beter denken ook.Zie, zoo dacht Graaf Jan; maar dat wist Lein niet!En beneden aan den boom was de wolf tot rust gekomen en had zich te slapen gelegd! Wie weet of deze niet gedacht had: „Jij daar boven in den boom, al heb je nog zulk een mooie muts op, ik zal je wel krijgen, want ik ga hier niet vandaan, vóór ik je beet heb. En weet je wat, ik ga nu wat slapen: ik ben moê gewerkt. Als jij het waagt,er uit te komen, zal ik wel wakker worden. Reken er maar op!”Het was dan nu overal stil. Boven in den boom, midden in den boom, onder aan den boom, stil, overal stil! Alleen kwam er nu en dan een uil voorbij vliegen, of ruischte er een luchtig koeltje door het loover.Maar ho, wat kropen die uren langzaam, en langzaam bovenal voor Lein, die zoo doodstil moest zitten. Hij voelde het, dat zijn beenen zoo stijf werden, als een tak van den boom. Eerst hadden ze geslapen en was het geweest, alsof men hem met duizend spelden prikte, en nu dat over was, deden hem al de leden zeer.Maar langzamerhand begonnen de sterren te verbleeken en kreeg de lucht, in het Oosten, een klein blosje, dat gaandeweg toenam. De vogeltjes werden wakker en schudden hun veertjes uit. In de verte kon men het vee hooren loeien, en door de boomen bruiste een flauw windje, dat de bladeren zachtkens trillen deed.O, als Lein maar niet zoo stijf en koud geweest ware, dan ….Daar ging de zon op, en de Graaf scheen dit oogenblik afgewacht te hebben; want Lein hoorde eenig geritsel. Nieuwsgierig, wat hij doen zou, keek de knaap door de takken naar beneden en zag dat Graaf Jan iets liet zakken. Lein kon niet goed onderscheiden, wat het was; maar als hij goed zag, dan was het een zakdoek of zoo iets, die in reepen gescheurd was. Die reepjes waren aan elkander geknoopt en onderaan hing een krom takje in den vorm van een haak. Onwillekeurig moest de knaap bij al zijn pijn nog lachen. Ging de graaf nu spelen, evenals de jongskens die in een kinderstoel zitten en met hun kousebandjes naar hun speelgoed visschen, dat op den grond gevallen is? Bah, hoe kinderachtig voor een Graaf! Maar weldra zag Lein, dat hij te voorbarig was geweest met den Graaf kinderachtig te noemen, want de zoogenaamde visscher op het droge, haalde met den haak zijn boog op, welke, bij de vlucht in den boom, op den grond was blijven liggen. De pijlkoker had hij mee kunnen nemen. Nu begreep Lein alles, en hijrekende al uit hoeveel minuten het nog duren moest eer hij vrij was. Intusschen was de wolf wakker geworden en begon zijn spelletje van den afgeloopen nacht weer. Als een dolle wroette hij den grond om en beet in de blootgewoelde wortels.Eensklaps gaf het dier een gil en werd nog woedender. Graaf Jan had hem een pijl in den rug geschoten, en gaf er hem nog een, en nog een en nog een. Eindelijk viel het dier stuiptrekkend op den grond. Snel, als de wind klauterde de Graaf naar beneden en stak zijn jachtmes in het hart van den vreeselijken vijand, die hem den geheelen nacht gevangen had gehouden.Dat alles zag Lein met groote vreugde, en toen Graaf Jan den wolf den kop afsneed, dezen aan de ooren opvatte en er mede heenging, toen was het Lein onverschillig of de Graaf naar Die Haghe of ergens anders heen zou gaan. Hij was vrij, en zoo goed en zoo kwaad, als zijn stijve ledematen hem dit toelieten, liet hij zich ook naar beneden zakken. Zijn eerste werk was een sloot op te zoeken om daar zijn brandenden dorst te lesschen, en toen hij dit gedaan had, trachtte hij een uitweg in het bosch te vinden, dat hem al heel gauw gelukte. Maar zie, nauwelijks kwam hij op het open veld, of Lange Melis, aan het hoofd van eenige andere knechts, snelde hem te gemoet, en riep: „Waar kom je vandaan?”„Uit het bosch,” gaf Lein ten antwoord.„En heb je den Graaf niet gezien? o, Al wat leeft in Die Haghe en op het slot is in beweging. De Graaf is gisteren niet van de jacht teruggekeerd! Wij dachten, dat hij al vooruit was, en toen wij thuis kwamen, meenden de Heeren Engelschen en de Genadige Vrouwe, dat hij achteraan kwam. Nu scheen het wel meer te gebeuren, dat de Graaf de nacht met den vreemden wichelaar, die een paar weken geleden hier aangekomen is, op den toren blijft om uit den loop der sterren zijn levenslot te weten, en toen hij niet kwam, dachten ze: „Hij zal bij den Astronoom wezen en wil niet gestoord zijn. Voor een paar uren echter is het uitgekomen, dat de Graaf in het geheel niet thuis gekomenis, en nu is er me wat te doen! Heb je hem niet gezien?”„Den wolf heb ik gezien,” zei Lein, die liever niet den Graaf en daardoor zichzelven verklikken wilde.„Den wolf?” riepen allen.„Ja, den wolf; maar zonder kop! Hij was nog warm en moet pas geslacht zijn! Gaat maar mede, ik zal je de plaats wijzen waar hij ligt!”Zoodra ze echter eenige schreden afgelegd hadden, stonden ze eensklaps stil; want daar kwam de Graaf met den wolfskop in de hand.„Wat kom je zoeken?” vroeg hij in gebroken Hollandsch.„De Genadige Vrouwe was bevreesd, Heer Graaf, dat de wolf u eenig leed gedaan had, en zij heeft ons uitgezonden om u op te zoeken!” antwoordde Melis bedremmeld.„Zoo, dacht ze dat? Maar gijlieden hadt kunnen weten, dat Graaf Jan van Holland, kleinzoon van Koning Willem, zich door geen wolf leed laat doen. Een paar honderd schreden links van hier kan je den wolf vinden. Haal hem en breng hem op het slot, dan kunnen alle luiden zien, dat ik geen kind meer ben, al houden zij er mij voor!”Met opgeheven hoofd en trotschen blik vervolgde de Graaf zijn weg, en een uur later bewonderde heel het Hof den koelen moed van den jongen Graaf, hoewel er sommigen waren, die luide prezen en in stilte dachten, dat het toch wel niet geschied zou zijn, zooals men elkander verhaalde. Slechts één was er, die er alles van wist, en deze was Lein, die eindelijk aan den Langen Melis zijn geheim verteld had, om van dien lastigen vraagal, doch besten vriend, ontslagen te worden.En, de Lange Melis heeft nooit het geheim verklapt. Zoo het heette, had Lein den geheelen nacht wandelende in het bosch doorgebracht. En dat hij niet loog, kon men hem wel aanzien; want hij zag er zoo vermoeid en afgemat uit en hij was zoo stijf, alsof hij in een heele week niet uit zijn kleeren geweest ware.

Graaf en hondenjongen.Graaf en hondenjongen.Het was den 28sten Juni van het jaar onzes Heeren 1297, dat er in den Buitenhof van het Grafelijke jachtslot in „Die Haghe” zich een bonte menigte bewoog. Opgetuigde paarden liepen aan de hand van stalknechts op en neer, en gaven dikwijls zulke krachtige bewijzen van hun ongeduld, dat de knechts wel beide handen noodig hadden om de dartele dieren in toom te houden. Valkeniers, pluimgraven, hondenjongens, jagers, hofhoorigen van allerlei bedrijf en ambacht,—lijfeigenen, boeren, ambachtslieden, schildknapen, Ridders en Edelen, alles liep in de bontste wanorde, die men zich maar voorstellen kan, door elkander en scheen ten laatste in het ongeduld der trappelende en snuivende rossen te deelen.Wat was er te doen?De dorpers van Rijswijk, Voorburg en Leydschendam hadden reeds gedurende verscheidene dagen geklaagd, dat de omstreken door een reusachtigen wolf zeer onveilig gemaakt werden, doch daar dit dier zich meestal schuil hield op het jachtgebied van den Graaf, hadden ze den moed niet, het dier daar op te zoeken en te dooden. Nu stond er voor hen geen andere weg open dan den Graaf er kennis van te geven, dan kon deze, als hij het goed vond, zelf op de jacht gaan en het dier dooden, of anders de Edelen uitnoodigen, het Grafelijke Hout van dien vreeselijken bewoner te verlossen. Had hij hiertoe geen lust, welnu, dan kon hij toestaan, dat de bewoners der genoemde plaatsen opdit dier in het bosch een drijfjacht hielden. Iets in hun voordeel zou er gebeuren, dat wisten die lieden zeker, want al was de Genadige Graaf Jan, „der Keerlen God,” niet, hij was er toch een zoon van, en al liep de jonge man ook nog zoo aan den leiband van den heerschzuchtigen, ruwen, wreeden en onbeschoften Zeeuwschen Edelman Wolfaerd van Borselen, toch zou de Graaf hier uitkomst brengen. Het kon niet anders.De jonge en zwakke Graaf, die zich zoo beheerschen liet was een groot liefhebber van de jacht, en daarom had hij besloten een algemeene drijfjacht op het roofdier te houden. Dit nu was de oorzaak, dat er reeds van den vroegen morgen af een ongewone drukte en bedrijvigheid heerschte in den Buitenhof van het jachtslot, waar het in den laatsten tijd niet heel levendig geweest was.Ondertusschen scheen men ongeduldiger te worden naarmate de schaduwen langer werden. Een uur na den noen was men bescheiden, en nu wees de zonnewijzer op den linkertoren van het slot reeds één uur. Als ge dat vreemd vindt, dat ongeduld namelijk, dan dient ge te weten, dat het middagmaal in die tijden zoo ongeveer tegen elf uur in den voormiddag gehouden werd, en dat men nooit sprak van een noenmaal of noen. Al vroeg in den morgen, des zomers zeker om zes uur, ontbeet men.Het ongeduld van die bonte menigte, die in de heete zomerzon op den kalen Buiten- en Binnenhof geblakerd en geschroeid werd, valt dus wel te verklaren.Er had daar binnen in het Slot zeker iets plaats gehad.Wat?Graaf Jan, wiens opvoeding aan het Hof van den Engelschen Koning Eduard zeer veel te wenschen had overgelaten, was voor de Hollanders zoo goed als een vreemdeling, daarenboven jong, zeer onervaren en geheel tegen de richting van zijn Vader. Een sterk gestel had hij ook niet, en veel moest er hem niet in den weg komen, of hij was boos en onhandelbaar.Het wegblijven van den Graaf werd door de ongeduldigemenigte dan ook aan de meest verschillende redenen toegeschreven.Doch laat mij u eerst een stukje geschiedenis vertellen.Den vorigen dag was het juist een jaar geleden, dat Floris V door de wraakzuchtige Edelen vermoord was geworden.Dat was een slag geweest voor de Poorters en de Dorpers! Beter Graaf dan „der Keerlen God” had er nooit geleefd. Altijd even gul en minzaam, ja, en altijd even rechtvaardig, onverschillig of hij een trotsch Baanderheer, een eenvoudig Edelman, een vlijtig Poorter, een nederig Dorper of een arm Lijfeigene voor zich had. Meer dan veertig vrije Poorters en Dorpers had hij tot den Adelstand verheven, omdat ze op de een of andere wijze getoond hadden, dat ze, waar het de belangen van het Graafschap gold, voor de Edelen niet onderdeden. Zoo iets maakte Floris bij de minderen bemind en geliefd, doch bij de oude Edelen gehaat. Maar Floris stoorde zich hieraan niet en ging zijnsweegs. Intusschen hadden die oude Edelen hun nood geklaagd aan Eduard, Koning van Engeland, die ook al geen vriend van den machtigen Hollandschen Graaf was, niettegenstaande des Graven zoon Jan verloofd was met Eduards dochter, Elisabeth, en sedert 1287 aan het Engelsche Hof verkeerde om daar zijn opvoeding te ontvangen. Dat opvoeden aan het Hof van Koning Eduard was misschien wel meer een list dan goede zorg van den Koning geweest; want eens, dat Floris iets gedaan had, dat niet in het voordeel van Engeland was, liet Eduard aan Floris vragen, of deze wel wist, dat hij zijn zoon in zijn macht had. „Welzeker weet ik dat,” antwoordde Floris, „maar dat zal mij niet beletten anders te handelen. Als Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland heb ik ook nog andere plichten te vervullen!”—Dat was mooi geantwoord, niet waar? Maar toch zou Graaf Floris misschien wel anders gesproken hebben, als hij nog niet een voorzoon gehad had van wien hij meer hield dan van Jan. Deze zoon heette Witte, en diens Moeder was een dochter van Heer Jan van Heusden. Witte nu wasin alles het evenbeeld van zijn Vader, en de Hollanders hielden zielsveel van hem, en waren er grootsch op, dat Graaf Floris hem „Jonker Witte van Holland” liet noemen. Later gaf hij hem de Heerlijkheid Haamstede en van dien tijd af wordt hij meestal Witte van Haamstede genoemd. Dezen Witte nu had Graaf Floris gaarne tot zijn opvolger in de Graafschappen benoemd, en eens heeft hij er zelfs zeer ernstig over gedacht. Toen Koning Eduard dit vernam, besloot hij wat water in zijn wijn te doen en voorzichtiger te zijn; want hij begreep wel, dat de Hollanders veel liever Witte tot Graaf zouden willen hebben, omdat zij hem kenden en beminden, dan Jan, dien ze niet kenden, en van wien ze alleen wisten, dat hij niet sterk en ook niet dapper of verstandig was. In stilte echter stookte Eduard de ontevreden Hollandsche en Zeeuwsche Edelen op, en dit gelukte hem volkomen. Zoover had hij het weten te brengen, dat zij besloten Graaf Floris heimelijk gevangen te nemen, en toen ze dit beproefden en zulks niet gelukte, was de wreede Gerard van Velsen met nog een paar andere Edelen, slecht genoeg, den Graaf te vermoorden. Die moord was eigenlijk bij ongeluk geschied; ze hadden niet gemeend zoo ver te gaan, en velen, die over Graaf Floris ontevreden waren, hadden nu veel spijt, dat de zaak zoo treurig afgeloopen was. Doch gedane zaken nemen geen keer, en daar de verbonden Edelen wel begrepen, dat ze er slecht zouden afkomen, als ze in handen van het volk vielen, beproefden ze de vlucht te nemen. Velen gelukte dit. Zoodra nu Koning Eduard hoorde, dat de zaak zulk een treurig einde genomen had, liet hij zijn schoonzoon Jan voor zich komen en zeide: „Jan, uw Vader heeft zijn roekelooze handelingen met den dood moeten bekoopen. Sommige Edelen hebben hem per ongeluk moeten dooden, inplaats van hem aanvankelijk naar Engeland over te voeren, zooals ons plan was. Thans zijt gij Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland!”Nu was Jan geen slecht mensch, maar aan het Hof van Koning Eduard had hij zooveel kwaads hooren vertellen van zijn Vader, dien hij nauwelijks meer zou gekend hebben, dat hij op deze droeve tijding niet heel erg ontroerde.De Koning vervolgde daarom: „Gij zijt nog jong, Jan, en als gij in Holland komt, zullen de oude vrienden van uw Vader u trachten wijs te maken, dat gij de moordenaars streng straffen moet. Een hoop poorters en dorpers, met uw halfbroeder Witte aan het hoofd, zullen den baas over u willen spelen, doch ik raad u ernstig aan: houd dat volkje op een afstand, anders loopt ge nog gevaar, dat ze u op den eenen of anderen dag wegjagen, om dien Witten Graaf te maken.”Graaf Jan’s oogen fonkelden. Ja, hij had inderdaad ook wel eens gehoord welke plannen zijn Vader met dien Witte had gehad, en daarom beloofde hij gaarne, dat hij Witte en zijn aanhang zoo min mogelijk aan het Hof dulden zou.Eduard hoorde dat met welbehagen aan en hernam: „Ik wil u gelooven, mijn zoon, maar gij zijt nog zoo jong, en ge kunt u misschien nog laten overhalen om anders te doen, dan wat ge nu van plan zijt. Ik zal u twee trouwe vrienden naar Holland medegeven, en wel de Heeren Reinoud Ferrer en Richard de Havering. Beloof mij nu bij al, wat u lief en dierbaar is, dat gij deze twee tot uw raadslieden zult aannemen, en altijd doen wat zij u zeggen, dat het beste is. Bedenk het, mijn zoon, dat mijne lieve dochter Elisabeth uw vrouw is!”Zonder recht na te denken, wat hij deed, beloofde Jan dit, en zóó kwam de jonge Graaf in Holland met een onstandvastig karakter, een haat tegen vele Edellieden, een minachting voor Poorters en Dorpers, een trotsche, Engelsche vrouw en twee Engelsche vrienden, die hij blindelings gehoorzaamde.Was het wonder, dat de Hollanders niet met hem ingenomen waren? Ja, zelfs de oude vijanden van Floris wenschten nu dat „der Keerlen God” nog maar leven mocht! Doch dat wenschen kwam te laat.Tot hiertoe de geschiedenis, en nu weer ons verhaal.Wat was er den vorigen dag gebeurd?Met den verjaardag van den moord op Graaf Floris, was Witte van Haamstede aan het Hof van zijn broeder gekomen, om hem over het verlies zijns Vaders te troosten,en Witte had dit zoo hartelijk gedaan, dat Jan hem uitnoodigde dien nacht op het slot te blijven om dan den volgenden dag aan de drijfjacht deel te nemen. Witte had die uitnoodiging gaarne gehoor gegeven, doch zie, terwijl de jagers al in den Buitenhof op en neer liepen, was Witte met een verstoord gelaat uit het slot getreden, en had bevolen van hem en zijn schildknaap terstond de paarden te zadelen. Een kwartier uurs later sloegen ze in gestrekten draf den weg naar Vlaardingen op.„Begrijp jij er wat van, Lein?” vroeg lange Melis, de pluimgraaf, aan een breedgeschouderden hondenjongen met zwarte, guitachtige oogen in het hoofd.„Yes, sir, I haveer alles van begrepen!” antwoordde deze.„Och, loop met je mondvol Engelsch naar de Noren, en zeg me liever in het goede Hollandsch van den vromen Melis Stoke, wat je er van weet!” hernam Melis.„Ja, zoo’n domme gans van een kippenkoning, als jij bent, kan niet verdragen, dat ik Engelsch spreek. Maar dat neem ik je volstrekt niet kwalijk. Je kippen, eenden en varkens zijn allemaal hier uit Holland en verstaan alleen Hollandsch; maar mijn honden zijn niet hier vandaan; de een is uit Wales, de ander uit Engeland en een derde weer uit Schotland, zoodat ze geen stom spreekje Hollandsch verstaan, en ik wel Engelsch spreken moet, omdat …”Pats! daar kreeg Lein een draai om zijn ooren, dat hij heelemaal achterstevoren keerde, en vlak voor een Engelschen paardenknecht van Sir Richard de Havering kwam te staan.„You had better work, sluggard!” („Je zoudt beter doen, als je werkte, luiwammes!”) zei de Engelschman.„Yes, sir, I, I,… shall … I,…I …”„What, I!” bromde de man, en, „flap!” daar had Lein er op het andere oor ook een beet.Nauwelijks was de Engelschman weg, of Melis kwam lachend uit zijn hoekje en zei: „Have you hadeen paar opstoppers? Wat is „opstopper” in het Engelsch, zeg, Lein?”„Ik wilde wel, dat jij er ook zoo’n paar gekregen hadt,”bromde Lein. „Het is eigenlijk alleen jouw schuld: jijhieldme immers aan den praat!”„Dat is waar, jongen, dat is waar! Maar weet je, wat je doet? Als die Vos met zijn mooien, rooden krullebol terug komt, dan moet je maar op zijn Engelsch zeggen: „Sir, geef die opstoppers nu maar aan den pluimgraaf!” maar op zijn Engelsch; hoor!” sarde Melis.„Als je niet ophoudt met plagen, dan stuur ik de honden op je af, lange boonstaak van een varkensvader,” riep Lein, doch schoot onwillekeurig in den lach toen hij die „mooie” woorden uitsprak.„Zoo, zoo, nu is alles weer effen! Vertel me nu maar wat jij er van begrijpt, dat Jonker Witte zoo schielijk vertrokken is, en dat de Graaf ons zoo laat wachten!” zei Melis.„Dat kan ik gauw zeggen,” gaf Lein ten antwoord. „Onze goede Jonker heeft vanmorgen in de vroegte al hooge woorden gehad met Sir Reinoud Ferrer, en deze werd zoo boos, dat hij de hand aan zijn zwaard sloeg; maar de Jonker was niet bang voor hem; hij lachte even en zei: „Boaster!”„Wat wil dat zeggen, Lein?”„Ja, ik wist het ook niet; maar de keukenmeester, die het aan Mien, de kamermeid van Vrouwe Elisabeth, verteld heeft, zei dat „boaster” zooveel wil zeggen, als „windzak.” Hoe vind-je dat, Melis?”„o, Kostelijk, kostelijk! Van nu af noem ik iederen Engelschman, met jou te beginnen, „boaster.”—Zijn je honden al gevoerd,boaster?”„Hoor eens, Melis, doe me nu het genoegen en noem me zoo niet meer! Ik wil geen Engelschman meer zijn en ik zal voortaan Hollandsch spreken. Maar je weet nog niet alles. Toen Jonker Witte hem dan „boaster” genoemd had, liep Sir Reinoud Ferrer zoo hard weg, als hij kon, om zulk een Hollandschen praatsmaker bij den Graaf aan te klagen. Nu lag Graaf Jan nog te bed, en eerst tegen den noen is hij opgestaan. Sir Reinoud Ferrer was er dadelijk bij om Jonker Witte aan te klagen, en het gevolg hiervan was, dat de Graaf zijn broeder roepen liet om hem den mantel eensuit te borstelen. Maar Jonker Witte is geen sloddervos; hij draagt altijd groote zorg voor zijn kleeren, zoodat hij niet dulden kon, dat zijn broeder hem in bijzijn van die twee Engelsche heeren en de Genadige Vrouw, den mantel uitborstelde. Toen Graaf Jan uitgesproken had, ging Jonker Witte voor hem staan en zei: „Het staat u wonderfraai, Heer Graaf, den vreemdeling boven uw broeder voor te spreken. Maar luister goed toe, wat ik u voorspel. Ge zult zóó lang aan den leiband van deze twee mannen loopen, tot ze u heelemaal naar hun hand gezet en u van de goede Hollanders vervreemd hebben. Enis heteenmaal zoover gekomen, dan sta ik u, Heer Graaf, voor de gevolgen niet in!”„Dat wil ik wel gelooven,” had toen de Havering gezegd, „je wilt zelf veel te graag Graaf worden!”Hierop keerde Witte zich tot den Engelschman en zei: „Zoo als ik vanmorgen je vriend Ferrer genoemd heb, zoo noem ik jou ook: „boaster!” En als je nog wat te vertellen mocht hebben, ik ben Jonker Witte van Holland en woon op mijn kasteel te Haamstede op Schouwen!”Hierop keerde Jonker Witte zich om, ging het slot uit, den stal in, liet de paarden zadelen en reed met zijn schildknaap heen.„Wat zeg je er van?”„o, Man, kostelijk, kostelijk! Wat zal die de Havering leelijk op zijn langen neus gekeken hebben. Maar hoe weet je dat zoo netjes?”„Wel, de keukenmeester heeft alles onder het open raam staan afluisteren, en het daarna aan zijn zuster Mien verteld. Nu kan ik bij Mien nog al in de kas, omdat ik haar wel eens wat help, en zij heeft het mij verteld.”„Hoor eens, ik ben blij dat ik het weet. Ik houd nu nog veel meer van Jonker Witte dan vroeger, maar, dat stilletjes staan luisteren van den keukenmeester, dat bevalt me toch niet, en nu weet ik, wat het beteekent, als ze zeggen, dat de muren soms ooren hebben!”Als Melis een sermoen ging houden, dan was hij in het eerste half uur nooit klaar, dat wist Lein ook wel, en daarom verheugde hij zich, dat er op eens een heele opschudding op den Buitenhof plaats greep.Graaf Jan had eindelijk besloten het geduld der Heeren jagers niet langer op de proef te stellen, maar toch wilde hij hen eerst nog eens beet nebben. De jagers wisten niet beter of men zou te paard uitgaan, en zie, daar verscheen de Graaf in een eenvoudig jachtgewaad en te voet. Een boog met pijlkoker slingerde op zijn rug, en naast hem liep zijn geliefde jachthond Diaan, dien hij op zijn Engelsch „Dy” noemde.„I am ready,” („ik ben gereed,”) had hij tot den Hofmaarschalk gezegd, en toen deze hem verwonderd aankeek, omdat hij zonder paard uitging, zei hij in slecht Hollandsch: „ja, een jacht te voet!”Dat gaf eerst nog een verwarring! De paarden werden weggeleid, en de Heeren jagers haastten zich andere wapenen te halen. Graaf Jan was dan ook al lang vooruit gegaan en stapte juist voorbij het valkenhuis, waar Melis en Lein met de honden gereed stonden.„Wat een verschil met zijn Vader!” fluisterde Melis. „Ik geloof nooit, dat hij lang leven zal!”„Men kan wel zien, dat de tijd der klitten er nog niet is,” meesmuilde Lein.„Wat klitten?” vroeg Melis.„Wel, je kent toch die bollekens wel, die langs den weg groeien en die aan de kleeren blijven hangen, als men ze er op gooit?”„Nu ja, maar wat zou dat?”„Wel, ik noem de Heeren Ferrer en de Havering nu eens klitten, omdat ze anders overal en altijd bij hem zijn. Dezen keer zijn ze niet bij hem. Ik wenschte wel, om ik weet niet wat, dat ze maar weer weg waren!”„Jawel, maar dáár komt een andere klit, en die heeft dorens,” hernam Melis, en wees met de oogen op een forschen Ridder van onaangenaam voorkomen. „Dien Heer Wolfaerd van Borselen vertrouw ik ook al geen zier, evenmin als dien Jonker Willem van Henegouwen, den zoon van Graaf Jan van Avennes, die daar achteraan komt slenteren, en het zou me niet verwonderen, of die Wolfaerd knikkert de Engelsche Heeren nog eens van de baan!”„Dat zou ik wel prettig vinden,” antwoordde Lein.„Ei, zou je dat? Och, dan toch! Maar ik geef er niet om, of ik door de poes of door den kater gebeten word. Begrepen?”„Wat bedoel je daarmede?”„Wel, die Heer Wolfaerd is ook al een best vriend van Koning Eduard, dat heb ik al lang geleden gehoord toen onze goede Graaf nog leefde. En wat dien Jonker Willem betreft, ja, dat schijnt een beste jongen te zijn, maar zijn Vader is Graaf van Henegouwen en dien vertrouw ik in het geheel niet. Hij is zoo wat een neefje van onzen Graaf, en als onze Graaf Jan kinderloos stierf, dan zou hij zeggen: „Ziezoo, Henegouwen is zoo groot niet of Holland, Zeeland en Westfriesland kunnen er nog wel bij!”Lein staarde den pluimgraaf met groote oogen aan en zei: „Heb jij óók kennis aan Mien, de kamermaagd?”„Loop heen, die weet alleen schandalen te vertellen, die in het Slot voorvallen, als haar broeder er zijn neus in gestoken heeft. Neen, maat, ik heb om zulke dingen te weten, betere kennissen. Ken je Aernout den Loosduiner?”„Dien dikken schildknaap van Jonker Witte?”„Juist, dezelfde. Nu, die Aernout heeft het mij verteld en Jonker Witte heeft geen geheimen voor hem!”Terwijl Melis en Lein, om de waarheid te zeggen, zoo hun tijd stonden te verbabbelen, kwam de paardenknecht van Sir Richard de Havering weer onverwachts aan, en ….flap! flap! twee draaien om de ooren en een: „Begone, babbler!” („voort, babbelaar,”) volgde.Lein keerde zich thans woedend om en met oogen, die glinsterden van kwaadheid, siste hij tusschen de tanden: „Boaster!”Nauwelijks had de Engelschman dat woord gehoord, of hij lichtte zijn vuist op om die op Leins hoofd te doen neerkomen, doch eer het zóó ver kwam, pakte de lange Melis den van kwaadheid schuimbekkenden man beet en smeet hem den stal uit, roepende: „Als je bakkeleien wilt, hier, ik ben je man!”Dat kon de Engelschman niet verdragen. Als een dollestier, met het hoofd voorover gebukt, kwam hij op Melis af, doch deze sprong wat op zij, en …. bons!…. de woedende kerel liep zoo hard met het hoofd tegen de staldeur, dat hij, als een gedolde os, op den grond tuimelde.„Wel mag je dat bekomen, kameraad,” riep Melis lachend, en den man latende liggen, waar hij lag, ging hij met Lein den jachtstoet achterna.Het ging den kant naar Rijswijk uit, en nog altijd scheen men te twijfelen, welken weg men nemen zou.Lein en Melis bleven dus bij elkander, en eenmaal op weg zijnde, gingen hunne monden weer, als Lazaruskleppen, tot Melis opeens vroeg: „Heb jij al eens een wolf gezien, Lein?”„Ja, verleden voorjaar te Haarlem. Daar was een man, die een wolf in een ijzeren kooi had. Maar, jongen, wat zijn de honden op zoo’n dier gebeten. Ik had wat moeite de twee hazewinden van onzen goeden Graaf in bedwang te houden!”„Wat is er toch van die hazewinden geworden?”„Wel, dat moest zoo’n vertrouwd vriend van Aernout den Loosduiner toch weten, dunkt me!”„Heeft Jonker Witte ze dan?”„Welja, wie anders? Je weet, dat de Kennemers deze trouwe dieren bij Graaf Floris in de sloot vonden. Stomme beesten, ze likten zijn wonden af, alsof ze hem zóó weer levend wilden maken!”„Ja, dat weet ik; maar toen?”„Wel, toen zijn ze mee naar Alkmaar gegaan, en ze zouden daar op het graf van den goeden Graaf van honger en dorst gestorven zijn, als Jonker Witte er niet tijdig nog een schotje voor geschoten had!”„Liet de koster van die kerk de arme dieren dan zoo maar aan hun lot over? o, Dat is zeker nog zoo’n koppige Westfries, die nu de honden van den Graaf kwaad deed, omdat hij den Graaf niet aandurfde toen deze nog leefde. Die Westfriezen vertrouw ik geen van allen!”„Foei, nu praat je de tong voorbij, Melis! Ja, de koster zorgde wel voor de dieren, maar ze wilden niet eten of drinken,en alleen aan Jonker Witte is het gelukt hen aan een zacht snoerken mede te nemen! Maar stil, daar komt Gilles de Henegouwer, die heeft zeker wat te zeggen!”Lein had goed geraden. Gilles de Henegouwer, een knecht van Jonker Willem, kwam zeggen, dat Melis hem met een koppel honden volgen moest, en dat Lein zich in het bosch van den Heer van den Brinckhorst moest begeven. De beide vrienden scheidden van elkander en, na zich over den Vliet te hebben laten zetten, ging Lein het bosch in. Om nu te zeggen, dat hij op zijn gemak was, dat gaat niet aan; want zoo alleen in dat bosch, dat zich heel ver uitstrekte, rond te dolen, dat was juist zulk een begeerlijk baantje niet. „Als je den jachthoorn hoort, moet je met je honden komen,” had Gilles gezegd; maar hier zag hij tusschen de hooge eiken en beuken geen enkelen jager, en hij zou nu wel eens willen weten, als er geen jagers waren, wie er dan op den hoorn blazen moest. En dan, als de wolf hier eens verscholen was, wat zou hij aanvangen? De honden zouden hem wel helpen, ja, maar als de wolf de honden eens verscheurd had? Daar ritselde wat in de lage struiken. Angstig zag hij er heen! Eensklaps staken de honden de ooren op en … brrr, Lein rolde van schrik op den grond en werd door de honden, die hij niet loslaten kon, een eindweegs mede gesleept. Eindelijk krabbelde hij op en had nog even tijd om te zien, dat het vreeselijke dier, dat hem daar voorbij gerend was, niets anders was dan een groote haas.Ondertusschen werd het langzamerhand later en, naar zijn maag te oordeelen, meende Lein dat het zoo omstreeks zes uur zou zijn.En nog altijd geen jagers te zien, en nog altijd geen hoorngeschal te hooren!Als ze hem hier in dit groote bosch maar niet vergaten!„Weet je wat,” dacht hij, „ik ga hier een oogenblik op het gras zitten en mijn maal doen. Ik zie scheel van den honger!”Zoodra hij dit gezegd had, zette hij zich op het gras, haalde den knapzak, die op zijn rug hing te bengelen, kreeg er een stuk grauw brood met spek uit, en begon een muizenmaaltjete doen; want water zag hij nergens.„Moeder had wel kunnen zorgen, dat er aan dat spek niet zulk een groot stuk zwoord zat,” bromde hij, en begon nu met beide handen te trekken om nog wat spek er af te krijgen. Maar toen hij zoo trok, en zooveel moeite deed om van het spek te halen, wat er van te halen was, dacht hij niet aan de honden, die hij in het geheel niet meer vast had, en of het werk zoo sprak, als op een afgesproken teeken, snelden beide dieren, vreeselijk blaffend het kreupelhout in.„Tijl, Grijp, kom hier!” riep Lein; maar jawel, de honden stoorden zich nergens aan en lieten hun jongen meester roepen en fluiten zooveel hij wilde.„Hier zit ik nu, verlaten als een hoornbeest (oorwurm) op een koolblad!” zuchtte hij, en borg het overschot van brood en spek in den knapzak.„Als er nu eens op den hoorn geblazen werd!”„Wof—wof—wof!” klonk het uit de verte en een oogenblik later: „Wof—wof—wof!” in de nabijheid.„Kom hier, Tijl! Kom hier, Grijp! Satansche beesten, ben-je behekst? Ik zeg, kom hier! Fu-u-u-u-u-ut!”„Wof—wof—wof!” nu kon hij ze nog even hooren en, hopende, dat ze weer naderbij zouden komen, bleef hij nog een poosje staan luisteren, maar te vergeefs. De honden waren weg en bleven weg.Lein werd treurig en stond daar met den vinger in den mond, als een jongen, die zijn laatsten Zondagspenning versnoept had.O, jongens, als de wolf nu toch eens kwam, wat moest hij dan doen? Hij had niets bij zich dan een hondenzweep en een zakmes.Zou hij verder gaan en zien, dat hij het bosch uitkwam? Zoo denkende en dwalende kwam hij bij een reusachtigen eik. Deze boom had eenige voeten boven den grond een aantal knoestige takken en een paar bulten, waaraan verscheidene kleinere takjes zaten. Lein zag zeer goed, dat men in dien boom gemakkelijk wegkruipen kon, zonder door iemand gezien te worden.Als hij het maar eens deed! Wanneer hij iemand hoorde,zou hij er uitkomen, als ze even verder gegaan waren en hen dan stil volgen.Zoo gedacht, zoo gedaan.In een oogwenk zat hij in den boom, en kon nu rustig en wel overdenken, wat hij doen moest.Toen hij daar zat, keek hij eens naar boven, en zag dat, wat hooger, de boom nog zoo’n zonderlinge verbreeding van takken had en, naar het scheen, kon men daar ook gemakkelijker zitten. Zijn besluit was gauw genomen en geen vijf minuten later, zat hij boven in den boom. Het leek daar wel een groot ooievaarsnest, waarvan hij de ooievaar was.Onder het klimmen was zijn knapzak aan een tak blijven hangen, en daarna op zijn borst geslingerd. Het scheen wel dat hij daar hing om nu leeggegeten te worden. Althans Lein legde dat zoo uit, en begon zijn maal voor den tweeden keer.—Hij had daar boven geen ruim uitzicht; want de boom geleek van beneden gezien veel meer dan hij werkelijk was, en hij had wel wat gelijkenis met Aernout den Loosduiner, die was ook in de dikte gegroeid en wel twee hoofden kleiner dan Jonker Witte was.Intusschen, de boterham was op, en juist wilde hij den knapzak oprollen en in den zak van zijn wambuis steken, toen hij beneden zich een voetstap hoorde. Een mooie jachthond kwam uit het hout en sprong op tegen iemand, dien Lein nog niet zien kon.„Still, Dy, still!” klonk het, en Lein herkende de stem van Graaf Jan, die, na wat rondgezien te hebben, zich onder den boom, waarin de knaap verborgen was, neerzette.„Ziezoo,” dacht Lein, „als de wolf nu komt, dan ben ik alvast niet alleen. Zou de Graaf slapen? Het wordt daar beneden zoo stil!”Ja, het werd daar beneden stil, maar het begon ook in het bosch stiller te worden. De zon begon al aardig te dalen, en nog een groot uur, dan zou ze onder zijn! En hoe vervelend voor Lein om doodstil boven in een boom te zitten! Als de vogeltjes hem zagen, vlogen ze verschrikt weg, en menigmaal dacht de knaap: „Was ik maar een vogel!” Doch door dat stil zitten was het, alsof zijn oogen zeer gingendoen. Zou dat slaap zijn? Neen, slapen wilde hij niet, dan kon de Graaf weggaan zonder dat hij het wist. Hij zou voor tijdverdrijf een poppeken snijden. Hout was hier in overvloed en zijn mes was scherp! En daar ging het, links, rechts, nu eens onder, dan eens boven, ziezoo, de ronde bol van den kop was klaar. Maar aan dien bol moest een neus en mond zijn. Fijn werk, ja!—„Wacht,” mompelde hij, „ik zal hem een neus geven, als den Eerwaarden Vader Melis Stoke, die heeft een neus als … maar die oogen, die oogen! Kijk, nu sneed hij weer verkeerd! De neus stond toch niet overdwars op een gezicht.—Hij zou.. hij zou.. ja, hij zou er nu maar een mond van.. van maken. Maar Melis Stoke had toch den neus niet beneden den mond … staan! Dat was … nu.. Melis …. zou lachen …. en die Melis, de.. lange.. lange.. Melis weet.. je.. niet.. die.. bo..boaster.. neen.. die.. die d …. d …”Zoo sliep Lein en hij droomde, dat hij bij Egbert den Grijze zat. Egbert de Grijze was schildknaap geweest bij Floris’ Vader, den Roomsch-koning Willem. Die man kon wat vertellen! Van den brand te Brunswijk, waar Willem bijna met zijn jonge vrouw in de vlammen omgekomen was; van de Westfriezen, die Willem op het zwakke ijs lokten en hem daar vermoordden; van Floris’ krijgstochten tegen de Vlamingen; van tournooien hier en steekspelen daar. Als Egbert aan het vertellen was, dan liep zijn huisje vol, en iedereen luisterde met de grootste aandacht. En nu vertelde hij van een jacht, de honden blaften zoo hard ze konden: wof—wof! en …. wof—wof! wof—wof!—Lein schrikte wakker; hij droomde, dat een wild zwijn hem nazat, en … wof—wof—wof! neen, dat was geen verbeelding, dat was werkelijk blaffen en wel onder aan den boom. De zon was ondertusschen ondergegaan en de maan gaf een te zwak licht om door de bladeren heen te kunnen schijnen.—Zou de Graaf er ook nog zijn? Maar stil, daar hoort hij iets. Het schijnt wel, dat men in den boom klimt! Als dat de wolf eens was! Maar wolven kunnen niet klimmen! Het is dus wat anders. Lein ziet thans nauwlettend toe en meent een hoofd te zien met een baret waarop een witteveder staat. Ja, zulk een baret had Graaf Jan op toen hij des middags uitging. Meer en meer wordt de gestalte zichtbaar en … het is de Graaf, dat ziet hij nu duidelijk. De hond gaat vreeselijk tekeer. Daar hoort hij iets kraken! Maar Dy is alleen en de wolf is een reus onder zijn makkers. Eer het arme dier het weet, ligt het met afgebeten strot op den grond! Als razend springt thans de wolf tegen den boom op. Heel de omtrek davert van zijn woest gehuil, doch al de pogingen, die hij aanwendt om in den boom te komen, zijn gelukkig te vergeefs. De Graaf zit veilig, en hij, de hondenjongen, daar boven in den boom ook.Doch wat zou Lein doen? Zou hij den Graaf toeroepen, dat hij ook in den boom zit? Maar dan zal de Graaf vragen, wat hij daar doet en hoe hij er in gekomen is.En wat zou hij dan moeten zeggen?De Graaf was ook in den boom gevlucht, dat was waar, maar niet vóór de wolf er was, en hij klom er al in toen er nog geen wolf op veld of wegen te ontdekken was. Neen, hij zal blijven, waar hij zit, en stil ook; want als de Graaf hem ontdekte, dan ….Maar hoor me dien wolf eens een geweld maken!Hij wroet de aarde om den boom los, en zijn groote tanden knarsen op de harde wortels!Lieve deugd, als het ondier den boom eens los kon graven, dan vielen de Graaf en hij in zijn klauwen!Maar waarom blaast de Graaf niet op zijn hoorn; hij heeft dien toch bij zich! Waarom tracht hij den wolf niet dood te schieten! hij heeft toch pijl en boog bij zich!Waarom ….?Neen, maar hoor eens, als hij de Graaf was, dan zou hij toeteren, dat iemand hooren en zien verging. Ze zouden het eindelijk toch wel ergens hooren! In den nacht klinkt het geluid van een hoorn wel een uur ver. Toen hij verleden jaar op het kasteel te Voorschoten was, kon hij des nachts den torenwachter van Leiden hooren, en Voorschoten lag toch nog meer dan een half uur van Leiden af. Zie, als de Graaf nu maar eens flink blies, dan konden ze het op den Brinckhorst te Voorburg of Rijswijk, ja, misschien wel inDie Haghe hooren. Ze zouden den Graaf toch wel zoeken, als hij niet thuis kwam! Wie weet waren zij, die hem zochten, niet reeds in de nabijheid!Zoo dacht de knaap, en zoo wenschte hij dat het geschieden mocht; want het zitten in den boom op de takken begon hem lastig te vallen. Hij durfde zich niet verroeren uit vrees, dat de Graaf hem ontdekken zou. En dat wilde hij niet; want hij wilde niet doorgaan voor een bangen knaap, die al aan het loopen gegaan was toen er geen gevaar bestond.Had Lein echter eens even kunnen weten, wat de Graaf zooal dacht, en waarom hij niet op zijn hoorn blies om zoodoende hulp te ontvangen, dan zou hij niet zoo lang hebben zitten mijmeren.Men had het Graaf Jan nog nooit gezegd, dat men aan zijn moed twijfelde, doch een ander behoeft ons nog niet altijd te zeggen, hoe hij over ons denkt. Men kan dat zoo wel zien. En de Graaf had al lang ontdekt, dat men hem, zooal niet voor een lafaard, dan toch voor iemand hield, die al heel weinig moed had. En als hij nu om hulp riep en men ontdekte hem zoo in den boom, wat zou men dan zeggen?„Ziet,” zouden de „lompe” dorpers en de „drieste” poorters, die door zijn Vader zoo verwend waren, uitroepen, „ziet, dat is nu onze Graaf, die in een boom vlucht uit vrees voor een wolf! Bijlo, een kleinzoon van een groot Vader!”Neen, dat vermaak zou hij dien lieden niet gunnen! Dan liever den geheelen nacht in den boom gebleven en den morgen afgewacht. De nachten duurden in dezen tijd toch zoo lang niet, en als het licht was, kon men beter denken ook.Zie, zoo dacht Graaf Jan; maar dat wist Lein niet!En beneden aan den boom was de wolf tot rust gekomen en had zich te slapen gelegd! Wie weet of deze niet gedacht had: „Jij daar boven in den boom, al heb je nog zulk een mooie muts op, ik zal je wel krijgen, want ik ga hier niet vandaan, vóór ik je beet heb. En weet je wat, ik ga nu wat slapen: ik ben moê gewerkt. Als jij het waagt,er uit te komen, zal ik wel wakker worden. Reken er maar op!”Het was dan nu overal stil. Boven in den boom, midden in den boom, onder aan den boom, stil, overal stil! Alleen kwam er nu en dan een uil voorbij vliegen, of ruischte er een luchtig koeltje door het loover.Maar ho, wat kropen die uren langzaam, en langzaam bovenal voor Lein, die zoo doodstil moest zitten. Hij voelde het, dat zijn beenen zoo stijf werden, als een tak van den boom. Eerst hadden ze geslapen en was het geweest, alsof men hem met duizend spelden prikte, en nu dat over was, deden hem al de leden zeer.Maar langzamerhand begonnen de sterren te verbleeken en kreeg de lucht, in het Oosten, een klein blosje, dat gaandeweg toenam. De vogeltjes werden wakker en schudden hun veertjes uit. In de verte kon men het vee hooren loeien, en door de boomen bruiste een flauw windje, dat de bladeren zachtkens trillen deed.O, als Lein maar niet zoo stijf en koud geweest ware, dan ….Daar ging de zon op, en de Graaf scheen dit oogenblik afgewacht te hebben; want Lein hoorde eenig geritsel. Nieuwsgierig, wat hij doen zou, keek de knaap door de takken naar beneden en zag dat Graaf Jan iets liet zakken. Lein kon niet goed onderscheiden, wat het was; maar als hij goed zag, dan was het een zakdoek of zoo iets, die in reepen gescheurd was. Die reepjes waren aan elkander geknoopt en onderaan hing een krom takje in den vorm van een haak. Onwillekeurig moest de knaap bij al zijn pijn nog lachen. Ging de graaf nu spelen, evenals de jongskens die in een kinderstoel zitten en met hun kousebandjes naar hun speelgoed visschen, dat op den grond gevallen is? Bah, hoe kinderachtig voor een Graaf! Maar weldra zag Lein, dat hij te voorbarig was geweest met den Graaf kinderachtig te noemen, want de zoogenaamde visscher op het droge, haalde met den haak zijn boog op, welke, bij de vlucht in den boom, op den grond was blijven liggen. De pijlkoker had hij mee kunnen nemen. Nu begreep Lein alles, en hijrekende al uit hoeveel minuten het nog duren moest eer hij vrij was. Intusschen was de wolf wakker geworden en begon zijn spelletje van den afgeloopen nacht weer. Als een dolle wroette hij den grond om en beet in de blootgewoelde wortels.Eensklaps gaf het dier een gil en werd nog woedender. Graaf Jan had hem een pijl in den rug geschoten, en gaf er hem nog een, en nog een en nog een. Eindelijk viel het dier stuiptrekkend op den grond. Snel, als de wind klauterde de Graaf naar beneden en stak zijn jachtmes in het hart van den vreeselijken vijand, die hem den geheelen nacht gevangen had gehouden.Dat alles zag Lein met groote vreugde, en toen Graaf Jan den wolf den kop afsneed, dezen aan de ooren opvatte en er mede heenging, toen was het Lein onverschillig of de Graaf naar Die Haghe of ergens anders heen zou gaan. Hij was vrij, en zoo goed en zoo kwaad, als zijn stijve ledematen hem dit toelieten, liet hij zich ook naar beneden zakken. Zijn eerste werk was een sloot op te zoeken om daar zijn brandenden dorst te lesschen, en toen hij dit gedaan had, trachtte hij een uitweg in het bosch te vinden, dat hem al heel gauw gelukte. Maar zie, nauwelijks kwam hij op het open veld, of Lange Melis, aan het hoofd van eenige andere knechts, snelde hem te gemoet, en riep: „Waar kom je vandaan?”„Uit het bosch,” gaf Lein ten antwoord.„En heb je den Graaf niet gezien? o, Al wat leeft in Die Haghe en op het slot is in beweging. De Graaf is gisteren niet van de jacht teruggekeerd! Wij dachten, dat hij al vooruit was, en toen wij thuis kwamen, meenden de Heeren Engelschen en de Genadige Vrouwe, dat hij achteraan kwam. Nu scheen het wel meer te gebeuren, dat de Graaf de nacht met den vreemden wichelaar, die een paar weken geleden hier aangekomen is, op den toren blijft om uit den loop der sterren zijn levenslot te weten, en toen hij niet kwam, dachten ze: „Hij zal bij den Astronoom wezen en wil niet gestoord zijn. Voor een paar uren echter is het uitgekomen, dat de Graaf in het geheel niet thuis gekomenis, en nu is er me wat te doen! Heb je hem niet gezien?”„Den wolf heb ik gezien,” zei Lein, die liever niet den Graaf en daardoor zichzelven verklikken wilde.„Den wolf?” riepen allen.„Ja, den wolf; maar zonder kop! Hij was nog warm en moet pas geslacht zijn! Gaat maar mede, ik zal je de plaats wijzen waar hij ligt!”Zoodra ze echter eenige schreden afgelegd hadden, stonden ze eensklaps stil; want daar kwam de Graaf met den wolfskop in de hand.„Wat kom je zoeken?” vroeg hij in gebroken Hollandsch.„De Genadige Vrouwe was bevreesd, Heer Graaf, dat de wolf u eenig leed gedaan had, en zij heeft ons uitgezonden om u op te zoeken!” antwoordde Melis bedremmeld.„Zoo, dacht ze dat? Maar gijlieden hadt kunnen weten, dat Graaf Jan van Holland, kleinzoon van Koning Willem, zich door geen wolf leed laat doen. Een paar honderd schreden links van hier kan je den wolf vinden. Haal hem en breng hem op het slot, dan kunnen alle luiden zien, dat ik geen kind meer ben, al houden zij er mij voor!”Met opgeheven hoofd en trotschen blik vervolgde de Graaf zijn weg, en een uur later bewonderde heel het Hof den koelen moed van den jongen Graaf, hoewel er sommigen waren, die luide prezen en in stilte dachten, dat het toch wel niet geschied zou zijn, zooals men elkander verhaalde. Slechts één was er, die er alles van wist, en deze was Lein, die eindelijk aan den Langen Melis zijn geheim verteld had, om van dien lastigen vraagal, doch besten vriend, ontslagen te worden.En, de Lange Melis heeft nooit het geheim verklapt. Zoo het heette, had Lein den geheelen nacht wandelende in het bosch doorgebracht. En dat hij niet loog, kon men hem wel aanzien; want hij zag er zoo vermoeid en afgemat uit en hij was zoo stijf, alsof hij in een heele week niet uit zijn kleeren geweest ware.

Graaf en hondenjongen.Graaf en hondenjongen.

Graaf en hondenjongen.

Het was den 28sten Juni van het jaar onzes Heeren 1297, dat er in den Buitenhof van het Grafelijke jachtslot in „Die Haghe” zich een bonte menigte bewoog. Opgetuigde paarden liepen aan de hand van stalknechts op en neer, en gaven dikwijls zulke krachtige bewijzen van hun ongeduld, dat de knechts wel beide handen noodig hadden om de dartele dieren in toom te houden. Valkeniers, pluimgraven, hondenjongens, jagers, hofhoorigen van allerlei bedrijf en ambacht,—lijfeigenen, boeren, ambachtslieden, schildknapen, Ridders en Edelen, alles liep in de bontste wanorde, die men zich maar voorstellen kan, door elkander en scheen ten laatste in het ongeduld der trappelende en snuivende rossen te deelen.Wat was er te doen?De dorpers van Rijswijk, Voorburg en Leydschendam hadden reeds gedurende verscheidene dagen geklaagd, dat de omstreken door een reusachtigen wolf zeer onveilig gemaakt werden, doch daar dit dier zich meestal schuil hield op het jachtgebied van den Graaf, hadden ze den moed niet, het dier daar op te zoeken en te dooden. Nu stond er voor hen geen andere weg open dan den Graaf er kennis van te geven, dan kon deze, als hij het goed vond, zelf op de jacht gaan en het dier dooden, of anders de Edelen uitnoodigen, het Grafelijke Hout van dien vreeselijken bewoner te verlossen. Had hij hiertoe geen lust, welnu, dan kon hij toestaan, dat de bewoners der genoemde plaatsen opdit dier in het bosch een drijfjacht hielden. Iets in hun voordeel zou er gebeuren, dat wisten die lieden zeker, want al was de Genadige Graaf Jan, „der Keerlen God,” niet, hij was er toch een zoon van, en al liep de jonge man ook nog zoo aan den leiband van den heerschzuchtigen, ruwen, wreeden en onbeschoften Zeeuwschen Edelman Wolfaerd van Borselen, toch zou de Graaf hier uitkomst brengen. Het kon niet anders.De jonge en zwakke Graaf, die zich zoo beheerschen liet was een groot liefhebber van de jacht, en daarom had hij besloten een algemeene drijfjacht op het roofdier te houden. Dit nu was de oorzaak, dat er reeds van den vroegen morgen af een ongewone drukte en bedrijvigheid heerschte in den Buitenhof van het jachtslot, waar het in den laatsten tijd niet heel levendig geweest was.Ondertusschen scheen men ongeduldiger te worden naarmate de schaduwen langer werden. Een uur na den noen was men bescheiden, en nu wees de zonnewijzer op den linkertoren van het slot reeds één uur. Als ge dat vreemd vindt, dat ongeduld namelijk, dan dient ge te weten, dat het middagmaal in die tijden zoo ongeveer tegen elf uur in den voormiddag gehouden werd, en dat men nooit sprak van een noenmaal of noen. Al vroeg in den morgen, des zomers zeker om zes uur, ontbeet men.Het ongeduld van die bonte menigte, die in de heete zomerzon op den kalen Buiten- en Binnenhof geblakerd en geschroeid werd, valt dus wel te verklaren.Er had daar binnen in het Slot zeker iets plaats gehad.Wat?Graaf Jan, wiens opvoeding aan het Hof van den Engelschen Koning Eduard zeer veel te wenschen had overgelaten, was voor de Hollanders zoo goed als een vreemdeling, daarenboven jong, zeer onervaren en geheel tegen de richting van zijn Vader. Een sterk gestel had hij ook niet, en veel moest er hem niet in den weg komen, of hij was boos en onhandelbaar.Het wegblijven van den Graaf werd door de ongeduldigemenigte dan ook aan de meest verschillende redenen toegeschreven.Doch laat mij u eerst een stukje geschiedenis vertellen.Den vorigen dag was het juist een jaar geleden, dat Floris V door de wraakzuchtige Edelen vermoord was geworden.Dat was een slag geweest voor de Poorters en de Dorpers! Beter Graaf dan „der Keerlen God” had er nooit geleefd. Altijd even gul en minzaam, ja, en altijd even rechtvaardig, onverschillig of hij een trotsch Baanderheer, een eenvoudig Edelman, een vlijtig Poorter, een nederig Dorper of een arm Lijfeigene voor zich had. Meer dan veertig vrije Poorters en Dorpers had hij tot den Adelstand verheven, omdat ze op de een of andere wijze getoond hadden, dat ze, waar het de belangen van het Graafschap gold, voor de Edelen niet onderdeden. Zoo iets maakte Floris bij de minderen bemind en geliefd, doch bij de oude Edelen gehaat. Maar Floris stoorde zich hieraan niet en ging zijnsweegs. Intusschen hadden die oude Edelen hun nood geklaagd aan Eduard, Koning van Engeland, die ook al geen vriend van den machtigen Hollandschen Graaf was, niettegenstaande des Graven zoon Jan verloofd was met Eduards dochter, Elisabeth, en sedert 1287 aan het Engelsche Hof verkeerde om daar zijn opvoeding te ontvangen. Dat opvoeden aan het Hof van Koning Eduard was misschien wel meer een list dan goede zorg van den Koning geweest; want eens, dat Floris iets gedaan had, dat niet in het voordeel van Engeland was, liet Eduard aan Floris vragen, of deze wel wist, dat hij zijn zoon in zijn macht had. „Welzeker weet ik dat,” antwoordde Floris, „maar dat zal mij niet beletten anders te handelen. Als Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland heb ik ook nog andere plichten te vervullen!”—Dat was mooi geantwoord, niet waar? Maar toch zou Graaf Floris misschien wel anders gesproken hebben, als hij nog niet een voorzoon gehad had van wien hij meer hield dan van Jan. Deze zoon heette Witte, en diens Moeder was een dochter van Heer Jan van Heusden. Witte nu wasin alles het evenbeeld van zijn Vader, en de Hollanders hielden zielsveel van hem, en waren er grootsch op, dat Graaf Floris hem „Jonker Witte van Holland” liet noemen. Later gaf hij hem de Heerlijkheid Haamstede en van dien tijd af wordt hij meestal Witte van Haamstede genoemd. Dezen Witte nu had Graaf Floris gaarne tot zijn opvolger in de Graafschappen benoemd, en eens heeft hij er zelfs zeer ernstig over gedacht. Toen Koning Eduard dit vernam, besloot hij wat water in zijn wijn te doen en voorzichtiger te zijn; want hij begreep wel, dat de Hollanders veel liever Witte tot Graaf zouden willen hebben, omdat zij hem kenden en beminden, dan Jan, dien ze niet kenden, en van wien ze alleen wisten, dat hij niet sterk en ook niet dapper of verstandig was. In stilte echter stookte Eduard de ontevreden Hollandsche en Zeeuwsche Edelen op, en dit gelukte hem volkomen. Zoover had hij het weten te brengen, dat zij besloten Graaf Floris heimelijk gevangen te nemen, en toen ze dit beproefden en zulks niet gelukte, was de wreede Gerard van Velsen met nog een paar andere Edelen, slecht genoeg, den Graaf te vermoorden. Die moord was eigenlijk bij ongeluk geschied; ze hadden niet gemeend zoo ver te gaan, en velen, die over Graaf Floris ontevreden waren, hadden nu veel spijt, dat de zaak zoo treurig afgeloopen was. Doch gedane zaken nemen geen keer, en daar de verbonden Edelen wel begrepen, dat ze er slecht zouden afkomen, als ze in handen van het volk vielen, beproefden ze de vlucht te nemen. Velen gelukte dit. Zoodra nu Koning Eduard hoorde, dat de zaak zulk een treurig einde genomen had, liet hij zijn schoonzoon Jan voor zich komen en zeide: „Jan, uw Vader heeft zijn roekelooze handelingen met den dood moeten bekoopen. Sommige Edelen hebben hem per ongeluk moeten dooden, inplaats van hem aanvankelijk naar Engeland over te voeren, zooals ons plan was. Thans zijt gij Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland!”Nu was Jan geen slecht mensch, maar aan het Hof van Koning Eduard had hij zooveel kwaads hooren vertellen van zijn Vader, dien hij nauwelijks meer zou gekend hebben, dat hij op deze droeve tijding niet heel erg ontroerde.De Koning vervolgde daarom: „Gij zijt nog jong, Jan, en als gij in Holland komt, zullen de oude vrienden van uw Vader u trachten wijs te maken, dat gij de moordenaars streng straffen moet. Een hoop poorters en dorpers, met uw halfbroeder Witte aan het hoofd, zullen den baas over u willen spelen, doch ik raad u ernstig aan: houd dat volkje op een afstand, anders loopt ge nog gevaar, dat ze u op den eenen of anderen dag wegjagen, om dien Witten Graaf te maken.”Graaf Jan’s oogen fonkelden. Ja, hij had inderdaad ook wel eens gehoord welke plannen zijn Vader met dien Witte had gehad, en daarom beloofde hij gaarne, dat hij Witte en zijn aanhang zoo min mogelijk aan het Hof dulden zou.Eduard hoorde dat met welbehagen aan en hernam: „Ik wil u gelooven, mijn zoon, maar gij zijt nog zoo jong, en ge kunt u misschien nog laten overhalen om anders te doen, dan wat ge nu van plan zijt. Ik zal u twee trouwe vrienden naar Holland medegeven, en wel de Heeren Reinoud Ferrer en Richard de Havering. Beloof mij nu bij al, wat u lief en dierbaar is, dat gij deze twee tot uw raadslieden zult aannemen, en altijd doen wat zij u zeggen, dat het beste is. Bedenk het, mijn zoon, dat mijne lieve dochter Elisabeth uw vrouw is!”Zonder recht na te denken, wat hij deed, beloofde Jan dit, en zóó kwam de jonge Graaf in Holland met een onstandvastig karakter, een haat tegen vele Edellieden, een minachting voor Poorters en Dorpers, een trotsche, Engelsche vrouw en twee Engelsche vrienden, die hij blindelings gehoorzaamde.Was het wonder, dat de Hollanders niet met hem ingenomen waren? Ja, zelfs de oude vijanden van Floris wenschten nu dat „der Keerlen God” nog maar leven mocht! Doch dat wenschen kwam te laat.Tot hiertoe de geschiedenis, en nu weer ons verhaal.Wat was er den vorigen dag gebeurd?Met den verjaardag van den moord op Graaf Floris, was Witte van Haamstede aan het Hof van zijn broeder gekomen, om hem over het verlies zijns Vaders te troosten,en Witte had dit zoo hartelijk gedaan, dat Jan hem uitnoodigde dien nacht op het slot te blijven om dan den volgenden dag aan de drijfjacht deel te nemen. Witte had die uitnoodiging gaarne gehoor gegeven, doch zie, terwijl de jagers al in den Buitenhof op en neer liepen, was Witte met een verstoord gelaat uit het slot getreden, en had bevolen van hem en zijn schildknaap terstond de paarden te zadelen. Een kwartier uurs later sloegen ze in gestrekten draf den weg naar Vlaardingen op.„Begrijp jij er wat van, Lein?” vroeg lange Melis, de pluimgraaf, aan een breedgeschouderden hondenjongen met zwarte, guitachtige oogen in het hoofd.„Yes, sir, I haveer alles van begrepen!” antwoordde deze.„Och, loop met je mondvol Engelsch naar de Noren, en zeg me liever in het goede Hollandsch van den vromen Melis Stoke, wat je er van weet!” hernam Melis.„Ja, zoo’n domme gans van een kippenkoning, als jij bent, kan niet verdragen, dat ik Engelsch spreek. Maar dat neem ik je volstrekt niet kwalijk. Je kippen, eenden en varkens zijn allemaal hier uit Holland en verstaan alleen Hollandsch; maar mijn honden zijn niet hier vandaan; de een is uit Wales, de ander uit Engeland en een derde weer uit Schotland, zoodat ze geen stom spreekje Hollandsch verstaan, en ik wel Engelsch spreken moet, omdat …”Pats! daar kreeg Lein een draai om zijn ooren, dat hij heelemaal achterstevoren keerde, en vlak voor een Engelschen paardenknecht van Sir Richard de Havering kwam te staan.„You had better work, sluggard!” („Je zoudt beter doen, als je werkte, luiwammes!”) zei de Engelschman.„Yes, sir, I, I,… shall … I,…I …”„What, I!” bromde de man, en, „flap!” daar had Lein er op het andere oor ook een beet.Nauwelijks was de Engelschman weg, of Melis kwam lachend uit zijn hoekje en zei: „Have you hadeen paar opstoppers? Wat is „opstopper” in het Engelsch, zeg, Lein?”„Ik wilde wel, dat jij er ook zoo’n paar gekregen hadt,”bromde Lein. „Het is eigenlijk alleen jouw schuld: jijhieldme immers aan den praat!”„Dat is waar, jongen, dat is waar! Maar weet je, wat je doet? Als die Vos met zijn mooien, rooden krullebol terug komt, dan moet je maar op zijn Engelsch zeggen: „Sir, geef die opstoppers nu maar aan den pluimgraaf!” maar op zijn Engelsch; hoor!” sarde Melis.„Als je niet ophoudt met plagen, dan stuur ik de honden op je af, lange boonstaak van een varkensvader,” riep Lein, doch schoot onwillekeurig in den lach toen hij die „mooie” woorden uitsprak.„Zoo, zoo, nu is alles weer effen! Vertel me nu maar wat jij er van begrijpt, dat Jonker Witte zoo schielijk vertrokken is, en dat de Graaf ons zoo laat wachten!” zei Melis.„Dat kan ik gauw zeggen,” gaf Lein ten antwoord. „Onze goede Jonker heeft vanmorgen in de vroegte al hooge woorden gehad met Sir Reinoud Ferrer, en deze werd zoo boos, dat hij de hand aan zijn zwaard sloeg; maar de Jonker was niet bang voor hem; hij lachte even en zei: „Boaster!”„Wat wil dat zeggen, Lein?”„Ja, ik wist het ook niet; maar de keukenmeester, die het aan Mien, de kamermeid van Vrouwe Elisabeth, verteld heeft, zei dat „boaster” zooveel wil zeggen, als „windzak.” Hoe vind-je dat, Melis?”„o, Kostelijk, kostelijk! Van nu af noem ik iederen Engelschman, met jou te beginnen, „boaster.”—Zijn je honden al gevoerd,boaster?”„Hoor eens, Melis, doe me nu het genoegen en noem me zoo niet meer! Ik wil geen Engelschman meer zijn en ik zal voortaan Hollandsch spreken. Maar je weet nog niet alles. Toen Jonker Witte hem dan „boaster” genoemd had, liep Sir Reinoud Ferrer zoo hard weg, als hij kon, om zulk een Hollandschen praatsmaker bij den Graaf aan te klagen. Nu lag Graaf Jan nog te bed, en eerst tegen den noen is hij opgestaan. Sir Reinoud Ferrer was er dadelijk bij om Jonker Witte aan te klagen, en het gevolg hiervan was, dat de Graaf zijn broeder roepen liet om hem den mantel eensuit te borstelen. Maar Jonker Witte is geen sloddervos; hij draagt altijd groote zorg voor zijn kleeren, zoodat hij niet dulden kon, dat zijn broeder hem in bijzijn van die twee Engelsche heeren en de Genadige Vrouw, den mantel uitborstelde. Toen Graaf Jan uitgesproken had, ging Jonker Witte voor hem staan en zei: „Het staat u wonderfraai, Heer Graaf, den vreemdeling boven uw broeder voor te spreken. Maar luister goed toe, wat ik u voorspel. Ge zult zóó lang aan den leiband van deze twee mannen loopen, tot ze u heelemaal naar hun hand gezet en u van de goede Hollanders vervreemd hebben. Enis heteenmaal zoover gekomen, dan sta ik u, Heer Graaf, voor de gevolgen niet in!”„Dat wil ik wel gelooven,” had toen de Havering gezegd, „je wilt zelf veel te graag Graaf worden!”Hierop keerde Witte zich tot den Engelschman en zei: „Zoo als ik vanmorgen je vriend Ferrer genoemd heb, zoo noem ik jou ook: „boaster!” En als je nog wat te vertellen mocht hebben, ik ben Jonker Witte van Holland en woon op mijn kasteel te Haamstede op Schouwen!”Hierop keerde Jonker Witte zich om, ging het slot uit, den stal in, liet de paarden zadelen en reed met zijn schildknaap heen.„Wat zeg je er van?”„o, Man, kostelijk, kostelijk! Wat zal die de Havering leelijk op zijn langen neus gekeken hebben. Maar hoe weet je dat zoo netjes?”„Wel, de keukenmeester heeft alles onder het open raam staan afluisteren, en het daarna aan zijn zuster Mien verteld. Nu kan ik bij Mien nog al in de kas, omdat ik haar wel eens wat help, en zij heeft het mij verteld.”„Hoor eens, ik ben blij dat ik het weet. Ik houd nu nog veel meer van Jonker Witte dan vroeger, maar, dat stilletjes staan luisteren van den keukenmeester, dat bevalt me toch niet, en nu weet ik, wat het beteekent, als ze zeggen, dat de muren soms ooren hebben!”Als Melis een sermoen ging houden, dan was hij in het eerste half uur nooit klaar, dat wist Lein ook wel, en daarom verheugde hij zich, dat er op eens een heele opschudding op den Buitenhof plaats greep.Graaf Jan had eindelijk besloten het geduld der Heeren jagers niet langer op de proef te stellen, maar toch wilde hij hen eerst nog eens beet nebben. De jagers wisten niet beter of men zou te paard uitgaan, en zie, daar verscheen de Graaf in een eenvoudig jachtgewaad en te voet. Een boog met pijlkoker slingerde op zijn rug, en naast hem liep zijn geliefde jachthond Diaan, dien hij op zijn Engelsch „Dy” noemde.„I am ready,” („ik ben gereed,”) had hij tot den Hofmaarschalk gezegd, en toen deze hem verwonderd aankeek, omdat hij zonder paard uitging, zei hij in slecht Hollandsch: „ja, een jacht te voet!”Dat gaf eerst nog een verwarring! De paarden werden weggeleid, en de Heeren jagers haastten zich andere wapenen te halen. Graaf Jan was dan ook al lang vooruit gegaan en stapte juist voorbij het valkenhuis, waar Melis en Lein met de honden gereed stonden.„Wat een verschil met zijn Vader!” fluisterde Melis. „Ik geloof nooit, dat hij lang leven zal!”„Men kan wel zien, dat de tijd der klitten er nog niet is,” meesmuilde Lein.„Wat klitten?” vroeg Melis.„Wel, je kent toch die bollekens wel, die langs den weg groeien en die aan de kleeren blijven hangen, als men ze er op gooit?”„Nu ja, maar wat zou dat?”„Wel, ik noem de Heeren Ferrer en de Havering nu eens klitten, omdat ze anders overal en altijd bij hem zijn. Dezen keer zijn ze niet bij hem. Ik wenschte wel, om ik weet niet wat, dat ze maar weer weg waren!”„Jawel, maar dáár komt een andere klit, en die heeft dorens,” hernam Melis, en wees met de oogen op een forschen Ridder van onaangenaam voorkomen. „Dien Heer Wolfaerd van Borselen vertrouw ik ook al geen zier, evenmin als dien Jonker Willem van Henegouwen, den zoon van Graaf Jan van Avennes, die daar achteraan komt slenteren, en het zou me niet verwonderen, of die Wolfaerd knikkert de Engelsche Heeren nog eens van de baan!”„Dat zou ik wel prettig vinden,” antwoordde Lein.„Ei, zou je dat? Och, dan toch! Maar ik geef er niet om, of ik door de poes of door den kater gebeten word. Begrepen?”„Wat bedoel je daarmede?”„Wel, die Heer Wolfaerd is ook al een best vriend van Koning Eduard, dat heb ik al lang geleden gehoord toen onze goede Graaf nog leefde. En wat dien Jonker Willem betreft, ja, dat schijnt een beste jongen te zijn, maar zijn Vader is Graaf van Henegouwen en dien vertrouw ik in het geheel niet. Hij is zoo wat een neefje van onzen Graaf, en als onze Graaf Jan kinderloos stierf, dan zou hij zeggen: „Ziezoo, Henegouwen is zoo groot niet of Holland, Zeeland en Westfriesland kunnen er nog wel bij!”Lein staarde den pluimgraaf met groote oogen aan en zei: „Heb jij óók kennis aan Mien, de kamermaagd?”„Loop heen, die weet alleen schandalen te vertellen, die in het Slot voorvallen, als haar broeder er zijn neus in gestoken heeft. Neen, maat, ik heb om zulke dingen te weten, betere kennissen. Ken je Aernout den Loosduiner?”„Dien dikken schildknaap van Jonker Witte?”„Juist, dezelfde. Nu, die Aernout heeft het mij verteld en Jonker Witte heeft geen geheimen voor hem!”Terwijl Melis en Lein, om de waarheid te zeggen, zoo hun tijd stonden te verbabbelen, kwam de paardenknecht van Sir Richard de Havering weer onverwachts aan, en ….flap! flap! twee draaien om de ooren en een: „Begone, babbler!” („voort, babbelaar,”) volgde.Lein keerde zich thans woedend om en met oogen, die glinsterden van kwaadheid, siste hij tusschen de tanden: „Boaster!”Nauwelijks had de Engelschman dat woord gehoord, of hij lichtte zijn vuist op om die op Leins hoofd te doen neerkomen, doch eer het zóó ver kwam, pakte de lange Melis den van kwaadheid schuimbekkenden man beet en smeet hem den stal uit, roepende: „Als je bakkeleien wilt, hier, ik ben je man!”Dat kon de Engelschman niet verdragen. Als een dollestier, met het hoofd voorover gebukt, kwam hij op Melis af, doch deze sprong wat op zij, en …. bons!…. de woedende kerel liep zoo hard met het hoofd tegen de staldeur, dat hij, als een gedolde os, op den grond tuimelde.„Wel mag je dat bekomen, kameraad,” riep Melis lachend, en den man latende liggen, waar hij lag, ging hij met Lein den jachtstoet achterna.Het ging den kant naar Rijswijk uit, en nog altijd scheen men te twijfelen, welken weg men nemen zou.Lein en Melis bleven dus bij elkander, en eenmaal op weg zijnde, gingen hunne monden weer, als Lazaruskleppen, tot Melis opeens vroeg: „Heb jij al eens een wolf gezien, Lein?”„Ja, verleden voorjaar te Haarlem. Daar was een man, die een wolf in een ijzeren kooi had. Maar, jongen, wat zijn de honden op zoo’n dier gebeten. Ik had wat moeite de twee hazewinden van onzen goeden Graaf in bedwang te houden!”„Wat is er toch van die hazewinden geworden?”„Wel, dat moest zoo’n vertrouwd vriend van Aernout den Loosduiner toch weten, dunkt me!”„Heeft Jonker Witte ze dan?”„Welja, wie anders? Je weet, dat de Kennemers deze trouwe dieren bij Graaf Floris in de sloot vonden. Stomme beesten, ze likten zijn wonden af, alsof ze hem zóó weer levend wilden maken!”„Ja, dat weet ik; maar toen?”„Wel, toen zijn ze mee naar Alkmaar gegaan, en ze zouden daar op het graf van den goeden Graaf van honger en dorst gestorven zijn, als Jonker Witte er niet tijdig nog een schotje voor geschoten had!”„Liet de koster van die kerk de arme dieren dan zoo maar aan hun lot over? o, Dat is zeker nog zoo’n koppige Westfries, die nu de honden van den Graaf kwaad deed, omdat hij den Graaf niet aandurfde toen deze nog leefde. Die Westfriezen vertrouw ik geen van allen!”„Foei, nu praat je de tong voorbij, Melis! Ja, de koster zorgde wel voor de dieren, maar ze wilden niet eten of drinken,en alleen aan Jonker Witte is het gelukt hen aan een zacht snoerken mede te nemen! Maar stil, daar komt Gilles de Henegouwer, die heeft zeker wat te zeggen!”Lein had goed geraden. Gilles de Henegouwer, een knecht van Jonker Willem, kwam zeggen, dat Melis hem met een koppel honden volgen moest, en dat Lein zich in het bosch van den Heer van den Brinckhorst moest begeven. De beide vrienden scheidden van elkander en, na zich over den Vliet te hebben laten zetten, ging Lein het bosch in. Om nu te zeggen, dat hij op zijn gemak was, dat gaat niet aan; want zoo alleen in dat bosch, dat zich heel ver uitstrekte, rond te dolen, dat was juist zulk een begeerlijk baantje niet. „Als je den jachthoorn hoort, moet je met je honden komen,” had Gilles gezegd; maar hier zag hij tusschen de hooge eiken en beuken geen enkelen jager, en hij zou nu wel eens willen weten, als er geen jagers waren, wie er dan op den hoorn blazen moest. En dan, als de wolf hier eens verscholen was, wat zou hij aanvangen? De honden zouden hem wel helpen, ja, maar als de wolf de honden eens verscheurd had? Daar ritselde wat in de lage struiken. Angstig zag hij er heen! Eensklaps staken de honden de ooren op en … brrr, Lein rolde van schrik op den grond en werd door de honden, die hij niet loslaten kon, een eindweegs mede gesleept. Eindelijk krabbelde hij op en had nog even tijd om te zien, dat het vreeselijke dier, dat hem daar voorbij gerend was, niets anders was dan een groote haas.Ondertusschen werd het langzamerhand later en, naar zijn maag te oordeelen, meende Lein dat het zoo omstreeks zes uur zou zijn.En nog altijd geen jagers te zien, en nog altijd geen hoorngeschal te hooren!Als ze hem hier in dit groote bosch maar niet vergaten!„Weet je wat,” dacht hij, „ik ga hier een oogenblik op het gras zitten en mijn maal doen. Ik zie scheel van den honger!”Zoodra hij dit gezegd had, zette hij zich op het gras, haalde den knapzak, die op zijn rug hing te bengelen, kreeg er een stuk grauw brood met spek uit, en begon een muizenmaaltjete doen; want water zag hij nergens.„Moeder had wel kunnen zorgen, dat er aan dat spek niet zulk een groot stuk zwoord zat,” bromde hij, en begon nu met beide handen te trekken om nog wat spek er af te krijgen. Maar toen hij zoo trok, en zooveel moeite deed om van het spek te halen, wat er van te halen was, dacht hij niet aan de honden, die hij in het geheel niet meer vast had, en of het werk zoo sprak, als op een afgesproken teeken, snelden beide dieren, vreeselijk blaffend het kreupelhout in.„Tijl, Grijp, kom hier!” riep Lein; maar jawel, de honden stoorden zich nergens aan en lieten hun jongen meester roepen en fluiten zooveel hij wilde.„Hier zit ik nu, verlaten als een hoornbeest (oorwurm) op een koolblad!” zuchtte hij, en borg het overschot van brood en spek in den knapzak.„Als er nu eens op den hoorn geblazen werd!”„Wof—wof—wof!” klonk het uit de verte en een oogenblik later: „Wof—wof—wof!” in de nabijheid.„Kom hier, Tijl! Kom hier, Grijp! Satansche beesten, ben-je behekst? Ik zeg, kom hier! Fu-u-u-u-u-ut!”„Wof—wof—wof!” nu kon hij ze nog even hooren en, hopende, dat ze weer naderbij zouden komen, bleef hij nog een poosje staan luisteren, maar te vergeefs. De honden waren weg en bleven weg.Lein werd treurig en stond daar met den vinger in den mond, als een jongen, die zijn laatsten Zondagspenning versnoept had.O, jongens, als de wolf nu toch eens kwam, wat moest hij dan doen? Hij had niets bij zich dan een hondenzweep en een zakmes.Zou hij verder gaan en zien, dat hij het bosch uitkwam? Zoo denkende en dwalende kwam hij bij een reusachtigen eik. Deze boom had eenige voeten boven den grond een aantal knoestige takken en een paar bulten, waaraan verscheidene kleinere takjes zaten. Lein zag zeer goed, dat men in dien boom gemakkelijk wegkruipen kon, zonder door iemand gezien te worden.Als hij het maar eens deed! Wanneer hij iemand hoorde,zou hij er uitkomen, als ze even verder gegaan waren en hen dan stil volgen.Zoo gedacht, zoo gedaan.In een oogwenk zat hij in den boom, en kon nu rustig en wel overdenken, wat hij doen moest.Toen hij daar zat, keek hij eens naar boven, en zag dat, wat hooger, de boom nog zoo’n zonderlinge verbreeding van takken had en, naar het scheen, kon men daar ook gemakkelijker zitten. Zijn besluit was gauw genomen en geen vijf minuten later, zat hij boven in den boom. Het leek daar wel een groot ooievaarsnest, waarvan hij de ooievaar was.Onder het klimmen was zijn knapzak aan een tak blijven hangen, en daarna op zijn borst geslingerd. Het scheen wel dat hij daar hing om nu leeggegeten te worden. Althans Lein legde dat zoo uit, en begon zijn maal voor den tweeden keer.—Hij had daar boven geen ruim uitzicht; want de boom geleek van beneden gezien veel meer dan hij werkelijk was, en hij had wel wat gelijkenis met Aernout den Loosduiner, die was ook in de dikte gegroeid en wel twee hoofden kleiner dan Jonker Witte was.Intusschen, de boterham was op, en juist wilde hij den knapzak oprollen en in den zak van zijn wambuis steken, toen hij beneden zich een voetstap hoorde. Een mooie jachthond kwam uit het hout en sprong op tegen iemand, dien Lein nog niet zien kon.„Still, Dy, still!” klonk het, en Lein herkende de stem van Graaf Jan, die, na wat rondgezien te hebben, zich onder den boom, waarin de knaap verborgen was, neerzette.„Ziezoo,” dacht Lein, „als de wolf nu komt, dan ben ik alvast niet alleen. Zou de Graaf slapen? Het wordt daar beneden zoo stil!”Ja, het werd daar beneden stil, maar het begon ook in het bosch stiller te worden. De zon begon al aardig te dalen, en nog een groot uur, dan zou ze onder zijn! En hoe vervelend voor Lein om doodstil boven in een boom te zitten! Als de vogeltjes hem zagen, vlogen ze verschrikt weg, en menigmaal dacht de knaap: „Was ik maar een vogel!” Doch door dat stil zitten was het, alsof zijn oogen zeer gingendoen. Zou dat slaap zijn? Neen, slapen wilde hij niet, dan kon de Graaf weggaan zonder dat hij het wist. Hij zou voor tijdverdrijf een poppeken snijden. Hout was hier in overvloed en zijn mes was scherp! En daar ging het, links, rechts, nu eens onder, dan eens boven, ziezoo, de ronde bol van den kop was klaar. Maar aan dien bol moest een neus en mond zijn. Fijn werk, ja!—„Wacht,” mompelde hij, „ik zal hem een neus geven, als den Eerwaarden Vader Melis Stoke, die heeft een neus als … maar die oogen, die oogen! Kijk, nu sneed hij weer verkeerd! De neus stond toch niet overdwars op een gezicht.—Hij zou.. hij zou.. ja, hij zou er nu maar een mond van.. van maken. Maar Melis Stoke had toch den neus niet beneden den mond … staan! Dat was … nu.. Melis …. zou lachen …. en die Melis, de.. lange.. lange.. Melis weet.. je.. niet.. die.. bo..boaster.. neen.. die.. die d …. d …”Zoo sliep Lein en hij droomde, dat hij bij Egbert den Grijze zat. Egbert de Grijze was schildknaap geweest bij Floris’ Vader, den Roomsch-koning Willem. Die man kon wat vertellen! Van den brand te Brunswijk, waar Willem bijna met zijn jonge vrouw in de vlammen omgekomen was; van de Westfriezen, die Willem op het zwakke ijs lokten en hem daar vermoordden; van Floris’ krijgstochten tegen de Vlamingen; van tournooien hier en steekspelen daar. Als Egbert aan het vertellen was, dan liep zijn huisje vol, en iedereen luisterde met de grootste aandacht. En nu vertelde hij van een jacht, de honden blaften zoo hard ze konden: wof—wof! en …. wof—wof! wof—wof!—Lein schrikte wakker; hij droomde, dat een wild zwijn hem nazat, en … wof—wof—wof! neen, dat was geen verbeelding, dat was werkelijk blaffen en wel onder aan den boom. De zon was ondertusschen ondergegaan en de maan gaf een te zwak licht om door de bladeren heen te kunnen schijnen.—Zou de Graaf er ook nog zijn? Maar stil, daar hoort hij iets. Het schijnt wel, dat men in den boom klimt! Als dat de wolf eens was! Maar wolven kunnen niet klimmen! Het is dus wat anders. Lein ziet thans nauwlettend toe en meent een hoofd te zien met een baret waarop een witteveder staat. Ja, zulk een baret had Graaf Jan op toen hij des middags uitging. Meer en meer wordt de gestalte zichtbaar en … het is de Graaf, dat ziet hij nu duidelijk. De hond gaat vreeselijk tekeer. Daar hoort hij iets kraken! Maar Dy is alleen en de wolf is een reus onder zijn makkers. Eer het arme dier het weet, ligt het met afgebeten strot op den grond! Als razend springt thans de wolf tegen den boom op. Heel de omtrek davert van zijn woest gehuil, doch al de pogingen, die hij aanwendt om in den boom te komen, zijn gelukkig te vergeefs. De Graaf zit veilig, en hij, de hondenjongen, daar boven in den boom ook.Doch wat zou Lein doen? Zou hij den Graaf toeroepen, dat hij ook in den boom zit? Maar dan zal de Graaf vragen, wat hij daar doet en hoe hij er in gekomen is.En wat zou hij dan moeten zeggen?De Graaf was ook in den boom gevlucht, dat was waar, maar niet vóór de wolf er was, en hij klom er al in toen er nog geen wolf op veld of wegen te ontdekken was. Neen, hij zal blijven, waar hij zit, en stil ook; want als de Graaf hem ontdekte, dan ….Maar hoor me dien wolf eens een geweld maken!Hij wroet de aarde om den boom los, en zijn groote tanden knarsen op de harde wortels!Lieve deugd, als het ondier den boom eens los kon graven, dan vielen de Graaf en hij in zijn klauwen!Maar waarom blaast de Graaf niet op zijn hoorn; hij heeft dien toch bij zich! Waarom tracht hij den wolf niet dood te schieten! hij heeft toch pijl en boog bij zich!Waarom ….?Neen, maar hoor eens, als hij de Graaf was, dan zou hij toeteren, dat iemand hooren en zien verging. Ze zouden het eindelijk toch wel ergens hooren! In den nacht klinkt het geluid van een hoorn wel een uur ver. Toen hij verleden jaar op het kasteel te Voorschoten was, kon hij des nachts den torenwachter van Leiden hooren, en Voorschoten lag toch nog meer dan een half uur van Leiden af. Zie, als de Graaf nu maar eens flink blies, dan konden ze het op den Brinckhorst te Voorburg of Rijswijk, ja, misschien wel inDie Haghe hooren. Ze zouden den Graaf toch wel zoeken, als hij niet thuis kwam! Wie weet waren zij, die hem zochten, niet reeds in de nabijheid!Zoo dacht de knaap, en zoo wenschte hij dat het geschieden mocht; want het zitten in den boom op de takken begon hem lastig te vallen. Hij durfde zich niet verroeren uit vrees, dat de Graaf hem ontdekken zou. En dat wilde hij niet; want hij wilde niet doorgaan voor een bangen knaap, die al aan het loopen gegaan was toen er geen gevaar bestond.Had Lein echter eens even kunnen weten, wat de Graaf zooal dacht, en waarom hij niet op zijn hoorn blies om zoodoende hulp te ontvangen, dan zou hij niet zoo lang hebben zitten mijmeren.Men had het Graaf Jan nog nooit gezegd, dat men aan zijn moed twijfelde, doch een ander behoeft ons nog niet altijd te zeggen, hoe hij over ons denkt. Men kan dat zoo wel zien. En de Graaf had al lang ontdekt, dat men hem, zooal niet voor een lafaard, dan toch voor iemand hield, die al heel weinig moed had. En als hij nu om hulp riep en men ontdekte hem zoo in den boom, wat zou men dan zeggen?„Ziet,” zouden de „lompe” dorpers en de „drieste” poorters, die door zijn Vader zoo verwend waren, uitroepen, „ziet, dat is nu onze Graaf, die in een boom vlucht uit vrees voor een wolf! Bijlo, een kleinzoon van een groot Vader!”Neen, dat vermaak zou hij dien lieden niet gunnen! Dan liever den geheelen nacht in den boom gebleven en den morgen afgewacht. De nachten duurden in dezen tijd toch zoo lang niet, en als het licht was, kon men beter denken ook.Zie, zoo dacht Graaf Jan; maar dat wist Lein niet!En beneden aan den boom was de wolf tot rust gekomen en had zich te slapen gelegd! Wie weet of deze niet gedacht had: „Jij daar boven in den boom, al heb je nog zulk een mooie muts op, ik zal je wel krijgen, want ik ga hier niet vandaan, vóór ik je beet heb. En weet je wat, ik ga nu wat slapen: ik ben moê gewerkt. Als jij het waagt,er uit te komen, zal ik wel wakker worden. Reken er maar op!”Het was dan nu overal stil. Boven in den boom, midden in den boom, onder aan den boom, stil, overal stil! Alleen kwam er nu en dan een uil voorbij vliegen, of ruischte er een luchtig koeltje door het loover.Maar ho, wat kropen die uren langzaam, en langzaam bovenal voor Lein, die zoo doodstil moest zitten. Hij voelde het, dat zijn beenen zoo stijf werden, als een tak van den boom. Eerst hadden ze geslapen en was het geweest, alsof men hem met duizend spelden prikte, en nu dat over was, deden hem al de leden zeer.Maar langzamerhand begonnen de sterren te verbleeken en kreeg de lucht, in het Oosten, een klein blosje, dat gaandeweg toenam. De vogeltjes werden wakker en schudden hun veertjes uit. In de verte kon men het vee hooren loeien, en door de boomen bruiste een flauw windje, dat de bladeren zachtkens trillen deed.O, als Lein maar niet zoo stijf en koud geweest ware, dan ….Daar ging de zon op, en de Graaf scheen dit oogenblik afgewacht te hebben; want Lein hoorde eenig geritsel. Nieuwsgierig, wat hij doen zou, keek de knaap door de takken naar beneden en zag dat Graaf Jan iets liet zakken. Lein kon niet goed onderscheiden, wat het was; maar als hij goed zag, dan was het een zakdoek of zoo iets, die in reepen gescheurd was. Die reepjes waren aan elkander geknoopt en onderaan hing een krom takje in den vorm van een haak. Onwillekeurig moest de knaap bij al zijn pijn nog lachen. Ging de graaf nu spelen, evenals de jongskens die in een kinderstoel zitten en met hun kousebandjes naar hun speelgoed visschen, dat op den grond gevallen is? Bah, hoe kinderachtig voor een Graaf! Maar weldra zag Lein, dat hij te voorbarig was geweest met den Graaf kinderachtig te noemen, want de zoogenaamde visscher op het droge, haalde met den haak zijn boog op, welke, bij de vlucht in den boom, op den grond was blijven liggen. De pijlkoker had hij mee kunnen nemen. Nu begreep Lein alles, en hijrekende al uit hoeveel minuten het nog duren moest eer hij vrij was. Intusschen was de wolf wakker geworden en begon zijn spelletje van den afgeloopen nacht weer. Als een dolle wroette hij den grond om en beet in de blootgewoelde wortels.Eensklaps gaf het dier een gil en werd nog woedender. Graaf Jan had hem een pijl in den rug geschoten, en gaf er hem nog een, en nog een en nog een. Eindelijk viel het dier stuiptrekkend op den grond. Snel, als de wind klauterde de Graaf naar beneden en stak zijn jachtmes in het hart van den vreeselijken vijand, die hem den geheelen nacht gevangen had gehouden.Dat alles zag Lein met groote vreugde, en toen Graaf Jan den wolf den kop afsneed, dezen aan de ooren opvatte en er mede heenging, toen was het Lein onverschillig of de Graaf naar Die Haghe of ergens anders heen zou gaan. Hij was vrij, en zoo goed en zoo kwaad, als zijn stijve ledematen hem dit toelieten, liet hij zich ook naar beneden zakken. Zijn eerste werk was een sloot op te zoeken om daar zijn brandenden dorst te lesschen, en toen hij dit gedaan had, trachtte hij een uitweg in het bosch te vinden, dat hem al heel gauw gelukte. Maar zie, nauwelijks kwam hij op het open veld, of Lange Melis, aan het hoofd van eenige andere knechts, snelde hem te gemoet, en riep: „Waar kom je vandaan?”„Uit het bosch,” gaf Lein ten antwoord.„En heb je den Graaf niet gezien? o, Al wat leeft in Die Haghe en op het slot is in beweging. De Graaf is gisteren niet van de jacht teruggekeerd! Wij dachten, dat hij al vooruit was, en toen wij thuis kwamen, meenden de Heeren Engelschen en de Genadige Vrouwe, dat hij achteraan kwam. Nu scheen het wel meer te gebeuren, dat de Graaf de nacht met den vreemden wichelaar, die een paar weken geleden hier aangekomen is, op den toren blijft om uit den loop der sterren zijn levenslot te weten, en toen hij niet kwam, dachten ze: „Hij zal bij den Astronoom wezen en wil niet gestoord zijn. Voor een paar uren echter is het uitgekomen, dat de Graaf in het geheel niet thuis gekomenis, en nu is er me wat te doen! Heb je hem niet gezien?”„Den wolf heb ik gezien,” zei Lein, die liever niet den Graaf en daardoor zichzelven verklikken wilde.„Den wolf?” riepen allen.„Ja, den wolf; maar zonder kop! Hij was nog warm en moet pas geslacht zijn! Gaat maar mede, ik zal je de plaats wijzen waar hij ligt!”Zoodra ze echter eenige schreden afgelegd hadden, stonden ze eensklaps stil; want daar kwam de Graaf met den wolfskop in de hand.„Wat kom je zoeken?” vroeg hij in gebroken Hollandsch.„De Genadige Vrouwe was bevreesd, Heer Graaf, dat de wolf u eenig leed gedaan had, en zij heeft ons uitgezonden om u op te zoeken!” antwoordde Melis bedremmeld.„Zoo, dacht ze dat? Maar gijlieden hadt kunnen weten, dat Graaf Jan van Holland, kleinzoon van Koning Willem, zich door geen wolf leed laat doen. Een paar honderd schreden links van hier kan je den wolf vinden. Haal hem en breng hem op het slot, dan kunnen alle luiden zien, dat ik geen kind meer ben, al houden zij er mij voor!”Met opgeheven hoofd en trotschen blik vervolgde de Graaf zijn weg, en een uur later bewonderde heel het Hof den koelen moed van den jongen Graaf, hoewel er sommigen waren, die luide prezen en in stilte dachten, dat het toch wel niet geschied zou zijn, zooals men elkander verhaalde. Slechts één was er, die er alles van wist, en deze was Lein, die eindelijk aan den Langen Melis zijn geheim verteld had, om van dien lastigen vraagal, doch besten vriend, ontslagen te worden.En, de Lange Melis heeft nooit het geheim verklapt. Zoo het heette, had Lein den geheelen nacht wandelende in het bosch doorgebracht. En dat hij niet loog, kon men hem wel aanzien; want hij zag er zoo vermoeid en afgemat uit en hij was zoo stijf, alsof hij in een heele week niet uit zijn kleeren geweest ware.

Het was den 28sten Juni van het jaar onzes Heeren 1297, dat er in den Buitenhof van het Grafelijke jachtslot in „Die Haghe” zich een bonte menigte bewoog. Opgetuigde paarden liepen aan de hand van stalknechts op en neer, en gaven dikwijls zulke krachtige bewijzen van hun ongeduld, dat de knechts wel beide handen noodig hadden om de dartele dieren in toom te houden. Valkeniers, pluimgraven, hondenjongens, jagers, hofhoorigen van allerlei bedrijf en ambacht,—lijfeigenen, boeren, ambachtslieden, schildknapen, Ridders en Edelen, alles liep in de bontste wanorde, die men zich maar voorstellen kan, door elkander en scheen ten laatste in het ongeduld der trappelende en snuivende rossen te deelen.

Wat was er te doen?

De dorpers van Rijswijk, Voorburg en Leydschendam hadden reeds gedurende verscheidene dagen geklaagd, dat de omstreken door een reusachtigen wolf zeer onveilig gemaakt werden, doch daar dit dier zich meestal schuil hield op het jachtgebied van den Graaf, hadden ze den moed niet, het dier daar op te zoeken en te dooden. Nu stond er voor hen geen andere weg open dan den Graaf er kennis van te geven, dan kon deze, als hij het goed vond, zelf op de jacht gaan en het dier dooden, of anders de Edelen uitnoodigen, het Grafelijke Hout van dien vreeselijken bewoner te verlossen. Had hij hiertoe geen lust, welnu, dan kon hij toestaan, dat de bewoners der genoemde plaatsen opdit dier in het bosch een drijfjacht hielden. Iets in hun voordeel zou er gebeuren, dat wisten die lieden zeker, want al was de Genadige Graaf Jan, „der Keerlen God,” niet, hij was er toch een zoon van, en al liep de jonge man ook nog zoo aan den leiband van den heerschzuchtigen, ruwen, wreeden en onbeschoften Zeeuwschen Edelman Wolfaerd van Borselen, toch zou de Graaf hier uitkomst brengen. Het kon niet anders.

De jonge en zwakke Graaf, die zich zoo beheerschen liet was een groot liefhebber van de jacht, en daarom had hij besloten een algemeene drijfjacht op het roofdier te houden. Dit nu was de oorzaak, dat er reeds van den vroegen morgen af een ongewone drukte en bedrijvigheid heerschte in den Buitenhof van het jachtslot, waar het in den laatsten tijd niet heel levendig geweest was.

Ondertusschen scheen men ongeduldiger te worden naarmate de schaduwen langer werden. Een uur na den noen was men bescheiden, en nu wees de zonnewijzer op den linkertoren van het slot reeds één uur. Als ge dat vreemd vindt, dat ongeduld namelijk, dan dient ge te weten, dat het middagmaal in die tijden zoo ongeveer tegen elf uur in den voormiddag gehouden werd, en dat men nooit sprak van een noenmaal of noen. Al vroeg in den morgen, des zomers zeker om zes uur, ontbeet men.

Het ongeduld van die bonte menigte, die in de heete zomerzon op den kalen Buiten- en Binnenhof geblakerd en geschroeid werd, valt dus wel te verklaren.

Er had daar binnen in het Slot zeker iets plaats gehad.

Wat?

Graaf Jan, wiens opvoeding aan het Hof van den Engelschen Koning Eduard zeer veel te wenschen had overgelaten, was voor de Hollanders zoo goed als een vreemdeling, daarenboven jong, zeer onervaren en geheel tegen de richting van zijn Vader. Een sterk gestel had hij ook niet, en veel moest er hem niet in den weg komen, of hij was boos en onhandelbaar.

Het wegblijven van den Graaf werd door de ongeduldigemenigte dan ook aan de meest verschillende redenen toegeschreven.

Doch laat mij u eerst een stukje geschiedenis vertellen.

Den vorigen dag was het juist een jaar geleden, dat Floris V door de wraakzuchtige Edelen vermoord was geworden.

Dat was een slag geweest voor de Poorters en de Dorpers! Beter Graaf dan „der Keerlen God” had er nooit geleefd. Altijd even gul en minzaam, ja, en altijd even rechtvaardig, onverschillig of hij een trotsch Baanderheer, een eenvoudig Edelman, een vlijtig Poorter, een nederig Dorper of een arm Lijfeigene voor zich had. Meer dan veertig vrije Poorters en Dorpers had hij tot den Adelstand verheven, omdat ze op de een of andere wijze getoond hadden, dat ze, waar het de belangen van het Graafschap gold, voor de Edelen niet onderdeden. Zoo iets maakte Floris bij de minderen bemind en geliefd, doch bij de oude Edelen gehaat. Maar Floris stoorde zich hieraan niet en ging zijnsweegs. Intusschen hadden die oude Edelen hun nood geklaagd aan Eduard, Koning van Engeland, die ook al geen vriend van den machtigen Hollandschen Graaf was, niettegenstaande des Graven zoon Jan verloofd was met Eduards dochter, Elisabeth, en sedert 1287 aan het Engelsche Hof verkeerde om daar zijn opvoeding te ontvangen. Dat opvoeden aan het Hof van Koning Eduard was misschien wel meer een list dan goede zorg van den Koning geweest; want eens, dat Floris iets gedaan had, dat niet in het voordeel van Engeland was, liet Eduard aan Floris vragen, of deze wel wist, dat hij zijn zoon in zijn macht had. „Welzeker weet ik dat,” antwoordde Floris, „maar dat zal mij niet beletten anders te handelen. Als Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland heb ik ook nog andere plichten te vervullen!”—Dat was mooi geantwoord, niet waar? Maar toch zou Graaf Floris misschien wel anders gesproken hebben, als hij nog niet een voorzoon gehad had van wien hij meer hield dan van Jan. Deze zoon heette Witte, en diens Moeder was een dochter van Heer Jan van Heusden. Witte nu wasin alles het evenbeeld van zijn Vader, en de Hollanders hielden zielsveel van hem, en waren er grootsch op, dat Graaf Floris hem „Jonker Witte van Holland” liet noemen. Later gaf hij hem de Heerlijkheid Haamstede en van dien tijd af wordt hij meestal Witte van Haamstede genoemd. Dezen Witte nu had Graaf Floris gaarne tot zijn opvolger in de Graafschappen benoemd, en eens heeft hij er zelfs zeer ernstig over gedacht. Toen Koning Eduard dit vernam, besloot hij wat water in zijn wijn te doen en voorzichtiger te zijn; want hij begreep wel, dat de Hollanders veel liever Witte tot Graaf zouden willen hebben, omdat zij hem kenden en beminden, dan Jan, dien ze niet kenden, en van wien ze alleen wisten, dat hij niet sterk en ook niet dapper of verstandig was. In stilte echter stookte Eduard de ontevreden Hollandsche en Zeeuwsche Edelen op, en dit gelukte hem volkomen. Zoover had hij het weten te brengen, dat zij besloten Graaf Floris heimelijk gevangen te nemen, en toen ze dit beproefden en zulks niet gelukte, was de wreede Gerard van Velsen met nog een paar andere Edelen, slecht genoeg, den Graaf te vermoorden. Die moord was eigenlijk bij ongeluk geschied; ze hadden niet gemeend zoo ver te gaan, en velen, die over Graaf Floris ontevreden waren, hadden nu veel spijt, dat de zaak zoo treurig afgeloopen was. Doch gedane zaken nemen geen keer, en daar de verbonden Edelen wel begrepen, dat ze er slecht zouden afkomen, als ze in handen van het volk vielen, beproefden ze de vlucht te nemen. Velen gelukte dit. Zoodra nu Koning Eduard hoorde, dat de zaak zulk een treurig einde genomen had, liet hij zijn schoonzoon Jan voor zich komen en zeide: „Jan, uw Vader heeft zijn roekelooze handelingen met den dood moeten bekoopen. Sommige Edelen hebben hem per ongeluk moeten dooden, inplaats van hem aanvankelijk naar Engeland over te voeren, zooals ons plan was. Thans zijt gij Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland!”

Nu was Jan geen slecht mensch, maar aan het Hof van Koning Eduard had hij zooveel kwaads hooren vertellen van zijn Vader, dien hij nauwelijks meer zou gekend hebben, dat hij op deze droeve tijding niet heel erg ontroerde.

De Koning vervolgde daarom: „Gij zijt nog jong, Jan, en als gij in Holland komt, zullen de oude vrienden van uw Vader u trachten wijs te maken, dat gij de moordenaars streng straffen moet. Een hoop poorters en dorpers, met uw halfbroeder Witte aan het hoofd, zullen den baas over u willen spelen, doch ik raad u ernstig aan: houd dat volkje op een afstand, anders loopt ge nog gevaar, dat ze u op den eenen of anderen dag wegjagen, om dien Witten Graaf te maken.”

Graaf Jan’s oogen fonkelden. Ja, hij had inderdaad ook wel eens gehoord welke plannen zijn Vader met dien Witte had gehad, en daarom beloofde hij gaarne, dat hij Witte en zijn aanhang zoo min mogelijk aan het Hof dulden zou.

Eduard hoorde dat met welbehagen aan en hernam: „Ik wil u gelooven, mijn zoon, maar gij zijt nog zoo jong, en ge kunt u misschien nog laten overhalen om anders te doen, dan wat ge nu van plan zijt. Ik zal u twee trouwe vrienden naar Holland medegeven, en wel de Heeren Reinoud Ferrer en Richard de Havering. Beloof mij nu bij al, wat u lief en dierbaar is, dat gij deze twee tot uw raadslieden zult aannemen, en altijd doen wat zij u zeggen, dat het beste is. Bedenk het, mijn zoon, dat mijne lieve dochter Elisabeth uw vrouw is!”

Zonder recht na te denken, wat hij deed, beloofde Jan dit, en zóó kwam de jonge Graaf in Holland met een onstandvastig karakter, een haat tegen vele Edellieden, een minachting voor Poorters en Dorpers, een trotsche, Engelsche vrouw en twee Engelsche vrienden, die hij blindelings gehoorzaamde.

Was het wonder, dat de Hollanders niet met hem ingenomen waren? Ja, zelfs de oude vijanden van Floris wenschten nu dat „der Keerlen God” nog maar leven mocht! Doch dat wenschen kwam te laat.

Tot hiertoe de geschiedenis, en nu weer ons verhaal.

Wat was er den vorigen dag gebeurd?

Met den verjaardag van den moord op Graaf Floris, was Witte van Haamstede aan het Hof van zijn broeder gekomen, om hem over het verlies zijns Vaders te troosten,en Witte had dit zoo hartelijk gedaan, dat Jan hem uitnoodigde dien nacht op het slot te blijven om dan den volgenden dag aan de drijfjacht deel te nemen. Witte had die uitnoodiging gaarne gehoor gegeven, doch zie, terwijl de jagers al in den Buitenhof op en neer liepen, was Witte met een verstoord gelaat uit het slot getreden, en had bevolen van hem en zijn schildknaap terstond de paarden te zadelen. Een kwartier uurs later sloegen ze in gestrekten draf den weg naar Vlaardingen op.

„Begrijp jij er wat van, Lein?” vroeg lange Melis, de pluimgraaf, aan een breedgeschouderden hondenjongen met zwarte, guitachtige oogen in het hoofd.

„Yes, sir, I haveer alles van begrepen!” antwoordde deze.

„Och, loop met je mondvol Engelsch naar de Noren, en zeg me liever in het goede Hollandsch van den vromen Melis Stoke, wat je er van weet!” hernam Melis.

„Ja, zoo’n domme gans van een kippenkoning, als jij bent, kan niet verdragen, dat ik Engelsch spreek. Maar dat neem ik je volstrekt niet kwalijk. Je kippen, eenden en varkens zijn allemaal hier uit Holland en verstaan alleen Hollandsch; maar mijn honden zijn niet hier vandaan; de een is uit Wales, de ander uit Engeland en een derde weer uit Schotland, zoodat ze geen stom spreekje Hollandsch verstaan, en ik wel Engelsch spreken moet, omdat …”

Pats! daar kreeg Lein een draai om zijn ooren, dat hij heelemaal achterstevoren keerde, en vlak voor een Engelschen paardenknecht van Sir Richard de Havering kwam te staan.

„You had better work, sluggard!” („Je zoudt beter doen, als je werkte, luiwammes!”) zei de Engelschman.

„Yes, sir, I, I,… shall … I,…I …”

„What, I!” bromde de man, en, „flap!” daar had Lein er op het andere oor ook een beet.

Nauwelijks was de Engelschman weg, of Melis kwam lachend uit zijn hoekje en zei: „Have you hadeen paar opstoppers? Wat is „opstopper” in het Engelsch, zeg, Lein?”

„Ik wilde wel, dat jij er ook zoo’n paar gekregen hadt,”bromde Lein. „Het is eigenlijk alleen jouw schuld: jijhieldme immers aan den praat!”

„Dat is waar, jongen, dat is waar! Maar weet je, wat je doet? Als die Vos met zijn mooien, rooden krullebol terug komt, dan moet je maar op zijn Engelsch zeggen: „Sir, geef die opstoppers nu maar aan den pluimgraaf!” maar op zijn Engelsch; hoor!” sarde Melis.

„Als je niet ophoudt met plagen, dan stuur ik de honden op je af, lange boonstaak van een varkensvader,” riep Lein, doch schoot onwillekeurig in den lach toen hij die „mooie” woorden uitsprak.

„Zoo, zoo, nu is alles weer effen! Vertel me nu maar wat jij er van begrijpt, dat Jonker Witte zoo schielijk vertrokken is, en dat de Graaf ons zoo laat wachten!” zei Melis.

„Dat kan ik gauw zeggen,” gaf Lein ten antwoord. „Onze goede Jonker heeft vanmorgen in de vroegte al hooge woorden gehad met Sir Reinoud Ferrer, en deze werd zoo boos, dat hij de hand aan zijn zwaard sloeg; maar de Jonker was niet bang voor hem; hij lachte even en zei: „Boaster!”

„Wat wil dat zeggen, Lein?”

„Ja, ik wist het ook niet; maar de keukenmeester, die het aan Mien, de kamermeid van Vrouwe Elisabeth, verteld heeft, zei dat „boaster” zooveel wil zeggen, als „windzak.” Hoe vind-je dat, Melis?”

„o, Kostelijk, kostelijk! Van nu af noem ik iederen Engelschman, met jou te beginnen, „boaster.”—Zijn je honden al gevoerd,boaster?”

„Hoor eens, Melis, doe me nu het genoegen en noem me zoo niet meer! Ik wil geen Engelschman meer zijn en ik zal voortaan Hollandsch spreken. Maar je weet nog niet alles. Toen Jonker Witte hem dan „boaster” genoemd had, liep Sir Reinoud Ferrer zoo hard weg, als hij kon, om zulk een Hollandschen praatsmaker bij den Graaf aan te klagen. Nu lag Graaf Jan nog te bed, en eerst tegen den noen is hij opgestaan. Sir Reinoud Ferrer was er dadelijk bij om Jonker Witte aan te klagen, en het gevolg hiervan was, dat de Graaf zijn broeder roepen liet om hem den mantel eensuit te borstelen. Maar Jonker Witte is geen sloddervos; hij draagt altijd groote zorg voor zijn kleeren, zoodat hij niet dulden kon, dat zijn broeder hem in bijzijn van die twee Engelsche heeren en de Genadige Vrouw, den mantel uitborstelde. Toen Graaf Jan uitgesproken had, ging Jonker Witte voor hem staan en zei: „Het staat u wonderfraai, Heer Graaf, den vreemdeling boven uw broeder voor te spreken. Maar luister goed toe, wat ik u voorspel. Ge zult zóó lang aan den leiband van deze twee mannen loopen, tot ze u heelemaal naar hun hand gezet en u van de goede Hollanders vervreemd hebben. Enis heteenmaal zoover gekomen, dan sta ik u, Heer Graaf, voor de gevolgen niet in!”

„Dat wil ik wel gelooven,” had toen de Havering gezegd, „je wilt zelf veel te graag Graaf worden!”

Hierop keerde Witte zich tot den Engelschman en zei: „Zoo als ik vanmorgen je vriend Ferrer genoemd heb, zoo noem ik jou ook: „boaster!” En als je nog wat te vertellen mocht hebben, ik ben Jonker Witte van Holland en woon op mijn kasteel te Haamstede op Schouwen!”

Hierop keerde Jonker Witte zich om, ging het slot uit, den stal in, liet de paarden zadelen en reed met zijn schildknaap heen.„Wat zeg je er van?”

„o, Man, kostelijk, kostelijk! Wat zal die de Havering leelijk op zijn langen neus gekeken hebben. Maar hoe weet je dat zoo netjes?”

„Wel, de keukenmeester heeft alles onder het open raam staan afluisteren, en het daarna aan zijn zuster Mien verteld. Nu kan ik bij Mien nog al in de kas, omdat ik haar wel eens wat help, en zij heeft het mij verteld.”

„Hoor eens, ik ben blij dat ik het weet. Ik houd nu nog veel meer van Jonker Witte dan vroeger, maar, dat stilletjes staan luisteren van den keukenmeester, dat bevalt me toch niet, en nu weet ik, wat het beteekent, als ze zeggen, dat de muren soms ooren hebben!”

Als Melis een sermoen ging houden, dan was hij in het eerste half uur nooit klaar, dat wist Lein ook wel, en daarom verheugde hij zich, dat er op eens een heele opschudding op den Buitenhof plaats greep.

Graaf Jan had eindelijk besloten het geduld der Heeren jagers niet langer op de proef te stellen, maar toch wilde hij hen eerst nog eens beet nebben. De jagers wisten niet beter of men zou te paard uitgaan, en zie, daar verscheen de Graaf in een eenvoudig jachtgewaad en te voet. Een boog met pijlkoker slingerde op zijn rug, en naast hem liep zijn geliefde jachthond Diaan, dien hij op zijn Engelsch „Dy” noemde.

„I am ready,” („ik ben gereed,”) had hij tot den Hofmaarschalk gezegd, en toen deze hem verwonderd aankeek, omdat hij zonder paard uitging, zei hij in slecht Hollandsch: „ja, een jacht te voet!”

Dat gaf eerst nog een verwarring! De paarden werden weggeleid, en de Heeren jagers haastten zich andere wapenen te halen. Graaf Jan was dan ook al lang vooruit gegaan en stapte juist voorbij het valkenhuis, waar Melis en Lein met de honden gereed stonden.

„Wat een verschil met zijn Vader!” fluisterde Melis. „Ik geloof nooit, dat hij lang leven zal!”

„Men kan wel zien, dat de tijd der klitten er nog niet is,” meesmuilde Lein.

„Wat klitten?” vroeg Melis.

„Wel, je kent toch die bollekens wel, die langs den weg groeien en die aan de kleeren blijven hangen, als men ze er op gooit?”

„Nu ja, maar wat zou dat?”

„Wel, ik noem de Heeren Ferrer en de Havering nu eens klitten, omdat ze anders overal en altijd bij hem zijn. Dezen keer zijn ze niet bij hem. Ik wenschte wel, om ik weet niet wat, dat ze maar weer weg waren!”

„Jawel, maar dáár komt een andere klit, en die heeft dorens,” hernam Melis, en wees met de oogen op een forschen Ridder van onaangenaam voorkomen. „Dien Heer Wolfaerd van Borselen vertrouw ik ook al geen zier, evenmin als dien Jonker Willem van Henegouwen, den zoon van Graaf Jan van Avennes, die daar achteraan komt slenteren, en het zou me niet verwonderen, of die Wolfaerd knikkert de Engelsche Heeren nog eens van de baan!”

„Dat zou ik wel prettig vinden,” antwoordde Lein.

„Ei, zou je dat? Och, dan toch! Maar ik geef er niet om, of ik door de poes of door den kater gebeten word. Begrepen?”

„Wat bedoel je daarmede?”

„Wel, die Heer Wolfaerd is ook al een best vriend van Koning Eduard, dat heb ik al lang geleden gehoord toen onze goede Graaf nog leefde. En wat dien Jonker Willem betreft, ja, dat schijnt een beste jongen te zijn, maar zijn Vader is Graaf van Henegouwen en dien vertrouw ik in het geheel niet. Hij is zoo wat een neefje van onzen Graaf, en als onze Graaf Jan kinderloos stierf, dan zou hij zeggen: „Ziezoo, Henegouwen is zoo groot niet of Holland, Zeeland en Westfriesland kunnen er nog wel bij!”

Lein staarde den pluimgraaf met groote oogen aan en zei: „Heb jij óók kennis aan Mien, de kamermaagd?”

„Loop heen, die weet alleen schandalen te vertellen, die in het Slot voorvallen, als haar broeder er zijn neus in gestoken heeft. Neen, maat, ik heb om zulke dingen te weten, betere kennissen. Ken je Aernout den Loosduiner?”

„Dien dikken schildknaap van Jonker Witte?”

„Juist, dezelfde. Nu, die Aernout heeft het mij verteld en Jonker Witte heeft geen geheimen voor hem!”

Terwijl Melis en Lein, om de waarheid te zeggen, zoo hun tijd stonden te verbabbelen, kwam de paardenknecht van Sir Richard de Havering weer onverwachts aan, en ….flap! flap! twee draaien om de ooren en een: „Begone, babbler!” („voort, babbelaar,”) volgde.

Lein keerde zich thans woedend om en met oogen, die glinsterden van kwaadheid, siste hij tusschen de tanden: „Boaster!”

Nauwelijks had de Engelschman dat woord gehoord, of hij lichtte zijn vuist op om die op Leins hoofd te doen neerkomen, doch eer het zóó ver kwam, pakte de lange Melis den van kwaadheid schuimbekkenden man beet en smeet hem den stal uit, roepende: „Als je bakkeleien wilt, hier, ik ben je man!”

Dat kon de Engelschman niet verdragen. Als een dollestier, met het hoofd voorover gebukt, kwam hij op Melis af, doch deze sprong wat op zij, en …. bons!…. de woedende kerel liep zoo hard met het hoofd tegen de staldeur, dat hij, als een gedolde os, op den grond tuimelde.

„Wel mag je dat bekomen, kameraad,” riep Melis lachend, en den man latende liggen, waar hij lag, ging hij met Lein den jachtstoet achterna.

Het ging den kant naar Rijswijk uit, en nog altijd scheen men te twijfelen, welken weg men nemen zou.

Lein en Melis bleven dus bij elkander, en eenmaal op weg zijnde, gingen hunne monden weer, als Lazaruskleppen, tot Melis opeens vroeg: „Heb jij al eens een wolf gezien, Lein?”

„Ja, verleden voorjaar te Haarlem. Daar was een man, die een wolf in een ijzeren kooi had. Maar, jongen, wat zijn de honden op zoo’n dier gebeten. Ik had wat moeite de twee hazewinden van onzen goeden Graaf in bedwang te houden!”

„Wat is er toch van die hazewinden geworden?”

„Wel, dat moest zoo’n vertrouwd vriend van Aernout den Loosduiner toch weten, dunkt me!”

„Heeft Jonker Witte ze dan?”

„Welja, wie anders? Je weet, dat de Kennemers deze trouwe dieren bij Graaf Floris in de sloot vonden. Stomme beesten, ze likten zijn wonden af, alsof ze hem zóó weer levend wilden maken!”

„Ja, dat weet ik; maar toen?”

„Wel, toen zijn ze mee naar Alkmaar gegaan, en ze zouden daar op het graf van den goeden Graaf van honger en dorst gestorven zijn, als Jonker Witte er niet tijdig nog een schotje voor geschoten had!”

„Liet de koster van die kerk de arme dieren dan zoo maar aan hun lot over? o, Dat is zeker nog zoo’n koppige Westfries, die nu de honden van den Graaf kwaad deed, omdat hij den Graaf niet aandurfde toen deze nog leefde. Die Westfriezen vertrouw ik geen van allen!”

„Foei, nu praat je de tong voorbij, Melis! Ja, de koster zorgde wel voor de dieren, maar ze wilden niet eten of drinken,en alleen aan Jonker Witte is het gelukt hen aan een zacht snoerken mede te nemen! Maar stil, daar komt Gilles de Henegouwer, die heeft zeker wat te zeggen!”

Lein had goed geraden. Gilles de Henegouwer, een knecht van Jonker Willem, kwam zeggen, dat Melis hem met een koppel honden volgen moest, en dat Lein zich in het bosch van den Heer van den Brinckhorst moest begeven. De beide vrienden scheidden van elkander en, na zich over den Vliet te hebben laten zetten, ging Lein het bosch in. Om nu te zeggen, dat hij op zijn gemak was, dat gaat niet aan; want zoo alleen in dat bosch, dat zich heel ver uitstrekte, rond te dolen, dat was juist zulk een begeerlijk baantje niet. „Als je den jachthoorn hoort, moet je met je honden komen,” had Gilles gezegd; maar hier zag hij tusschen de hooge eiken en beuken geen enkelen jager, en hij zou nu wel eens willen weten, als er geen jagers waren, wie er dan op den hoorn blazen moest. En dan, als de wolf hier eens verscholen was, wat zou hij aanvangen? De honden zouden hem wel helpen, ja, maar als de wolf de honden eens verscheurd had? Daar ritselde wat in de lage struiken. Angstig zag hij er heen! Eensklaps staken de honden de ooren op en … brrr, Lein rolde van schrik op den grond en werd door de honden, die hij niet loslaten kon, een eindweegs mede gesleept. Eindelijk krabbelde hij op en had nog even tijd om te zien, dat het vreeselijke dier, dat hem daar voorbij gerend was, niets anders was dan een groote haas.

Ondertusschen werd het langzamerhand later en, naar zijn maag te oordeelen, meende Lein dat het zoo omstreeks zes uur zou zijn.

En nog altijd geen jagers te zien, en nog altijd geen hoorngeschal te hooren!

Als ze hem hier in dit groote bosch maar niet vergaten!

„Weet je wat,” dacht hij, „ik ga hier een oogenblik op het gras zitten en mijn maal doen. Ik zie scheel van den honger!”

Zoodra hij dit gezegd had, zette hij zich op het gras, haalde den knapzak, die op zijn rug hing te bengelen, kreeg er een stuk grauw brood met spek uit, en begon een muizenmaaltjete doen; want water zag hij nergens.

„Moeder had wel kunnen zorgen, dat er aan dat spek niet zulk een groot stuk zwoord zat,” bromde hij, en begon nu met beide handen te trekken om nog wat spek er af te krijgen. Maar toen hij zoo trok, en zooveel moeite deed om van het spek te halen, wat er van te halen was, dacht hij niet aan de honden, die hij in het geheel niet meer vast had, en of het werk zoo sprak, als op een afgesproken teeken, snelden beide dieren, vreeselijk blaffend het kreupelhout in.

„Tijl, Grijp, kom hier!” riep Lein; maar jawel, de honden stoorden zich nergens aan en lieten hun jongen meester roepen en fluiten zooveel hij wilde.

„Hier zit ik nu, verlaten als een hoornbeest (oorwurm) op een koolblad!” zuchtte hij, en borg het overschot van brood en spek in den knapzak.

„Als er nu eens op den hoorn geblazen werd!”

„Wof—wof—wof!” klonk het uit de verte en een oogenblik later: „Wof—wof—wof!” in de nabijheid.

„Kom hier, Tijl! Kom hier, Grijp! Satansche beesten, ben-je behekst? Ik zeg, kom hier! Fu-u-u-u-u-ut!”

„Wof—wof—wof!” nu kon hij ze nog even hooren en, hopende, dat ze weer naderbij zouden komen, bleef hij nog een poosje staan luisteren, maar te vergeefs. De honden waren weg en bleven weg.

Lein werd treurig en stond daar met den vinger in den mond, als een jongen, die zijn laatsten Zondagspenning versnoept had.

O, jongens, als de wolf nu toch eens kwam, wat moest hij dan doen? Hij had niets bij zich dan een hondenzweep en een zakmes.

Zou hij verder gaan en zien, dat hij het bosch uitkwam? Zoo denkende en dwalende kwam hij bij een reusachtigen eik. Deze boom had eenige voeten boven den grond een aantal knoestige takken en een paar bulten, waaraan verscheidene kleinere takjes zaten. Lein zag zeer goed, dat men in dien boom gemakkelijk wegkruipen kon, zonder door iemand gezien te worden.

Als hij het maar eens deed! Wanneer hij iemand hoorde,zou hij er uitkomen, als ze even verder gegaan waren en hen dan stil volgen.

Zoo gedacht, zoo gedaan.

In een oogwenk zat hij in den boom, en kon nu rustig en wel overdenken, wat hij doen moest.

Toen hij daar zat, keek hij eens naar boven, en zag dat, wat hooger, de boom nog zoo’n zonderlinge verbreeding van takken had en, naar het scheen, kon men daar ook gemakkelijker zitten. Zijn besluit was gauw genomen en geen vijf minuten later, zat hij boven in den boom. Het leek daar wel een groot ooievaarsnest, waarvan hij de ooievaar was.

Onder het klimmen was zijn knapzak aan een tak blijven hangen, en daarna op zijn borst geslingerd. Het scheen wel dat hij daar hing om nu leeggegeten te worden. Althans Lein legde dat zoo uit, en begon zijn maal voor den tweeden keer.—Hij had daar boven geen ruim uitzicht; want de boom geleek van beneden gezien veel meer dan hij werkelijk was, en hij had wel wat gelijkenis met Aernout den Loosduiner, die was ook in de dikte gegroeid en wel twee hoofden kleiner dan Jonker Witte was.

Intusschen, de boterham was op, en juist wilde hij den knapzak oprollen en in den zak van zijn wambuis steken, toen hij beneden zich een voetstap hoorde. Een mooie jachthond kwam uit het hout en sprong op tegen iemand, dien Lein nog niet zien kon.

„Still, Dy, still!” klonk het, en Lein herkende de stem van Graaf Jan, die, na wat rondgezien te hebben, zich onder den boom, waarin de knaap verborgen was, neerzette.

„Ziezoo,” dacht Lein, „als de wolf nu komt, dan ben ik alvast niet alleen. Zou de Graaf slapen? Het wordt daar beneden zoo stil!”

Ja, het werd daar beneden stil, maar het begon ook in het bosch stiller te worden. De zon begon al aardig te dalen, en nog een groot uur, dan zou ze onder zijn! En hoe vervelend voor Lein om doodstil boven in een boom te zitten! Als de vogeltjes hem zagen, vlogen ze verschrikt weg, en menigmaal dacht de knaap: „Was ik maar een vogel!” Doch door dat stil zitten was het, alsof zijn oogen zeer gingendoen. Zou dat slaap zijn? Neen, slapen wilde hij niet, dan kon de Graaf weggaan zonder dat hij het wist. Hij zou voor tijdverdrijf een poppeken snijden. Hout was hier in overvloed en zijn mes was scherp! En daar ging het, links, rechts, nu eens onder, dan eens boven, ziezoo, de ronde bol van den kop was klaar. Maar aan dien bol moest een neus en mond zijn. Fijn werk, ja!—

„Wacht,” mompelde hij, „ik zal hem een neus geven, als den Eerwaarden Vader Melis Stoke, die heeft een neus als … maar die oogen, die oogen! Kijk, nu sneed hij weer verkeerd! De neus stond toch niet overdwars op een gezicht.—Hij zou.. hij zou.. ja, hij zou er nu maar een mond van.. van maken. Maar Melis Stoke had toch den neus niet beneden den mond … staan! Dat was … nu.. Melis …. zou lachen …. en die Melis, de.. lange.. lange.. Melis weet.. je.. niet.. die.. bo..boaster.. neen.. die.. die d …. d …”

Zoo sliep Lein en hij droomde, dat hij bij Egbert den Grijze zat. Egbert de Grijze was schildknaap geweest bij Floris’ Vader, den Roomsch-koning Willem. Die man kon wat vertellen! Van den brand te Brunswijk, waar Willem bijna met zijn jonge vrouw in de vlammen omgekomen was; van de Westfriezen, die Willem op het zwakke ijs lokten en hem daar vermoordden; van Floris’ krijgstochten tegen de Vlamingen; van tournooien hier en steekspelen daar. Als Egbert aan het vertellen was, dan liep zijn huisje vol, en iedereen luisterde met de grootste aandacht. En nu vertelde hij van een jacht, de honden blaften zoo hard ze konden: wof—wof! en …. wof—wof! wof—wof!—Lein schrikte wakker; hij droomde, dat een wild zwijn hem nazat, en … wof—wof—wof! neen, dat was geen verbeelding, dat was werkelijk blaffen en wel onder aan den boom. De zon was ondertusschen ondergegaan en de maan gaf een te zwak licht om door de bladeren heen te kunnen schijnen.—Zou de Graaf er ook nog zijn? Maar stil, daar hoort hij iets. Het schijnt wel, dat men in den boom klimt! Als dat de wolf eens was! Maar wolven kunnen niet klimmen! Het is dus wat anders. Lein ziet thans nauwlettend toe en meent een hoofd te zien met een baret waarop een witteveder staat. Ja, zulk een baret had Graaf Jan op toen hij des middags uitging. Meer en meer wordt de gestalte zichtbaar en … het is de Graaf, dat ziet hij nu duidelijk. De hond gaat vreeselijk tekeer. Daar hoort hij iets kraken! Maar Dy is alleen en de wolf is een reus onder zijn makkers. Eer het arme dier het weet, ligt het met afgebeten strot op den grond! Als razend springt thans de wolf tegen den boom op. Heel de omtrek davert van zijn woest gehuil, doch al de pogingen, die hij aanwendt om in den boom te komen, zijn gelukkig te vergeefs. De Graaf zit veilig, en hij, de hondenjongen, daar boven in den boom ook.

Doch wat zou Lein doen? Zou hij den Graaf toeroepen, dat hij ook in den boom zit? Maar dan zal de Graaf vragen, wat hij daar doet en hoe hij er in gekomen is.

En wat zou hij dan moeten zeggen?

De Graaf was ook in den boom gevlucht, dat was waar, maar niet vóór de wolf er was, en hij klom er al in toen er nog geen wolf op veld of wegen te ontdekken was. Neen, hij zal blijven, waar hij zit, en stil ook; want als de Graaf hem ontdekte, dan ….

Maar hoor me dien wolf eens een geweld maken!

Hij wroet de aarde om den boom los, en zijn groote tanden knarsen op de harde wortels!

Lieve deugd, als het ondier den boom eens los kon graven, dan vielen de Graaf en hij in zijn klauwen!

Maar waarom blaast de Graaf niet op zijn hoorn; hij heeft dien toch bij zich! Waarom tracht hij den wolf niet dood te schieten! hij heeft toch pijl en boog bij zich!

Waarom ….?

Neen, maar hoor eens, als hij de Graaf was, dan zou hij toeteren, dat iemand hooren en zien verging. Ze zouden het eindelijk toch wel ergens hooren! In den nacht klinkt het geluid van een hoorn wel een uur ver. Toen hij verleden jaar op het kasteel te Voorschoten was, kon hij des nachts den torenwachter van Leiden hooren, en Voorschoten lag toch nog meer dan een half uur van Leiden af. Zie, als de Graaf nu maar eens flink blies, dan konden ze het op den Brinckhorst te Voorburg of Rijswijk, ja, misschien wel inDie Haghe hooren. Ze zouden den Graaf toch wel zoeken, als hij niet thuis kwam! Wie weet waren zij, die hem zochten, niet reeds in de nabijheid!

Zoo dacht de knaap, en zoo wenschte hij dat het geschieden mocht; want het zitten in den boom op de takken begon hem lastig te vallen. Hij durfde zich niet verroeren uit vrees, dat de Graaf hem ontdekken zou. En dat wilde hij niet; want hij wilde niet doorgaan voor een bangen knaap, die al aan het loopen gegaan was toen er geen gevaar bestond.

Had Lein echter eens even kunnen weten, wat de Graaf zooal dacht, en waarom hij niet op zijn hoorn blies om zoodoende hulp te ontvangen, dan zou hij niet zoo lang hebben zitten mijmeren.

Men had het Graaf Jan nog nooit gezegd, dat men aan zijn moed twijfelde, doch een ander behoeft ons nog niet altijd te zeggen, hoe hij over ons denkt. Men kan dat zoo wel zien. En de Graaf had al lang ontdekt, dat men hem, zooal niet voor een lafaard, dan toch voor iemand hield, die al heel weinig moed had. En als hij nu om hulp riep en men ontdekte hem zoo in den boom, wat zou men dan zeggen?

„Ziet,” zouden de „lompe” dorpers en de „drieste” poorters, die door zijn Vader zoo verwend waren, uitroepen, „ziet, dat is nu onze Graaf, die in een boom vlucht uit vrees voor een wolf! Bijlo, een kleinzoon van een groot Vader!”

Neen, dat vermaak zou hij dien lieden niet gunnen! Dan liever den geheelen nacht in den boom gebleven en den morgen afgewacht. De nachten duurden in dezen tijd toch zoo lang niet, en als het licht was, kon men beter denken ook.

Zie, zoo dacht Graaf Jan; maar dat wist Lein niet!

En beneden aan den boom was de wolf tot rust gekomen en had zich te slapen gelegd! Wie weet of deze niet gedacht had: „Jij daar boven in den boom, al heb je nog zulk een mooie muts op, ik zal je wel krijgen, want ik ga hier niet vandaan, vóór ik je beet heb. En weet je wat, ik ga nu wat slapen: ik ben moê gewerkt. Als jij het waagt,er uit te komen, zal ik wel wakker worden. Reken er maar op!”

Het was dan nu overal stil. Boven in den boom, midden in den boom, onder aan den boom, stil, overal stil! Alleen kwam er nu en dan een uil voorbij vliegen, of ruischte er een luchtig koeltje door het loover.

Maar ho, wat kropen die uren langzaam, en langzaam bovenal voor Lein, die zoo doodstil moest zitten. Hij voelde het, dat zijn beenen zoo stijf werden, als een tak van den boom. Eerst hadden ze geslapen en was het geweest, alsof men hem met duizend spelden prikte, en nu dat over was, deden hem al de leden zeer.

Maar langzamerhand begonnen de sterren te verbleeken en kreeg de lucht, in het Oosten, een klein blosje, dat gaandeweg toenam. De vogeltjes werden wakker en schudden hun veertjes uit. In de verte kon men het vee hooren loeien, en door de boomen bruiste een flauw windje, dat de bladeren zachtkens trillen deed.

O, als Lein maar niet zoo stijf en koud geweest ware, dan ….

Daar ging de zon op, en de Graaf scheen dit oogenblik afgewacht te hebben; want Lein hoorde eenig geritsel. Nieuwsgierig, wat hij doen zou, keek de knaap door de takken naar beneden en zag dat Graaf Jan iets liet zakken. Lein kon niet goed onderscheiden, wat het was; maar als hij goed zag, dan was het een zakdoek of zoo iets, die in reepen gescheurd was. Die reepjes waren aan elkander geknoopt en onderaan hing een krom takje in den vorm van een haak. Onwillekeurig moest de knaap bij al zijn pijn nog lachen. Ging de graaf nu spelen, evenals de jongskens die in een kinderstoel zitten en met hun kousebandjes naar hun speelgoed visschen, dat op den grond gevallen is? Bah, hoe kinderachtig voor een Graaf! Maar weldra zag Lein, dat hij te voorbarig was geweest met den Graaf kinderachtig te noemen, want de zoogenaamde visscher op het droge, haalde met den haak zijn boog op, welke, bij de vlucht in den boom, op den grond was blijven liggen. De pijlkoker had hij mee kunnen nemen. Nu begreep Lein alles, en hijrekende al uit hoeveel minuten het nog duren moest eer hij vrij was. Intusschen was de wolf wakker geworden en begon zijn spelletje van den afgeloopen nacht weer. Als een dolle wroette hij den grond om en beet in de blootgewoelde wortels.

Eensklaps gaf het dier een gil en werd nog woedender. Graaf Jan had hem een pijl in den rug geschoten, en gaf er hem nog een, en nog een en nog een. Eindelijk viel het dier stuiptrekkend op den grond. Snel, als de wind klauterde de Graaf naar beneden en stak zijn jachtmes in het hart van den vreeselijken vijand, die hem den geheelen nacht gevangen had gehouden.

Dat alles zag Lein met groote vreugde, en toen Graaf Jan den wolf den kop afsneed, dezen aan de ooren opvatte en er mede heenging, toen was het Lein onverschillig of de Graaf naar Die Haghe of ergens anders heen zou gaan. Hij was vrij, en zoo goed en zoo kwaad, als zijn stijve ledematen hem dit toelieten, liet hij zich ook naar beneden zakken. Zijn eerste werk was een sloot op te zoeken om daar zijn brandenden dorst te lesschen, en toen hij dit gedaan had, trachtte hij een uitweg in het bosch te vinden, dat hem al heel gauw gelukte. Maar zie, nauwelijks kwam hij op het open veld, of Lange Melis, aan het hoofd van eenige andere knechts, snelde hem te gemoet, en riep: „Waar kom je vandaan?”

„Uit het bosch,” gaf Lein ten antwoord.

„En heb je den Graaf niet gezien? o, Al wat leeft in Die Haghe en op het slot is in beweging. De Graaf is gisteren niet van de jacht teruggekeerd! Wij dachten, dat hij al vooruit was, en toen wij thuis kwamen, meenden de Heeren Engelschen en de Genadige Vrouwe, dat hij achteraan kwam. Nu scheen het wel meer te gebeuren, dat de Graaf de nacht met den vreemden wichelaar, die een paar weken geleden hier aangekomen is, op den toren blijft om uit den loop der sterren zijn levenslot te weten, en toen hij niet kwam, dachten ze: „Hij zal bij den Astronoom wezen en wil niet gestoord zijn. Voor een paar uren echter is het uitgekomen, dat de Graaf in het geheel niet thuis gekomenis, en nu is er me wat te doen! Heb je hem niet gezien?”

„Den wolf heb ik gezien,” zei Lein, die liever niet den Graaf en daardoor zichzelven verklikken wilde.

„Den wolf?” riepen allen.

„Ja, den wolf; maar zonder kop! Hij was nog warm en moet pas geslacht zijn! Gaat maar mede, ik zal je de plaats wijzen waar hij ligt!”

Zoodra ze echter eenige schreden afgelegd hadden, stonden ze eensklaps stil; want daar kwam de Graaf met den wolfskop in de hand.

„Wat kom je zoeken?” vroeg hij in gebroken Hollandsch.

„De Genadige Vrouwe was bevreesd, Heer Graaf, dat de wolf u eenig leed gedaan had, en zij heeft ons uitgezonden om u op te zoeken!” antwoordde Melis bedremmeld.

„Zoo, dacht ze dat? Maar gijlieden hadt kunnen weten, dat Graaf Jan van Holland, kleinzoon van Koning Willem, zich door geen wolf leed laat doen. Een paar honderd schreden links van hier kan je den wolf vinden. Haal hem en breng hem op het slot, dan kunnen alle luiden zien, dat ik geen kind meer ben, al houden zij er mij voor!”

Met opgeheven hoofd en trotschen blik vervolgde de Graaf zijn weg, en een uur later bewonderde heel het Hof den koelen moed van den jongen Graaf, hoewel er sommigen waren, die luide prezen en in stilte dachten, dat het toch wel niet geschied zou zijn, zooals men elkander verhaalde. Slechts één was er, die er alles van wist, en deze was Lein, die eindelijk aan den Langen Melis zijn geheim verteld had, om van dien lastigen vraagal, doch besten vriend, ontslagen te worden.

En, de Lange Melis heeft nooit het geheim verklapt. Zoo het heette, had Lein den geheelen nacht wandelende in het bosch doorgebracht. En dat hij niet loog, kon men hem wel aanzien; want hij zag er zoo vermoeid en afgemat uit en hij was zoo stijf, alsof hij in een heele week niet uit zijn kleeren geweest ware.


Back to IndexNext