III.

1)Natuurlijk beweer ik niet, dat russische vaders en moeders hun kinderen nooit slaan of stompen. Uit de „Jeugdherinneringen” van Gorki leert men de ruwheid kennen, waarmee de kleinburger van het vorig geslacht zijn kinderen kastijdde. Maar in het algemeen is, geloof ik, een volk zachter tegenover zijn kinderen, naarmate het primitiever, natuurlijker en minder gemilitariseerd is.

1)Natuurlijk beweer ik niet, dat russische vaders en moeders hun kinderen nooit slaan of stompen. Uit de „Jeugdherinneringen” van Gorki leert men de ruwheid kennen, waarmee de kleinburger van het vorig geslacht zijn kinderen kastijdde. Maar in het algemeen is, geloof ik, een volk zachter tegenover zijn kinderen, naarmate het primitiever, natuurlijker en minder gemilitariseerd is.

Wanneer men mij vraagt, of ik in Moskou den grooten honger gezien heb, of de uitputting en de ellende van het volk zich opdrongen aan de oogen, dan moet ik antwoorden: neen. Ik zag geen ontvleeschde gezichten, geen vermagerde wankelende gestalten; ik zag geen menschen neervallen op straat. Bedelaars zag ik, maar naar mij dacht niet veel meer dan in de groote steden van het „welvarende” Nederland en zeker veel minder dan in Berlijn. Dien Zondagmorgen dat Kalinina mij meenam op haar inspektie-tocht door de stad, zag ik vele duizenden kinderen bijeen. Men zei mij, dat ze tot de allerarmste behoorden, tot de onderste lagen der bevolking. Zeker waren er bij die er smal en teertjes uitzagen. Zeker waren vele van deze kinderen, die enkel de gewone uitdeeling op de scholen kregen, niet het betere, rijkelijke voedsel, dat in de kolonies gegeven wordt, min of meer ondervoed. Kollontay zelve vertelde mij, dat de schoolvoeding niet voldoende is. Maar deze kinderen gaven niet den indruk van honger te lijden, men werd niet akelig van naar ze te kijken, integendeel. Velen zagen er frisch en blozend uit en bijna allen waren netjes in de kleeren, niets minder dan een troep arbeiderskinderen ten onzent die moeder hun beste spullen aantrekt om naar een schoolfeest te gaan en zeker veel beter dan de allerarmsten, de verschoppelingen uit de ellende-wijken in ons land bij zoo'n gelegenheid zouden verschijnen. Naar wat ik zag en hoorde is de arbeidersbevolking in de steden er wat kleeding aangaat in 't algemeen beter aan toe dan voor de revolutie, doordat in de eerste jaren van de diktatuur veel linnen en wollen stof uitgedeeld is geworden.

Toch zag men tamelijk veel havelooze, of heel armoedig gekleede menschen. Onder de bedelaars natuurlijk en danonder de jongetjes, die laat op den avond en tot midden in den nacht op de boulevards, waar juist een alles behalve stichtelijk „nachtleven” weer begon op te komen, sigaretten verkochten. Erge schooiertjes waren daaronder, te nauwernood bekleed met armzalige lompen. Maar de zieligste indruk maakten de lange rijen mannen, vrouwen en kinderen, die voor de koöperatieve winkels hun beurt afwachtten om hun karig rantsoen zwart brood, hun dunne soep, hun beetje vet en haring te halen. Daar, in die „polonaises” zag men veel ellende; veel menschen in lompen, met een versufte, gedeprimeerde uitdrukking en uitgedoofde oogen. Natuurlijk waren de meeste van deze stumperds barrevoets.

De voeten waren het lichaamsdeel, waaraan de behoeftigheid van het russische volk het treffendst bleek. Wat ik zelf opmerkte dekte zich op dit punt volkomen met wat ik in de reisindrukken van anderen, o.a. die vanGoode, Ransome,Goldschmidt,L. Bryanthad gelezen. Men zag vele zeer behoorlijk en zelfs elegant geschoeide voeten. Maar men zag ook vele kinderen en volwassenen blootsvoets gaan. In het heerlijke zomerweer, dat wij genoten,—warm en zonnig en toch telkens weer juist regen genoeg om het stof van de straten en boulevards weg te spoelen,—maakte dit volstrekt geen ellendigen of onpleizierigen indruk. Het leek heel gewoon en natuurlijk, vooral bij kinderen en had zelfs iets grappig ongegeneerds, als boven de bloote voeten een keurig linnen rokje en een nette lichte russische blouse uitkwamen. Dan werd men aan de overtuigden van het een of anderKneipschsanatorium herinnerd en moest glimlachen. Maar de glimlach verstierf, zoodra men zich indacht, wat er in den herfst met al die bloote voeten gebeuren zou, als de straten vol dikke, ijzige modder waren en in den winter, wanneer de sneeuwval begon. En deze gedachte kwam telkens boven als de oogen de vele, vele voetenparen opmerkten, die niet bloot waren, maar in versleten kapotte schoenen gestoken—schoenen, die op den vuilnishoop thuishoorden—of bedekt met wonderlijke, zelf in elkaar geflanste bekleedsels van vilt of stof of de hemel weet wat. Niet iedereen heeft lust om barrevoets te loopen en niet voor allen is het raadzaam. Ook zullen, dunkt mij, velen zich geneeren dit te doen. Er waren in Moscou blijkbaar duizenden menschen—arbeiders, beambten, intellektueelen, mannen zoowel als vrouwen—dieom de een of andere reden niet barrevoets wenschten te gaan en geen behoorlijk schoeisel bezaten. Sommigen van hen droegen schoenen, zoo ellendig, zoo geheel en al verteerd door den tijd en zoo zichtbaar op het punt hun dragers te begeven, dat ik er haast niet naar durfde kijken. Zulk een paar schoenen zag ik telkens aan de voeten van een buitengewoon intelligente en sympathieke vrouw, administratrice van een groote inrichting voor toegepaste opvoedkunde. Die schoenen hinderden mij, geneerden mij, gaven mij een onbehagelijk, schuldig gevoel. De direkteur zelf der inrichting droeg eigen vervaardigd schoeisel gemaakt uit een soort trijp.

Hoe de toestand precies was in Moskou in die Junimaand wat de voedselvoorziening aangaat, kan ik niet zeggen. Beter dan in het voorjaar, verzekerde men mij; de transporten kwamen geregeld aan en de vastgestelde rantsoenen konden verstrekt worden. Van Juli af begonnen er ook meer aardappelen beschikbaar te komen, men zag ze op straat op de stalletjes. Men zag daar trouwens ook overvloed van lichtbruin boere(tarwe) brood en zwart regeeringsbrood, maar hoevelen konden het koopen? Drie à vierduizend roebel per pond was de gewone prijs. Toch zag men altijd koopers bij die stalletjes; ook vruchten, eieren, zure melk werden veel gekocht, ondanks de exorbitante prijzen. Dikwijls waren het zeer eenvoudige lieden die kochten, kleinburgers en arbeiders. Herhaaldelijk heb ik gevraagd, hoe zij aan 't geld kwamen; ik kreeg verschillende verklaringen. In het begin der revolutie was op groote schaal huisraad, linnen, zilverwaren gestolen uit de woningen der rijken en nu werd telkens iets daarvan in levensmiddelen omgezet. Een andere verklaring was het veel voorkomende stelen in de fabrieken, hetzij van grondstoffen of van fabrikaten, die dan werden verkocht of verruild. Nog een andere: (het officieel-toegestane) vervaardigen in de fabrieken en werkplaatsen, gedurende een deel van den arbeidstijd, van kleine gebruiksvoorwerpen, die als ruilobjekten voor levensmiddelen dienst deden. Het een met het ander kan dunkt mij eenigszins verklaren hoe een groot deel van de bevolking van Moskou er zich doorslaat. Maar zeker waren er ook menschen, die zich op geenerlei wijze extra levensmiddelen konden verschaffen en uitsluitend of bijna uitsluitend op de rantsoeneering aangewezen waren. Die leden dan honger. Dat er dezen zomer veel honger geleden werd in Moskou enin een groot deel van Rusland, ook buiten het geteisterde gebied, daaraan twijfelde niemand. Ik heb geen proletariërs-gezin gezien bij den maaltijd en weet niet precies waaruit het gewone rantsoen bestaat, maar wie zijn oogen niet met opzet sloot en zijn ooren dichtmetselde, zag en hoorde den honger ook in Hotel Lux1), waar een groot deel van de kongresafgevaardigden logeerden en waar ook vele Russen aten, die op de een of andere wijze in betrekking stonden tot de Commintern. Een aantal van de buitenlandsche afgevaardigden, vooral de vrouwen, bewaarde een gedeelte van hun brood en hun boterrantsoen om het te geven aan russische vrienden, of aan buitenlandsche kameraden die te Moskou woonden. Men kreeg ontstellende dingen te hooren over de nood onder de beide kategorieën. Van de Russen zelf, die in Lux aten namenzeer veleneen deel van hun voedsel mee; de getrouwden onder hen waren zoo in de gelegenheid hun vrouw en kinderen een extra hapje te verschaffen. „Voor mijn zieke vrouw”, zeide een partijgenoot uit Zuid-Slavië eens aan tafel tegen mij, terwijl hij zijn hompje vleesch zorgvuldig inpakte en in zijn tasch borg. „Wat scheelt uw vrouw”, vroeg ik. „Zij heeft een miskraam gehad en kan niet op haar verhaal komen,” luidde het antwoord en somber, half wanhopig, voegde hij eraan toe: „Het is de honger, die haar ziek maakt; zij moest goed gevoed worden, zegt de dokter: eieren, melk, vleesch, maar dat is immers onmogelijk, het zou honderdduizenden roebels kosten. Het zwarte brood en de zoute haring, zij kàn ze niet eten, zij walgt er van”....

Het was afschuwelijk om te weten, dat de honger overal rondom ons was en hem zelf niet te voelen. In Hotel Lux was het eten overvloedig—onnoodig rijkelijk zelfs in sommige opzichten—en behoorlijk toebereid. Natuurlijk waren er toch nog gasten, die klaagden; er zijn altijd van die zonderlinge menschen, die zich ongelukkig voelen als al hundierbare behoeftetjes niet precies op de minuut bevredigd worden. Ook onder de communisten vindt men ze. Maar de anderen en dat waren gelukkig de meesten, schaamden zich over wat het uitgeputte Rusland voor ons deed. Wij kregen onze drie maaltijden per dag en, verwende westerlingen als wij waren, voelden wij ons hongerig en flauw wanneer het een enkele keer gebeurde, dat er niet voor vijf of zes uur gelegenheid was het middagmaal te gebruiken. We schaamden ons maar we aten, het ongerantsoeneerde brood, de boter en de kaas en het vleesch, we dronken de thee-met-suiker, alles dingen, die de massaas van de russische arbeiders en intellektueelen in jaren niet hebben gezien. We schaamden ons over een gastvrijheid, die een paar duizend menschen had genoodigd naar de hoofdstad van een uitgemergeld land, hen daar spijzigde en laafde met het allerbeste, wat in dat land te vinden was en om hen behoorlijk onder te brengen zelfs de min kostbare meubels uit eenige van de musea sleepte2), een gastvrijheid, te onbedachtzaam, te zorgeloos, te grand seigneur misschien voor de omstandigheden, maar getuigend van een grootheid van hart en een edelmoedigheid die de zakenmoraal in de oude kapitalistische landen grondig heeft uitgeroeid.

Wat onze schaamte nog erger maakte, was de bijna pijnlijke onbaatzuchtigheid van onze russische genooten zelven. Ik heb jonge meisjes, wien ik een plak chocolade aanbood, met een instinktief gebaar van afweer, als bevreesd voor de verleiding van dit kostbare, de handen naar den rug zien brengen; bijna altijd was het eerste woord van degeen, wie men iets van dien aard wilde geven: „maar is het niet te veel?” En toen wij Moskou verlieten moesten we bijna smeeken, eer we onze genooten er toe konden bewegen de kleeren, het schoeisel enz. aan te nemen, dat wij zoo gaarne gaven en zij zoo zeer behoefden. Al de verteederde bewondering, die zich in de weken van ons verblijf had opgezameldin ons hart voor deze zuivere, volkomen onzelfzuchtige wezens, steeg als een vloed in ons op wanneer wij hun zachte stemmen hoorden vragen: „maar kunt ge dit waarlijk wel missen?”

In de eerste dagen van Juli begonnen de jobstijdingen over de mislukking van den oogst in het Wolgagebied te Moskou algemeen bekend te worden. Iswestia en Prawda bevatten de eerste ontstellende opgaven over den omvang van den misoogst, vele partijgenooten spraken er over met angst in hun stem en bezorgdheid in hun oogen en een hunner, een vrouwelijke propagandist zeide tegen mij: „dit is de genadeslag. Ons volk is uitgeput, het kan niet meer volhouden; het zal tegen ons opstaan uit wanhoop. Enkel zoo in den loop van den winter de proletarische revolutie in Midden-Europa zegeviert zullen wij ons kunnen handhaven; in dat geval zal een nieuwe golf van geestdrift en hoop door de massaas gaan; zij zullen bereid zijn nog verder voor het communisme te lijden.”3)In 't algemeen echter kreeg ik den indruk, dat de beteekenis van de ramp in het zuidoosten, tot demeestenmet wie ik erover sprak, gewone partijgenooten, nog niet geheel was doorgedrongen. Wat de leiders aangaat, zij wachtten blijkbaar tot na den afloop van het communistisch congres, om met de buitenlanders een plan van internationale aktie te beramen. De maatregelen, die in Rusland zelf zouden worden genomen, begonnen juist bekend te worden, toen ik Moskou verliet. Kolontay sprak mij over de Alrussische commissie voor hulp aan het hongergebied; het verdroot haar, dat daarin burgerlijke, antisowjet-elementen zoozeer op den voorgrond traden. Zij met haar prachtig geloof aan de onuitputtelijke kracht der massaas betreurde het, dat de regeering niet allereerst een beroep had gedaan op het initiatief en de solidariteit van het volk. Reeds de naaste toekomst zou leeren, dat zij én wat de onbetrouwbare gezindheid van de meerderheid der burgerlijke commissieleden én wat de broederlijke offervaardigheid der massaas aanging, zich nietvergiste. Wat natuurlijk niet wegneemt, dat Lenin gelijk had, den goeden wil van het Sowjetbewind, om met alle burgerlijke elementen samen te werken, te demonstreeren.

De eenige man van gezag, die geheel open en zonder terughouding tot mij sprak over den misoogst in het Wolgagebied en zijn gevolgen, was Maxim Gorki. Van hem vernam ik voor het eerst, dat er toen reeds vreeselijke nood heerschte in Samara, Saratow, Simbirsk en andere provincien. Vernam ik de droevige waarheid over de afmetingen der cholera-epidemie en de paniek onder de bevolking der geteisterde streken. Hij schudde mij wakker en deed mij beseffen dat voor de organisatie van een groote hulpaktie onder de massaas van West-Europa te werken, nu de eerste plicht was van elken communist.

De groote behoeftigheid van het russische volk, het groote tekort aan voedsel en kleeren is,—niemand die in Rusland was, kan er aan twijfelen,—de meest algemeene oorzaak van de veel voorkomende korruptie en debetreurenswaardigeoverwoekering der samenleving door de bureaukratie. Natuurlijk spelen andere bijkomstige oorzaken ook een rol, maar het feit, dat, waar één paar schoenen beschikbaar is voor vijftig paar slecht geschoeide of ongeschoeide voeten, een dubbele en driedubbele kontrole waken moet, dat dit eene paar schoenen ook werkelijk de voeten bereikt, die het langst ongeschoeid zijn geweest of het meest hebben geloopen in dienst van de sowjetrepubliek,—dit feit dringt zich op aan elk niet door haat of wantrouwen beneveld oordeel. Insgelijks dat de bezitters van al deze voeten het mogelijke zullen doen om te bewijzen dat hún nood het grootst is en hun aanspraken op schoeisel het klemmendst zijn. En wie niet uitblinkt door een hooge mate van onzelfzuchtigheid en rechtvaardigheid, dat is, wie niet behoort tot de uitzonderingsmenschen, zal de verleiding niet kunnen weerstaan om, zoo hij in een der vele kontrole-instellingen „vrindjes” heeft, te pogen door hun hulp het zoozeer begeerde paar schoenen machtig te worden. Zoo is de behoefte de moeder van intrige, gekonkel, nijd, baantjesjagerij en bederf. En wat voor de kleeding geldt, geldt natuurlijk in nog hoogere mate voor het voedsel. Eten moet de mensch: uit den tijd der distributie kan ieder Hollander zich nogherinneren welk een obsessie het denkbeeld, meér voedsel machtig te worden dan waarop men recht heeft wordt, zoodra de toegemeten hoeveelheid kwantitatief en kwalitatief als onvoldoende wordt gevoeld. Daarom hebben in Rusland thans alle instellingen, waar uit den aard der zaak het voedsel iets overvloediger en beter van kwaliteit is, zooals scholen, zuigelingen- en kindertehuizen, enz. een aantrekkingskracht voor hongerige magen, te vergelijken met die, welke de kelken van lelies of andere honingrijke bloemen in een bloemen-arm jaar hebben voor de bijen. In al dergelijke instellingen stroomen de hulpkrachten toe, zij zijn aanwezig vaak vér boven het aantal, dat werkelijk noodig is; de persoonlijke arbeidsprestatie zinkt en de dagdieverij burgert zich in. Dergelijke verschijnselen zijn, hoe betreurenswaardig ook, eenvoudig onvermijdelijk zoolang het voedsel-tekort blijft nijpen; enkel de terugkeer van normale verhoudingen, dat is van verhoudingen, waarbij genoeg voedsel beschikbaar is voor allen, die willen werken, kan ze doen ophouden.

Een ergerlijker en minder vergeeflijk korruptie-verschijnsel is de voortdurende groei van de bureaukratie, het steeds toenemen van het aantal sowjetambtenaren (in de eerste plaats vrouwen) die in ruil voor vrije voeding en een kleine geldelijke toelage, een minimale arbeidsprestatie vervullen. Men behoeft maar een of twee sowjet-bureaux gezien te hebben om te weten dat wáár is, wat „iedereen” over het uiterst sloome arbeidstempo in deze broeiplaatsen van luiheid weet te vertellen. Er is tijd te veel en werk te weinig; ook vaak een bedroevend gebrek aan hart voor het werk, aan toewijding en gemeenschapszin. Honderdduizenden handen die produktief werk konden en behoorden te verrichten, doen niets als wat half noodig of onnoodig schrijfwerk, dat den bureaukratischen rompslomp nog vermeerdert en den ingewikkelden toestel der administratie met nieuwe radertjes belast.

Het vraagstuk hoe de sowjet-bureaukratie te vereenvoudigen en het aantal ambtenaren te verminderen hield vele hoofden te Moskou, waar het centrum van het euvel is, in den afgeloopen zomer bezig. Men hoopte, dat de vrijlating van handel en kleinbedrijf automatisch gunstig zouden werken, doordat het vooruitzicht op grooterverdienste in den handel of de kleinindustrie een aantal ambtenaren er toe zou brengen, aan den staatsdienst den rug toe te keeren. Men sprak ook van een beperking van het aantal ambtenaren van hoogerhand.

Echter, bedenkelijker nog dan het feit op zich zelf van de overwoekering der sowjet-republiek door de bureaukratie, ofschoon daarmee nauw verbonden, oordeelden de beste partijgenooten dit andere feit te zijn: het op groote schaal binnendringen van bureaukraten en baantjesjagers in de communistische partij zelve.

Gedurende de eerste jaren der revolutie was de communistische partij niet enkel de politieke motor, maar ook de moreele ruggegraat der revolutie geweest. De heldenmoed, de werkdrift, de grenzelooze toewijding en zelfopoffering der communisten hadden de sowjet-republiek herhaaldelijk gered in desperaat schijnende omstandigheden, zooals een geniaal geneesheer een zwaar zieke telkens opnieuw door een gevaarlijke crisis haalt. Maar in den ongelijken strijd tegen het wereldkapitaal waren tienduizenden der besten gevallen, andere duizenden geveld door de typhus, door overwerk gesloopt. Hun plaatsen waren ingenomen zeker ten deele door nieuwe geestdriftige proletariërs, vol verlangen hen die heengegaan waren te volgen op het roemvolle pad, maar jong en zonder ervaring. Echter ook anderen waren toegestroomd: niet weinigen uit de rijen der arme boeren, onder dezen waren zeer waardevolle elementen; maar meerderen uit die der sowjetbureaukratie, den nieuwen middenstand, voor een groot deel uit den ouden gerekruteerd. Men had ze niet verwijderd kunnen houden. De gapingen in de gedunde gelederen waren gemakkelijk aangevuld geworden, ja meer dan dat: in getalsterkte was de partij gegroeid. Maar zij was achteruit gegaan in innerlijke kracht, in eenheid, in zuiverheid en in idealisme, in al datgene wat haar in staat had gesteld haar taak zoo schitterend te volvoeren. Van de nieuwe leden waren vele tot haar gekomen uit eigenbelang, in de hoop op voordeel of vrijstelling van bepaalde lasten. Zij gebruikten de partij als een werktuig van hun eerzucht en hun eigenbaat. Op tal van plaatsen beheerschten deze soort „nieuw-communisten” de partij reeds; de oude garde, voor zoover zij nog leefde, morde; eerlijke beproefde proletariërsvoelden zich verbitterd in hun hart en smadelijk achteruitgezet door de kersversche communisten van het sowjet-intellekt; er waren kloven en scheuren in de partij geslagen; er was de groep, die zich arbeiders-oppositie noemde, zelfs waren er een of tweemaal pogingen tot afsplintering, tot vorming eener nieuwe communistische partij geweest.

Over al deze dingen en wat er mee samenhing werd door russische en buitenlandsche communisten gedurende het kongres veel gesproken, wanneer zij vertrouwelijk bijeen waren. Wie ze wist en de beklemming van dit weten ondervond, stond met gemengde gevoelens bij de diagrammen op de tentoonstelling van de Commintern, die den snellen groei der partij sedert 1918 en het bereikte hoogtepunt van meer dan 700.000 leden aangaven.

Maar toen ik de laatste maal, kort voor mijn vertrek, voor dat diagram stond, dacht ik weer met meer vertrouwen aan de toekomst der partij. Het besluit van het centraal-comité was juist bekend geworden dat een „nieuwe registratie” voorschreef, gelijk reeds een paar keer voordien was geschied. Ditmaal echter zou de zuivering grondig zijn; er werd beweerd, dat de partij zich van ongeveer een vijfde van haar leden zou ontdoen. De voorwaarden der nieuwe inschrijving waren opzettelijk zóó gekozen, dat zij voor in de laatste jaren toegetreden intellektueelen en sowjetbeambten veel strenger waren, dan voor gewone arbeiders. Wie deelgenomen hadden aan spekulatie en dergelijke oncommunistische praktijken zouden van de ledenlijst geschrapt worden, zoo zij burgerlijken waren; voor proletariërs werden kleine vergrijpen door de vingers gezien. Het effekt van dit besluit tot reiniging der partij werd onder de vooraanstaanden zeer verschillend beoordeeld, al naar de beoordeelaars optimisten of pessimisten waren. De eenen zagen de partij reeds hersteld in haar oude innerlijke kracht en tot nieuwen luister herboren; de anderen zeiden mistroostig, dat het proces van bureaukratizeering waarschijnlijk te ver voortgeschreden was, dan dat herstel mogelijk zou zijn. De partijmachinerie was in de macht der bureaukratie geraakt; zij zou de uitvoering van den maatregel weten te beletten of dien saboteeren. Of tot deze uitvoering intusschen geschreden en hoe zij verloopen is, weetik niet met zekerheid4). Ik voor mij blijf vertrouwen dat de leiders der partij, in samenwerking met het waarlijk communistische arbeiders- en boerenelement, er in zullen slagen het euvel meester te worden, dat de partij bedreigt. En een der goede kanten van de mislukking der samenwerking van het Sowjetbestuur met de vertegenwoordigers der groote russische bourgeoisie in de bestrijding van den hongersnood lijkt mij het hervonden inniger verband met de volksmassaas, van die mislukking onafscheidelijk. Van onderen moet de kracht komen, die de partij met nieuw zuiver bloed verrijkt.

1)Hotel Lux is in gewone tijden ingericht, ten eerste voor allen, die bij de administratie van de Commintern werkzaam zijn, ten tweede voor alle buitenlandsche gasten. In den kongrestijd moesten de russische employes hun kamers aan de toestroomende buitenlanders afstaan, maar zij behielden het voorrecht, in Lux hun maaltijden te gebruiken, een uiterst begeerd voorrecht, omdat het voedsel er rijkelijker en beter is dan overal elders.

1)Hotel Lux is in gewone tijden ingericht, ten eerste voor allen, die bij de administratie van de Commintern werkzaam zijn, ten tweede voor alle buitenlandsche gasten. In den kongrestijd moesten de russische employes hun kamers aan de toestroomende buitenlanders afstaan, maar zij behielden het voorrecht, in Lux hun maaltijden te gebruiken, een uiterst begeerd voorrecht, omdat het voedsel er rijkelijker en beter is dan overal elders.

2)Ik vernam althans van zeer betrouwbare zijde, dat een registratie van museummeubels voor dit doel had plaats gehad. Of het tot de uitvoering er van heeft moeten komen, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Maar het feit op zichzelf van het onderbrengen van een paar duizend afgevaardigden te Moskou is een kunststuk geweest, dat aan het bekende improvisatietalent van de Russen zware eischen heeft gesteld.

2)Ik vernam althans van zeer betrouwbare zijde, dat een registratie van museummeubels voor dit doel had plaats gehad. Of het tot de uitvoering er van heeft moeten komen, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Maar het feit op zichzelf van het onderbrengen van een paar duizend afgevaardigden te Moskou is een kunststuk geweest, dat aan het bekende improvisatietalent van de Russen zware eischen heeft gesteld.

3)Ik geef dit gezegde natuurlijk voor wat het is: een opwelling, geenszins een beredeneerd oordeel. Maar het is opmerkelijk, omdat er zoo duidelijk uit spreekt, wat de russische communisten van Europa verwachten, niet brood alleen, maar moreelen en politieken steun.

3)Ik geef dit gezegde natuurlijk voor wat het is: een opwelling, geenszins een beredeneerd oordeel. Maar het is opmerkelijk, omdat er zoo duidelijk uit spreekt, wat de russische communisten van Europa verwachten, niet brood alleen, maar moreelen en politieken steun.

4)Volgens burgerlijke organen heeft de zuivering reeds plaats gehad: ruim 41.000 namen zijn van de lijsten geschrapt geworden. In de afdeeling der C.P. van Petrograd beval Zinowiew den met de uitvoering van den maatregel belaste partijgenooten aan, iedere roekeloosheid en iedere schablone te vermijden. De meerderheid moest haar macht niet gebruiken, om de minderheid (de z.g. arbeiders-oppositie) buiten de partij te zetten; ook moest in aanmerking genomen worden, dat het voor boeren en intellektueelen moeilijker was, zich geheel en al naar de discipline te schikken, dan voor arbeiders. Daarentegen moesten alle baantjesgasten, allen, die blijkbaar uit zelfzuchtige motieven lid waren geworden, zonder aarzeling worden verwijderd. Lenin heeft aanbevolen, om vooral streng de gezindheid en de daden der in de laatste jaren toegetreden mensjewiki te kontroleeren.

4)Volgens burgerlijke organen heeft de zuivering reeds plaats gehad: ruim 41.000 namen zijn van de lijsten geschrapt geworden. In de afdeeling der C.P. van Petrograd beval Zinowiew den met de uitvoering van den maatregel belaste partijgenooten aan, iedere roekeloosheid en iedere schablone te vermijden. De meerderheid moest haar macht niet gebruiken, om de minderheid (de z.g. arbeiders-oppositie) buiten de partij te zetten; ook moest in aanmerking genomen worden, dat het voor boeren en intellektueelen moeilijker was, zich geheel en al naar de discipline te schikken, dan voor arbeiders. Daarentegen moesten alle baantjesgasten, allen, die blijkbaar uit zelfzuchtige motieven lid waren geworden, zonder aarzeling worden verwijderd. Lenin heeft aanbevolen, om vooral streng de gezindheid en de daden der in de laatste jaren toegetreden mensjewiki te kontroleeren.

Onder de ontelbare belagers en belasteraars van de bolschewiki is er voor zoover ik weet niet één geweest, die de beide groote leiders der russische entevensder wereldrevolutie, Lenin en Trotzky, in ernst heeft durven beschuldigen van wreedheid,1)eigenbaat, of onbekwaamheid2). En dit feit is zóó merkwaardig, dat het wel de moeite waard is, het nader onder de oogen te zien en de oorzaken ervan te ontleden. Hier zijn een paar mannen, die het initiatief hebben genomen tot een omwenteling—na deze jaren lang agitatorisch en organisatorisch voorbereid te hebben—wier doel ingaat tegen de denkbeelden, de gewoonten en de instinkten, bij de groote meerderheid der menschen door eeuwen van privaatbezit aangekweekt en tegen de klassebelangen der heerschenden van alle landen. In den loop van een vreeselijke worsteling tegen de burgerlijke regeeringen van andere staten en tegen de reaktionaire, de half reaktionaire en de onzekere elementen van het eigen land, zijn die mannen herhaaldelijk genoodzaakt geweest een schrikbewind in te voeren, duizenden hunner landgenooten te laten opsluiten in gevangenissen of terecht te stellen. Zij zijn verder genoodzaakt geweest een groot leger te scheppen, van de arbeiders en boerenbevolking reusachtige bloedoffers te eischen in den strijd tegen de reaktie, en zelfs eenige malen het leger te gebruiken tegen verleide matrozen of volksmassaas. Er is niet één hunner ontelbare vijanden, die op goede gronden durft zeggen: „dezemannen zijn bloeddorstig”. Hun gezag over honderdveertig millioen menschen is ontzaglijk groot, immers hun voorstellen en meeningen beinvloeden in de hoogste mate de vertegenwoordigers dier honderdveertig millioen, bij wie het politieke initiatief berust, zij die over den koers van het schip van staat beslissen. En er is niemand van hun haters, die in ernst durft beweren, dat hun voorstellen, hun raadgevingen, vermaningen en waarschuwingen zijn ingegeven door liefde tot de macht, of bezorgdheid voor hun persoonlijke positie en hun persoonlijke veiligheid. De inhoud van hun voorstellen en waarschuwingen is uiterst wisselend al naar de omstandigheden, den aard der gevaren, waaraan Sowjet-Rusland allereerst het hoofd moet bieden en de ontelbare, onophoudelijk wisselende faktoren der binnenlandsche en buitenlandsche politiek. Herhaaldelijk hebben zij zelf moeten oproepen tot maatregelen, die zij kort tevoren voor verderfelijk hadden verklaard en vóór moeten gaan bij den terugtocht, na den aanval te hebben bevolen; zij hebben zelven het werk hunner handen moeten afbreken, het sein moeten geven tot het afdragen van de steenen, die op hun bevel ten koste van ontzaglijke offers waren saamgebracht. En ook deze proef heeft hun reputatie doorstaan, hun politiek zoowel als hun moreel gezag is onaantastbaar gebleken en wanneer uit de onoverzienbare rijen der vijanden heden enkele stemmen opkomen, hen beschuldigend van kortzichtigheid en onbekwaamheid, zoo vormen die stemmen als het ware het kleine zwakke bijgeluid in het groote koor, dat gedwongen is hun genialiteit als organisatoren en politici te erkennen.

Hoe komt dit alles? Wat is de oorzaak van het zeldzame, misschien unieke verschijnsel in de geschiedenis, dat de laster die, zou men zeggen, zoo overvloedig stof moest vinden om deze beide mannen te besmeuren, hen niet vermag aan te randen en hun vijanden over de geheele wereld vol innerlijke woede gedwongen zijn, de grootheid hunner gaven, de onbaatzuchtigheid hunner daden en de onwankelbaarheid van hun wil te erkennen?

Voor een zeer groot deel is dit het gevolg van de volkomene, onloochenbare, niet te betwijfelen overeenstemming hunner daden met hun woorden, de huidige zoowel als de vroegere. Na hun machtsverheffing zijn zij gebleven, wat zijvolgens hun beginsel moesten zijn: de voorgangers der arbeiders en arme boeren, de voorvechters der sociale revolutie. Elk hunner dagen en uren bracht een nieuw bewijs hoe zij niets zochten buiten haar dienst, haar redding en haar bevestiging. Elk hunner maatregelen, hetzij op het gebied der binnenlandsche of buitenlandsche staatkunde, der leger-organisatie of der voedselverschaffing was volkomen gefundeerd in den bodem der revolutionaire, politieke noodzakelijkheid, wanneer men daaronder verstaat de verzoening der eischen van het oogenblik met die van de toekomst. Nooit schroomden zij om de fundamenten van hun politiek bloot te leggen; elke nieuwe maatregel, waartoe zij rieden of waarop zij aandrongen werd door hen in redevoeringen of geschriften uiteengezet, verklaard, toegelicht in haar oorsprong en gevolgen. Hun politiek was zoo eerlijk en zoo vast, dat zij nimmer den schijn van onvastheid, inkonsekwentie en bedriegelijkheid had te vreezen. Wie zich de moeite wilde geven hun uiteenzettingen te volgen en te doordenken, moest, hoe vreemd, onwenschelijk, verkeerd of gevaarlijk de nieuwe koers, waartoe zij opriepen, hem aanvankelijk toescheen, ten slotte erkennen, dat door zulk een koers de belangen van vandaag en van morgen, van de russische en de wereldrevolutie het best werden gediend. Sedert vele geslachten—misschien sedert de dagen der fransche omwenteling van 1789,—waren zij de eerste groote politici, die wat zij voorgaven te willen, ook werkelijk wilden, volkomen en onverdeeld. Het gefundeerd zijn hunner politiek in waarachtigheid—wat niets te maken heeft met de toepassing der kunst den vijand door list of misleiding te verschalken—dringt zich zoozeer op, dat elkeen, ook de ergste tegenstander, het moet erkennen.

Hun positie wordt daarbij in hooge mate gesteund door hun persoonlijk leven. Ook op dit punt zijn hun vijanden genoodzaakt de wapens te strekken door de erkenning, dat de russische revolutie aan Lenin en Trotzky persoonlijk niets anders gebracht heeft dan een ontzettende, verpletterende arbeidslast en een bijna niet in te denken verantwoordelijkheid. Hun materieel bestaan onderscheidt zich niet noemenswaard van hun leven als ballingen vóór de wereldkatastrofe, die hen omhoog hief, noch van het bestaan van tienduizenden hunner landgenooten. De ijdelheid en demachtswaan, die voldoening vinden in praal en pronk, in zinledige ceremoniën en uiterlijke teekenen van verheffing en onderscheiding, zijn hun ten eenenmale vreemd. Het gezag dat zij doen gelden is het gezag van hun schitterende begaafdheid, hun uitzonderlijke vermogens en hun groote ervaring, niet dat hunner uiterlijke positie. Voor hen is „gezag” en „verantwoordelijkheid” feitelijk één en hetzelfde begrip. Ondanks het sterke zelfvertrouwen, waarvan hun uitingen blijk geven, is in hen niets van opgeblazenheid, aanmatiging of hoogmoed. Op de verwonderlijke hoogte waarop de wereld-gebeurtenissen hen hieven, hun eigen genialiteit en de wil der massaas hen handhaafde, zijn zij de oude „kameraden” gebleven. Een uiterlijke, wereldsche, konventioneele scheidsmuur tusschen hen en den eenvoudigsten partijgenoot bestaat niet; niets anders dan de innerlijke afstand, het resultaat van hun onbetwiste en onbetwistbare meerderwaardigheid. Een dergelijke verhouding, een dergelijk absoluut ontbreken van alle oude heerschersattributen in deze beide machtigste menschen ter wereld—immers zij belichamen, zij drukken uit in hun persoonlijke lijflijkheid den nieuwen levenswil, de nieuwe aspiraties van vele millioenen—is iets ongehoords in de geschiedenis, een verschijnsel zonder precedent, de eerste aanloop tot den overgang der menschheid in het rijk der gelijkheid. Zij inkarneeren het geweten, het inzicht, de intuitie, het hoogste redelijke willen van millioenen; geen heerschers zijn zij, boven de massa verheven, van haar gescheiden door een breede klove, maar de eersten onder gelijken. Zij zijn zooals zij zijn niet uit berekening, uit effektbejag, uit vrees door anders-zijn afgunst op te wekken, maar omdat zij niet anders kúnnen wezen. Zij leven volgens hun beginsel, omdat hun beginsel hen geheel heeft doordrongen,—het beginsel van de sociale gelijkheid der menschen, als het naastbij liggende doel van de groote worsteling voor een betere aarde. Zij zijn zooals zij zijn, niet uit christelijke nederigheid of ootmoed; nog minder omdat zij nederig en ootmoedig willenverschijnen, maar omdat zij de uiterlijke, sociale, menschelijke gelijkheid erkennen, belijden en doorleven. Wie zich het hoofd breekt—een vrij onnut werk trouwens—over de positie der hooger-begaafden in een maatschappij, waarin de economische en sociale gelijkheid is doorgevoerd, vindtin de positie van Lenin en Trotzky in Sowjet-Rusland vele aanknoopingspunten ter oplossing van dit probleem.

Er is, wat geeft het dit te verhelen, iets angstigs in de mate, waarin Lenin en Trotzky door het, in twee zoozeer verschillende individuen, zeldzame komplex van genialiteit, wilskracht, onbaatzuchtigheid, innerlijke waarachtigheid en zedelijken moed, boven al hun helpers uitrijzen. Enkele anderen mogen hen in bepaalde eigenschappen ter zijde treden of overtreffen, hun algemeen evenwaardig is niemand. Hen aanziend en aanhoorend voelt men somtijds een smartelijke onrust opstijgen bij de gedachte, hoe broos het menschelijk leven is, hoe afhankelijk van tallooze kleine omstandigheden. Op de hem eigen spontane en trouwhartige wijze sprak Loenacharsky die onrust eens tegen mij uit in de volgende woorden: „ik ben een goed Marxist, maar toch... zoo men mij vroeger gezegd zou hebben, dat personen een zoo ontzaglijken invloed kunnen hebben op het sociale geschieden als Lenin en Trotzky, dan had ik het niet geloofd. Wie onzer wist niet in dezen winter, dat het roer omgegooid moest worden, wilden wij niet ondergaan? Maar enkel Lenin had den moed, om een nieuwe koers voor te stellen”.

Wanneer men mij zou vragen, wie van de andere bekende russische communisten Lenin en Trotzky het naast staat, niet in deze of gene eigenschap maar als menschentypus, dan zou ik zonder aarzelen Boecharin noemen, ofschoon ik hem in Moscou voor het eerst ontmoette en slechts enkele malen sprak. Zeker schijnt hij, de veel jongere, thans minder groot aangelegd dan deze beide, zijn geest kleiner en meer naar het spitsvondige gericht. Maar iets in zijn wezen verraadt dezelfde innerlijke vastheid en eenvoud en een misschien nog grootere louterheid dan de hunne en daarom lijkt het mij mogelijk toe, dat hij zal uitgroeien tot eene aan hen gelijkwaardige persoonlijkheid. Het trof mij op een keer toen de gelegenheid zich aanbood, om de voornaamste leiders der russische en der internationale revolutie tot één groep vereenigd gade te slaan, hoe duidelijk éénzelfde geestelijke dampkring de hoofden van deze drie omgaf, hen afzonderend niet enkel van ons, westerlingen, maar van hun eigen vrienden en makkers.

Het was op het kongres, gedurende de behandeling van het tjecho-slowakische vraagstuk door de taktiekkommissie,die bij uitzondering haar eerste zitting hield in de groote troonzaal—een om meer dan een reden zeer belangrijke zitting, waarover ik in een ander verband al geschreven heb3). Lenin, Trotzky en Boecharin zaten met eenige andere bekende leiders aan een afzonderlijk tafeltje, dicht bij de vensterrij, die evenwijdig loopt met het breede terras, vanwaar men neerziet op een deel van het Kreml en de westelijke voorsteden van Moskou. Aandachtig luisterden zij naar Smerals zoetvloeiende rede, bogen nu en dan over in fluisterend spreken, soms tot elkaar, soms tot Zinowiew's half lijdenden, half energieken kop aan de andere zijde van het tafeltje. De spottende lach verdween niet van Lenin's gezicht, Trotzky keek ernstig en een weinig geërgerd; Boecharin's gelaat droeg die wonderlijke uitdrukking van „jenseits von gut und böse”, die mij trof van het eerste oogenblik af aan, dat ik hem zag. Toen, onverwachts, verscheen op het podium rechts boven hen een allerliefst kind: het zoontje van Eugen Varga, dat zijn vader zocht. Fluks sprong de slanke Boecharin de trappen van het podium op om het kind te halen, nam het in zijn armen en droeg het naar hun tafeltje, waar hij het neerzette en het een oogenblik bij zich hield aan zijn knie. Toen wenkte Trotzky het jongetje tot zich, nam het aan zijn borst en streelde het. Lenin's masker van spottenden faun was plotseling verzacht tot de uitdrukking van die zuivere, menschelijke mildheid, welke uit zijn geschriften tusschen vele harde, meedoogenlooze mokerslagen door, soms zoo ontroerend opstijgt. Wat was zij schoon, de groep van die drie mannen met dat kind, zoo anders in hun zuivere spontaniteit dan ons gezelschap troebele westerlingen aan de lange tafel, zoo vol kracht en zekerheid en zoo eenvoudig menschelijk onder elkaar. Lenin geleek toen een Pan, een zuiver natuurwezen, vol wonderbaarlijke intuitie en waar de oerkracht van talloozen in leeft. Trotzky zat stil en recht in die schoone harmonie van superieure intelligentie en onverzettelijke wilskracht, die zijn wezen is en Boecharin's helder gelaat stond zacht en open als een bloem.

Toen wij dien dag van de zitting naar huis terugkeerden,ik en de beide makkers, die plachten met mij de wandeling in het zachte blanke licht van de niet-eindigende avondklaarte te verkiezen boven het gehos over de keien in de volgepakte lastauto's, spraken wij tot elkaar in bewogen woorden over dat oogenblik, waarin het menschelijke wezen dier drie mannen zich zoo schoon en stil had geuit, over hun gedragingen onder de zitting en over dat geheimzinnigeiets, rondom en boven hen, wat hen van alle anderen onderscheidde. En vol vertrouwen in wat de menschheid ging baren, zeiden wij tegen elkaar: „Waarlijk, zij zijn de apostelen; waarlijk, tusschen hen in staat, voor anderen nog onzichtbaar, de nieuwe Heiland, het Communisme, blaast hen zijn geest in en sterkt hen met zijn kracht”.

De hierboven beschreven zitting is natuurlijk niet de eenige geweest waarbij de gelegenheid zich voordeed om de leiders der wereld-revolutie te observeeren. Maar in den regel schroomde ik dit te doen, althans voor wat Lenin betreft. Het leek mij onbescheiden, zijn gelaat te bespieden om te pogen daarop sporen te ontdekken van een innerlijke worsteling, als deze heldhaftige mensch ongetwijfeld heeft doorgemaakt, eer hij besloot tot een politieke koersverandering die, ook in het gunstigst geval, een lange, gevaarlijke omweg op de vaart naar het communisme beteekent. Het besef van het tragische lot van den held, worstelend tegenover overmachtige omstandigheden, tegen de wereldreaktie en niet minder tegen de verblinding, de zelfzucht, de lafheid, de geestelijke onrijpheid van het grootste deel der internationale arbeidersklasse, dit besef was altijd pijnlijk levend in mij, wanneer ik Lenin zag. Het weerhield mij vaak het woord tot hem te richten en hield er mij ook van terug een persoonlijk onderhoud aan te vragen. Iets anders was dit met Trotzky. Te Zimmerwald hadden wij den band van sympathie en vertrouwen gesloten, die, naar ik tot mijn vreugde bemerkte, ook voor hem in de daarna verloopen jaren, de jaren, dat hij wereldgeschiedenis maakte, was blijven bestaan. Het onderhoud, dat ik met hem had in zijn werkkamer—een ruim, licht, rustig en welgeordend vertrek in de vroegere Keizerlijke Militaire Akademie, thans de zetel van het Volkskommissariaat voor Nationale Verdediging—liet als sterkste herinnering bij mij na den indrukvan onwrikbare vastheid, ruimheid van inzicht en gematigdheid van oordeel, vereenigd tot schoone en sterke harmonie. Het terugdenken daaraan blijft voor mij een bron van kracht en heldere vreugde.

Maar ook mijn denken aan Lenin, al trof het tragische in zijn lot mij sterker dan het geval was met Trotzky, is vrij van elk deprimeerend of zwaarmoedig nevengevoel. Immers ik weet, dat zijn kracht hem in geen enkele omstandigheid zal verlaten, dat geen nederlaag, geen teleurstelling en geen mislukking hem ooit het besef kan ontnemen van wat de russische revolutie als historisch verschijnsel beteekent, van haar waarde als een nieuw uitgangspunt in den bevrijdingsstrijd van de verdrukten en uitgebuiten der geheele aarde.

Anders gaat het mij ten opzichte van een anderen grooten belichamer der ziel van het russische volk, dien ik te Moskou voor het eerst ontmoette: Maxim Gorky. Wanneer ik aan hem denk, wordt het in mijn hart donker, omdat ik de smart en de wanhoop voel van edele menschelijke harten, die zich niet kunnen verzoenen met de ontzaglijke wreedheid van het geschieden op aarde, niet kunnen aanvaarden de vreeselijke offers, waarmee elke stap vooruitgang moet worden gekocht.

Jaren en jaren lang had ik verlangend uitgezien naar een ontmoeting met Gorky, had ik gehoopt van zijn lippen woorden te hooren, die voor mij een ander licht zouden doen opgaan over de moeilijke problemen, waarmee wij, te vroeg of te laat geboren kunstenaars, staande op de kentering der tijden, dagelijks worstelen. Maar ik ben daarin teleurgesteld geworden en toen ik de trappen afdaalde van het groote naargeestige steengevaarte in de smalle straat, waar het Moskousche Roode Kruis zijn zetel heeft en waarin Gorky tijdelijk een klein kamertje op de vierde verdieping bewoonde4), voelde ik mij, voor het eerst gedurende mijn verblijf te Moscou, beklemd en bijna wanhopig. En dit was niet—behoef ik het te zeggen—omdat Gorky, met heel de suggestieve kracht van zijn sterke persoonlijkheid, in mij had gehamerd het besef van de vreeselijke ramp ginds inWolgagebied. Het was niet om wat hij mij met een uitdrukking van ontzetting in zijn oogen had verhaald over den honger, de paniek en de cholera, over de wanhoop der boeren die alles neergooiden en enkel dachten aan vluchten. Het was ook niet wat hij zeide over de machteloosheid der sowjet-organen om aan de ramp het hoofd te bieden, wat mij zoozeer beklemde; ik had dat alles in partijkringen nog sterker gehoord; noch de afkeurende blik, waarmee hij mij vroeg, of ik goed vond, wat de regeering deed: duizenden gasten naar Moskou halen en rijkelijk eten geven, terwijl er honger geleden werd door millioenen; dergelijke gedachten had ik immers herhaaldelijk in mijzelf voelen opkomen.

Neen wat voor mij het onderhoud met Gorky zoo pijnlijk maakte, was het duidelijk gemis bij dezen grooten zoon van zijn volk van het besef,—een besef, uit de leiders der revolutie als een innerlijk licht naar buiten stralend—dat door de arbeidende massaas van Rusland een werk beproefd werd, dat niet kon falen, omdat ook het geringste succes bij dit werk, elk begin van zelfordening en zelfbestuur, van vestiging eener economische demokratie, van ontzaglijk belang was voor het geheele wereldproletariaat. Met bittere woorden sprak hij tot mij over den afkeer van het russische volk van geregelden arbeid, over de achterlijkheid en de apathie van dat volk en de voordeelen der westersche kultuur. Het was duidelijk, dat van de tallooze heldhaftige daden, door dat volk in de laatste jaren begaan, den diepsten indruk op hem gemaakt had de moed en de toewijding van sommige geleerden, die in uiterst ongunstige en kwellende omstandigheden hun gewonen beroepsarbeid hadden voortgezet. „Dat zijn helden, helden”, herhaalde hij met een warmte in zijn stem, die mij weldadig aandeed. Maar voor de heldhaftigheid der roode arbeiders en der roode soldaten vond hij geen enkel woord; hun lijden scheen hem te diep ter neer te slaan, dan dat hij zich over hun daden kon verheugen. En toen ik hem vroeg of hij dacht, dat een groote revolutionaire opleving in Europa Rusland zou helpen de zware geestelijke krisis te boven te komen, antwoordde hij treurig: „Wat zou de revolutie kunnen doen? Brood is het wat wij noodig hebben”. En opnieuw bezwoer hij mij te pogen de groote en rijke arbeidersorganisaties van West-Europa en Amerika op te wekken tot het zoo snel mogelijk verleenen van stoffelijkenhulp. Het was duidelijk, dat zijn ziel in smart verbloedde: de gedachte aan het vreeselijke lijden van millioenen wezens had in haar het vertrouwen in de scheppende kracht der massaas gedood.

Ik vroeg hem naar zijn letterkundigen arbeid; hij antwoordde mij, zonder iets van bitterheid of spijt, dat het hem niet mogelijk was geweest sedert het begin van de revolutie iets te scheppen; hij was al te zeer in beslag genomen door het vele andere werk, dat hij het zijn plicht voelde te verrichten. De ongewilde tragiek van dat antwoord sneed als een dolk door mijn hart. Weer een, de grootste der levende russische kunstenaars, die als zoovelen voor hem, als Tolstoi zelf, de grootste van allen, aan zijn waarachtige menschelijkheid, aan de diepte van zijn tot daden dringend medegevoel, zijn kunstenaarschap opofferde. Ik dacht aan de velen in alle landen, die zich „revolutionnaire kunstenaars” noemen, omdat zij in hun werk zekere thema's, die met de revolutie in uiterlijk verband staan, behandelen, zonder ooit zelfs een flauwe poging gedaan te hebben, haar ontzaglijke tragiek innerlijk te doorleven, laat staan in zich zelf te overwinnen. Maar ook dacht ik aan anderen, aan enkele uit het volk voortgekomen jonge russische dichters, wier eerste pogingen, hoe gebrekkig ook, iets hadden van den glans van een dagbegin in het vroegste voorjaar. Ik dacht aan de uitdrukking van Gorky's gelaat, toen hij mij gesproken had van den grooten honger naar kennis en schoonheid in de massaas; in zijn oprechte oogen, om zijn sterke en toch sensitieve mond had een oogenblik een glans gespeeld; die glans was weer gedoofd en met een zucht had hij gezegd: „maar wij hebben geen papier; er kunnen geen boeken meer verschijnen en die nog verschijnen zijn te slecht gedrukt; de ongeletterde boeren kunnen dien kleinen druk niet lezen. Zóó moesten de letters zijn”;—en hij sloeg een boekje open en toonde het mij met groote, duidelijke letterteekens bedrukt, als een eerste leesboekje voor kinderen.

Het leek mij, dat zoo hij slechts had kunnen vasthouden het vertrouwen, dat de honger naar kennis en schoonheid in de massaas ten leste over hun apathie, hun onwetendheid, hun afkeer van geregelden arbeid zouden zegevieren;—goed had kunnen vasthouden de overtuiging, dat alle smart en alle verschrikkingen der revolutie niet nutteloos zijn, zoozij in de massaas den drang tot hooger leven, tot aktieviteit en persoonlijke zelfbeschikking opwekken,en enkel de revolutie dien drang opwekken kan, misschien langen tijd eer zij hem kan voldoen,—hij niet zoo vertwijfelend gestaan zou hebben bij het lijden van zijn volk. Wellicht had hij dan ook beelden kunnen vinden, dat volk troostend over zijn lijden, door het de schoonheid en de waarde ervan voor de menschheid voor oogen te stellen. Maar noch ik, noch wie ook, kon hem dat vertrouwen geven: het is de gave die geen mensch een ander te schenken vermag. Ik kon hem niet troosten, hij kon mij geen bron zijn van krachten. Wij reikten elkaar de hand en gingen zwijgend uiteen.


Back to IndexNext